Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen

Het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft op 10 juni het ontwerp Omgevingsprogramma Groen vastgesteld en vrij te geven voor inspraak en het participatieverslag vast te stellen.

gelezen de tekstinhoud van ”Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen” d.d. 10‑06‑2025

Overwegende dat: 

Besluit; 

Artikel I

"Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen" opgenomen in Bijlage A wordt vastgesteld.

Artikel II

Besloten:

1. het ontwerp Omgevingsprogramma Groen in en om de Kernen vast te stellen;

2. het ontwerp Omgevingsprogramma Groen in en om de Kernen vrij te geven voor inspraak;

3. het participatieverslag Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen 2023-2025 vast te stellen;

Aldus vastgesteld door Gemeente Pijnacker-Nootdorp, 10‑06‑2025

Diegenen die mogen ondertekenen

Niet getekend proef-exemplaar

Bijlage A Bijlage bij artikel I

Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen

1 Inleiding

1.1 Inleiding

Pijnacker-Nootdorp onderscheidt zich door groene woonwijken en prachtige natuur- en recreatiegebieden, die het karakter van de gemeente versterken. De ambities voor dit groen zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050. Het Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen is hieruit voorgekomen. Dit programma vormt de basis voor een gezamenlijke aanpak om de komende jaren te bouwen aan een gezonde, groene en toekomstbestendige gemeente.

Een groene leefomgeving biedt tal van voordelen die zowel mens als natuur ten goede komen. Groen heeft een bewezen positieve impact op gezondheid en welzijn, doordat het ontspanning en beweging stimuleert, stress vermindert en zelfs de slaap en weerstand bevordert. Groen nodigt uit tot recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, spelen en sporten, wat goed is voor de fysieke en mentale gezondheid. Voor kinderen draagt groen bij aan hun ontwikkeling en motoriek, terwijl het tegelijkertijd mensen verbindt en eenzaamheid vermindert. 

Naast deze sociale aspecten speelt groen ook een cruciale rol in het behoud van biodiversiteit. Kwalitatief hoogwaardige groene gebieden bieden een thuis voor diverse dieren en planten, versterken ecosystemen en verminderen de kwetsbaarheid voor ziektes en plagen. Ook voor het klimaat is groen onmisbaar. Het helpt bij het omgaan met extreem weer, zoals zware regenval, droogte en hitte. Bomen spelen een sleutelrol in luchtzuivering, CO₂-opslag en verkoeling. Water en groen zorgen voor schaduw en koelte en dragen bij aan de mentale en fysieke gezondheid. De aanwezigheid van diverse typen groen en de bijbehorende biodiversiteit kan mensen bewust maken van het belang van groen en versterkt de verbinding met de natuur.

Samenvattend is een groene omgeving niet alleen essentieel voor ons welzijn, maar ook voor natuurbehoud, biodiversiteit, klimaatbestendigheid en sociale verbinding. Bovendien draagt groen bij aan een aantrekkelijke leefomgeving, wat de aantrekkingskracht van onze gemeente verhoogt.

1.2 Aanleiding en doel

Groen is een unieke en onderscheidende kwaliteit van onze gemeente. In en rondom de kernen vormt het een samenhangend netwerk van groene gebieden. De ambities uit de Omgevingsvisie krijgen in het Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen een concrete uitwerking. Met heldere doelen, leidende principes, gerichte maatregelen en activiteiten zetten we ons in om het waardevolle groen in Pijnacker-Nootdorp te behouden, te versterken en uit te breiden.

Pilot Omgevingswet

Het Omgevingsprogramma is één van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. Hierin kunnen overheden beleid en maatregelen opstellen om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te realiseren. Het Omgevingsprogramma is een beleidskader en werkt de Omgevingsvisie uit in tactisch en uitvoerend beleid en in maatregelen. Verder leveren de Omgevingsprogramma’s input voor het Omgevingsplan. Het Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen is een pilot bij de implementatie van de Omgevingswet in Pijnacker-Nootdorp. Hiermee doen we ervaring op met dit nieuwe instrument.  De pilot wordt na vaststelling geëvalueerd

1.3 Scope

Het Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen is een thematisch omgevingsprogramma voor het gehele groene buitengebied en voor de groene openbare ruimte binnen de bebouwde kom en de glastuinbouwgebieden. Het richt zich op de inrichting van dit groen én het gebruik hiervan. Het programma kijkt tien jaar vooruit en bevat beleid voor de volgende onderwerpen:

  • Hoofdgroenstructuur en landschap

    • Dit thema gaat over de groene hoofdstructuur binnen en buiten de bebouwde kom, bescherming landschap en verbrede landbouw (veehouderij).

  • Bomen

    • Dit thema gaat over de waarde van bomen in de openbare ruimte (zowel kwaliteit als kwantiteit), inclusief het kapbeleid.

  • Biodiversiteit

    • Dit thema gaat over natuur en ecologische verbindingen in de hoofdgroenstructuur, natuur inclusief bouwen en ecologisch beheer. 

  • Recreatie, spelen en bewegen

    • Dit thema gaat over het recreatieve gebruik van de groengebieden, de recreatieve voorzieningen en het netwerk aan paden buiten de kernen en over speel- en ontmoetingsplekken in het groen binnen de kernen. 

  • Dierenwelzijn 

    •  Dit thema gaat over het welzijn van huisdieren en van dieren in het wild, over de opvang van zieke en gewonde dieren, over hondenbeleid en over faunabeheer. 



Het Omgevingsprogramma vervangt de beleidsnota’s Natuur op de Kaart (2017), het Ruiterpadenplan (2020) en de Nota Dierenwelzijn (2016). Ook vervangt het de beleidsmatige onderdelen uit het Beheerplan Openbaar Groen 2023-2026, het Beheerplan Spelen 2023-2026 en het Gemeentelijk Ganzenbeheerplan (2024).

Relatie met andere omgevingsprogramma’s en beleidsnota’s

De thema’s in het Omgevingsprogramma Groen hebben soms raakvlakken met andere omgevingsprogramma’s en beleidsnota’s. Hieronder staan relevante onderwerpen uit andere bestaande of geplande omgevingsprogramma’s en beleidsnota’s.  

  • Het beleid voor klimaatadaptie wordt uitgewerkt in het Omgevingsprogramma Klimaat Bestendige Gemeente. 

  • Het beleid voor de ontwikkelingen binnen de lintbebouwing in het buitengebied wordt uitgewerkt in het Omgevingsprogramma Ruimtelijke Kwaliteit;

  • De toegankelijkheid van de openbare ruimte wordt uitgewerkt in het Omgevingsprogramma Duurzame Mobiliteit;

  • De Lokale Inclusie agenda onderzoekt wat nodig is voor een voldoende multifunctioneel ingerichte en goed toegankelijke openbare ruimte;

  • Het gemeentelijk beleid voor gezondheid is vastgelegd in de Nota Gezondheidsbeleid Pijnacker-Nootdorp 2025-2028. In deze nota staat dat we werken aan een omgeving die uitnodigt tot bewegen, groen, ontmoeten en meedoen voor iedereen (doel 6b).

Tegelijk houden we rekening met andere belangen die raken aan groen, zoals de energietransitie. In lijn met de Omgevingswet kiezen we voor een samenhangende aanpak van de fysieke leefomgeving. 

1.4 Leeswijzer

In Hoofdstuk 2: de ambities voor groen in en om de kernen worden de ambities en doelen uit de Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050 uitgewerkt tot concrete doelen voor de bovengenoemde thema’s. Vervolgens zijn in hoofdstukken 3 tot en met 7 deze doelen vertaald in leidende principes. Per hoofdstuk lichten we een thema toe en gaan we dieper in op de leidende principes, normen en een aanzet voor maatregelen. De leidende principes en ambities van alle hoofdstukken komen samen in Hoofdstuk 8. Groenvisiekaart in de vorm van de groenvisiekaart. Tot slot beschrijven we in Hoofdstuk 9. Uitvoeringsstrategie hoe we de leidende principes borgen in de uitvoering. Als bijlage is Bijlage 1- Uitvoeringsprogramma toegevoegd. In dit uitvoeringsprogramma staan maatregelen, activiteiten en projecten met een looptijd van vier jaar.

1.5 Toelichting proces en participatie

In 2025 vindt een formele inspraakperiode plaats. In een periode van zes weken kan iedereen een mening geven en een officiële reactie sturen. Dit is een extra kans om mee te denken en te zorgen dat het programma goed aansluit bij wat inwoners en andere partijen belangrijk vinden. De uitgebreide verslaglegging van de participatie staat in het participatieverslag, dat te vinden is op het participatieplatform via deze link

 

Participatiemomenten
afbeelding binnen de regeling
Participatiemomenten
afbeelding binnen de regeling

2 De ambities voor groen in en om de kernen

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk werken we de ambities van de Omgevingsvisie uit tot doelen voor groen. Om deze doelen te bereiken, nemen we in volgende hoofdstukken leidende principes en maatregelen op. 

2.2 Ambities voor groen in de omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050

Onze ambitie is dat onze bewoners kunnen leven, wonen, werken en opgroeien in een groene en gezonde leefomgeving én leven mét de natuur. Een gemeente waar we ook in de toekomst prettig kunnen wonen, werken, recreëren en ontmoeten. Een groene gemeente die we met elkaar maken: gemeente, inwoners, corporaties, instituten, organisaties en bedrijven. We creëren niet alleen meer groen, maar zorgen ook voor een betere kwaliteit. In de Omgevingsvisie staan onder de ontwikkelingslijn ‘onderscheidend groen’ vier ambities om onze onderscheidende groene kwaliteiten te versterken: 

 

  • a.

    Een aantrekkelijk groen landschap

  • b.

    Een aantrekkelijk, groen (openbare) ruimte

  • c.

    Een beweegvriendelijke groene ruimte

  • d.

    Een gezond ecosysteem met een hoge biodiversiteit

2.3 De ambities van de Omgevingsvisie uitgewerkt voor doelen voor groen

Met het Omgevingsprogramma Groen stellen we de volgende doelen centraal: 

  • Behouden en versterken van een samenhangende hoofdgroenstructuur met ecologische en recreatieve waarde

    Een robuuste hoofdgroenstructuur is essentieel om de natuurwaarden te beschermen. Ook is deze structuur belangrijk voor het omgaan met de gevolgen van klimaatverandering. Met de hoofdgroenstructuur zorgen we voor voldoende groen voor onze inwoners. Groen heeft allerlei voordelen voor de fysieke en mentale gezondheid. In de hoofdgroenstructuur is ruimte voor recreatie en spelen, maar wel in balans met natuur- en landschapswaarden. (Zie Hoofdstuk 3: Hoofdgroenstructuur en landschap voor uitwerking van de hoofdgroenstructuur. Zie Hoofdstuk 4. Bomen, Hoofdstuk 5. Biodiversiteit en Hoofdstuk 6. Recreatie, spelen en bewegen voor de uitwerking van de ecologische en recreatieve waarde van de hoofdgroenstructuur.)

  • Behouden en beschermen van het waardevolle open landschap

    In een deel van de gemeente is nog een waardevol, authentiek open weidelandschap aanwezig. Dit draagt bij aan de identiteit van de gemeente. Dit landschap is ook waardevol voor het behouden van weidevogels in de gemeente. (Zie Hoofdstuk 3: Hoofdgroenstructuur en landschap voor uitwerking).

  • Behouden van een toekomstperspectief voor veeteeltbedrijven in het agrarische gebied voor voedselzekerheid en landschapsbeheer

    Het open weidelandschap wordt grotendeels beheerd en gebruikt door veeteeltbedrijven.  Deze bedrijven zijn belangrijk voor voedselzekerheid, en dragen bij aan natuur- en landschapswaarden. Het is hiervoor van belang dat deze bedrijven een toekomstperspectief blijven houden. (Zie Hoofdstuk 3: Hoofdgroenstructuur en landschap voor uitwerking)

  • Een natuur inclusieve gemeente met een robuuste en versterkte biodiversiteit

    De gemeente streeft naar een natuurinclusieve leefomgeving met ruimte voor kwalitatief groen en biodiversiteit. Door de ecologische verbindingen te versterken en inheemse beplanting te bevorderen, ontstaat een robuust ecosysteem waarin flora en fauna zich duurzaam kunnen ontwikkelen. Dit draagt bij aan een gezonde woonomgeving waarin natuur en mens samenleven. (Zie Hoofdstuk 5. Biodiversiteit voor uitwerking)

  • Verbeteren en uitbreiden van biotopen en ecologische verbindingen

    Door het versterken en uitbreiden van biotopen en de ecologische verbindingen kunnen flora en fauna zich beter verspreiden. Door natuurlijke leefgebieden te vergroten en versnippering tegen te gaan, verbetert de biodiversiteit en ecologische samenhang. Dit draagt bij aan een veerkrachtig ecosysteem waarin planten en dieren optimaal kunnen gedijen. (Zie Hoofdstuk 5. Biodiversiteit voor uitwerking)

  • Behouden en vergroten van een duurzaam bomenbestand en de daarmee samenhangende ecosysteemdiensten

    Bomen spelen een cruciale rol in het versterken van biodiversiteit en het verbeteren van de leefomgeving. Door de juiste boom op de juiste plek te planten, dragen bomen optimaal bij aan ecosysteemdiensten. Ze bieden schaduw, verminderen hittestress en ondersteunen de verspreiding van flora en fauna, waardoor natuurlijke processen in balans blijven. Zo draagt een duurzaam bomenbestand bij aan een veerkrachtig en gezond ecosysteem dat mens en dier ten goede komt. (Zie Hoofdstuk 4. Bomen voor uitwerking)

  • Zorgen voor een beweegvriendelijke openbare ruimte

    Het groen in en om de kernen biedt ruimte voor recreatie, spelen en bewegen. Voldoende beweging draagt bij aan onze fysieke en geestelijke gezondheid. We faciliteren onze inwoners om te bewegen en elkaar te ontmoeten. We willen het recreatieve gebruik van ons groen buiten de kernen bevorderen en de toenemende behoefte faciliteren met een fijnmazig routenetwerk en recreatieve voorzieningen. Binnen de kernen zorgen we voor voldoende en veilige speelterreinen. Daarnaast zorgen we voor andere aanleidingen die het bewegen en ontmoeten in de eigen woonomgeving mogelijk maken. (Zie Hoofdstuk 6. Recreatie, spelen en bewegen voor uitwerking)

  • Bevorderen en ondersteunen van het welzijn van huisdieren en dieren in het wild 

    Alle dieren, zowel huisdieren als in het wild levende dieren, verdienen onze zorg en aandacht. Dierenwelzijn betekent dat dieren geen honger, dorst of pijn lijden, beschermd worden tegen stress en ziektes en hun natuurlijke gedrag kunnen vertonen. De Wettelijk bescherming van dierenwelzijn is uitgangspunt. We informeren onze inwoners over het belang van dierenwelzijn en ondersteunen maatschappelijke partners. (Zie Hoofdstuk 7. Dierenwelzijn voor uitwerking)

2.4 Leidende principes

Om de doelen voor groen uit dit programma te realiseren, hanteren we drie leidende principes die richting geven aan ons handelen. Deze principes zijn bedoeld als houvast voor de gemeente, maar ook voor inwoners, bedrijven, maatschappelijke partners en initiatiefnemers die bijdragen aan een groene en gezonde leefomgeving:

  • Waarderen – behouden wat waardevol is

    We koesteren het bestaande groen dat al bijdraagt aan biodiversiteit, gezondheid, recreatie en klimaatadaptatie. Dit betekent voortzetten van bestaand beleid en zorgvuldig beheer van waardevolle gebieden, bomen en structuren. Inwoners, initiatiefnemers en organisaties worden uitgenodigd om bewust om te gaan met wat er al is.

  • Verbeteren – versterken wat beter kan

    We verbeteren waar nodig de kwaliteit van groen, het beleid en het gebruik ervan. Daarbij benutten we ervaringen uit de praktijk en passen we uitgangspunten aan. Ook maken we het voor initiatiefnemers makkelijker om bij te dragen aan natuurvriendelijke oplossingen, biodiversiteit of een beweegvriendelijke leefomgeving.

  • Uitbreiden – toevoegen waar dat mogelijk is

    We breiden het groen uit, daar waar kansen liggen: nieuwe verbindingen, meer variatie in groen, nieuwe bomen, ruimte voor dieren en mensen. We nodigen bewoners, ondernemers en andere partijen uit om mee te doen aan het vergroenen van de leefomgeving. Daarbij stimuleren we initiatieven die bijdragen aan de ambities van dit programma.

Deze drie principes – waarderen, verbeteren en uitbreiden – vormen samen het kader voor acties, maatregelen en samenwerking. Zo bouwen we stap voor stap aan een veerkrachtig, aantrekkelijk en gezond Pijnacker-Nootdorp.

3 Hoofdgroenstructuur en landschap

3.1 Inleiding

Een sterke en samenhangende groenstructuur is essentieel om voldoende groen in de gemeente te behouden. De hoofdgroenstructuur vervult hierin een sleutelrol: deze beschermt natuurwaarden en verbindt leefgebieden van planten en dieren. In de kernen maakt deze structuur deel uit van de groene openbare ruimte waar ecologische verbindingen samenkomen met ruimte om te bewegen en te spelen. In het buitengebied beschermen we het groen met een groene contour. Binnen deze contour ligt een gevarieerd en aantrekkelijk landschap, waaronder een karakteristiek open weidelandschap. Deze kwaliteit van openheid willen we behouden en beschermen. Het landschap vervult meerdere functies: natuur, recreatie en landbouw. Veeteeltbedrijven zijn hierbij belangrijk. Zij dragen bij aan het behoud van het waardevolle open weidelandschap. We willen eraan bijdragen dat deze bedrijven ook in de toekomst kunnen blijven bestaan.

3.2 Trends en uitdagingen

Groene trends in woon- en werkgebieden

Groen draagt bij aan zowel de fysieke als mentale gezondheid van onze inwoners. Groene ruimtes worden steeds vaker ingericht om steden en dorpen weerbaarder te maken tegen klimaatverandering. Veel gemeenten zetten in op het vergroenen van versteende buurten om hittestress te verminderen en wateroverlast tegen te gaan. In het gemeentelijk Programma Water en Klimaat 2021-2024 is hiervoor beleid opgenomen.

Groene trends in het landelijke gebied

Het besef groeit dat het landelijk gebied een cruciale rol vervult bij het aanpakken van actuele maatschappelijke vraagstukken. Dit betreft niet alleen klimaatverandering, maar ook uitdagingen zoals stikstofreductie, de circulaire economie en voedselzekerheid. Het buitengebied van de gemeente bestaat voornamelijk uit polders en droogmakerijen, met een ondergrond van voornamelijk veen en klei. Vooral veengebieden zijn kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Dit uit zich in veenoxidatie, bodemdaling, verzuring en een verslechtering van de bodem- en oppervlaktewaterkwaliteit. De aandacht voor het behoud van landschaps- en natuurwaarden in het landelijk gebied neemt toe.

In het landelijk gebied is een duidelijke trend van versnippering en verrommeling waarneembaar. Wanneer de agrarische sector als beheerder wegvalt, kan dit leiden tot het verwaarlozen van boerenerven en (weide)gronden. Dit kan resulteren in diverse nieuwe gebruiksvormen en initiatieven die vaak niet passen bij het karakteristieke landschap.

De vraag naar toegankelijke en aantrekkelijke groene recreatiegebieden neemt toe. Stadsparken, wandelpaden en fietsroutes spelen een steeds belangrijkere rol in het behoud van de leefbaarheid binnen de dichtbevolkte Randstad. Ook in Pijnacker-Nootdorp en de directe omgeving zijn de afgelopen tien jaar veel woningen en bedrijven gerealiseerd. Hierdoor is de recreatiedruk in deze gebieden aanzienlijk toegenomen, wat het behoud en de ontwikkeling van groengebieden in deze regio des te belangrijker maakt.

3.3 Huidige situatie

3.3.1 Hoofdgroenstructuur

De gemeentelijke hoofdgroenstructuur bestaat uit de groene contour van het buitengebied en uit de hoofdgroenstructuur in de woonwijken, de bedrijventerreinen en de glastuinbouwgebieden. Kaart 1 toont de bestaande hoofdgroenstructuur.

afbeelding binnen de regeling
Kaart 1: Groene contour en hoofdgroenstructuur

Groene contour buitengebied

De groene contour van Pijnacker-Nootdorp omvat natuur-, recreatie- en agrarische gebieden buiten de kernen. De cultuur- en natuurhistorische kenmerken zijn hier goed bewaard gebleven.  De contour vormt een essentiële groene buffer tussen de kernen en omliggende steden. Binnen de contour staat het behoud van natuur en landschap centraal met daarbij ruimte voor extensieve recreatie en kleinschalige voorzieningen. De drie hoofdgebieden – Buytenhout, het Oude Leedegebied en de Groenzoom — zijn onderdeel van een groter regionaal groen netwerk en bieden zowel ecologische als recreatieve waarde. De linten op de kaart vallen buiten de groene contour. De ambities en beleidsuitgangspunten voor de kwalitatieve ontwikkeling van de bebouwing in de linten worden uitgewerkt in het Omgevingsprogramma Ruimtelijke Kwaliteit.

Hoofdgroenstructuur kernen

De hoofdgroenstructuur omvat de belangrijkste en grootste groene gebieden en verbindingen binnen de wijken, bedrijventerreinen en glastuinbouwgebieden. Dit betreft vaak openbaar groen langs hoofdwegen, watergangen en in parken. Het groen vervult een functie die wijken overstijgt en speelt een cruciale rol bij het creëren van een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving voor mens en dier. Daarnaast draagt de hoofdgroenstructuur bij aan het versterken van de biodiversiteit.

Door groengebieden met elkaar te verbinden, kunnen flora en fauna zich beter verspreiden en de ecologische samenhang versterken. Daarnaast biedt zij bewoners en bezoekers diverse recreatie- en ontspanningsmogelijkheden, variërend van wandelroutes tot speelplekken, en bevordert zij aan sociale cohesie door ontmoetingsplaatsen te faciliteren. Ook buiten de hoofdgroenstructuur is groen aanwezig in de directe leefomgeving, wat bijdraagt aan de leefbaarheid van de buurt. Dit betreft zowel openbaar groen in de straat als privégroen, zoals tuinen.

3.3.2 De (boven)regionale groenstructuur

Het groen in ons buitengebied maakt deel uit van de regionale groenstructuur (figuur 2). Binnen de groene contour van Pijnacker-Nootdorp liggen Regiopark Buytenhout en Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland. Door de groei van steden en de toenemende bevolking stijgt de vraag naar groen en ontspanningsplekken. De groengebieden in Pijnacker-Nootdorp spelen een belangrijke verbindende rol binnen de regio. De groene contour vormt daarbij de enige ecologische verbinding tussen Midden-Delfland en het Groene Hart. Daarom zijn deze gebieden grotendeels gerealiseerd door het Rijk en de Provincie Zuid-Holland.

afbeelding binnen de regeling
Figuur 3: Pijnacker-Nootdorp t.o.v. regionale groenstructuur

Regiopark Buytenhout

Buytenhout is in de vorige eeuw gerealiseerd als Randstadgroenstructuur met het doel om groene buffers te maken in de verstedelijkingsopgave van VINEX. Buytenhout bestaat uit verschillende aangrenzende natuur- en recreatiegebieden. Naast de gebieden in Pijnacker-Nootdorp (De Balij, het Bieslandse Bos, de Dobbeplas) zijn dit het Buytenpark, het Westerpark en de Nieuwe Driemanspolder in de gemeente Zoetermeer, en de Delftse Hout in de gemeente Delft. Sinds 2009 werken de gemeenten en Staatsbosbeheer samen om al deze gebieden te verbinden tot één groot groengebied. Regiopark Buytenhout is belangrijk voor de natuur en recreatie in de regio. Het draagt ook bij aan de leefbaarheid van de omliggende woongebieden en vermindert de druk op andere natuurgebieden in de buurt. De vier partijen hebben in 2023 een intentieovereenkomst voor de samenwerking gesloten, en in 2024 een uitvoeringsprogramma opgesteld. 

Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland (BPL)

Vanuit Pijnacker-Nootdorp maken het Oude Leedegebied, de Ackerdijkse Plassen en de Groenzoom deel uit van het BPL. Deze status is vastgelegd in het provinciale Omgevingsbeleid als erkenning van de bijzondere kwaliteiten van dit open, cultuurhistorisch waardevolle landschap. Het landschap wordt beschermd en ontwikkeld als een waardevolle ruimte voor natuur, landbouw en recreatie.

Overheden en gebiedspartijen werken gezamenlijk binnen de Landschapstafel BPL om de ruimtelijke kwaliteit te behouden en te versterken, met speciale aandacht voor duurzame landbouw, biodiversiteit en recreatiemogelijkheden. Hiervoor is de Visie Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland opgesteld (2021). Het gebied vormt een groene oase tussen Rotterdam en Den Haag en biedt een belangrijk contrast met de stedelijke omgeving.

 

 

3.3.3 Het landschap van Pijnacker-Nootdorp

Het behouden en versterken van het groene buitengebied is een belangrijke doelstelling van dit Omgevingsprogramma. Dit lukt alleen wanneer we inzicht hebben in de kenmerken en karakteristieken die het landschap hebben gevormd, en wanneer we bepalen hoe het wordt gebruikt en ervaren. In de Lintenvisie Pijnacker-Nootdorp en de Groenblauwe bouwstenen Pijnacker-Nootdorp wordt dit onderwerp uitgebreid beschreven. Deze documenten dienen als hulpmiddel bij de beoordeling van omgevingsvergunningen en verzoeken voor wijzigingen in de inrichting of functie van gebieden. Deze paragraaf bevat een korte analyse op hoofdlijnen van het landschap in Pijnacker-Nootdorp.

De ontwikkeling van het landschap

Het oorspronkelijke landschap bestond grotendeels uit open veenweidepolders en droogmakerijen, ontstaan langs linten. Vanuit deze linten werd het land ontgonnen, verveenden delen van de polders en ontstond de bebouwing. In de loop der jaren veranderde het open landschap ingrijpend. Sommige delen werden bij de dorpskern gevoegd, andere transformeerden van agrarisch gebied naar natuur- en recreatiegebieden. Die nieuwe functie bracht ook een wezenlijke verandering in het landschap met zich mee. Vooral de aanplant van bos zorgde ervoor dat het voorheen open landschap op veel plekken veranderde in een meer gesloten gebied

Historie ontginning veenweidegebieden en droogmakerijen

Ook nu zijn er in het landschap nog elementen terug te vinden die het resultaat zijn van de ontginning. Het veenweidelandschap is nog het duidelijkst zichtbaar in de Zuidpolder van Delfgauw. De droogmakerijen liggen in het buitengebied tussen Pijnacker en Nootdorp en rondom de Oude Leede. Op figuur 4 is te zien hoe de ontginning is verlopen.

Figuur 4: Linten in het landschap
afbeelding binnen de regeling

In de geschiedenis van de ontginning neemt de Ackerdijkse Plassen een bijzondere plek in, omdat dit gebied nooit is ontgonnen. Het oorspronkelijke landschap met moerassen, rietvelden en broekbossen is hier grotendeels behouden gebleven.

Tussen veenweidegebieden en droogmakerijen zijn duidelijke verschillen zichtbaar. De belangrijkste verschillen staan vermeld in tabel 1.

Tabel 1: verschillen tussen droogmakerij en veenweidepolder

 

Droogmakerij

Veenweidepolder

Gebruik veen

Verveend tot plassen

Niet verveend, weidegrond

Hoogteligging

Plassen en meren zijn drooggemalen, zo ontstonden diepe droogmakerijen

Relatief hoog liggend, wel ingeklonken door de jaren heen

(Semi)boezem

Hoog met dijken in het landschap

Beperkt qua hoogte

Slotenpatroon

Zeer regelmatig

Enigszins onregelmatig, soms licht waaiervormig

Hoofdwatergang

Watergang door de droogmakerij met gemaal

(Semi)boezem

Bebouwing

In linten aan de randen van de droogmakerijen

In linten en verspreid liggend in de polder op kreekruggen

Aansluiting sloten

Sloten sluiten nooit aan op polderlint of dijklint

Sloten sluiten aan op een polderlint

 

Kenmerken droogmakerijen binnen de groene contour

Ongeveer de helft van Pijnacker-Nootdorp ligt in een droogmakerij. Dat is in de kernen of in de glastuinbouwgebieden bijna niet meer zichtbaar. In de groene contour is de droogmakerij nog herkenbaar door: 

 

  • a.

    De hoger gelegen dijken en kades die een sterke ruimtelijke begrenzing vormen ten opzichte van de vlakke polder; door het relatief grote hoogteverschil kan de droogmakerij vanaf de linten goed worden beleefd (figuur 4);

  • b.

    Het watersysteem bestaande uit een hoofdtocht met gemaal; 

  • c.

    De lange, laaggelegen rechte polderwegen in de droogmakerij met weinig begeleidende beplanting;

  • d.

    Concentratie van de bebouwing op en aan de dijken, waarbij soms sprake is van een dubbellint.

Figuur 5: Vergezichten in droogmakerij
afbeelding binnen de regeling

Kenmerken veenweidepolders binnen de groene contour

De andere helft van het groene buitengebied bestaat uit veenweidepolders. De aanwezige strokenverkaveling dateert uit de middeleeuwen, is oorspronkelijk en nog vrijwel hetzelfde als op de kaart uit 1700. Kenmerken van een veenweidepolder zijn zichtbaar door:

 

  • a.

    De vlakke polders met een hoog waterpeil; er zijn relatief kleine hoogteverschillen van de kreekruggen en de voormalige kreken zijn zichtbaar op de plaatsen waar de sloten een kreekrug doorsnijden;

  • b.

    Onregelmatige kavelpatronen en een lichte waaiervorm met smalle kavels met afgeronde koppen op het kaveleinde, die meestal loodrecht op het lint zijn gelegen, vanwaar de polder is ontgonnen

  • c.

    Oude boerenerven op afstand van het lint op oude kreekruggen in het open landschap.

Linten en het landschap

De linten zijn de lijnen waarlangs het landschap zich heeft ontwikkeld. Hoewel deze geen onderdeel vormen van dit Omgevingsprogramma, zijn ze niet los te zien van het achterliggende landschap. Daarom worden ze hier wel benoemd. Het is vaak een samenvoeging van een hoogteverschil (dijk of kade), waterkering, ontwateringslijn, occupatielijn en ontsluitingslijn. Dat leidt tot drie typen linten namelijk: het polderlint, het boezemlint, het dijklint. Figuur 4 geeft de cultuurhistorische linten in Pijnacker-Nootdorp weer.

Wijzigingen in het landschap door herinrichting voor natuur en recreatie

De openheid van het landschap in de polders is bij de realisatie van onze natuur- en recreatiegebieden Buytenhout en De Groenzoom veranderd. Deze open weidegebieden zijn door bosaanplant omgevormd naar een verdicht bos- en recreatielandschap. Hoewel de mate van openheid anders is, zijn ook veel authentieke kenmerken uit de ontginningshistorie nog herkenbaar. Zo is de oorspronkelijke verkavelingsrichting meestal behouden gebleven doordat dit als uitgangspunt is genomen voor het ontwerp van het bos.  Ook de (semi) boezems, kades en dijken zijn zorgvuldig ingepast in het ontwerp van het bosgebied en zijn herkenbaar, omdat deze vaak worden gebruikt voor de recreatieve routes.

De verandering van het landschap heeft ook nieuwe kwaliteiten en kenmerken opgeleverd:

 

  • a.

    Door de afwisseling van bos en open weidelandschap is het gebied aantrekkelijker voor meer dieren;

  • b.

    De afwisseling van bos en open weidelandschap creëert meerdere kleine kamers zijn in het landschap. Deze kamers laten het oorspronkelijk landschap van de droogmakerij zien;

  • c.

    De dichte bossen maken andere vormen van recreatie en beleving mogelijk;

  • d.

    Bossen dragen bij aan de inpassing van randen en (stedelijke) ontwikkelingen

3.3.4 Hoofdfuncties binnen de groene contour

Binnen de groene contour zijn drie hoofdfuncties kenmerkend voor het gebruik. We onderscheiden natuur, recreatie en agrarisch-weide. Op kaart 2 worden deze hoofdfuncties weergegeven.

afbeelding binnen de regeling
Kaart 2: Hoofdfuncties binnen de groene contour

 

Natuur

In Pijnacker-Nootdorp zijn drie natuurgebieden formeel erkend als natuurgebied. De Ackerdijkse Plassen, het Krekengebied, en het Weidevogelkerngebied Zuidpolder van Delfgauw liggen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). NNN is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Nederland dat biodiversiteit behoudt en natuurgebieden beter verbindt, zodat planten en dieren zich vrij kunnen verplaatsen. De provincies financieren via natuursubsidies (SNL) het beheer van de NNN-gebieden. De provincie is ook beleidsverantwoordelijk voor de verdere ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland.

De Ackerdijkse Plassen zijn onderdeel van in het NNN vanwege hun hoge ecologische waarde en hun rol als belangrijk vogelgebied. Het natuurgebied draagt bij aan de biodiversiteit door de aanwezigheid van diverse terreintypen, zoals plassen, moerasbossen, graslanden en rietmoerassen. Het gebied biedt hiermee een veilige leefomgeving voor verschillende bedreigde vogelsoorten, zoals de witgat, kievit en aalscholver. Het beheer van de Ackerdijkse Plassen wordt verzorgd door Natuurmonumenten.

Het Krekengebied in het Bieslandse Bos is vanwege zijn ecologische waarde en de bijdrage aan biodiversiteit als veenmoeras en door het verbinden van natte natuurgebieden opgenomen in het NNN. Dit moerassige gebied biedt een leefomgeving voor bijzondere vogelsoorten zoals de blauwborst, kievit en grutto. Het beheer van het Krekengebied wordt verzorgd door Staatsbosbeheer.

Het weidevogelkerngebied in de Zuidpolder van Delfgauw is in 2024 toegevoegd aan het NNN-gebied van De Groene Keizer langs de N470. Hiermee is dit natuurgebied van ruim 110 ha. is opgenomen in het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Om meer en betere broed- en leefgebied voor weidevogels, zoals de Grutto, Tureluur en Kievit te realiseren is in 2025 de waterhuishouding aangepast voor een hoger waterpeil in het broedseizoen, zijn greppels gegraven om de weilanden vochtiger te houden en er is een grote plasdraszone gemaakt in de Groene Keijzer.

Het Weidevogelkerngebied is gezamenlijk in eigendom bij de gemeente, Staatsbosbeheer en de Provincie Zuid-Holland. Het beheer van het weidevogelkerngebied wordt op basis van (natuur)pachtovereenkomsten uitgevoerd door de lokale agrarische bedrijven. Deze bedrijven hebben ook eigen weidepercelen rondom dit weidevogelkerngebied; veel van deze percelen worden met ANLB-subsidie beheerd met behoud van de mogelijkheid voor weidevogels om er te broeden.

Ook in de aangelegde natuur- en recreatiegebieden zijn deelgebieden die als natuurgebied worden beheerd, maar geen onderdeel uitmaken van het Natuur Netwerk Nederland. Het gaat om:

  • In “de Scheg” in het Balijbos heeft zich een natte bosbiotoop ontwikkeld met bijzondere fauna. Het gebied heeft een moerassig karakter en grenst aan een grote plas. Het biedt een gunstig broed- en leefgebied voor diverse vogels.

  • Midden in het Balijbos is bij de aanleg een groot gebied opengehouden en niet als bos ingericht. De natte weidebiotoop heeft natuurwaarde voor diverse flora en fauna en wordt beheerd als kruiden- en faunarijk grasland.

  • In De Groenzoom zijn bij de aanleg tussen de randen met opgaande beplanting open weidegebieden bewaard gebleven. Deze weidepercelen worden beheerd als kruiden- en faunarijk grasland, glanshaverhooiland of vochtig hooiland. Dit heeft natuurwaarde voor diverse flora en fauna 



Recreatie

Een aantal gebieden zijn speciaal aangelegd voor openluchtrecreatie: het Bieslandsebos, de Dobbeplas, De Balij, Recreatiegebied Ruyven, en de Groenzoom. Ze zijn gerealiseerd via programma’s van het Rijk (Randstadgroenstructuur) en de Provincie Zuid-Holland (de Groenblauwe Slinger). Het Rijk en de Provincie wilden hiermee een tegenhanger creëren voor het stedelijk gebied en zo recreatie, natuur en leefbaarheid bevorderen. Inwoners van Den Haag, Rotterdam, Delft, Zoetermeer en Pijnacker-Nootdorp kunnen in deze gebieden ontspannen, wandelen, fietsen en genieten van de natuur. Staatsbosbeheer en de gemeente beheren deze gebieden. In Hoofdstuk 6. Recreatie, spelen en bewegen staat welke recreatieve voorzieningen in deze gebieden aanwezig zijn.

Agrarisch-weide 

Het landschap binnen de groene contour wordt deels gebruikt door landbouw. Het gaat voornamelijk om veehouderijen in open weidegebied. In de economie van Pijnacker-Nootdorp vormt deze sector een kleine, met nog ongeveer tien actieve bedrijven. Tegelijkertijd levert de sector een belangrijke bijdrage aan het behoud van het open landschap en de natuurwaarden. Daarnaast beheren de veehouderijen het weidevogelkerngebied in de Zuidpolder van Delfgauw.

De veehouderijen in Pijnacker-Nootdorp kenmerken zich door hun relatief kleine schaal. Dit komt door de lokale situatie. Het agrarische gebied wordt omringd door stedelijke gebieden met inwoners die behoefte hebben aan groene recreatie. In het provinciaal en gemeentelijk beleid staan beperkende regels beperkende regels om natuur- en landschapswaarden te beschermen. Vanuit het Rijk en provincie zijn er ook allerlei regels, bijvoorbeeld rond de stikstof- en mestproblematiek. Daarnaast worden bedrijven geconfronteerd met (toekomstige) ontwikkelingen zoals bodemdaling, verzilting en verzuring. In Pijnacker-Nootdorp zijn de mogelijkheden voor schaalvergroting en intensivering voor deze bedrijven erg beperkt.

Als onderdeel van het Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland wordt veel waarde gehecht aan de maatschappelijke betekenis van het open weidelandschap. Om het landschap duurzaam in stand te houden, is het belangrijk dat we aan deze bedrijven een gezond toekomstperspectief bieden. Door de kleine schaal en de natuur- en landschapswaarden, is het nodig dat de bedrijven zich kunnen ontwikkelen op gebied van natuurbeheer en verbreding.

De bedrijven zoeken naar mogelijkheden om hun inkomen te verbreden. Daarbij gaat het om aanvullende activiteiten op de agrarische hoofdactiviteit, zoals bijvoorbeeld rechtstreekse verkoop van streekproducten aan consumenten, kleinschalige vergaderfaciliteiten en zorglandbouw. Dit vormt ook een ruimtelijk vraagstuk omdat hiervoor soms gebouwde voorzieningen gewenst zijn. Ook is soms ander gebruik van het landschap gewenst. Dit kan ook negatieve gevolgen hebben, zoals toenemende verkeersdruk op de smalle verkeerslinten. Een andere inkomstenbron is het uitvoeren van natuurbeheer voor de gemeente, Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer. De veehouderijen in de Oude Leede beheren het weidevogelkerngebied in de Zuidpolder van Delfgauw. Voor extra inkomen zijn er daarnaast mogelijkheden voor overheidssubsidie voor landschaps- en natuurbeheer. Een voorbeeld hiervan is de provinciale subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb). De provincie heeft sowieso een bepalende rol bij het beleid voor deze sector en de landschapsdoelen daarbij. Het Rijk heeft veel beleidsbevoegdheden voor landsbouw en natuur gedecentraliseerd naar de provincies.

3.4 Leidende principes voor de hoofdgroenstructuur en landschap

3.4.1 Inleiding

In hoofdstuk 2 zijn de doelen voor het Omgevingsprogramma Groen uitgewerkt. Met deze doelen werken we ook aan de ontwikkeling van de hoofdgroenstructuur en het landschap in de gemeente. Daarvoor staan hieronder leidende principes beschreven. Deze leidende principes vormen de basis voor de uitvoering van onze ambities voor de hoofdgroenstructuur en het landschap. 

3.4.2 Waarderen
3.4.2.1 Vastleggen van de groene contour voor het buitengebied

In het buitengebied beschermen we de hoofdgroenstructuur door het vastleggen van de groene contour, zoals op kaart 1 is aangeduid. Binnen de groene contour zijn stedelijke functies zoals woningen en bedrijven niet mogelijk. Hiermee zorgen we ervoor dat het groene buitengebied een unieke en onderscheidende kwaliteit van Pijnacker-Nootdorp blijft. Ontwikkelingen binnen de groene contour moeten aansluiten bij de hoofdfuncties van het buitengebied (natuur, recreatie, landbouw-veeteelt). Ook moeten toekomstige ontwikkelingen rekening houden met de natuur- en landschapswaarden. De bebouwingslinten liggen niet binnen de groene contour. In deze linten behouden we echter belangrijke zichtlijnen op het landschap. Wel behouden we in deze linten belangrijke doorzichten op het landschap. Dit wordt uitgewerkt in het Omgevingsprogramma Ruimtelijke Kwaliteit.  

3.4.2.2 Vastleggen en behouden van het​ open landschap

In de gebieden waar de openheid van het landschap een belangrijke kwaliteit is, willen we deze beschermen. In par. 3.2.3 zijn de kenmerken en kwaliteiten van het landschap in Pijnacker-Nootdorp toegelicht. Het authentieke open landschap willen we behouden in:

  • het NNN-gebied van de Ackerdijkse Plassen,

  • het NNN-gebied van het weidevogelkerngebied en de omliggende agrarische weidepercelen in de Zuidpolder van Delfgauw en ten zuiden van de Oude Leede,

  • de open weidepercelen in De Groenzoom met de natuurdoeltypen kruiden- en faunarijk grasland, glanshaverhooiland en vochtig hooiland,

  • de open weidepercelen in het middendeel van het Balijbos (ten oosten van lint Nieuwkoopseweg) met natuurwaarden voor kruiden- en faunarijk grasland,

  • de open weidepercelen in het Bieslandsebos (ten noorden van het Virulypad) met gebruik door een veehouderijbedrijf. 

Zo behouden we het waardevolle cultuurhistorische landschap van de droogmakerijen en de veenweidegebieden. In sommige delen van deze gebieden is volledige openheid ook nodig voor het beschermen van weidevogels. Bomen en andere hoger opgaande beplanting zijn voor de natuurdoelstellingen ongewenst, omdat deze rust- en schuilplekken bieden aan predatoren zoals vossen en kraaien. Deze roofdieren vormen een bedreiging voor het broedsucces van de weidevogels. 

3.4.2.3 Aansluiten van de hoofdgroenstructuur op de regionale structuur

De groengebieden in het buitengebied maken deel uit van de regionale groenstructuur en strekken zich uit over de gemeentegrenzen heen. Ze zijn onderdeel van het Regiopark Buytenhout en Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland. We dragen bij aan een goede invulling van de regionale samenwerking, en aan integraal gebiedsbeheer. Samen met de terrein beherende organisaties, buurgemeenten, de provincie en andere partners streven naar betere aansluiting van regionale natuur- en recreatiegebieden. Deze samenwerking levert ook kansen op voor de ontwikkeling en het beheer van onze groengebieden, bijvoorbeeld via subsidiemogelijkheden.

3.4.3 Verbeteren
3.4.3.1 Toekomstperspectief behouden voor veeteeltbedrijven

De veehouderij heeft een belangrijke rol in het behoud van van cultuurhistorische landschaps- en natuurwaarden. Tegelijkertijd moeten deze bedrijven voldoende inkomen kunnen genereren. De balans tussen agrarisch gebruik en het behoud van landschaps- en natuurwaarden vraagt om maatwerk. Voor intensivering en schaalvergroting van de agrarische productie is in onze gemeente geen ruimte beschikbaar. Daarom willen we aan onze veeteeltbedrijven ruimte bieden om hun bedrijfsvoering te verbreden. Ook willen we hen ondersteunen bij het verkrijgen van provinciale subsidies voor landschapsbehoud.  Daarnaast willen we verkennen of deze bedrijven beheertaken in onze natuurgebieden kunnen uitvoeren. Dit vraagt om structureel overleg en samenwerking met de veehouderijen. 

3.4.3.2 Mogelijkheid functiewijziging naar natuur of recreatie agrarisch-weide

In de Omgevingsvisie zijn gebieden aangewezen die in aanmerking komen voor een functiewijziging van agrarisch naar natuur en recreatie. Na de realisatie van nieuwe recreatiegebieden of door de aanleg van nieuwe wegen, is de gebruikswaarde voor landbouw door versnippering afgenomen. Het gaat om een restkavel ten noorden van de N470, de weidepercelen rond recreatiegebied Ruyven en de zone tussen het glastuinbouwgebied Noordpolder en het Bieslandsebos (stippelarcering in kaart 2Kaart 2: Hoofdfuncties binnen de groene contour). In deze gebieden is ruimte voor agrarische activiteiten waarbij minder openheid gewenst is, zoals akkerbouw. Ook kunnen andere activiteiten plaatsvinden die passen binnen de hoofdfuncties natuur en recreatie. 

3.4.3.3 Schuilplaatsen voor groot vee zijn onder voorwaarden mogelijk

In het agrarisch gebied willen we voldoende bescherming bieden aan vee tegen extreme weersomstandigheden zoals regen, sneeuw, hitte en wind. Zo voorkomen we gezondheidsproblemen en stress bij de dieren. Tegelijkertijd willen we ook de openheid van het waardevolle veenweidelandschap beschermen. Het bieden van voldoende schuilplekken is maatwerk. Daarbij volgen we de volgende aanpak:

  • Eerst wordt gekeken of het schuilen kan worden geregeld met natuurlijke middelen, zoals beplanting of takkenrillen en dergelijke; 

  • Als het eerste niet mogelijk is, kan toestemming worden verleend voor tijdelijke, seizoensgebonden mobiele constructies;

Het realiseren van ‘gebouwen’ in de open weilanden wordt niet gezien als een logische oplossing voor schuilgelegenheid. Dit voorkomt verrommeling in het buitengebied en beschermt de landschappelijke waarden.

