Gemeenteblad van Nijmegen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Nijmegen | Gemeenteblad 2025, 255514 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Nijmegen | Gemeenteblad 2025, 255514 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
[ONTWERPBESLUIT]
De gemeenteraad van Gemeente Nijmegen, bijeen in zijn vergadering van [datum]
Besluit vast te stellen;
Het "Omgevingsplan gemeente Nijmegen" conform de wijzigingen in Bijlage A Omgevingsplan gemeente Nijmegen, wijziging 2025-01.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]
De raadsgriffier,
Drs. S.J. Ruta
De voorzitter,
Drs. H.M.F. Bruls
A
Na artikel 1.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat meet- en rekenbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
B
Het opschrift van artikel 1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
C
Het opschrift van artikel 1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
D
Het opschrift van artikel 1.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
E
Na artikel 1.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Voor zover de regels in hoofdstuk 4 tot en met 8 van dit omgevingsplan in strijd zijn met één of meerdere regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, gelden de regels in hoofdstuk 4 tot en met 8.
F
Paragraaf 3.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij activiteiten in een Waardengebied cultureel erfgoed - molenbiotoop wordt voldaan aan:
Paragraaf 5.3.1: Activiteiten in een molenbiotoop.
G
Het opschrift van artikel 3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Het opschrift van artikel 3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Artikel 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op efficiënt benutten van de bodem voor bodemenergiesystemen wordt voldaan aan de regels in:
Paragraaf 7.3.18.3.1: Gesloten bodemenergiesysteem installeren.
J
Na paragraaf 3.2.5 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende:
Er is een Bebouwingscontour houtkap als bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbinnen de regels over houtopstanden van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn.
K
Het opschrift van artikel 3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Het opschrift van artikel 3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Artikel 3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het hele Bodembeheergebied, als bedoeld in artikel 3.43.7, is ingedeeld in de bodemfunctieklasse ‘wonen’.
N
Het opschrift van artikel 3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Artikel 3.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het beschermen van het milieu en het beheer van de bodem en watersystemen, wordt bij activiteiten in de bodem voldaan aan de regels in:
Paragraaf 7.2.28.2.2: Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit;
Paragraaf 7.2.38.2.3: Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit;
Paragraaf 7.2.48.2.4: Saneren van de bodem;
Paragraaf 7.2.58.2.5: Nazorg na saneren van de bodem;
Paragraaf 7.2.68.2.6: Toepassen van bouwstoffen;
Paragraaf 7.2.78.2.7: Toepassen van grond of baggerspecie;
Paragraaf 7.2.88.2.8: Opslaan van grond of baggerspecie; en
Paragraaf 7.2.98.2.9: Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico.
P
Het opschrift van artikel 3.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Q
Artikel 3.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het bodemkwaliteitsgebied als bedoeld in het eerste lid is begrensd door de locatie bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad tot 1945.
R
Artikel 3.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er is een Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad 1945 tot 1965.
Het bodemkwaliteitsgebied als bedoeld in het eerste lid is begrensd door de locatie bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad 1945 tot 1965.
S
Artikel 3.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er is een Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad vanaf 1965.
Het bodemkwaliteitsgebied als bedoeld in het eerste lid is begrensd door de locatie bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad 1965 tot heden.
T
Artikel 3.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er is een Bodemkwaliteitsgebied - Waalsprong.
Het bodemkwaliteitsgebied als bedoeld in het eerste lid is begrensd door de locatie bodemkwaliteitsgebied - Waalsprong.
U
Artikel 3.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er is een Bodemkwaliteitsgebied - Veur Lent.
Het bodemkwaliteitsgebied als bedoeld in het eerste lid is begrensd door de locatie bodemkwaliteitsgebied - Veur Lent.
V
Het opschrift van hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
W
Afdeling 4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 4.1 ongewijzigd verplaatst van afdeling 4.1 naar paragraaf 4.1.1. ]
X
Artikel 4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf gaat over:
het toevoegen van een bodemgevoelige locatie of het uitbreiden van een bestaande bodemgevoelige locatie;
het bouwen van een bodemgevoelig gebouw of het uitbreiden van een bestaand bodemgevoelig gebouw;
het toevoegen van woonruimte in een bestaand bodemgevoelig gebouw; en
het starten van een maatschappelijke voorziening in een bestaand bodemgevoelig gebouw, inclusief:
In deze paragraaf wordt onder sanerende of andere beschermende maatregelen verstaan:
Y
Artikel 4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als waarden voor de toelaatbare kwaliteit van een standaard bodem, als bedoeld in Bijlage XIIIa bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gelden de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in Bijlage IIa van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In aanvulling op het eerste lid gelden de volgende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van een standaard bodem:
Stofnaam | Waarde toelaatbare kwaliteit bodem (mg/kg droge stof) |
Beryllium | 30 |
Seleen | 100 |
Tellurium | 600 |
Thalium | 15 |
Tin | 900 |
Vanadium | 250 |
Zilver | 15 |
Dichlooranilinen | 50 |
Trichlooranilinen | 10 |
Tetrachlooranilinen | 30 |
Pentachlooranilinen | 10 |
4-chloormethylfenolen | 15 |
Azinfosmethyl | 0,1 |
Maneb | 22 |
Acrylonitril | 0,1 |
Butanol | 30 |
1,2 Butylacetaat | 200 |
Ethylacetaat | 75 |
Diethyleen glycol | 270 |
Ethyleen glycol | 100 |
Formaldehyde | 0,1 |
Isopropanol | 220 |
Methanol | 30 |
Methylethylketon | 35 |
Methyl-tert-buthyl ether (MTBE) | 100 |
PFOS | 0,059 |
PFOA | 0,060 |
GEN X | 0,057 |
PFBA | 0,059 |
PFPeA | 0,059 |
PFHxA | 0,059 |
PFHpA | 0,059 |
PFNA | 0,059 |
PFDeA | 0,059 |
PFUnDA | 0,059 |
PFDoDA | 0,059 |
PFTrDA | 0,059 |
PFTeDA | 0,059 |
PFHxDA | 0,059 |
PFODA | 0,059 |
PFBS | 0,059 |
PFPeS | 0,059 |
PFHxS | 0,059 |
PFHpS | 0,059 |
PFDS | 0,059 |
4:2 FTS | 0,059 |
6:2 FTS | 0,059 |
8:2 FTS | 0,059 |
10:2 FTS | 0,059 |
PFOSA | 0,059 |
8:2 diPAP | 0,059 |
EtFOSAA | 0,059 |
MeFBSA | 0,059 |
MeFOSAA | 0,059 |
MeFOSA | 0,059 |
Chloride | 390 |
Fluoride | 24 |
Respirabele asbestvezels | 10 |
PCB28 | 0,822 |
PCB52 | 0,34 |
PCB101 | 0,729 |
PCB118 | 2,2 |
PCB138 | 0,388 |
PCB153 | 0,556 |
PCB180 | 0,206 |
In aanvulling op het eerste en tweede lid gelden voor volkstuincomplexen, buurtmoestuinen en locaties die zijn aangewezen voor stadslandbouw, de volgende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van een standaard bodem in onderstaande tabel:
Stofnaam | Waarde toelaatbare kwaliteit bodem (mg/kg droge stof) |
Molybdeen | 94,8 |
Lood | 351 |
Kobalt |
|
Kwik | 11,3 |
Cadmium | 3,91 |
DDD | 6,85 |
Aldrin | 0,0508 |
Dieldrin | 1,19 |
Endrin | 1,99 |
PCB28 | 0,113 |
PCB52 | 0,0446 |
PCB101 | 0,0988 |
PCB118 | 0,342 |
PCB138 | 0,0509 |
PCB153 | 0,074 |
PCB180 | 0,0266 |
Voor zover de stoffen in bovenstaande tabel tevens zijn genoemd in het eerste of tweede lid wordt de strengste norm toegepast.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarde toelaatbare kwaliteit bodem.
De in het vierde lid genoemde zinsneden "de gemiddelde gemeten" en "in meer dan 25 m3 bodemvolume” zijn niet van toepassing als het gaat om de aanwezigheid van asbest en respirabele asbestvezels.
Z
Artikel 4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 4.6 eerste lid is niet van toepassing op locaties die in het Register met verdachte bodemlocaties, als bedoeld in artikel 3.93.12, zijn aangewezen als verdachte bodemlocatie.
AA
Artikel 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 4.5 of artikel 22.26, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 4.5 of artikel 22.26, op een verdachte bodemlocatie gelegen binnen het Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad vanaf 1965 of op een locatie gelegen in het Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad 1945 tot 1965, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bestaande uit in ieder geval een vooronderzoek NEN 5725;
als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, als bedoeld in artikel 4.4, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 4.5 of artikel 22.26, op een locatie gelegen in het Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad tot 1945, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bestaande uit in ieder geval een vooronderzoek NEN 5725 en verkennend bodemonderzoek NEN 5740.; en
als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, als bedoeld in artikel 4.4, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 4.5 of artikel 22.26, op een locatie gelegen in het Bodemkwaliteitsgebied - Waalsprong of op een locatie gelegen in het Bodemkwaliteitsgebied - Veur Lent, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bestaande uit in ieder geval een vooronderzoek NEN 5725 en verkennend bodemonderzoek NEN 5740.;
een bodemonderzoek naar het voorkomen van bestrijdingsmiddelen in de laag van 0,00 - 0,25 m-mv en de laag van 0,25 - 0,5 m-mv. ; en
als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, als bedoeld in artikel 4.4, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
BB
Artikel 4.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in het bestandsformaatde bestandsformaten .pdf en .xml conform de vigerende versie van de Basisregistratie Ondergrond (IMBRO).
Het eerste lid is niet van toepassing op een vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a Besluit activiteiten leefomgeving.
CC
Artikel 4.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 22.29 wordt een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26, alleen verleend als:
de bodemkwaliteit voldoet aan de toelaatbare bodemkwaliteit zoals bedoeld in artikel 4.4;
als uit de gegevens blijkt dat aannemelijk is dat sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen; óf
de bodem geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde doel door het stellen van voorwaarden.
Het eerste lid is niet van toepassing in het Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad vanaf 1965, tenzij de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft in het Register met verdachte bodemlocaties, als bedoeld in artikel 3.93.12, is aangewezen als verdachte bodemlocatie.
Het eerste lid is niet van toepassing op het uitbreiden van een bestaand bodemgevoelig gebouw, met een oppervlakte kleiner of gelijk aan 50 m2.
DD
Hoofdstuk 8 wordt geplaatst na hoofdstuk 4. Hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die betrekking hebben op cultureel erfgoed.
Deze paragraaf gaat over activiteiten in een molenbiotoop.
