Gemeenteblad van Overbetuwe
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Overbetuwe | Gemeenteblad 2025, 273915 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Overbetuwe | Gemeenteblad 2025, 273915 | beleidsregel |
Beleidsregels sociaal domein gemeente Overbetuwe 2025
In dit document staan de aanvullende regels op de Verordening Sociaal Domein.
Hierin wordt uitgelegd hoe aanvragen worden beoordeeld, voor wie de beleidsregel geldt en wat er van de inwoner wordt verwacht. Ook staat er uitleg over de soorten voorzieningen en welke stappen gezet worden voordat een beslissing wordt genomen
Bij het toepassen van de beleidsregels houdt het college altijd rekening met de landelijk geldende wetten. Hierbij gaat het college niet alleen uit van de wet en de regels, maar ook van de bedoeling van de regels. Dit betekent dat niet alleen gekeken wordt naar de letterlijke bepalingen van de regels, maar ook naar wat deze regels beogen te bereiken. De regels zijn daarmee een aanvulling op de wet en de Verordening Sociaal Domein.
1. Werk en Participatie (Participatiewet, IOAW, IOAZ)
1.1.1 Wettelijke verplichting inzet jobcoaching
Wanneer een inwoner recht heeft op loonkostensubsidie heeft deze ook recht op begeleiding op de werkplek. Dit kan een interne werkbegeleider zijn of een interne of externe jobcoach. De aanspraak op begeleiding op de werkplek staat in artikel 10da Participatiewet. Het is geen verplichting voor het college om altijd jobcoaching in te zetten wanneer er sprake is van loonkostensubsidie Ook is de duur en intensiteit van jobcoaching afhankelijk van de behoefte.
Jobcoaching wordt ingezet wanneer een inwoner loonkostensubsidie ontvangt én begeleiding de snelle doorstroming naar werk ondersteunt. Hier kan in sommige situaties van afgeweken worden. In overleg met de werkgever beslist het college of de interne jobcoach, jobcoach Overbetuwe of externe jobcoaching wordt ingezet. Dit hangt af van de situatie.
1.1.2.1 algemene uitgangspunten
1.1.3 verschillende vormen van Jobcoaching
Er zijn verschillende vormen van Jobcoaching, namelijk interne jobcoaching, de jobcoach Overbetuwe en externe jobcoaching. Om te bepalen welke vorm van jobcoaching wordt ingezet volgt het college de volgende stappen:
Wanneer (extra) begeleiding wel nodig is wordt eerst gekeken of de inzet van de Harrie-training voldoende is. Dit is een tweedaagse training waarin deelnemers worden opgeleid tot Harrie. Hiervoor worden afspraken gemaakt met het Werkgeversservicepunt (WSP). Meer informatie is te vinden op: www.ikbenharrie.nl
1.1.4 Budgetplafond externe jobcoaching
Voor externe jobcoaching is er een budgetplafond van €50.000 per kalenderjaar. Als aan de voorwaarde hiervoor wordt voldaan (artikel 1.2.3, vierde lid), kan het college externe jobcoaching inzetten als budget beschikbaar is. Als het budgetplafond is bereikt of overschreden dreigt te worden, zet het college geen externe jobcoaching meer in. Externe jobcoaching die op dat moment al loopt zal doorlopen tot het einde van het kalenderjaar.
Loonkostensubsidie is bedoeld voor werkgevers en compenseert in de loonkosten voor de verminderde productiviteit van de werknemer. De subsidie is een tegemoetkoming aan de werkgever in de loonkosten en compenseert het verschil tussen de verminderde productiviteit (de loonwaarde) en het minimumloon en vergoedt een percentage van de werkgeverslasten. Voor het verstrekken van loonkostensubsidie wordt gebruik gemaakt van het preferente proces loonkostensubsidie en de daarbij bijbehorende percentages.
1.2.1 aanvragen loonkostensubsidie
Een inwoner kan loonkostensubsidie aanvragen als hij tot de gemeentelijke re-integratiedoelgroep behoort en zicht heeft op een betaald contract én:
Een werkgever kan loonkostensubsidie aan te vragen als de werknemer
In deze gevallen geldt dat de aanvraag voor loonkostensubsidie in de eerste 6 maanden van het dienstverband moet zijn ingediend bij het college. Er zal dan altijd een loonwaardemeting worden uitgevoerd. Forfaitaire loonkostensubsidie is bij werkenden niet van toepassing.
1.2.2 Voorwaarden loonkostensubsidie
Om loonkostensubsidie te verstrekken aan de werkgever dient er aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:
De loonwaarde wordt bepaald op de werkplek van de werknemer. Bij de loonwaardebepaling wordt onderzocht wat de productiviteit van betrokken persoon is ten opzichte van werknemers zonder beperking. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een loonwaarde-expert die hiervoor vragenlijsten laat invullen en gesprekken voert met zowel de werknemer als de werkgever. Factoren die gemeten worden zijn onder meer tempo, inzetbaarheid, kwaliteit van het werk en de mate van begeleiding die noodzakelijk is. Een loonwaardemeting kan pas worden ingezet als er voldoende zicht is op de arbeidsprestatie. Dat betekent dat een medewerker minimaal twee maanden aan het werk is. Dat kan ook via bijvoorbeeld een werkervaringsplaats of een proefplaatsing.
1.2.4 forfaitaire loonkostensubsidie
Bij indiensttreding kan forfaitaire 50% loonkostensubsidie toegekend worden voor maximaal 6 maanden. Aan het einde van deze periode wordt de loonwaarde gemeten op de werkplek. Vanaf de 7e maand wordt de loonkostensubsidie betaald op basis van een loonwaardemeting.
De duur van de loonkostensubsidie is afhankelijk van de ontwikkeling van de werknemer. Daarom wordt op afgesproken momenten opnieuw een meting uitgevoerd en de loonwaarde vastgesteld. Zodra de loonwaarde gelijk is aan 100% is, stopt de subsidie.
Als de werknemer verhuist naar een andere gemeente, draagt het college de loonkostensubsidie over naar de nieuwe gemeente, per de verhuisdatum. De werkgever hoeft hier geen aanvraag voor in te dienen. Dit regelen gemeenten onderling. De werkgever ontvangt een beëindiging van de oude gemeente en een toekenning van de nieuwe gemeente.
1.3 Re-integratievoorzieningen
1.3.5. Loonkostensubsidie gericht op re-integratie
De werkgever biedt de in artikel 1.5.7.1 van deze beleidsregels genoemde personen een uitbreiding aan op een bestaande arbeidsovereenkomst van minder dan 28 uur. Inclusief de uitbreiding dient de omvang van de arbeidsovereenkomst minimaal 28 uur per week te bedragen voor een periode van tenminste 6 maanden.
Het college kan, naast de in artikel 4:25 en artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde situaties, een aanvraag voor een incidentele loonkostensubsidie geheel of gedeeltelijk weigeren indien:
Als sprake is van uitbreiding van het aantal uren van een bestaande arbeidsovereenkomst van minstens 6 maanden bij dezelfde werkgever naar minimaal 28 uur per week gedurende tenminste 6 maanden, wordt de hoogte van de incidentele loonkostensubsidie naar rato bepaald op basis van het aantal uitgebreide uren en de duur van de arbeidsovereenkomst.
De hoogte van de subsidie wordt afgestemd op het werkelijk aantal maanden of gedeelten van maanden waarover op basis van het in de arbeidsovereenkomst opgenomen aantal uren ook daadwerkelijk loon is betaald door de werkgever.
De incidentele loonkostensubsidie kan lager vastgesteld worden als uit de verantwoordingstukken blijkt, dat de werkelijke loonkosten lager zijn dan de toegekende incidentele loonkostensubsidie.
De hoogte van de incidentele loonkostensubsidie wordt ambtshalve vastgesteld, indien de werkgever geen dan wel niet alle relevante loonstroken heeft ingediend alsmede de loonstroken buiten de in dit artikel genoemde termijnen heeft ingediend.
De proefplaatsing is gericht op het verkrijgen van een reguliere detacherings- of arbeidsovereenkomst bij een werkgever. De werkgever spreekt bij aanvang van de proefplaatsing de intentie uit om bij gebleken geschiktheid en voldoende werkzaamheden de bijstandsgerechtigde een detacherings- of arbeidsovereenkomst aan te bieden.
1.3.7 Ondersteuning bij het beter beheersen van de Nederlandse taal
Een taaltraject zal niet worden aangeboden aan een belanghebbende die volledig en duurzaam is ontheven van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet, inburgeraars of indien er sprake is van een gediagnostiseerd leerprobleem waardoor de belanghebbende niet in staat is om zich de vaardigheden van de Nederlandse taal eigen te maken.
Aan personen uit de doelgroep van artikel 7, lid 1, sub a, van de participatiewet die vanwege het volgen van een re-integratietraject gericht op uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid, kinderopvang nodig hebben, worden de hieraan verbonden kosten vergoed voor zover zolang zij voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.6.3 van de Verordening sociaal domein gemeente Overbetuwe 2024.
1.3.10 Andere voorzieningen en vergoedingen
1.3.10.2 Noodzakelijke werkplekaanpassingen
1.3.10.3 Kosten werkaanvaarding
1.4.7 Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode
In afwijking van het eerste lid kan de draagkracht enkel worden aangepast als er sprake is van een stijging in het (netto) inkomen van 15% of meer, een wijziging in het vermogen waardoor het vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens is uitgekomen, of een daling van het inkomen naar 110% van de bijstandsnorm of lager. Dit vindt plaats op initiatief van het college of nadat belanghebbende feiten en omstandigheden heeft gemeld die van invloed zijn op het recht op of de hoogte van de bijzondere bijstand.
In uitzondering op lid 1 wordt er voor een aantal kostensoorten uitgegaan van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wordt ook de volledige draagkracht gebruikt. Het gaat om kostensoorten die weliswaar worden verstrekt als bijzondere bijstand, maar die naar hun aard behoren tot de algemene noodzakelijke kosten of te maken hebben met het betalen van algemene noodzakelijk kosten van bestaan. Voor deze kostensoorten geldt het volgende:
1.4.9 In aanmerking te nemen middelen: inkomen
Een toegekende individuele inkomenstoeslag (Persoonlijk Minimabudget) en studietoeslag worden bij de berekening van de draagkracht van belanghebbende buiten beschouwing gelaten. Een uitzondering wordt gemaakt bij de aanschaf of vervanging van duurzame gebruiksgoederen. In dat geval wordt de individuele inkomenstoeslag wel meegenomen bij de vaststelling van de draagkracht.
1.4.10 In aanmerking te nemen middelen: vermogen
Als er vermogen in de woning met bijbehorend erf aanwezig is dat hoger ligt dan de grens uit artikel 34, lid 2, onder d van de Participatiewetwet, dan kan bijzondere bijstand in beginsel niet worden verstrekt, tenzij tegeldemaking, bezwaring, of verdere bezwaring van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd, zoals gesteld in artikel 50, lid 1 van de Participatiewet.
In afwijking op artikel 1.4.8 van deze beleidsregels geldt er voor de verlening van bijzondere bijstand voor de vervanging van duurzame gebruiksgoederen, verhuiskosten en inrichtingskosten geen vermogensvrijlating. Hiervoor moet het volledige beschikbare vermogen op het moment van aanvraag worden aangewend.
1.4.13 Bijzondere bijstand voor medische kosten
In beginsel komen medische kosten niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) in het algemeen alle noodzakelijke kosten vergoeden die verband houden met (para)medische behandeling, intensieve zorg en toezicht. Beide regelingen gelden samen als voorliggende voorzieningen die passend en toereikend zijn.
