Gemeenteblad van Lelystad
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Lelystad | Gemeenteblad 2025, 272058 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Lelystad | Gemeenteblad 2025, 272058 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Lelystad
Overwegende dat:
met inwerkingtreding van Omgevingswet het vereist is dat de gemeente:
op 23 april 2024 de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit heeft vastgesteld met betrekking tot de bodembescherming, welke binnen 18 maanden opgenomen dient te worden in het omgevingsplan;
de Provinciale Staten van Flevoland:
een wijziging van het omgevingsplan nodig is om bepalingen ten aanzien van bodembescherming of ter invulling van instructieregels op te nemen in het omgevingsplan;
het voor het wijzigen van het omgevingsplan noodzakelijk is om eerst een wijziging in ontwerp ter inzage te leggen; en
een kennisgeving van het voornemen het omgevingsplan te wijzigen:
op 18 februari 2025 is gepubliceerd met als titel: Kennisgeving voornemen Wijziging Omgevingsplan gemeente Lelystad: Provinciale instructieregels (Gemeenteblad 2025, 70338); en
op 26 februari 2025 is gepubliceerd met als titel: Kennisgeving voornemen Wijziging Omgevingsplan gemeente Lelystad: Bodembepalingen (Gemeenteblad 2025, 82852).
besluit om de regels, opgenomen in bijlage A, als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Lelystad als ontwerp ter inzage te leggen.
Dit ontwerp betreft de wijziging van het "Omgevingsplan gemeente Lelystad" opgenomen in Bijlage A.
De onderbouwing van deze wijziging omgevingsplan is opgenomen in de Motivering.
De wijziging van het omgevingsplan gaat over:
de verwerking van de instructieregels zoals opgenomen in de Omgevingsverordening provincie Flevoland.
regels voor het beheer en de bescherming van de kwaliteit van de bodem met betrekking tot de volgende activiteiten:
het graven in de landbodem;
het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie;
het uitvoeren van activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico;
het starten of wijzigen zeer bodemgevoelig gebruiken;
het saneren van de bodem;
het toepassen van bouwstoffen; en
het toepassen van grond of baggerspecie.
Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders, 10‑06‑2025
Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Lelystad
A
Artikel 1.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in hoofdstuk 4 tot en met 21, artikel 28.2 tot en met 28.4, en de informatie in bijlage I en bijlage II bij dit omgevingsplan gelden in het kader van de transitieperiode voor nu alleen in het transitiegebied.
[Vervallen]
B
Het opschrift van artikel 1.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
C
Na afdeling 5.2 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Het bouwen van een gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging is alleen mogelijk als een bronaanpak overeenkomstig artikel 5.44 wordt uitgevoerd voor zover er sprake is van een mobiele bodemverontreiniging.
Er is sprake van een mobiele bodemverontreiniging indien de verontreinigende stof:
in het vaste deel van de bodem voorkomt in concentraties hoger dan de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
in het grondwater voorkomt in concentraties hoger dan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het aannemelijk maken of er sprake is van een mobiele bodemverontreiniging kan volgen uit:
het uitvoeren van een voorafgaand bodemonderzoek, als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Een gebouw als bedoeld in het eerste lid omvat ook de daaraan grenzende aaneengesloten tuin of het daaraan aangrenzende aaneengesloten terrein.
Het eerste lid geldt niet voor bijbehorende bouwwerken als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m².
De bronaanpak, bedoeld in artikel 5.43, eerste lid, vindt plaats overeenkomstig de regels voor saneren van de bodem in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij de uitvoering van een bronaanpak, bedoeld in artikel 5.43, eerste lid, is het afdekken als saneringsaanpak, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet toegestaan.
Het college draagt er zorg voor dat gedeputeerde staten een afschrift krijgen van:
Het derde lid is enkel van toepassing indien het saneren van de bodem wordt uitgevoerd vanwege een op grond van artikel 5.43, eerste lid verplichte bronaanpak.
In aanvulling op artikel 22.34 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging, inclusief de daaraan grenzende aaneengesloten tuin of het daaraan grenzende aaneengesloten terrein, gegevens en bescheiden verstrekt die aannemelijk maken dat een bronaanpak wordt getroffen, voor zover er sprake is van een mobiele bodemverontreiniging.
Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.25 wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het bevoegd gezag is geïnformeerd over de wijze waarop de bronaanpak, bedoeld in artikel 5.43, is uitgevoerd.
Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen bij een bronaanpak op grond van artikel 5.43 voor het toestaan van een andere saneringsaanpak dan bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, mits de andere saneringsaanpak leidt tot het voorkomen of beperken van verontreinigende stoffen naar het grondwater.
D
Het opschrift van afdeling 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
E
Het opschrift van paragraaf 5.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
F
Het opschrift van artikel 5.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
G
Het opschrift van paragraaf 5.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Het opschrift van subparagraaf 5.3.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Het opschrift van artikel 5.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Het opschrift van subparagraaf 5.3.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Het opschrift van artikel 5.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Het opschrift van paragraaf 5.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Het opschrift van artikel 5.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
N
Het opschrift van paragraaf 5.3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Het opschrift van artikel 5.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
P
Het opschrift van paragraaf 5.3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Q
Het opschrift van artikel 5.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
R
Het opschrift van paragraaf 5.3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
S
Het opschrift van artikel 5.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
T
Het opschrift van paragraaf 5.3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
U
Het opschrift van artikel 5.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
V
Het opschrift van afdeling 5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
W
Het opschrift van paragraaf 5.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
X
Het opschrift van artikel 5.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Y
Artikel 5.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Tenzij in paragraaf 5.4.25.5.2 anders is bepaald, moeten bijbehorende bouwwerken binnen het transitiegebied voldoen aan de volgende eisen:
een bijbehorend bouwwerk heeft een bouwhoogte van maximaal 5 m;
de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 3 m zijn;
een bijbehorend bouwwerk wordt niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per hoofdgebouw:
maximaal 50 m2 zijn, als de oppervlakte van een bouwperceel 500 m2 of minder is; of
maximaal 10% van de oppervlakte van het bouwperceel tot maximaal 100 m2 zijn, als de oppervlakte van een bouwperceel meer dan 500 m2 is;
een aan-, uit-, of aangebouwd bijgebouw dat gesitueerd wordt aan de zijgevel van het hoofdgebouw, heeft een hoogte van maximaal 1 m minder dan de hoogte van het hoofdgebouw; en
de diepte van een aan de achtergevel van het hoofdgebouw gebouwde aan- of uitbouw is maximaal 4 m;
Voor zover een aan-, uit-, of aangebouwd bijgebouw gelegen in het achtererfgebied op een afstand van maximaal 4 m van het oorspronkelijke hoofdgebouw wordt gesitueerd:
voor zover een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied is gelegen:
wordt het gebouwd met een plat dak, tenzij deze tegen de zijgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd;
wordt niet hoger dan 0,3 m vanaf de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw;
wordt het niet breder dan de helft van de voorgevel van het hoofdgebouw wanneer het bouwwerk aan de voorgevel wordt gesitueerd; en
is het bebouwingspercentage van het voorerfgebied niet meer dan 50%
In afwijking van het eerste lid, onder d, en met toepassing van artikel 5.5, tweede lid, mag binnen het transitiegebied de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per hoofdgebouw worden vergroot tot maximaal 80 m², mits:
Met toepassing van artikel 5.5, tweede lid kan afgeweken worden van het eerste lid en paragraaf 5.4.25.5.2.
Z
Het opschrift van paragraaf 5.4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AA
Het opschrift van artikel 5.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BB
Artikel 5.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen bijbehorend bouwwerk, voorerf mogen aan- of uitbouwen en bijgebouwen in het voorerfgebied worden gebouwd in lijn met de eisen opgenomen in artikel 5.525.57, eerste lid, sub g, mits er in de bestaande situatie al een aan- of uitbouw of bijgebouw vóór de voorgevel van het hoofdgebouw is gesitueerd.
Binnen bijbehorend bouwwerk, 1 m naar openbaar gebied, achtererf is het verboden aan- of uitbouwen en bijgebouwen in het achtererfgebied binnen 1 m van de zijdelingse perceelgrens te bouwen, als deze grenst aan openbaar toegankelijk gebied.
Binnen bijbehorend bouwwerk, 2 m naar openbaar gebied, voorerf is het verboden aan- of uitbouwen en bijgebouwen in het voorerfgebied binnen 2 m van de zijdelingse perceelgrens te bouwen, als deze grenst aan openbaar toegankelijk gebied.
CC
Het opschrift van artikel 5.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DD
Het opschrift van artikel 5.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EE
Het opschrift van afdeling 5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FF
Het opschrift van paragraaf 5.5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
Het opschrift van subparagraaf 5.5.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HH
Het opschrift van artikel 5.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
II
Artikel 5.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het transitiegebied mogen bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 5 m, tenzij:
het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is zoals opgenomen in paragraaf 5.5.65.6.6, 5.5.75.6.7 of 5.5.85.6.8;
voor een specifieke activiteit op locatie een andere bouwhoogte is opgenomen; of
in subparagraaf 5.5.1.25.6.1.2 een andere bouwhoogte is opgenomen en sub a. en b. niet van toepassing zijn.
Binnen het transitiegebied mogen per bouwperceel bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd met een maximale oppervlakte van 2 m2.
Binnen het transitiegebied is het, met toepassing van artikel 5.5, tweede lid, toegestaan om de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, als opgenomen in deze afdeling, te vergroten met maximaal 20%.
Binnen het transitiegebied is het, met toepassing van artikel 5.5, tweede lid, toegestaan om de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, als opgenomen in deze afdeling, te vergroten tot een maximale bouwhoogte van 30 m, mits het gaat om kunstwerken of zend-, ontvang- of sirenemasten.
JJ
Het opschrift van subparagraaf 5.5.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KK
Het opschrift van artikel 5.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LL
Het opschrift van artikel 5.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MM
Het opschrift van paragraaf 5.5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NN
Het opschrift van artikel 5.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OO
Het opschrift van paragraaf 5.5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PP
Het opschrift van artikel 5.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het opschrift van paragraaf 5.5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RR
Het opschrift van artikel 5.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SS
Het opschrift van paragraaf 5.5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TT
Het opschrift van artikel 5.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UU
Het opschrift van paragraaf 5.5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VV
Het opschrift van subparagraaf 5.5.6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WW
Artikel 5.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het transitiegebied worden in de openbare buitenruimte bruggen en daarmee gelijk te stellen bouwwerken niet hoger dan 5 m gebouwd, tenzij in subparagraaf 5.5.6.25.6.6.2 op locatie andere regels zijn gesteld.
XX
Het opschrift van subparagraaf 5.5.6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YY
Het opschrift van artikel 5.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZ
Het opschrift van paragraaf 5.5.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAA
Het opschrift van subparagraaf 5.5.7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBB
Het opschrift van artikel 5.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCC
Artikel 5.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het transitiegebied wordt een erf- en perceelafscheiding niet hoger dan 2 m gebouwd, tenzij in subparagraaf 5.5.7.25.6.7.2 op locatie andere regels zijn gesteld.
Binnen het transitiegebied wordt, in afwijking van het eerste lid, een erf- en perceelafscheiding voor de voorgevelrooilijn niet hoger dan 1 m gebouwd, tenzij in subparagraaf 5.5.7.25.6.7.2 op locatie andere regels zijn gesteld.
Met toepassing van artikel 5.5, tweede lid, mag worden afgeweken van het eerste en tweede lid.
DDD
Het opschrift van subparagraaf 5.5.7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEE
Het opschrift van artikel 5.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFF
Het opschrift van paragraaf 5.5.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGG
Het opschrift van subparagraaf 5.5.8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHH
Het opschrift van artikel 5.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
III
Het opschrift van subparagraaf 5.5.8.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJ
Het opschrift van subsubparagraaf 5.5.8.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKK
Artikel 5.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het transitiegebied mogen palen en masten worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 6 m, tenzij in subsubparagraaf 5.5.8.2.25.6.8.2.2 op locatie andere regels zijn gesteld.
LLL
Het opschrift van subsubparagraaf 5.5.8.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMM
Artikel 5.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen palen en masten, 5 m mogen palen en masten worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 5 m, tenzij in artikel 5.735.78 anders is bepaald.
Binnen palen en masten, 12 m mogen palen en masten worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 12 m, tenzij in artikel 5.735.78 anders is bepaald.
Binnen palen en masten, 15 m mogen palen en masten worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 15 m, tenzij in artikel 5.735.78 anders is bepaald.
NNN
Het opschrift van artikel 5.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOO
Het opschrift van subparagraaf 5.5.8.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPP
Het opschrift van subsubparagraaf 5.5.8.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQ
Artikel 5.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het transitiegebied mogen vlaggenmasten worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 6 m, tenzij in subsubparagraaf 5.5.8.3.25.6.8.3.2 op locatie andere regels zijn gesteld.
RRR
Het opschrift van subsubparagraaf 5.5.8.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSS
Het opschrift van artikel 5.75 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTT
Het opschrift van paragraaf 5.5.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUU
Het opschrift van artikel 5.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVV
Het opschrift van paragraaf 5.5.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWW
Het opschrift van artikel 5.77 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXX
Het opschrift van paragraaf 5.5.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYY
Het opschrift van subparagraaf 5.5.11.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZ
Het opschrift van artikel 5.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAA
Het opschrift van subparagraaf 5.5.11.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBB
Het opschrift van artikel 5.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCC
Het opschrift van paragraaf 5.5.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDD
Het opschrift van subparagraaf 5.5.12.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEE
Het opschrift van subparagraaf 5.5.12.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFF
Het opschrift van artikel 5.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGG
Het opschrift van paragraaf 5.5.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHH
Het opschrift van subparagraaf 5.5.13.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIII
Het opschrift van subparagraaf 5.5.13.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJ
Het opschrift van artikel 5.81 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKK
Het opschrift van afdeling 5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLL
Het opschrift van paragraaf 5.6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMM
Het opschrift van artikel 5.82 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNN
Het opschrift van artikel 5.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOO
Het opschrift van artikel 5.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPP
Het opschrift van paragraaf 5.6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQ
Het opschrift van artikel 5.85 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRR
Het opschrift van afdeling 5.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSS
Het opschrift van artikel 5.86 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTT
Het opschrift van afdeling 5.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUU
Het opschrift van artikel 5.87 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVV
Het opschrift van afdeling 5.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWW
Het opschrift van artikel 5.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXX
Hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 8.1 verplaatst van hoofdstuk 8 naar afdeling 8.1. ]
Het is verboden verontreinigende stoffen rechtstreeks te lozen in het grondwater, waarbij geen doorsijpeling door bodem of ondergrond plaatsvindt.
Het verbod geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening of de waterschapsverordening een omgevingsvergunning is vereist of waar op grond van de waterschapsverordening voorschriften aan zijn gesteld.
Met een maatwerkvoorschrift kan, in afwijking van artikel 8.3, een rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater worden toegestaan, als de lozing in overeenstemming is met artikel 11, derde lid, onder j, van de Kaderrichtlijn Water, op voorwaarde dat de lozing niet verhindert dat de voor dat grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt.
Bij het opstellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in 8.4, waarmee het lozen van brijnwater in het grondwater wordt toegestaan, wordt de Beleidsregel omgevingsvergunningsplichtige milieubelastende activiteiten onder de Omgevingswet in acht genomen.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 8.7, en ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden aan het college gegevens en bescheiden verstrekt over:
De verplichting op grond van het eerste lid is niet van toepassing bij het lozen van grondwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als:
Met het oog op het beschermen van de bodem- en het watersysteem wordt aan het lozen van grondwater op of in de bodem voorwaarden gesteld, indien deze afkomstig is van:
een bodemsanering of grondwatersanering;
een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en
graven in een bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Bij het lozen van grondwater op of in de bodem, dat afkomstig is van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, zijn de emissiegrenswaarden:
de waarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A bij het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn; of
de concentraties van verontreinigende stoffen als bedoeld in bijlage XIX, onder B bij het Besluit kwaliteit leefomgeving waaronder gevaar van verontreiniging van het grondwater uit te sluiten is voor zover die stoffen niet zijn aangegeven in bijlage XIX, onder A bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het tweede lid is niet van toepassing bij het lozen van grondwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit indien dit gaat om graven in een bodemvolume kleiner dan 25 m3.
De artikelen 22.128 en 22.129 zijn ook van toepassing op het lozen in de bodem van grondwater, afkomstig van het graven in een bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in paragraaf 3.2.22 van het Besluit activiteiten leefomgeving
YYYY
Hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Paragraaf 9.1.1 verplaatst van afdeling 9.1 naar afdeling 9.1. ]
Dit hoofdstuk gaat over activiteiten met betrekking tot de bodem, waaronder:
het graven in de landbodem;
het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie;
het uitvoeren van activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico;
het starten of wijzigen zeer bodemgevoelig gebruik;
het saneren van de bodem;
het toepassen of verwijderen van bouwstoffen; en
het toepassen van grond en baggerspecie.
Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
[Red: Paragraaf 9.1.2 verplaatst van afdeling 9.1 naar afdeling 9.1. ]
Er is een beperkingengebied buisleidingen in dit omgevingsplan.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied buisleidingen wordt voldaan aan paragraaf 9.2.1.
[Red: Paragraaf 9.1.3 verplaatst van afdeling 9.1 naar afdeling 9.1. ]
[Red: Artikel 9.4 verplaatst van subparagraaf 9.1.3.1 naar subparagraaf 9.1.3.1. ]
Artikel
9.4
9.5
Zorgplicht ondergrondse infrastructuur
Bij het uitvoeren van activiteiten die de bodem verstoren, is iedereen vooraf verplicht:
een KLIC-melding te doen, mits het om het mechanisch verrichten van werkzaamheden in de ondergrond gaat;
alle voorgeschreven maatregelen die voortkomen uit de KLIC-melding, zoals bedoeld onder sub a, op te volgen;
te onderzoeken of de werkzaamheden graafschade kunnen veroorzaken ten aanzien van het gebruik en de kwaliteit van de aanwezige ondergrondse infrastructuur; en
als er een mogelijk risico op graafschade aanwezig is:
Artikel 9.6 Maatwerkvoorschriften of vergunningsvoorschriften
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningsvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.
Met een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zich daar tegen verzet.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over de regels in dit hoofdstuk worden de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende afdeling of paragraaf zijn gesteld, in acht genomen.
[Red: Artikel 9.5 verplaatst van subparagraaf 9.1.3.2 naar subparagraaf 9.1.3.2. ]
[Red: Artikel 9.6 verplaatst van subparagraaf 9.1.3.2 naar subparagraaf 9.1.3.2. ]
Artikel
9.6
9.8
Vergunningsplicht watergang graven of dempen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning om:
[Red: Artikel 9.7 verplaatst van subparagraaf 9.1.3.2 naar subparagraaf 9.1.3.2. ]
Artikel
9.7
9.9
Beoordelingsregels watergang graven of dempen
Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
[Red: Artikel 9.8 verplaatst van subparagraaf 9.1.3.2 naar subparagraaf 9.1.3.2. ]
Artikel
9.8
9.10
Aanvraagvereisten watergang graven of dempen
Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
[Red: Artikel 9.9 verplaatst van subparagraaf 9.1.3.2 naar subparagraaf 9.1.3.2. ]
Artikel
9.9
9.11
Uitzondering op vergunningsplicht
Het verbod van artikel 9.69.8 is niet van toepassing op activiteiten die behoren tot het normale onderhoud van de watergang.
Binnen beperkingengebied, buisleidingen is het verboden om zonder omgevingsvergunning activiteiten uit te voeren die een negatieve invloed kunnen hebben op het functioneren van of het beheer en onderhoud van de op locatie aanwezige buisleidingen.
Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Het verbod van artikel 9.109.12 is niet van toepassing op activiteiten die behoren tot het normale onderhoud en beheer van de buisleiding.
Artikel 9.16 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het graven in de bodem.
Deze afdeling is van toepassing op de volgende activiteiten:
Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook:
Deze afdeling is niet van toepassing op de volgende activiteiten:
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
Artikel 9.19 Informatieplicht onverwachte situaties
Als tijdens graafwerkzaamheden in de bodem op de locatie van herkomst een afwijking van de bodemkwaliteit is geconstateerd, wordt het bevoegd gezag hiervan onverwijld op de hoogte gebracht.
Er is in ieder geval sprake van een afwijking van de bodemkwaliteit als:
de grond een afwijkende kleur, geur of samenstelling heeft;
de grond een bijmenging aan bodemvreemd materiaal bevat op basis waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat de bodemkwaliteitskaart niet meer representatief is voor de milieukwaliteit; of
in de grond visueel asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen.
Artikel 9.20 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 9.21 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het graven conform artikel 9.20, waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3.
Artikel 9.23 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het graven conform artikel 9.20, waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven groter is dan 25 m3.
Artikel 9.25 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 9.26 Aanvullende indieningsvereisten meldplicht
In aanvulling op artikel 4.1225, tweede lid en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van dat besluit, aangeleverd in een .xml-bestand.
Artikel 9.27 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van:
locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of
locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:
Artikel 9.28 Informatieplicht voor het begin van de activiteit
Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 9.27, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over:
Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.
Het eerste lid is niet van toepassing:
Artikel 9.29 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
Artikel 9.30 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.
Artikel 9.31 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het graven conform artikel 9.25, waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven groter is dan 25 m3.
Deze afdeling gaat over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.28, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, alsmede de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor PFOS, PFOA en GenX zoals opgenomen in tabel 1.
Indien er sprake is van zeer bodemgevoelig gebruik, dan geldenin aanvulling op of in afwijking van de waarden zoals van toepassing in het eerste lid, de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem bij zeer bodemgevoelig gebruik zoals opgenomen in tabel 2.
Stof | Gebouwen, anders dan een woning, waar kinderen tot 6 jaar aanwezig zijn | Wonen met tuin |
Lood | 390 mg/kg d.s. | 370 mg/kg d.s. |
PFOS | 3 µg/kg d.s. | 3 µg/kg d.s. |
PFOA | 7 µg/kg d.s. | 7 µg/kg d.s. |
GenX | 3 µg/kg d.s. | 3 µg/kg d.s. |
Overige PFAS | 3 µg/kg d.s. | 3 µg/kg d.s. |
Overige stoffen | Maximale waarde klasse wonen als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit. | Maximale waarde klasse wonen als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit. |
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan waarde, zoals van toepassing op basis van het eerste lid of het tweede lid.
Het zinsdeel 'in meer dan 25 m3 bodemvolume' in het derde lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
In afwijking van het derde lid, is het zinsdeel 'in meer dan 25 m3 bodemvolume' bij zeer bodemgevoelig gebruik niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van lood.
In aanvulling op artikel 22.34, onder j, wordt bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk PFAS meegenomen in het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in dat onderdeel.
Het voorafgaand bodemonderzoek wordt ook aangeleverd in een .xml-bestand.
Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
een melding bevat:
de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
de dagtekening; en
bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 9.34: de gegevens en bescheiden over sanerende of andere beschermende maatregelen die worden getroffen.
PFAS wordt meegenomen in het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in het tweede lid, onder a.
Het voorafgaand bodemonderzoek wordt ook aangeleverd in een .xml-bestand.
Dit artikel is niet van toepassing als de bouwactiviteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.
Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit wordt een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik genomen als er één of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen.
Een sanerende maatregel is in ieder geval een sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 9.36.
Deze afdeling is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is, welke te raadplegen zijn via de volgende viewer.
Het is verboden een activiteit te verrichten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig of meldingsplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan.
Dit artikel is ook niet van toepassing als het een milieubelastende activiteit betreft die als vergunningplichtig of meldingsplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 of 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 9.39, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.
Deze afdeling is van toepassing op het starten van zeer bodemgevoelig gebruik en het wijzigen van gebruik naar zeer bodemgevoelig gebruik.
Het is verboden zeer bodemgevoelig gebruik te starten of gebruik te wijzigen naar een zeer bodemgevoelig gebruik zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
de dagtekening; en
bij overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 9.44: de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
PFAS wordt meegenomen in het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in het tweede lid, onder a.
Het voorafgaand bodemonderzoek wordt ook aangeleverd in een .xml-bestand.
Gegevens en bescheiden hoeven niet te worden aangeleverd als het bevoegd gezag er al over beschikt.
De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem bij zeer bodemgevoelig gebruik zijn opgenomen in tabel 1.
Stof | Gebouwen, anders dan een woning, waar kinderen tot 6 jaar aanwezig zijn, plaats waar kinderen tot 6 jaar spelen | Wonen met tuin, kleine moestuin (≤ 200 m2) | Grote moestuin (> 200 m2) |
Lood | 390 mg/kg d.s. | 370 mg/kg d.s. | 260 mg/kg d.s. |
PFOS | 3 µg/kg d.s. | 3 µg/kg d.s. | 3 µg/kg d.s. |
PFOA | 7 µg/kg d.s. | 7 µg/kg d.s. | 7 µg/kg d.s. |
GenX | 3 µg/kg d.s. | 3 µg/kg d.s. | 3 µg/kg d.s. |
Overige PFAS | 3 µg/kg d.s. | 3 µg/kg d.s. | 3 µg/kg d.s. |
Overige stoffen | Maximale waarde klasse wonen als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit | Maximale waarde klasse wonen als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit | Maximale waarde klasse wonen als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit |
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarde, bedoeld in het eerste lid.
In afwijking van het tweede lid is het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” bij zeer bodemgevoelig gebruik niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van lood.
Bij overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit wordt het gebruik alleen gestart of gewijzigd als er één of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen.
Een sanerende maatregel is in ieder geval een sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over activiteiten als bedoeld in deze paragraaf.
Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem, bedoeld in artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In aanvulling op artikel 4.1239 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt PFAS meegenomen in het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van dat besluit.
Het voorafgaand bodemonderzoek wordt ook aangeleverd in een .xml-bestand.
In afwijking van artikel 4.1241, derde lid en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving voldoet, als de bodem is ingedeeld in de bodemfunctieklasse industrie, de aangebrachte laag grond of baggerspecie aan de kwaliteitsklasse wonen, als:
In afwijking van artikel 4.1242, tweede lid, van Besluit activiteiten leefomgeving wordt, als de bodem is ingedeeld in de bodemfunctieklasse industrie, de verontreiniging verwijderd door te graven tot de stof niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan het niveau van de waarde die gelijk is aan de waarde voor de bodemfunctieklasse wonen, als:
Met het oog op het beschermen van de gezondheid wordt bij het saneren van de bodem voor lood voldaan aan de waarden van de bodem, opgenomen in tabel 1, als de locatie in gebruik is of gaat worden als zeer bodemgevoelig gebruik.
Stof | Gebouwen, anders dan een woning, waar kinderen tot 6 jaar aanwezig zijn, plaatsen waar kinderen tot 6 jaar spelen | Wonen met tuin en kleine moestuin (≤ 200 m2) | Grote moestuin (> 200 m2) |
Lood | 100 mg/kg d.s. | 90 mg/kg d.s. | 60 mg/kg d.s. |
Met het oog op het beschermen van de gezondheid wordt bij saneren van de bodem voor PFAS voldaan aan de waarden van de bodem, opgenomen in tabel 1.
Stof | Bodemfunctieklasse industrie of wonen/bodemkwaliteit wonen of industrie | Bodemfunctieklasse industrie of wonen/bodemkwaliteit landbouw of natuur | Bodemfunctieklasse en bodemkwaliteit landbouw/natuur |
PFOS | 3 µg/kg d.s. | 1,4 µg/kg d.s. | 1,4 µg/kg d.s. |
PFOA | 7 µg/kg d.s. | 1,9 µg/kg d.s. | 1,9 µg/kg d.s. |
Overige PFAS | 3 µg/kg d.s. | 1,4 µg/kg d.s. | 1,4 µg/kg d.s. |
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.
De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.
Het is verboden staalslakken toe te passen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
de verwachte datum van het begin van de activiteit;
de verwachte datum waarop het werk zal zijn voltooid;
een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen staalslakken;
de herkomst van de staalslakken;
de kwaliteit van de staalslakken;
de hoeveelheid staalslakken in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; en
de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld, of de coördinaten van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam.
Het tweede lid, onder b, d, e, f en g, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder voor het werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.
Er is in ieder geval sprake van grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving bij het verwijderen van de bouwstoffen, bedoeld in artikel 4.1262, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, dan het niet-verwijderen, als een waterkerende bodemlaag of een waterkering aanzienlijk wordt aangetast.
Deze afdeling gaat over het toepassen van grond en baggerspecie, bedoeld in artikel 3.48o van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Deze afdeling gaat niet over het tijdelijk uitnemen van grond volgens artikel 4.1222a of 4.1230a van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het terugbrengen van grond op of in de bodem.
In deze afdeling wordt onder weg mede verstaan: de onverharde wegberm, zijnde de strook grond naast de verharde weg.
Onder onverharde wegberm wordt begrepen:
In afwijking van het tweede lid, sub a., geldt binnen gebieden van het Natuurnetwerk Nederland er een maximale breedte van 2 m naast de wegverharding in het belang van de ecologische functie van het gebied.
Buiten de in het derde lid aangegeven strook mag in deze wegbermen alleen schone grond toegepast worden.
Het aangewezen bodembeheergebied, bedoeld in artikel 4.1265, derde lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bestaat uit het ambtsgebied van de gemeente Lelystad, samen met de ambtsgebieden van de gemeenten Almere, Dronten, Noordoostpolder, Urk en Zeewolde, met inbegrip van de bodem en oever van oppervlaktewaterlichamen in beheer bij Waterschap Zuiderzeeland.
Het bodembeheergebied aangewezen in artikel 9.62, is opgenomen in de geometrische locatie bodem, bodembeheergebied.
Voor de toepassing van paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn locaties ingedeeld in de volgende bodemfunctieklassen:
bodemfunctieklasse landbouw/natuur, opgenomen in de geometrische locatie bodem, bodemfunctieklasse landbouw/natuur;
bodemfunctieklasse wonen, opgenomen in de geometrische locatie bodem, bodemfunctieklasse wonen ; en
bodemfunctieklasse industrie, opgenomen in de geometrische locatie bodem, bodemfunctieklasse industrie.
Het eerste lid geldt niet voor de bodem en oever van oppervlaktewaterlichamen.
Een bodemkwaliteitskaart van een gemeente of het waterschap binnen het aangewezen bodembeheergebied, zoals vastgesteld bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt aanvaard als grondslag voor het afgeven van een milieuverklaring bodemkwaliteit.
De bodemkwaliteitskaart wordt niet aanvaard als grondslag voor het afgeven van een milieuverklaring bodemkwaliteit als:
Het tweede lid, aanhef en onder a, geldt niet als het bevoegd gezag op basis van een historische toets bij maatwerkvoorschrift heeft bepaald dat de locatie niet meer verdacht is.
Voor de historische toets worden de volgende gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag:
Met het oog op het beschermen van de bodem- en grondwaterkwaliteit bevat de toe te passen grond of baggerspecie, in afwijking van artikel 4.1271, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet meer dan vijf gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout.
Het eerste lid geldt niet voor:
In afwijking van het eerste lid geldt voor de projectlocatie Flevokust - Visvijvergebied dat de toe te passen grond, in afwijking van artikel 4.1271, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet meer dan twintig gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout bodemvreemd materiaal bevat, voor zover de grond binnen het project vrijkomt en wordt hergebruikt binnen de projectlocatie.
Grond of baggerspecie bevat geen zichtbaar asbesthoudend materiaal.
Met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen, het doelmatig beheer van afvalstoffen en het beschermen van de bodem- en grondwaterkwaliteit wordt, in afwijking van artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving binnen het gebied lokale maximale waarde wonen alleen grond of baggerspecie toegepast die voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse wonen.
Het eerste lid geldt alleen voor grond of baggerspecie die afkomstig is uit het aangewezen bodembeheergebied.
Met het oog op het beschermen van het milieu wordt bij het toepassen van grond en baggerspecie voor PFAS voldaan aan de waarden, opgenomen in tabel 1.
Stof | Bodemfunctieklasse industrie of wonen/bodemkwaliteit wonen of industrie | Bodemfunctieklasse industrie of wonen/bodemkwaliteit landbouw of natuur | Bodemfunctieklasse en bodemkwaliteit landbouw/natuur |
PFOS | 3 µg/kg d.s. | 1,4 µg/kg d.s. | 1,4 µg/kg d.s. |
PFOA | 7 µg/kg d.s. | 1,9 µg/kg d.s. | 1,9 µg/kg d.s. |
Overige PFAS | 3 µg/kg d.s. | 1,4 µg/kg d.s. | 1,4 µg/kg d.s. |
ZZZZ
Artikel 9.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
AAAAA
Artikel 9.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBB
Subparagraaf 9.1.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCC
Subparagraaf 9.1.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDD
Artikel 12.2 wordt geplaatst voor artikel 12.1. Het opschrift van artikel 12.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEE
Artikel 12.1 wordt geplaatst na artikel 12.2. Het opschrift van artikel 12.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFF
Afdeling 16.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 16.1 ongewijzigd verplaatst van afdeling 16.1 naar paragraaf 16.1.1. ]
[Red: Artikel 16.2 ongewijzigd verplaatst van afdeling 16.1 naar paragraaf 16.1.1. ]
Het is verboden om een nieuwe geitenhouderij te vestigen of op te richten en daarvoor onder andere:
GGGGG
Het opschrift van artikel 16.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHH
Na artikel 16.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Binnen vrijwaringszone, geitenhouderijen is het verboden voor een bestaande geitenhouderij om het aantal geiten uit te breiden.