De regels van deze paragraaf zijn uitsluitend van toepassing in het Waardengebied cultureel erfgoed - molenbiotoop
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in een molenbiotoop:
het bouwen van een bouwwerk met een hoogte die, in meters ten opzichte van NAP, meer bedraagt dan de hoogte zoals aangegeven met de omgevingsnorm Hoogte in meters ten opzichte van NAP;
het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur, niet zijnde een bouwwerk, met een hoogte die, in meters ten opzichte van NAP, meer bedraagt dan de hoogte zoals aangegeven met de omgevingsnorm Hoogte in meters ten opzichte van NAP; en
het planten van een boom of andere hoog opgaande begroeiing waarvan de hoogte, in volwassen staat, meer bedraagt dan de hoogte in meters ten opzichte van NAP, zoals aangegeven met de omgevingsnorm Hoogte in meters ten opzichte van NAP.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.4, geldt niet voor:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4 wordt alleen verleend als:
uit een inventariserend onderzoek naar de windvang van de molen blijkt dat de te verwachten directe of indirecte gevolgen door windbelemmering het huidige en het toekomstige functioneren van de molen als werktuig beperkt; en
de waarde van de molen als landschapselement en de cultuurhistorische waarde, niet onevenredig in gevaar worden gebracht.
EE
Hoofdstuk 5 wordt geplaatst na hoofdstuk 8. Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden een hyperscale datacentrum te starten of te exploiteren.
FF
Hoofdstuk 6 wordt geplaatst na hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling gaat over het bevorderen van duurzaamheid bij bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten.
In afwijking van artikel 6.27.2 is deze paragraaf niet van toepassing op ontwikkelgebieden waar vóór 1 januari 2024 een overeenkomst is gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over natuurinclusief bouwen.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een ingevuld format in bijlage B van de Toolbox Natuurinclusief Bouwen; en
voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de natuurinclusieve maatregelen, tekeningen van:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of ingrijpend wijzigen van een bestaand hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een ingevuld format in bijlage B van de Toolbox Natuurinclusief Bouwen; en
voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de natuurinclusieve maatregelen, tekeningen van:
Het tweede lid geldt vanaf 1 januari 2026.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het bouwen van een hoofdgebouw wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
het bouwplan voorziet in voldoende natuurinclusieve maatregelen, waarbij getoetst wordt aan de normen in de Toolbox Natuurinclusief Bouwen, als vastgesteld op 28 november 2023, met dien verstande dat wanneer de voornoemde toolbox wordt gewijzigd, aan de hand van de meest recente versie van de toolbox wordt bepaald of er sprake is van voldoende natuurinclusieve maatregelen.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitbreiden of ingrijpend wijzigen van een bestaand hoofdgebouw als bedoeld in artikel 6.27.2 aanhef onder b, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als
het bouwplan voorziet in voldoende natuurinclusieve maatregelen, waarbij getoetst wordt aan de normen in de Toolbox Natuurinclusief Bouwen, als vastgesteld op 28 november 2023, met dien verstande dat wanneer de voornoemde toolbox wordt gewijzigd, aan de hand van de meest recente versie van de toolbox wordt bepaald of er sprake is van voldoende natuurinclusieve maatregelen.
Het tweede lid geldt vanaf 1 januari 2026.
GG
Hoofdstuk 7 wordt geplaatst na hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 7.1 verplaatst van afdeling 7.1 naar paragraaf 8.1.1. ]
[Red: Artikel 7.2 verplaatst van afdeling 7.1 naar paragraaf 8.1.1. ]
Wanneer op grond van de regels in deze afdeling een bodemonderzoek wordt geëist, worden de resultaten van het bodemonderzoek verstrekt in het bestandsformaatde bestandsformaten .pdf en .xml conform de vigerende versie van het IMBRO.
Het eerste lid is niet van toepassing op een vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a Besluit activiteiten leefomgeving.
Deze paragraaf gaat over het graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
In aanvulling op artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden bij een activiteit, als bedoeld in artikel 7.58.5 en artikel 4.1219 Besluit activiteiten leefomgeving, de resultaten van voorafgaand bodemonderzoek verstrekt aan het bevoegd gezag.
Bij het verstrekken van de resultaten aan het bevoegd gezag, als het gaat om een locatie gelegen op een verdachte bodemlocatie in het Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad vanaf 1965 of op een locatie gelegen in een Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad 1945 tot 1965, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
voorafgaand bodemonderzoek, als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bestaande uit in ieder geval een vooronderzoek NEN 5725; en
gegevens over de op de locatie aanwezige invasieve exoten.
Bij het verstrekken van de resultaten aan het bevoegd gezag, als het gaat om een locatie gelegen in een Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad tot 1945, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bestaande uit in ieder geval een vooronderzoek NEN 5725 en verkennend bodemonderzoek NEN 5740; en
gegevens over de op de locatie aanwezige invasieve exoten.
Bij het verstrekken van de resultaten aan het bevoegd gezag, als het gaat om een locatie gelegen in een Bodemkwaliteitsgebied - Waalsprong, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bestaande uit in ieder geval een vooronderzoek NEN 5725 en verkennend bodemonderzoek NEN 5740;
een bodemonderzoek naar het voorkomen van bestrijdingsmiddelen in de laag van 0,00 - 0,25 m-mv en de laag van 0,25 - 0,5 m-mv; en
gegevens over de op de locatie aanwezige invasieve exoten.
Deze paragraaf gaat over het graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
In aanvulling op artikel 4.12254.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden bij een activiteit, als bedoeld in artikel 7.78.7 en artikel 4.1224 Besluit activiteiten leefomgeving, gegevens over de op de locatie aanwezige invasieve exoten gemeld aan het bevoegd gezag.
Bij een overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, als bedoeld in artikel 4.4, op een locatie in het Bodemkwaliteitsgebied - Veur Lent is paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing.
In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, in samenhang met artikel 4.1241, derde lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, heeft een laag grond of baggerspecie die wordt aangebracht als afdeklaag de minimale dikte, als genoemd in onderstaand tabel voor het aangegeven bodemgebruik.
In aanvulling op artikel 4.1241, derde lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving moet de kwaliteit van de leeflaag ook voldoen aan artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In afwijking van artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof die boven de waarde, als bedoeld in artikel 4.4 was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan het niveau van de waarde die gelijk is aan de waarde zoals opgenomen in artikel 7.138.13.
Op de locatie bodem - deelgebied tot 1900 gelden de onderstaande terugsaneerwaarden:
Stofnaam | ||
Cadmium | 1,2 | 1,2 |
Koper | 88 | 54 |
Kwik | 0,83 | 0,3 |
Lood | 465/2101 | 100 |
Nikkel | 70 | 70 |
Zink | 399 | 200 |
Barium | 395 | 380 |
Kobalt | 30 | 30 |
Molybdeen | 3 | 3 |
PAK | 6,8 | 3 |
PCB | 0,04 | 0,04 |
DDT | 0,2 | 0,2 |
DDE | 0,13 | 0,13 |
DDD | 0,04 | 0,04 |
Drins | 0,03 | 0,03 |
PFOA | 0,0019 | 0,0019 |
PFAS (overig2) | 0,0014 | 0,0014 |
Asbest | 100 | 100 |
Overige stoffen | ≤2*AW én ≤ W | ≤2*AW én ≤ W |
1 De terugsaneerwaarde voor een bodemgevoelige locatie (tuin, moestuin of speelplaats) bij een standaard bodem bedraagt 210 mg/kg ds. In andere gevallen is de terugsaneerwaarde voor een standaard bodem 465 mg/kg ds.
2 PFOS, GEN X, PFBA, PFPeA, PFHxA, PFHpA, PFNA, PFDeA, PFUnDA, PFDoDA, PFTrDA, PFTeDA, PFHxDA, PFODA, PFBS, PFPeS, PFHxS, PFHpS, PFDS, 4:2 FTS, 6:2 FTS, 8:2 FTS, 10:2 FTS, PFOSA, 8:2 diPAP, EtFOSAA, MeFBSA, MeFOSAA en MeFOSA.
Op de locatie bodem - deelgebied 1900 tot 1945 gelden de onderstaande terugsaneerwaarden:
Stofnaam | ||
Cadmium | 1,2 | 1,2 |
Koper | 114 | 54 |
Kwik | 0,86 | 0,3 |
Lood | 405/2101 | 100 |
Nikkel | 70 | 70 |
Zink | 576 | 200 |
Barium | 380 | 380 |
Kobalt | 30 | 30 |
Molybdeen | 3 | 3 |
PAK | 16 | 3 |
PCB | 0,04 | 0,04 |
DDT | 0,2 | 0,2 |
DDE | 0,13 | 0,13 |
DDD | 0,04 | 0,04 |
Drins | 0,03 | 0,03 |
PFOA | 0,0019 | 0,0019 |
PFAS (overig2) | 0,0014 | 0,0014 |
Asbest | 100 | 100 |
Overige stoffen | ≤2*AW én ≤ W | ≤2*AW én ≤ W |
1 De terugsaneerwaarde voor een bodemgevoelige locatie (tuin, moestuin of speelplaats) bij een standaard bodem bedraagt 210 mg/kg ds. In andere gevallen is de terugsaneerwaarde voor een standaard bodem 405 mg/kg ds.
2 PFOS, GEN X, PFBA, PFPeA, PFHxA, PFHpA, PFNA, PFDeA, PFUnDA, PFDoDA, PFTrDA, PFTeDA, PFHxDA, PFODA, PFBS, PFPeS, PFHxS, PFHpS, PFDS, 4:2 FTS, 6:2 FTS, 8:2 FTS, 10:2 FTS, PFOSA, 8:2 diPAP, EtFOSAA, MeFBSA, MeFOSAA en MeFOSA.
Op de locatie bodem - deelgebied 1945 tot 1965 gelden de onderstaande terugsaneerwaarden:
Stofnaam | ||
Cadmium | 1,2 | 1,2 |
Koper | 64 | 54 |
Kwik | 0,39 | 0,3 |
Lood | 208 | 100 |
Nikkel | 70 | 70 |
Zink | 299 | 200 |
Barium | 380 | 380 |
Kobalt | 30 | 30 |
Molybdeen | 3 | 3 |
PAK | 6,8 | 3 |
PCB | 0,04 | 0,04 |
DDT | 0,2 | 0,2 |
DDE | 0,13 | 0,13 |
DDD | 0,04 | 0,04 |
Drins | 0,03 | 0,03 |
PFOA | 0,0019 | 0,0019 |
PFAS (overig1) | 0,0014 | 0,0014 |
Asbest | 100 | 100 |
Overige stoffen | ≤2*AW én ≤ W | ≤2*AW én ≤ W |
1 PFOS, GEN X, PFBA, PFPeA, PFHxA, PFHpA, PFNA, PFDeA, PFUnDA, PFDoDA, PFTrDA, PFTeDA, PFHxDA, PFODA, PFBS, PFPeS, PFHxS, PFHpS, PFDS, 4:2 FTS, 6:2 FTS, 8:2 FTS, 10:2 FTS, PFOSA, 8:2 diPAP, EtFOSAA, MeFBSA, MeFOSAA en MeFOSA.