3.4.3.4 Bij het toepassen van Ruimte voor Ruimte zorgen voor het borgen van groene en ruimtelijke kwaliteit

De gemeente heeft beleid vastgelegd voor de toepassing van ‘Ruimte voor Ruimte’ (Nota Uitnodigende Ruimtelijke Ordening, 2018). Dit is een regeling waarbij ter compensatie van de sloop van glasopstanden en andere bedrijfsgebouwen één of enkele woningen gebouwd mogen worden. Hiermee streven wij naar het behoud van de landschappelijke kwaliteit, omdat de totale hoeveelheid bebouwing in het landschap afneemt. De compensatiewoningen worden in het lint ingepast, met aandacht voor doorzichten naar het open landschap. Als aanvulling op dit bestaande beleid hanteren we het uitgangspunt, dat de vrijkomende groene ruimte (buiten de bouwpercelen) duurzaam een openbare groene of agrarische functie moet krijgen. Zo kunnen versnippering en verrommeling worden voorkomen. De Ruimte voor Ruimte-aanpak wordt verder uitgewerkt in het Omgevingsprogramma Ruimtelijke Kwaliteit.

3.4.4 Uitbreiden
3.4.4.1 Hanteren van een groencompensatiebeginsel voor de hoofdgroenstructuur binnen de wijken, bedrijventerreinen​ en de glastuinbouwgebieden

Het is belangrijk om het groen in de hoofdgroenstructuur te beschermen. Het toevoegen of uitbreiden van functies, zoals transformatorhuisjes, extra parkeerplaatsen of andere verhardingen ten koste van groen is ongewenst. Als dit binnen de hoofdgroenstructuur toch noodzakelijk is, moet rekening worden gehouden met de aanwezige ecologische waarden en de mogelijke functie van een ecologische verbinding. Bij het inpassen van een nieuwe functie wordt de ecologische waarde gecompenseerd. Daarbij gelden deze uitgangspunten:

  • De ingreep moet leiden tot een versterkte beleving en het behoud van de algehele kwaliteit van fysieke leefomgeving. Bij elke ingreep in de hoofdgroenstructuur geldt als de voorwaarde dat de ecologische kwaliteit van het gebied verbetert. Deze compensatie wordt zo dicht mogelijk bij de ingreep gerealiseerd.

  • Voor ingrepen in een ecologische verbinding gelden aanvullende eisen. Als een wijziging leidt tot verstoring van een verbinding, worden de gevolgen gecompenseerd. Omdat de ecologische waarde van een gebied moeilijk te vervangen is, heeft het behoud van ecologische leefgebieden en verbindingen prioriteit.



Ook bij renovatieprojecten van groen en bij het vervangen of kappen van bomen geldt dat de ecologische kwaliteit bij elke wijziging van de inrichting moet verbeteren.

3.4.4.2 Hanteren van een groencompensatiebeginsel binnen de groene contour​ buitengebied

Binnen de groene contour willen we voorkomen dat stedelijke functies, zoals gebouwen en wegen, ten koste van het groen uitbreiden. In de gebieden “recreatie voorop” en “kansenzone” bestaan er kansen om nieuwe functies in te passen. Als een functiewijziging of wijziging van de inrichting wordt toegestaan, moeten enkele voorwaarden worden nageleefd. De nieuwe functie moet is natuur, recreatie of bedrijfsmatige akkerbouw en veehouderij betreffen. Bebouwing is uitsluitend en slechts in zeer beperkte mate toegestaan, mits deze noodzakelijk is voor de nieuwe functie natuur, recreatie of bedrijfsmatige akkerbouw en veehouderij. Bebouwing wordt in beginsel toegevoegd in of tegen het lint. Leidt een functiewijziging tot een kwantitatieve afname van groen, dan moet hiervoor kwalitatieve compensatie worden geregeld. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:

  • De ingreep moet de beleving versterken en de algehele kwaliteit van de fysieke leefomgeving behoudenhet behoud van de algehele kwaliteit van fysieke leefomgeving. Bij elke ingreep in de hoofdgroenstructuur is de voorwaarde dat de ecologische kwaliteit van het groen omhooggaat. Deze compensatie wordt zo dicht mogelijk bij de ingreep gerealiseerd.

  • Voor ingrepen in een ecologische verbinding gelden aanvullende eisen. Als een wijziging een verbinding verstoord, worden de gevolgen gecompenseerd. Omdat de ecologische waarde van een gebied moeilijk te vervangen is, heeft het behoud van ecologische verbindingen de prioriteit. Bij een functiewijziging binnen de groen contour stelt de initiatiefnemer een groencompensatieplan op.

 

3.4.4.3 Hoofdgroenstructuur mee uitbreiden bij de ontwikkeling van transformatiegebieden

De hoofdgroenstructuur zorgt ervoor dat groene verbindingen met het buitengebied en tussen de wijken behouden blijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling van de transformatiegebieden Dwarskade, Overgauw, Rijskade en Balijade wordt deze hoofdgroenstructuur uitgebreid. Dit omvat ook de wens voor extra ecologische verbindingen te realiseren.  (Zie 5.2.3 Ecologische verbindingen binnen de hoofdgroenstructuur).

4 Bomen

4.1 Inleiding

Bomen zijn essentieel voor een groene en gezonde leefomgeving. Ze maken de seizoenen zichtbaar, verbeteren ons mentaal welzijn, zuiveren de lucht, leggen CO₂ op en zorgen voor verkoeling. Daarnaast vormen bomen een onmisbare schakel in de biodiversiteit: vogels, insecten, vleermuizen en zelfs korstmossen profiteren van bomen. De ecologische waarde van een boom groeit met de leeftijd.

Binnen het thema ‘bomen’ zetten we ons in voor het behoud en de versterking van een samenhangend netwerk met zowel ecologische als recreatieve waarde. Dit ondersteunt onze ambitie om een natuurinclusieve gemeente te zijn met een robuuste biodiversiteit. We investeren in het behoud en de uitbreiding van een duurzaam bomenbestand en in het creëren van een groene, aantrekkelijke openbare ruimte. Een ruimte die niet alleen ecologisch verantwoord is, maar ook uitnodigt tot bewegen, ontmoeten en genieten - beschikbaar voor iedereen.

4.2 Trends en uitdagingen

Bomennorm

Het besef dat bomen bijdragen aan een gezonde fysieke leefomgeving neemt toe. Om deze waarde te borgen, heeft het Normeninstituut Bomen een landelijke bomennorm opgesteld. Deze norm vereist dat bij elke nieuwbouwwoning minimaal één boom moet worden geplant, met als doel het boomkroonvolume in stedelijke gebieden te vergroten. Dat volume, de gezamenlijke omvang van alle boomkronen, is een belangrijke graadmeter voor de positieve effecten van bomen op de leefomgeving. Een krachtig boomkroonvolume zorgt voor meer schaduw, verkoeling en verbetert de luchtkwaliteit. 

Oude bomen vervullen functies die jonge bomen nog niet kunnen bieden. Ze zijn daarom van grote waarde en verdienen bescherming. Door hun omvangrijke en karakteristieke kroon versterken ze de uitstraling van de omgeving en de biodiversiteit. Ze bieden nest- en schuilgelegenheid voor vogels en insecten, slaan CO₂ op en verbeteren het leefklimaat.

 

Toekomstbestendigheid

Een boom wordt geplant met het oog op de lange termijn. Bomen kunnen zeer oud worden en hun positieve bijdrage neemt toe naarmate ze ouder worden. Om ervoor te zorgen dat een boom gezond oud kan worden, groeit de aandacht voor toekomstbestendigheid. Naast een gezonde groeiplaats van voldoende omvang is ook de juiste soortkeuze cruciaal.

Het selecteren van toekomstbestendige boomsoorten voor de openbare ruimte is essentieel om stedelijke gebieden veerkrachtig en leefbaar te houden. De focus ligt steeds meer op boomsoorten die bestand zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering, zoals hogere temperaturen, langere droogteperioden en hevigere regenval. Daarnaast kijkt men naar eigenschappen als oorspronkelijkheid, droogte- en hittebestendigheid, een diep wortelgestel (voor betere verankering en wateropname) en een sterke weerstand tegen ziektes en plagen. Het doel is bomen te planten die de biodiversiteit versterken en positief bijdragen aan luchtkwaliteit, waterbeheer en stedelijke verkoeling.

Ziekten en plagen vormen een groeiende bedreiging voor de toekomstbestendigheid van bomen. Klimaatverandering maakt bomen kwetsbaarder voor ziekten en plagen. Extreem weer, zoals langdurige droogte en hevige regenval, leidt tot een toename van schimmelziektes en insectenplagen. Bovendien brengen de introductie van exotische soorten nieuwe risico’s met zich mee.

4.3 Huidige situatie

4.3.1 Huidig bomenbestand

Onze gemeente heeft telt momenteel ruim 20.000 geregistreerde bomen. Deze zijn opgenomen in het beheersysteem en voorzien van boompaspoorten, die voortkomen uit boominspecties. In het beheersysteem staan 212 verschillende boomsoorten geregistreerd, waarvan sommige vaker voorkomt. Tabel 2 geeft een overzicht van de top tien. 

Tabel 2: Top 10 boomsoorten en aantallen (*exoot)

Nr.

Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Aantal

1

Salix alba

Schietwilg

2183

2

Fraxinus excelsior

Gewone es

1627

3

Alnus glutinosa

Zwarte els

640

4

Prunus avium

Zoete kers

493

5

Quercus robur

Zomereik

451

6

Alnus spaethii 'Speath'*

Japanse Kaukasische els ‘Speath’

446

7

Pyrus calleryana 'Chanticleer'*

Sierpeer

407

8

Acer pseudoplatanus

Gewone esdoorn

386

9

Platanus x hispanica*

Spaanse plataan

373

10

Tilia cordata

Winterlinde

336

 

In het bomenbestand komt de schietwilg (Salix alba) het vaakst voor. Deze boom wordt vaak als knotwilg beheerd. beheerd als knotwilg. Schietwilgen krijgen van nature de ruimte om ongestoord te groeien en ontwikkelen daardoor een grote, weelderige kroon met een aanzienlijk volume. Knotwilgen daarentegen worden periodiek gesnoeid, wat resulteert in een compacte kroon en een beperkter bladoppervlak. Wanneer een bepaalde boomsoort in een gebied sterk overheerst, brengt vergroot dat het risico dat het risico met zich mee dat ziekten en plagen sneller toeslaan. De afgelopen jaren is er steeds vaker schade ontstaan door onder andere essentaksterfte, kastanjebloedingsziekte, de eikenprocessierups en roetschorsziekte.

Leeftijdsopbouw bomenbestand
afbeelding binnen de regeling

Het grootste deel van de bomen in de gemeente valt in de leeftijdscategorie van 11 tot 25 jaar, gevolgd door bomen van 25 jaar en ouder. Nog niet alle recent aangeplante bomen staan al zijn opgenomen in het beheersysteem. Daardoor is de groep van nul tot vijf jaar in figuur 5 relatief klein. Deze groep zal echter toenemen, onder andere door de aanleg van nieuwe woonwijken.

4.3.2 Huidig proces kapvergunning

In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) zijn regels vastgelegd voor het kappen van bomen. Op dit moment is een kapvergunning verplicht voor bomen met een stamdiameter van minimaal 25 centimeter. Bij de beoordeling van een aanvraag houdt men rekening met vijf algemene criteria: technische omstandigheden, leeftijd, ecologische waarde, cultuurhistorische waarde en klimaatadaptatie. Omdat er nog geen objectieve toetsingscriteria zijn vastgesteld om deze waarden concreet te beoordelen, wordt het merendeel van de aangevraagde kapvergunningen momenteel verleend.

4.4 Leidende principes

4.4.1 Inleiding

In hoofdstuk 2 zijn de doelen van het Omgevingsprogramma Groen uitgewerkt. Met deze doelen werken we ook aan het thema ‘bomen’ binnen de gemeente. Hieronder staan de leidende principes die hieraan ten grondslag liggen. Deze leidende principes vormen de basis voor de uitvoering van onze ambities voor de bomen in onze gemeente. 

4.4.2 Waarderen
4.4.2.1 Bestaande bomen in de openbare ruimte behouden

Bomen dragen sterk bij aan de leefbaarheid van de omgeving, en hun waarde neemt toe naarmate ze ouder worden. In de openbare ruimte worden bomen in principe niet gekapt, tenzij dit noodzakelijk is vanwege de gezondheid van de boom en het daarbij behorende risico, zoals vallende takken of omwaaien. Ook kan kap aan de orde zijn bij onrechtmatige overlast, vergelijkbaar met wat is vastgelegd in artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek. Overlast zoals belemmerd uitzicht, minder zonlicht op zonnepanelen, blad- of vruchtval en vogelpoep vormt in principe geen reden om een gezonde boom te kappen of fors te snoeien.

Om de gezonde ontwikkeling van bomen te waarborgen, worden ze periodiek gecontroleerd op veiligheid en gezondheid volgens de Visual Tree Assessment (VTA)-methode. Wanneer uit deze controle blijkt dat de gezondheid van een boom dat vereist, wordt (groot) onderhoud ingepland. Daarbij beoordelen we of de boom nog voldoende toekomstwaarde heeft of dat vervanging op termijn nodig is.

Ook bij herinrichtingsprojecten wegen we de toekomstwaarde van bomen mee meegewogen. Het uitgangspunt is om bestaande bomen zoveel mogelijk te behouden. Als een boom echter onvoldoende toekomstperspectief heeft, bijvoorbeeld door een slechte groeiplaats als gevolg van ophoging van de grond, kan kap noodzakelijk zijn. In dat geval zoeken we binnen het project naar een geschikte nieuwe locatie om bomen te herplanten.

4.4.3 Verbeteren
4.4.3.1 Minder regeldruk bij beschermen van bestaande bomen

Met de procedure voor het verlenen van kapvergunningen willen we bestaande waardevolle bomen zo goed mogelijk beschermen. Tegelijkertijd willen we onnodige regels en vergunningen voor onze inwoners voorkomen. Om waardevolle bomen gerichter te beschermen met minder regels, is het wenselijk om enerzijds de regels te versoepelen en anderzijds de waarde van bomen beter vast te leggen. Hiervoor verruimen we in de regelgeving (APV of Omgevingsplan) de criteria voor de vergunningplicht. Voor de vergunningplicht geldt straks een grotere stamdiameter van 30 centimeter (is nu 25 centimeter op 1,50 meter hoogte). Op woonpercelen tot 250 m2 laten we de vergunningplicht vervallen. Hiermee neemt het aantal vergunningen (met name voor inwoners) af.

4.4.3.2 Verbetering motivering besluiten kapvergunning

In de APV staan beoordelingscriteria voor het al dan niet verlenen van een kapvergunning. Met het vaststellen van dit Omgevingsprogramma voegen we een kwalitatieve onderbouwing toe. Hierdoor kunnen we onze besluiten bij de beoordeling van kapvergunningen beter motiveren. Een uitwerking hiervan is te lezen in bijlage 2. 

4.4.3.3 Bij nieuwe aanplant komt “de juiste boom op de juiste plek”.

De soortkeuze en de kwaliteit van de groeiplaats zijn cruciaal voor de toekomstbestendigheid van bomen. Ze bepalen in hoge mate de ontwikkelkansen van een boom, zowel bij nieuwe aanplant als bij de vervanging van bestaande bomen. Het uitgangspunt hierbij is: “de juiste boom op de juiste plek.” Bij het kiezen van een geschikte soort houden we rekening met:

 

  • a.

    Zorg voor een gevarieerde samenstelling in leeftijd en soorten. We gebruiken hierbij de Groene én Zwarte bomenlijst (Natuur & milieu) als referentie;

  • b.

    Geef voorkeur aan inheemse boomsoorten; overweeg exoten slechts in uitzonderlijke gevallen;

  • c.

    Benut de potentie van de groeiplaats voor een robuust boomkroonvolume;

  • d.

    Houd zorgvuldig rekening met relevante omgevingsfactoren en de mate van allergeniciteit om overlast zoveel mogelijk te voorkomen.

Een adequate en toekomstbestendige groeiplaats is essentieel om bomen de kans te geven volledig uit te groeien. Bij herinrichtingen en nieuwe aanplant zorgen we daarom voor optimale ondergrondse en bovengrondse groeiruimte. Alleen dan kunnen de bomen duurzaam groeien en op volwassen leeftijd hun volledige potentieel bereiken. De richtlijn is dat een boom in de openbare ruimte minimaal 40 jaar oud moet kunnen worden, en in een park zelfs minimaal 80 jaar. Een hulpmiddel hierbij is de Boommonitor van het Norminstituut Bomen.

Op basis van deze uitgangspunten streven we bij iedere vervanging of nieuwe aanplant naar een bomenaanbod dat bijdraagt aan biodiversiteit en toekomstbestendigheid van het stedelijk groen. De uitvoering hiervan garanderen we wordt gegarandeerd door het zorgvuldig inrichten van de groeiruimte en het nauwkeurig vastleggen van de diversiteit van het bomenbestand in het beheersysteem.

4.4.3.4 Verbeteren inzicht ecologische kwaliteit bomenbestand door betere datavoorziening

De gemeente beschikt over een beheersysteem voor bomen waarin de technische kwaliteit en veiligheid continu worden gemonitord. Om het systeem in de toekomst ook te kunnen gebruiken voor de kwalitatieve monitoring van ecologische doelen, vullen we de noodzakelijke data in het bomenbeheersysteem aan. Met deze geactualiseerde gegevens ontstaat een solide basis voor toekomstbestendig groenbeheer.

4.4.4 Uitbreiden
4.4.4.1 Gericht beschermen waardevolle bomen door opstellen waardevolle bomenlijst

Veel gemeenten kiezen ervoor om waardevolle bomen te beschermen met zo min mogelijk aan regeldruk door het opstellen van een waardevolle bomenlijst. Binnen de gehele gemeente brengen we alle waardevolle bomen in kaart, zowel in openbaar gebied als die op particuliere terrein. Voor het opstellen van de lijst stellen we eerst criteria op waaraan een boom moet voldoen. Het gaat bijvoorbeeld om cultuurhistorische waarde, landschapswaarde, ecologische waarde en omvang en/of leeftijd. Verder kan ook de beeldwaarde (beleefbaarheid, gaafheid boomvorm, zeldzaamheidswaarde) als criterium worden meegewogen. Na een inspraakprocedure stellen we wordt de bomenlijst vast vastgesteld en wordt de vergunningplicht alleen van toepassing verklaard op de bomen op de bomenlijst. Zo beschermen we gericht de meest waardevolle bomen, terwijl voor de meeste inwoners de vergunningsplicht vervalt. Alle bomen op de bomenlijst, zowel die in openbaar gebied als die op particulier terrein, worden door de gemeente periodiek gecontroleerd op hun vitaliteit en omstandigheden. Dit zorgt ervoor dat er tijdig kan worden ingegrepen om de boom zo lang mogelijk te behouden. 

4.4.4.2 Introduceren van een bebouwingscontour voor houtkap

In het Omgevingsplan is vastgelegd dat de gemeente een bebouwingscontour voor houtkap moet opnemen. Deze contour geeft aan binnen welk gebied de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) met betrekking tot houtkap niet van toepassing zijn. Op Kaart 1 is de bebouwingscontour voor Pijnacker-Nootdorp weergegeven. Deze contour komt overeen met de groene contour van het buitengebied.

5 Biodiversiteit

5.1 Inleiding

Biodiversiteit vormt de basis voor een veerkrachtige en gezonde leefomgeving. Het omvat alles, van microscopisch kleine organismen tot uitgestrekte ecosystemen. Bovendien is biodiversiteit essentieel voor het in stand houden van ecologische processen en levert tal van diensten, die direct bijdragen aan het welzijn van inwoners, zoals voedsel, schoon water en schone lucht. Nu stedelijke ontwikkeling en klimaatverandering steeds meer druk zetten op de natuurlijke leefomgeving, is het behoud en herstel van biodiversiteit belangrijker dan ooit.

5.2 Trends en uitdagingen

Afname biodiversiteit 

De afname van biodiversiteit in Nederland vormt al decennialang een zorgwekkende trend. Onderzoek van de Universiteit Utrecht wijst uit dat het verlies van leefgebieden, vervuiling, klimaatverandering en overbenutting de belangrijkste oorzaken zijn. De intensivering van de landbouw heeft geleid tot versnippering van natuurlijke habitats en vervuiling, met name van stikstof en fosfaat. Deze ontwikkelingen hebben een negatieve invloed op de overleving van talloze plant- en diersoorten, wat resulteert in een sterke afname van de biodiversiteit.

Volgens het Compendium voor de Leefomgeving is de biodiversiteit in Nederland sinds 1900 sterk afgenomen: van ruim 40 procent naar ongeveer vijftien procent in 2000. Deze afname wordt gemeten in de Mean Species Abundance (MSA), een maat die aangeeft dat populaties van inheemse plant- en diersoorten gemiddeld nog slechts vijftien procent van hun oorspronkelijke omvang bereiken. In vergelijking met andere Europese landen heeft Nederland een relatief lage biodiversiteit (zie figuur 7). Dankzij toenemende bewustwording en maatregelen is de achteruitgang in het afgelopen decennium enigszins afgeremd. Dit betekent echter niet dat de inzet mag afnemen. Integendeel: er liggen nog volop kansen en opgaven om de biodiversiteit verder te versterken en te herstellen.

Afname Biodiversiteit
afbeelding binnen de regeling

De ontwikkeling van Basiskwaliteit Natuur (BKN)

Steeds meer gemeenten nemen de Basiskwaliteit Natuur (BKN) op in hun beleidsdocumenten. De BKN is ontwikkeld binnen ontwikkeld vanuit het Deltaplan Biodiversiteitsherstel en richt zich op het creëren van basisvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor algemene soorten om te overleven en zich voort te planten in hun leefgebied. Voorbeelden van dergelijke soorten zijn de huismus, de gewone pad en de dagpauwoog. De BKN waarborgt de minimale kwaliteit van de leefomgeving, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Daarbij gaat het onder meer om voldoende voedsel, geschikte schuilplaatsen, en een goede water- en luchtkwaliteit.

Binnen de BKN wordt onderscheid gemaakt tussen soorten van de bebouwde kom en soorten die een specifiek leefgebied nodig hebben. In grotere, onderling verbonden natuurgebieden kunnen daarnaast ook zogenaamde plussoorten voorkomen. Dit zijn soorten die een hogere natuurkwaliteit vereisen en die tegenwoordig zelden buiten beschermde natuurgebieden worden aangetroffen. Als deze soorten in stedelijke of agrarische worden waargenomen, duidt dat op een extra ecologische waarde die de basiscriteria van de BKN overstijgt. Van de 645 indicatorsoorten voor het landelijke gebied zijn er 191 als plussoort aangemerkt. Deze fungeren als indicatoren voor landschappen van hogere ecologische kwaliteit.

Het toepassen van de BKN in zowel stedelijke als landelijke gebieden levert een belangrijke bijdrage aan het behoud en herstel van biodiversiteit en de ecosysteemdiensten die daarmee samenhangen. De BKN vormt het minimale niveau van ecologische kwaliteit, maar vanuit dit fundament is het de ambitie om, waar mogelijk, te streven naar meer en robuustere natuurwaarden.

De ontwikkeling van groennormen 

Een groennorm stelt richtlijnen op vast voor de minimale hoeveelheid groen in een gebied. Zo bevordert de groennorm kan leefbaarheid, biodiversiteit en klimaatbestendigheid worden bevorderd. Een norm kan bijvoorbeeld vastleggen hoeveel vierkante meter groen per woning vereist is of hoeveel aaneengesloten groen nodig is in een buurt. Er bestaan verschillende groennormen, zoals de 3‑30‑300-regel van Konijnendijk[1]. Er is (nog) geen landelijke standaard vastgesteld.