Voorzieningen kunnen in een aanvullende verzekering worden opgenomen. Als een aanvrager bijzondere bijstand aanvraagt voor voorzieningen waarvoor hij verzekerd had kunnen zijn maar dit niet het geval is, dan wordt dit gezien als een bewust genomen risico van de aanvrager zelf. Er is in beginsel geen bijzondere bijstand mogelijk voor dergelijke kosten.
Alleen bij zeer dringende redenen kan er bijzondere bijstand voor medische kosten worden verstrekt. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor het bedrag dat ontvangen zou zijn wanneer aanvrager wel aanvullend verzekerd was geweest, tenzij van belanghebbende redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij voor deze kosten een aanvullende verzekering heeft afgesloten. Op het bedrag waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd, wordt de hoogte van de vergoeding vanuit de aanvullende zorgverzekering van de aanvrager in mindering gebracht.
De Meedoenregeling in Overbetuwe werkt met punten. Ieder thuiswonend kind (4-17 jaar) en meerderjarige (18 jaar en ouder) ontvangt punten waarmee gebruik gemaakt kan worden van producten en diensten die via www.meedoeninoverbetuwe.nl kunnen worden aangeschaft. Punten worden beschikbaar gesteld aan personen die voldoen aan de voorwaarden die in artikel 1.5.1 worden beschreven.
1.6 bijzondere bijstand levensonderhoud jongmeerderjarigen
1.6.4 Criteria voor de toekenning van bijzondere bijstand
De volgende criteria ten aanzien van de kosten worden gehanteerd en in onderstaande volgorde:
De aanvraag van een jongmeerderjarige wordt afgewezen indien niet aannemelijk is gemaakt dan wel aantoonbaar dat de hulp is ingeroepen van ouders om bij te dragen aan het levensonderhoud.
1.6.5 Afwezigheid van draagkracht bij ouders
Van ouders van jongmeerderjarigen wordt verwacht dat zij naar vermogen een bijdrage leveren aan het levensonderhoud van jongmeerderjarigen. Het college gaat voor onderstaande categorieën personen uit van de afwezigheid van de mogelijkheid om bij te dragen aan het levensonderhoud omdat er geen draagkracht uit inkomen aanwezig is:
1.6.8 Afzien van draagkrachtberekening
In de onderstaande situaties wordt afgezien van een draagkrachtberekening van ouders om de hoogte van bijzondere bijstand te bepalen:
De aanmerking als vermogen blijft achterwege als dit uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Dit is bijvoorbeeld het geval als een gift in natura wordt gedaan in de vorm van een medisch hulpmiddel dat noodzakelijk is voor het functioneren van belanghebbende (of één van zijn gezinsleden) of als sprake is van noodzakelijke duurzame gebruiksartikelen.
1.7.3. giften zonder bepaalde bestemming
Giften die vrij besteedbaar zijn en in een kalenderjaar niet meer dan € 1.500,- bedragen worden niet tot de middelen gerekend. Het meerdere wordt aangemerkt als vermogen.
Giften van werkgevers worden niet tot de middelen gerekend, als deze onbelast voor belanghebbende zijn.
1.8.1. Structurele medische beperking
Structurele medische beperking: een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek die voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het verdienen van inkomsten door belanghebbende naast de studie.
1.8.7. Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering
Wanneer het eerste medisch advies daartoe aanleiding geeft, bepaalt het college dat binnen een bepaalde periode een nieuw medisch advies zal worden gevraagd om te beoordelen of belanghebbende nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken.
2 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
Om vanuit de Wmo voor de inwoner tot de meest passende oplossing te komen is een afwegingskader nodig. Deze beschrijven we in deze beleidsregels. Elke ondersteuningsbehoefte wordt vanuit dezelfde invalshoek benaderd. Deze invalshoek is beschreven in deze beleidsregels. Voor een passende oplossing spelen de persoonskenmerken, behoeften en voorkeuren van de inwoner altijd een nadrukkelijke rol.
2.1 Eigen kracht en algemene uitgangspunten
Inwoners hebben een eigen verantwoordelijkheid voor hoe ze hun leven inrichten.
Eigen kracht is een mogelijkheid die inwoners hebben om hun leven zelf vorm te geven en problemen zelf op te lossen zodat ze zelfredzaam zijn en beter mee kunnen doen. Als het niet goed lukt om mee te doen in de samenleving, kijkt de gemeente eerst naar wat iemand nog wel kan. Dat gebeurt op basis van de bestaande wetten. We noemen dit eigen kracht.
2.1.1 Algemene gebruikelijke en algemene voorzieningen
Bepaalde voorzieningen en diensten zijn ook voor een inwoner zonder ondersteuningsvraag vaak gewoon beschikbaar. Als dat zo is, dan worden deze niet vanuit de Wmo verstrekt.
Een voorziening kan als algemeen gebruikelijk gezien worden als deze niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten. Het dient een passende bijdrage te leveren aan het opheffen van de ervaren beperkingen en moeten ook financieel gedragen kunnen worden voor iemand met een inkomen op minimumniveau. Van dit laatste is sprake wanneer de kosten van het hulpmiddel binnen 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand.
Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen en diensten zijn (niet uitputtend):
Een algemene voorziening is het aanbod van diensten of activiteiten door of via de gemeente zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.
Algemene voorzieningen zijn dus voorzieningen die niet speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking. Deze voorzieningen kunnen wel een oplossing zijn. Voorbeelden van een algemene voorziening zijn een klussendienst, was- en strijkservice, maaltijdvoorziening, scootmobielpool, maar ook het algemeen maatschappelijk werk, bibliotheek of buurthuis. Algemene voorzieningen zijn toegankelijk voor alle ingezetenen van een gemeente.
Wel moet een algemene voorziening:
Gebruikelijke hulp is de ondersteuning die huisgenoten worden geacht elkaar te bieden, omdat zij een gemeenschappelijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden.
Het is de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders, inwonende kinderen of andere volwassen huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Voorwaarde is dat degene die de hulp moet bieden beschikbaar is en voldoende draagkrachtig is. Gebruikelijke hulp mag niet leiden tot overbelasting. En degene kan het doen omdat het niet om specialistische hulp gaat.
Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Dit houdt in dat er zowel van volwassen als jonge huisgenoten een bijdrage wordt verlangd in het huishouden. Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsfase van kinderen.
Voor gezonde jonge huisgenoten geldt:
Huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Dit wil zeggen; schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en één kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren.
Indien men aangeeft vaardigheden te missen of dat men het niet gewend is, maar verder wel gezond is, is dat geen reden voor een maatwerkvoorziening. Men kan degene met instructies de benodigde vaardigheden leren.
Het hebben van een baan ontslaat iemand niet van de plicht om gebruikelijke hulp te bieden. Dit geldt niet als degene tenminste 7 etmalen van huis is voor werk en het werk een verplichtend karakter heeft.
2.1.3. Aanspraak op grond van een andere wet is voorliggend
Is de inwoner voor zorg aangewezen op een andere wet dan gaat deze voor en hoeft de gemeente geen Wmo-voorziening te verstrekken.
2.1.3.1 Wet langdurige zorg (Wlz)
Voor de Wlz komt iemand in aanmerking als degene blijvend is aangewezen op permanent toezicht of 24-uurs zorg of zorg in de nabijheid.
Weigert een inwoner mee te werken aan een aanvraag voor een Wlz-voorziening, als hij daar mogelijk recht op heeft, dan is de gemeente niet verplicht een Wmo-voorziening te verstrekken. De gemeente moet dan wel kunnen aantonen dat de inwoner, ondanks voorlichting over de mogelijke gevolgen, weigerachtig blijft en de gemeente, binnen zijn bevoegdheden, alles heeft gedaan om de behoefte aan zorg en ondersteuning in kaart te brengen. De gemeente kan wel een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo verstrekken als overbrugging tot de Wlz-indicatie ingaat. Het aanvragen van een Wlz-indicatie kan namelijk enige tijd duren. De gemeente kan dan voor een tijdelijke oplossing zorgen door een korte indicatie af te geven.
De gemeente moet goed kunnen motiveren dat zij denkt dat de inwoner een indicatie op grond van de Wlz zou kunnen krijgen. Bij dit vermoeden legt de gemeente de situatie van de inwoner anoniem voor bij het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg). Het CIZ maakt dan een inschatting of deze situatie mogelijk reden is voor een Wlz-indicatie. Wanneer het CIZ denkt dat er inderdaad reden is voor een Wlz-indicatie, heeft het college voldoende reden om aan te nemen dat de inwoner aanspraak kan maken op deze Wlz-indicatie.
Bezoekbaar maken van een woning
Wanneer de inwoner in een Wlz-instelling woont kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders) bezoekbaar gemaakt worden. Bezoekbaar houdt in dat de inwoner toegang tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet heeft. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken.
2.1.3.2 Zorgverzekeringswet (Zvw)
De Zvw regelt het recht op medisch noodzakelijke (psychische, verslavings)zorg. In welke mate en waarvoor iemand precies verzekerd is, staat in de verzekeringspolis van degene. Het gaat dan om behandeling. Dit is zorg zoals huisartsen, medisch-specialisten en klinisch-psychologen plegen te bieden.
Soms kan begeleiding vanuit de gemeente aanvullend zijn. De begeleiding is dan gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, zodat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven. Daarbij zal het vaak gaan om het ondersteunen bij het laten uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen door de inwoner zelf, zoals omschreven in artikel 2.3.4.
2.1.3.3 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Wanneer iemand op school of op het werk alleen kan functioneren met behulp van een voorziening en deze voorziening is alleen noodzakelijk voor school of werk, dan biedt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een passende oplossing. Het college ziet dit als een passende oplossing vanuit de eigen kracht.
2.2.1 Algemene en voorliggende voorzieningen
Als voorliggende voorziening in Overbetuwe is de Algemene Hulpdienst beschikbaar. Dit is een vervoersregeling waarbij vrijwilligers met hun eigen auto tegen een onkostenvergoeding andere inwoners vervoeren. Het vervoer is bedoeld voor iedereen in Overbetuwe die niet of moeilijk gebruik kan maken van openbaar vervoer en ook niet beschikt over andere mogelijkheden van vervoer. Er wordt ook begeleiding en ondersteuning geboden. Het vervoer is onder andere om boodschappen te doen, van en naar medische afspraken, of naar andere locaties te gaan.
Collectief taxivervoer is een algemene voorziening waarbij meerdere mensen tegelijkertijd worden vervoerd. De inwoner betaalt een ritbijdrage en wordt er van deur tot deur vervoerd.
In sommige gevallen vergoedt de zorgverzekeraar uit het basispakket het vervoer van en naar een ziekenhuis, zorgverlener of instelling. Dat hangt onder meer af van de aandoening (bijv nierdialyse, oncologische behandelingen etc) die iemand heeft. Het vervoer kan per ambulance plaatsvinden of met (eigen) auto, taxi of openbaar vervoer.
Reizigers die vanwege een handicap, beperking of psychische aandoening niet meer zelfstandig kunnen reizen ontvangen een Wmo-vervoerspas. Men kan dan tegen reductie gebruik maken van het collectief vervoer. De inwoner reist binnen de regio (25 kilometer enkele reis) van deur tot deur, van en naar een opstapplaats of een halte van het openbaar vervoer. Dit vervoer is toegankelijk voor iedereen die zelfstandig of met begeleiding kan reizen, bijvoorbeeld omdat de inwoner niet goed mobiel is of omdat de gewone bus ’s-avonds niet rijdt. Het gaat hierbij om sociaal vervoer, bijvoorbeeld familiebezoek, het onderhouden van sociale contacten en deelnemen aan (sociale) activiteiten. Voor reizen van meer dan 25 km (enkele reis) kan men gebruik maken van Valys.