Op de locatie bodem - deelgebied 1965 tot heden gelden de onderstaande terugsaneerwaarden:
Stofnaam | ||
Cadmium | 1,2 | 1,2 |
Koper | 54 | 54 |
Kwik | 0,3 | 0,3 |
Lood | 100 | 100 |
Nikkel | 70 | 70 |
Zink | 212 | 200 |
Barium | 380 | 380 |
Kobalt | 30 | 30 |
Molybdeen | 3 | 3 |
PAK | 3 | 3 |
PCB | 0,04 | 0,04 |
DDT | 0,2 | 0,2 |
DDE | 0,13 | 0,13 |
DDD | 0,04 | 0,04 |
Drins | 0,03 | 0,03 |
PFOA | 0,0019 | 0,0019 |
PFAS (overig1) | 0,0014 | 0,0014 |
Asbest | 100 | 100 |
Overige stoffen | ≤2*AW én ≤ W | ≤2*AW én ≤ W |
1 PFOS, GEN X, PFBA, PFPeA, PFHxA, PFHpA, PFNA, PFDeA, PFUnDA, PFDoDA, PFTrDA, PFTeDA, PFHxDA, PFODA, PFBS, PFPeS, PFHxS, PFHpS, PFDS, 4:2 FTS, 6:2 FTS, 8:2 FTS, 10:2 FTS, PFOSA, 8:2 diPAP, EtFOSAA, MeFBSA, MeFOSAA en MeFOSA.
Op de locatie bodem - deelgebied Waalsprong en de locatie bodem - deelgebied Veur Lent gelden de onderstaande terugsaneerwaarden:
Stofnaam | ||
Cadmium | 1,2 | 1,2 |
Koper | 54 | 54 |
Kwik | 0,3 | 0,3 |
Lood | 110 | 100 |
Nikkel | 70 | 70 |
Zink | 244 | 200 |
Barium | 380 | 380 |
Kobalt | 30 | 30 |
Molybdeen | 3 | 3 |
PAK | 3 | 3 |
PCB | 0,04 | 0,04 |
DDT | 1,7 | 1,7 |
DDE | 2,3 | 2,3 |
DDD | 0,84 | 0,84 |
Drins | 0,03 | 0,03 |
PFOA | 0,0019 | 0,0019 |
PFAS (overig1) | 0,0014 | 0,0014 |
Asbest | 100 | 100 |
Overige stoffen | ≤2*AW én ≤ W | ≤2*AW én ≤ W |
1 PFOS, GEN X, PFBA, PFPeA, PFHxA, PFHpA, PFNA, PFDeA, PFUnDA, PFDoDA, PFTrDA, PFTeDA, PFHxDA, PFODA, PFBS, PFPeS, PFHxS, PFHpS, PFDS, 4:2 FTS, 6:2 FTS, 8:2 FTS, 10:2 FTS, PFOSA, 8:2 diPAP, EtFOSAA, MeFBSA, MeFOSAA en MeFOSA.
Op de locatie bodem - deelgebied Waalsprong kassen gelden de onderstaande terugsaneerwaarden:
Stofnaam | ||
Cadmium | 1,2 | 1,2 |
Koper | 61 | 54 |
Kwik | 0,3 | 0,3 |
Lood | 115 | 100 |
Nikkel | 70 | 70 |
Zink | 244 | 200 |
Barium | 380 | 380 |
Kobalt | 30 | 30 |
Molybdeen | 3 | 3 |
PAK | 3 | 3 |
PCB | 0,04 | 0,04 |
DDT | 1,7 | 1,7 |
DDE | 2,3 | 2,3 |
DDD | 0,84 | 0,84 |
Drins | 2 | 0,03 |
PFOA | 0,0019 | 0,0019 |
PFAS (overig1) | 0,0014 | 0,0014 |
Asbest | 100 | 100 |
Overige stoffen | ≤2*AW én ≤ W | ≤2*AW én ≤ W |
1 PFOS, GEN X, PFBA, PFPeA, PFHxA, PFHpA, PFNA, PFDeA, PFUnDA, PFDoDA, PFTrDA, PFTeDA, PFHxDA, PFODA, PFBS, PFPeS, PFHxS, PFHpS, PFDS, 4:2 FTS, 6:2 FTS, 8:2 FTS, 10:2 FTS, PFOSA, 8:2 diPAP, EtFOSAA, MeFBSA, MeFOSAA en MeFOSA.
Op de locatie bodem - deelgebied Waalsprong ophoging gelden de onderstaande terugsaneerwaarden:
Stofnaam | ||
Cadmium | 1,2 | 1,2 |
Koper | 61 | 54 |
Kwik | 0,3 | 0,3 |
Lood | 115 | 100 |
Nikkel | 70 | 70 |
Zink | 244 | 200 |
Barium | 380 | 380 |
Kobalt | 30 | 30 |
Molybdeen | 3 | 3 |
PAK | 3 | 3 |
PCB | 0,04 | 0,04 |
DDT | 1,7 | 1,7 |
DDE | 2,3 | 2,3 |
DDD | 0,84 | 0,84 |
Drins | 2 | 0,03 |
PFOA | 0,0019 | 0,0019 |
PFAS (overig1) | 0,0014 | 0,0014 |
Asbest | 100 | 100 |
Overige stoffen | ≤2*AW én ≤ W | ≤2*AW én ≤ W |
1 PFOS, GEN X, PFBA, PFPeA, PFHxA, PFHpA, PFNA, PFDeA, PFUnDA, PFDoDA, PFTrDA, PFTeDA, PFHxDA, PFODA, PFBS, PFPeS, PFHxS, PFHpS, PFDS, 4:2 FTS, 6:2 FTS, 8:2 FTS, 10:2 FTS, PFOSA, 8:2 diPAP, EtFOSAA, MeFBSA, MeFOSAA en MeFOSA.
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift, of bij een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.
Er is een register van locaties met nazorg.
Het register wordt beheerd door het college van burgemeester en wethouders.
Het register is voor eenieder langs elektronische weg toegankelijk.
Het register wordt voortdurend geactualiseerd.
De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie opgenomen in het register van locaties met nazorg treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.
In aanvulling op artikel 4.1258 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden de activiteit, als bedoeld in artikel 4.1257 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het starten van de activiteit te melden, voor zover de activiteit betrekking heeft op het toepassen van:
Een melding als bedoeld in artikel 7.188.18 bevat:
de aanduiding van de functionele toepassing, als bedoeld in artikel 4.1260 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing;
de dimensionering van de functionele toepassing;
de verwachte datum van het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
de verwachte datum waarop het werk zal zijn voltooid;
een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt;
als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon;
de kwaliteit van de AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt;
de hoeveelheid AVI bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; en
de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld.
Deze paragraaf gaat over het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie.
In afwijking van de kwaliteitseisen, als genoemd in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden kwaliteitseisen zoals opgenomen in de Nota Bodembeheer 2021 die is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Nijmegen op 22 december 2021.
In aanvulling op artikel 4.1267, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is artikel 4.1267, eerste lid, onder f, van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing op grond die is vrijgekomen in het Bodembeheergebied en vervolgens weer wordt toegepast in het Bodembeheergebied.
Deze paragraaf gaat over het op de landbodem opslaan van grond of baggerspecie.
In aanvulling op artikel 4.1250, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is het uitvoeren van een eindonderzoek van de bodem niet van toepassing als grond op een elementenbodemvoorziening wordt opgeslagen.
Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 7.258.25, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.
Deze paragraaf gaat over het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:
in een Beperkingengebied energie - interferentiegebied of een interferentiegebied dat is aangewezen in de provinciale omgevingsverordening; of
met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.298.29 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;
de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;
gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen of andere ondergrondse functies in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;
een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;
informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en
de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.298.29 wordt alleen verleend als:
het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad;
het bodemenergiesysteem geen belemmering vormt voor de uitvoering van door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde bodemenergieplannen;
het bodemenergiesysteem geen negatieve interferentie kan veroorzaken met andere ondergrondse functies; en
er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.
HH
Artikel 22.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:
een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
op de grond staand;
gelegen in achtererfgebied;
op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
niet hoger dan 5 m;
de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
voorzien van een plat dak;
gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;
een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;
een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
op een erf of perceel waarop al een gebouwhoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat gebouwhoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen;
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of
een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
II
Artikel 22.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:
op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;
op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of
op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.
artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.
JJ
Artikel 22.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
Deze afdeling is niet van toepassing op:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement:
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.7.
KK
Artikel 22.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:
In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV
LL
Artikel 22.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
In afwijking van het eerste en tweede lid zijn voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein of activiteit op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaaden zijn vastgesteld, het zesde en zevende lid van toepassing.
Het derde lid is niet van toepassing op een activiteit waar:
tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;
het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;
in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;
geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;
geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;
geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;
geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en
geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;
Het derde lid is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het eerste en tweede lid of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
MM
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm0268/2025/5edec514974d4c96b8da2a890e54812c/nld@2025‑06‑10;11314684
/join/id/regdata/gm0268/2024/b1bafb0db34d4c85bfa2bae7a388195a/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2024/1747a7d8383f48db8285bbfa3b9f240e/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2024/81a4b406c29d47b697398dd746e321f0/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2024/49ff20e32c174eb9b796147d8126f537/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2024/b1b2610a884f4076bc44f86d4a9babf0/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2025/734997aa87764f75bc523d1558a5a333/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2024/a7ba285e4c424f22904611c37e7483ee/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2024/057ed04dd242494590ecf1bd4c96027a/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2024/ab21d17e2fb9402192624a2f772bc177/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2024/34aad304581a426da7500084764fc022/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2025/f9cb90c121154bea8c6a72dcffbff8e3/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2024/2a395513054a41f282b341ae97cf3e38/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2025/7a2c6695a8c84d5391f8cfdc075d613f/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2025/e90f8007cadc41bc983e93b2e3aaca34/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2024/c79bb8d0bbab462c84d2408d700bede4/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2025/83f0ea61438b4b3c922fb254ef730ca4/nld@2025‑06‑10;11314684
/join/id/regdata/gm0268/2025/ef0f9c21fa1847dea0eec40dbdbedc43/nld@2025‑06‑10;11314684
/join/id/regdata/gm0268/2025/0a0c848086504096922f4fb89b4d1e77/nld@2025‑06‑10;11314684
/join/id/regdata/gm0268/2025/af5966d07921438fab4ff7c68b987240/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2024/ebd46ce99b5f45c782cf19847884458d/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2025/4ae4fe7f0643438d92a727d615db8ddd/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2025/3851d41d6966452b999197b463ce3083/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2024/0a41e2797307477bae75521a31371dc5/nld@2025‑04‑17;09524121
/join/id/regdata/gm0268/2025/fe03e89062b34a638a578913755c1fde/nld@2025‑06‑10;11314684
/join/id/regdata/gm0268/2025/cff32f3b4bc64355aa0bf2c93bd0b98f/nld@2025‑06‑10;11314684
/join/id/regdata/gm0268/2025/74553638bbc6462996e9f5cd8fea6bd6/nld@2025‑06‑10;11314684
NN
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van dit omgevingsplan wordt verstaan onder:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 02‑11‑2021;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van bedrijfsactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan.
bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving, alsmede een locatie waar als gevolg van het gebruik sprake is van een verhoogde kans op blootstelling aan de grond, waaronder verstaan:
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 7.0, 07‑03‑2022;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van graven in de bodem, saneren van de bodem, grondwatersanering en ingrepen in de waterbodem, versie 7.0, 07‑03‑2022;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
organische producten, niet zijnde afvalstoffen, die worden gebruikt ter verbetering van de fysisch-chemische kwaliteit van grond. Voorbeelden zijn compost, gecomposteerd boomschors of veen. Dierlijke mest en zuiveringsslib vallen niet onder deze definitie.
het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum, als bedoeld in artikel 3.235 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer. Een hyperscale datacentrum omvat ook andere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die het hyperscale datacentrum functioneel ondersteunen.