Door toenemende verstedelijking en de druk op groene ruimtes erkennen gemeenten de waarde van groen voor gezondheid en welzijn, maar ondervinden ze uitdagingen bij het behoud ervan. Een groennorm kan dan houvast bieden en groen een integraal onderdeel maken van stedelijke planning. 

Exoten: de risico’s voor biodiversiteit en leefbaarheid

Overal in Nederland komen invasieve exoten voor, zoals de Japanse duizendknoop en de reuzenbereklauw. Exoten verdringen inheemse planten doordat ze sterk groeien door de grote groeikracht en het gebrek aan natuurlijke vijanden. De Europese overheid heeft een verordening opgesteld Door de Europese overheid is een verordening opgesteld die zich richt op de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten binnen de EU. Een onderdeel van deze verordening is de Unielijst. Hierop staan soorten die al in delen van de Europese Unie voorkomen en schade toebrengen of dit in de toekomst waarschijnlijk gaan doen. Soorten op deze lijst moeten actief bestreden worden.

5.3 De huidige situatie

5.3.1 Inleiding

Pijnacker-Nootdorp heeft een uitgesproken groene uitstraling, mede dankzij de groenrijke buurten. Voor de analyse van de natuurwaarden van het groen hanteren we de methodiek van de Basiskwaliteit Natuur.

5.3.2 Groenpercentage per buurt en functie van dit groen

Het groen in de hoofdgroenstructuur, het openbaar groen in de straten en het groen in onze tuinen vormen samen het karakteristieke groene landschap van onze leefomgeving. Dit groen biedt ook een belangrijk leefgebied voor allerlei planten en dieren. Het groenpercentage en het oppervlak van boomkronen worden berekend op basis van openbare gegevens uit de Klimaateffectatlas. Om vast te stellen of een gebied versteend of juist vergroend is, gebruiken we worden luchtfoto’s van Nederland gebruikt die in de zomer zijn gemaakt. Deze foto’s zijn genomen tussen mei en september en hebben een resolutie van 25 bij 25 centimeter. Hierbij wordt zowel het openbare als het private groen, zoals tuinen, meegenomen, terwijl agrarisch gebied wordt uitgesloten. Soms kan het boomkroonpercentage lager lijken, ook al oogt een buurt groen. Dit komt doordat factoren zoals de gekozen boomsoort en de grootte van de bomen invloed hebben. Kleine bomen zorgen wel voor een groene uitstraling, maar dragen relatief weinig bij aan het totale boomkroonpercentage. In de tabellen 3, 4 en 5 staat het aandeel groen binnen de kernen, met het groenpercentage per buurt. Het gemiddelde groenpercentage binnen onze buurten ligt rond de 29 procent, waarbij zowel laag groen als boomkronen worden meegeteld.

 

Tabel 3: Groenpercentage Pijnacker

Buurtnaam Pijnacker

Groenpercentage

Laag groen

Boomkroon

Pijnacker centrum 

30%

14%

16%

Pijnacker Noord

37%

18%

19%

Ackerswoude

16%

12%

4%

De Boezem

18%

13%

5%

Klapwijk

47%

16%

31%

Tolhek

36%

27%

9%

Tolhek centrumlijn

36%

27%

9%

Keijzershof Boszoom

17%

16%

1%

Keijzershof Eilanden

25%

19%

6%

Keijzershof Erven

19%

16%

3%

Koningshof

47%

16%

31%

 
Tabel 4: Groenpercentage Nootdorp

Buurtnaam Nootdorp

Groenpercentage

Laag groen

Boomkroon

De Venen/Creayenburch

45%

27%

18%

De Venen Oost

34%

21%

13%

De Venen Centrum

24%

16%

8%

Nootdorp Centrum/West

27%

12%

15%

Vrouwtjesland/Nieuweveen

28%

19%

9%

Achter het Raadhuis

27%

20%

7%

‘s-Gravenhout

36%

24%

12%

Oostambacht/Heronpark

23%

16%

7%

 
Tabel 5: Groenpercentage Delfgauw

Buurtnaam Delfgauw

Groenpercentage

Laag groen

Boomkroon

Oud-Delfgauw

30%

21%

9%

Emerald Noord

36%

24%

12%

Emerald Centrum

32%

22%

10%

Emerald Zuid

34%

27%

7%

Ruyven

25%

16%

9%

 

Groen heeft meerdere functies die op verschillende manieren worden beheerd. De volgende groenfuncties worden onderscheiden:

  • Gebruikersgroen: Dit betreft parken, sportvelden en speeltuinen. Dergelijke ruimtes worden intensiever beheerd, met regelmatig maaien, snoeien en onderhoud, zodat zij een prettige en veilige omgeving bieden voor recreatie en dagelijks gebruik.

  • Ecologisch waardevol groen: Hierbij gaat het om natuurgebieden en bloemrijke bermen. Dit groen wordt extensief en gefaseerd beheerd, zodat de natuurlijke processen de ruimte krijgen zich zoveel mogelijk te ontwikkelen en de biodiversiteit gestimuleerd wordt. 

  • Functioneel groen: Dit type omvat onder andere bomen langs wegen, geluidswallen, groene daken en verticaal groen. Het beheer hiervan richt zich op veiligheid en het behouden van de functionele kwaliteit.

  • Esthetisch groen: Sierbeplanting op pleinen en rotondes valt onder deze categorie. Hier vindt intensief onderhoud plaats om de visuele bijdrage en aantrekkelijkheid van de openbare ruimte te waarborgen.

  • Waterrijk groen: Dit betreft oevers en rietkragen, waarbij het beheer zowel gericht is op ecologische functies als op recreatieve mogelijkheden, met aandacht voor waterkwaliteit en natuurlijke dynamiek.

5.3.3 De biotopen van Pijnacker-Nootdorp

Een biotoop is een specifiek leefgebied waarin diverse soorten flora en fauna samenleven dankzij een samenspel van abiotische factoren zoals bodem, water, licht en klimaat. Binnen de gemeentegrenzen is een inventarisatie uitgevoerd naar de verschillende biotopen (leefgebieden) in Pijnacker-Nootdorp (zie Bijlage 3. Biotopenkaart). Deze inventarisatie is een bureaustudie op basis van literatuur en openbare data. Er is geen veldonderzoek verricht. De inventarisatie vormt een startpunt om meer inzicht te krijgen in de (potentiële) ecologische waarden in de gemeente. Biotopen kennen geen harde grenzen en lopen vaak in elkaar over, zeker in het buitengebied, in elkaar over. Het is van belang om de biotopenkaart te beschouwen als een hulpmiddel dat een indruk geeft van de aanwezigheid van biotopen bij (natuur)ontwikkeling. Op de biotopenkaart zijn de volgende biotopen onderscheiden:

Grasland 

Regulier beheerde graslanden (zoals gazon) zijn vaak voedselrijker en kennen daardoor een geringe variatie aan plantensoorten. Dit resulteert in een beperkte diversiteit aan diersoorten die hiervan kunnen profiteren.

Bloemrijk grasland

Ecologisch beheerd, bloemrijk grasland bevat een grote verscheidenheid aan inheemse grassen en kruiden. Dit maakt het type bijzonder waardevol voor insecten en weidevogels.

Moeras 

Moerasgebieden, vaak bestaande uit ondiepe wateren zonder aansluiting op het oppervlaktewater, zijn belangrijk voor veel soorten. Deze omstandigheden zijn voordelig voor bepaalde amfibieën, aangezien de visstand hier vaak beperkt of afwezig is.

Oever en open water 

Zuurstofrijk voedselarm water in combinatie met geleidelijk aflopende oevers (natuurvriendelijke oevers) bedekt met (riet)vegetatie vormt een waardevol habitat voor bepaalde vissoorten, libellen en watervogels.

Pioniervegetatie, akkerland en ruigte

Dit type biotoop bestaat doorgaans uit vegetatie die als eerste opkomt bij bijvoorbeeld braakliggende grond (pionier soorten). Het vervult een belangrijke functie voor soorten die afhankelijk zijn van open, zanderige omgevingen.

Houtopstand

Goed ontwikkelde houtopstanden, met een duidelijke gelaagdheid en sporadisch aanwezig dood hout, bieden leefgebied aan soorten die behoefte hebben aan veel dekking en een rijk aanbod aan voedsel in de vorm van bodemdieren.

Dorpsbiotopen 

In en rondom de dorpskernen en werkgebieden bevinden zich voornamelijk de dorpsbiotopen. Deze omvatten bebouwde gebieden zoals woonwijken, lintbebouwing, bedrijventerreinen en glastuinbouw en worden afgewisseld met biotopen die kenmerkender zijn voor het buitengebied. In de bebouwde omgeving vind je stadsnatuur bestaande uit bijvoorbeeld bermen, parkjes en bomenlanen, maar ook geveltuintjes en tuinen. 

5.3.4 Ecologische verbindingen binnen de hoofdgroenstructuur

In de groene contour en de hoofdgroenstructuur bevinden zich ecologische verbindingen. Deze verbindingen zorgen ervoor dat verschillende leefgebieden met elkaar verbonden zijn, zodat planten en dieren zich vrij kunnen verplaatsen en verspreiden. Hierdoor ontstaan groene corridors die een belangrijke bijdrage leveren aan de biodiversiteit en een gezond ecosysteem. Ecologische verbindingen voorkomen versnippering van leefgebieden en zorgen ervoor dat dieren zich kunnen voortplanten en voedsel kunnen vinden. Op die manier blijft de natuur in balans en wordt het landschap veerkrachtiger bij veranderingen.

De manier waarop de leefgebieden met elkaar verbonden zijn via deze ecologische verbindingen is te zien op Kaart 3: Ecologische hoofdgroenstructuur. Op deze kaart is ook aangegeven waar er aansluiting is op omliggende gebieden buiten de gemeente en waar barrières aanwezig zijn.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen grondgebonden verbindingen en boomkroonverbindingen. Dit verschil is belangrijk omdat verschillende diersoorten verschillende soorten verbindingen nodig hebben om zich te verplaatsen tussen de verschillende leefgebieden. Zo hebben wezel en egel stevige, grondgebonden verbindingen nodig, terwijl de merel zich juist verplaatst via aaneengesloten boomkronen.

Barrières in de ecologische verbinding

In de praktijk kennen ecologische verbindingen verschillende uitdagingen doordat er binnen deze structuren barrières aanwezig zijn. Deze barrières zijn in kaart 3 aangegeven met rode cirkels. Voorbeelden hiervan zijn bomenrijen die niet goed op elkaar aansluiten en structuurrijke bermen die worden onderbroken door wegen. Om het functioneren van ecologische verbindingen te verbeteren, is het belangrijk om deze barrières waar mogelijk weg te nemen op te heffen. Daarnaast draagt het creëren van extra verbindingen tussen leefgebieden en tussen de bestaande hoofdverbindingen bij aan het versterken van een robuuster en veerkrachtiger ecosysteem.

Kaart 3: Ecologische hoofdgroenstructuur
afbeelding binnen de regeling

5.4 Leidende principes

5.4.1 Inleiding

De leidende principes waarderen, verbeteren en uitbreiden vormen het uitgangspunt voor de groene ambities van de gemeente. Deze ambities dragen bij aan het behoud en de versterken van een samenhangende groenstructuur, waarbij de ecologische waarde centraal staat en de recreatieve waarde een aanvullende rol speelt. Daarnaast zet de gemeente in op een natuur inclusieve omgeving met een robuuste biodiversiteit en het verbeteren en uitbreiden van biotopen en ecologische verbindingszones. Tot slot wordt structureel geïnvesteerd in het behoud en de uitbreiding van een duurzaam bomenbestand, dat een belangrijke bijdrage levert aan de biodiversiteit. De Basiskwaliteit Natuur vormt een belangrijke basis voor de onderbouwing van de leidende principes. 

5.4.2 Waarderen
5.4.2.1 We behouden huidige ecologische verbindingen

Het behoud van de ecologische verbindingen, afgebeeld in kaart 3, vormt een belangrijk uitgangspunt voor de ambities van de gemeente. De ecologische verbindingen leggen de basis voor de inzet op een verhoging van de biodiversiteit in de komende jaren. De ecologische verbindingen zijn onderdeel van de hoofdgroenstructuur (zie 3.3 Leidende principes voor de hoofdgroenstructuur en landschap).

5.4.2.2 We zetten groenbeheer op natuurlijke wijze voort

De gemeente richt zich op een groenbeheer dat aansluit bij de verschillende functies van het openbaar groen. De beheerintensiteit varieert per type groen, afhankelijk van de functie en de beoogde doelstellingen. De gemeente werkt volgens de Gedragscode Stadswerk. Dit is opgenomen in bestekken. Bij het periodieke onderhoud wordt gewerkt aan het beheer op natuurlijke wijze. In enkele gevallen volstaat een aanpassing van het groenbeheer niet. In dergelijke situaties is een omvorming van de bestaande groenvoorziening noodzakelijk, bijvoorbeeld door traditionele heesters of gazons (veelal gericht op sierwaarde) te vervangen door inheemse kruiden en/of struiken.

5.4.2.3 Schadelijke exoten worden bestreden

Japanse duizendknoop en reuzenbereklauw zijn invasieve exoten die door de gemeente actief worden bestreden. Er zijn ook invasieve exoten die moeilijker te bestrijden zijn, zoals de Amerikaanse rivierkreeft. Deze exoot is sterk in opkomst en veroorzaakt een aanzienlijke afname van de biodiversiteit in het water. Recente onderzoeken tonen aan dat de beste bestrijding van deze soort plaatsvindt door natuurherstel, bijvoorbeeld door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers. Uit de praktijk blijkt dat de populatie rivierkreeften hierdoor flink afneemt. Het Hoogheemraadschap is de aangewezen partij om hierin op te treden, omdat zij verantwoordelijk zijn voor het beheer van de meeste watergangen.

5.4.2.4 Inwoners worden betrokken bij groen

Het beheer en onderhoud van het openbaar groen is een taak van de gemeente, maar ook inwoners, bedrijven en verenigingen kunnen hierin een rol spelen. Bijvoorbeeld door het onderhouden van boomspiegels of het adopteren van bewonersgroen. Dit draagt niet alleen bij aan een schone en verzorgde leefomgeving, maar versterkt ook de betrokkenheid van inwoners bij het groen in hun buurt.

5.4.2.5 Snippergroen blijft in eigendom van de gemeente, en dit wordt niet verkocht.

Snippergroen zijn kleine stukjes openbaar groen die grenzen aan particuliere percelen. De gemeente ontvangt regelmatig verzoeken van inwoners om deze stukjes te kopen, huren of gebruiken. Sinds 2022 is de verkoop van snippergroen stopgezet. Dit beleid wordt voortgezet vanwege de belangrijke rol van deze openbare ruimte voor duurzaamheid, biodiversiteit en klimaatadaptatie.

5.4.3 Verbeteren
5.4.3.1 De kwaliteit van de verschillende biotopen verbeteren door introduceren van ambassadeursoorten

We verbeteren de kwaliteit van de verschillende biotopen door deze in te richten op basis van de behoeften van de zogenaamde ambassadeursoorten. Dit zijn diersoorten die een belangrijk onderdeel van een bepaald biotoop vertegenwoordigen, omdat ze specifieke elementen in hun leefomgeving nodig hebben om te kunnen overleven. 

Figuur 7: De 15 ambassadeursoorten, aangegeven in welk biotoop deze voorkomen
afbeelding binnen de regeling

De huismus is bijvoorbeeld een soort die veel struweel in zijn leefomgeving nodig heeft en de kleine watersalamander is afhankelijk van poelen en watergangen met weinig tot geen vissen. De huismus is dus ambassadeur voor voldoende struweel en de kleine watersalamander voor poelen en andere visvrije watergangen. Op basis van deze kennis kunnen ambassadeursoorten worden gekoppeld aan specifieke elementen binnen de biotopen. Het ontbreken van zulke elementen in het landschap verkleint de kans dat deze soorten zich in een gebied vestigen of handhaven. Wanneer de benodigde elementen wél aanwezig zijn of doelgericht aan het landschap worden toegevoegd, ontstaat er een basiskwaliteit die in de gemeente aanwezig zou moeten zijn. Deze aanpak helpt om de leefomgeving structureel te verbeteren en draagt bij aan het herstel en behoud van biodiversiteit. Voor onze gemeente zijn vijftien ambassadeursoorten gekozen die de “Basiskwaliteit Natuur” vertegenwoordigen (zie figuur 8). Zoals eerder omschreven, staat elke soort voor een specifiek element van de biotopen en/of het toevoegen ervan. Wanneer deze elementen aanwezig zijn, profiteren soorten die van dezelfde biotoop gebruik maken, hier ook van. Bij de keuze voor ambassadeursoorten is gekeken naar BKN soorten maar ook naar icoonsoorten van de provincie, en uiteraard is de lokale context (komt een soort hier van nature voor) ook meegenomen, zie Bijlage 4. Basiskwaliteit natuur (BKN) soorten voor de uitwerking. Dit is ook uitgewerkt voor de HKN soorten. (Zie Bijlage 5. Hoge kwaliteit natuur (HKN) soorten). In Bijlage 6. Maatregelen ter bevordering van biotopen, aan de hand van ambassadeursoorten zijn de ambassadeursoorten gekoppeld aan maatregelen die helpen bij het behouden en creëren van waardevolle biotopen en welke zorgen voor een Basiskwaliteit Natuur. 

 

  • a.

    Realiseer en behoud lijnstructuren. zoals bomenrijen en aaneengesloten groen zoals struiken en kruiden

  • b.

    Kies voor inheemse, streekeigen soorten bij de aanplant van bomen, struiken en kruiden

  • c.

    Behoud (waar mogelijk) oudere en/of staande dode bomen

  • d.

    Kies voor hagen in plaats van onnatuurlijke afscheidingen (zoals schuttingen)

  • e.

    Kies in biotopen en ecologische verbindingen zoveel mogelijk voor ecologisch beheer

    • 1.

      Kies hierbij voor extensief, gefaseerd, maaien bij kruiden- en bloemrijk grasland

    • 2.

      Beheer (en leg aan waar mogelijk) amfibieënpoelen

  • f.

    Zorg voor geleidelijke overgangen

    • 1.

      Realiseer zoomvegetatie bestaande uit bloeiende struiken als overgang tussen kruiden en bomen

    • 2.

      Vervang beschoeiing langs waterwegen met natuurvriendelijke oevers; door een flauw talud (verhouding 1:10) met bijpassend ecologisch beheer

  • g.

    Bouw natuur inclusief, bijvoorbeeld door

    • 1.

      Leg groene daken en gevels aan

    • 2.

      Creëren van nest- en verblijfsplaatsen voor vogels en vleermuizen in gebouwen

  • h.

    Aanplant of beheer van overhoekjes en ruigtestroken langs perceelranden

5.4.3.2 Barrières verminderen

De bestaande ecologische verbindingen worden behouden, terwijl tegelijkertijd actief wordt ingezet op uitbreiding en versterking van deze structuren. De eerste uitdaging hierbij is het opheffen van bestaande barrières. Dit gebeurt door bestaande verbindingen te verbeteren en nieuwe aan te leggen. In gebieden waar zich nog barrières bevinden, worden faunavoorzieningen toegepast, zoals faunapassages, vistrappen en amfibieëntrappen. Deze voorzieningen maken het voor verschillende soortgroepen mogelijk om zich veilig te verplaatsen en voorkomen dat populaties geïsoleerd raken. Zo blijven genetische uitwisseling en gezonde, veerkrachtige populaties gewaarborgd.

5.4.3.3 Toepassen van natuur inclusief bouwen bij bouwprojecten

Bij natuurinclusief bouwen worden natuur en biodiversiteit op een integrale wijze meegenomen in de ontwikkeling van bouwprojecten. Deze benadering draagt niet alleen bij aan het versterken van de biodiversiteit, maar ook aan klimaatadaptatie, een aantrekkelijke leefomgeving en de gezondheid van inwoners. Er zijn uiteenlopende maatregelen beschikbaar die aan deze doelen bijdragen, zoals groene daken en gevels, wadi’s, nestkasten voor vogels, vleermuisverblijven en een ecologisch ingerichte buitenruimte.

Het is essentieel dat deze maatregelen in samenhang worden toegepast. Zo is het bijvoorbeeld niet voldoende om alleen nestvoorzieningen voor huismussen te plaatsen; er moet ook worden gezorgd voor geschikte beplanting en een voedselrijke omgeving, zoals struiken en kruidenrijke bermen, in de directe nabijheid.

In de huidige projecten wordt al ervaring opgedaan met natuurinclusief bouwen via de gids ‘natuurinclusief ontwikkelen’[1]. Op basis van deze ervaringen wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een puntensysteem. Dit systeem maakt het mogelijk om natuurinclusieve maatregelen op een gestructureerde manier te beoordelen en voorwaarden te stellen bij bouwplannen. Zo krijgt de natuur een duidelijke positie binnen de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. Het puntensysteem vormt daarbij een kwalitatieve aanvulling op de kwantitatieve groennorm, en helpt om de groene ambities van de gemeente op een samenhangende en meetbare manier te realiseren. 

 

5.4.3.4 Verbeteren datavoorziening

De gemeente maakt gebruik van een beheersysteem voor groen. Om in de toekomst het beheersysteem ook te kunnen gebruiken voor de kwalitatieve monitoring van de ecologische doelen, is het noodzakelijk de gegevens te actualiseren en aan te vullen. Met deze geactualiseerde data kan worden gewaarborgd dat er een solide basis is voor toekomstbestendig groenbeheer.

5.4.3.5 Bevorderen betrokkenheid en bewustwording inwoners

Naast fysiek onderhoud neemt de gemeente samen met inwoners en bedrijven verantwoordelijkheid voor het verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Bewustwording vergroten en betrokkenheid zijn hierbij cruciaal. Om dit te bevorderen, zet de gemeente in op gerichte communicatiecampagnes, zoals een themapagina in de lokale krant, informatieve berichten op sociale media en andere communicatiemiddelen om inwoners actief te informeren en enthousiasmeren.

Een belangrijk aandachtspunt binnen deze communicatie is het ecologisch beheer. Deze manier van beheren versterkt de biodiversiteit, maar brengt ook een ander, natuurlijker uiterlijk van de openbare ruimte met zich mee. Om draagvlak te creëren voor deze aanpak, informeert de gemeente inwoners over de voordelen en wat zij kunnen verwachten. Wanneer mensen begrijpen hoe ecologisch beheer bijdraagt aan een gezonde leefomgeving en het behoud van soorten, neemt hun waardering toe. Hierdoor groeit ook de betrokkenheid van inwoners en worden zij gestimuleerd om zelf bij te dragen aan een groene, klimaatbestendige en duurzame leefomgeving.

5.4.4 Uitbreiden
5.4.4.1 Verhogen van hoeveelheid groen en biodiversiteit door groennorm 3‑30‑300

Het is voor een toekomstbestendige en volwaardige kwalitatieve groene inrichting van nieuwe woonwijken nodig om te gaan werken met een groennorm. Bij het maken van plannen voor nieuwe woonwijken is uitgangspunt dat invulling wordt gegeven aan de groennorm 3‑30‑300 van Konijnendijk. Deze norm behelst:

 

  • a.

    Vanuit elke woning zijn minstens drie bomen zichtbaar (of een andere robuuste groenvoorziening als het planten van bomen niet mogelijk is);

  • b.

    30% van elke straat is bedekt met schaduw (boomkroonvolume);

  • c.

    Op maximaal 300 meter loopafstand van elke woning is een groene verblijfsplek.