Soms is het nodig, op grond van de ernst van iemands beperking, dat een medisch of sociaal begeleider meegaat. Dat is vaak iemand uit het sociaal netwerk. De medische begeleiding is verplicht. Degene betaalt daarvoor geen ritbijdrage. Sociaal begeleider is niet verplicht, maar kan gewenst zijn. Degene betaalt dan 50% van de Wmo-ritbijdrage.
Collectief vervoer is niet altijd een passende oplossing. Alleen als collectief vervoer geen passende oplossing biedt zijn er andere mogelijkheden, voorbeelden hiervan zijn:
2.2.2.1 Door spierkracht voortbewogen vervoermiddel
Als de inwoner zijn of haar vervoersbehoefte op korte en middellange afstanden niet kan invullen met bijvoorbeeld een fiets, kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken voor een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel. Het gaat dan bijvoorbeeld om een driewielfiets of een handbike.
Een scootmobiel kan een oplossing zijn voor vervoersbehoeften op korte en middellange afstanden. Voor een scootmobiel moet de inwoner de rijvaardigheid van een beginnend bestuurder hebben.
Het college onderzoekt voor verstrekking de rijvaardigheid van de inwoner. Ook na verstrekking kan het college in het kader van een heronderzoek de rijvaardigheid onderzoeken. Wanneer de inwoner niet de rijvaardigheid heeft die nodig is, trekt het college de indicatie in en moet degene het voertuig inleveren.
Wanneer een inwoner niet de nodige rijvaardigheid bezit, maar wel in staat is dit te leren wordt de inwoner erop gewezen dat men gebruik kan maken van de 1e lijns ergotherapie. De ergotherapeut is voorliggend aan de Wmo. Het initiatief ligt dan vervolgens bij de inwoner of men hier gebruik van maakt.
Voor het gebruik van een vervoersvoorziening met elektrische ondersteuning (zoals bijvoorbeeld een scootmobiel) of driewielfiets, moet de inwoner geschikte stallingsruimte of mogelijkheden hebben om deze te realiseren. Een geschikte stallingsruimte is droog en afgesloten. Dit kan bijvoorbeeld een schuur zijn. Een hal of parkeergarage van een appartementencomplex kan ook een geschikte stallingsruimte zijn. De veiligheid van het complex mag niet in gevaar worden gebracht door het parkeren van de vervoersvoorziening. Het college kan een maatwerkvoorziening voor het realiseren van een geschikte stallingsruimte indiceren.
2.2.2.3 Aanpassingen en meerkosten van een auto
Wanneer een inwoner een eigen auto heeft, maar deze vanwege zijn of haar beperkingen niet kan gebruiken, kan een aanpassing van de auto een passende oplossing zijn. Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen voor de noodzakelijke aanpassingen. Het college kent alleen een maatwerkvoorziening toe voor aanpassingen die niet standaard door de fabriek meegeleverd kunnen worden.
Voor aanpassingen en vergoeden van meerkosten van auto’s geldt een aantal afwegingskaders:
Of en in hoeverre er sprake is van meerkosten beoordeelt het college aan de hand van de situatie van de inwoner en de hoeveelheid extra verplaatsingen op de korte afstand die de inwoner als gevolg van zijn of haar beperking met de auto moet maken. Het college onderzoekt daarbij of deze extra verplaatsingen op een andere manier, bijvoorbeeld met het collectief vervoer, gemaakt kunnen worden.
Met het verstrekken van een sportvoorziening kan het college bereiken dat een inwoner in staat wordt gesteld om in redelijke mate mensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale contacten aan te gaan.
Wanneer een sportvoorziening voor topsport wordt aangevraagd, wordt dit gecompenseerd tot het niveau van het kunnen uitoefenen van de sport. Er wordt dan uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening om de betreffende sport uit te kunnen oefenen. Specifieke eisen en extra’s aan een voorziening voor gebruik voor topsport worden hierin niet meegenomen.
2.3 Individuele begeleiding en groepsbegeleiding
Begeleiding aan de inwoner kan individueel verstrekt worden of in een groep. Bij de afweging welke vorm geschikt is, kijken we naar de meest passende goedkoopste oplossing. Dit betekent dat bij gelijke geschiktheid de voorkeur uitgaat naar begeleiding in een groep.
Begeleiding in het algemeen gericht op ondersteuning zodat de inwoner:
Het ontlasten van mantelzorgers heeft als beoogd resultaat dat de mantelzorger de ondersteuning thuis kan volhouden en intensievere maatwerkondersteuning of opname in een intramurale instelling wordt voorkomen, of op zijn minst uitgesteld. Het ontlasten kan door middel van kortdurend verblijf, maar ook door begeleiding in de thuissituatie of dagbesteding.
Individuele begeleiding is een vorm van ondersteuning voor mensen die moeite hebben met het uitvoeren van normale dagelijkse handelingen en activiteiten.
Dit kan worden ingezet om een inwoner te ondersteunen bij het aanbrengen van structuur of het voeren van regie. Individuele begeleiding kan ook verstrekt worden voor het oefenen van vaardigheden of handelingen.
Deze vorm van ondersteuning is bedoeld voor:
2.3.1.2 Begeleiding specialistisch
Deze vorm van ondersteuning is bedoeld voor:
Behandeling is voorliggend op begeleiding op grond van de Wmo. Begeleiding die tot de behandeling behoort valt onder de Zvw, zoals begeleiding die door een behandelend specialist moet worden geboden.
Begeleiding waarvoor geen deskundigheid op niveau van een behandelaar vereist is en die gericht is op het bevorderen van voldoende regie om zichzelf te kunnen redden en meedoen aan de samenleving, opdat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven, valt wel onder de Wmo. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om het motiveren tot behandeling, het stimuleren tot zelfzorg en het stimuleren tot medicatie-inname.
Groepsbegeleiding is begeleiding in groepsverband die overdag plaatsvindt, op een locatie buiten de woonsituatie. Groepsbegeleiding bestaat uit activiteiten waarbij de vaardigheden van een inwoner worden getraind of onderhouden zodat degene zo lang mogelijk zelfstandig thuis kan blijven wonen. Het gaat hierbij om vaardigheden met betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Een belangrijke afweging om voor groepsbegeleiding te kiezen is dat ingeschat wordt dat begeleiding van de inwoner in een groep passender is dan individuele begeleiding.
We kennen 2 vormen van groepsbegeleiding:
Ontwikkeling, nadruk ligt op het actief verbeteren of voorkomen van verslechtering van de zelfredzaamheid van de inwoner. Er zijn concrete ontwikkeldoelen geformuleerd voor de inwoner. Een voorwaarde hiervoor is dat de degene leerbaar/stuurbaar is. Bij inwoners met beginnende dementie kan Groepsbegeleiding Ontwikkeling alleen worden ingezet met de doelstelling voorkomen van verslechtering. Voor inwoners met dementie is groepsbegeleiding ontwikkeling passend.
Er wordt altijd eerst gekeken naar vervoersmogelijkheden die voorliggend zijn op het maatwerkvervoer. Het lokale team onderzoekt of de inwoner zelfstandig, met behulp van het netwerk of met behulp van een voorliggende voorziening zich naar de groepsbegeleidingslocatie reizen. Als dat niet zo is, dan kan vervoer worden geïndiceerd.
Op basis van het zorgdoel van de inwoner kunnen individuele begeleiding en begeleiding in groepsverband gecombineerd worden aangeboden. Ook als er medische contra-indicaties zijn voor begeleiding groep, kunnen de activiteiten in de vorm van begeleiding individueel worden geïndiceerd. Het gaat dan om personen voor wie op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen.
2.3.3 Arbeidsmatige dagbesteding (activerend werk)
Bij arbeidsmatige dagbesteding staat het bieden van zinvolle arbeid en ontwikkeling van arbeidsvaardigheden centraal. Het doel is om mensen te laten meedoen aan de samenleving en een gevoel van eigenwaarde te geven. Activiteiten zijn gericht op het ontwikkelen van vaardigheden die nodig zijn voor het verrichten van arbeid, zoals samenwerken, plannen en organiseren, en het uitvoeren van taken en waar mogelijk - en indien relevant - doorstromen naar vormen van betaalde arbeid.
Persoonlijke verzorging wordt geïndiceerd wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding en alleen voor het gedeelte dat niet onder voorliggende wetgeving zoals de Zvw of Wlz valt.
De ondersteuning kan bestaan uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg, waaronder:
Het gaat niet om het daadwerkelijk wassen en aankleden van de inwoner, maar om degene aan te sporen en te ondersteunen deze handelingen zelf te uit te voeren. Dit geldt veelal voor inwoners die over weinig tot geen regie beschikken. De aanspraak op persoonlijke verzorging houdt verband met de zelfredzaamheid van de inwoner en ligt zodoende in het verlengde van begeleiding.
2.4 Veilig en zelfstandig wonen
Inwoners met een beperking kunnen problemen hebben bij het gebruik van hun woning of bij het voeren van het huishouden. Als degene zulke problemen ervaart en niet zelf kan oplossen, kan de gemeente ondersteuning bieden.
Wanneer een inwoner belemmeringen ervaart in het normale gebruik van zijn of haar woning zijn er twee typen maatwerkvoorzieningen die een passende oplossing kunnen bieden:
Verhuizen naar een andere woning kan een passende oplossing zijn voor de ondersteuningsbehoefte van de inwoner. De gemeente zoekt hierbij samen met de inwoner wat mogelijk is en gaat hierbij uit van de goedkoopst adequate oplossing. Wanneer verhuizen een passende oplossing is en het goedkoper is dan het aanpassen van de huidige woning van de inwoner kan het college in overleg met de inwoner ervoor kiezen om een pgb voor verhuizen te verstrekken. Voor de verhuiswagen en manuren kan de inwoner offertes opvragen.
Woonvoorzieningen zijn de andere maatwerkvoorzieningen voor het oplossen van ervaren belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. Daarbij maken we onderscheid tussen de losse woonvoorzieningen zoals douchestoelen, tilliften en losse woonunits en de zogenaamde woningaanpassingen. Woningaanpassingen zijn bouwkundige en woon-technische woonvoorzieningen zoals trapliften, creëren van een doucheruimte of een aanbouw.
Bij de toekenning van een woonvoorziening in de vorm van een maatwerkvoorziening is het college erop gericht dat een inwoner normaal gebruik kan maken van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. De inwoner heeft daarbij de mogelijkheid om de elementaire woonfuncties te kunnen verrichten met onder andere de volgende resultaten:
Voor een woonvoorziening van bouwkundige of woon-technische aard hoeft geen toestemming te worden gevraagd aan de eigenaar van de woning, wanneer de inwoner niet zelf de eigenaar is. Wel moet de eigenaar gehoord worden over een aanpassing.
Wanneer aan een inwoner geen beschikking wordt verleend voor een woningaanpassing omdat de klachten op moment van aanvraag nog niet ernstig (genoeg) zijn, kan hij besluiten alsnog de gevraagde aanpassing zelfstandig uit te voeren. Hiervoor is toestemming van de eigenaar nodig. Verhuurder mag deze toestemming weigeren als de woning door de aanpassing minder goed verhuurbaar is, of als deze een negatief effect heeft op de woningwaarde.
Een woonvoorziening van bouwkundige of woon-technische aard hoeft niet te worden verwijderd door de inwoner of de gemeente wanneer degene uit de woning vertrekt. Alleen bij bruikleen van een voorziening wordt deze bij een verhuizing verwijderd.