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
NEN 5725:2023: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek;
NEN 5740:2023: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2023;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
de visueel verontreinigde geroerde bovengrond.
de visueel schone ongeroerde ondergrond.
een locatie die verdacht is op het aantreffen van bodemverontreinigingen, zoals opgenomen en begrensd in het register met verdachte bodemlocaties als bedoeld in artikel 3.93.12, of een locatie die verdacht is op grond van een vooronderzoek conform NEN 5725.
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden, met inbegrip van een standplaats voor een woonwagen en de ligplaats voor een woonschip
OO
Na bijlage II wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
PP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RR
Na sectie ' Algemene zorgplicht' worden drie secties ingevoegd, luidende:
Dit artikel bevat een voorrangsbepaling. De gemeente Nijmegen kiest ervoor om de ruimtelijke regels uit het tijdelijke omgevingsplan 'activiteitgericht' te verhuizen naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Bij het activiteitgericht verhuizen houden we de ruimtelijke regels in het tijdelijk deel voorlopig in stand. Met een voorrangsbepaling regelen we dat de regels in het nieuwe deel voor gaan op de ruimtelijke regels in het tijdelijke deel. Zodra we alle ruimtelijke regels hebben verplaatst naar het nieuwe deel, verwijderen we de onderliggende bestemmingsplannen en beheersverordeningen gelijktijdig uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Met dit artikel is geregeld dat de regels in hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 7 voorrang hebben op regels in het tijdelijke deel (voormalige bestemmingsplannen en beheersverordeningen).
In dit artikel wordt een waardengebied aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Waardengebied cultureel erfgoed - molenbiotoop' zijn de molenbiotopen aangewezen. Nijmegen heeft twee molens: De Witte Molen en St. Annamolen.
Dit artikel is bedoeld als richtingaanwijzer en bevat geen inhoudelijke regels waaraan voldaan moet worden. Het artikel bevat slechts een verwijzing naar de relevante paragraaf in dit omgevingsplan, waarin de inhoudelijke regels voor activiteiten in een molenbiotoop zijn opgenomen.
SS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGG
Na sectie ' Voorschriften bij omgevingsvergunning' worden tien secties ingevoegd, luidende:
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in dit hoofdstuk gelden. Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die betrekking hebben op cultureel erfgoed.
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 5.3.1 gaat over bouw- en aanlegactiviteiten in een molenbiotoop.
De meeste regels in dit omgevingsplan gelden voor het hele grondgebied van de gemeente Nijmegen. We noemen dit het Ambtsgebied. Deze paragraaf vormt daarop een uitzondering, omdat deze regels in deze paragraaf uitsluitend van toepassing zijn op bouw- en aanlegactiviteiten binnen een molenbiotoop. Daarom is in het tweede lid geregeld dat de regels in deze paragraaf uitsluitend gelden in het 'Waardengebied cultureel erfgoed - molenbiotoop'.
Dit artikel somt op met welke oogmerken de regels in deze paragraaf zijn gesteld. De wet kent een aantal maatschappelijke doelen, waaronder het beschermen van cultureel erfgoed. De oogmerken in deze paragraaf zijn een concretisering van dit doel voor zover het gaat om bouw- en aanlegactiviteiten binnen een molenbiotoop.
Dit artikel bevat een vergunningplicht voor activiteiten binnen een molenbiotoop die de windvang van de molen kunnen aantasten. Het gaat uitsluitend om activiteiten met een (bouw)hoogte die meer bedraagt dan de hoogte die is aangegeven met de omgevingsnorm 'Hoogte in meters ten opzichte van NAP'. Deze omgevingsnorm is gerelateerd aan het peil ter plaatse van de betreffende molens, dat respectievelijk 23,6 m +NAP voor De Witte Molen en 30,2 m +NAP voor de St. Annamolen bedraagt. De vergunningplicht is ingesteld om te kunnen beoordelen of het huidige en het toekomstige functioneren van de molen als werktuig niet in gevaar wordt gebracht. De omgevingsnorm 'Hoogte in meters ten opzichte van NAP' geldt als een bebouwingsplafond, waarboven in beginsel geen nieuwe obstakels mogen worden gebouwd of aangebracht die de windvang van de molen negatief beïnvloeden.
De hoogte van het maaiveld op een locatie binnen de molenbiotoop wordt bepaald op basis van de meest recente versie van de AHN hoogteviewer.
Dit artikel bevat een uitzondering op de vergunningplicht als bedoeld in artikel 5.4. Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk (of uitbreiding daarvan), het bouwen van een dakkapel en het herbouwen van een bestaand gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, is geen omgevingsvergunning nodig. Voor het herbouwen van een bestaand gebouw geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden als genoemd in dit artikel.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning dienen de gegevens en bescheiden als genoemd in dit artikel verstrekt te worden. Deze gegevens en bescheiden zijn nodig om te kunnen beoordelen of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.7. Een inventariserend onderzoek naar een molenbiotoop is een systematische studie die tot doel heeft om de omgeving of het leefgebied rondom een windmolen inclusief windvang, in kaart te brengen en te analyseren. Dit type onderzoek richt zich op het verzamelen van informatie en gegevens met betrekking tot de natuurlijke en menselijke aspecten van de directe omgeving van de molen. De bestaande conditie van de molenbiotoop is raadpleegbaar via https://gelderland2024.molenbiotoop.nl/.
In artikel 5.4 is een vergunningplicht opgenomen voor specifieke bouw- en aanlegactiviteiten binnen een molenbiotoop. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt beoordeeld of de betreffende activiteit de windvang niet beperkt en of de cultuurhistorische waarde van de molen als landschapselement niet onevenredig in gevaar wordt gebracht.
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in dit hoofdstuk gelden. In hoofdstuk 6 worden regels gesteld over gebruiksactiviteiten. Het gaat om het gebruik van zowel gronden als bouwwerken.
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 6.3.2 bevat regels voor het exploiteren van een bedrijf in algemene zin.
Dit artikel bevat een verbod. Dit verbod vindt zijn grondslag in voorbeschermingsregels van het Rijk. Met dit verbod is geregeld dat het starten of exploiteren van een hyperscale datacentrum niet is toegestaan. Onder een hyperscale datacentrum wordt verstaan een rekencentrum of datacentrum, als bedoeld in artikel 3.235 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer.
HHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
III
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. In paragraaf 6.6.27.5.2 worden regels gesteld over natuurinclusief bouwen. Bij nieuwbouw en ingrijpende renovatie van gebouwen (o.a. woningen), is de Toolbox Natuurinclusief Bouwen d.d. november 2023 van toepassing.
De regels in deze paragraaf gelden alleen voor gebouwen met een hoogte van minimaal 4 meter en een oppervlakte van minimaal 25 m2. Er is gekozen voor een minimale hoogte van 4 meter vanwege het feit dat geschikte nestgelegenheden voor gebouwbewonende soorten als de gierzwaluw, huismus en vleermuizen een minimale hoogte van 3 meter vereisen. De minimale oppervlakte van 25 m2 komt voort uit het idee dat een oppervlakte van minder dan 25 m2 een geringe omvang biedt om te vergroenen, waarbij de vereiste inspanning slechts een beperkte bijdrage levert.
Onder een ingrijpende renovatie wordt verstaan een renovatie waarbij tenminste 25% van de oppervlakte van de bouwschil verandert. Bovendien moet de verandering op de integrale bouwschil zijn uitgevoerd. De bouwschil bestaat uit de geïntegreerde onderdelen die de binnenruimte van een gebouw scheiden van de daar buiten gelegen onderdelen van de fysieke leefomgeving (Bijlage I Bbl). De bouwschil bestaat uit de begane vloer, de buitenmuren, de ramen, de kozijnen, de deuren en het dak. Dit kan bijvoorbeeld van toepassing zijn bij het vervangen van een dak of het optoppen van een bestaand gebouw.
JJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 22.26 is een vergunningplicht opgenomen voor het bouwen, uitbreiden of (ingrijpend) wijzigen van een hoofdgebouw. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning dienen de gegevens en bescheiden als genoemd in het eerste lid (voor nieuwbouw) en tweede lid (voor bestaande bouw) verstrekt te worden. Deze gegevens en bescheiden zijn nodig om te kunnen beoordelen of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 6.67.6.
In het derde lid is bepaald dat het tweede lid (bestaande bouw) pas vanaf 1 januari 2026 van toepassing is. Er is bewust voor gekozen om dit in een apart lid te regelen, zodat het derde lid na inwerkingtreding van het tweede lid (op 1 januari 2026) kan komen te vervallen.
MMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze afdeling gelden. In afdeling 7.28.2 worden regels gesteld over bodembeheeractiviteiten.
RRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. In paragraaf 7.2.28.2.2 worden regels gesteld over het graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
TTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. In paragraaf 7.2.38.2.3 worden regels gesteld over het graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
VVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. In paragraaf 7.2.48.2.4 worden in aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving regels gesteld over het saneren van de bodem.
XXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het stadseiland Veur Lent is geen onderdeel van het bodembeheergebied, omdat het een oppervlaktewaterlichaam betreft. We spreken dan over de waterbodem, waarvoor Rijkswaterstaat bevoegd gezag is. Dit betekent dat de saneringsmaatregelen in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn. Rijkswaterstaat stelt geen saneringseisen aan de waterbodem. De gemeente kan de gewenste kwaliteit wel 'bepalen' en de waterbodem, die daar niet aan voldoet, ontgraven. Om deze reden wordt in dit artikel paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing verklaart op het 'Bodemkwaliteitsgebied - Veur Lent'. De terugsaneerwaarden voor het stadseiland zijn opgenomen in artikel 7.138.13 vijfde lid.
YYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel gaat over het aanbrengen van een laag grond of baggerspecie als afdeklaag bij bodemsanering. Op grond van artikel 4.1241, derde lid onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving dient een afdeklaag met een minimale dikte van 1,0 meter aangebracht te worden. Uit de memorie van toelichting bij het Bal blijkt dat het aanbrengen van een leeflaag met een dikte van minder dan 1,0 meter met een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel kan worden toegestaan. Het beleid van de gemeente Nijmegen (Beleidnota bodem 2012) gaat uit van het toepassen van een afdeklaag van 0,5 meter bij gronden die gebruikt worden voormet de bodemfunctie 1. industrie (inclusief kantoren en groenstroken) en 2. infrastructuur/bedrijvenverkeer en bermen. Het is wenselijk dit beleid voort te zetten. Om deze reden wordt in dit artikel een afdeklaag met een minimale dikte van 0,5 meter voorgeschreven. Daarmee wordt voorkomen dat bij iedere sanering maatwerkvoorschiften opgelegd moeten worden om af te kunnen wijken van de minimale afdeklaag van 1,0 meter uit het Bal (artikel 4.1241, derde lid onder b).
ZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat maatwerkregels. De bodemkwaliteit die met een sanering moet worden gerealiseerd is per gebied verschillend. De gemeente heeft de mogelijkheid om voor een of meerdere stoffen een afwijkende waarde vast te stellen door in het omgevingsplan maatwerkregels op te nemen, die daartoe strekken. De terugsaneerwaarden zoals opgenomen in artikel 7.138.13 zijn een voortzetting van de terugsaneerwaarden zoals opgenomen in de Nota bodembeheer 2021, uitgesplitst per deelgebied.
AAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 7.2.58.2.5 bevat regels over het verrichten van nazorg als sanering van de bodem heeft plaatsgevonden of bij een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.
CCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat een register van locaties met nazorg. In dit register wordt bijgehouden op welke locaties onder de Wet bodembescherming of onder de Omgevingswet nazorg aan de orde is. Dit register wordt beheerd door het college van burgemeester en wethouders, is voor eenieder toegankelijk en wordt voortdurend actueel gehouden. Door het register te raadplegen wordt duidelijk op welke locaties de nazorg als bedoeld in artikel 7.168.16 van toepassing is.
DDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze artikelen regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming.
Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt artikel 7.168.16 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder).
Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift.
De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem.
EEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 7.2.68.2.6 worden regels gesteld over het toepassen van bouwstoffen.
GGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat een meldingsplicht voor het toepassen van bouwstoffen. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat uitsluitend een informatieplicht voor het toepassen van bouwstoffen. Om eventueel te kunnen handhaven, voorafgaand aan de activiteit in te grijpen of na afronding van de activiteit te controleren, wordt in dit omgevingsplan een meldingsplicht ingesteld. Het Bal staat toe om aanvullende (niet afwijkende) meldingsplichten op te nemen voor milieubelastende activiteiten die in het Bal staan. Een voorwaarde hierbij is dat dit nodig is voor (artikel 2.14 Bal) onder andere:
het beheer van watersystemen en het waterketenbeheer,
het beschermen van de kwaliteit van het grondwater
Er zijn geen extra indieningsvereisten toegevoegd ten opzichte van de indieningsvereisten uit het Bal. De indieningsvereisten zijn opgenomen in artikel 7.198.19. De gemeente wenst een meldingsplicht in te stellen omdat er een risico bestaat op uitloging van de in dit artikel genoemde stoffen naar de bodem.
HHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de indieningsvereisten voor de meldingsplicht als bedoeld in artikel 7.188.18. Er zijn twee extra indieningsvereisten ten opzichte van de indieningsvereisten voor de informatieplicht uit het Bal toegevoegd. Met deze extra indieningsvereisten kan getoetst worden of sprake is van een nuttige toepassing en er niet meer wordt toegepast dan nodig is.
IIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 7.2.78.2.7 worden regels gesteld over het toepassen van grond of baggerspecie.
JJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 7.2.88.2.8 worden regels gesteld over het opslaan van grond of baggerspecie.
MMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat maatwerkregels in overeenstemming met het Nijmeegse beleid ten aanzien van bodem. In artikel 4.1250, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald wanneer het uitvoeren van een eindonderzoek nodig is bij het opslaan van grond of baggerspecie. In aanvulling op dit artikel is in artikel 7.248.24 geregeld dat het uitvoeren van een eindonderzoek niet nodig is wanneer de grond of baggerspecie wordt opgeslagen op een elementenbodemvoorziening. Dit betreft een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden niet zijn gedicht. Rijplaten worden hier ook onder geschaard.
NNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 7.2.98.2.9 is van toepassing op locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
OOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die op de locatie, bedoeld in artikel 7.258.25, een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming.
Dit artikel heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 Aanvullingswet bodem).
Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden. Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt.
Artikel 7.268.26 heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is.
Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde «klik op de kaart». Het inzien van de (voormalige) registratie van de niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is.
Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht.
Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.
PPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. Paragraaf 7.3.18.3.1 worden regels gesteld over het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem.
QQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste lid:
In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd.
Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen die al elders in de bruidsschat is geregeld met de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid (het toegevoegde onderdeel c), dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel.
Tweede lid:
Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voorheen werd dit «het geval van verontreiniging» genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico’s en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat.
Derde lid:
De grens van 25 m3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.
[Vervallen]
VVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voordat een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte van een bodemgevoelig gebouw in gebruik genomen wordt, wordt die informatie verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn uitgevoerd.
Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw is het van belang om te waarborgen dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daartoe dient het voldoen aan deze informatieplicht als voorwaarde voor ingebruikname. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent ook een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering. De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen.
De strekking is dat de initiatiefnemer na afloop van de sanering het bevoegd gezag informeert dat en hoe hij de sanering heeft uitgevoerd. Dit geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om adequaat en tijdig toezicht te houden voordat het gebouw in gebruik wordt genomen om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik.
Dit artikel is gericht op een vergunningvoorschrift met een verbod op ingebruikname als niet is voldaan aan de voorwaarde (voldoen aan de informatieplicht). Het voldoen aan deze informatieplicht heft dat verbod op. Ingeval van het verzuimen om te informeren of het ontbreken van de benodigde informatie kan het bevoegd gezag dus handhaven op overtreding van deze informatieplicht. Toezicht en handhaving op de wijze van saneren en of die in overeenstemming is met de voorschriften over saneren in het Besluit activiteiten leefomgeving vindt plaats op basis van dat besluit.
Een bodemgevoelig gebouw is omschreven als:
gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of
woonschip of woonwagen.
Deze begripsomschrijving is afkomstig uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en geldt via een schakelbepaling in dit omgevingsplan (artikel 1.1).
[Vervallen]
WWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels voor bodembeheer, zoals opgenomen in paragraaf 22.3.7 gelden voor alle milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in de Omgevingswet. De voorschriften gelden dus ook voor milieubelastende activiteiten buiten voormalige wet milieubeheer-inrichtingen.
[Vervallen]
XXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze artikelen regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming.
Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt artikel 22.126 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder).
Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen.
Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift.
De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem.
[Vervallen]
YYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze artikelen regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming.
Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt artikel 22.126 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder).
Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen.
Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift.
De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem.
Tweede lid:
Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij zeer ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming).
[Vervallen]
ZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf heeft betrekking op graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. Het idee is dat de gemeente de algemene verwijzing naar locaties in het tijdelijke deel van het omgevingsplan via artikel 22.127 op een gegeven moment vervangt door de regels via coördinaten aan specifieke locaties te koppelen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Daarbij kunnen gemeenten uiteraard de regels voor minder locaties laten gelden (de locaties die niet meer ernstig-geen spoed zijn eraf halen) of juist voor meer locaties laten gelden (wel ernstig en geen spoed, maar eerder geen beschikking afgegeven). En uiteraard kunnen gemeenten daarbij de regel die voor die locaties geldt aanpassen, voor alle locaties, of alleen voor sommige, of elke locatie een eigen op die locatie toegesneden regel.
In het Besluit activiteiten leefomgeving is voorzien in algemene regels voor de milieubelastende activiteiten graven in de bodem met een kwaliteit beneden de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119) en graven in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120). In het toepassingsbereik van beide milieubelastende activiteiten is aangegeven dat deze alleen van toepassing zijn als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3. De achtergrond hiervan is dat het Rijk geen regels wil stellen over kleinschalig grondverzet.
Onder de Wet bodembescherming voorzag artikel 28 van de Wet bodembescherming in een meldingsplicht als sprake was van voorgenomen handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Een geval van ernstige bodemverontreiniging was onder de Wet bodembescherming gedefinieerd als geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. In de Circulaire bodemsanering is deze definitie verder uitgewerkt en aangegeven dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigde bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. De Wet bodembescherming kende – in tegenstelling tot de milieubelastende activiteiten voor graven in een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit – geen ondergrens voor de omvang van het grondverzet.
Deze paragraaf stelt een beperkt aantal bepalingen voor kleinschalig grondverzet (omvang bodemvolume kleiner dan 25 m3) die plaatsvindt op locaties die onder de Wet bodembescherming werden beschouwd als handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Deze bepalingen komen dus in de plaats van de bepalingen die volgen uit artikel 28 van de Wet bodembescherming.
Deze bepalingen zien op een informatieplicht, enkele inhoudelijke regels aan tijdelijke opslag en afvoer van de grond en verplichte milieukundige begeleiding als een in het kader van een eerder uitgevoerde bodemsanering aangebrachte afdeklaag wordt doorgraven. Deze bepalingen zijn over het algemeen eenvoudig na te leven en leiden met uitzondering van de milieukundige begeleiding bij het doorgraven van een afdeklaag niet of nauwelijks tot extra kosten. Besloten is om geen onderzoeksverplichtingen op te leggen zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
[Vervallen]
AAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel staat het toepassingsbereik van deze paragraaf.
Eerste lid:
Deze paragraaf heeft in de eerste plaats betrekking op het graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk is aan 25 m3 en wordt ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. In het eerste lid is ook aangegeven op welke locaties de paragraaf daarnaast van toepassing is.
In onderdeel a staat vermeld dat het gaat om locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zonder dat sprake is van actuele risico’s voor mens, plant of dier of verspreiding van het grondwater (zogenaamde beschikking ernst en geen spoed). Hiervoor is gekozen omdat voor deze locaties via eerder onderzoek is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is tot boven de interventiewaarde en hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden. Locaties die op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming zijn beschikt als ernstig waarbij de sanering spoedeisend is (ernst en spoed) vallen niet onder het toepassingsbereik omdat deze locaties onder het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming blijven vallen.
In onderdeel b staat vermeld dat het gaat om locaties of gebieden waar de bodem op grond van een bodemkwaliteitskaart, vastgesteld op grond van artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit (voorheen artikel 57 van het oude Besluit bodemkwaliteit), diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn delen van de binnenstad van (grote) steden waarbij de bodem verontreinigd is met enkele metalen (bijvoorbeeld lood, koper of zink). Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, worden bestaande bodemkwaliteitskaarten op grond van artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Gemeenten moeten deze bodemkwaliteitskaarten omzetten naar regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Tweede lid:
De aangewezen activiteit omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, of het tijdelijk opslaan en het terugplaatsen na afloop van het tijdelijk uitnemen bij het tijdelijk uitnemen en terugplaatsen. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of elders wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b.
Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder de milieubelastende activiteit, maar is een wateractiviteit.
Derde lid:
In het derde lid is aangegeven dat de milieubelastende activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee komt tot uiting dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Onder waterbodem wordt verstaan de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust. Het graven in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust, valt niet onder de reikwijdte van de activiteit graven in de waterbodem. Dit betekent dat de regels voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde wel gelden voor voormalige droge oevergebieden, die als term/aanduiding niet meer terugkomen onder de Omgevingswet.
[Vervallen]
BBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat een informatieplicht. Voordat met het graven wordt begonnen, moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de activiteit. De informatieplicht uit dit artikel in het omgevingsplan zorgt ervoor dat het bevoegd gezag over kleinschalige grondverzet geïnformeerd wordt. Deze bepaling komt in de plaats van het voormalige artikel 28 uit de Wet bodembescherming dat stelde dat alle handelingen (dus ook kleinschalig grondverzet) die plaatsvinden in een geval van ernstige verontreiniging moeten worden gemeld. Voor grondverzet in een omvang groter dan 25 m3 geldt via de algemene regels uit paragraaf 4.120 (graven in de bodem met kwaliteit boven de interventiewaarde) een meldingsplicht. Voor grondverzet in een omvang kleiner dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) geldt op grond van de algemene regels uit deze paragraaf van het Besluit activiteiten leefomgeving geen informatie of meldingsplicht.
eerste lid:
De gegevens en bescheiden worden ten minste een week voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal praktische gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden. Uit de verstrekte gegevens en bescheiden moet blijken wat de begrenzing is van de locatie waar de activiteit plaats vindt, de verwachte datum van het begin van de activiteit en de duur van de activiteit.
Tweede lid:
Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren.
Derde lid:
De informatieplicht van dit artikel geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond.
[Vervallen]
CCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de werkzaamheden en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de werkzaamheden, mits de partijen van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden worden opgeslagen.
Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders moet worden afgevoerd. De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie van paragraaf 3.2.24 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit artikel bevat geen regels die verplichten tot maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving. De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem. Het nemen van bodembeschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn als de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een spot met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Een ander voorbeeld is dat als sprake is van droge condities het noodzakelijk is dat voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in dichte containers.
[Vervallen]
DDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel regelt in welke situaties de activiteit onder milieukundige begeleiding moet plaatsvinden. Milieukundige begeleiding is noodzakelijk als de graafwerkzaamheden dieper reiken dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag zoals bijvoorbeeld een leeflaag of andere duurzame afdeklaag. De milieukundige begeleiding moet uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 6000. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000.
Volgens de BRL SIKB 6000 is een continue aanwezigheid van de milieukundige doorgaans niet noodzakelijk. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment.
[Vervallen]
EEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
[Vervallen]
FFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die op de locatie, bedoeld in artikel 22.131, een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming.
Dit artikel heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 Aanvullingswet bodem).
Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden. Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt.
Artikel 22.132 heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is.
Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde «klik op de kaart». Het inzien van de (voormalige) registratie van de niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is.
Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht.
Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.
[Vervallen]
GGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen.
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
[Vervallen]
Sinds 1 januari 2024 heeft Nijmegen een tijdelijk omgevingsplan. Daarin zijn regels opgenomen van de bestemmingsplannen en een groot aantal Rijksregels voor bouwen en milieu (de bruidsschat). Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om de regels uit het tijdelijke deel om te zetten naar één gebiedsdekkend omgevingsplan, waarin alle regels voor de fysieke leefomgeving een plek moeten krijgen. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden regels voor activiteiten in een molenbiotoop toegevoegd aan het omgevingsplan.
Bij het voorliggende wijzigingsbesluit hoort een motivering. Daarin wordt gemotiveerd waarom de beoogde wijziging van het omgevingsplan bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. In deze motivering wordt hier nader op ingegaan.
Het gebied waar dit besluit over gaat (besluitgebied) wordt begrensd door het Ambtsgebied van de gemeente Nijmegen. Het Ambtsgebied omvat alle gronden die binnen de grenzen van gemeente Nijmegen gelegen zijn.
Ontwerpfase
De gemeente maakt het ontwerp-wijzigingsbesluit bekend door het te publiceren in het gemeenteblad via de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaar stellen (LVBB). Tegelijk met de bekendmaking geeft de gemeente kennis van de terinzagelegging van de bijbehorende stukken. Het LVBB levert de wijziging automatisch door aan het Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden.
Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijzen in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen.
Vaststellingsfase
De wijziging van het omgevingsplan wordt ter besluitvorming aan de gemeenteraad voorgelegd. Na vaststelling van het wijzigingsbesluit wordt het wijzigingsbesluit gepubliceerd in het gemeenteblad via de LVBB. Tussen de vaststelling van het wijzigingsbesluit en de bekendmaking moeten in beginsel minimaal 2 weken zitten.
Inwerkingtreding
Een wijziging van het omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen.
Participatie vindt in een zo vroeg mogelijk stadium plaats. Dit geldt ook voor het gesprek met andere bestuursorganen (ketenpartners) die bij de thematische wijziging betrokken moeten worden. Als leidraad voor de participatie gelden de verschillende stappen uit het participatiebeleid voor het ruimtelijk domein. Dit start met een verkennende fase en het maken van een participatieplan. Na het opstellen van het ontwerp-wijzigingsbesluit start de formele procedure.
Met participatie wordt in de Omgevingswet bedoeld ‘het in vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van besluitvorming of een project of activiteit om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen’. Het gaat nadrukkelijk om het betrekken van partijen bij het besluitvormingsproces voordat formele besluitvorming van start gaat. Vroegtijdige participatie moet mensen in staat stellen mee te denken aan een nog te maken keuze voor de toekomst van een gebied of locatie. Participatie hoeft niet te leiden tot overeenstemming. Participatie is maatwerk en de vorm is afhankelijk van het beoogde doel. Dit wijzigingsbesluit bevat regels die tot doel hebben:
de belangen van de bestaande molen als werktuig en beeldbepalend element te beschermen en in stand te houden; en
de cultuurhistorische waarden van de molen te behouden, beheren en beschermen.
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan vormt een voortzetting van de bestaande regelgeving ten aanzien van activiteiten in een molenbiotoop. Deze regels zijn verankerd in het bestemmingsplan 'Facetbestemmingsplan Molenbiotoop', dat door de gemeenteraad is vastgesteld in juli 2024. Met dit wijzigingsbesluit vertalen we de regels uit het tijdelijk deel naar het nieuwe deel van het omgevingsplan zonder de regels inhoudelijk te wijzigen. Om deze redenen is besloten participatie te beperken tot het raadplegen van de provincie en de Rijksdienst voor cultureel erfgoed (RCE) als ketenpartners.
Het voorliggende wijzigingsbesluit is voor advies voorgelegd aan de provincie Gelderland en Rijksdienst voor cultureel erfgoed. De resultaten van het vooroverleg maken deel uit van het participatieverslag dat als bijlage I bij deze motivering is opgenomen.
Dit hoofdstuk beschrijft de bestaande regelgeving voor activiteiten in een molenbiotoop.
Het stelsel omgevingsrecht bestaat uit de Omgevingswet, vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en een Omgevingsregeling. De Omgevingsregeling is de ministeriële regeling bij de Omgevingswet. Het gaat vooral om technische en administratieve regels. In de vier AMvB’s staan de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet:
Het Omgevingsbesluit (Ob) regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit, voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Het bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Instructieregels
Voor een aantal onderwerpen gelden instructieregels vanuit het Rijk of de provincie. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe het een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Er zijn drie varianten van een instructieregel: 'in acht nemen', 'rekening houden met' en 'betrekken bij'.
‘In acht nemen’ betekent in het kader van de instructieregel dat een overheid aan die instructieregel móét voldoen.
‘Rekening houden met’ betekent in het kader van de instructieregel dat er sprake is van een zwaarwegende positie van een belang bij de belangenafweging, zonder dwingend te sturen op de uitkomst daarvan. Afwijken is alleen toegestaan als het bestuursorgaan daar goede redenen voor heeft. Het afwijken moet wel goed worden gemotiveerd.
‘Betrekken bij’ betekent in het kader van de instructieregel dat een overheid aandacht schenkt aan feiten of verwachtingen van feiten. De bestuurlijke afwegingsruimte is groot.
De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit de provinciale omgevingsvisie te realiseren. In de verordening zijn alleen regels opgenomen die nodig zijn om de provinciale ambities waar te maken of om wettelijke plichten na te komen. Net als de omgevingsvisie richt de omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. Daarom zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in deze verordening opgenomen.
De Omgevingsverordening Gelderland bevat een instructieregel (artikel 5.54) die bepaalt dat een omgevingsplan geen nieuwe bebouwing of beplanting toelaat binnen een molenbiotoop als daardoor de windvang van de molen wordt beperkt.
Met deze wijziging voegen we een vergunningplicht toe voor het bouwen van een bouwwerk binnen een molenbiotoop, alsmede voor het uitvoeren van enkele werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden (waaronder het toevoegen van hoogopgaande beplanting). Een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend indien is aangetoond dat de windvang van de molen niet onevenredig wordt aangetast. Daarmee wordt voldaan aan de instructieregel van de provincie.
Het bestemmingsplan 'Facetbestemmingsplan Molenbiotoop', onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bevat regels voor activiteiten in een molenbiotoop. Met dit wijzigingsbesluit vertalen we de regels uit het tijdelijk deel naar het nieuwe deel van het omgevingsplan zonder de regels inhoudelijk te wijzigen. Wel worden de regels anders geformuleerd.
Dit hoofdstuk geeft een nadere toelichting op de manier waarop de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan een plek hebben gekregen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. De toelichting op de afzonderlijke artikelen staat in de artikelsgewijze toelichting bij het omgevingsplan.
In hoofdstuk 3 van het omgevingsplan worden gebieden aangewezen door middel van een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. De molenbiotopen van De Witte Molen en St. Annamolen zijn aangewezen als een 'Waardengebied cultureel erfgoed - molenbiotoop'. Dit is een beperkingengebied waar aanvullende regels gelden voor activiteiten die de windvang van de molen kunnen aantasten.
In hoofdstuk 5 van het omgevingsplan worden de komende jaren regels opgenomen die betrekking hebben op cultureel erfgoed. Deze wijziging ziet toe op het toevoegen van regels voor activiteiten in een molenbiotoop, waaronder het het bouwen van bouwwerken en het uitvoeren van werken, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden.