De ambitie om een groennorm toe te passen sluit aan bij de (deels in ontwikkeling zijnde) internationale wet- en regelgeving, zoals de EU Natuurherstelwet en sluit aan bij onderzoek vanuit de Rijksoverheid, zoals de Handreiking Groen in en om de stad. Bij het opstellen van de ambitiedocumenten voor Dwarskade en Overgauw is hiermee al een begin gemaakt. De groennorm 3‑30‑300 geldt als uitgangspunt voor nieuwe woonwijken. Bij herinrichting van de wijk kan de norm als leidraad worden gehanteerd.

5.4.4.2 Ambitie voor percentage groen in openbare ruimte

Bij de toepassing van de 3‑30‑300-norm ligt de nadruk op de aanwezigheid en spreiding van bomen in de leefomgeving. Er ontstaan daarnaast landelijke initiatieven om aanvullend op deze norm ook een minimale ambitie te formuleren voor het totale groenpercentage in een woonwijk. Hierbij wordt soms gekeken naar het totale groen, inclusief particuliere tuinen, omdat het onderscheid tussen openbaar en privégroen lastig is vast te stellen via satellietbeelden. In Pijnacker-Nootdorp bedraagt het gemiddelde groenpercentage in woonbuurten momenteel ongeveer 29% (inclusief tuinen). Binnen het Convenant Klimaatadaptief Bouwen van de provincie Zuid-Holland, dat onze gemeente in 2021 heeft ondertekend, is afgesproken dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen minimaal 30% van het oppervlak groen wordt ingericht. Deze minimumeis hanteren we nu consequent bij nieuwe ontwikkelingen, waarbij we waar mogelijk streven naar méér groen.

De gemeente stimuleert inwoners om hun tuinen te vergroenen, om zo bij te dragen aan klimaatadaptatie en het behoud van biodiversiteit. Hoewel dit particuliere groen essentieel is voor het behalen van de groenambitie per wijk, kunnen we dit niet reguleren. Daardoor blijft het aandeel privégroen kwetsbaar en onvoorspelbaar. Het openbare groen biedt daarentegen wél sturingsmogelijkheden om een leefbare, gezonde woonomgeving te realiseren. Volgens de Handreiking Groen in en om de Stad (Rijksoverheid, 2024) geldt als uitgangspunt dat minstens 50% van het groen in een wijk uit openbaar, biodivers groen moet bestaan. Wij vertalen dit naar een ondergrens van 15% openbaar groen per wijk (de helft van de totale 30%), met de ambitie om dit aandeel waar mogelijk te verhogen naar 20%.

5.4.4.3 Monitoren op de kwantiteit en de kwaliteit van het groen

Structurele monitoring is essentieel om te kunnen sturen op de ecologische kwaliteit van groen. In sommige gebieden monitort de gemeente op natuurwaarden, maar een gestructureerde monitoring voor de hele gemeente ontbreekt nog. Daarom stellen we een plan van aanpak op. Hierbij maken we gebruik van de inventarisatie van biotopen en ecologische verbindingen in Pijnacker-Nootdorp (zie 5.2.2 De biotopen van Pijnacker-Nootdorp), en van de ambassadeurssoorten (zie 5.3.2 Verbeteren). Het plan van aanpak werkt de volgende lijn uit.

 

  • a.

    Het vaststellen van de aspecten waarop we gaan monitoren, zoals:

    • 1.

      De voortgang van geplande ingrepen en maatregelen;

    • 2.

      De kwaliteit van biotopen en ecologische verbindingen (condities voor de biotopen met de bijbehorende ambassadeurssoorten)

    • 3.

      De biodiversiteit binnen de gemeente

  • b.

    Het in beeld brengen van de ecologische kwaliteit van het huidige groen

    • 1.

      Momenteel is er onvoldoende inzicht in de huidige kwaliteit van leefgebieden en verbindingen. Met een veldschouw beoordelen we per gebied de conditie van het groen, en of er aanpassingen nodig zijn. Hiervoor spreken we een protocol af. Het uitgewerkte schouw systeem kunnen we vervolgens in de hele gemeente toepassen in de groene hoofdstructuur. Mogelijk werken we bij de schouw samen met vrijwilligers. De schouw is aanvullend op de informatie in het groenbeheersysteem. Zo krijgen we zicht op de kwaliteit van het groen

  • c.

    Het meten van aantallen van soortgroepen

    • 1.

      Een schouw zoals beschreven, geeft de verwachtingswaarde weer van de ambassadeurssoorten van Pijnacker-Nootdorp. De vraag is of deze soorten daadwerkelijk aanwezig zijn. Voor de langere termijn is het daarom van belang om ook op soortgroepen (bijvoorbeeld vlinders en flora) te gaan monitoren in een zogenaamd Meetnet biodiversiteit. Hierbij inventariseren we verschillende soortgroepen volgens vaste protocollen eens per jaar. Door aan te sluiten bij landelijke meetnetten bijbehorende protocollen, zijn lokale trends en ontwikkelingen ook te vergelijken met landelijke trends

  • d.

    Het structureel herhalen van de monitoring

    • 1.

      Hiermee volgen we de ontwikkeling van de ecologische kwaliteit, en brengen we de trends in kaart. Deze informatie helpt ons om het beheer en ingrepen gericht aan te sturen.

  • e.

    Het gebruik maken van monitoring in specifieke gebieden

    • 1.

      Voor het Weidevogelkerngebied Zuidpolder van Delfgauw en de eendenkooi is een bestaande monitoring georganiseerd. Deze blijft behouden en wordt geïntegreerd in de gemeente-brede aanpak.

  • f.

    We zoeken hierin samenwerking met onze buurtgemeenten en Staatsbosbeheer

    • 1.

      In Regiopark Buytenhout is een start gemaakt om de monitoring op elkaar af te stemmen.

5.4.4.4 Uitbreiden van de ecologische verbindingen koppelkansen transformatiegebieden

Bij het ontwikkelen van nieuwe woonwijken kan de hoofdgroenstructuur en het realiseren als koppelkans worden meegenomen. Om zowel de hoofdgroenstructuur als de ecologische verbindingen uit te kunnen breiden, hebben we kansrijke verbindingen in kaart gebracht:

Dwarskadegebied

Bij de ontwikkeling van het Dwarskadegebied ontstaan mogelijkheden om de nieuwe woonwijk te verbinden met het groene buitengebied. Door deze ‘stad-landverbindingen’ verder de wijk in te trekken en de laten aansluiten op de hoofdgroenstructuur van de rest van de kern, maken we de hoofdgroenstructuur van Nootdorp een robuuster geheel en ontstaan meer mogelijkheden voor ecologische verbindingen. De ambities uit de ambitienotitie Dwarskade (2023) zijn in het Omgevingsprogramma overgenomen.

Overgauw

Bij de ontwikkeling van Overgauw ontstaan mogelijkheden om de locaties te verbinden met de hoofdgroenstructuur van de rest van de kern. De ambities uit de ambitienotitie Overgauw (2024) zijn gericht op een noord-zuid verbinding tussen de ecologische zone in Tuindershof en het groen bij de plas achter de dr. Van der Horstlaan. Deze verbinding is in dit programma opgenomen.

Balijade

Bij de toekomstige ontwikkeling van Balijade ontstaan kansen om de in de Omgevingsvisie opgenomen ecologische verbinding tussen de Groenzoom en het Balijbos daadwerkelijk vorm te geven. De ambitie is om in dit gebied een volwaardige ecologische verbinding te realiseren, inclusief een wandel- of struinpad, die het Balijbos en Groenzoom met elkaar verbindt.

Als koppelkans nemen we bij de geplande reconstructie van de Katwijkerlaan (2025–2027) een faunapassage onder de weg op in het programma van eisen. Hiermee zetten we een belangrijke stap in het verbeteren van de doorstroming voor dieren.

5.4.4.5 Uitbreiden van de ecologische verbindingen koppelkansen gemeentelijke projecten

Bij projecten voor nieuwe infrastructuur kan het realiseren van ecologische verbindingen als koppelkans worden meegenomen. Hiervoor hebben we kansrijke verbindingen in kaart gebracht:

Verbinding van Komkommerweg naar het Bieslandsebos: 

De ambitie is om een ecologische verbinding te realiseren tussen de Zuidpolder van Delfgauw en het Bieslandsebos. Bij de aanleg van de Komkommerweg is een aanzet gegeven en is langs de weg een ecologische zone gerealiseerd. Het realiseren van het ontbrekende deel tussen de Komkommerweg en het Bieslandsebos is als ambitie opgenomen. De realisatie kan (mogelijk in delen) als koppelkans meeliften bij het doortrekken van de Komkommerweg en bij de mogelijke herstructurering van het glastuinbouwgebied van de Noordpolder.

Verbinding van Zuidpolder naar Midden-Delfland 

Deze uitbreiding is een koppelkans met de ontwikkeling van de Metropolitane Fietsroute Delft-Rotterdam (MFR). Bij het ontwerp MFR is een ecofietsbrug over de A13 gepland. In het project is een smalle ecologische verbinding meegenomen. Vervolgens wordt een ecologische verbinding aangelegd naar de Ackerdijkse Plassen.

Verbinding Klapwijk naar FES-gebied

Bij de ontwikkeling van de glastuinbouwkavel aan de Hoogseweg is de ambitie opgenomen om een ecologische verbinding vanaf de rand van Klapwijk naar het FES-gebied en langs het fietspad het Oostlandpad te realiseren.

5.4.4.6 Uitbreiden van de ecologische verbindingen via projecten derden

Ook andere gemeenten en gebiedsbeheerders werken aan het verbeteren van ecologische verbindingen binnen hun werkgebied. Hiervoor hebben wede volgende projecten in kaart gebracht:

Verbinding Balijbos-Westerpark Zoetermeer

De A12 en spoorlijn vormen een belangrijke barrière tussen het Balijbos en het Westerpark in Zoetermeer. De gemeente Zoetermeer heeft een onderzoek uitgevoerd om de barrièrewerking te verminderen en een oude tunnel onder de A12 te benutten als faunapassage.

Uitbreiding en verbetering van het Krekengebied Bieslandsebos

Staatsbosbeheer heeft in 2024 de Ontwikkelagenda Balij Bieslandse Bos opgesteld. Hierin is een onderzoek opgenomen naar het verbeteren van het Krekengebied. Dit gebied is een waardevol nat ecologische NNN-gebied (veenmoeras). Er wordt onderzocht of ten oosten een uitbreiding van het NNN-gebied mogelijk is in de vorm van de ontwikkeling van vochtig bos. Hierbij wordt ook onderzocht of de recreatieve beleefbaarheid vanaf de randen kan worden verbeterd.

Natte verbinding tussen krekengebied Bieslandsebos en Balijbos (Scheg)

In de Ontwikkelagenda Balij Bieslandse Bos is ook het project opgenomen voor een onderzoek naar een natte ecologische verbinding. Het gaat om het verbinden van de natte natuur in het Krekengebied met de natte zone van De Scheg in het Balijbos met een (aaneengesloten) netwerk van natte ecologische zones met natuurvriendelijke oevers en oevervegetatie. 

6 Recreatie, spelen en bewegen

6.1 Inleiding

Het groen in en rondom de kernen biedt volop ruimte om te recreëren, te spelen en te bewegen. Voldoende beweging is belangrijk voor onze fysieke en mentale gezondheid. We maken het onze inwoners makkelijker om actief te zijn en elkaar te ontmoeten. Onder het thema ‘recreatie, spelen en bewegen’ vallen:

  • Het recreatief gebruik van groengebieden buiten de kernen, inclusief voorzieningen zoals wandel- en fietspaden, ruiterroutes, trim- en beweegparcours, vissteigers en kanoroutes;

  • De mogelijkheden om te spelen en te bewegen binnen de kernen, met voorzieningen zoals speelterreinen en andere plekken die bewegen en ontmoeten stimuleren.

6.2 Trends en uitdagingen

Meer aandacht voor bewegen en gezondheid

De inrichting van onze leefomgeving beïnvloed direct de gezondheid van mensen en op het aantal gezonde levensjaren. Steeds meer gemeenten passen de fysieke leefruimte zó aan dat mensen meer gaan bewegen. Maatschappelijke trends zoals de toename van obesitas bij kinderen, de wens om mentaal en fysiek gezonder oud te worden, de groeiende aandacht voor gezond eten, en de impact van de coronapandemie in 2020 hebben een sterke invloed op onze gezondheid. Hoe we onze openbare ruimte vormgeven, bepaalt voor een groot deel de keuzes die mensen maken om in beweging te blijven. 

Bewegen en ontmoeten voor alle leeftijden

Door de vergrijzing en de coronapandemie in 2020 is de aandacht  voor het belang dat mensen van alle leeftijden kunnen bewegen en elkaar kunnen ontmoeten in de openbare ruimte gegroeid. Steeds meer mensen gaan wandelen, trimmen en fietsen. Daarnaast winnen nieuwe vormen van buitenrecreatie, zoals off-road fietsen en bootcamp, aan populariteit. Ook buitenevenementen zoals picknicken en barbecueën komen steeds vaker voor. Dit vraagt om aanpassing van voorzieningen, zodat ze aansluiten bij het toegenomen en veranderde gebruik. Een beweegvriendelijke openbare ruimte verbetert de gezondheid van inwoners. Daarvoor zijn niet altijd grote ingrepen nodig. Voor ouderen kan het al helpen als er voldoende bankjes staan om uit te rusten. Ook kleine aanpassingen, zoals motiverende bordjes of wandeltegels, kunnen mensen stimuleren mensen om een ommetje te maken.

Bewegen en ontmoeten voor de jeugd

In de kernen ligt een fijnmazig netwerk van speelplekken. De afgelopen jaren hebben we ons gericht op het realiseren van centraal gelegen speelplekken, die geschikt zijn voor een brede doelgroep. Dit stimuleert ontmoeting in de wijk. Daarnaast is er steeds meer aandacht voor inclusieve speeltoestellen, zodat ook kinderen met een beperking veilig kunnen spelen.

Meer inwoners, meer recreanten

Onze gemeente is in de afgelopen decennia sterk gegroeid. Door de toename van het aantal inwoners, zowel lokaal als regionaal, is de recreatiedruk op het buitengebied flink gestegen – en deze druk zal de komende jaren verder toenemen. In de Omgevingsvisie is daarom de ambitie opgenomen om het groene buitengebied optimaal te benutten én te behouden, door een zonering aan te brengen met zowel rustige als intensievere gebieden. Het recreatief gebruik moet in balans blijven met de kwaliteiten van natuur en landschap."

Nieuwe regeling financiering beheer recreatiegebieden

Buytenhout is voor het grootste deel (Balij- en Bieslandse bos) in eigendom en beheer bij Staatsbosbeheer. Voor de Dobbeplas en het Wandelbos is de gemeente verantwoordelijk voor het beheer. De uitvoering van het beheer gebeurt hier door Staatsbosbeheer in opdracht van de gemeente. Vanaf 2026 wijzigt de Subsidieregeling beheer recreatiegebieden Zuid-Holland. In de nieuwe regeling wordt één normkostensysteem gehanteerd voor alle recreatiegebieden met een omvang vanaf 100 hectare (en waarvoor het beheer bij eigendomsoverdracht niet is afgekocht, zoals in de Groenzoom en Ruyven). De beheerbijdrage is in de nieuwe regeling gemaximeerd op 40% van de normkosten voor het beheer en toezicht. Voor het gebied Dobbeplas betekent dit dat de beheerbijdrage daalt van 80% van de feitelijke beheerkosten naar maximaal 40% van de normkosten. Voor de gebieden van Staatsbosbeheer in Buytenhout betekent de nieuwe regeling een structurele bijdrage van de provincie voor het beheer.

6.3 Huidige situatie

6.3.1 Recreatie

Kaart 4 toont een overzicht van de belangrijkste recreatieve routes en voorzieningen in het groene buitengebied. Hieronder wordt dit verder toegelicht.

Recreëren buiten de kernen

Het groene buitengebied is een unieke en onderscheidende kwaliteit van Pijnacker-Nootdorp. Steeds meer mensen zijn hier komen wonen en willen ook gebruik maken van deze groene ruimte. Rond de kernen liggen drie herkenbare hoofdgebieden: Buytenhout, de Groenzoom en het Oude Leedegebied. Elk gebied is op zijn eigen manier aantrekkelijk voor verschillende vormen van recreatie (zie kaart 4). Tegelijk moeten we in deze gebieden ook rekening houden met de natuurwaarden en de agrarische activiteiten. 

Recreatie in Buytenhout

Buytenhout is als onderdeel van de Randstadgroenstructuur vanaf de jaren ‘70 van de vorige eeuw aangelegd als recreatiegebied en (productie)bos. Buytenhout is een groene buffer die loopt vanaf de Delftse Hout tot aan het Westerpark in Zoetermeer. Bosrijke gebieden wisselen af met open weides en moerassen, kleinere en grotere watergangen en een enkele plas. De verschillen in het landschap en de verbindingen over land en water zijn niet alleen waardevol voor recreanten, maar ook steeds meer planten en dieren vinden hier hun plek. Het gebied beschikt over een fijnmazig netwerk van wandel-, fiets- en ruiterpaden, aangevuld met kleinschalige voorzieningen zoals rustplekken, picknickplaatsen en een natuurspeelplaats. De omgeving van de Dobbeplas wordt intensief gebruikt voor recreatie. Er vinden evenementen plaats, er zijn twee restaurants en het is een populaire ontmoetingsplek. Ook de manege, skeelerbaan, het hondenbos en het zwemstrand trekken veel bezoekers van binnen en buiten de gemeente.

Kaart 4: Recreatiekaart
afbeelding binnen de regeling

Recreatie in De Groenzoom

De aanleg van De Groenzoom werd in 2016 voltooid. De Groenzoom is een langgerekte groene verbindingszone van 450 hectare die het open veenweidegebied van Midden-Delfland en de Zuidpolder verbindt met het Balijbos. Het is onderdeel van het Bijzonder Provinciaal Landschap Midden Delfland.

De Groenzoom is in korte tijd uitgegroeid tot een aantrekkelijk weids en open gebied, met afwisselende vegetatie. Langs de randen zijn volop mogelijkheden voor wandelaars en fietsers, en er is een kanoroute. In de open binnenruimten staan rust en natuurontwikkeling centraal. Hier liggen kansen voor agrarisch natuurbeheer.

De Groenzoom ligt voor ruim een derde deel in de gemeente Pijnacker-Nootdorp en voor bijna twee derde deel in Lansingerland. De gemeenten hebben het beheer in 2016 gezamenlijk aanbesteed. De uitvoering van het beheer vindt plaats door de Beheercombinatie Groenzoom. Een Gebruikersplatform adviseert de gemeenten over het beheer en het gebruik van dit gebied. 

Recreatie in de omgeving van Oude Leede 

In de omgeving van de Oude Leede is het karakteristieke veenweidelandschap duidelijk herkenbaar. Dit landschap is uniek en wordt gewaardeerd, maar is ook kwetsbaar. Het gebied neemt een bijzondere positie in als onderdeel van het Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland. Het behoud van dit waardevolle landschap, met daarbij de ecologische waarde (zoals weidevogels) en het behoud van de agrarische bedrijvigheid, staan centraal. In deze omgeving is recreatie vooral routegebonden en staat de beleving van rust, landschap en natuur centraal. In het lint van Oude Leede zijn enkele kleinschalige recreatieve voorzieningen aanwezig.  Het gebied Oude Leede bestaat uit drie deelgebieden.

In de Ackerdijkse Plassen staan de natuurwaarden op de eerste plaats. Behoud en verbetering van de biodiversiteit staan voorop. Dit landschap kan vanuit de linten en de aanwezige paden langs de randen worden ervaren door wandelaars en fietsers. Het gebied is in eigendom van en beheerd door Natuurmonumenten.

In de Zuidpolder van Delfgauw werken we samen met de Provincie, Staatsbosbeheer en het Hoogheemraadschap aan een kerngebied voor weidevogels. Na een grondruil zijn maatregelen genomen om de broed- en leefomstandigheden van de weidevogels te verbeteren. Het gebied is alleen te beleven vanaf de randen via recreatieve paden. 

Tussen de A13, het bedrijvenpark Ruyven en de Zuideindseweg ligt het gebied Ruyven. Dit gebied wordt deels gebruikt voor agrarische doeleinden en deels als recreatiegebied. Ruyven-Noord is een voormalig provinciaal recreatiegebied en bevat onder andere een freerunpark en een hondenlosloopgebied. Ruyven-Zuid is ingericht als overloopwaterberging en is toegankelijk via enkele recreatieve paden.

Een fijnmazig routenetwerk en voorzieningen voor doelgroepen 

In en om de kernen is een fijnmazig netwerk aanwezig van recreatieve paden om te wandelen, fietsen of te trimmen. Straten en paden in de kernen zijn verbonden met het netwerk van wandel- en fietspaden in het buitengebied. In het gemeentelijk fietsplan ‘Gelukkig op de fiets’ en het ruiterpadenplan zijn ambities geformuleerd voor nieuwe fiets- en ruiterroutes, evenals voor het verbeteren van bestaande routes. Deze ambities zijn in dit programma opgenomen.

Voor specifieke groepen zijn aparte routes en voorzieningen gerealiseerd. Zo zijn er aparte routes voor ruiters en kanovaarders. Het viswater is verhuurd aan Sportvisserijbelangen Delfland en op verschillende plekken zijn vissteigers geplaatst. Daarnaast zijn er specifieke voorzieningen voor skeeleren en fitness, en zijn losloopgebieden aangewezen voor honden.

6.3.2 Spelen en bewegen

Bewegen en ontmoeten voor de jeugd

De ambities en speelvoorzieningen in onze gemeente zijn van een hoog niveau dankzij de structurele aandacht in beleids- en beheerplannen. In het Beheerplan Spelen 2023-2026 staat bijvoorbeeld beschreven hoeveel speel- en ontmoetingsplekken voor jongeren per leeftijdsgroep nodig zijn, inclusief de maximale loopafstand die hiervoor geldt. Daarnaast besteden we extra aandacht aan inclusieve speeltoestellen, zodat ook kinderen met een beperking kunnen meespelen en genieten van de openbare ruimte.

Spreidingsrichtlijn 

Het beheerplan Spelen 2023-2026 richt zich vooral op jeugd tot achttien jaar. Voor de inrichting en de spreiding maken we onderscheid in drie leeftijdsgroepen (nul tot zes jaar, zes tot twaalf jaar en twaalf tot achttien jaar). Voor volwassenen is er daarnaast behoefte aan plekken om te sporten of te ontmoeten. Dit is uitgewerkt in de spreidingsrichtlijn, beschreven in tabel 6.