2.4.1.3 Afwegingskader wonen en verhuizen
Hieronder wordt beschreven hoe het college afwegingen maakt rondom woonvoorzieningen.
Wanneer een inwoner langdurig een hulpmiddel nodig heeft om zich binnen de woning te verplaatsen, kan deze mogelijk vanuit de Wmo verstrekt worden. Wanneer er sprake is van zorg voor een beperkte of onzekere duur of wanneer een transferhulpmiddel gericht is op het verplaatsen in bed, kan degene gebruik maken van de Zvw.
Wanneer de inwoner is verhuisd vanuit een geschikte woning naar een ongeschikte woning, zet het college hier in principe geen nieuwe maatwerkvoorziening in op het gebied van wonen, tenzij er een belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is en er geen andere geschikte woning beschikbaar is. Een belangrijke reden kan zijn:
Wanneer een inwoner een aanpassing van een woonwagen of woonschip aanvraagt, onderzoekt het college altijd hoelang de standplaats of ligplaats nog ter beschikking blijft voor de inwoner. Hiermee wordt een afweging gemaakt of een aanpassing van een woonwagen of woonschip een langdurig passende oplossing biedt.
Wanneer een inwoner in een wooncomplex dat specifiek bedoeld is voor ouderen of personen met een lichamelijke beperking woont, dan verwacht het college dat dit wooncomplex voldoet aan de basiseisen van toegankelijkheid voor deze doelgroepen. De eigenaar van de woning is in deze gevallen ook verantwoordelijk voor woonvoorzieningen in de gemeenschappelijke ruimte. Hier kent het college geen woonvoorzieningen van bouwkundige of woon-technische aard voor toe.
2.4.1.4 Sanering van een woning
Bij een woningsanering gaat het om het vervangen van stoffering in de woning. Voor een vergoeding vanuit de Wmo moet de sanering noodzakelijk zijn om beperkingen in het normale gebruik van de woning te compenseren. Alleen de meest gebruikte ruimten komen hiervoor in aanmerking: woonkamer en slaapkamer. Voor eventuele stofferingskosten (hieronder valt: vloerbekleding, raambekleding en muurbekleding) gaat het college uit van de Prijzengids van het NIBUD.
Van een mantelzorgwoning spreken we als een zorgvrager bij de mantelzorger gaat wonen of andersom en voor de zorgvrager of mantelzorger:
Inwoners die een mantelzorgwoning willen bouwen of huren, moeten hiervoor zelf in de kosten voorzien. Dit zijn namelijk de normale kosten voor wonen.
2.4.2 Maatschappelijke opvang en beschermd wonen
Maatschappelijke opvang is het bieden van een tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd. Dit kan worden aangeboden bij zorg, begeleiding en/of het verhelpen van een crisis.
Beschermd wonen biedt een beschermde woonomgeving waar continu begeleiding aanwezig of nabij is. De gemeente Overbetuwe werkt samen met andere gemeenten op het gebied van maatschappelijke opvang en beschermd wonen. Als een inwoner maatschappelijke opvang en/ of beschermd wonen nodig heeft, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende beleidsregels van de gemeente Arnhem.
Er zijn verschillende typen rolstoelen die als maatwerkvoorziening verstrekt kunnen worden. Bij de selectie van het type rolstoel stelt het college een functioneel programma van eisen op. Hierbij wegen we ook de belangen van de mantelzorgers mee, zoals de (on)mogelijkheid van mantelzorger om de rolstoel te duwen.
2.4.4 Huishoudelijke ondersteuning
De gemeente kan ondersteuning bieden aan een inwoner die niet in staat is zelfstandig een gestructureerd huishouden te voeren.
Ondersteuning met het oog op het voeren van een gestructureerd huishouden houdt bijvoorbeeld in:
Hulp bij het aanbrengen van structuur in het huishouden en/of daadwerkelijke ondersteuning bij huishoudelijke taken. Ook voor de verzorging van een kind kan de gemeente ondersteuning bieden als de ouder geen gebruik kan maken van eigen oplossingen zoals gebruikelijke hulp van een andere ouder of partner, van mantelzorg of een andere eigen oplossing. Als extra ondersteuning nodig is door beperkingen van het kind, is ondersteuning vanuit de Jeugdwet mogelijk.
Er kan ondersteuning geboden worden bij:
Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Dit betekent dat men gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrek, keuken, sanitaire ruimtes en trap/gang. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van huishoudelijke hulp.
Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
2.4.4.1 Algemene voorziening: huishoudelijke ondersteuning
Een inwoner die zelfstandig woont en vanwege een beperking niet of onvoldoende in staat is op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociaal netwerk, een schoon en leefbaar huis te realiseren en de was te kunnen verzorgen, kan gebruik maken van de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning.
De inwoner moet hiervoor in staat zijn zelf besluiten te nemen over de wijze waarop de ondersteuning moet worden ingevuld en in staat zijn om de hulp aan te sturen. Er vindt geen specifiek onderzoek plaats naar de persoonskenmerken en behoeften van de inwoner.
De toegang voor de algemene voorziening geldt voor inwoners met fysieke beperkingen en beperkingen in de sociale redzaamheid vanaf 18 jaar.
De gemeente voert een lichte toets uit nadat de inwoner zich bij de gemeente heeft gemeld. Een inwoner die voldoet aan de voorwaarden voor gebruikmaking van de algemene voorziening ontvangt gedurende maximaal 6 weken 90 minuten per week huishoudelijke ondersteuning.
Na 6 weken volgt een evaluatie. Zo nodig is er een uitbreiding mogelijk tot max 120 minuten per week. Is er meer dan 120 minuten nodig dan onderzoekt de gemeente of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is.
Lichte toets bij eerste aanmelding
2.4.4.2 Maatwerkvoorziening: huishoudelijke ondersteuning voor inwoners zonder regie
Deze maatwerkvoorziening is bedoeld voor inwoners vanaf 18 jaar die zelfstandig wonen en:
De hulp heeft een actieve, signalerende rol ten aanzien van de gezondheid en leefomstandigheden van de inwoner. De hulp neemt de verantwoordelijkheid van de inwoner niet over, maar helpt de inwoner om het resultaat te behalen. Activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd, behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner.
2.4.4.3 Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor inwoners met regie
Deze maatwerkvoorziening is bedoeld voor inwoners vanaf 18 jaar die zelfstandig wonen en waarbij sprake is van zodanig fysieke beperkingen dat men langdurig niet in staat is het huishouden te doen. Zij zijn in staat om de medewerker ‘huishoudelijke ondersteuning’ zelf aan te sturen en regie te voeren.
De hulp heeft een actieve, signalerende rol ten aanzien van de gezondheid en leefomstandigheden van de inwoner. De hulp neemt de verantwoordelijkheid van de inwoner niet over, maar helpt de inwoner om het resultaat te behalen. Activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd, behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner.
Deze kan nodig zijn als gevolg van ernstig fysieke, dan wel psychische beperkingen door objectiveerbare medische aandoeningen:
2.4.4.4 Combinatie van huishoudelijke ondersteuning en begeleiding thuis
Soms is huishoudelijke ondersteuning alleen ontoereikend en heeft u meer ondersteuning nodig. Deze maatwerkvoorziening is bedoeld voor een inwoner die vanwege ernstige problematiek niet of onvoldoende in staat is op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk, een schoon en leefbaar huis, een gestructureerd huishouden en regie over het dagelijks leven te realiseren.
Naast de huishoudelijke ondersteuning zoals genoemd onder 2.4.4.2 kunnen de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:
Zelfverzorging: het verzorgen van de inwoner en andere gezinsleden (ook kinderen). Het gaat hier om de hulp daarbij, bijvoorbeeld een maaltijd klaarzetten en een po legen. Het gaat niet om activiteiten die onder de Zvw/Wlz- functie "persoonlijke verzorging " vallen (daarvan is sprake als de behoefte verband houdt met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop);
De aanbieder werkt met een ondersteuningsplan waarin de doelen en methodische aanpak worden gedefinieerd in lijn met het plan dat vanuit de lokale toegang is opgesteld. Aanbieder en lokale toegang evalueren periodiek de verdere aanpak, in ieder geval voor afloop van de toewijzing.
Deze kan nodig zijn als gevolg van objectiveerbaar/medische aandoeningen door ernstig fysieke, dan wel psychische beperkingen:
Dit kan zijn de boodschappendienst en diensten als ‘tafeltje- dekje”. Zijn deze aanwezig én betaalbaar dan wordt deze ondersteuning niet geboden.
2.4.4.5 Normenkader maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning
Voor de bepaling van de zorgomvang en duur van de maatwerkvoorziening wordt gebruik gemaakt van de normtijden uit het normenkader Huishoudelijke Ondersteuning van het Bureau HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 - bureau HHM.
2.5 Mantelzorg, Respijtzorg en Kortdurend verblijf
Mantelzorg is de vrijwillige en onbetaalde hulp die mensen verlenen vanwege een rechtstreekse sociale relatie tussen degene die de hulp geeft en degene die de hulp verlangt. Mantelzorg overstijgt qua duur en intensiteit de normale gang van zaken (de gebruikelijke hulp). Het gaat dus om hulp die verder gaat dan de gebruikelijke hulp.
De mantelzorg ontvanger kan een mantelzorgwaardering aanvragen. Een aanvraagformulier is digitaal beschikbaar op de website van de gemeente.
De mantelzorgwaardering bestaat uit:
Wat je kan verwachten van een mantelzorger, verschilt per mantelzorger. De verwachtingen zijn afhankelijk van de aard van de relatie en de situatie van betrokkene en de mantelzorger. De gemeente moet uitgaan van wat de mantelzorger zelf aangeeft. De gemeente moet ook kijken naar de lichamelijke conditie van de mantelzorger. Verder moet de gemeente kijken naar de tijd die de mantelzorger heeft en naar de reistijd. De gemeente moet overbelasting van de mantelzorger zoveel mogelijk voorkomen.
Als kinderen mantelzorg verlenen mag dat niet ten koste gaan van hun ontwikkeling of welbevinden. Daarbij kun je denken aan het contact met leeftijdsgenoten, vrijetijdsbesteding en schoolprestaties.
In geval de inwoner een zeer korte, bekende levensverwachting heeft kan, ter ontlasting van het gezamenlijk huishouden van de inwoner, afgewogen worden of taken die redelijkerwijs onder de gebruikelijke hulp van huisgenoten vallen toch in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening.
Mantelzorg is niet afdwingbaar
Er is geen sprake van mantelzorg als de zorgverlener betaling wil ontvangen voor zijn hulp. Dit zal onderzocht moeten worden. Dus als er geconstateerd is dat huishoudelijke ondersteuning nodig is en de partner kan dit doen, maar alleen als er een financiële vergoeding tegenover staat, dan wordt deze ondersteuning geboden in de vorm van een pgb. Er is dan geen sprake meer van mantelzorg.
Respijtzorg is vervangende zorg en wordt ingezet wanneer er sprake is van (dreigende) overbelasting of overbelasting van de mantelzorger. Je sluit aan bij de vraag, de behoefte van de mantelzorger en respijtzorg duurt zo lang als het nodig is voor de mantelzorger om weer nieuwe energie op te doen.
Respijtzorg kent verschillende vormen:
Gaat het om noodzakelijke 24-uurszorg dan kan de inwoner een beroep doen op de Wet langdurige zorg (Wlz).
Veel zorgverzekeraars hebben een mogelijkheid voor mantelzorgondersteuning. Soms vergoedt de zorgverzekeraar ook kortdurend verblijf. Het gaat dan om mensen die om medische redenen tijdelijk niet thuis kunnen wonen (bijvoorbeeld na ontslag uit het ziekenhuis) en daarom voor korte tijd in een zorginstelling worden verzorgd en verpleegd. Deze vorm van kortdurend verblijf wordt ook wel eerstelijnsverblijf genoemd. Als de (aanvullende) verzekering van een inwoner deze optie biedt, dan wordt aan de inwoner gevraagd om eerst hierop aanspraak te maken.