De regels voor activiteiten in een molenbiotoop zijn opgenomen in paragraaf 5.3.1 'Activiteiten in een molenbiotoop' die deel uitmaakt van afdeling 5.3 'Cultuurhistorie'. Een groot deel van de regels in het omgevingsplan gelden voor het hele Ambtsgebied van de gemeente. Het werkingsgebied is in veel gevallen dus gelijk aan het Ambtsgebied. In paragraaf 5.3.1 wordt hiervan afgeweken. De regels in deze paragraaf zijn uitsluitend van toepassing op locaties die onderdeel uitmaken van het gebied dat is aangewezen als 'Waardengebied cultureel erfgoed - molenbiotoop'.
Binnen het waardengebied is het verboden om zonder omgevingsvergunning activiteiten uit te voeren met een hoogte die, in meters ten opzichte van NAP, meer bedraagt dan de hoogte zoals aangegeven met de omgevingsnorm 'Maximum hoogte in een molenbiotoop'. Deze omgevingsnorm is gerelateerd aan het peil ter plaatse van de betreffende molens, dat respectievelijk 23,6 m +NAP voor De Witte Molen en 30,2 m +NAP voor de St. Annamolen bedraagt. De vergunningplicht is ingesteld om te kunnen beoordelen of het huidige en het toekomstige functioneren van de molen als werktuig niet in gevaar wordt gebracht. De initiatiefnemer dient bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een inventariserend onderzoek aan te leveren op basis waarvan beoordeeld kan worden of het huidige en het toekomstige functioneren van de molen als werktuig niet in gevaar wordt gebracht.
Met deze wijziging worden geen aanpassingen gedaan aan de regels in hoofdstuk 22 (bruidsschat). Omdat de regels voor activiteiten in een molenbiotoop niet gekoppeld worden aan de algemene bouwactiviteit, bestaat er ook geen directe relatie met artikelen in hoofdstuk 22.
Omdat het voorliggende wijzigingsbesluit geen kostenverhaalplichtige activiteit als bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit mogelijk maakt, is het niet nodig de kosten publiekrechtelijk te verhalen. De kosten voor het opstellen van dit wijzigingsbesluit worden betaald uit gemeentelijke middelen.
Sinds 1 januari 2024 heeft Nijmegen een tijdelijk omgevingsplan. Daarin zijn regels opgenomen van de bestemmingsplannen en een groot aantal rijksregels voor bouwen en milieu (de bruidsschat). Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om de regels uit het tijdelijke deel om te zetten naar één gebiedsdekkend omgevingsplan, waarin alle regels voor de fysieke leefomgeving een plek moeten krijgen. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt de bebouwingscontour houtkap aangewezen. Voorheen heette dit de bebouwde kom Wet natuurbescherming (Wnb). De bebouwingscontour houtkap geeft aan waar de grens ligt tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Het bepaalt ook welke regels er gelden voor het kappen van bomen.
Bij het voorliggende wijzigingsbesluit hoort een motivering. Daarin wordt gemotiveerd waarom de beoogde wijziging van het omgevingsplan bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. In deze motivering wordt hier nader op ingegaan.
Het gebied waar dit besluit over gaat (besluitgebied) wordt begrensd door het Ambtsgebied van de gemeente Nijmegen. Het Ambtsgebied omvat alle gronden die binnen de grenzen van gemeente Nijmegen gelegen zijn.
Ontwerpfase
De gemeente maakt het ontwerp-wijzigingsbesluit bekend door het te publiceren in het gemeenteblad via de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaar stellen (LVBB). Tegelijk met de bekendmaking geeft de gemeente kennis van de terinzagelegging van de bijbehorende stukken. Het LVBB levert de wijziging automatisch door aan het Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden.
Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijzen in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen.
Vaststellingsfase
De wijziging van het omgevingsplan wordt ter besluitvorming aan de gemeenteraad voorgelegd. Na vaststelling van het wijzigingsbesluit wordt het wijzigingsbesluit gepubliceerd in het gemeenteblad via de LVBB. Tussen de vaststelling van het wijzigingsbesluit en de bekendmaking moeten in beginsel minimaal 2 weken zitten.
Inwerkingtreding
Een wijziging van het omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen.
Participatie vindt in een zo vroeg mogelijk stadium plaats. Dit geldt ook voor het gesprek met andere bestuursorganen (ketenpartners) die bij de thematische wijziging betrokken moeten worden. Als leidraad voor de participatie gelden de verschillende stappen uit het participatiebeleid voor het ruimtelijk domein. Dit start met een verkennende fase en het maken van een participatieplan. Na het opstellen van het ontwerp-wijzigingsbesluit start de formele procedure.
Met participatie wordt in de Omgevingswet bedoeld ‘het in vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van besluitvorming of een project of activiteit om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen’. Het gaat nadrukkelijk om het betrekken van partijen bij het besluitvormingsproces voordat formele besluitvorming van start gaat. Vroegtijdige participatie moet mensen in staat stellen mee te denken aan een nog te maken keuze voor de toekomst van een gebied of locatie. Participatie hoeft niet te leiden tot overeenstemming. Participatie is maatwerk en de vorm is afhankelijk van het beoogde doel.
Dit wijzigingsbesluit bevat de aanwijzing van de bebouwingscontour houtkap. De begrenzing van de bebouwingscontour heeft effect op inwoners. Binnen de bebouwingscontour houtkap gelden de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) over houtopstanden en houtkap niet. Wanneer een perceel door de wijziging van de begrenzing buiten de bebouwingscontour houtkap komt te liggen, betekent dit dat de regels van het Rijk in afdeling 11.3 van het Bal van toepassing zijn. Dit betekent dat de provincie Gelderland bevoegd gezag is voor het kappen van bomen en dat zij regels (kunnen) stellen voor deze activiteit. Vanuit het Bal geldt verder in gevallen een plicht tot herbeplanting.
De bewoners van de percelen waar de grens van de bebouwingscontour houtkap door dit wijzigingsbesluit wijzigt, zijn schriftelijk geïnformeerd over de wijziging.
Het voorliggende wijzigingsbesluit is voor advies voorgelegd aan de provincie Gelderland. De resultaten van het vooroverleg maken deel uit van het participatieverslag dat als bijlage II bij deze motivering is opgenomen.
Dit hoofdstuk beschrijft de bestaande regelgeving voor het thema bebouwingscontour houtkap.
Het stelsel omgevingsrecht bestaat uit de Omgevingswet, vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en een Omgevingsregeling. De Omgevingsregeling is de ministeriële regeling bij de Omgevingswet. Het gaat vooral om technische en administratieve regels. In de vier AMvB’s staan de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet:
Het Omgevingsbesluit (Ob) regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit, voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Het bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Instructieregels
Voor een aantal onderwerpen gelden instructieregels vanuit het Rijk of de provincie. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe het een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Er zijn drie varianten van een instructieregel: 'in acht nemen', 'rekening houden met' en 'betrekken bij'.
‘In acht nemen’ betekent in het kader van de instructieregel dat een overheid aan die instructieregel móét voldoen.
‘Rekening houden met’ betekent in het kader van de instructieregel dat er sprake is van een zwaarwegende positie van een belang bij de belangenafweging, zonder dwingend te sturen op de uitkomst daarvan. Afwijken is alleen toegestaan als het bestuursorgaan daar goede redenen voor heeft. Het afwijken moet wel goed worden gemotiveerd.
‘Betrekken bij’ betekent in het kader van de instructieregel dat een overheid aandacht schenkt aan feiten of verwachtingen van feiten. De bestuurlijke afwegingsruimte is groot.
Artikel 5.165b van het Bkl bevat een instructieregel die bepaalt dat in een omgevingsplan een bebouwingscontour houtkap aangewezen moet worden aansluitend aan stedelijk gebied. Met het aanwijzen van de bebouwingscontour houtkap bepaalt de gemeente in feite zelf wanneer de Rijksregels over het vellen van houtopstanden gelden.
Buiten de bebouwingscontour houtkap is afdeling 11.3 van het Bal van toepassing. Afdeling 11.3 van het Bal bepaalt dat de provincie bevoegd gezag is voor het vellen van houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap. Verder is in de de regels van het Bal geregeld dat een initiatiefnemer een melding moet doen voordat hij een boom wil vellen en geldt er een herbeplantingsplicht.
De provincie Gelderland kan met maatwerkregels afwijken van de regels uit het Bal of deze verder invullen.
De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit de omgevingsvisie te realiseren. In de verordening zijn alleen regels opgenomen als dit nodig is om de provinciale ambities waar te maken of wettelijke plichten na te komen. Net als de omgevingsvisie richt de omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. Daarom zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in deze verordening opgenomen.
De provincie Gelderland maakt in haar verordening gebruik van de mogelijkheid om via maatwerkregels de bepalingen uit afdeling 11.3 van het Bal verder in te vullen. Zo wordt in het Bal de mogelijkheid geboden om via een maatwerkvoorschrift een kapverbod op te leggen als dat nodig is voor de bescherming van de bijzondere natuurwaarden of landschappelijke waarden. In de omgevingsverordening geeft de provincie nadere invulling aan wat in ieder geval onder bijzondere natuurwaarden of landschappelijke waarden wordt verstaan. Eenzelfde nadere invulling wordt gegeven aan het begrip 'bosbouwkundig verantwoord herbeplanten' uit het Bal.
Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de manier waarop de regels een plek hebben gekregen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. De toelichting op de afzonderlijke artikelen staat in de artikelsgewijze toelichting bij het omgevingsplan.
In hoofdstuk 3 van het omgevingsplan worden gebieden aangewezen door middel van een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Bebouwingscontour houtkap' wordt de bebouwingscontour houtkap aangewezen. Hiermee voldoen we aan artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Met deze wijziging worden geen aanpassingen gedaan aan de regels in hoofdstuk 22 (bruidsschat).
Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de manier waarop de regels een plek hebben gekregen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. De toelichting op de afzonderlijke artikelen staat in de artikelsgewijze toelichting bij het omgevingsplan.
In hoofdstuk 3 van het omgevingsplan worden gebieden aangewezen door middel van een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Bebouwingscontour houtkap' wordt de bebouwingscontour houtkap aangewezen. Hiermee voldoen we aan artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Met deze wijziging worden geen aanpassingen gedaan aan de regels in hoofdstuk 22 (bruidsschat).
Omdat het voorliggende wijzigingsbesluit geen kostenverhaalplichtige activiteit als bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit mogelijk maakt, is het niet nodig de kosten publiekrechtelijk te verhalen. De kosten voor het opstellen van dit wijzigingsbesluit worden betaald uit gemeentelijke middelen.
De Vangnetregeling Omgevingswet vult de Invoeringswet Omgevingswet, hoofdstuk 22 van de Omgevingswet en de Aanvullingswetten geluid en grondeigendom aan met het oog op een goede invoering van de Omgevingswet. De aanvullende regels van de Vangnetregeling gelden naast de regels uit de aangevulde wetten tot het moment waarop is voorzien in een wetsvoorstel om een structurele regeling te bieden. De Vangnetregeling wordt niet ontsloten via het onderdeel Regels op de kaart van het Omgevingsloket.