Tabel 6: Spreidingsrichtlijnen per leeftijdscategorie

Leeftijdscategorie  

Woningtypologie

Aantal kinderen (binnen bereik)

Bereik  

(Max afstand)

Minimaal oppervlakte

0-6

Hoogbouwwoningen

75-100

Buurt (~150m)

180m2

0-6

Grondgebondenwoningen

100-125

Buurt(~250m)

180m2

6-12

Alle typen

125-150

Wijk (~400m)

720m2

12-18

Alle typen

150-175

Kern (~1000m)

700-1000m2

Alle

Alle typen

0 - 200

Kern (~1000m)

700-1000m2

 

Dat is een belangrijk aandachtspunt! Voor de jongste kinderen van nul tot zes jaar houden we rekening met de aanwezigheid van begeleiders, waarvoor we ook zitgelegenheden voorzien. Vanaf zes jaar gaan kinderen steeds vaker zelfstandig op zoek naar speel- en ontmoetingsplekken binnen een steeds grotere afstand van huis. Daarnaast is het essentieel om bij het inrichten van speel- en ontmoetingsplekken goed te letten op de demografische samenstelling van een buurt of kern. Sommige wijken huisvesten kunnen bijvoorbeeld meer jonge kinderen, ouderen of juist jongeren van vijftien jaar en ouder. Door hiermee rekening te houden, sluiten de voorzieningen beter aan op de behoeften van de bewoners.

afbeelding binnen de regeling

Informele ruimte om te spelen

We onderscheiden speelplekken in formele en informele locaties. Informele speelplekken zijn openbare ruimtes die niet speciaal voor spelen zijn ontworpen, maar die kinderen als speelgebied gebruiken, zoals bosjes, grasveldjes of stoepen. Bij de stedenbouwkundige inrichting stimuleert de gemeente actief het creëren van informele speelruimte. Daarnaast bevordert de gemeente het gebruik hiervan door het plaatsen van spelaanleidingen, zoals ‘pleinplakkers’ en stapstenen.

Formele speelplekken

Formele speelplekken zijn speciaal ontworpen en ingericht om kinderen te laten spelen. Deze locaties zijn uitgerust met één of meerdere speeltoestellen, zoals glijbanen, wippen of klimrekken. Formele speelplekken moeten voldoen aan de wettelijke normen uit het Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen (WAS). De gemeente beschikt over 201 formele speelplekken met speeltoestellen, verdeeld over de kernen Pijnacker (126), Nootdorp (67) en Delfgauw (39). Een volledig overzicht van deze locaties is openbaar beschikbaar via www.playadvisor.co. Meestal bevat een speelplek meerdere toestellen; in totaal zijn er 786 speeltoestellen binnen de gemeente, waarvan het merendeel gericht is op kinderen tot twaalf jaar. De gemeente telt daarnaast 33 speelplekken zonder speeltoestellen, zoals trapveldjes en skateparken. Deze liggen verspreid over de kernen Pijnacker (17), Nootdorp (12) en Delfgauw (4). Deze locaties richten zich vooral op oudere kinderen en jongvolwassenen. Formele speelplekken worden onderverdeeld in traditionele speelplekken, avontuurlijke speelplekken, natuurlijke speelplekken, sportplekken en spelaanleidingen. 

afbeelding binnen de regeling

Traditionele speelplek

Een traditionele speelplek ligt direct in de woonomgeving. De speeltoestellen zijn gemaakt van kunststof, hout, verzinkt staal of RVS, en staan op een valondergrond van boomschors, rubber of kunstgras. Door het statische karakter van deze speelplekken is een creatieve invulling meestal minder noodzakelijk, afhankelijk van het type toestel.

Avontuurlijke speelplek

Een avontuurlijke speelplek ligt, net als de traditionele speelplek, in de directe woonomgeving. In tegenstelling tot de traditionele speelplek gebruiken we vooral dynamische/bewegende speeltoestellen met een grotere verscheidenheid aan speelwaarden en valhoogtes. De valondergrond bestaat vaak uit natuurlijke materialen, zoals gras of zand. De speeltoestellen zijn uitdagender dan die op een traditionele speelplek. Denk bijvoorbeeld aan een kabelbaan, hoge glijbaan, bewegende toestellen en grasvelden. Dankzij deze inrichting kunnen kinderen hun creativiteit en ideeën beter uiten dan op een traditionele speelplek.

Natuurlijke speelplek

Een natuurlijke speelplek is volledig ingericht met natuurlijke materialen zoals zand, water, takken, (klim)bomen en stapstenen. Deze speelomgeving is sterk dynamisch van aard en biedt kinderen volop ruimte om hun creativiteit en spelideeën te ontplooien. In de praktijk blijkt dat een combinatie van natuurlijk spel met enkele herkenbare speelaanleidingen de grootste speelwaarde oplevert. Deze elementen helpen kinderen de speelplek makkelijker te herkennen en nodigen uit om spelenderwijs de omgeving te ontdekken. Vanwege de benodigde ruimte en het natuurlijke karakter liggen deze speelplekken vaak iets verder van de directe woonomgeving.

Sportplek 

Tot deze categorie behoren onder meer calisthenics- en fitnesstoestellen, skatebanen, pumptrackbanen, Multi courts (voor gecombineerde sportactiviteiten), pannaveldjes en trimbanen. Sportplekken zijn vooral populair bij oudere jeugd en jongvolwassenen, die hier hun energie kwijt kunnen en elkaar kunnen uitdagen en ontmoeten. Daarnaast maken ook volwassenen en ouderen steeds vaker gebruik van openbare fitnessplekken en calisthenicsvoorzieningen, een ontwikkeling die sinds de coronapandemie duidelijk is 

6.4 Leidende principes

6.4.1 Waarderen
6.4.1.1 De gemeente heeft een fijnmazig netwerk van routes

Om het groene buitengebied goed te kunnen beleven, beschikt de gemeente over een fijnmazig netwerk van wandel-, ruiter-, en fietsroutes. Het routenetwerk is weergegeven op Kaart 4. Dit netwerk wordt actief in stand gehouden en beheerd. Ook binnen de kernen is er een fijnmazig netwerk van wandel- en fietsroutes. Zo kun je in je eigen woonomgeving eenvoudig een ommetje maken. Vanuit de kernen zijn de recreatiegebieden goed bereikbaar en makkelijk te vinden per fiets of te voet. Met deelname aan de regionale routenetwerken (knooppuntenstelsel) en het aanleggen van specifieke (beleef)routes verhoogt de gemeente de bekendheid en (digitale) vindbaarheid van deze routes.

6.4.1.2 Er zijn voorzieningen voor alle leeftijden om te recreëren

De recreatiegebieden bieden voor alle leeftijden voldoende mogelijkheden om te recreëren. Verspreid over deze gebieden realiseert de gemeente specifieke voorzieningen voor diverse doelgroepen, zoals trimbanen, ruiterroutes, een kanoroute, steigers voor vissers, fitnestoestellen, een hondenbos, speelbos, zwemwater met strand, enzovoort. Deze voorzieningen staan op Kaart 4 vermeld en worden onderhouden en beheerd.

6.4.1.3 We beheren actief de recreatiegebieden

Om recreatiegebieden aantrekkelijk te houden zijn per gebied (beheer)plannen opgesteld. Dit is onder meer vastgelegd in het Beheerplan Groenzoom 2022-2027 en de Ontwikkelagenda Balij-Bieslandsebos (Staatsbosbeheer, 2024). In deze plannen zijn de ambities en de doelen voor het gebied (of voor die activiteit) beschreven en wordt aangegeven hoe het groen, de paden en de voorzieningen worden onderhouden en de toegankelijkheid, bruikbaarheid en het behoud van de uitstraling is geborgd. Op basis van de beheerplannen bepaalt de gemeente welke financiële middelen er nodig zijn om deze in stand te houden.

6.4.1.4 Er zijn voor alle leeftijden voldoende mogelijkheden voor spelen, bewegen en ontmoeten

Voor alle leeftijdsgroepen bieden we voldoende veilige en stimulerende speel- en ontmoetingsplekken, die uitnodigen tot bewegen en sociale interactie. De spreiding van speelterreinen, zitgelegenheden en informele spelaanleidingen is fijnmazig en zorgvuldig afgestemd op de lokale behoeften. De spreidingsrichtlijn uit het beheerplan Spelen 2023–2026 vormt de leidraad voor de verdeling van speelplekken binnen de kernen. Deze plekken worden actief onderhouden en beheerd. Bij de (her)inrichting van speelplekken zetten we expliciet in op het bevorderen van sociale ontmoeting. Daarbij doorloopt de gemeente een participatietraject waarin ten minste de direct omwonenden en beoogde gebruikers actief betrokken worden

6.4.2 Verbeteren
6.4.2.1 Recreatiedruk opvangen door zonering

Door de toename van inwoners in de regio neemt de druk op onze natuur- en recreatiegebieden toe. Met een zonering van rustige en intensievere delen kan het groene buitengebied voor alle doelgroepen optimaal worden gebruikt en beleefd. In dit programma is voor de recreatiegebieden een zonering gemaakt om sturing te geven aan de toenemende recreatiedruk. In deze zonering komen:

  • gebieden waar recreatie voorop staat. Hier kunnen voorzieningen worden geplaatst die relatief veel bezoekers van buiten aantrekken. Deze zones zijn ook geschikt voor grotere evenementen

  • gebieden waar natuur voorop staat. In deze gebieden worden geen (nieuwe) recreatieve voorzieningen toegevoegd. Waar dat nodig is voor de rust of voor de ontwikkeling van de natuur, worden voor recreanten geweerd. In “natuur voorop” worden geen wandelpaden aangelegd of uitsluitend in de vorm van een onverhard maaipad. In de zones met Natuur Voorop kunnen bijvoorbeeld voor alle recreanten worden gesloten tijdens het broedseizoen en/of kan aan specifieke doelgroepen (honden, off-Road fietsen) een beperking worden ingesteld (volledige geslotenverklaring, aanlijnplicht, etc.

  • In de overige gebieden zijn bedoeld voor natuur en extensieve recreatie. Deze gebieden beschikken over een fijnmazig routenetwerk om recreatie en bewegen te faciliteren. Aan de randen van het gebied, bijvoorbeeld bij de woonwijken, kunnen kleinschalige voorzieningen (zoals een speelbos) worden ingepast

Tabel 7: Activiteiten per gebiedstype

 

Recreatie voorop

Natuur en extensieve recreatie

Natuur voorop

Karakteristiek

Entreegebied

Plaatsgebonden dagrecreatie

Kleinschalige voorzieningen

Route gebonden recreatie

Rust en stilte

Ontwikkelen ecologische kwaliteit

Activiteiten

Spelen

Zwemmen

Eten en drinken

Sporten

Evenementen

Wandelen en trimmen

Fietsen

Skeeleren

Off-Road fietsen

Paardrijden

Varen

Extensieve toegang voor natuurbeleving

Agrarisch natuurbeheer

Mogelijke voorzieningen

Grotere parkeergelegenheid

Toeristisch opstappunt (TOP)

Zwemwater, stand, ligweide

Horeca

Kinderboerderij

Waterspeeltuin

BBQ en picknickplaats

Sporttoestellen

Waterspeeltuin

Klimparcours

Evenemententerrein

Toiletgebouw

Hondenbos

Kleinschalige parkeergelegenheid

Routes voor diverse doelgroepen

Speelaanleidingen

Rust en zitplekken

Watertappunten

Loslooproutes of -gebieden voor honden

Geen of beperkte toegang voor recreanten

Geen of beperkte toegang voor honden

Struinpaden

Observatiepunten aan de randen

 

In de tabel 7 is indicatief aangegeven welke activiteiten bij welk gebiedstype passen.

6.4.2.2 Recreatiedruk opvangen door ontvlechten

Door de toenemende recreatiedruk neemt het gebruik van wandel- en fietspaden sterk toe. Fietspaden worden steeds vaker gedeeld met wandelaars en trimmers, wat kan leiden tot onveilige situaties en verminderde gebruikskwaliteit. Daarom is de ambitie om op trajecten met intensief fietsverkeer separate wandelvoorzieningen aan te leggen, zodat functies worden ontvlochten. In het fietsplan Gelukkig op de fiets zijn ambities opgenomen voor het opwaarderen van de fietsroutes Den Haag–Pijnacker en Delft–Rotterdam Alexander tot Metropolitane fietsroutes. Bij de uitwerking van deze plannen wordt rekening gehouden met het aanleggen van een eigen pad of alternatieve route voor wandelaars.

6.4.2.3 Door kwaliteitsverbetering wandelpaden opvangen recreatiedruk en verbeteren toegankelijkheid

Om meer recreanten te kunnen ontvangen, is het essentieel dat wandelpaden voor alle doelgroepen en onder alle weersomstandigheden goed toegankelijk zijn. De ambitie is daarom om intensief gebruikte wandelroutes – met name in de nabijheid van kernen en in gebieden waar recreatie centraal staat – vaker te voorzien van een asfaltverharding. Zo worden recreatiegebieden en ommetjes vanuit de woonkernen ook beter toegankelijk voor ouderen en mensen met een beperkte mobiliteit. Buiten de directe omgeving van de kernen worden hoofdwandelroutes bij voorkeur aangelegd met droge, stevige halfverharding. Langs deze routes worden voldoende rust- en koelteplekken ingericht, bij voorkeur op locaties die uitzicht bieden of uitnodigen tot een korte activiteit of ontmoeting.

6.4.3 Uitbreiden
6.4.3.1 Recreatiedruk opvangen door aanleg ontbrekende schakels

In het wandelpadennetwerk ontbreken nog enkele schakels. zijn ontbrekende schakels. Dit betreft bijvoorbeeld ontbrekende verbindingen tussen deelgebieden, de overgang van recreatiegebieden naar de kernen, of de (vindbare) aansluiting op OV-haltes. De ambities om ontbrekende schakels te realiseren zijn opgenomen op de Recreatiekaart (zie kaart 4). De uitvoering is afhankelijk van het moment waarop zich dat er een nieuwe koppelkans (of subsidiekans) voordoet bij een project of gebiedsontwikkeling. Op de kaart zijn koppelkansen aangegeven voor:

  • Het realiseren wandel en fietsverbindingen tussen te ontwikkelen woonwijk Dwarskade en de wandelroute om de Dobbeplas

  • Het realiseren wandelverbindingen tussen het Balijbos en de Groenzoom bij de ontwikkeling van De Balijade en de reconstructie van de S-bocht Katwijkerlaan

  • Het realiseren wandelverbinding vanuit krekengebied Bieslandsebos naar de Noordkade en/of de Vrederustlaan bij project Staatsbosbeheer voor uitbreiden krekengebied

7 Dierenwelzijn

7.1 Inleiding

Alle dieren, zowel huisdieren als in het wild levende dieren, verdienen zorg en aandacht. Veel mensen hebben een huisdier, en daar horen verantwoordelijkheden bij. We hebben een zorgplicht en mogen niet zomaar alles doen met dieren. Dieren zijn niet alleen leuk en vaak nuttig voor mensen, maar hebben ook een eigen intrinsieke waarde. Elke eigenaar is verantwoordelijk voor de gezondheid en het welzijn van zijn of haar dieren, en moet zich houden aan de geldende regels voor huisvesting en verzorging. Dierenwelzijn betekent dat dieren geen honger, dorst of pijn lijden, beschermd worden tegen stress en ziektes en soorteigen gedrag kunnen vertonen. De bescherming van dierenwelzijn is in wetgeving vastgelegd, onder andere in de Wet Dieren en in de Wet Natuurbescherming. Deze wettelijk bescherming van dierenwelzijn vormt het uitgangspunt in dit Omgevingsprogramma. In dit programma maken we onderscheid tussen huis-, hobby- en landbouwdieren enerzijds, en in het wild levende dieren anderzijds.

7.2 Trends en uitdagingen

Meer aandacht voor intrinsieke waarde van dieren

Met de Wet Dieren is de aandacht toegenomen voor de intrinsieke waarde van dieren. Dieren worden erkend als voelende wezens met een eigen waarde, en mogen niet uitsluitend als eigendom worden beschouwd. Ze verdienen respectvolle behandeling en zorg. Gehouden dieren moeten soorteigen gedrag kunnen vertonen, toegang hebben tot vers drinkwater en beschermd worden tegen extreme weersomstandigheden.

Er is een lichte toename van het aantal huisdieren

In de afgelopen vijf jaar is het aantal huishoudens met huisdieren in Nederland met zo’n twee procent gestegen, wat neerkomt op ongeveer 150.000 extra huishoudens. Tijdens de coronaperiode namen circa 80.000 huishoudens een hond in huis. Ook het aantal huishoudens met een kat is toegenomen. Deze groei leidde tijdelijk tot een hogere instroom van huisdieren in dierenasielen en opvangcentra.

Er wordt vaker gebruik gemaakt van uitlaatbedrijven voor honden

Het gebruik van hondenuitlaatservices (HUS) is de afgelopen vijf jaar landelijk verdubbeld. Beheerders van natuur- en recreatiegebieden voeren steeds vaker beperkingen in voor deze bedrijven, zoals het beperken van het aantal honden per begeleider of het weren uit bepaalde gebieden ter bescherming van de natuur. 

Impact van katten en honden op natuur en biodiversiteit

De bewustwording van de impact van huisdieren kunnen hebben op de natuur neemt toe. Vrij rondlopende katten hebben een grote invloed op vogelpopulaties. Loslopende honden kunnen wilde dieren verstoren door ze op te jagen en hun leefgebieden te verstoren. Honden in natuurgebieden kunnen leiden tot een afname van de biodiversiteit in die gebieden. Met voorlichtingscampagnes worden huisdiereigenaren hierop gewezen.

 

7.3 Huidige situatie

7.3.1 Huis-, hobby- en landbouwdieren

Wet- regelgeving

De Wet Dieren richt zich op dieren met een eigenaar. De wet benadrukt de intrinsieke waarde van een dier. Dieren moeten met respect worden behandeld en mogen niet onnodig in hun welzijn worden benadeeld. De Wet dieren is vastgelegd in het Besluit houders van dieren. Dit besluit regelt in detail wat wel en niet is toegestaan, bijvoorbeeld bij het houden van dieren voor landbouwdoeleinden en voor vertoningen. Ook beschrijft het de regels waaraan je moet voldoen om het welzijn en de gezondheid van dieren te waarborgen. Zo zijn er eisen voor huisvesting, verzorging, fokken en het scheiden van dieren. Voor het toezicht op de Wet Dieren is de NVWA verantwoordelijk.

Opvang huisdieren

Veel mensenhouden dieren uit liefhebberij. Het gaat niet alleen om honden en katten, maar ook om andere dieren als konijnen, vogels en reptielen. Over het algemeen worden huisdieren goed verzorgd. Toch worden dieren soms aan hun lot overgelaten, lopen ze weg, of is de eigenaar niet langer in staat om voor hen te zorgen. De opvang en het vervoer van álle zwervend aangetroffen huisdieren is een wettelijke taak van de gemeente. De gemeente moet gevonden huisdieren minimaal twee weken opvangen en verzorgen. op te vangen en te verzorgen. Tijdens deze periode kan de eigenaar het dier terughalen. Na afloop van deze wettelijke termijn gaat het eigendom van het dier over naar het opvangcentrum waar het dier zich bevindt. Daarnaast kunnen politie en GGD huisdieren gedwongen laten opnemen bij huisuitzettingen, detenties of vanwege gezondheidsrisico’s. Voor het vervoer van aangetroffen huisdieren heeft de gemeente een overeenkomst gesloten met de Stichting Dierenhospitaal en Ambulancedienst ‘s-Gravenhage e.o. Voor de opvang van huisdieren heeft de gemeenteovereenkomsten gesloten met de Stichting Streekdierentehuis ’t Julialaantje in Rijswijk (honden en katten) en de Dierenbescherming (Knaaghof).

Hondenbeleid

Eigenaren dragen altijd de eindverantwoordelijkheid voor hun hond en het voorkomen van overlast. De gemeente kan hieraan bijdragen met een opruimplicht voor hondenpoep, een verblijfsverbod voor honden op kwetsbare locaties (zoals speelterreinen en ecologisch waardevolle gebieden), en met plekken waar honden hun energie kwijt kunnen. Ook voorlichting en het stimuleren van gehoorzaamheidstrainingen kan bijdragen aan een verbetering van het welzijn van honden. In Pijnacker-Nootdorp geldt binnen de bebouwde kom een opruim- en aanlijnplicht. Honden zijn verboden op sport- en speelterreinen. In elke wijk is een uitrenterrein beschikbaar. Buiten de bebouwde kom moeten honden in het broedseizoen worden aangelijnd, behalve in aangewezen losloopgebieden. Buiten de bebouwde kom zijn ook gebieden aangewezen waar honden niet welkom zijn of waar een aanlijnplicht geldt, zoals op sport- en speelplekken en in natuurgebieden. Het aantal incidenten in Pijnacker-Nootdorp was erg laag: slechts 3 in 6 jaar. Bij bijtincidenten is de politie het eerste aanspreekpunt. Indien nodig kan zij een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen.

Huisvesting voor huis- en hobbydieren

De verantwoordelijkheid voor het welzijn van een dier ligt bij de eigenaar of verzorger. In het Besluit houders van dieren zijn regels vastgelegd voor het houden van huisdieren en hobbydieren. De meeste hobbydieren zijn kuddedieren. Daarom is een weide met tenminste één soortgenoot meestal de beste plek voor hen, zowel voor hun welzijn als hun gezondheid. Een weide alleen is echter niet voldoende. Wanneer het hard regent of de zon de hele dag op het weiland schijnt, moeten de dieren ergens kunnen schuilen. Het Besluit houders van dieren verplicht huisdierbezitters dan ook tot het bieden van bescherming tegen slechte weersomstandigheden. Uitgangspunt is dat het bouwen van schuilgelegenheid plaatsvindt in de linten; daarbuiten kan beschutting (voor zon) met een boom of haag (of eventueel een tijdelijke mobiele constructie) worden gerealiseerd.

Evenementen met dieren

In de APV is een vergunningsplicht voor evenementen opgenomen. Uit oogpunt van deregulering en efficiënte inzet van overheidsmiddelen zijn er geen specifieke regels in de APV opgenomen over dierenwelzijn bij evenementen. Het gebruik van wilde dieren in circussen is verboden op basis van landelijke wetgeving. Wij sluiten hiermee voor evenementen aan op de landelijke wet- en regelgeving op het gebied van dierenwelzijn. Het is aan de Landelijke Inspectie Dierenwelzijn (LID), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en/of in het geval van directe spoed de (dieren)politie om toezicht te houden op overtredingen van de Wet Dieren. Bij twijfels over het dierenwelzijn tijdens bij evenementen kunnen onze toezichthouders deze partners inschakelen. In Nootdorp zijn de kortebaandraverij en de ponybrunch evenementen met dieren. Kortebaandraverijen zijn vanwege dierenwelzijn landelijk onderwerp van discussie. Daarom worden bij deze evenementen aanvullende vergunningsvoorwaarden gesteld over paardenwelzijn, zoals de aanwezigheid van een gekwalificeerde dierenarts en hoefsmid. Bovendien geldt dat bij het evenement het welzijn van de paarden altijd voorop moet staan.

Overlast van dieren 

In de APV staan geen specifieke gemeentelijke regels over stank- of geluidoverlast van dieren. In voorkomende gevallen kan gebruik worden gemaakt van het algemene APV-artikel dat toeziet op woonoverlast. In geval van hinder door huisdieren kan dit artikel de basis vormen om bestuursrechtelijk op te treden. Voor de uitvoering van dit APV-artikel zijn beleidsregels opgesteld.

7.3.2 Dieren in het wild

Wet- regelgeving 

De bescherming van in het wild levende dieren en hun leefomgeving is sinds 1 januari 2024 geregeld in de Omgevingswet. Daarvoor stond deze bescherming onder de Wet natuurbescherming. De bescherming richt zich op soorten die vanuit internationale afspraken beschermd moeten worden, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor ‘overige’ soorten geldt een basisbeschermingsregime en is er een “algemene zorgplicht”. Veel bevoegdheden voor natuur- en soortenbescherming liggen bij de provincie.