Onder spoedzorg (ook wel crisisopvang genoemd) verstaan we een hulpvraag om zorg of ondersteuning waarop binnen 24 tot 48 uur moet worden gehandeld. Het gaat om situaties waarin iemand uit de huiselijke setting moet worden gehaald als gevolg van een onverwachte en voor de betrokkene ingrijpende gebeurtenis. Of het gaat om een situatie waarin een persoon terugkomt in de huiselijke setting, bijvoorbeeld na een ziekenhuis opname waarbij met spoed huishoudelijke hulp of begeleiding moet worden ingezet.
Gemeenten moeten in spoedeisende gevallen een tijdelijke maatwerkvoorziening verstrekken.
Als een maatwerkvoorziening de best passende oplossing is, kan de inwoner kiezen tussen een maatwerkvoorziening via zorg in natura (zin) en een maatwerkvoorziening via een persoonsgebonden budget (pgb). De inwoner betaalt zelf mee aan de maatwerkvoorziening via een eigen bijdrage.
De vorm waarin de gemeente de voorziening verstrekt is:
De gemeente kan een voorziening in eigendom geven aan de inwoner. Deze vorm is vooral praktisch bij minder kostbare voorzieningen. Denk aan een douchestoel. Het verstrekken in eigendom is dan praktischer dan bruikleen of huur. Bij deze vorm sluiten leverancier en gebruiker soms ook een overeenkomst voor onderhoud en reparatie.
De eigenaar van hulpmiddelen (leverancier of gemeente) heeft een hulpmiddel in eigendom en verstrekt deze in bruikleen aan de inwoner. De rechten en plichten bij bruikleen staan vaak in een bruikleenovereenkomst. Het voordeel van bruikleen is dat de leverancier of gemeente de eigenaar blijft van de voorziening. Dat maakt het mogelijk om de voorziening in te nemen als de gebruiker deze niet of niet goed gebruikt. Bovendien kan de gemeente de voorziening dan daarna aan iemand anders verstrekken.
Als de inwoner kiest voor zorg in natura dan krijgt de inwoner de dienstverlening of voorziening via een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft. De gemeente geeft de aanbieder opdracht voor het leveren van de dienstverlening of de voorziening. De gemeente kent een andere werkwijze voor dienstverlening dan voor voorziening. Dit wordt hieronder toegelicht:
Voorzieningen als begeleiding, dagbesteding en huishoudelijke ondersteuning worden in de vorm van dienstverlening verstrekt. De gemeente heeft hiervoor via de regionale raamovereenkomst contracten gesloten met aanbieders. De inwoner kan kiezen bij welke van de gecontracteerde aanbieders hij of zij de dienstverlening wil afnemen.
Voorzieningen (woonvoorzieningen, rolstoelen en vervoersvoorzieningen) kunnen worden verstrekt in eigendom of bruikleen. Dit is afhankelijk van de contracten die de gemeente heeft gesloten met leveranciers.
Voor een deel van de voorzieningen heeft de gemeente contracten gesloten met meerdere aanbieders. De inwoner kan dan kiezen bij welke aanbieder hij of zij de voorziening wil afnemen. Wanneer de passende oplossing niet binnen de door de gemeente gesloten contracten valt, kan de voorziening bij een andere niet-gecontracteerde aanbieder worden ingekocht en als zorg in natura worden geleverd.
2.6.2 Persoonsgebonden budget (pgb)
Een maatwerkvoorziening in pgb wil zeggen dat het college de inwoner een budget verstrekt. De inwoner kan met dit budget de benodigde voorziening aanschaffen of de benodigde dienstverlening inkopen. Het college verstrekt slechts een pgb wanneer dit voor de inwoner een passende oplossing is.
De inwoner moet volgens de gemeente voldoende in staat tot een redelijke waardering van de belangen ter zake. Of met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel een vertegenwoordiger in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.
Dit zijn de voorwaarden De PGB Test waar de inwoner aan moet voldoen om het pgb te kunnen beheren.
Hulp bij beheer door een vertegenwoordiger
Iemand anders kan het pgb voor de inwoner beheren:
Het is niet toegestaan dat de beheerder van het pgb tevens de hulpverlener is. De beheerder wordt niet betaald voor het beheer.
Wanneer de persoon, van wie gebruikelijke hulp kan worden verwacht (bijvoorbeeld de partner), overbelast is, dan geeft het college voor deze gebruikelijke hulp geen pgb af. Een pgb is namelijk geen passende oplossing voor overbelasting.
De betaling van een pgb gaat via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De inwoner verantwoordt alle kosten die hij of zij maakt vanuit een pgb bij de SVB.
Eenmalige pgb's worden in principe rechtstreeks aan de leverancier betaald. Wanneer dit niet mogelijk is dan kan dit ook rechtstreeks aan de inwoner worden betaald. De inwoner toont vooraf met een factuur of offerte aan wat de daadwerkelijke kosten van het aanschaffen van de voorziening zijn.
2.6.2.1 Financiële tegemoetkoming
Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat een inwoner krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. Dit wordt vaak ingezet, als van tevoren moeilijk is te bepalen wat de hoogte van de kosten voor een voorziening moet zijn, zoals verhuiskosten of- herinrichtingskosten of vervoer met eigen auto. Dit is een vast bedrag. De hoogte hiervan moet dusdanig zijn dat degene een passende voorziening kan inkopen om de beperkingen voldoende te compenseren. De inwoner is vrij om zelf een aanbieder of leverancier te kiezen en afspraken te maken over de invulling van de te leveren zorg dan wel voorziening.
Een eigen bijdrage wordt gevraagd zolang de inwoner gebruik maakt van de maatwerkvoorziening in natura of het pgb. Voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en soms vervoer geldt daarbij dat de bijdrage de kostprijs niet mag overstijgen. Onder kostprijs wordt de prijs verstaan waarvoor de gemeente de voorziening heeft ingekocht bij de aanbieder of leverancier en de daarin begrepen onderhouds- en servicekosten. De kostprijs is gelijk aan de waarde van de investering die de gemeente moet doen om de voorziening te kunnen realiseren. Dit geldt zowel voor voorzieningen die in bruikleen zijn verstrekt, als voor voorzieningen die in eigendom zijn verstrekt. Voor de overige voorzieningen, zoals huishoudelijke ondersteuning en begeleiding, die onder het abonnementstarief vallen geldt geen controle op de kostprijs meer. Dit wil zeggen dat een bijdrage in de kosten verschuldigd is, zolang de inwoner de voorziening gebruikt.
Als aan een inwoner of een inwoner en zijn of haar echtgenoot meerdere voorzieningen zijn verstrekt, die onder het abonnementstarief vallen, wordt éénmaal de maandelijkse bijdrage betaald. Het college geeft aan bij welke voorziening het CAK toeziet op het niet overschrijven van de kostprijs.
In de praktijk gaat dat over de kostprijs die over de langste periode wordt geïnd. Dat is meestal de voorziening met de hoogste kostprijs. Hierop wordt de duur van de bijdrage gebaseerd.
Huishoudelijke ondersteuning als algemene voorziening.
Omdat hier sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie mag voor deze algemene voorziening een eigen bijdrage worden gevraagd en valt dit onder het abonnementstarief.
Bijdrage bij beschermd wonen en maatschappelijke opvang
De inwoner die woont in een woonvorm voor beschermd wonen of beschermd thuis waarbij sprake is van ‘scheiden wonen en zorg’ (d.w.z. de inwoner betaalt zelf de huur en zijn eten of een bijdrage voor maaltijden) valt onder het Wmo-abonnementstarief. Degene betaalt dan geldende abonnementstarief.
Woont een inwoner in een instelling van een zorgaanbieder voor intramuraal beschermd wonen waarbij een ‘totaalpakket’ wordt geleverd (dus inclusief huur, hotelkosten, etc.), dan betaalt degene een inkomensafhankelijke bijdrage. Voor een inwoner die een inkomen heeft op bijstandsniveau betekent dit dat men de zogeheten ‘zak- en kleedgeldnorm’ overhoudt voor persoonlijke uitgaven. Inwoners met een hoger inkomen betalen meer. De normbedragen zijn te vinden op de site van het CAK. De centrumgemeente meldt de inwoner aan bij het CAK. Zodra in de toekomst de individuele gemeenten voor de indicatie verantwoordelijk zijn, meldt de gemeente de inwoner aan bij het CAK.
Bij uitstroom, of te voorziene uitstroom uit intramuraal beschermd wonen (b.v. iemand meldt zich aan voor de Opstapregeling), bestaat het recht om voor een periode van maximaal 6 maanden voor uitstroom de lage Wmo eigen bijdrage te betalen. Dit biedt de mogelijkheid om wat te sparen voor de kosten die bij uitstroom gemaakt moeten worden voor het huis/ aankleding, etc. De inwoner meldt dit zelf bij het CAK. Duurt de uitstroom langer dan kan er mogelijk een naheffing van het CAK volgen.
De eigen bijdrage voor Beschermd wonen en Beschermd Verblijf is inkomensafhankelijk en wordt vastgesteld op basis van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
3. Jeugd (Jeugdwet, Wpo, Wvo, Wec),
In de beleidsregels jeugd staat hoe het college zijn taken en wat bepaald is in de verordening sociaal domein, uitvoert. Een beleidsregel is geen wet maar een besluit waaraan het college zich moet houden en beschrijft hoe het college gebruik maakt van haar bevoegdheid. De beleidsregels leveren een bijdrage aan de wet en de ambities uit het beleidsplan sociaal domein:
Om deze doelen te bereiken, kan ondersteuning geboden worden. Dat kan op de vlakken die hieronder staan. Deze ondersteuning werken we verder uit in de volgende hoofdstukken.
3.2 Uitgangspunten voor ondersteuning en jeugdhulp
De gemeente onderzoekt welke hulp nodig is om de doelen beschreven onder 3.1 te behalen. Bij het bieden van ondersteuning en jeugdhulp hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten: ouders en/of verzorgers zijn primair verantwoordelijk voor hun eigen handelen en voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen.
3.3 Problemen horen bij het leven
We realiseren ons dat het leven bestaat uit zowel voorspoedige momenten als moeilijke periodes. Niet elke tegenslag vraagt direct om hulp van de gemeente of professionele ondersteuning. Ons uitgangspunt is dat mensen, gesteund door hun eigen netwerk, vaak zelf in staat zijn om passende oplossingen te vinden. Daarom stimuleren we inwoners om actief stappen te zetten om problemen te voorkomen. De rol van de omgeving is daarbij van groot belang: buurtbewoners, vrijwilligersorganisaties en lokale netwerken kunnen vaak ondersteuning bieden die dichtbij staat en goed aansluit op de persoonlijke situatie. Buurtbewoners, vrijwilligers en lokale netwerken kunnen vaak praktische en betrokken hulp bieden die aansluit op de persoonlijke situatie. Samen bouwen we aan een samenleving waarin mensen naar elkaar omkijken, ervaringen delen en gezamenlijk zoeken naar oplossingen. Deze sociale netwerken versterken het zelfredzame vermogen van mensen. De gemeente komt in beeld als de situatie zodanig is dat hulp van buitenaf echt nodig is. Dan kijken we zorgvuldig naar de persoonlijke omstandigheden, waarbij maatwerk en de samenwerking met de gemeenschap centraal staan. Iedereen is uniek, en hoewel problemen onvermijdelijk zijn in het leven, kunnen we door collectieve betrokkenheid en ondersteuning bijdragen aan het vermogen van mensen om hiermee om te gaan.