IIIII
Het opschrift van artikel 16.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJ
Na afdeling 18.3 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Degene die een activiteit uitvoert op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging, is verplicht maatregelen te nemen in het belang van de bescherming van de bodem en het watersysteem die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om:
verdere verontreiniging van de bodem en het grondwater te voorkomen of te beperken; of
de verontreiniging ongedaan te maken, mits dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht.
KKKKK
Paragraaf 19.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLL
Het opschrift van artikel 19.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMM
Het opschrift van artikel 19.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNN
Het opschrift van artikel 19.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOO
Artikel 19.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen archeologie, voorschriften vergunning kunnen, als uit het in artikel 19.719.8 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, één of meer van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen; en
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
PPPPP
Afdeling 20.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQ
Het opschrift van artikel 20.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRR
Het opschrift van artikel 20.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSS
Het opschrift van artikel 20.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTT
Het opschrift van artikel 20.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUU
Artikel 20.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod van artikel 20.220.3 is niet van toepassing op activiteiten die het normale onderhoud ten aanzien van de leiding en het beperkingengebied of ten aanzien van de functie(s) op locatie betreffen.
VVVVV
Het opschrift van artikel 20.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWW
Na afdeling 20.3 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Het is verboden om grondgebonden opstellingen voor zonne-energie te realiseren in het landelijk gebied van Flevoland, tenzij:
het provinciale maximum van 500 hectare netto aan opstellingen nog niet is bereikt; en
de locatie en omvang van de opstellingen worden opgenomen in de provinciale monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijke gebied.
Het is verboden om grondgebonden opstellingen voor zonne-energie te realiseren in het landelijk gebied van Flevoland, tenzij:
het provinciale primaire maximum van 500 hectare netto aan opstellingen is bereikt;
de Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland het maximum aan grondgebonden opstellingen voor zonne-energie hebben verhoogd tot 1000 hectare netto;
de locatie en omvang van de opstellingen worden opgenomen in de provinciale monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijke gebied; en
de opstellingen niet worden geplaatst op agrarische gronden.
Voor het bovenstaande wordt gerekend vanaf 15 november 2018.
Binnen uitzonderingsgebied voor zonne-energie Lelystad is het vereiste van sub d. bij het verbod van artikel 20.9, tweede lid, niet van toepassing.
Het is verboden een locatie, waarvan de omgevingsvergunning voor bepaalde termijn is verstreken, te blijven gebruiken voor het opwekken van zonne-energie door middel van grondgebonden opstellingen, tenzij er een nieuwe omgevingsvergunning wordt verleend voor het plaatsen en gebruiken van nieuwe grondgebonden opstellingen voor zonne-energie.
Deze subparagraaf gaat over de plaatsing van een windmolen.
Deze subparagraaf gaat niet over de volgende windmolens:
maximaal 12 prototypes van windmolens op de testlocatie te Lelystad als integraal onderdeel van het kennis- en ontwikkelcentrum voor duurzame energie;
windmolen op of nabij bedrijventerreinen, indien de windmolen is gedimensioneerd op energiebehoefte ter plaatse; en
kleine windmolen, waaronder wordt verstaan:
windmolen in het stedelijk gebied met (tip)hoogte van maximaal 5 meter ten opzichte van de grond of het dak waarop hij is geplaatst; en
windmolen met een tiphoogte van maximaal 15 meter ten opzichte van het maaiveld, voor zover hij in het landelijk gebied op een (voormalig agrarisch) bouwperceel staat.
Binnen het buiten windgebied is het verboden nieuwe windmolens te realiseren of bestaande windmolens op te schalen.
Binnen een windgebied is het verboden nieuwe windmolens te realiseren of bestaande windmolens op te schalen, indien deze niet binnen een plaatsingszone in een projectgebied van een goedgekeurd projectplan staan.
XXXXX
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van dit omgevingsplan wordt verstaan onder:
een xml-bestand dat voldoet aan de catalogus van de BRO;
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op de aanwezigheid van archeologische overblijfselen;
waarde die aan een gebied is toegekend vanwege de kennis en wetenschap van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden;
één of meer gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het terrein aangeeft dat maximaal zal worden bebouwd, dit met inbegrip van de oppervlakte van (overdekte) bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
het tegen betaling bieden van de ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt in de woning van de aanbieder;
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke;
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;
een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijk uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie;
bestaande geitenhouderij als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingsverordening provincie Flevoland;
bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van een ontwerpwijziging, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning en het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat de wijziging rechtskracht heeft verkregen;
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en zolder;
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
het beperken of ongedaan maken van verontreiniging van de bodem in verband met het voorkomen of beperken van een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater;
een onzelfstandige woonruimte in een woning, bedoeld voor de inwoning van ten hoogste twee personen die in een familie- of daarmee gelijk te stellen duurzame sociale relatie staan ten opzichte van de hoofdbewoner(s);
een locatie aangewezen in bijlage II bij de Omgevingsverordening provincie Flevoland;
afdak voor een auto;
een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok of dakrand van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert;
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
detailhandel volgens een formule die vanwege de aard en/of omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, zoals de verkoop van auto's, boten, caravans, tuininrichtingsartikelen, bouwmaterialen, keukens en sanitair, alsmede woninginrichtingsartikelen, waaronder meubelen;
het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden;
gebouw voor het houden van huisdieren;
een locatie aangewezen in bijlage II bij de Omgevingsverordening provincie Flevoland;
bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt;
een vermaaksfunctie welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal;
een extensief dagrecreatief gebruik van gronden, dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatief gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, met de daarbijbehorende voorzieningen zoals een vissteiger, een picknickplaats, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen voorziening;
de mogelijkheden om gronden en daarop toegelaten bouwwerken overeenkomstig de daaraan toegekende functie te gebruiken;
geitenhouderij als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingsverordening provincie Flevoland;
in een gebouw of op een ruimte aanwezige functies die maken dat een gebouw of ruimte als geluidgevoelig wordt aangemerkt;
geluidgevoelig gebouwen op grond van artikel 3.21 Besluit kwaliteit leefomgeving;
geluidgevoelige ruimten op grond van artikel 3.22 Besluit kwaliteit leefomgeving;
water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen;
het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater;
een perceel, gelegen aan een hoek van twee wegen in het openbaar gebied;
de eigenaar of de huurder van de woning die daar zijn hoofdverblijf heeft;
de plaats die vanwege persoonlijke en economische belangen gezien wordt als de centrale levensplaats van een persoon;
een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;
een horecabedrijf dat aan detailhandelsfunctie verwante daghoreca voorziet, met een bedrijfsvloeroppervlak (B.V.O.) van minder dan 150 m2, en dat in beginsel alleen overdag en ‘s avonds geopend behoeft te zijn (vooral verstrekking van etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaakt. Daaronder worden begrepen:
een horecabedrijf met een relatief beperkte verkeersaantrekkende werking dat in beginsel alleen overdag en ’s avonds geopend behoeft te zijn (vooral voor verstrekking van etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaakt. Daaronder worden begrepen:
een horecabedrijf met een relatief grote verkeersaantrekkende werking dat in beginsel alleen overdag en ’s avonds geopend behoeft te zijn (vooral voor verstrekking van etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaakt. Daaronder worden begrepen:
een horecabedrijf dat normaal gesproken ook delen van de nacht geopend is en dat daardoor aanzienlijke hinder voor omwonenden kan veroorzaken. Daaronder worden begrepen:
een café of bar;
een grand-café;
een eetcafé;
een danscafé;
een biljartcentrum;
een shoarmazaak;
een grillroom;
een zalenverhuurcentrum (zonder regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek-/ dansevenementen; en
een naar aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen horeca-activiteit.
een horecabedrijf dat voor een goed functioneren ook ’s nachts is geopend en dat tevens een groot aantal bezoekers aantrekt en daardoor grote hinder voor de omgeving met zich mee kan brengen en bedrijven waarin de bedrijfsvoering gericht is op het publiek gelegenheid te geven deel te nemen aan kansspelen. Daaronder worden begrepen:
een horecabedrijf dat voor een goed functioneren ook ’s nachts is geopend en dat tevens een groot aantal bezoekers aantrekt en daardoor grote hinder voor de omgeving met zich mee kan brengen en bedrijven waarin de bedrijfsvoering gericht is op het publiek gelegenheid te geven deel te nemen aan kansspelen. Daaronder worden begrepen:
een horecabedrijf dat is ingericht op het functioneren van een seksinrichting;
de verhuur van een onzelfstandige woonruimte van maximaal 50% van het gebruiksoppervlak van een woning aan ten hoogste 1 persoon waarbij de woonvoorzieningen worden gedeeld met de hoofdbewoner die tevens verhuurder is;
de bedrijfsmatige uitoefening van uitsluitend de functie houtproductie op gronden, niet zijnde fruitteelt;
een persoon of een groep personen die een met een gezinsverband vergelijkbaar huishouden voert waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid, wederzijdse zorg en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen;
het laten gebruiken van een (gedeelte van een) woning als onzelfstandige woonruimte;
een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
een gebouw dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen;
iedere bovenbeëindiging van een gebouw met een zekere helling;
voortbrengsel van de beeldende kunsten in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw zijnde;
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct of een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening;
een locatie aangewezen in bijlage II bij de Omgevingsverordening provincie Flevoland;
de aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;
het bieden van de ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en maaltijden binnen de hoofdfunctie, waaronder een bed & breakfast en een pension;
In het bodembeheergebied aangewezen gebieden waar grond met een kwaliteitsklasse 'wonen' mag worden toegepast, afkomstig uit het bodembeheergebied, welke voor Lelystad betreffen:
de bermen van openbare gemeentelijke en provinciale wegen buiten de bebouwde kom, met uitzondering van bermen die deel uitmaken van een natuurgebied;
de bermen van de dreven die aangeduid worden met ‘de hoofdruit’, te weten de Houtribdreef, Oostranddreef, Larserdreef, Westerdreef; en
de bermen van de aansluitingen van de hoofdruit naar Dronterweg, Larserweg en Markerwaarddijk.
het verlenen van diensten in de medische, sociale, educatieve, culturele, religieuze en administratieve sfeer en andere vormen van dienstverlening, die een min of meer openbaar karakter hebben, met uitzondering van een seksinrichting;
de situatie, waarbij milieuaspecten dienen te worden beoordeeld, zoals hinder voor omwonenden en een verkeersaantrekkende werking. In het bijzonder dient er bij de situering en omvang van milieubelastende functies (o.a. bedrijven) op te worden gelet dat de uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies (o.a. woningen) zo weinig mogelijk wordt beperkt. Omgekeerd dient er bij uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies op te worden gelet dat bestaande milieubelastende functies zo weinig mogelijk in hun functioneren worden beperkt;
de aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen voorkomende in dat gebied, waaronder soortenbescherming bij of krachtens de Omgevingswet;
een locatie aangewezen in bijlage II bij de Omgevingsverordening provincie Flevoland;
voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, apparatuur voor telecommunicatie, middelen voor (ondergrondse) afvalinzameling en andere naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen;
een woonruimte die geen eigen toegang heeft en die niet door een huishouden kan worden bewoond zonder gebruik te maken van wezenlijke voorzieningen, zoals een badkamer, toilet en keuken, buiten die woonruimte;
Onder peil wordt verstaan:
voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang (straatpeil);
voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw (straatpeil); of
in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
een locatie aangewezen in bijlage II bij de Omgevingsverordening provincie Flevoland;
detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan het productieproces;
door initiatiefnemer opgesteld plan dat uitsluitsel geeft over de wijze en de gronden (gebied) waarop een initiatiefnemer een project voor opschalen en saneren van wil realiseren;
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
recreatie in een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, zoals een recreatiewoning, kampeerhuisje, logeergebouw, pension of kampeermiddel door personen die hun hoofdverblijf elders hebben;
het slopen en afvoeren van een bestaande windmolen tot minimaal een meter onder het maaiveld, waarbij de omgevingsplanregeling zodanig is (gewijzigd) dat herbouw van de windmolen met hetzelfde of een lager vermogen op of nabij de locatie van de gesaneerde windmolen blijvend onmogelijk is gemaakt;
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden.
Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan, al dan niet in combinatie met elkaar:
het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel;
een in stedenbouwkundig opzicht, samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, dat zich in het algemeen kenmerkt door:
een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
afstand van de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van LPG-tankstations en kaststations;
de veiligheid voor het verkeer die wordt bepaald door de mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht (met name bij kruisingen van wegen en uitritten) en de (mogelijke) effecten van bebouwing en overige inrichtingselementen op de gedragingen van verkeersdeelnemers;
de totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank;
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevels, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;
de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen;
een bedrijf dat is gericht op de vervaardiging of assemblage van vuurwerk, de (detail)handel in vuurwerk, de opslag van vuurwerk of de daarvoor benodigde stoffen;
een bedrijf dat is gericht op de (detail)handel in vuurwerk;
het plaatselijk aan te houden waterpeil volgens vigerend peilbesluit;
weg als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet;
weggebruikers als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
een locatie aangewezen in bijlage II bij de Omgevingsverordening provincie Flevoland;
een turbine, voorzien van wieken, geplaatst op een hoge mast, waarmee de bewegingsenergie van de lucht (wind) wordt omgezet in rotatie-energie voor het opwekken van elektriciteit;
een turbine voorzien van rotorbladen geplaatst op een hoge mast, waarmee de bewegingsenergie van de lucht (wind) wordt omgezet in rotatie-energie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief de bij dit bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen;
activiteit inhoudende de bewoning van een woonruimte;
een woonruimte bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
het bouwkundig of functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer aparte woningen;
een gebouw dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat, met één of meer gemeenschappelijke toegangen en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;
een grondgebonden woning dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;
een besloten ruimte die, al dan niet tezamen met één of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden, met inbegrip van een woonwagen en een woonschip, mits aanwezig op een daartoe aangewezen standplaats dan wel ligplaats;
een (water)kavel, bedoeld voor het hebben en houden van een woonschip;
een drijvend bouwwerk dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt als woning;
een situatie waarbij, mede door de situering van om de woonfunctie liggende functies en bebouwing, in ieder geval sprake is van een redelijke daglichttoetreding, een redelijke mate van uitzicht en voldoende privacy, alsmede van afwezigheid van hinder;
een niet duurzaam met de grond verenigde woning dat is geplaatst op een woonwagenstandplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;
een kavel, bedoeld voor het plaatsen of geplaatst houden van een woonwagen;
een accommodatie met bijbehorende voorzieningen voor de huisvesting van personen die bij hun normale, dagelijkse functioneren huishoudelijke, sociale, sociaal-medische en/of medische begeleiding en/of verzorging behoeven, zoals ouderen of gehandicapten;
woning met tuin, gebouw anders dan een woning waar sprake is van aanwezigheid van kinderen tot 6 jaar, plaats waar kinderen tot 6 jaar spelen of een moestuin.