Dieren(welzijn) bij inrichting en beheer openbare ruimte

Wanneer de gemeente ruimtelijke plannen ontwikkelt of werkzaamheden plant, moet vooraf beoordeeld of er nadelige consequenties zijn voor beschermde inheemse soorten. Vervolgens moet in de ontwerpfase rekening worden gehouden met voldoende voedsel (bijvoorbeeld door soortkeuze en ecologisch beheer), voldoende voortplantingsgelegenheid en voldoende schuilplaatsen (bijvoorbeeld door het aanleggen van takkenrillen en stobbenhopen). Daarnaast wordt aandacht besteed aan bijvoorbeeld uitklimstrips en faunapassages, zodat dieren zich vrij in de openbare ruimte kunnen bewegen. Voor de aanlegfase geldt een onderzoeksplicht naar beschermde soorten. Tijdens de uitvoering van het beheer wordt rekening gehouden met het broeden en rusten van dieren. Zo vinden baggerwerkzaamheden bij voorkeur plaats in september of oktober, omdat dit de periode is tussen de voortplanting en winterrust van vissen en amfibieën. De meeste inheemse vogels broeden tussen 15 maart tot en met 15 juli; hiermee wordt rekening gehouden bij werkzaamheden zoals bijvoorbeeld kap-, snoei- en maaiwerkzaamheden. Om te waarborgen dat het dierenwelzijn tijdens de uitvoering voldoende wordt gerespecteerd, werkt de gemeente volgens de Gedragscode Stadswerk.

Opvang dieren in nood

Dieren in het wild kunnen gewond raken of hulp nodig hebben. Voor het vervoer van gewonde wilde dieren (en het afvoeren van dode dieren) heeft de gemeente een overeenkomst gesloten met de Stichting Dierenhospitaal en Ambulancedienst ‘s-Gravenhage e.o. De ‘bewaarplicht’ die gemeenten hebben voor gevonden huisdieren, geldt niet voor wilde dieren. De meeste meldingen van wilde dieren in nood betreffen vogels.

Jacht

Wettelijk zijn vijf diersoorten aangewezen als bejaagbaar: haas, fazant, wilde eend, konijn en houtduif. Tijdens de periode van openstelling van de jacht is het toegestaan op deze soorten te jagen. De openingstijden van het jachtseizoen worden jaarlijks per diersoort vastgesteld. Het is van belang in het wild levende dieren zo veel mogelijk met rust te laten om hun welzijn zo goed mogelijk te waarborgen. Jacht veroorzaakt niet alleen onrust onder de bejaagde soort, maar ook bij andere diersoorten. Jacht (met uitzondering van schadebestrijding) dient geen algemeen belang. Op gemeentegronden wordt (privaatrechtelijk) geen jacht toegestaan. 

Faunabeheer, schadebestrijding en bestrijding plaagdieren

Voor bepaalde diersoorten leidt de populatiegrootte tot schade of overlast. Door klimaatverandering zijn er bovendien  “invasieve exoten” die schade en overlast veroorzaken, zoals de Amerikaanse rivierkreeft, het Mediterrane draaigatje, de Aziatische hornaar en de Canadese gans. Voor een aantal van deze exoten bestaat er landelijk of provinciaal beleid om de populatie zo klein mogelijk te houden. Het nemen van maatregelen vereist een ontheffing nodig van de provincie Zuid-Holland. Hierbij wordt beoordeeld of de beheermaatregelen noodzakelijk zijn, vanwege bijvoorbeeld verkeers- en vliegveiligheid, volksgezondheid, het voorkomen van schade aan gewassen of schade aan flora- en faunadoelstellingen.

Bij het nemen van beheermaatregelen gaan we, onder meer vanuit het oogpunt van dierenwelzijn, terughoudend om (onder meer uit oogpunt van dierenwelzijn) met het doden van dieren. Het uitgangspunt is dat bestrijding zich moet richten op preventie in plaats van op het doden van dieren. Bij het uitwerken van maatregelen houdt men een ladder van escalatie aan:

  • Beperk het voedselaanbod, zorg voor het opruimen van voedselresten en communiceer met inwoners over de noodzaak om geen dieren te voeren;

  • Neem inrichtingsmaatregelen om gebieden voor overlast gevende dieren minder aantrekkelijk te maken;

  • Neem maatregelen om overlast gevende dieren te verjagen door het plaatsen van rasters, het spannen van draden, het inzetten van knalapparaten of neproofvogels of het verspreiden van stoffen met een sterke geur;

  • Beperk de voortplanting door het nestbeheer.

Als preventieve omgevingsmaatregelen niet voldoende zijn om de overlast weg te nemen, kan worden overwogen om exoten te vangen en te verplaatsen of te doden. In een aantal gevallen wordt uitvoering gegeven aan “ongediertebestrijding” of “plaagdierenbestrijding”. Waar mogelijk gebeurt plaagdierenbestrijding biologisch. Particulieren die op hun eigen terrein overlast van plaagdieren hebben, kunnen gratis voor advies terecht bij het KAD.

Gemeentelijk Ganzenbeheerplan

In 2024 heeft de gemeente het Gemeentelijk Ganzenbeheerplan vastgesteld. Dit plan bevat is een inventarisatie opgenomen van de omvang van de ganzenpopulatie en doet zijn voorstellen gedaan om de populatie te beheersen. Het beheersen van de populatie is nodig vanwege overlast in de woonwijken en de provinciale doelstellingen van het provinciale Ganzenbeheerplan. Buiten de bebouwde kom beoordelen we per beheergebied of voor de gestelde doelen voor natuur en/of recreatie het nemen van maatregelen nodig is. In het beheer van de Groenzoom en in de Zuidpolder van Delfgauw (weidevogelgebied met de Groene Keijzer) is nestbeheer als maatregel opgenomen. Binnen de bebouwde kom zijn dusdanig grote aantallen ganzen aangetroffen dat maatregelen wenselijk zijn. Op deze locaties (hot spots) wordt voorgesteld nestbeheer uit te voeren in het broedseizoen. Ook wordt overlast door ganzen tegengegaan door extra schoonmaak van ganzenpoep en het plaatsen van rasters bij oversteken. In 2025 kon het nestbeheer niet doorgaan vanwege juridische en administratieve belemmeringen bij de provincie Zuid-Holland.

7.3.3 Voorlichting

Voorlichting is een belangrijke rol middel om dierenwelzijn te bevorderen. De gemeentelijke website wordt benut om informatie te geven over het gemeentelijke dierenwelzijnsbeleid aan onze inwoners, bedrijven en andere stakeholders. Bij de evaluatie van de Nota Dierenwelzijn is als ambitie opgenomen om actiever samen met de maatschappelijke organisaties op te trekken en onze betrokkenheid te tonen door (informatie)bijeenkomsten van dierenwelzijnsorganisaties te bezoeken. Er zou actief samen gewerkt worden aan voorlichting en campagnes voor bijvoorbeeld het belang van het chippen van katten, bewustwording bij eigenaren over de schade door katten aan de vogelstand en overlast voor natuur door honden. Ook was de ambitie om deelname aan de verkiezing van de meest diervriendelijke gemeente van het jaar te onderzoeken. Door andere prioriteiten zijn deze ambities niet uitgevoerd.

7.4 Leidende principes

7.4.1 Waarderen
7.4.1.1 Opvang voor huisdieren wordt verzorgd

De wettelijke taak om gevonden huisdieren op te vangen en te verzorgen wordt geborgd door het sluiten van overeenkomsten voor (het vervoer naar en) opvang van huisdieren die in de openbare ruimte worden aangetroffen.

7.4.1.2 Hanteren van losloopgebieden en aanlijnplicht

In de kernen zijn uitrenterreinen aanwezig binnen een loopafstand van 1000 meter. Buiten de kernen zijn losloopgebieden aangewezen waar honden het gehele jaar vrij los kunnen lopen. In de kernen geldt een opruim- en aanlijnplicht; buiten de bebouwde kom moeten honden in het broedseizoen worden aangelijnd. Honden zijn in de kernen verboden op alle sport- en speelterreinen. Verder kunnen ook buiten de kernen gebieden aangewezen worden waar een aanlijnplicht of verbod geldt, bijvoorbeeld ter bescherming van natuurdoelen of het beoogde recreatieve gebruik.

7.4.1.3 Huisvesting voor huis- en hobbydieren

De eigenaar of verzorger van een dier is verantwoordelijkheid voor het welzijn van het dier, dus ook voor het huisvesten en het beschermen tegen weersomstandigheden. In ruimtelijke plannen is uitgangspunt dat het bouwen van vaste (schuil)stallen niet kan plaatsvinden in de open weilanden zelf. Beschutting in het weiland wordt (afhankelijk van het gebiedstype) met een boom of haag (of eventueel met een tijdelijke mobiele constructie) gerealiseerd.

7.4.1.4 Voor evenementen met dieren is de landelijke regelgeving leidend

In de APV is een vergunningsplicht voor evenementen opgenomen. Uit oogpunt van deregulering en efficiënte inzet van overheidsmiddelen is de landelijke regelgeving leidend en worden geen extra specifieke lokale regels in de APV opgenomen over dierenwelzijn bij evenementen. Daarnaast gaan we, indien van toepassing, uit van landelijke en Europese wetgeving.

7.4.1.5 Overlast van dieren

Uit oogpunt van deregulering en efficiënte inzet van overheidsmiddelen worden geen specifieke regels in de APV opgenomen over stank- of geluidoverlast van dieren. In voorkomende gevallen kan gebruik worden gemaakt van het APV-artikel dat toeziet op woonoverlast.

7.4.1.6 Dieren(welzijn) bij inrichting en beheer openbare ruimte

Bij het maken van ontwerpen voor de openbare ruimte wordt rekening gehouden met voldoende voedsel, voortplantingsgelegenheid en schuilplaatsen, zodat wilde dieren zich vrij in de openbare ruimte kunnen bewegen. Bij de uitvoering wordt onderzoek gedaan naar beschermde soorten en wordt rekening gehouden met het broeden en rusten van dieren. Om te borgen dat er in de uitvoering voldoende rekening wordt gehouden met dierenwelzijn, wordt gewerkt op basis van de gedragscode Stadswerk.

7.4.1.7 Dieren in nood worden opgevangen

Op basis van de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de openbare ruimte wordt een overeenkomst gesloten voor het vervoer van gewonde wilde dieren naar een opvang (en voor het afvoeren van dode dieren).

7.4.1.8 Jacht wordt niet toegestaan

Aan de jacht van vrij bejaagbare soorten (dus niet schadebestrijding) is geen algemeen belang verbonden. Op gronden die in gemeentelijke eigendom zijn wordt (privaatrechtelijk) geen jacht toegestaan.

7.4.1.9 Faunabeheer, schadebestrijding en bestrijding plaagdieren

De gemeente neemt voor alle gemeentelijke eigendommen, indien sprake is van schade of overlast, maatregelen om populaties van invasieve exoten, plaagdieren en ongedierte te beheersen. Waar mogelijk gaat preventie voor het wegvangen en/of doden van dieren. De volgende ladder van escalatie wordt aangehouden:

  • Beperk het aanbod aan voedsel;

  • Neem inrichtingsmaatregelen om gebieden minder aantrekkelijk te maken;

  • Neem maatregelen om overlast gevende dieren te verjagen;

  • Beperkt de reproductie door het nestbeheer;

  • Vangen en uitplaatsen;

  • Doden (jacht ten behoeve van schadebestrijding).

De verantwoordelijkheid voor het bestrijden van overlast van dieren op particulier terrein ligt bij de eigenaar of gebruiker. Deze kunnen gratis voor advies terecht bij het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD). De gemeente sluit hiervoor een overeenkomst af met de KAD.

7.4.1.10 Ganzenbeheer in de Groenzoom en de Zuidpolder van Delfgauw

In De Groenzoom en in de Zuidpolder van Delfgauw (weidevogelgebied met de Groene Keijzer) wordt (mits dit mogelijk is zonder het broeden van weidevogels te verstoren) nestbeheer van ganzen uitgevoerd.

7.4.1.11 Voorlichting voor bewoners

Het thema dierenwelzijn heeft een goed vindbare en herkenbare plek op de gemeentelijke website met actuele informatie over het gemeentelijke beleid. Er worden hierin links opgenomen met de websites van partners en stakeholders, zoals Dierenambulance; Dierenasiel ‘t Julialaantje, Vogelopvang De Wulp, de KAD, de Dierenbescherming en Stichting Amivedi.

7.4.2 Verbeteren
7.4.2.1 Uitvoering geven aan het Ganzenbeheerplan

In 2024 is het Gemeentelijk Ganzenbeheerplan vastgesteld. Binnen en aansluitend aan de bebouwde kom zijn “hot spots” bepaald. Hier is het nodig om nestbeheer uit te voeren. Rond deze locaties wordt ook voorgesteld om in het broedseizoen overlast van ganzen (ganzenpoep en gevaar door overstekende ganzen) tegen te gaan. 

7.4.2.2 Actualiseren hondenbeleid buiten de kernen

Buiten de kernen zijn voor honden aanwijsbesluiten genomen. Er zijn losloopgebieden aangewezen, maar ook gebieden met aanlijnplicht en gebieden die gesloten zijn voor honden. Op basis van de in dit programma opgenomen zonering van de natuur- en recreatiegebieden worden de regels over loslopen, aanlijnplicht en gebiedsverboden opnieuw beoordeeld om de natuur- en recreatieve doelstellingen van de gebieden afdoende te borgen. Deze worden in 2026 na het doorlopen van een participatieproces opnieuw in aanwijsbesluiten vastgelegd. 

7.4.2.3 Uitbreiden

7.4.2.3.1 Nieuwe regels voor (bedrijfsmatig) uitlaten van honden

We stellen nieuwe regels op voor natuur- en recreatiegebieden om het bedrijfsmatig uitlaten van honden door een uitlaatservice (HUS) te reguleren. Deze regels worden in nauwe samenwerking met Staatsbosbeheer en de ons omliggende gemeenten uitgewerkt om te voorkomen dat de overlast zich verplaatst naar andere locaties in de regio. Het uitgangspunt is dat uitlaatbedrijven honden alleen op vooraf bepaalde locaties mogen uitlaten. Deze regeling geldt ook voor verenigingen en bedrijven die (jacht)hondentrainingen verzorgen. De regels worden onder meer uitgewerkt door het invoeren van een vergunningplicht voor het (bedrijfsmatig) uitlaten van meer dan drie honden per begeleider.

7.4.2.3.2 Bebouwingscontour Jacht

De Omgevingswet (artikelen 2.24 en 2.25) introduceert het begrip Bebouwingscontour Jacht. Deze contour leggen we vast in het Omgevingsplan, gebaseerd op artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In dit programma stellen we als beleidsuitgangspunt voor om de bebouwingscontour Jacht (artikel 11.71, vierde lid van het Besluit activiteiten leefomgeving), waarbinnen jacht en schadebestrijding met geweer (publiekrechtelijk) niet is toegestaan, te koppelen aan de groene contour. De borging van deze contour vindt plaats in het Omgevingsplan.

8 Groenvisiekaart

8.1 Inleiding

 

In de voorgaande hoofdstukken staan de doelen en leidende principes voor de verschillende groene thema’s beschreven. Deze komen samen in de Groenvisiekaart voor Pijnacker-Nootdorp. Deze kaart geeft visueel weer wat de groene ambities van de gemeente zijn. De kaart bevat plannen en ambities voor de verbetering en de uitbreiding van het groen. Ook is de kaart een belangrijke basis voor het omgaan met nieuwe ontwikkelingen in het groen. Hiervoor wordt het beleid vertaald in regels in het Omgevingsplan. In 8.1Toelichting op de Groenvisiekaart wordt de Groenvisiekaart inhoudelijk toegelicht. In 8.2 de vertaling van het Omgevingsprogramma in regelgeving staat hoe de Groenvisiekaart wordt vertaald in regelgeving.

8.2 Toelichting op de groenvisiekaart

8.2.1 Inleiding

De Groenvisiekaart toont de gewenste hoofdgroenstructuur van Pijnacker-Nootdorp. Hierin zijn bestaande groene plekken en verbindingen opgenomen, maar ook de uitgangspunten voor uitbreiding van deze structuur. Bijvoorbeeld bij nieuwe gebiedsontwikkeling, of bij ontbrekende schakels. In de hoofdgroenstructuur hebben meerdere functies een plek, zoals natuur, spelen, recreëren, veeteelt en waterberging. Deze hoofdgroenstructuur willen we behouden en beschermen. Zowel het beeld als het gebruik van het groen willen we verbeteren en uitbreiden. Hieronder lichten we dit verder toe. We maken daarbij onderscheid tussen de hoofdgroenstructuur in de woonwijken, bedrijventerreinen en de glastuinbouwgebieden, en het groen binnen de groene contour. 

Kaart 5: Groenvisiekaart
afbeelding binnen de regeling
8.2.2 Hoofdgroenstructuur in de woonwijken, bedrijventerreinen en de glastuinbouwgebieden

Op de groenvisiekaart staan de belangrijkste en grootste groenstructuren binnen onze woon- en werkgebieden, zoals groen langs doorgaande wegen en in parken. Dit groen heeft een wijk overstijgende functie en speelt een belangrijke rol voor ecologische verbindingen. Het gaat hier om groen in het openbaar gebied dat door de gemeente wordt beheert. Om de hoofdgroenstructuur te beschermen, hanteren we een groencompensatiebeginsel voor de hoofdgroenstructuur binnen de wijken, bedrijventerreinen en de glastuinbouwgebieden (zie Hanteren van een groencompensatiebeginsel voor de hoofdgroenstructuur binnen de wijken, bedrijventerreinen​ en de glastuinbouwgebieden). Daarbij stellen we eisen aan de inpassing van een nieuwe functie en aan compensatie van natuurwaarden. Nieuwe functies zijn alleen mogelijk bij een zwaarwegend maatschappelijk belang.

Uitbreiden van de hoofdgroenstructuur

Bij de ontwikkeling van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen (transformatiegebieden) breiden we de hoofdgroenstructuur ook uit (zie Hanteren van een groencompensatiebeginsel binnen de groene contour​ buitengebied). Bij de herstructurering van de duurzame glastuinbouwgebieden onderzoeken we de kansen om ecologische verbindingen te creëren. Ook op andere plekken willen we nieuwe ecologische verbindingen realiseren (zie In Regiopark Buytenhout is een start gemaakt om de monitoring op elkaar af te stemmen.).

8.2.3 Groene contour buitengebied

De groene contour van het buitengebied is een uitwerking van de Omgevingsvisie 2050. Binnen de groene contour is geen verstedelijking toegestaan zoals woningbouw en bedrijventerrein (Vastleggen van de groene contour voor het buitengebied). De hoofdfuncties binnen de groene contour zijn natuur, recreatie en landbouw-weide. Op de Groenvisiekaart staan voor deze functies verschillende gebiedstypes. Voor deze gebiedstypes gelden verschillende beleidsuitgangspunten. Een belangrijk onderscheid hierbij is de mate van intensiteit. In sommige gebieden willen we het rustig houden om de natuur te beschermen. Op andere plekken is meer ruimte voor intensievere recreatie. De Groenvisiekaart brengt zo een zonering aan van het gebruik van het groene buitengebied. De gebiedstypen vormen de basis voor de vertaling in regelgeving. De uitgangspunten hiervoor zijn uitgewerkt bij de groenvisiekaart in 8.2 De vertaling van het Omgevingsprogramma in regelgeving.

8.2.4 Gebiedstype Natuur voorop

In deze gebieden staat de ontwikkeling van de natuur voorop. Natuurgebieden in Pijnacker-Nootdorp zijn de Ackerdijkse Plassen, het Krekengebied in het Bieslandsebos, en het weidevogelkerngebied in de Zuidpolder van Delfgauw. Deze gebieden maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast zijn ook delen van het Balijbos en de Groenzoom aangewezen als natuurgebied. In al deze gebieden is de kwaliteit van de natuur al hoog. Dat willen we zo houden en waar mogelijk zelfs verbeteren. Dat betekent dat in deze gebieden zo min mogelijk verstoring plaats mag vinden. De natuur krijgt hier alle ruimte. Bezoekers kunnen deze gebieden beleven vanaf de randen, of hooguit via een struinpad.

8.2.5 Gebiedstype Recreatie voorop

In deze delen van het groene buitengebied staat recreatie voorop. Het gebied rond de Dobbeplas is nu al een intensief gebruikt recreatiegebied. Ook in het noordelijk deel van Ruyven zien we kansen voor recreatie. In deze gebieden ontvangen we recreanten uit zowel de gemeente als de regio. Er is ruimte voor intensievere vormen van recreatief gebruik zoals verblijfsrecreatie (spelen, sporten, zwemmen en barbecueën). Daar horen passende voorzieningen bij. Denk aan sporttoestellen, picknickplaatsen, (water)speeltuinen en een hondenbos.

8.2.6 Gebiedstype Natuur en extensieve recreatie

In deze gebieden zijn natuur en recreatie met elkaar in evenwicht. De natuurwaarden in de verschillende leefgebieden zijn belangrijk, maar er is ook ruimte voor recreatie. Het gaat daarbij niet om verblijfsrecreatie, maar om dagrecreatie en routegebonden recreatie. Fiets-, wandel- en ruiterroutes vormen dus de basis van de recreatie in deze gebieden. Ook nieuwe routes voor bijvoorbeeld offroad fietsen passen bij dit gebiedstype. Op de Groenvisiekaart zijn grote delen van het Balijbos, het Bieslandse Bos, de Groenzoom en Ruyven aangewezen als natuur- en recreatiegebied.

8.2.7 Gebiedstype Agrarisch met natuur- en landschapswaarden

De veenweidegebieden in Biesland en de Zuidpolder van Delfgauw zijn de laatste open polders van Pijnacker-Nootdorp. Op deze weilanden leven weidevogels, grazen koeien en hebben veehouders hun bedrijf. De hoofdfunctie is landbouw, voornamelijk veeteelt. De veehouderij is belangrijk voor het behoud van de cultuurhistorische landschaps- en natuurwaarden. Niet-agrarische activiteiten zijn hier ongewenst.

8.2.8 Gebiedstype Kansenzone natuur en recreatie

Op de Groenvisiekaart zijn kansenzones voor natuur en recreatie opgenomen. Het gaat om de weidepercelen rond recreatiegebied Ruyven, de zone tussen het glastuinbouwgebied Noordpolder en het Bieslandsebos, en een restkavel ten noorden van de N470. Deze gebieden worden momenteel nog gebruikt als agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden. We zien echter dat door de ligging er voor dit gebruik een beperkt toekomstperspectief is. Daarom houden we de mogelijkheid open om deze gebieden te wijzigen naar natuur- en recreatiegebied. Hieronder valt ook een functiewijziging naar het hobbymatig houden van dieren of telen van gewassen.

8.2.9 Recreatie

De gemeente beschikt over een uitgebreid recreatief netwerk voor wandelen, fietsen en ruiters. Op de Groenvisiekaart is het bestaande recreatieve routenetwerk in beeld gebracht. Op sommige plekken zijn er ontbrekende schakels, of is de wens om de kwaliteit van het bestaande netwerk te verbeteren. Op de kaart zijn ook deze wensen opgenomen. Tenslotte toont de Groenvisiekaart de belangrijkste recreatieve voorzieningen in het groene buitengebied.