3.4 Eigen kracht, gebruikelijke hulp en voorliggende voorzieningen
De gemeente gaat ervan uit dat ouders/verzorgers primair verantwoordelijk zijn voor de zorg en opvoeding van hun kinderen. Wanneer zij hierin (tijdelijk) niet toereikend zijn, biedt de gemeente verschillende vormen van ondersteuning om de zorg zo goed mogelijk te organiseren. In dit hoofdstuk leggen we uit welke vormen van hulp voorliggend zijn op jeugdhulpvoorzieningen.
De inzet van jeugdhulp is mede afhankelijk van de mate van eigen kracht. De gemeente Overbetuwe verstaat onder ‘eigen kracht’: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, ouders en hun sociale netwerk om opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en/of stoornissen het hoofd te bieden. Het sociale netwerk omvat mensen uit de directe leefomgeving, zoals familie, buren, vrienden en andere betrokkenen met wie een sociale relatie bestaat.
Om te bepalen of er voldoende eigen kracht is voor het verlenen van de noodzakelijke bovengebruikelijke hulp, wordt onderzocht of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociaal netwerk voldoende zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te bieden. Bij dit onderzoek wordt niet alleen gekeken naar de fysieke en emotionele capaciteiten van het sociaal netwerk, maar ook naar de mogelijkheden die digitale hulpmiddelen of netwerken kunnen bieden om de hulp te verlichten of te ondersteunen. Het is ook belangrijk om de mate van overbelasting van ouders, vooral bij kwetsbare groepen, in kaart te brengen, zodat de belasting op het sociaal netwerk goed wordt ingeschat.
Om de eigen kracht in kaart te brengen zijn onderstaande vragen van belang:
Als uit onderzoek naar deze factoren volgt dat de ouder(s) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan de gemeente concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht.
Ouders hebben een hulpplicht voor hun kinderen. Ouders hebben de verantwoordelijkheid om hun kinderen de zorg en ondersteuning te bieden die in normale omstandigheden als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Gebruikelijke hulp in het kader van de Jeugdwet is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders. Zij behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Bij gebruikelijke hulp worden daarom door het college de volgende algemene uitgangspunten gehanteerd:
Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, de gebruikelijke hulp over. De zorgplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindiging van de relatie. Er wordt wel rekening gehouden met de eventueel door de rechtbank vastgelegde afspraken.
Onder gebruikelijke hulp valt in ieder geval:
in kortdurende zorgsituaties wordt van ouders of andere verzorgers/opvoeders verwacht dat ze alle persoonlijke verzorging en begeleiding zelf bieden. Alleen in langdurige zorgsituaties kan sprake zijn van bovengebruikelijke hulp waarvoor het college jeugdhulp moet inzetten. Dat sprake is van een langdurige zorgsituatie kan al vanaf het begin duidelijk zijn. Er hoeft dan dus niet eerst 3 maanden te worden ‘gewacht’ alvorens het college jeugdhulp in kan zetten.
Deze zogenoemde gebruikelijke hulp omvat alle hulp en zorg waarvan maatschappelijk wordt verwacht dat ouders die zelf leveren. Om die reden wordt gebruikelijke hulp niet vergoed vanuit de Jeugdwet. Wanneer de geboden ondersteuning verder gaat dan wat als gebruikelijk wordt beschouwd, spreken we van bovengebruikelijke hulp. In bepaalde situaties kan ook deze vorm van hulp onder de eigen kracht vallen. Als ouders ervoor kiezen om deze extra zorg vrijwillig en onbetaald te leveren, wordt dit gezien als mantelzorg.
Voor de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid van hun kind zijn ouder(s) verantwoordelijk voor:
Het afwegingskader van gebruikelijke hulp is als volgt:
Specifieke hulpbehoeften van jeugdigen met beperkingen of complexe problematiek (bijvoorbeeld een verstandelijke beperking, psychiatrische stoornis of ernstige gedragsproblemen) kunnen betekenen dat de gebruikelijke hulp onvoldoende is en bovengebruikelijke hulp noodzakelijk is.
Als personen uit het sociale netwerk van de jeugdige en/of ouder(s) kunnen bijdragen aan het verminderen of oplossen van de problematiek, wordt dit ook gezien als het aanspreken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. Van belang is dat de vraagverlegenheid van de jeugdige en/of ouder(s) en de handelingsverlegenheid bij de personen uit het sociale netwerk worden verminderd. Daarom wordt hier bij het onderzoek nadrukkelijk bij stil gestaan. Hulp uit het sociale netwerk kan niet worden afgedwongen. Als het beschikbaar is, mag het college wel verlangen dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) hier gebruik van maken.
Mantelzorg betreft de zorg die iemand vrijwillig en onbetaald verleent aan een naaste met een ziekte, beperking, verslaving of psychische problematiek. Dit kan ook gaan om de zorg voor een eigen kind. In de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) wordt mantelzorg omschreven als:
“hulp ten behoeve van jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep” (zie ook paragraaf 2.5.1).
Mantelzorg is altijd vrijwillig en kan daarom niet worden afgedwongen. Het overstijgt de gebruikelijke hulp in zowel duur als intensiteit. De mate waarin iemand mantelzorg kan verlenen, hangt af van de persoonlijke situatie en mogelijkheden. Bij de beoordeling of jeugdhulp nodig is, wordt daarom per situatie bekeken in hoeverre mantelzorg of steun vanuit het eigen netwerk aanvullend kan zijn op de gebruikelijke hulp. Dit vraagt om maatwerk.
Mantelzorgers worden gewaardeerd voor hun inzet. De ontvanger van mantelzorg kan hiervoor een mantelzorgwaardering aanvragen (zie ook paragraaf 2.5.1). De gemeente biedt:
Het aanvraagformulier is beschikbaar via de gemeentelijke website.
Belastbaarheid van mantelzorgers
Wat van een mantelzorger verwacht mag worden, verschilt per persoon en situatie. De aard van de relatie, de fysieke en mentale belastbaarheid van de mantelzorger, beschikbare tijd en reistijd spelen hierbij een rol. De gemeente baseert zich hierbij op de informatie die de mantelzorger zelf verstrekt. Overbelasting moet zoveel mogelijk worden voorkomen.
3.4.4 Voorliggende voorzieningen
Een voorliggende voorziening betekent dat eventueel benodigde hulp of ondersteuning al op een andere manier vergoed kan worden. Hier is dus geen jeugdhulpvoorziening voor nodig van de gemeente.
Hierbij kan gedacht worden aan:
Wanneer een voorliggende voorziening goed past bij de behoefte of hulpvraag, hoeft de gemeente geen jeugdhulpvoorziening af te geven. Er is dan immers een andere oplossing beschikbaar.
Als uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige en/of ouder(s) aanvullend verzekerd zijn voor de noodzakelijke (jeugd)hulp, wordt verwacht dat in dat geval de jeugdige en/of ouder(s) aanspraak maken op die aanvullende zorgverzekering. Het college hoeft namelijk geen voorziening voor jeugdhulp te treffen als de jeugdige en/of ouder(s) in staat zijn zelf de problemen op te lossen.
Volgens de Jeugdwet is het college niet verplicht een individuele voorziening te verstrekken als recht bestaat op zorg op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of een andere wettelijke bepaling.
Van de jeugdige en/of ouder(s) wordt verwacht dat zij actief aanspraak proberen te maken op een andere voorliggende voorziening. Het college kan van mening zijn dat er sprake is van een voorliggende voorziening. De jeugdige en/of ouder(s) dienen daarom na een verzoek van het college binnen twee weken een aanvraag onder een andere wet of een declaratie op basis van de (aanvullende) verzekering in. Als aan het verzoek van het college niet binnen twee weken gevolg wordt gegeven, is de weigering om het verzoek in te willigen tezamen met de mening van het college dat er sprake is van een voorliggende voorziening een afwijzingsgrond voor de aanvraag voor een individuele voorziening jeugdhulp.
Van een andere voorliggende voorziening is geen sprake als vaststaat dat de voorziening op basis van de andere wettelijke bepaling is afgewezen of als vaststaat dat de jeugdige daar niet voor in aanmerking komt.
Omdat de afbakening tussen de Jeugdwet met de Wlz en de Zvw veelvuldig voorkomt, worden deze hieronder nader toegelicht.
Voor zover de jeugdige de benodigde zorg vanuit de Wlz kan krijgen, hoeft het college hiervoor geen jeugdhulp in te zetten. Dit geldt ook wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor een indicatie voor Wlz-zorg, maar hij of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit. Ook in dat geval mag het college een voorziening op grond van de Jeugdwet weigeren.
Jeugdigen kunnen in aanmerking komen voor een indicatie op grond van de Wlz als ze een blijvende behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid vanwege de volgende beperkingen:
Wlz-zorg wordt geïndiceerd door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).
Als een jeugdige de benodigde zorg op grond van de Zvw krijgt, bestaat er geen recht op een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. De Zvw regelt het recht op geneeskundig zorg of een hoog risico daarop. Met ‘hoog risico daarop’ wordt bedoeld dat geneeskundige zorg op grond van de Zvw ook verleend kan worden aan verzekerden bij wie nog geen sprake is van een ziekte, aandoening of beperking maar wel een ‘hoog risico’ hierop hebben.
De Zvw-aanspraken zijn door de overheid vastgelegd in een basispakket. Het basispakket geeft jeugdigen recht op:
De aanvullende zorgverzekering is geen andere wettelijke voorliggende voorziening. Echter in het kader van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt wel verwacht dat ouders en jeugdigen hier gebruik van maken.
Soms is een probleem het gevolg van meerdere oorzaken. In gevallen waarin er zowel recht bestaat op zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Zorgverzekeringswet (Zvw) als de Jeugdwet, moet er een jeugdhulpvoorziening worden getroffen. Een uitzondering hierop geldt voor maatwerkvoorzieningen op basis van de Wmo, zoals woningaanpassingen en hulpmiddelen.
Een jeugdhulpvoorziening kan worden geweigerd als het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige en/of diens ouders recht hebben op zorg op basis van de Wlz of de zorgverzekering, en/of als zij weigeren mee te werken aan het verkrijgen van die zorg.
Wanneer ouders tegen problemen aanlopen bij de opvoeding, verzorging en het grootbrengen van hun kind, en het hen niet lukt om deze problemen zelf op te lossen, eventueel met hulp uit hun eigen netwerk, kan jeugdhulp een oplossing bieden. Jeugdhulp kan ouders ondersteunen bij opvoedingsproblemen.
In sommige gevallen is echter ook ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) nodig. Volgens xde wet valt de verzorging van (gezonde) kinderen onder het uitvoeren van een gestructureerd huishouden. Als een ouder door beperkingen in zelfredzaamheid niet in staat is om alle taken die bij de verzorging van een kind horen zelf uit te voeren, kan praktische hulp nodig zijn, waarbij verzorgingstaken van de ouder worden overgenomen. Deze ondersteuning valt onder de Wmo.
Bij het bepalen van de juiste hulp wordt gekeken naar wie de hulp nodig heeft. Heeft de hulp te maken met de zelfredzaamheid of opvoedvaardigheden van de ouder, of is er sprake van problematiek bij de jeugdige? Het antwoord op deze vraag bepaalt welke vorm van ondersteuning het meest passend is.