een woonruimte die een eigen toegang heeft en die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen, zoals een badkamer, toilet en keuken, buiten de woonruimte;
een woning die gekoppeld is:
aan een zorgfunctie, omdat minimaal een van de bewoners vanwege zijn of haar beperkte zelfredzaamheid vanaf de aanvang van de bewoning een zorgprofiel door middel van een objectieve zorgindicatie heeft op basis van een ter zake van overheidswege gehanteerd systeem (Wet langdurige zorg), waarbij de benodigde zorg beschikbaar is in de directe nabijheid van de woning en de benodigde zorg door de persoon of personen die is/zijn geïndiceerd voor zorg ook daadwerkelijk wordt afgenomen; of
aan een maatschappelijke functie, omdat aan minimaal een van de bewoners vanaf de aanvang van de bewoning een maatwerkvoorziening is verstrekt op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) ten behoeve van beschermd wonen dan wel opvang in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
YYYYY
Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm0995/2024/bbd5be4b00b5442f9d12d7c3d2201f83/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/fac9d85a74b14780a97e40f492ff9598/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/809e510a88d04c4d816c3e9428021e56/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/1d137444becf4073b95830c6db6506af/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/680ac7a1d60e450ab97a17e90ff980e9/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/30a88b549fec4865ba3d4ec669f555ce/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/76278604805c4d7f969a81219e412491/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/739550d3040549d69f8d7496991be168/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/06af7321fad047d49f65e82ab4a6152a/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/6082385deb0f4664a708ad64bfbf9409/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/c811d3d6e0044c13a9cb5fe7b89797ba/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/31a22d460bcc4bfcbc6a7ac4e66b67d5/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/089de4a4da7c4be1b4f21effc53dc57a/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/188416c1c7874d388d2418e786883d2e/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/94dd99537cf44b8a84de70e5ae21fd67/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/1c6ae8a634844e279c33969d3d61bd69/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/29b93ee9210d4115aee1914fabdf874e/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/0a436e0f626246db8837577e9a5c38b5/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/5f4718966bcd4665b258ad1677ca8fbf/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/7536c8cce8cc460ab5ec11ca6584fe0d/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/e1e2e0cd588448c4a0d1dc897112c1bb/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/47021cc35c42457bb6140f8b137ce275/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/0432679422bc4379bd0a3288d333e25d/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/986ddacc1a8149f2a0a1b9971d9f7e4a/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/e8500793c4ec489496244593f0f7c09d/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/1eb5a6f345c5454fb98f559ac478a127/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/6780c908b1984dc291f33c38a53fc4da/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/f2b19c5a72a040acb354e19fd33bc2f2/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/c0c394d125b649ec85d08f83e947ed6c/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/2e90bc5077b14da5b16950d4ac0b8d45/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2024/851ca85d8b314ba9a465fa37406baf74/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/77a37c56c58b4e8e818abe30498e0db6/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/11007699171d49718c8e7d8ad98c3c34/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2024/55af2c86dac94a9bb8655cd2572ce0a2/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/892f561afea74997a2846475242f2c9f/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/beb259ed3560495f9496506bbca46af8/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/e26c99e0d67b4901838200ec9bafa9ad/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/92f288b6f4e94e15b7d3994c6fd3909e/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/d718a8b4c845449badd5cc591e6c49e1/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/f33673924030432f837f04de9f085be1/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/a176d1c608054cf58783941a6b965ee5/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/360640e5226743e6a157505d3c02e43d/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/599a3537e2484a0dbea3ed774dac4deb/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2025/0fa1455ef0b64aa095c8a61b06101fdd/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2025/f58466b035044e0eabb175801169ab59/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2025/232c7c814c5e41b8b1e7fd0e09c156fd/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2025/d6af64b60b6d4a1ea78f410d3a3ddaac/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2024/b89bacac5715425d80f7c9e9e35407a9/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/8ee0a43eafc64913b6cf74edc9e9e0e5/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/509e0779a0f24ccda0e76ca4979b4d71/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/1e41aa3195bf4a9ab8f099b15ae95586/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/1d77f05709a0482494fe68b74b15168c/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/88d2020b61d34b8c937a1b7aaecec8aa/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/f9ce2e9a3e9c414d88c64a97178cfcd1/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/941d5a9319874013b9ab965298f4c1da/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/2aa46a8d0eda4c42a8718e9c7ade046c/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/892759b2d1e94cbbbaf94aaf3267fa48/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2024/dc844c1dac3a491bb3ab918d5d95e587/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/ded51a174d8c4817882504bf2fa68a01/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/4a5365eea5a6410eaccb8fd5ddf4c925/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/435777815c9d423a84b958c21ad4c9e1/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/168bbe3db0fb4dad85220fada96a62db/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/47b9c1096b024dfcb33398af290d428b/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/850b2b9cd34646beb141740a0aa40f40/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/8ae0027dcd9f4b049ecd6a0073887a3f/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/8ae0027dcd9f4b049ecd6a0073887a3f/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2024/c2a73d568d4d41138e66cc331abcf994/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/c2a73d568d4d41138e66cc331abcf994/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2024/fadbf368ee7d491187ed39ba1a211025/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/ac46e2c154e746a4a57399c7fad9ffab/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/281838c4aba94810883dda5854436ed0/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/ddc9b0462c2a43029f26693645c35c16/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/3a874febfa6444bfa262a962ca30bc4c/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/109e12bf95a6413a938ea53d343e19fe/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/4be87701dda94b24a9b05a8b902bcb84/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/395dabdc611341f58f4601288738f9a3/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/779b6ef87e074d1293859340c0bed5c0/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/0638512a67bc4b628fed78d66c694abf/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/ab3412268f0a42c1ba7250921b94ee68/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/59e923a021184e9a81cc62b2800f859d/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/9f9a4e408ae74fb6a059f39a134a51a6/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/94ff8c37f193469aa992f1180cc55ac1/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/63d2ec5607f941eead34e16238390b44/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/23bc0e1cdf7f4a15b304a3e328454be6/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/8adf866a90d4477ebf3bd56cb21ef591/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/9975ed607b5c419db1300769c6006241/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/180a9ce142c34d3cba2b1a389874191d/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/c420de1c864841af97db05420c850a44/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/43e68399d8a7434a808b892dfa1c032f/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/39fb210dfded4913952b7d77bdf1ebd4/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/f6290a3646b146e48a72706e796b3e90/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/b8d541deb90e43778bd8bc017f8df1b5/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/c6ee0da897354c98a8b5738d381ab3b1/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/daee488b0fdd47aca4133a6812df6676/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/c1bf7c0872ac4e2d833b7e8e45ddf864/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/13eca10aa63c41c9a08f9511223828e4/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/575a8f2b45674f218ac5b54a0744512e/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/3b60338d5e014f52a6649b3434944c61/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/fcee6d3e8de24d319cbb53cfa2ab6762/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/9b4e820adab34c348b097a536d148b9f/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/b3384d1bc0fe45d191b597b0ab0d2e70/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/be5d5a89ee7245e997a2120e0317101b/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/07da41be517a4ffab8a822be3cfa6ff4/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/459ade54f2784660955a34dc34c7581c/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/52d6d097eec14f4aa062808440792851/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/58748a669e0644909b7aaa673701d8d2/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/bf9ccd9a12fd4f82894f321f34ebeae0/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/ef51d0ca90194aa682fad3936a751266/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/e358b95f636b4e1f95348edb7a0c9087/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/b351b97658d44477b5e9cef423ca6724/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/4b29e6d1ea694c928c80c4d53ce21a51/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/c0668be0d1e6415d95d583da7afc6d00/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/b9255dd214274032ab4511687e60ea34/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/1d51ee938316432cad8b09f054d515fe/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/cceb7e7269d34832b225ec71a9d6c28f/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/c30ad78e996b4d8e8455b95829c8f8e5/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/14d83f36a5db4f539dd5a6baab0fcc93/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/f770e542d40e4f7b90233f955a2aa03f/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/e5b68d236dc243d787c73c7256625f7c/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/a03f0ec294fc41ad854ca0b946a55589/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2024/0059396762814c1cb22605c284c0ab1f/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/3ff6284d3fdd4ce6b70d6ca8d3a7f1b6/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/c5524fe12b3f4f768223e364ba235aa8/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/a4566490c0a1415c8f44488be5d187b5/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/65b3a2e1fc804a7ebdce6d739f2707a4/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/82697f486cb34dd3bdd643626375b6c7/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/3617159a7fdc4d2f87a099e838b536f6/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/0aa54aea8136472d94ae15d0e38a8049/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/4781f8d609a345ccbcb6acce91a695bc/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/26e1635bdcf24523b06578b60ab20d88/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/9791cc2a5cdb4f218e7b937496aaf16c/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/e14bf7db58de4904b482a80802ce9490/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/bb60c562b7fb4b0496373425185d737c/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/aed9fb5d9c5f464e9ec5fd280df6f8e9/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/45dcc261d52040598ddc375d674c9cdc/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/ed41d7c730d24a87ae01fd3d4e76f7a5/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/56e0cd524fab4db9a1188918c4388cd8/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/c4573ab96b6e4ce7b6e69b4433f37f6d/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/931431e6eecf43f0b49a6e4c3a624c3c/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/43d78ab366844d8bb6d53d76ae787ce0/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/52c0dc224dda4d3ba79c8f3b236c85b8/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/399fdba6bb3842298d99a093eeda9a52/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/68016812f56d40d2bb2ee817d4475238/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/85c6763bbd8b46e19f45587e4eb0789a/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/f1abed93106a4eabb0d182609fb7d693/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/0b548646631f4338ab6ac551483e37d9/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/e7e85c5c6e964bd59ee92a253d4fcea1/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/8e19c5b4f7e340ccb62f5de15fbb3acd/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/db283ff3cac84fd494a6e237cb386eb7/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/1ee498dbd33e4595be691e0d020f1ce7/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/a849cd9b22ad48ef83ffe15c572c20cc/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/fcfc04cd346b49baba431117b7149574/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/ec838578220047bf82815193eb2fe91f/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/02bc36920602474d8eee9800852cd57c/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/61b6e0f95718454e9336c51ff5fcf648/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/e76647553f05404dbf42ec44f813a11b/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/7b91f408a28f4903828003dc0979877c/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/446a1f4035cc453c90d67d3ef197607b/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/25ab688402e44cdca65486ca9d10da2c/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/87215edad0744e1ab6ef1a4cc6a3b2c5/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/00ba14c7e1a743a3b8d1e5c668eb10f4/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/4480f764b8c04665b5254dc6c2567c97/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/5221155fd3dd4be19aecc544c9348ef5/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/ba05209b443144ea846b48f3c9e0e585/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/d37e45cb620e49bbac0ce42a106458d1/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/d9c1c84249754109808e60b76f86f5d5/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/2fe6003589984e69bfb5602332a2541e/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2024/ddc2c6f166f04976ba7ed30504f7e5de/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/9d58b6b3eab74987b3c2ff2b47c89b11/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/7b91a5c3582b423a968cd24449f04b22/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/8bc87e03aa6d4e65af1c10caf53d32a9/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/e103bea86057488d9ed51eda8ca3d114/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/f4667921405341b9912c8485e4c43908/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/19d0fbc38bd14e50a517ba9641e28e50/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/08838969605644a195e07f9921c8d987/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/8ec7904f1e5645d9896de6817ea81ea8/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/7c29faa59fd14322b34e0ae7b4d87bfc/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/b424d6c3c4ff4ba690a3cfeb476316e3/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/9865a3e4196b442598c74f989cf8c611/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/bc5dbab75a4245f09493ae304bf70f63/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/8e53a555963e43569feee816bcdcbe16/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2024/4d3a4591cb93428cb480f6f3d77409f7/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/aa293bb8b25644e99d56b2ffc23ad208/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/1ec24c2aa8cf407181d1b71015c6a4eb/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/ec14886d76f44f62b9d51088994be8bf/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/9c7603bb656841b79fdfaa714bee9b22/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/9fd751c5db4c48e1a5a32b481fbb977e/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/4f0d728004de4b00838733545b48945a/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/8195df74d0cf4577867eb22a98f9fa5a/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/8a602773ea3748b288036e4e27e65a5d/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/a0efd79f75464ec183e9b3303c046f97/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/1e8c30c983ba4a7885de08ce41e449bb/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/653b14a5829c4b73b946781c41504659/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/1084170d35514089bc3dd09b95beae21/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/e607353348f647f9bce50e2e8a6a3b60/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/33facc8c37ab42a2927d9f04c870be2b/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/b4b458c5043a400386d41430a9e87d58/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/03b7b1c2cdf446edbbea49ff696353e7/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/c33a4c6a19dd417c92bd77db381c372f/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/a9d887f1ff004021a5ce4c3779620648/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/788202b1158b487185b80646f92136d2/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/9623a56511e64dc0a6aedd2d0e586b67/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2025/11f511173c8e4ae6a9f34dcb3330b811/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/79a8e3faf7d445e58b6fdf240a019b3d/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/65aa950599fe4d25869bcc5f4073b51b/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/8fdc83ae8a4647f6a18feabe25a3e9b1/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/2a73ab41cdae48db818d453f9e43841d/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/0afd73ce9161499b8cf72291b0ca2a74/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2024/cdbc42fefb394e06a60d953774bab25d/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/a200e4bf287a470f803a0a56be78b0ff/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/5b02ab8afbf94c9abfe56a9cfa056060/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/d7e7804c4f4b46758dfb2625bc4be11a/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/a0725cc4a6c34b9fad03b86e87b20557/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2025/4ad739de73844c229d7528cbca28cdfe/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2024/6a3a39aa911e4d6a9b255377bc3efbd9/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/905ad410887f423aabc09f4aaba5051a/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/0926960b83a0457e9200bb631b698ce1/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/d096410ecb734276af2d3303e600a809/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/14c26da32d7f45518d4c1f5db7811980/nld@2025‑06‑19;13294592
/join/id/regdata/gm0995/2024/3db0908759c54a95be10bdad763a2c9b/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/8037eab3feb44fdd875d719fdfe13fc9/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/a6aad964f29745b7b1510926a802be33/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/bb030403f6984e7bb360fb7bb75b7a93/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/9d59dc87dd274efcbcdb6b6b5b01a9ff/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/832307c7bb9a4d2598e08e1d5d90c433/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/4d09afdc12d94aa1ba7ac596c7f6d3c8/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/8f02b670686742529ca78ada0565c5ba/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/23c34e7a23c043de991d7e7fdf4389c2/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2025/08b3f9e3cef14b66a825032905d881cf/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/3c4d0b9363ba41b886e85c6a725d2c03/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/5295ec99f0424a0886d6fbce7c420aac/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/f7c6e61e89bf4bea835692d2dffa4dba/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/5508adec2e6d4260a599c65f9295bbf2/nld@2025‑06‑05;05522335
/join/id/regdata/gm0995/2024/7832d0b4c919470d9436f15c0839371c/nld@2025‑06‑05;05522335
ZZZZZ
Het opschrift van toelichting 'Toelichting' wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAA
Voor artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze Toelichting' wordt een algemenetoelichting ingevoegd, luidende:
1.1.2.1 Afdeling 9.10: Toepassen van grond of baggerspecie
Het toepassen van grond of baggerspecie vindt bijvoorbeeld plaats bij het aanleggen van wegen, ophogingen, dempingen, verondiepingen van plassen of verspreiden van baggerspecie. De activiteit ‘toepassen van grond of baggerspecie’ eindigt nadat het aanbrengen van de grond of baggerspecie klaar is en de toepassing klaar is.
Voor het toepassen van grond en baggerspecie gelden, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, algemene rijksregels. Deze zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het toepassen van grond en baggerspecie is als milieubelastende activiteit aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal (paragraaf 3.2.26), omdat de activiteit schadelijk kan zijn voor het milieu. Het kan leiden tot bodemverontreiniging, het ongewenst verspreiden van partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen en een ondoelmatig beheer van afvalstoffen. Om die reden zijn er voorwaarden gesteld waaronder de activiteit kan plaatsvinden. Die inhoudelijke regels zijn opgenomen in paragraaf 4.124 van het Bal.
Ook in het omgevingsplan zijn regels gesteld over het toepassen van grond of baggerspecie, in aanvulling op de rijksregels. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat hierover instructieregels van het Rijk in subparagraaf 5.1.4.5.3. Daarin is bepaald dat in het omgevingsplan de landbodem wordt ingedeeld in bodemfunctieklassen. De landbodem kan ingedeeld worden in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie. Bij deze indeling wordt rekening gehouden met de andere activiteiten die plaatsvinden op de desbetreffende locatie. Het Bkl bevat in artikel 5.89o ook de mogelijkheid voor het opnemen van bodembeheergebieden in het omgevingsplan om met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift te kunnen afwijken van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie. Van die mogelijkheid is in dit omgevingsplan ook gebruik gemaakt
BBBBBB
Na sectie ' Beoordelingsregels bouw woongebied' worden twaalf secties ingevoegd, luidende:
Dit artikel is van toepassing op het bouwen van een gebouw op een bron van bekende historische grondwaterverontreiniging waarvan de geometrische begrenzing in bijlage II is opgenomen. Hierbij wordt aangesloten bij het toepassingsbereik van het bouwen op een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in Artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Indien een dergelijk gebouw gebouwd wordt op een bron van bekende historische grondwaterverontreiniging verlangt dat er een bronaanpak plaatsvindt.
Een bronaanpak is aan de orde indien de bodemverontreiniging nog steeds aanwezig is op het kadastrale perceel. Het gaat enkel om een mobiele verontreiniging die in het vaste deel van de bodem voorkomt in concentraties hoger dan de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving als ook in het grondwater in concentraties hoger dan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Op basis van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2. van het Besluit activiteiten leefomgeving of een beschikking die op grond van de Wet bodembescherming kan aangetoond worden of er sprake is van een bodemverontreiniging op het kadastrale perceel waar de bron van de bekende historische grondwaterverontreiniging gelegen is.
Het gaat enkel om een gebouw dat geheel of gedeeltelijk de bodem raakt inclusief de daaraan grenzende tuin of aangrenzend terrein.
Uitzondering op het bepaalde in het eerste lid zijn van kleine gebouwen die niet meer dan 50 m2 zijn.
Dit artikel bepaalt dat indien een bodemsanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt uitgevoerd omwille van het uitvoeren van een bronaanpak, de saneringsaanpak moet leiden tot het verbeteren van de grondwaterkwaliteit.