8.2.10 Ecologische en recreatieve verbindingen naar omliggende gemeenten

De hoofdgroenstructuur sluit aan op De (boven)regionale groenstructuurdie over de gemeentegrenzen heen reikt. De groengebieden zijn onderdeel van de regionale samenwerkingsverbanden van Regiopark Buytenhout en Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland. Zowel voor de biodiversiteit als voor de recreatie bestaan er wensen om de aansluiting over de gemeentegrenzen te verbeteren en uit te breiden (zie 5.3.3 Uitbreiden). Vooral de snelwegen A12 en A13 vormen hierbij grote barrières. Het voor de Metropolitane Fietsroute geplande fietsviaduct over de A13 biedt een koppelkans voor een nieuwe ecologische verbinding.  Op de Groenvisiekaart is deze gewenste ecologische verbinding opgenomen.

8.2.11 Bebouwingscontour Houtkap en Jacht

De gemeente is volgens de Omgevingswet verplicht om een contour voor Bebouwingscontour Jacht en voor het Introduceren van een bebouwingscontour voor houtkap op te nemen. Er zijn leidende principes opgenomen waarbij beide contouren samenvallen met de groene contour. Dit vormt de basis voor de vertaling in regelgeving in het Omgevingsplan.

8.3 De vertaling van het Omgevingsprogramma in regelgeving

Het Omgevingsprogramma en regelgeving

Het Omgevingsprogramma werkt de ambities voor groen uit de Omgevingsvisie concreter uit. Een deel van deze uitwerking moet worden vertaald in regelgeving. Regels helpen ons om bestaande waarden te beschermen, te ontwikkelen en te versterken. We willen regels echter alleen opnemen als ze echt nodig zijn om deze waarden te beschermen, ontwikkelen en versterken, zoals beschreven in dit Omgevingsprogramma. Het opnemen van de regels gebeurt via het Omgevingsplan. Dit hoofdstuk beschrijft, op hoofdlijnen, voor welke waarden we straks regels willen opnemen in het Omgevingsplan en waarom. Het hoofdstuk wordt verder uitgewerkt tussen het ontwerp en de vaststelling van het Omgevingsprogramma, en vervolgens in het Omgevingsplan zelf.

Gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde

Om structuur te geven aan dit hoofdstuk is gebruik gemaakt van een drietal kernbegrippen: gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Deze drie begrippen worden al heel lang gebruikt om de ruimtelijke kwaliteit van een plek te beschrijven en hebben hun relevantie bewezen. Gebruikswaarde betekent dat het praktisch en functioneel moet zijn. In dit Omgevingsprogramma verstaan we onder gebruikswaarde ook de functionaliteit voor flora en fauna. De biotopen (5.2.2 De biotopen van Pijnacker-Nootdorp) en de ambassadeurssoorten (De kwaliteit van de verschillende biotopen verbeteren door introduceren van ambassadeursoorten) zijn hulpmiddelen om dit te beoordelen. Belevingswaarde verwijst naar een fijne en herkenbare plek. Het landschap is daarvoor bepalend. In Het landschap van Pijnacker-Nootdorp staan de kenmerken van het landschap beschreven. Deze kunnen worden gebruikt bij het opstellen van de regelgeving en later de toetsing aan de regels. Onder toekomstwaarde verstaan we duurzaamheid, aanpasbaarheid en overdraagbaarheid aan een volgende generatie. Daaronder verstaan we bijvoorbeeld de aanpasbaarheid aan klimaatverandering, betaalbaarheid van het beheer en de (verbrede) agrarische bedrijfsvoering en agrarische dienstverlening.

Groenvisiekaart als basis

In de Groenvisiekaart zijn verschillende gebiedstypen opgenomen. Omdat het Omgevingsplan ook werkt met een kaart, is de Groenvisiekaart ook de basis voor de vertaling in regelgeving. Door de ambities uit dit Omgevingsprogramma te combineren met de Groenvisiekaart en rekening te houden met hoofdstuk 3 tot en met 7, is deze eerste vertaling naar de regelgeving tot stand gekomen.

 

  • a.

    Natuur voorop

    • 1.

      In deze gebieden heeft het behoud en verbetering van natuurkwaliteit prioriteit. Verstoring moet tot een minimum worden beperkt. Om dit te realiseren nemen we de volgende regels worden op:

      • I.

        Gebruikswaarde natuurgebied: Om deze gebieden zo goed mogelijk te benutten voor flora en fauna nemen we regels op waardoor het gebied alleen gebruikt mag worden voor natuurdoeleinden. De biotopen en de ambassadeurssoorten krijgen hier ruim baan. Voor natuur is geen bebouwing nodig. Daarom komen er regels die gebouwen en wegverhardingen uitsluiten.

      • II.

        Belevingswaarde natuurgebied: Voor mensen zijn de natuurgebieden meestal niet toegankelijk. Daarom staat straks in de regels dat er geen wegen, paden of andere verhardingen mogen worden aangelegd, zonder voorafgaande toestemming door van de gemeente. Bij de overweging of die toestemming kan worden verleend kijken we naar het mogelijk effect op het natuurgebied, de flora en fauna en de landschappelijke kwaliteiten, zoals beschreven in hoofdstuk 3 en 5.

      • III.

        Toekomstwaarde natuurgebied: Natuur moet beschermd worden, maar is niet statisch. Daarom is het soms nodig om te beplanten, rooien of kappen. In de regels komt te staan dat hiervoor een omgevingsvergunning van de gemeente nodig is. Datzelfde geldt voor het ophogen en afgraven van gronden en het graven en dempen van water. Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag vormen de leidende principes in hoofdstukken 3, 5 en 7 het kader. Daarbij wegen we onder andere landschapskenmerken, biotopen, biodiversiteit en dierenwelzijn mee.

  • b.

    Recreatie voorop

    • 1.

      In deze gebieden staat dagrecreatie centraal met ruimte voor intensief gebruik en bijbehorende voorzieningen zoals speeltuinen, sporttoestellen en picknickplaatsen. Om dit te realiseren nemen we de volgende regels worden op: 

      • I.

        Gebruikswaarde recreatiegebied: Om deze gebieden geschikt te maken voor intensievere vormen van recreatie verruimen we hier de regels voor gebruik en bebouwing. We beschrijven het recreatief gebruik dat hier mogelijk is en in de regels wordt bebouwing mogelijk gemaakt voor bijvoorbeeld kleinschalige horeca en beheergebouwen.

      • II.

        Belevingswaarde recreatiegebied: Voor een goede beleving zijn meer voorzieningen nodig dan alleen de bebouwing. Het wordt in de regels mogelijk gemaakt om wegen, paden en verharding aan te leggen, gronden op te hogen en af te graven en water te graven en dempen. Voor het beplanten, rooien en kappen van bomen en andere houtopstanden worden wel regels opgesteld. Dit kan namelijk een dusdanige invloed hebben op de beleving van het landschap dat we daar een extra afweging voor willen maken. Werkzaamheden in het kader van regulier onderhoud zijn uitgezonderd.

      • III.

        Toekomstwaarde recreatiegebied: Door in deze gebieden meer ruimte te geven voor recreatie en daarbij behorende voorzieningen kan het gebied zich aanpassen aan de wensen van recreanten. We zien bijvoorbeeld een toenemende behoefte aan ongeorganiseerd sporten, ontmoeten en bewegen. Anderzijds biedt dit ook een basis voor het realiseren van voorzieningen die financieel bij kunnen dragen aan het beheer van het gebied. Zo zorgen we ervoor dat deze gebieden ook voor toekomstige generaties beschikbaar en betaalbaar blijven.

  • c.

    Natuur- en extensieve recreatie

    • 1.

      In deze gebieden wordt een balans gevonden tussen natuur en recreatie, waarbij natuurwaarden behouden blijven en recreatie beperkt blijft tot routegebonden activiteiten of kleinschalige speel- en verblijfsplekken zoals routes voor fietsen, wandelen of paardrijden of een rustplek of speelaanleiding. Daarom moeten de volgende regels worden opgenomen

      • I.

        Gebruikswaarde natuur- en recreatiegebied: Deze gebieden zijn voor zowel flora en fauna als voor mensen belangrijk. Voor flora en fauna is het belangrijk dat de leefgebieden in stand blijven of verbeterd worden. Daarom is het beplanten, rooien en kappen alleen mogelijk nadat beoordeeld is of de ecologische waarde van de leefgebieden niet worden geschaad. Dat geldt ook voor graven en dempen van water. Ook dat is bepalend voor flora en fauna. Het aanleggen van wegen, paden en verharding is eveneens toegestaan nadat daar via het Omgevingsplan toestemming is verleend. Het aanleggen van routes is een meerwaarde voor de recreatieve beleving voor mensen, maar kwetsbare leefgebieden zijn maatgevend voor de plek van de paden.

      • II.

        Belevingswaarde natuur- en recreatiegebied: Het landschap in de natuur- en recreatiegebieden is heel afwisselend. Van dichte bosbeplanting tot open gebieden en van moeraszones tot wilgenlaantjes. De afwisseling van het landschap, zoals beschreven in Hoofdstuk 3: Hoofdgroenstructuur en landschap, vormt een belangrijke kwaliteit, die we willen behouden en versterken. Daarom is voor het aanleggen van wegen, paden en verharding, voor het ophogen en afgraven van gronden, voor het beplanten, rooien en kappen en voor het graven en dempen van water een omgevingsvergunning nodig.

      • III.

        Toekomstwaarde natuur- en recreatiegebied: De natuur- en recreatiegebieden zijn belangrijk voor de mentale en fysieke gezondheid van de mens en het behoud en terugkeer van verschillende flora en fauna. Bovendien spelen deze gebieden een belangrijke rol bij klimaatbestendigheid. Daarom zijn de regels voor omgevingsvergunningen cruciaal om de toekomstwaarde te waarborgen.

  • d.

    Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden

    • 1.

      In deze gebieden wordt een balans gevonden tussen de agrarische hoofdfunctie en natuur- en landschapswaarden. Er is geen ruimte voor niet agrarische activiteiten, intensivering van het agrarische gebruik of schaalvergroting. Daarom moeten de volgende regels worden opgenomen.

      • I.

        Gebruikswaarde agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden: Voor de grotendeels gemengde agrarische bedrijven met als hoofdtak (melk)vee zijn deze gronden essentieel. Voor hen is het belangrijk dat er voldoende drooglegging is en grazen, maaien en bemesten mogelijk is. Zij willen graag soms de mogelijkheid voor een schuilgelegenheid hebben. Voor het gebruik zijn ook beheerpaden nodig. De weidevogels daarentegen hebben juist zo min mogelijk verstoring nodig. Dus geen gebouwen, geen hoge beplanting en laat maaien zodat hun nesten behouden blijven. Dat betekent dat er soms een tegenstelling is tussen de verschillende gebruikers. Daarom zijn alle activiteiten voor bouwen en gebruik vergunningplichtig.

      • II.

        Belevingswaarde agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden: De herkenbaarheid van het landschap is groot bij zowel inwoners als recreanten. Dit cultuurhistorisch landschap is in andere delen van de gemeente verdwenen door de groei van de afgelopen decennia. Het landschap wordt gevormd door de in Hoofdstuk 3: Hoofdgroenstructuur en landschap beschreven elementen als het rechte verkavelingspatroon, de hoogteverschillen tussen dijk en achterland, de watergangen en de flora en fauna. Het is een kwetsbaar landschap dat bij wijzigingen van de inrichting of het gebruik snel leidt tot aantasting van het karakter. Het is daarom vooral vanaf de randen ervaarbaar, wat door de grote openheid meerwaarde heeft. Ter bescherming hebben alle activiteiten voor bouwen en gebruik vergunningplicht.

      • III.

        Toekomstwaarde agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden: De agrariërs hebben een belangrijke rol in het beheer van dit waardevolle landschap. Dat kunnen ze echter alleen doen als er voldoende mogelijkheden zijn om hun bedrijfsvoering buiten het kwetsbare gebied met landschaps- en natuurwaarden te verbreden. Wij staan open voor initiatieven daarvoor. Vooraf willen we de creativiteit van ondernemers niet te veel beperken. Zij zijn de experts. Uitgangspunt is dat de bebouwing en verharding plaatsvindt op het huisperceel en niet in het open weidegebied. Uitgangspunt is ook dat het verkeer op een goede manier kan worden afgewikkeld over de bestaande wegenstructuur.

  • e.

    Kansenzone natuur- en recreatie

    • 1.

      Bij de kansenzones natuur en recreatie bestaan mogelijkheden om de huidige gebiedstype (agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden) te wijzigen. Door het wijzigen van de functie (of de inrichting) kan aan deze gebieden een nieuw en duurzaam toekomstperspectief worden geboden. Voor deze kansenzones natuur en recreatie worden in het omgevingsplan geen regels opgenomen. Dat komt omdat we niet kunnen voorzien welke initiatieven worden ontwikkeld. Uitgangspunten waar initiatieven in ieder geval aan moeten voldoen zijn:

      • I.

        Gebruikswaarde voor natuur door middel van realisatie van nieuwe leefgebieden aansluitend aan en ter verbinding van bestaande leefgebieden

      • II.

        Gebruikswaarde voor recreatie door middel van realisatie van openbare wandel-, fiets- en ruiterroutes

      • III.

        Belevingswaarde voor natuur door leefgebieden die beleefbaar zijn vanaf routes door of langs deze gebieden

      • IV.

        Belevingswaarde voor natuur door leefgebieden die beleefbaar zijn vanaf routes door of langs deze gebieden

      • V.

        Behoud de oorspronkelijke verkavelingsrichting, ook bij toevoeging van bijvoorbeeld bosaanplant

      • VI.

        Sluit aan op het oorspronkelijke landschap zowel in het gebied als in aansluiting op de omgeving. In het gebied door ‘kamers’ te maken waar het landschap open is en leg een relatie met het landschap van de omgeving

      • VII.

        Gebruik de ontwikkeling om de randen van het stedelijk gebied in te passen

      • VIII.

        Behoud bestaande hoogteverschillen zoals (semi)boezems, kades, dijken en kreekruggen en maak deze onderdeel van het ontwerp. Bijvoorbeeld door deze te gebruiken voor recreatieve routes

      • IX.

        Toekomstwaarde voor natuur door het toevoegen van waardevolle biotopen

      • X.

        Toekomstwaarde voor recreatie door uitbreiding van het natuur- en recreatiegebied, waardoor het meer inwoners en recreanten kan opnemen

      • XI.

        Bij het wijzigen van de functie naar natuur of recreatie is het belangrijk dat verdere versnippering van de gebieden wordt voorkomen. 

  • f.

    Hoofdgroenstructuur door de wijken, bedrijventerreinen en glastuinbouw

    • 1.

      De hoofdgroenstructuur door de wijken, bedrijventerreinen en glastuinbouw maakt onlosmakelijk onderdeel uit van het groen in Pijnacker-Nootdorp. Deze hoofdgroenstructuur zorgt ervoor dat tussen de verschillende wijken en met het buitengebied groene verbindingen zijn. Dit kan in de vorm van wijkparken, groene stroken door wijken en langs wegen met verbindingszones tussen leefgebieden in de hele gemeente en daarbuiten. De hoofdgroenstructuur wordt opgenomen in het omgevingsplan waaraan de volgende regels worden verbonden:

      • I.

        Gebruikswaarde hoofdgroenstructuur door de wijken, bedrijventerreinen en glastuinbouw: De hoofdgroenstructuur wordt gebruikt door mensen om in te wandelen, ontmoeten en bewegen. Daarnaast is de hoofdgroenstructuur het leefgebied van een variëteit aan flora en fauna (biotopenkaart). Om ervoor te zorgen dat de hoofdgroenstructuur vooral groen blijft, is het niet toegestaan om gebouwen te realiseren of verhardingen aan te brengen. Parkeerplaatsen, wegen, paden, pleinen en (nuts)gebouwen zijn daarom alleen toegestaan wanneer daar via het Omgevingsplan toestemming is verleend.

      • II.

        Belevingswaarde hoofdgroenstructuur door de wijken, bedrijventerreinen en glastuinbouw: Het groene karakter van Pijnacker-Nootdorp wordt niet alleen gevormd door het groene buitengebied, maar ook door het groen in de wijken en de verbindingszones. Om deze groene beleving te behouden, is het niet toegestaan om deze gebieden te verharden. De variatie in het groen en de aanwezige beplanting is daarbij belangrijk. Deze beplanting is ook van belang voor de flora en fauna. Buiten het reguliere onderhoud is het dan ook niet toegestaan om bomen te kappen en houtopstanden te verwijderen. Hoofdstuk 4. Bomen. Vormt hiervoor het toetsingskader, net als de waarde van bomen voor het dorpsbeeld.

      • III.

        Toekomstwaarde hoofdgroenstructuur door de wijken, bedrijventerreinen en glastuinbouw: Wanneer er nieuwe wijken worden gerealiseerd of wanneer zich kansen voordoen om ontbrekende schakels toe te voegen, dan wordt de hoofdgroenstructuur aangevuld, aangepast en uitgebreid. Zo blijft deze hoofdstructuur robuust en een basis voor toekomstige generaties. In Hoofdstuk 4. Bomen wordt beschreven dat het belangrijk is om bestaande bomen te behouden en waar mogelijk het aantal te vergroten. Daarom is het kappen van bomen alleen toegestaan wanneer het Omgevingsplan daarvoor toestemming heeft verleend. Hiervoor werken we met de leidende principes, zoals beschreven in Hoofdstuk 4. Bomen.

9 Uitvoeringsstrategie

9.1 Inleiding

We werken aan de doelen van het Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen. Met het Omgevingsprogramma kijken we tien jaar vooruit. Voor de uitvoering richten we ons op de komende vier jaar. Hiervoor is een uitvoeringsprogramma opgesteld. Dit uitvoeringsprogramma wordt elke twee jaar geactualiseerd, zodat we blijven leren en flexibel inspelen op nieuwe kansen. We benutten slimme combinaties met andere opgaven om de haalbaarheid en betaalbaarheid te vergroten. Het uitvoeringsprogramma bevat concrete acties en maatregelen om samen met de inwoners en onze groene partners de gemeente Pijnacker-Nootdorp te werken aan het groen in de gemeente. Het Ontwerp Omgevingsprogramma doorloopt in de tweede helft van 2025 een inspraakprocedure, waarna het Omgevingsprogramma Groen eind 2025 kan worden vastgesteld.

9.2 De ambities in relatie tot de beschikbare middelen

Het realiseren van de ambities kan worden begrensd door een tekort aan middelen en/of capaciteit. Voor het uitvoeren van de maatregelen uit het Omgevingsprogramma Groen in en om de kernen zijn nog niet alle middelen zeker gesteld. De beschikbaarheid van middelen en de prioritering door de gemeenteraad bepalen welke maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd. Tegelijkertijd moet de gemeente vanaf 2026 structureel bezuinigen. De komende jaren zal de gemeenteraad hier verdere keuzes in maken. Daarnaast wordt het Omgevingsprogramma gebruikt om mee te liften op toekomstige ontwikkelingen. Wanneer er koppelkansen zijn, of zicht op nieuwe middelen, kunnen maatregelen snel worden opgepakt. Dat gaat om bijvoorbeeld ontwikkelingen zoals de geplande woonwijken. Een voorbeeld van een externe ontwikkeling is het Rijkstraject van de NOVEX Zuidelijke Randstad. Bij dit traject komen in de toekomst mogelijk middelen beschikbaar voor groene doelen. 

9.3 Integrale benadering

De groene thema’s staan niet los van andere onderwerpen. Biodiversiteit hangt samen met klimaatverandering, water, gezondheid en welzijn, economie en ruimtelijke ordening. Er is een groeiende bewustwording van de noodzaak om biodiversiteit, en het herstel hiervan, te integreren in andere thema’s. De integratie van biodiversiteit in bredere beleidskaders en sectoren wordt steeds belangrijker. Het werken met Omgevingsprogramma’s moet bijdragen aan deze integratie. Waarbij het Omgevingsprogramma Groen wordt betrokken bij de beleidsvorming en de uitvoering van andere beleidsonderwerpen.

9.4 Samenwerking met andere partijen

Ook andere partijen zijn betrokken bij de doelen en opgaven van het Omgevingsprogramma Groen. In de kernen en de linten dragen onze inwoners bijvoorbeeld bij aan vergroening met groen ingerichte tuinen. In het buitengebied zorgen agrarische bedrijven en beheerorganisaties (Natuurmonumenten, Staatbosbeheer) voor de instandhouding van onze groene leefomgeving. Bewoners en maatschappelijke organisaties nemen steeds vaker initiatief om biodiversiteitsprojecten te starten die bijdragen aan het welzijn van mensen, dieren en planten. 

9.5 Uitvoeringsprogramma

In de leidende principes is in de voorgaande hoofdstukken aangegeven welk beleid wordt voortgezet, wat verbeterd kan worden en waar nieuw beleid of activiteiten wenselijk is. Het gaat om kansrijke projecten en maatregelen, om vertaling in het Omgevingsplan, in de gebiedsontwikkeling en in de beheerplannen. De uitwerking is integraal opgenomen in het Uitvoeringsprogramma (zie bijlage 1). In het Uitvoeringsprogramma staan maatregelen, activiteiten en projecten met een scope van vier jaar.  

9.6 Monitoring & evaluatie

Een Omgevingsprogramma is onderdeel van de beleidscyclus. Dat betekent dat er een monitoring- en evaluatie (M&E) systematiek is. De M&E levert input voor Omgevingsvisie en andere Omgevingsprogramma’s. Ook is dit de basis voor toekomstige evaluatie of beëindiging van een Omgevingsprogramma. Voor de monitoring van de maatschappelijke doelstellingen sluiten wij aan bij de monitoring van de Omgevingsvisie, en de doelenboom in de Programmabegroting. Daarnaast monitoren we op de voortgang van de uitvoering. Daarvoor actualiseren we elke twee jaar het Uitvoeringsprogramma (bijlage 1). Daarbij wordt niet alleen de voortgang van de opgenomen activiteiten gemonitord, maar is ook ruimte om nieuwe maatregelen, activiteiten en projecten toe te voegen. Hiermee houden we het Omgevingsprogramma levend. Een specifiek onderdeel van dit Omgevingsprogramma is de kwalitatieve monitoring van biodiversiteit; hiervoor stellen we in 2026 een plan van aanpak op. Verder willen we de ontwikkeling van de hoeveelheid groen per buurt monitoren.

II Overzicht Documentenbijlagen

Bijlage 1 - Uitvoeringsprogramma

/join/id/regdata/gm1926/2025/e18547a22f4d4434ae7ab2479931f6b3/nld@2025‑06‑10;14552891

Bijlage 2 - Toetsingscriteria beoordelen kapvergunning

/join/id/regdata/gm1926/2025/b961a75f965c4919b3cb2192b369aa21/nld@2025‑06‑10;14552891

Bijlage 3 - Biotopenkaart

/join/id/regdata/gm1926/2025/ac7cfbd2809c49bca2b0cc4ce4280832/nld@2025‑06‑10;14552891

Bijlage 4 - Basiskwaliteit natuur (BKN) soorten

/join/id/regdata/gm1926/2025/a210a359f7d94d428867b88c1ff81476/nld@2025‑06‑10;14552891

Bijlage 5 - Hoge kwaliteit natuur (HKN) soorten

/join/id/regdata/gm1926/2025/da01d5c3068e4e078a72979e595fb5c0/nld@2025‑06‑10;14552891

Bijlage 6 - Maatregelen t.b.v. biotopen, aan de hand van ambassadeursoorten

/join/id/regdata/gm1926/2025/3d3ca1c2e42a4b0fa43d7013392df8a3/nld@2025‑06‑10;14552891

Naar boven