3.4.5 Algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen
Wanneer het ouders, samen met hun eigen netwerk, niet meer lukt om een jeugdige gezond en veilig op te laten groeien naar zelfredzaamheid en participatie, kan de jeugdige in eerste instantie een beroep doen op algemeen toegankelijke voorzieningen. Deze voorzieningen zijn voor alle inwoners van de gemeente Overbetuwe vrij toegankelijk, gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, en worden lokaal georganiseerd.
Daarnaast zijn er algemeen gebruikelijke voorzieningen. Dit zijn voorzieningen of producten en diensten die niet speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking en vrij toegankelijk en gebruikelijk zijn voor iedereen in de gemeente.
Wanneer een jeugdige of ouder een hulpvraag heeft, wordt eerst vastgesteld wat de aard van de vraag is. Vervolgens worden de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen in kaart gebracht. Op basis hiervan wordt bepaald welke hulp, zowel in aard als omvang, nodig is voor de jeugdige. Daarna wordt beoordeeld wat de jeugdige zelf of met (gebruikelijke) hulp van het eigen netwerk kan oplossen, welke problemen met algemene voorzieningen kunnen worden aangepakt en waarvoor nog individuele jeugdhulpvoorzieningen noodzakelijk zijn.
Het doel van het inzetten van een individuele jeugdhulpvoorziening is om de jeugdige in staat te stellen:
Onder jeugdhulpvoorzieningen of opvoedondersteuning kunnen de volgende vormen van hulp vallen:
Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp kunnen, indien noodzakelijk door medische redenen of beperkingen in zelfredzaamheid, ook het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, omvatten.
Deze beleidsregels gelden uitsluitend voor vrijwillige jeugdhulp. Voor gedwongen jeugdhulp zijn andere regels van toepassing, vastgelegd in documenten en contracten met gecertificeerde instellingen die deze hulp uitvoeren. Deze regels zijn opgenomen in de bovenregionale afspraken van de Gelderse Verbeteragenda (zie www.gvjb.nl).
In gevallen van gedwongen jeugdhulp is het de verantwoordelijkheid van het college om de jeugdhulp in te zetten die door de gecertificeerde instelling noodzakelijk wordt geacht voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of een machtiging uithuisplaatsing. Daarnaast zal het college de jeugdhulp inzetten die door de rechter, het Openbaar Ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting noodzakelijk wordt geacht voor de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing of die door de gecertificeerde instelling wordt vereist voor jeugdreclassering.
3.4.7 Praktijkondersteuner jeugd POJ)
De gemeente Overbetuwe heeft als brede ambitie om te zorgen voor passende, betaalbare, toegankelijke en kwalitatief goede zorg voor onze inwoners. De praktijkondersteuner jeugd (POJ) is verbonden aan het sociaal team en moet kinderen en jongeren helpen om hun zorgen en problemen te verhelderen en ervoor te zorgen dat deze kinderen en jongeren passende hulp krijgen. De POJ doet dat vanuit de visie dat jongeren zoveel mogelijk lokaal passende hulp nodig hebben, dat de POJ de samenwerking tussen partners in het zorg en sociaal domein kan faciliteren en verbeteren en dat door de functie POJ de inzet van dure specialistische voorzieningen zo veel mogelijk voorkomen kan worden. In sommige gevallen biedt de POJ zelf kortdurende ondersteuning en/of overbruggingszorg.
Het uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Het feit dat ouders/verzorgers werken of zorgdragen voor andere kinderen wordt in beginsel niet beschouwd als een beperking in de zelfredzaamheid. Als ouders/verzorgers er zelf niet in slagen het vervoer te verzorgen of begeleiding in het vervoer te leveren, kunnen zij daarvoor bijvoorbeeld een oppas, buren of familie inschakelen.
3.5.2 Aanspraak op een vervoersvoorziening
Wanneer de inzet van een vervoersvoorziening door het college noodzakelijk wordt geacht, is de voor het college goedkoopst mogelijke wijze van vervoer het uitgangspunt. Eerst wordt gekeken of ouders/verzorgers het vervoer zelf kunnen organiseren. Indien dit het geval is geldt een kilometervergoeding ter hoogte van de maximale algemeen gebruikelijke belastingvrije kilometervergoeding. Per 1 januari 2024 bedraagt deze € 0,23 per kilometer. Voor het vaststellen van de afstand maakt het college gebruik van de optie ‘kortste route’ met de auto van de ANWB routeplanner. Als vervoer op eigen gelegenheid niet mogelijk is, dan verstrekt het college een voorziening voor aangepast vervoer.
Het college kan een jeugdige aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is verstrekt tijdelijk of voor onbepaalde tijd de toegang tot dit vervoer ontzeggen indien bij herhaling is gebleken dat door agressief gedrag of op een andere manier ongepast gedrag van de jeugdige of diens ouder/verzorger de orde, rust en/of (sociale) veiligheid van de chauffeur en/of andere inzittenden in het geding is gekomen. Hierbij wordt in voorkomende gevallen gehandeld conform het incidentenprotocol van Avan.
Voor de berekening van de hiervoor bedoelde afstand wordt gebruik gemaakt van de ANWB-routeplanner. Bij de berekening wordt uitgegaan van de optie kortste route per fiets. Aan de hand van deze afstand wordt bepaald of voldaan wordt aan het afstandscriterium en of het de dichtstbijzijnde school betreft.
Bij het beoordelen van de aanvraag van een vervoersvoorziening vindt het vaststellen van de reistijd per openbaar vervoer plaats op basis van de informatie van de Reisinformatiegroep BV via telefoonnummer 0900-9292, de website www.9292.nl of de mobiele app van de Reisinformatiegroep BV op het moment van de beoordeling.
De reistijd per auto wordt vastgesteld door gebruik te maken van de ANWB-routeplanner op www.anwb.nl. Hierbij wordt gekozen voor de routeplanner ‘auto’ en de optie ‘kortste route’.
De reistijd per aangepast vervoer wordt vastgesteld door gebruik te maken van de ANWB-routeplanner op www.anwb.nl. Hierbij wordt gekozen voor de routeplanner ‘auto’ en de optie ‘kortste route’ gemeten vanaf de woning dan wel de opstapplaats.
Wanneer een leerling vanwege herstel of revalidatie langer dan 3 maanden afhankelijk is van een rolstoel en/of krukken, kan het college een vervoersvoorziening verstrekken voor de duur van het herstel of de revalidatie. Dit geldt alleen wanneer de extra vervoerskosten niet bij een zorgverzekeraar of elders kunnen worden gedeclareerd.
3.6.4 Dichtstbijzijnde toegankelijke school
Kinderen van statushouders met een taalachterstand kunnen een jaar lang intensief taalonderwijs krijgen door middel van de zogenaamde schakelklassen. Dit taalonderwijs wordt zowel op het basis- als het voortgezet onderwijs (ISK) gegeven. In de uitvoering wordt onderscheid gemaakt tussen beide onderwijsvormen.
Wanneer een leerling voor primair onderwijs is aangewezen op taalonderwijs bij een voltijdschakelklas, merkt het college de school waarop het taalonderwijs wordt geboden aan als de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor deze leerling. Het college kan een voorziening verstrekken voor vervoer van en naar deze school als voldaan wordt aan de voorwaarden van de Verordening sociaal domein Overbetuwe 2024.
Wanneer het om voortgezet onderwijs (ISK) gaat, hanteert het college het volgende: leerlingen die een school voor voortgezet onderwijs bezoeken komen slechts dan in aanmerking voor bekostiging van vervoer wanneer zij vanwege een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken.
Wanneer leerlingen vanwege een verbouwing op een andere locatie worden opgevangen, is het niet automatisch zo dat alle leerlingen naar die locatie vervoerd worden. Per leerling zal opnieuw beoordeeld worden of er nog aanspraak gemaakt kan worden op een vervoersvoorziening op grond van de Verordening sociaal domein Overbetuwe 2024. Deze wijziging dient daarom door ouders aan het college te worden doorgegeven.
Volgt een leerling ook onderwijs op een zorg- of jeugdhulplocatie, dan kan het college een vervoersvoorziening verstrekken als aan de voorwaarden van de Verordening sociaal domein gemeente Overbetuwe 2024 wordt voldaan én als sprake is van onderwijs in de zin van de onderwijswetgeving. Bij locaties waar zowel onderwijs als zorg wordt verstrekt bestaat alleen aanspraak op leerlingenvervoer als het onderwijs deel meer dan 50% van de tijd omvat. Het college vraagt ouders dit aan te tonen via het overleggen van een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) en de beschikking voor het zorgdeel. Bij de toekenning van een vervoersvoorziening zijn de schooltijden leidend.
Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat er een wachtlijst bestaat, dient bekostiging plaats te vinden naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde toegankelijke school. De aanspraak op een vervoersvoorziening naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school. Bij de nieuwe aanvraag is het aan ouders om aan te tonen dat de wachtlijst nog bestaat. In de toekenningsbeschikking neemt het college op dat bekostiging van het leerlingenvervoer naar de verder weg gelegen school wordt verstrekt tot het moment dat de leerling op de dichtstbijzijnde school kan worden geplaatst, waarna de voorziening vervalt. Als ouders in aanmerking willen blijven komen voor een vervoersvoorziening op grond van de Verordening sociaal domein Overbetuwe 2024, dan is het nodig dat zij daarvoor een nieuwe aanvraag indienen. Deze toetst het college aan de voorwaarden van de verordening.
3.6.6 Vervoer naar opvangadres
Indien er aangepast vervoer wordt toegekend, verzorgt het college na schooltijd alleen vervoer van school naar een opvangadres, anders dan het woonadres of opstapplaats, in de volgende situaties:
Op verzoek van de ouders kan een vervoersvoorziening worden toegekend voor vervoer van een hoogbegaafde leerling naar de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool die voltijdonderwijs voor hoogbegaafden aanbiedt, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
De dichtstbijzijnde basisschool/voortgezet onderwijsschool heeft (nog) geen passend aanbod voor de hoogbegaafde leerling en de leerling moet meer dan zes kilometer reizen van de woning, het opvangadres dan wel de opstapplaats naar een voor hem eerstvolgende dichtstbijzijnde toegankelijke school die wel een passend voltijdaanbod op het gebied van hoogbegaafdheid aan de leerling kan bieden, en;
3.6.11 Extreme weersomstandigheden
Bij (verwachte) extreme weersomstandigheden beslist de vervoerder in overleg met het college of de route gereden kan worden, of eventueel op een ander tijdstip plaats moet vinden. De vervoerder geeft dit direct door aan de ouders.
Van ouders/verzorgers wordt geen begeleiding verlangd als
De ouder van een één-oudergezin kan aantonen dat de ouder het werk / inburgering niet langer kan uitoefenen als deze zorg moet dragen voor de begeleiding van zijn kind van en naar school. Hiervoor dient de ouder een werkgeversverklaring aan het college te overleggen, met een weekrooster en werktijden. Ook het volgen van een voltijdsopleiding door een ouder van een één-oudergezin, wordt door het college gelijkgesteld met werk / inburgering. In deze situatie dient de ouder een inschrijfbewijs en het lesrooster van de voltijdsopleiding aan het college te overleggen.
Er sprake is van een één-oudergezin en de ouder één of meerdere kind(eren), jonger dan 10 jaar uit hetzelfde gezin, tegelijkertijd naar een andere school moet brengen. Dan kan de leerling die moet reizen naar het speciaal (basis)onderwijs in aanmerking komen voor bekostiging van aangepast vervoer. De ouder maakt aan het college aannemelijk dat een andere oplossing (bijvoorbeeld het inschakelen van buren of familie of voor- en naschoolse opvang) niet mogelijk is.