Dit artikel bepaalt dat in afwijking van het eerste lid de saneringsaanpak, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet toegestaan is. Dat betekent dat de standaard saneringsaanpak afdekken niet is toegestaan. De standaard saneringsaanpak ontgraven tot het niveau waarop de bodem gelijk is aan de bodemkwaliteitsklasse is wel toegestaan.
In dit lid is geregeld dat de provincie een kopie ontvangt van zowel de melding bij aanvang van het saneren van de bodem als de gegevens en bescheiden na beëindiging. Zodoende kan de provincie eventueel in overleg treden met de gemeente indien de saneringsaanpak niet voldoet. Ook ontvangt de provincie bij beëindiging van de sanering gegevens en bescheiden die nodig zijn om de geometrische begrenzing in bijlage II bij de Omgevingsverordening provincie Flevoland van de bron van bekende historische grondwaterverontreiniging te actualiseren.
Dit lid geeft aan dat het enkel gaat om situaties waar het saneren van de bodem (mede) dient ter uitvoering van een bronaanpak.
Dit artikel bevat de aanvullende aanvraagvereisten die nodig zijn in verband met de met de regels opgenomen in artikel 5.43.
Dit artikel zorgt er voor dat het college van burgemeester en wethouders ook wordt geïnformeerd over de bronaanpak die is getroffen
Met een maatwerkvoorschrift kan er een alternatieve saneringsaanpak worden toestaan, zoals een in situ methode of het stimuleren van biologische afbraak. De saneringsaanpak dient echter wel te leiden tot het beperken of voorkomen van een indirecte inbreng van verontreiniging naar het grondwater.
CCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFF
Na sectie ' Verbod bouwen of opschalen van windturbines' worden 59 secties ingevoegd, luidende:
De Kaderrichtlijn water verplicht in artikel 11, onder j, de lidstaten er zorg voor te dragen dat er niet rechtstreeks, zonder doorsijpeling, verontreinigende stoffen geloosd worden in het grondwater. Een rechtstreeks lozing naar het grondwater waarbij er geen sprake is van doorsijpeling in de bodem zal veelal geschieden door het lozen via een pijp die de bodem in de onverzadigde zone als het ware omzeilt.
Het verbod op rechtstreeks lozen naar het grondwater was onder het recht zoals gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet geborgd in de zogeheten lozingsbesluiten: artikel 2.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 2.2 van het Besluit lozen buiten inrichtingen en artikel 3 van het Besluit lozen huishoudelijk afvalwater. Deze algemene regels die uitvoering geven aan het KRW-verbod op rechtstreeks lozen naar het grondwater, maar daarbij ook de mogelijkheid boden om bij maatwerkvoorschrift van het verbod af te wijken, komen niet terug op rijksniveau en zijn ook niet opgenomen in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Daarom zorgt dit artikel ervoor dat een rechtstreeks lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater niet plaatsvindt. Dit gaat om zowel het lozen van verontreinigende stoffen die afkomstig zijn van de in het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen milieubelastende activiteiten als de in het omgevingsplan aangewezen activiteiten waar afvalwater of overig water bij vrij kan komen dat verontreinigende stoffen bevat en geloosd wordt op of in de bodem.
Het verbod op rechtstreeks lozen van verontreinigende stoffen in het grondwater heeft enkel betrekking op milieubelastende activiteiten waar water bij vrijkomt dat geloosd wordt op of in de bodem. De regels gelden niet voor wateronttrekkingsactiviteiten waarbij sprake is van het onttrekken van grondwater of het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater. Voor wateronttrekkingsactiviteiten waarbij water in de bodem gebracht wordt ter aanvulling van het grondwater, zogeheten infiltraties, is de provincie bevoegd gezag voor zover het gaat om de in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen wateronttrekkingsactiviteiten of anders de waterbeheerder. Regels in het Besluit activiteiten leefomgeving en in de waterschapsverordening zorgen dat een dergelijke infiltratie niet leidt tot verontreiniging van het grondwater.
De KRW kent in artikel 11, onder j, een aantal situaties waar onder voorwaarden alsnog een rechtstreeks lozing naar het grondwater is toegestaan, mits de lozing niet verhinder dat de voor dat grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt. Het richtsnoer nr. 17 “Guidance on preventing or limiting direct and indirect inputs in the context of the Groundwater directive 2006/118/EC” behorende bij artikel 6 van de Grondwaterrichtlijn bevat in paragraaf 5.4 voorbeelden van situaties die voldoen aan deze voorwaarden. Daarom is er, net als onder het recht zoals gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet, een mogelijkheid geboden dat college van burgemeester en wethouders als bevoegd gezag voor het lozen op of in de bodem een lozing door middel van een maatwerkvoorschrift onder de in artikel 11, onder j, van de KRW opgenomen voorwaarden toe kan staan.
Een voorbeeld van een dergelijke lozing is brijnwater. Het lozen van brijnwater op of in de bodem vindt over het algemeen rechtstreeks in het grondwater plaats. Het lozen van brijnwater rechtstreeks in het grondwater kan daarom met een maatwerkvoorschrift onder voorwaarden worden toegestaan. Het richtsnoer nr. 17 behorende bij de Grondwaterrichtlijn maakt namelijk duidelijk dat het lozen van brijn valt onder één van de situaties die onder voorwaarden toegestaan is om rechtstreeks in het grondwater te lozen. Het lozen van brijn valt onder de situatie waar de lozing plaats vindt om technische redenen.
Met dit artikel worden eisen gesteld aan het lozen van grondwater op of in de bodem dat afkomstig is van het graven in een bodem met een bodemkwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Dit gebeurt door de regels die in artikel 22.128 (gegevens en bescheiden) en artikel 22.129 (lozen van grondwater bij saneringen) van overeenkomstige toepassing te verklaren op lozen van grondwater bij dat graven. De uitzondering op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij kortdurende lozingen (< 48 uur) of particulier huis- en tuinlozingen (lozen bij wonen), zoals opgenomen in artikel 22.128, vierde lid, gelden ook voor lozingen bij graven boven I. De emissiegrenswaarden van artikel 22.129 blijven bij die lozingen onverkort van toepassing.
De emissiegrenswaarden van artikel 22.129 gelden niet bij graven in een bodemvolume kleiner dan 25 m³. Dat sluit aan op het toepassingsbereik van artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving
Onder de Omgevingswet wordt de activiteit graven verdeeld over twee activiteiten, namelijk het graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en het graven in de bodem met een kwaliteit kleiner of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Zie voor meer informatie hierover de pagina hierover op iplo.nl.
Deze afdeling bevat regels in aanvulling op de regels zoals opgenomen in paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor de milieubelastende activiteit graven in bodem, met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Voor meer uitleg over het toepassingsbereik van de milieubelastende activiteit wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting van artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Op grond van artikel 4.1225 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt een meldingsplicht voor het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. In dit artikel wordt ook geregeld dat de gegevens uit het voorafgaand bodemonderzoek aangeleverd moeten worden in een .xml-bestand zodat het opgenomen kan worden in het bodeminformatiesysteem (BIS).
In dit artikel staat het toepassingsbereik van deze paragraaf.
Dit artikel bevat een informatieplicht. Voordat met het graven wordt begonnen, moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de activiteit. De informatieplicht uit dit artikel in het omgevingsplan zorgt ervoor dat het bevoegd gezag over kleinschalige grondverzet geïnformeerd wordt. Deze bepaling komt in de plaats van het voormalige artikel 28 uit de Wet bodembescherming dat stelde dat alle handelingen (dus ook kleinschalig grondverzet) die plaatsvinden in een geval van ernstige verontreiniging moeten worden gemeld. Voor grondverzet in een omvang groter dan 25 m3 geldt via de algemene regels uit paragraaf 4.120 (graven in de bodem met kwaliteit boven de interventiewaarde) een meldingsplicht. Voor grondverzet in een omvang kleiner dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) geldt op grond van de algemene regels uit deze paragraaf van het Besluit activiteiten leefomgeving geen informatie of meldingsplicht.
De gegevens en bescheiden worden ten minste een week voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal praktische gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden. Uit de verstrekte gegevens en bescheiden moet blijken wat de begrenzing is van de locatie waar de activiteit plaats vindt, de verwachte datum van het begin van de activiteit en de duur van de activiteit.
Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren.
De informatieplicht van dit artikel geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond.
Dit artikel staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de werkzaamheden en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de werkzaamheden, mits de partijen van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden worden opgeslagen.
Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders moet worden afgevoerd. De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie van paragraaf 3.2.24 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit artikel bevat geen regels die verplichten tot maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving. De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem. Het nemen van bodembeschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn als de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een spot met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Een ander voorbeeld is dat als sprake is van droge condities het noodzakelijk is dat voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in dichte containers.
Dit artikel regelt in welke situaties de activiteit onder milieukundige begeleiding moet plaatsvinden. Milieukundige begeleiding is noodzakelijk als de graafwerkzaamheden dieper reiken dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag zoals bijvoorbeeld een leeflaag of andere duurzame afdeklaag. De milieukundige begeleiding moet uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 6000. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000.
Volgens de BRL SIKB 6000 is een continue aanwezigheid van de milieukundige doorgaans niet noodzakelijk. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment.
Deze afdeling gaat over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. In deze afdeling zijn aanvullende en afwijkende eisen opgenomen ten opzichte van de regels in paragraaf 22.2.7.
In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen die al elders in het omgevingsplan is geregeld met de beoordelingsregel in artikel 22.28, eerste lid (het toegevoegde onderdeel c), dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel.
In aanvulling op de waarden opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving worden in dit lid waarden voor PFAS-houdende stoffen toegevoegd.
Per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) zijn chemische stoffen die door de mens zijn gemaakt. Zij komen van nature niet in het milieu voor. Voorbeelden van PFAS zijn GenX, PFOA (perfluoroctaanzuur) en PFOS (perfluoroctaansulfonaten). PFAS kunnen een negatief effect hebben op milieu en gezondheid. Van een aantal PFAS is bekend dat ze ongewenste eigenschappen hebben. Dit zijn bijvoorbeeld PFOS en PFOA. Ook over de ongewenste eigenschappen van GenX-stoffen is steeds meer informatie beschikbaar.
Van deze stoffen is bekend dat ze:
niet of nauwelijks afbreken in het milieu (ze zijn persistent),
schadelijke effecten kunnen geven in mensen en het milieu (ze zijn toxisch),
zich gemakkelijk en snel verspreiden in het milieu (ze zijn mobiel) en/of
zich ophopen in het menselijk lichaam, in dieren en planten (ze zijn bioaccumulerend)
De kennis over PFAS en gezondheid is en blijft in ontwikkeling. Om ervoor te zorgen dat de risico’s van PFAS worden beperkt, is het van belang dat bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk voldoende zicht is op de aanwezigheid van PFAS. Tevens moet rekening gehouden worden met de best beschikbare wetenschappelijke kennis ten aanzien van de risico’s. Om die reden worden waardes voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor PFAS opgenomen.
Het RIVM heeft indicatieve niveaus voor ernstige bodem- en grondwaterverontreiniging (INEV’s) afgeleid voor de PFAS-verbindingen PFOS, PFOA en GenX. In tabel 1 zijn de INEV’s uit tabel 2 van het RIVM-rapport voor deze PFAS overgenomen, te weten 110 µk/kg d.s. voor PFOS, 1100 µg/kg d.s. voor PFOA en 97 µg/kg d.s. voor GenX. Voor overige PFAS zijn geen INEV’s beschreven in dit RIVM-rapport.
Specifiek voor lood geldt er bij een zeer bodemgevoelig gebruik een andere toelaatbare bodemkwaliteit dan van toepassing op grond van artikel 9.34, eerste lid. Voor lood is bij een zeer bodemgevoelig gebruik aangesloten bij de gezondheidskundige waarden van de GGD. De toelaatbare bodemkwaliteit is afgeleid van de bovengrens van de gezondheidskundig matige bodemkwaliteit. Een zeer bodemgevoelig gebruik gaat om gebouwen waar in ieder geval kinderen jonger dan 6 jaar verblijven, aansluitend bij het RIVM-rapport uit de vorige alinea. Denk hierbij aan een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang.
Ook bij andere stoffen dan lood biedt de interventiewaarde bodemkwaliteit als toelaatbare bodemkwaliteit, of INEV’s als het gaat om PFOS, PFOA en GenX bedoeld in het eerste lid, onvoldoende bescherming als er sprake is van een zeer bodemgevoelig gebruik. Voor deze andere stoffen dan lood, wordt verwezen naar de maximale waarde voor klasse wonen overgenomen uit artikel 25d van het Besluit Bodemkwaliteit. Voor PFAS wordt verwezen naar de toepassingswaarden voor het toepassen van grond of baggerspecie op landbodem, klasse wonen of industrie, zoals opgenomen in het handelingskader PFAS.
Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voorheen werd dit «het geval van verontreiniging» genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico’s en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat.
De grens van 25 m3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.
De grens van 25 m3 uit het derde lid geldt niet voor lood als er sprake is van een zeer bodemgevoelig gebruik. Dit komt doordat lood ook in kleine hoeveelheden een gevaar voor de gezondheid van met name jonge kinderen (< 6 jaar) kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.
Artikel 22.34 bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk. In onderdeel j van dat artikel zijn de aanvraagvereisten voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie opgenomen. In aanvulling daarop zijn in dit artikel extra aanvraagvereisten opgenomen voor PFAS, aangezien artikel 9.34, eerste lid een toelaatbare bodemkwaliteit voor PFAS kent. Voor het onderzoek naar PFAS kan de handreiking PFAS bemonsteren gebruikt worden. In dit artikel wordt ook geregeld dat de gegevens uit het voorafgaand bodemonderzoek aangeleverd moeten worden in een .xml-bestand zodat het opgenomen kan worden in het bodeminformatiesysteem (BIS).
Niet alle bouwwerken zijn als vergunningplichtige activiteit aangewezen in dit omgevingsplan. Om die reden is in dit artikel een meldingsplicht geïntroduceerd voor het niet-vergunningplichtig bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Zo lang de melding niet is gedaan, is de activiteit verboden. Dit artikel is toegevoegd ter uitvoering van artikel 5.89l van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw, is het van belang om te waarborgen dat de in artikel 9.34 voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daarom moeten bij de melding gegevens aangeleverd worden indien de toelaatbare bodemkwaliteit wordt overschreden, waaruit blijkt dat maatregelen getroffen moeten worden. Indien een sanering op grond van Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) als maatregel getroffen gaat worden, dan volstaat de melding bij de activiteit saneren, als bedoeld in artikel 4.1236 Bal.
Ook wordt in dit artikel gevraagd om de gegevens uit voorafgaand bodemonderzoek, waarin het onderzoek naar PFAS-houdende stoffen wordt meegenomen, aangezien artikel 9.34, eerste lid voor PFAS een toelaatbare bodemkwaliteit kent. Voor het onderzoek naar PFAS kan de handreiking PFAS bemonsteren gebruikt worden.
In dit artikel wordt ook geregeld dat de gegevens uit het voorafgaand bodemonderzoek ook aangeleverd moeten worden in een .xml-bestand zodat het opgenomen kan worden in het bodeminformatiesysteem (BIS). Dit artikel is niet van toepassing als de bouwactiviteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in het omgevingsplan, omdat dan de regels in paragraaf 22.2.7.2 van de bruidsschat omgevingsplan gelden.
Wanneer de toelaatbare bodemkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 9.34 wordt overschreden, moeten sanerende of andere beschermende maatregelen getroffen worden voor bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Een sanerende maatregel is in ieder geval saneren van de bodem overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Met dit artikel wordt het stellen van maatwerkvoorschriften in individuele gevallen mogelijk gemaakt. Zo kunnen per individueel geval de maatregelen uit artikel 9.37 aangevuld worden, als het bevoegd gezag van mening is dat de risico’s nog niet afdoende zijn afgedekt.
Deze paragraaf is van toepassing op locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
De locaties waar sprake is van een geval van historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico, zijn te raadplegen via deze viewer. Deze viewer bevat de meest actuele situatie
Met dit artikel wordt een meldingsplicht geïntroduceerd voor alle activiteiten die plaatsvinden op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Zo lang de melding niet is gedaan, is de activiteit verboden. In dit artikel worden naast de algemene gegevens ook gegevens vereist die aangeven welke maatregelen worden getroffen om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Dit maakt dat het bevoegd gezag kan besluiten of het noodzakelijk is om met maatwerkvoorschriften de mitigerende maatregelen als bedoeld in art. 9.41 van het omgevingsplan aan te vullen.
De meldplicht is niet van toepassing wanneer de activiteit al bekend is bij bevoegd gezag doordat er een meldings- en vergunningplicht is op grond van dit omgevingsplan, of als de activiteit meldings- en vergunningplichtig is op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Degene die op de locatie, bedoeld in artikel 22.125, een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming.