De Vangnetregeling bevat regels die aanvullend zijn op de regels in hoofdstuk 22 van de bruidsschat. De regels gelden van rechtswege naast de bruidsschatregels in het omgevingsplan. Ze wijzigen het omgevingsplan niet en zijn niet zichtbaar in het onderdeel Regels op de kaart van het Omgevingsloket. Om hierin te voorzien wordt met deze wijziging van het omgevingsplan de Vangnetregeling verwerkt in de bruidsschatregels.
Op 1 januari 2024 heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een voorbereidingsbesluit genomen. Met dit voorbereidingsbesluit zijn voorbeschermingsregels voor hyperscale datacentra aan het omgevingsplan toegevoegd. Deze voorbeschermingsregels bevatten een verbod op het bouwen van een hyperscale datacentrum en het gebruiken van bouwwerken of gronden ten behoeve van een hyperscale datacentrum. Met dit wijzigingsbesluit wordt dit verbod opgenomen in het omgevingsplan. Aan hoofdstuk 5 (Gebruiksactiviteiten) wordt een nieuwe afdeling 5.3 (Bedrijf) toegevoegd. Daarin wordt het starten of exploiteren van een hyperscale datacentrum als verboden activiteit aangewezen.
De volgende wijzigingen zijn aangebracht:
aan afdeling 4.1 wordt conform de gemeentelijke systematiek een nieuwe paragraaf 4.1.1 toegevoegd. Artikel 4.1 is ongewijzigd verplaatst van afdeling 4.1 naar paragaaf 4.1.1.
aan afdeling 7.1 wordt conform de gemeentelijke systematiek een nieuwe paragraaf 7.1.1 toegevoegd. Artikel 7.1 is ongewijzigd verplaatst van afdeling 7.1 naar paragaaf 7.1.1.
aan artikel 4.2 (toepassingsbereik) is toegevoegd wat verstaan wordt onder 'sanerende of andere beschermende maatregelen'. Daarvoor is een nieuw lid toegevoegd, dat als volgt komt te luiden: In deze paragraaf wordt onder sanerende of andere beschermende maatregelen verstaan: a) sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b) de regels in paragraaf 8.2.4. Daarmee wordt voldaan aan de instructieregel in artikel 5.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
in artikel 4.4 is verduidelijkt dat voor de stoffen die zowel in het eerste, tweede als derde lid worden genoemd, de strengste norm uit het derde lid wordt toegepast.
in artikel 4.4 derde lid is voor de stof Kobalt een norm van 1,5 mg/kg ds opgenomen. In de praktijk blijkt dat aan deze norm bijna altijd overschreden wordt. Op basis van advies van de GGD kan voor volkstuincomplexen, buurtmoestuinen en locaties die zijn aangewezen voor stadslandbouw vooralsnog een norm van 15 mg/kg ds worden gehanteerd. Dit is aangepast in de tabel met aanvullende waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit van volkstuincomplexen, buurtmoestuinen en locaties die zijn aangewezen voor stadslandbouw.
aan artikel 4.8 derde en vierde lid is het volgende aanvraagvereiste toegevoegd: 'als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, als bedoeld in artikel 4.4, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen'.
aan artikel 4.9 en 8.4 (na vernummering) is een lid toegevoegd waaruit volgt dat de eisen aan bodemonderzoek niet van toepassing zijn op een vooronderzoek conform NEN5725.
in artikel 8.6 eerste lid (na vernummering) wordt ter verduidelijking verwezen naar artikel 4.1220 eerste lid van het Bal.
aan artikel 8.6 en 8.8 (beide na vernummering) wordt ter verduidelijking toegevoegd dat 'gegevens over' de op de locatie aanwezige invasieve exoten moet worden verstrekt.
artikel 8.8 is bedoeld als een aanvulling op de informatieplicht in artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving, maar abusievelijk gekoppeld aan de meldingsplicht in artikel 4.1225 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit is hersteld.
artikel 22.41 vierde lid is verwijderd. Deze bepaling verwees naar een paragraaf die is vervallen.
Vanwege wijzigingen in de plansoftware worden de artikelen 3.12 tot en met 3.16 tekstueel aangepast, de inhoudelijke strekking blijft ongewijzigd. De locatie waarmee de gebiedsaanwijziging begrensd is wordt op de achtergrond gekoppeld. De locatie en de gebiedsaanwijzing zijn beide aan te merken als een zogenaamd Geografisch InformatieObject (GIO). Beide GIO's hebben dezelfde noemer, met als verschil dat de gebiedsaanwijzing met een hoofdletter begint en de locatie met een kleine letter. Dit is niet langer toegestaan. In de eerste wijziging is voor deze oplossing gekozen omdat het in de plansoftware niet mogelijk was om een gebiedsaanwijzing (die geometrisch is begrensd) als activiteitlocatie aan de kenmerken te koppelen. Inmiddels is dit wel mogelijk. De kenmerken van de artikelen 4.6, 4.8, 4.11, 8.6 en 8.10 worden hierop aangepast.
Ten behoeve van het wijzigingsbesluit ‘Omgevingsplan gemeente Nijmegen, wijziging 2025-01’ is een participatietraject doorlopen. In deze bijlage wordt verslag gedaan van de opgehaalde resultaten.
De bevoegde gezagen die belang hebben bij of medeverantwoordelijk zijn voor het behoud van molenbiotopen hebben een conceptversie van de regelset en de motivering toegestuurd gekregen. De partijen kregen vier weken de tijd om op- en aanmerkingen terug te sturen. Het gaat om de volgende partijen:
De provincie en het RCE hebben beide een reactie op het concept wijzigingsbesluit met ons gedeeld. Alle opmerkingen, aanmerkingen en vragen zijn verzameld en doorgenomen. Dit participatieverslag geeft de hoofdlijnen weer van de ontvangen feedback. In hoofdstuk 4 zijn de ontvangen reacties opgenomen en is aangegeven wat we met de feedback hebben gedaan. Dit participatieverslag wordt gedeeld met de betrokken partijen en wordt openbaar gesteld als bijlage bij de motivering van het ontwerp-wijzigingsbesluit.
Alle ontvangen opmerkingen zijn opgenomen in een tabel in hoofdstuk 4 bij dit verslag. In de tabel is tevens opgenomen of, en zo ja hoe, de feedback is verwerkt in het wijzigingsbesluit.
Naar aanleiding van de ontvangen feedback is het wijzigingsbesluit aangepast en gepromoveerd tot een ontwerp wijzigingsbesluit. Het ontwerp wijzigingsbesluit wordt voorgelegd aan het burgemeester en wethouders. Na een akkoord van burgemeester en wethouders start de formele voorbereidingsprocedure conform Afdeling 3:4 Algemene wet bestuursrecht met de publicatie en het ter inzage leggen van het ontwerp wijzigingsbesluit. Eenieder heeft binnen de inzagetermijn van zes weken de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen op het ontwerp wijzigingsbesluit. Na het aflopen van deze termijn worden de zienswijzen beoordeeld. Reacties op de zienswijzen worden verzameld in een zienswijzennota en eventuele wijzigingen naar aanleiding van de zienswijzen worden verwerkt in het wijzigingsbesluit.
Het (gewijzigde) wijzigingsbesluit wordt vervolgens definitief gemaakt en, na akkoord te zijn bevonden door burgemeester en wethouders, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. Wanneer de gemeenteraad besluit het wijzigingsbesluit vast te stellen, wordt het besluit gepubliceerd en start de beroepstermijn van zes weken. De gemeente stuurt een exemplaar van het besluit aan degenen die een zienswijze op het ontwerpbesluit hebben ingediend. Binnen de beroepstermijn hebben belanghebbenden de mogelijkheid een beroepschrift in te dienen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het wijzigingsbesluit treedt vier weken nadat het bekend is gemaakt in werking.
Ten behoeve van het wijzigingsbesluit ‘Omgevingsplan gemeente Nijmegen, wijziging 2025-01’ is een participatietraject doorlopen. In deze bijlage wordt verslag gedaan van de opgehaalde resultaten.
Een conceptversie van de regelset en de motivering zijn gedeeld met de provincie Gelderland. We hebben hen gevraagd binnen vier weken te reageren op de stukken. De provincie heeft een reactie op het concept wijzigingsbesluit met ons gedeeld. In hoofdstuk 4 is de ontvangen reactie opgenomen en is aangegeven wat we met de feedback hebben gedaan. Dit participatieverslag wordt gedeeld met de betrokken partijen en wordt openbaar gesteld als bijlage bij de motivering van het ontwerp-wijzigingsbesluit.
Verder zijn de bewoners van de percelen benaderd waar de grens van de bebouwingscontour houtkap wordt gewijzigd. Zij zijn schriftelijk geïnformeerd over de wijziging.
De ontvangen feedback is opgenomen in een tabel in hoofdstuk 4 bij dit verslag. In de tabel is tevens opgenomen of, en zo ja hoe, de feedback is verwerkt in het wijzigingsbesluit.
Het ontwerp wijzigingsbesluit wordt voorgelegd aan het burgemeester en wethouders. Na een akkoord van burgemeester en wethouders start de formele voorbereidingsprocedure conform Afdeling 3:4 Algemene wet bestuursrecht met de publicatie en het ter inzage leggen van het ontwerp wijzigingsbesluit. Eenieder heeft binnen de inzagetermijn van zes weken de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen op het ontwerp wijzigingsbesluit. Na het aflopen van deze termijn worden de zienswijzen beoordeeld. Reacties op de zienswijzen worden verzameld in een zienswijzennota en eventuele wijzigingen naar aanleiding van de zienswijzen worden verwerkt in het wijzigingsbesluit.
Het (gewijzigde) wijzigingsbesluit wordt vervolgens definitief gemaakt en, na akkoord te zijn bevonden door burgemeester en wethouders, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. Wanneer de gemeenteraad besluit het wijzigingsbesluit vast te stellen, wordt het besluit gepubliceerd en start de beroepstermijn van zes weken. De gemeente stuurt een exemplaar van het besluit aan degenen die een zienswijze op het ontwerpbesluit hebben ingediend. Binnen de beroepstermijn hebben belanghebbenden de mogelijkheid een beroepschrift in te dienen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het wijzigingsbesluit treedt vier weken nadat het bekend is gemaakt in werking.
# | Betrokken partij | Feedback | Verwerking feedback |
1 | Provincie Gelderland | Om de wijziging van de bebouwingscontour houtkap te controleren, vragen wij u om deze kaart zichtbaar te maken. De bebouwingscontour is op dit moment niet terug te vinden op een kaart of verbeelding. Op pagina 20 staat dat met de gebiedsaanwijzing ‘Bebouwingscontour houtkap’ de bebouwingscontour houtkap wordt aangewezen. De contour is op dit moment niet terug te vinden. Hier is daarom niet aan voldaan. | De link naar de viewer in onze software waarin zowel de regels als de geografische informatieobjecten te zien zijn, is gedeeld met de provincie Gelderland. |
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-255514.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.