3.6.17 Uitsluiting aangepast vervoer
Conform het incidentenprotocol van de vervoerder onderneemt in deze gevallen de volgende stappen:
Na melding van een incident door de vervoerder start de gemeente een onderzoek. In het kader van dat onderzoek spreekt de gemeente met de vervoerder/chauffeur, ouders/verzorgers en/of school. Afhankelijk van de ernst van het incident kan worden overgegaan tot uitsluiting van maximaal drie dagen (een zogenoemde afkoelperiode).
In geval van een ernstig gedragsgerelateede incident kan de gemeente besluiten direct over te gaan tot uitsluiting zoals benoemd sub d. Hierbij gaat het om ernstig grensoverschrijdend gedrag, zoals bijvoorbeeld een situatie waarin een leerling of ouder/verzorger dreigt met geweld of feitelijk geweld gebruikt richting andere leerlingen of chauffeur/begeleiding.
Co-ouderschap is geen wettelijke term. Het college verstaat onder co-ouderschap het volgende: ouders, al dan niet gescheiden, die niet bij elkaar wonen, die hun kinder(eren) gezamenlijk verzorgen en opvoeden. Er is sprake van co-ouderschap als beide ouders in een regelmatige afwisseling de zorg voor hun kind(eren) hebben.
Als het inschakelen van een onafhankelijk deskundige zo lang in beslag zou gaan nemen, dat de leerling niet kan wachten op een eventuele voorziening, kan het college een tijdelijke voorziening toekennen. Hiervoor is het nodig dat het aannemelijk is dat er positief deskundig advies gegeven gaat worden. De tijdelijke voorziening wordt voor maximaal drie maanden verstrekt, dan wel bij een nieuw schooljaar uiterlijk tot de kerstvakantie.
3.7. Overige vormen van jeugdhulp
De hoofdregel is dat ondersteuning die gericht is op onderwijs en het leerproces onder de Wet passend onderwijs valt. Ondersteuning die niet direct verband houdt met onderwijs, zoals persoonlijke verzorging, valt daarentegen onder de Jeugdwet. Huiswerkbegeleiding wordt echter nooit vergoed via de Jeugdwet, aangezien dit de verantwoordelijkheid is van zowel ouders als school. Als de begeleiding bij het plannen en structureren van huiswerk gericht is op het volgen van het onderwijsprogramma, valt dit onder de zorgplicht van de Wet passend onderwijs en niet onder de Jeugdwet.
Ondersteuning die specifiek gericht is op het onderwijs en het leerproces valt onder de Wet passend onderwijs. Ondersteuning die niet gericht is op onderwijs, maar bijvoorbeeld op persoonlijke verzorging, valt wel onder de Jeugdwet. Huiswerkbegeleiding wordt niet vergoed vanuit de Jeugdwet, aangezien dit de verantwoordelijkheid is van ouders en school. Als begeleiding bij het plannen en structureren van huiswerk gericht is op het volgen van het onderwijsprogramma, valt deze ondersteuning onder de zorgplicht van de Wet passend onderwijs, niet de Jeugdwet.
3.7.2 Stage en voorbereiding op werk
Wanneer een jeugdige leerplichtig is en nog niet kwalificatieplichtig, moet hij of zij ingeschreven staan bij een school, die verantwoordelijk is voor passend onderwijs. Dit omvat ook de (extra) begeleiding die de leerling tijdens zijn of haar stage nodig heeft, zolang de leerling staat ingeschreven bij een school. De zorgplicht van de school geldt ook voor leerlingen die speciaal onderwijs volgen met een uitstroomprofiel dagbesteding. Als deze leerlingen een stage willen lopen, zijn de kosten hiervan voor de school. Ondersteuning bij het verkrijgen van werk valt niet onder de Jeugdwet, maar kan mogelijk wel onder de Participatiewet vallen. Het simpelweg motiveren van jeugdigen voor school of werk valt niet onder de Jeugdwet, tenzij er onderliggende problemen zijn, zoals dyslexie, gedragsproblemen of depressie, waarvoor jeugdhulp kan worden ingezet.
Deelname aan sport ter ontspanning valt onder reguliere sportactiviteiten en komt niet in aanmerking voor jeugdhulpvoorzieningen. Als begeleiding tijdens sportactiviteiten nodig is (en deze de normale begeleiding door een sportinstructeur overstijgt), kan deze begeleiding in sommige gevallen wel als jeugdhulp worden gezien. Dit geldt wanneer de jeugdige opgroei-, opvoedings- en/of psychische problemen of stoornissen heeft waarvoor hulp nodig is. De begeleiding tijdens sportactiviteiten moet passend zijn voor jeugdigen met matige of zware beperkingen, gericht op het bevorderen of behouden van hun zelfredzaamheid of maatschappelijk functioneren. Er moet ook beoordeeld worden of deze vorm van recreatie (en dus de daarbij horende begeleiding) echt noodzakelijk is om te kunnen participeren, of dat deelname op andere manieren bereikt kan worden.
Jongerenwerkers bieden laagdrempelige ondersteuning aan jongeren in hun ontwikkeling naar volwassenheid door middel van contact, signalering, motivatie, opvoeding en activering. Zij werken samen met verschillende partners, zoals ouders, scholen, jeugdhulpinstanties, wijkteams en de politie. Voor activiteiten die vallen onder jongerenwerk wordt geen jeugdhulp voorzien. Jongerenwerk is een vrij toegankelijke voorziening die beschikbaar is voor alle jongeren in Overbetuwe.
3.7.6 Scheiding van wonen en zorg
Wanneer verblijf geen onderdeel is van de indicatie, mag er geen gemengde huur-/ondersteuningsovereenkomst worden afgesloten tussen de aanbieder en de jeugdige. Zo’n overeenkomst zou de jeugdige in een afhankelijkheidsrelatie brengen, waarbij hij of zij huisvesting kan verliezen als hij of zij van aanbieder verandert of als de aanbieder wordt aangesproken op de kwaliteit van de ondersteuning. Dit is in strijd met de wet. De jeugdige mag echter wel een woonruimte huren bij de aanbieder, maar dit moet in een zelfstandige huurovereenkomst geregeld worden, zodat huurbescherming kan worden ingeroepen.
Respijtzorg is een overkoepelende term voor diverse vormen van ondersteuning die ouders helpen hun rol als verzorgers en opvoeders te blijven vervullen. De Jeugdwet schrijft voor dat het college respijtzorg beschikbaar moet stellen voor jeugdigen die permanent toezicht nodig hebben. Permanent toezicht verschilt van regulier ouderlijk toezicht en kan betrekking hebben op:
De zorg voor de jeugdige blijft de wettelijke taak van ouders. Wanneer ouders het niet zelf kunnen organiseren, kunnen ze gebruik maken van de volgende algemene voorzieningen:
Als algemene voorzieningen niet voldoende aansluiten bij de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige, kunnen ouders gebruik maken van geïndiceerde of specialistische jeugdhulp, zoals:
Geïndiceerde respijtvoorziening kan niet worden ingezet wanneer passende hulp ook via andere voorliggende voorzieningen kan worden geboden. Respijtzorg kan uitsluitend ingezet worden voor ouders in de zin van de Jeugdwet.
4.1 Afwijken van de beleidsregels
Het college kan afwijken van een artikel in deze beleidsregels als toepassing daarvan tot een onvoorziene of onredelijke benadeling leidt. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de wetten of de Verordening sociaal domein, waar deze beleidsregels op zijn gebaseerd door het toepassen van deze artikelen juist niet worden gehaald.
Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóórdat deze beleidsregels waren vastgesteld en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af met toepassing van deze beleidsregels.
Besluiten van het college die zijn genomen met toepassing van de ingetrokken beleidsregels blijven in stand, tot het moment van heroverweging vanwege gewijzigde omstandigheden of de einddatum van het besluit.
Aldus besloten op 27 mei 2025
Burgemeester en wethouders,
de gemeentesecretaris
D.C. van Eeten
de burgemeester,
R.P. Hoytink-Roubos
Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken
Bijzondere bijstand: bijstand die voorziet in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan, zoals bedoeld in artikel 35 van de Participatiewet.
Bovengebruikelijke hulp: hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat, en die wordt verstrekt wanneer de hulpbehoefte van de jeugdige of ouder (door bijvoorbeeld psychische of lichamelijke beperkingen) niet binnen de gebruikelijke hulp kan worden voorzien.
College: burgemeester en wethouders
Draagkracht: het gedeelte van het aanwezige inkomen en/of vermogen dat gebruikt moet om in de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd te voorzien.
Draagkrachtperiode: de periode waarover de financiële draagkracht van een belanghebbende wordt vastgesteld.
Eigen kracht: De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de meerderjarige inwoner, de jeugdige of de ouder(s) om zelf of met personen uit hun sociaal netwerk (familie, vrienden, mantelzorgers, etc.) de behoefte aan ondersteuning op te lossen.
Forfaitaire loonkostensubsidie: een loonkostensubsidie van 50% die wordt ingezet voor een periode van zes maanden
Gebruikelijke hulp: hulp die, gelet op de leeftijd van het kind en de omstandigheden van het gezin, van ouders, andere huisgenoten of gezagsdragers redelijkerwijs mag worden verwacht. Dit kan zowel fysieke hulp zijn (zoals voeding en hygiëne) als begeleiding bij de psychomotorische en sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind.
Gemeente: burgemeester en wethouders
Gezamenlijke huishouden: indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Dit wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
Gift: een ontvangen gift in natura met een onverplicht karakter of een financiële gift zonder terugbetalingsverplichting.
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel e sub 1 noodzakelijk is, of voor wie het college vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is.
Jobcoach Overbetuwe: een jobcoach van de gemeente Overbetuwe die mensen met een arbeidsbeperking begeleidt op de werkplek.
Jongmeerderjarige: jongere in de leeftijd van 18 tot 21 jaar.
Kinderopvangorganisatie: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en gevestigd in de gemeente Overbetuwe.
Kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen van 0 jaar tot de eerste dag van de maand waarop het basisonderwijs voor die kinderen begint.
Kinderopvangtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van kinderopvang.
LRK (Landelijk Register Kinderopvang): in het LRK staan de geregistreerde kinderopvangvoorzieningen weergegeven. Geregistreerd betekent dat de kinderopvangvoorzieningen zijn goedgekeurd door de gemeente en GGD en daarmee voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen.
Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting
Ouder: Gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder. Als het gaat om vervoer naar school worden pleegouders ook aangemerkt als ouder.
Sociaal medische indicatie (SMI): een indicatie afgegeven door een medewerker van het sociaal team (Jeugdwet) die recht geeft op een tijdelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op basis van sociale of medische situatie die kinderopvang noodzakelijk maakt.
Sociaal netwerk: Tot het sociaal netwerk worden de personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt gerekend, zoals mantelzorgers, buren, vrienden, (mede)leden van een vereniging, evenals digitale netwerken en online hulpbronnen die de betrokkenen kunnen ondersteunen bij de hulp en opvoeding van de jeugdige.
Verzorger(s): de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de adoptief- of pleegouder van een doelgroepkind.
Voorliggende voorziening: elke voorziening buiten de wet om waarop belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, om middelen te verwerven of om specifieke uitgaven te bekostigen.
Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Wec: Wet op de expertisecentra
Wmo: wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Onder woonruimte wordt verstaan een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige dan wel niet zelfstandige woning is verhuurd, dan wel een woonwagen of een standplaats, alsmede de onroerende aanhorigheden (art. 7:233 BW).
Een woonunit is een verplaatsbare unit die tijdelijk ingezet kan worden bij een inwoner en bijvoorbeeld kan dienen als extra woonkamer of slaapkamer met natte cel.
Wpo: Wet op het primair onderwijs
WSF: Wet studiefinanciering 2000
WTOS: Hoofdstuk 4 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-273915.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.