Dit artikel heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 Aanvullingswet bodem).
Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden. Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt.
Artikel 22.126 heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is.
Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde «klik op de kaart». Het inzien van de (voormalige) registratie van de niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is.
Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht.
Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.
Met dit artikel wordt een meldingsplicht geïntroduceerd voor het starten van zeer bodemgevoelig gebruik of het wijzigen van gebruik naar zeer bodemgevoelig gebruik. Zo lang de melding niet is gedaan, is de activiteit verboden. Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een locatie met een zeer bodemgevoelig gebruik, is het van belang om te waarborgen dat de in artikel 9.45 voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daarom moeten bij de melding gegevens aangeleverd worden indien de toelaatbare bodemkwaliteit wordt overschreden, waaruit blijkt dat maatregelen getroffen moeten worden. Indien een sanering op grond van Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) als maatregel getroffen gaat worden, dan volstaat de melding bij de activiteit saneren, als bedoeld in artikel 4.1236 Bal.
Ook wordt in dit artikel gevraagd om bij het uitvoeren van voorafgaand bodemonderzoek, PFAS-houdende stoffen te onderzoeken en hiervan de resultaten te verstrekken. PFAS wordt meegenomen, omdat artikel 9.44 voor PFAS een toelaatbare bodemkwaliteit kent. Voor het onderzoek naar PFAS kan de Handreiking PFAS bemonsteren gebruikt worden. In dit artikel wordt ook geregeld dat de gegevens uit het voorafgaand bodemonderzoek aangeleverd moeten worden in een .xml-bestand, zodat het opgenomen kan worden in het bodeminformatiesysteem (BIS).
Bij een zeer bodemgevoelig gebruik geldt als toelaatbare bodemkwaliteit de maximale waarde klasse wonen, overgenomen uit artikel 25d van het Besluit Bodemkwaliteit, zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor alle stoffen.
Specifiek voor lood biedt de maximale klasse wonen niet voldoende bescherming voor kinderen tot 6 jaar, volgens onderzoek van de GGD (p. 33). Daarom is voor lood een andere waarde als toelaatbare bodemkwaliteit vastgesteld aan de hand van de gezondheidskundige waarden van de GGD. De toelaatbare bodemkwaliteit is afgeleid van de bovengrens van de gezondheidskundig matige bodemkwaliteit.
Daarnaast is gekozen voor het toevoegen van waarden voor PFAS, omdat die niet aanwezig zijn in bijlage IIA bij het Bal. Voor PFAS is gekozen voor de toepassingssituatie op landbodem, klasse wonen of industrie, zoals opgenomen in het handelingskader PFAS.
Gelijkwaardig aan de regels van de voormalige Wet bodembescherming, is in het tweede lid opgenomen dat sprake is van een overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit als de bodem een kwaliteit heeft boven de waarden toelaatbare bodemkwaliteit in het eerste lid, en het bodemvolume meer is dan 25 m3. Voorheen werd dit ‘het geval van verontreiniging’ genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico’s en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen.
Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de regel van toepassing is op elke emmer verontreiniging. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat.
De grens van 25 m3 uit het tweede lid geldt niet voor lood, als er sprake is van een zeer bodemgevoelig gebruik. Dit komt doordat lood ook in kleine hoeveelheden een gevaar voor de gezondheid van met name jonge kinderen (< 6 jaar) kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.
Wanneer de toelaatbare bodemkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 9.44 wordt overschreden, moeten voor het starten van zeer bodemgevoelig gebruik of het wijzigen van gebruik naar zeer bodemgevoelig gebruik, sanerende of andere beschermende maatregelen getroffen worden. Een sanerende maatregel is in ieder geval saneren van de bodem overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Met dit artikel wordt het stellen van maatwerkvoorschriften in individuele gevallen mogelijk gemaakt. Zo kan in een individueel geval worden bepaald dat er, ten opzichte van de maatregelen genoemd in artikel 9.45, verdergaande maatregelen moeten worden genomen ter bescherming van de gezondheid. Daarnaast kan afgeweken worden van de toelaatbare bodemkwaliteit als daar een gemotiveerde reden voor is en de bescherming van de gezondheid en het milieu niet in gevaar komt.
In deze afdeling staan regels in afwijking van of in aanvulling op de regels behorende bij de in artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen milieubelastende activiteit saneren van de bodem. Voor meer uitleg over het toepassingsbereik van de milieubelastende activiteit wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting van artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit artikel vraagt om bij het uitvoeren van voorafgaand bodemonderzoek, zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2. onderzoek naar PFAS-houdende stoffen, mee te nemen, aangezien artikel 9.53 voor PFAS een terugsaneerwaarde kent. Voor het onderzoek naar PFAS kan de handreiking PFAS bemonsteren gebruikt worden. In dit artikel wordt ook geregeld dat de gegevens uit het voorafgaand bodemonderzoek aangeleverd moeten worden in een .xml-bestand zodat het opgenomen kan worden in het bodeminformatiesysteem (BIS).
In dit artikel wordt met een maatwerkregel afgeweken van artikel 4.1241, derde lid en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarin kwaliteitseisen worden gesteld aan de afdeklaag. Deze afwijking geldt alleen als de bodem is ingedeeld in de bodemfunctieklasse industrie.
Dit artikel bepaalt dat, wanneer er sprake is van een bodemgevoelige locatie of van zeer bodemgevoelig gebruik, een laag grond of baggerspecie met een minimale dikte van 1,0 meter (voor de afdeklaag) moet voldoen aan de maximale waarde klasse wonen. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat de bodem is ingedeeld in de bodemfunctie industrie, maar dat op deze locatie bodemgevoelige gebouwen gebouwd mogen worden. In bodemgevoelige gebouwen verblijven er minimaal 2 uur achtereen mensen en is er kans op blootstelling aan verontreiniging. Om bij dergelijke gebouwen de risico's als gevolg van blootstelling voor de gezondheid te beperken, is er gekozen om niet terug te saneren naar de kwaliteitsklasse industrie zoals artikel 4.1241 toestaat, maar naar de maximale waarde klasse wonen. Hierdoor sluit het beschermingsniveau aan bij het gebruik. De terugsaneerwaarde is van toepassing op de gehele bodemgevoelige locatie, omdat er sprake kan zijn van blootstelling in de onmiddellijk aan een gebouw grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein.
In dit artikel wordt met een maatwerkregel afgeweken van artikel 4.1242, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze afwijking geldt alleen als de bodem is ingedeeld in de bodemfunctie industrie. Dit artikel bepaalt dat, wanneer er sprake is van een bodemgevoelige locatie of van zeer bodemgevoelig gebruik, bij het ontgraven van de verontreiniging wordt voldaan aan de maximale waarde klasse wonen. Zie verder de toelichting bij artikel 9.50.
Uit artikel 4.1241 en art. 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving volgt dat bij saneren van de bodem de terugsaneerwaarde gelijk is aan de kwaliteitsklasse van bodemfunctie. Specifiek voor lood biedt deze terugsaneerwaarde niet genoeg bescherming bij een zeer bodemgevoelig gebruik. Daarom wordt in dit artikel aangesloten bij de gezondheidskundige grenswaarden van de GGD (p.33). Deze terugsaneerwaarde is afgeleid van de bovengrens van de gezondheidskundig voldoende bodemkwaliteit. Dit is 60 mg/kg d.s. voor een grote moestuin, 90 mg/kg d.s. voor wonen met tuin en kleine moestuin, en 100 mg/kg d.s voor plaatsen waar kinderen spelen. Bij dit laatste gebruik zijn ook de gebouwen, anders dan een woning waar kinderen tot 6 jaar aanwezig zijn, toegevoegd.
Bij artikel 4.141 en 4.142 is als terugsaneerwaarde de kwaliteitsklasse van de bodemfunctie opgenomen. De kwaliteitsklasse volgt uit artikel 25d, vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, echter PFAS ontbreekt hierin. De maximale klasse behorende bij de bodemfunctie is afgeleid door het RIVM en opgenomen in het handelingskader PFAS. Als terugsaneerwaarde is in dit artikel de toepassingswaarden voor PFAS op landbodem, categorie 4.1 van het handelingskader opgenomen. In dit handelingskader wordt alleen onderscheid gemaakt tussen PFOS, PFOA en overige PFAS.
Deze artikelen regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming.
Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt artikel 22.120 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder).
Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen.
Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift.
De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem.
Deze artikelen regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming.
Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt artikel 22.120 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder).
Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen.
Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift.
De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem.
Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij zeer ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming).
Deze afdeling bevat regels die de regels aanvullen zoals opgenomen in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving voor de milieubelastende activiteit toepassen van bouwstoffen.
Voor meer uitleg over het toepassingsbereik van de milieubelastende activiteit wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting van artikel 3.48m van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Staalslakken zijn een bijproduct uit de staalindustrie. Ze worden vaker en in grotere hoeveelheden toegepast in grondwerken (bijv. wegen, grond-, geluidswallen) en om stortplaatsen op te vullen of op te hogen. Als staalslakken in contact komen met regen- of grondwater, komen er schadelijke stoffen vrij. Uit een studie van het RIVM blijkt dat in grootschalige toepassingen een extreem lage zuurgraad, en daardoor mobiliteit van zware metalen en andere schadelijke stoffen, ontstaat. Uitspoeling van deze stoffen kan onder andere leiden tot meer vissterfte en afsterven van water- en bodemleven.
Staalslakken zijn te herkennen als grijs, steenachtig materiaal met een fijne tot grove korrelgrootte. Onvoldoende afgedekte staalslakken kunnen in contact komen met water. Dit kan negatieve effecten hebben voor het milieu. Bij het toepassen kunnen mensen die in de buurt zijn klachten krijgen als bloedneuzen.
Om die reden moet het toepassen van staalslakken ten minste vier weken voor het begin ervan worden gemeld aan het bevoegd gezag. Zo lang de melding niet is gedaan, is de activiteit verboden. De termijn van vier weken is noodzakelijk voor het bevoegd gezag om de gegevens en bescheiden te beoordelen en wanneer nodig, maatwerkvoorschriften te stellen.
Bouwstoffen worden na (gehele of gedeeltelijke) buitengebruikstelling van het werk waarin ze zijn toegepast, weer verwijderd. Dit is nodig, omdat de bodem fysisch of chemisch verontreinigd kan raken of kan worden aangetast door het op of in de bodem brengen van materialen die niet van nature in de bodem voorkomen.
Onder omstandigheden kan verwijdering van bouwstoffen, na buitengebruikstelling van het werk, grotere nadelige gevolgen hebben voor de bodem of het oppervlaktewaterlichaam dan het daar laten van de bouwstoffen. Hier is in ieder geval sprake van indien een waterkerende bodemlaag of een waterkering aanzienlijk aangetast is.
De bovenste bodemlaag in Flevoland bestaat uit zeeklei. Klei is niet stevig genoeg om grote, hoge bouwwerken op te bouwen. Daarom zijn veel bouwwerken in Flevoland gefundeerd met heipalen. Deze staan tot in een draagkrachtige waterkerende zandlaag. Bij het plaatsen van heipalen worden diverse bodemlagen doorboord. Dit zijn watervoerende lagen en waterkerende lagen. De waterkerende lagen scheiden de watervoerende lagen van elkaar. Het grondwater in de verschillende watervoerende lagen hebben verschillende kwaliteit, met name voor wat betreft het zoutgehalte. Voorkomen moet worden dat water uit de verschillende lagen zich kan vermengen door lekkage van een scheidende waterkerende laag. Ook moet kwel voorkomen worden. Daarnaast zorgt de bodemopbouw, samen met de dijken, ervoor dat de polders droog blijven.
Als bouwwerken worden gesloopt verliezen de funderingspalen hun constructieve functie. Deze palen kunnen er echter nog wel voor zorgen dat er geen water door de waterkerende laag kan stromen. Ze verliezen dan wel hun constructieve functie, maar behouden de waterkerende functie. Bij het verwijderen van de funderingspalen zouden er gaten in deze bodemlaag kunnen ontstaan. Voorafgaand aan het verwijderen moet goed worden bekeken wat dit betekent voor het grondwater. Geadviseerd wordt om dit tijdig met het waterschap Zuiderzeeland te overleggen.
Er is sprake van een aanzienlijke aantasting als de funderingspalen een waterkerende functie hebben. Deze functie is van essentieel belang voor het drooghouden van de polders, voor het tegengaan van ongewenste kwel en verslechtering van de grondwaterkwaliteit (nodig voor beregening en of drinkwater voor vee). Ook kunnen de funderingspalen zich bevinden in een grondwaterbeschermingsgebied. Als ze daaruit verwijderd worden, kan dat leiden tot een verslechtering van het drinkwater (verontreiniging en of verzilting).
De regels in deze paragraaf gaan over het toepassen grond en baggerspecie op de landbodem. Het toepassen van grond of baggerspecie vindt bijvoorbeeld plaats bij het aanleggen van wegen, ophogingen, dempingen, verondiepingen van plassen of verspreiden van baggerspecie. De activiteit ‘toepassen van grond of baggerspecie’ eindigt nadat het aanbrengen van de grond of baggerspecie klaar is en de toepassing klaar is. Deze regels gaan niet over het toepassen van grond of baggerspecie in een oppervaktewaterlichaam. Hiervoor is de waterbeheerder bevoegd gezag: waterschap Zuiderzeeland voor regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de rijkswateren.
De regels in afdeling 9.9 zijn een aanvulling op de in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen regels voor de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie. Voor meer uitleg over de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie, wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting van artikel 3.48o van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In het tweede lid wordt aangegeven dat de regels in deze paragraaf niet van toepassing zijn op tijdelijk uitnemen van grond. Bij de formulering van dit lid is aangesloten bij artikel 3.48o van het Besluitactiviteiten leefomgeving. Het tijdelijk uitnemen komt vooral voor bij werkzaamheden aan kabels en leidingen (inclusief riolering).
In het kader van de rechtszekerheid is het van belang om bij de regels over de activiteiten in het omgevingsplan steeds uitdrukkelijk de belangen en oogmerken te vermelden, waaruit de redenen voor de gestelde regels (de te dienen belangen) duidelijk kunnen worden afgeleid. Oogmerken kunnen één of meer doelen of een uitwerking of begrenzing van de doelen in het omgevingsplan zijn. Oogmerken zijn dus de concrete belangen die de redenen weergeven van de regulering van een activiteit. De oogmerken zijn bepalend voor regels en de afwegingsruimte voor bevoegdheden in het omgevingsplan. Ook zijn oogmerken bepalend voor het beschermingsbereik (de relativiteit) van de concrete rechtsnormen.
De oogmerken genoemd in dit artikel zijn een uitwerking van het bredere doel om zoveel mogelijk grond en baggerspecie te hergebruiken, zodat minder primaire grondstoffen nodig zijn. Hergebruik is verantwoord als het schone of licht verontreinigde grond of baggerspecie betreft. De oogmerken in dit artikel zijn voor het bevoegd gezag ook het kader voor het stellen van maatwerkvoorschriften over het toepassen van grond en baggerspecie. Zo kan
verantwoord hergebruik van grond en baggerspecie maximaal afgestemd worden op de heersende omstandigheden binnen het beheergebied. Hierbij vormen bodemgebruik, bodemambities en ruimtelijke ontwikkelingen de randvoorwaarden.
De gemeenten van de provinciebrede samenwerking en het waterschap hebben ervoor gekozen hun bodembeheergebied gelijk te laten vallen met de grenzen van de provincie Flevoland. Binnen het bodembeheergebied geldt het stand-still principe, de gemiddelde bodemkwaliteit mag niet verslechteren. Door het bodembeheergebied groter te maken dan de eigen gemeente kan er eenvoudiger (en goedkoper) grond uitgewisseld worden tussen gemeenten. Door gezamenlijk dezelfde omgevingsplanregels op te nemen zijn de regels over grondverzet gelijk in het hele beheergebied.
Op grond van artikel 5.89o, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving dient de geometrische begrenzing van het aangewezen bodembeheergebied opgenomen te zijn in het omgevingsplan. In dit artikel wordt de locatie van het bodembeheergebied juridisch verankerd.
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van dat artikel moet in het omgevingsplan de landbodem worden ingedeeld in de bodemfunctieklassen ‘landbouw/natuur’, ‘wonen’ en ‘industrie’. Bij deze indeling is rekening gehouden met de functies die in het omgevingsplan aan de locaties zijn toegedeeld. De bodemfunctieklassen zijn te raadplegen via de Bodeminformatiekaart OFGV (via de legenda kunnen de functieklassen aangezet worden).
De bodemfunctieklassen gelden niet voor de bodem en oever van oppervlaktewaterlichamen. Aan een oppervlaktewaterlichaam kan namelijk niet de functieklasse ‘landbouw/natuur’, ‘wonen’ of ‘industrie’ worden toegekend. Bovendien is voor toepassingen in oppervlaktewaterlichamen niet de gemeente maar de waterbeheerder bevoegd gezag. De wateren van een significante omvang zijn daarom uitgezonderd van het digitale werkingsgebied. Voor de kleinere watergangen leidt het “uitsnijden” uit de digitale werkingsgebieden tot zeer omvangrijke geometrische informatie-objecten, die de werking van het Digitaal Stelsel Omgevingswet kunnen belemmeren. De kleinere wateren zijn daarom niet uitgezonderd van het digitale werkingsgebied, maar vanwege het tweede lid heeft de opname in het digitale werkingsgebied geen juridische betekenis.
In het eerste lid is bepaald dat bodemkwaliteitskaarten van de andere gemeenten binnen het bodembeheergebied en van Waterschap Zuiderzeeland worden aanvaard als grondslag voor een milieuverklaring voor grond of baggerspecie. De bodemkwaliteitskaarten zijn ook te vinden op een interactieve website. Ten overvloede wordt vermeld dat de bevoegdheid tot het wijzigen van de bodemkwaliteitskaarten in het delegatiebesluit bij dit omgevingsplan is gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders.
De bodemkwaliteitskaart kan als grondslag voor een milieuverklaring bodemkwaliteit dienen in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving voor de
kwaliteit van de toe te passen grond en de kwaliteit van de ontvangende bodem. Een partijkeuring is dan niet meer noodzakelijk. Als al een partijkeuring beschikbaar is, dan kan geen gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. In dat geval dienen de uitkomsten van de partijkeuring als bewijsmiddel te worden gebruikt omdat de partijkeuring een directere uitspraak doet over de kwaliteit van de betreffende partij grond of bagger dan de bodemkwaliteitskaart.
In dit lid zijn drie gevallen genoemd waarin de bodemkwaliteitskaart niet als grondslag voor een milieuverklaring bodemkwaliteit kan dienen:
het eerste geval is wanneer de locatie van de ontgraving verdacht is;
het tweede geval is wanneer de grond dieper dan 2 meter onder maaiveld is ontgraven - de bodemkwaliteitskaart doet alleen een uitspraak over grond tot 2 meter onder maaiveld; en
het derde geval is wanneer in de toe te passen grond zintuigelijk verontreiniging wordt aangetroffen. Een uitzondering hierop vormen resten van drainagemateriaal. De aanwezigheid hiervan in de bodem wordt niet als verdacht aangemerkt.
In afwijking van het tweede lid, kan een historische toets of verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat een verdachte locatie toch niet verdacht is. De beoordeling vindt plaats door het bevoegd gezag op basis van het vierde lid. De uitkomst van de beoordeling wordt vastgelegd in een maatwerkvoorschrift.
Dit lid bevat de indieningsvereisten voor de aanvraag van een maatwerkvoorschrift, voor die gevallen waarin een toepasser gebruik wil maken van de uitzondering, genoemd in het derde lid. Voor de historische toets door het bevoegd gezag moeten in ieder geval alle beschikbare bodemonderzoeken voor de locatie worden aangeleverd, en een uitdraai van de bodemrapportage vanaf de website van de provincie Flevoland. Daarnaast moeten gegevens worden aangeleverd over de reden van het verdacht zijn van de locatie, zoals voormalig bedrijfsmatig gebruik van de locatie, puin of de aanwezigheid van bovengrondse of ondergrondse tanks. Voor deze informatieplicht neemt de gemeente een formulier op in het Digitaal Stelsel Omgevingswet.
In het omgevingsplan kan met maatwerkregels afgeweken worden van de algemene regels in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dit is geregeld in artikel 2.12 van het Bal. Daarbij worden de oogmerken van het Bal wel in acht genomen (zie art. 2.12, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving). Die oogmerken staan in artikel 2.2 van het Bal. In dit artikel is gebruik gemaakt van die afwijkmogelijkheid. Er is voor gekozen om slechts een beperkte bijmenging van bodemvreemd materiaal te accepteren. In Flevoland wordt bij onderzoek op onverdachte terreinen nauwelijks tot geen bodemvreemd materiaal aangetroffen. Het doel is om deze kwaliteit te behouden. Om die reden is ervoor gekozen om af te wijken van de gestelde norm in het Bal van twintig gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout. Voor de handhaafbaarheid is gekozen voor een algemene norm van vijf gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout.
Grond in grootschalige toepassingen wordt minder zwaar getoetst aan chemische normen. Vandaar dat ook voor bodemvreemd materiaal de ruimere standaardnorm conform het Bal wordt gehanteerd. Onder wegen wordt de toegepaste grond geen bodem. Er vindt geen vermenging plaats met omliggende grond. Ook voor toepassingen onder wegen blijft de norm uit artikel 4.1271, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing. Onder wegen wordt zowel de locatie van de weg zelf als een deel van de berm aan beide zijden van de weg (bijv. de asfaltrand) gerekend. De grens wordt gevormd door bijvoorbeeld de aanliggende sloot, een aanliggende perceelgrens of de buitenrand van het naastgelegen fietspad. Voor bermen gelegen in de Ecologische Hoofdstructuur geldt dat de natuurdoelen leidend zijn. De ligging van wegen inclusief de begrenzing van de bermen wordt zo snel mogelijk als digitaal werkingsgebied opgenomen in het omgevingsplan.
Voor het projectgebied Flevokust, het Visvijvergebied, geldt een hogere waarde voor het toelaatbare percentage bodemvreemd materiaal in de toe te passen grond, mits de toe te passen grond uit de projectlocatie afkomstig is.
De zichtbare aanwezigheid van asbestverdacht materiaal wordt als zeer bedreigend ervaren. Daarom mag asbestverdacht materiaal niet zichtbaar aanwezig zijn in toe te passen grond.
Op grond van artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving mag grond of baggerspecie alleen worden toegepast als voldaan wordt aan de kwaliteitsklassen voor:
a. de kwaliteitsklasse waarin de ontvangende landbodem volgens artikel 25d, vierde lid,
van het Besluit bodemkwaliteit is ingedeeld; en
b. de bodemfunctieklasse waarin de ontvangende landbodem is ingedeeld.
Artikel 2.12 in combinatie met artikel 4.1273 van het Besluit activiteiten leefomgeving maakt het mogelijk om met een maatwerkregel af te wijken van deze kwaliteitseisen. Deze maatwerkregel is vergelijkbaar met het stellen van lokale maximale waarden dat onder het regime van het Besluit bodemkwaliteit mogelijk was in het kader van het gebiedsspecifieke beleid. In dit artikel zijn locaties aangewezen waar grond of baggerspecie met een kwaliteitsklasse ‘wonen’ mag worden toegepast, hoewel de kwaliteitsklasse waarin de ontvangende bodem is ingedeeld beter is. De kwaliteitsklasse ‘wonen’ betekent dat deze grond schoon genoeg is om toe te passen in woonwijken, ook in tuinen en speelplaatsen. De toe te passen grond moet afkomstig zijn uit het aangewezen bodembeheergebied (lees Flevoland) en zal vrijwel altijd gekeurd zijn, dus is er veel zekerheid over de kwaliteit.
De kwaliteitsklasse ‘wonen’ sluit aan op het bodemgebruik. Daarom is er geen sprake van risico’s. Een risicobeoordeling met de Risicotoolbox is daarom niet noodzakelijk. De afwijkende kwaliteitseisen zijn, voor zover dit leidt tot een verslechtering van de plaatselijke bodemkwaliteit, alleen van toepassing op grond afkomstig uit het aangewezen bodembeheergebied, zodat er sprake is van stand-still op gebiedsniveau. Voor grond afkomstig van buiten het aangewezen bodembeheergebied gelden de generieke toepassingsvoorwaarden van het Bal.
In Flevoland vallen bijna alle kwaliteitszones in de schoonste bodemkwaliteitsklasse. Dit betekent bij de standaard toetsing dat vrijwel alleen schone grond mag worden toegepast. Voor licht verontreinigde grond die incidenteel kan vrijkomen zou dan binnen het beheergebied geen plaats kunnen zijn. Deze overweging heeft ertoe geleid geschikte gebieden te voorzien van soepeler normen, waardoor ruimte ontstaat om deze licht verontreinigde grond nuttig te hergebruiken. Door terughoudend te zijn bij het kiezen van de toepassingsnorm (klasse wonen) wordt voorkomen dat toekomstige ontwikkelingen belemmerd worden. Doordat gebruik wordt gemaakt van een aangewezen bodembeheergebied ter grootte van de hele provincie, kan bij het zoeken van een bestemming voor vrijkomende, licht verontreinigde grond de hele provincie betrokken worden waardoor de kans op succes groter is.
Opgemerkt wordt dat er in veengronden van nature oliegehaltes kunnen voorkomen, soms boven de interventiewaarde. Bij aangetroffen olie valt te onderzoeken of het natuurlijke olie vanuit veen is of door een onnatuurlijke verontreiniging. Onderstaande figuur geeft een indicatie van de kenmerken van veengronden.

GGGGGG
Na sectie ' Vergunningsplicht beperkingengebiedactiviteit ecologie' worden drie secties ingevoegd, luidende:
Verboden is de nieuwvestiging van geitenhouderijen. De term 'geitenhouderij' lijkt op zichzelf voldoende duidelijk en wordt in de verordening niet anders bedoeld dan in het gangbare spraakgebruik. Het toevoegen van een begripsbepaling voor 'geitenhouderij' is nodig om de toepassing van het verbod tot nieuwvestiging (Artikel 17.3, eerste lid, Omgevingsverordening provincie Flevoland) en uitbreiding (Artikel 17.3, tweede lid, Omgevingsverordening provincie Flevoland) toe te snijden op geitenhouderijen van een bepaalde omvang. Voor het bepalen van de ondergrens van deze omvang heeft Flevoland in 2019 aansluiting gezocht bij regelgeving en jurisprudentie. Voor het aantal geiten dat gehouden kan worden, bieden de artikelen 1.18 en 3.111 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals deze gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet, een duidelijke aanwijzing. In die artikelen wordt als ondergrens het houden van 10 geiten genoemd. De ondergrens van 10 geiten wordt bovendien door meerdere provincies gehanteerd bij de geitenstop. Bij deze ondergrens heeft de provincie aansluiting gezocht.
Het op kleine schaal houden van geiten, zoals kinderboerderijen met minder dan 10 geiten, valt niet onder deze begripsbepaling en daarmee dus ook niet onder het verbod tot nieuwvestiging en uitbreiding.
Onder de definitie van geitenhouderij vallen eveneens gemengde veehouderijbedrijven en agrarische bedrijven, waarbinnen het houden van geiten niet de hoofdzaak van de bedrijfsvoering inhoudt. De regeling geldt voor de geitenhouderij als geheel, ongeacht de verschijning in de vorm van grondgebonden, intensief en biologisch. Hieruit volgt dat het (geheel of gedeeltelijk) wijzigen van (gemengde) veehouderijbedrijven en/of agrarische bedrijven met de ontwikkeling van een nieuwe (neven-)tak voor het houden van 10 geiten of meer eveneens verboden is. Een dergelijke ontwikkeling is gelet op de definitie van geitenhouderij op te vatten als nieuwvestiging.
Voor alle duidelijkheid wordt nog opgemerkt dat met 'geiten' de soortnaam wordt bedoeld. Onder de term 'geitenhouderij' valt dus ook de 'bokkenhouderij'.
Bestaande geitenhouderijen gelegen buiten de straal van twee kilometer van de rand van een woonkern mogen uitbreiden, uiteraard mits de uitbreiding voldoet aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (en daarmee juridisch planologisch inpasbaar) en voor de uitbreiding een omgevingsvergunning kan worden verleend.
Om duidelijk te maken hoe ver de geitenstop reikt, is een definitie van bestaande geitenhouderij opgenomen. Deze definitie beschrijft de legaal geldende situatie per de peildatum 2 februari 2019. Hiermee wordt gedoeld op geitenhouderijen die op dat moment enerzijds in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan of met een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan en anderzijds voor alle onderdelen beschikken over de benodigde omgevingsvergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (bouwen, milieu, beperkte milieutoets) dan wel in werking zijn conform een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze legale bestaande geitenhouderijen mogen uitbreiden, uiteraard mits de uitbreiding voldoet aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (en daarmee juridisch planologisch inpasbaar) en voor de uitbreiding een omgevingsvergunning kan worden verleend.
De legaal geldende situatie kan echter afwijken van de feitelijke situatie. De situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen dat er sprake is van een geitenhouderij waarvoor een omgevingsvergunning onderdeel milieu (artikel 2.1, eerste lid onder e en i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) is afgegeven, die niet voldoet aan de planologische situatie. Anderzijds is het mogelijk dat voor een situatie die past binnen het bestemmingsplan mogelijk geen omgevingsvergunning onderdeel milieu is verleend of een melding Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan. Tenslotte kan er ook sprake zijn van strijdigheid ten aanzien van het bestemmingsplan in combinatie met het ontbreken van de benodigde omgevingsvergunning(en). Het moge duidelijk zijn dat deze geitenhouderijen niet vallen onder de definitie van bestaande geitenhouderijen en als gevolg daarvan niet mogen uitbreiden.
De maatregelen die in paragraaf 22.3.7.3 van dit omgevingsplan van de initiatiefnemer van een activiteit op een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico verlangd worden, zijn in het belang van bescherming van de bodem en vragen om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of beperken. In dit artikel is in aanvulling daarop, voor zover er sprake is van een mobiele bodemverontreiniging, bepaald dat als het redelijkerwijs mogelijk is, in samenhang met de activiteit de verontreiniging van de bodem en het grondwater ongedaan gemaakt wordt. Hiermee wordt aangesloten bij paragraaf 3.2 van de Circulaire bodemsanering 2013 die aangeeft dat veelal bij een ontwikkeling alsnog een ernstige verontreiniging waar geen spoedige sanering noodzakelijk is, gesaneerd wordt. Zodoende zorgt dit artikel ervoor dat de maatregelen niet alleen het belang van de bodem dienen, maar ook het watersysteem (waaronder het grondwater). Bovendien is expliciet gemaakt dat de maatregelen niet alleen verdere verontreiniging van de bodem dienen te voorkomen of beperken, maar ook van het grondwater. Het gaat hierbij zowel om verontreiniging van het grondwater vanuit een mobiele bodemverontreiniging, als verdere verontreiniging van het grondwater vanuit een reeds in het grondwater aanwezige verontreiniging.
HHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJ
Na sectie ' Vergunningsplicht beperkingengebiedsactiviteit hoogspanningsleidingen' worden negen secties ingevoegd, luidende:
Op grond van hoofdstuk 14 van de Omgevingsverordening provincie Flevoland zijn gemeenten verplicht om voor het landelijk gebied uitsluitend ontwikkelruimte te voorzien voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot een maximale oppervlakte van 500 hectare netto.
Dit lid geeft uiting aan de mogelijkheid voor de Gedeputeerde Staten om een tweede tranche van 500 hectare netto aan grondgebonden opstellingen voor zonne-energie toe te laten in het landelijk gebied van de provincie Flevoland. Hierbij is een uitzondering gemaakt voor agrarische gronden, welke uitgesloten worden voor plaatsing van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie.
Voor deze maximale ontwikkelruimte komen uitsluitend (bestemmings- en omgevings)plannen in aanmerking, die zijn vastgesteld na inwerkingtreding van de Structuurvisie Zon per 15 november 2018.
Dit artikel dient als uitzondering op het verbod op het realiseren of hebben van een grondgebonden opstelling voor zonne-energie op agrarische gronden op grond van artikel 20.9, tweede lid, sub d., binnen het werkingsgebied uitzonderingsgebieden voor zonne-energie Lelystad.
Er mogen uitsluitend omgevingsvergunningen met een maximale gebruiksduur van 25 jaar worden verleend voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied. Na ommekomst van de maximale geldingsduur van de omgevingsvergunning mag het omgevingsplan op locatie niet langer gebruikt worden voor de (bouw- en) gebruiksmogelijkheden voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie.
Uitzondering hierop betreft de situatie dat na het verwijderen van de 'oude' opstelling een 'nieuwe' opstelling op (nagenoeg) dezelfde plek wordt gerealiseerd. Immers, bij realisatie van een nieuwe opstelling met ook weer een tijdelijke omgevingsvergunning voor een nieuwe periode, wordt weer aan de omgevingsverordening voldaan. Dit maakt het mogelijk dat de alsdan bekende jongste techniek wordt toegepast.
Deze subparagraaf gaat over windmolens zoals gedefinieerd door de Provincie Flevoland. De Omgevingsverordening provincie Flevoland geeft zelf ook een definitie, welke afwijkt van die in dit omgevingsplan in het belang van het eenduidige gebruik van het begrip binnen het omgevingsplan.
Dit lid bepaald dat er specifieke categorieën windmolens zijn waarop deze subparagraaf niet van toepassing. Uitgezonderd zijn de maximaal 12 prototypes van windmolens op de testlocatie in Lelystad (de testlocatie wordt begrensd door de Edelhertweg, Swifterringweg, Runderweg en de A6 en van dit gebied is het beoogde biosciencepark langs de A6 uitgesloten). Ook zijn windmolens op of nabij bedrijventerreinen uitgezonderd. Windmolens op of nabij bedrijventerreinen dienen primair invulling te geven aan de energiebehoefte van het bedrijventerrein. Tevens dient de energieproductie en de maatvoering van de windmolen in verhouding te staan tot de energiebehoefte van het bedrijventerrein en tot het omliggende landschap. Tenslotte zijn ook de zogenaamde 'kleine windmolens' uitgezonderd omdat de impact op het landschap minimaal is.
Dit artikel geeft invulling aan een instructieregel vanuit de Omgevingsverordening provincie Flevoland. Het grondgebied van de provincie is verdeeld in windgebieden en niet-windgebieden. Dit artikel bepaalt dat het uitgesloten is om buiten een windgebied nieuwe windmolens te realiseren of bestaande windmolens op te schalen. De reden voor deze indeling is het feit dat windmolens in de niet-windgebieden ongewenst zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit (landschap, natuur, en andere functies).
In de gebieden die liggen binnen een windgebied, maar buiten een projectgebied, mogen geen nieuwe windmolens worden gerealiseerd en mogen bestaande windmolens niet worden opgeschaald.
Met dit wijzigingsbesluit worden bepalingen toegevoegd aan het Omgevingsplan gemeente Lelystad die nodig zijn voor de bescherming van de bodemkwaliteit en bepalingen op grond van de instructieregels zoals opgenomen in de Omgevingsverordening provincie Flevoland en een uitwerking van het Voorbereidingsbesluit grondwaterkwaliteit Flevoland. De bepalingen met betrekking tot de instructieregels betreffen activiteiten rond historisch verontreinigde grondwaterbronnen, lozingen op of in de bodem, nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen, de plaatsing van zonne-energie opstellingen in landelijk gebied en windmolens.
Regels met betrekking tot bescherming van de bodemkwaliteit van de gemeente dienen sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet opgenomen te worden in het omgevingsplan. Met dit wijzigingsbesluit worden de bepalingen toegevoegd aan het omgevingsplan die nodig zijn voor de bescherming van de bodemkwaliteit en de gezondheid van de gebruiker. De regels die met deze wijziging worden opgenomen in hoofdstuk 9 van het Omgevingsplan gemeente Lelystad vinden hun oorsprong in de Nota bodembeheer van Lelystad, het Voorbereidingsbesluit bodem gemeente Lelystad en hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan gemeente Lelystad (paragraaf 22.3.7), ook wel de Bruidsschat genoemd.
De bepalingen hebben betrekking op:
het graven in de landbodem;
het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie;
het uitvoeren van activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico;
het starten of wijzigen zeer bodemgevoelig gebruik;
het saneren van de bodem;
het toepassen of verwijderen van bouwstoffen; en
het toepassen van grond of baggerspecie.
De Provincie Flevoland heeft op grond van de Omgevingswet verschillende instrumenten waarmee het de inhoud van gemeentelijke omgevingsplannen kan sturen of wijzigen. Via de Provinciale omgevingsverordening kan de Provincie instructieregels stellen om richtlijnen te geven aan gemeenten bij het ontwikkelen van het omgevingsplan. Daarnaast kan de Provincie een voorbereidingsbesluit nemen, welke het omgevingsplan direct wijzigt. Door gebruik van deze instrumenten geeft de Provincie sturing aan gemeenten in het kader van de provinciale belangen en de samenhang tussen gemeentelijk en provinciaal beleid.
Een instructieregel is een bindende richtlijn die door een hoger bestuursorgaan, zoals een provincie of het Rijk, wordt opgesteld en die lagere bestuursorganen, zoals gemeenten, in acht moeten nemen bij de uitvoering van hun taken en bevoegdheden. Deze regels zijn erop gericht om consistentie, kwaliteit en duurzaamheid te waarborgen in de ruimtelijke inrichting en het gebruik van de leefomgeving.
Voor gemeenten betekent dit dat zij hun omgevingsplannen moeten afstemmen op deze hogere richtlijnen om te voldoen aan nationale en provinciale beleidsdoelstellingen. Instructieregels kunnen betrekking hebben op diverse aspecten van het omgevingsplan, zoals de inhoudelijke eisen, de toelichtingen en de motiveringen van de vastgestelde wijzigingen. Een belangrijke component van deze regels is dat zij gericht zijn op het waarborgen van de integratie van nationale en provinciale beleidsdoelstellingen in de lokale plannen. Hiermee wordt beoogd dat het gemeentelijke plan bijdraagt aan bredere maatschappelijke doelen, zoals klimaatadaptatie, duurzame stedelijke ontwikkeling en de bescherming van cultureel erfgoed.
Het voorbereidingsbesluit als instrument kan worden ingezet door verschillende bestuursorganen, waaronder de gemeenteraad op grond van artikel 4.14 van de Omgevingswet om voorbeschermingsregels op te nemen in het omgevingsplan. Hiermee kan worden voorkomen dat de situatie voor een voorgenomen wijziging van het omgevingsplan zodanig verslechtert dat een nieuwe ontwikkeling bemoeilijkt wordt.
Een hoger bestuursorgaan, zoals een provincie of het Rijk, heeft de mogelijkheid om met een voorbereidingsbesluit bindende regels op te leggen die van invloed zijn op het omgevingsplan van een gemeente. Dit besluit, zoals weergegeven in artikel 4.16 van de Omgevingswet, kan zich richten op het tijdelijk toevoegen van voorbeschermingsregels aan het omgevingsplan, in afwachting van de uiteindelijke instructieregels of instructies. Het voorbereidingsbesluit heeft als doel om tijdig in te grijpen wanneer provinciale of nationale belangen in het geding zijn. Door dit besluit kunnen voorbeschermingsregels worden ingesteld die activiteiten, welke door het omgevingsplan zijn toegelaten, beperken of verbieden. Dit is cruciaal om ongewenste ontwikkelingen te voorkomen terwijl de definitieve instructieregels nog in voorbereiding zijn.
Wanneer een voorbereidingsbesluit genomen is door een provincie of het Rijk, kan het gemeentebestuur geen nieuwe regels in het omgevingsplan vaststellen die in strijd zijn met de voorbeschermingsregels van het besluit. Hierdoor is de gemeente gebonden aan de opgelegde beperkingen en moet zij haar plannen afstemmen op de hogere richtlijnen.
Artikel 4.14, lid 3 van de Omgevingswet legt soorten voorbeschermingsregels vast. Dit houdt onder meer in dat sommige activiteiten verboden zijn zonder melding of vergunning, dat het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan opleggen, dat bestuursorganen advies geven over aanvragen, en dat regels uit het omgevingsplan of de omgevingsverordening niet gelden als ze botsen met deze beschermingsregels.
Deze voorbeschermingsregels kunnen slechts beperkingen opleggen aan activiteiten die nog niet gestart zijn en geen nieuwe activiteiten mogelijk maken. Bestaande activiteiten, zoals bestaand gebruik en bestaande bouwwerken, moeten worden gerespecteerd. Het voorbereidingsbesluit biedt een balans tussen het beschermen van nationale en provinciale belangen en het respecteren van bestaande lokale activiteiten.
Deze wijziging ziet op de verwerking van instructieregels vanuit de Omgevingsverordening provincie Flevoland en het Voorbereidingsbesluit grondwaterkwaliteit Flevoland in het Omgevingsplan gemeente Lelystad. De gemeente heeft zich bij het opstellen van het omgevingsplan te houden aan de instructieregels van hogere overheden, waarmee de beleidsvrijheid van de gemeente beperkt wordt naar mate van de strekking van de instructieregels. Instructieregels kunnen eisen stellen aan de motivering van wijzigingsbesluiten of eisen dat bepaalde regels worden opgenomen in het omgevingsplan. Deze wijziging ziet op de juridische verankering van de tweede categorie. Bij het vaststellen van de instructieregels heeft de Provinciale Staten van Provincie Flevoland al gemotiveerd dat deze regels noodzakelijk zijn op grond van de doelen van de Omgevingswet. Desalniettemin wordt hieronder voor deze wijziging per onderwerp gemotiveerd waarom hier regels voor worden gesteld.
In deze wijziging worden er regels opgenomen in het omgevingsplan ten aanzien van de volgende onderwerpen
Deze regels vullen het omgevingsplan aan voor bouwen op bodemgevoelige locaties. De bestaande regels gelden alleen bij gebouwen waar mensen meer dan twee uur per dag aanwezig zijn. Om grondwater te beschermen, vereist de provincie sanering bij alle nieuwe gebouwen, zelfs zonder verblijfsfunctie, om historische verontreiniging aan te pakken.
Deze regels voorkomen bodemverontreiniging en beschermen tevens het grondwater. Met deze toevoeging wordt paragraaf 22.3.7.3 van het omgevingsplan aangevuld. Paragraaf 22.3.7.3 voorkomt bodemverontreiniging, volgens paragraaf 3.2 van de Circulaire bodemsanering 2013.
De provincie acht het van belang om historische grondwaterverontreinigingen aan te pakken en vervuiling te voorkomen. Dit onderdeel beschermt bodem en watersysteem, inclusief grondwater, tegen vervuiling. Dit omvat zowel mobiele bodemverontreiniging als bestaande vervuiling in het grondwater.
De regels voor het lozen op of in de bodem zijn erop gericht om het grondwater te beschermen tegen verontreiniging door activiteiten die afvalwater genereren. Deze regels zijn vastgelegd in verschillende besluiten en voorschriften die onder andere de afvalwaterlozingen bij bodem- en grondwatersaneringen regelen.
Er worden eisen gesteld aan de kwaliteit van grondwater dat wordt geloosd bij aan sanering voorafgaand bodemonderzoek of saneringen. Dit houdt in dat grondwater afkomstig van bodems met een kwaliteit boven de interventiewaarde zorgvuldig moet worden behandeld om verontreiniging te voorkomen. De emissiegrenswaarden geven aan wanneer er gevaar is voor verontreiniging van het grondwater.
Het rechtstreeks lozen van verontreinigende stoffen in het grondwater is verboden, zoals vereist door de Kaderrichtlijn Water. Dit geldt voor zowel het lozen van verontreinigende stoffen afkomstig van specifieke activiteiten, als voor activiteiten die in het omgevingsplan zijn aangewezen.
Daarnaast bestaat de mogelijkheid om via maatwerkvoorschriften toch bepaalde lozingen toe te staan, mits deze niet de milieudoelstellingen voor het grondwaterlichaam bedreigen. Hierbij moet rekening worden gehouden met specifieke voorwaarden zoals beschreven in de richtlijnen.
Ten slotte worden er regels gesteld voor het lozen van brijnwater, waarbij onder voorwaarden afgeweken kan worden van het verbod op rechtstreeks lozen in het grondwater. Dit kan bijvoorbeeld toegestaan zijn om technische redenen, zoals beschreven in de richtlijnen.
De reden voor het stellen van deze regels is om de (mogelijke) gezondheidsrisico's voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken. Onderzoeken en adviezen van het RIVM en GGD's hebben aangetoond dat er verhoogde risico's zijn voor mensen die binnen een straal van twee kilometer van een geitenhouderij wonen.
Daarom moeten gemeenten ervoor zorgen dat er geen nieuwe geitenhouderijen worden gevestigd en dat bestaande geitenhouderijen niet worden uitgebreid binnen deze zone. Als tijdelijke maatregel gelden er regels die tot 1 januari 2032 van kracht zijn om de gezondheid van de inwoners te beschermen. In de tussentijd wordt verder onderzoek gedaan om de precieze oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking vast te stellen.
Het doel van deze regels is om een veilige leefomgeving te waarborgen voor alle inwoners door de blootstelling aan mogelijke gezondheidsrisico's te minimaliseren.
De reden voor deze regels is om duidelijke richtlijnen te geven aan gemeenten over het mogelijk maken van ontwikkelingen voor zonne-energie in landelijk gebied.
Het uitgangspunt is een maximale ontwikkelruimte van 500 hectare netto, waarin de gemeente ruimte kan bieden voor grondgebonden zonne-energieopstellingen. Deze ontwikkelplannen moeten zijn vastgesteld na de inwerkingtreding van de Structuurvisie Zon op 15 november 2018.
Daarnaast is er een verbod op het realiseren en in stand houden van zonne-energie op agrarische gronden in landelijke gebieden, behalve in aangewezen uitzonderingsgebieden. De gemeente moet ervoor zorgen dat het omgevingsplan geen zonne-energie op agrarische gronden toestaat, tenzij deze gronden zijn aangewezen als uitzonderingsgebieden.
Het doel van deze regels is om enerzijds de ontwikkeling van zonne-energie op geschikte landelijke gronden te faciliteren en anderzijds landbouwgronden te beschermen tegen ongewenste zonne-energieopstellingen. Hierdoor worden agrarische gronden verdeeld in gebieden waar zonne-energie wel en niet is toegestaan, afhankelijk van de aanwijzingen door Provincie.
De regels voor windmolens in de provincie zijn opgesteld om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen, zoals het landschap, de natuur en andere functies. Windmolens worden als ongewenst beschouwd in niet-windgebieden vanwege de impact op de openheid en het kenmerkende landschap.
Samenvattend verbieden de regels de bouw van nieuwe windmolens en het opschalen van bestaande windmolens buiten de aangewezen windgebieden. Binnen de windgebieden mogen nieuwe windmolens alleen worden geplaatst in specifieke zones binnen projectgebieden, op basis van een goedgekeurd projectplan. Bestaande windmolens in deze projectgebieden moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd. Buiten de projectgebieden in windgebieden zijn nieuwe windmolens en het opschalen van bestaande windmolens niet toegestaan.
Het doel van deze regels is om een evenwicht te vinden tussen de ontwikkeling van windenergie en het behoud van de ruimtelijke kwaliteit en het landschap van de provincie. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat windmolens op een verantwoorde manier worden geïntegreerd en dat ongewenste ontwikkelingen worden voorkomen.
Op grond van artikel 2.2 van de Omgevingswet dienen bestuursorganen bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden rekening te houden met de verantwoordelijkheden van andere bestuursorganen. Op basis van dit artikel wordt een voorgenomen wijziging van het Omgevingsplan van de gemeente Lelystad als concept voorgelegd aan andere bestuursorganen, waaronder de provincie en het waterschap. Hiermee krijgen deze organen de mogelijkheid om te reageren op de voorgestelde wijziging, waarna indien nodig aanvullend overleg plaatsvindt.
De ontvangen reacties op het concept worden vastgelegd in een verslag, dat als bijlage bij de wijziging van het Omgevingsplan wordt gevoegd. In dit verslag wordt tevens aangegeven of, en op welke wijze, de wijziging is aangepast naar aanleiding van de ingebrachte input. Zie bijlage 'Reactienota art. 2.2 overleg Opw Bodem en Instructies'.
De voorgenomen wijziging van het Omgevingsplan gemeente Lelystad ziet voornamelijk op de omzetting van bestaand bodembeleid naar de systematiek van de Omgevingswet en de juridische verankering van de instructieregels vanuit de Omgevingsverordening provincie Flevoland.
Gelet op de verplichting om instructieregels op te volgen en het belang van het goed regelen van de bescherming van de bodemkwaliteit, zal er voor deze wijziging geen aanvullende bijeenkomsten of andere activiteiten georganiseerd worden in het kader van participatie. De participatie zal daarmee volgens de gebruikelijke procedure verlopen, waarbij eenieder een zienswijze kan indienen tegen een ter inzage gelegd ontwerpbesluit.
De terinzagelegging wordt bekendgemaakt via een kennisgeving, waarin de termijn van terinzagelegging en een samenvatting van de inhoud van de wijziging worden opgenomen. Eventueel ingediende zienswijze(n) worden voorzien van een reactie en bij vaststelling wordt aangegeven of en op welke wijze de wijziging van het omgevingsplan is aangepast naar aanleiding van de ingediende zienswijze(n).
De bij dit ontwerp behorende stukken worden ter inzage gelegd door middel van publicatie op de gemeentelijke website. Via de volgende link kunt u de webpagina van de gemeentelijke website openen, waar de bijbehorende stukken worden geplaatst: http://www.lelystad.nl/publicaties-omgevingsplan. Deze documenten blijven in ieder geval beschikbaar tot het einde van de inzageperiode van het ontwerp.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-272058.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.