Gemeenteblad van Bronckhorst
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Bronckhorst | Gemeenteblad 2025, 252729 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Bronckhorst | Gemeenteblad 2025, 252729 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het/De college van burgemeester en wethouders van Gemeente Bronckhorst
gelezen de tekstinhoud van ”Omgevingsplan gemeente Bronckhorst” d.d. DATUM
Overwegende dat:
Besluit;
"Omgevingsplan gemeente Bronckhorst" opgenomen in Bijlage A wordt vastgesteld.
Door dit besluit vervallen de delen van het bestemmingsplannen aangegeven in dit besluit, behorende bij de pons met identificatie /join/id/regdata/gm1876/2025/d0237fcec7124263a1b783a84347a25a/nld@2025‑06‑06;11214391.
Aldus vastgesteld door Gemeente Bronckhorst, DATUM
Diegenen die mogen ondertekenen
Niet getekend proef-exemplaar
A
Artikel 21.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling bevat regels over het gebied Agrarisch (landelijk gebied)
B
Paragraaf 21.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied mogen gronden worden gebruikt voor:
het uitoefenen van een reëel agrarisch bedrijf, uitsluitend in een bouwvlak;
het uitoefenen van nevenfuncties bij een agrarisch bedrijf;
een aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf waaronder internetverkoop;
waterhuishoudkundige doeleinden;
nutsvoorzieningen;
grondgebonden zonnepanelen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie uitsluitend binnen een bouwvlak en bedoeld voor de eigen energievoorziening;
verharde en onverharde paden en ondergeschikte erfverharding ten dienste van het agrarische bedrijf;
(toegangs)wegen ten dienste van:
andere functies die op aangrenzende gronden zijn toegelaten op grond van dit hoofdstuk;
bestemmingen die op aangrenzende gronden van toepassing zijn op grond van het bestemmingsplan Landelijk gebied;
het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen;
het plaatsen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van biodiversiteit.
In het gebied Agrarisch - stedelijk gebied mogen gronden worden gebruikt voor:
In het gebied Agrarisch mogen gronden, in aanvulling op het eerste en tweede lid, ook worden gebruikt voor:
Gronden
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied gebied mogen gronden ook worden gebruikt voor tuinen behorend bij de woningen die op aangrenzende gronden zijn toegelaten op grond van de volgende bepalingen, uitsluitend voor zover de tuin al legaal aanwezig was op 25 oktober 2016:
Artikel 21.7021.153 (toegelaten activiteiten – wonen); of
de regels met betrekking tot de bestemming ‘Wonen’, ‘Wonen – 1’ of ‘Wonen-2’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied.
In het gebied Agrarisch met waarden (landelijk gebied) mogen gronden ook worden gebruikt voor:
In het gebied Agrarisch - parkeerterrein mogen gronden ook worden gebruik voor een parkeerterrein.
In afwijking van het eerste lid, onder a mogen gronden in het gebied Agrarisch-kringlooplandbouw uitsluitend worden gebruikt voor kringlooplandbouw.
Naast belangen die rechtstreeks samenhangen met het uitoefenen van de activiteiten, bedoeld in artikel 21.5, zijn de regels in deze afdeling gesteld met het oog het belang van behoud, bescherming, herstel en ontwikkeling van:
landschapselementen;
landschappelijke waarden, zoals de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap zoals vastgelegd in bijlage 6 Kernkwaliteiten Nationale Landschappen van de Omgevingsverordening Gelderland;
specifieke landschappelijke en natuurwaarden in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingzone (GO), zoals:
het behoud van open essen en gave broekgebieden, afwisseling van landgoederen, bouwland en grotere bossen, karakteristiek verspreide bebouwing en, het behoud van rivier- en stuifduinen met micro-reliëf;
behoud van het aardkundig waardevol gebied zoals opgenomen in de bijlage 6 en 7 van de Omgevingsverordening Gelderland voor de deelgebieden 't Zand en Vorden;
behoud van het waardevol open gebied zoals opgenomen in de bijlage 6 en 7 van de Omgevingsverordening Gelderland voor het deelgebied 't Zand;
instandhouding van aanwezige landschapselementen.
In aanvulling op het eerste lid zijn de regels die betrekking hebben op het gebied Agrarisch met waarden - Landschap en natuur (landelijk gebied) gesteld met het oog op het belang van:
In aanvulling op het eerste lid zijn de regels die betrekking hebben op het gebied Agrarisch met waarden - Landschap (landelijk gebied) gesteld met het oog op het belang van:
behoud en bescherming van cultuurhistorische waarde;
bescherming en instandhouding van drinkwatervoorzieningen;
het behoud, het herstel en de ontwikkeling van historische verkaveling, bestaande uit de instandhouding van de aldaar voorkomende, dan wel daaraan eigen, grote landschappelijke, esthetische en geomorfologische waarden en de recreatieve belevingswaarde en;
het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het milieu van de natuurlijke leefgemeenschappen.
Per
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf toegelaten.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
Voor het uitoefenen van nevenfuncties bij een agrarisch bedrijf gelden de volgende regels:
uitsluitend de in bijlage 21 aangegeven nevenfuncties zijn toegelaten;
maximaal 350 m² van de oppervlakte van bedrijfsgebouwen wordt gebruikt voor nevenfuncties;
het is verboden detailhandel uit te oefenen, anders dan detailhandel in streekeigen geproduceerde (agrarische) producten tot een maximale oppervlakte van 50m250m2;
maximaal 50 m2m2 van de bebouwing wordt gebruikt voor catering, café, restaurant, eethuis, ijssalon, terras/theetuin en theeschenkerij, zoals genoemd in bijlage 2V onder de categorie 'Dagrecreatie';
maximaal 50% van de bebouwing wordt gebruikt voor nevenfuncties.
Als het tweede lid van toepassing is op een locatie waar ook een van de hierna volgende leden van toepassing is, geldt het maximum oppervlakte als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b met in begrip van de oppervlakte aan activiteiten die worden verricht op grond van die leden.
In het gebied Specifieke vrom van recreatie - 43 zijn de volgende nevenfuncties toegelaten op een oppervlakte van maximaal 290 m2:
Ter ondersteuning van extensief recreatief medegebruik mogen gronden in beperkte mate worden gebruikt voor recreatieve voorzieningen zoals fiets-, voet en ruiterpaden, banken, picknicktafels en bewegwijzering.
Activiteiten in het kader van extensief recreatief medegebruik, met uitzondering van nachtvissen, vinden alleen plaats tussen zonsopgang en zonsondergang.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied gelden Voor het gebruiken van gronden voor teeltondersteunende voorzieningen gelden de volgende regels:
teeltondersteunende voorzieningen zijn alleen toegelaten bij agrarische bedrijven die als doel hebben het op of boven de grond telen van gewassen;
teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van maximaal 1,50 meter en met een tijdelijk karakter, zoals insectengaas, afdekfolie en lage tunnels, zijn toegelaten zolang de teelt het vereist, maar met een maximum van 8 maanden;
teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van maximaal 1,50 meter en met een permanent karakter, zoals containervelden, zijn alleen toegelaten binnen het bouwvlak en met een maximale oppervlakte van 1000 m2 per bouwvlak;
teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van minimaal 1,50 en maximaal 2 meter en met een tijdelijk karakter, zoals menstoegankelijke wandelkappen, schaduwhallen en hagelnetten, zijn toegelaten zolang de teelt het vereist, maar met een maximum van 8 maanden, en alleen binnen het bouwvlak en met een maximale gezamenlijke oppervlakte, tezamen met de voorzieningen, bedoeld onder e, van 500m2 per bouwvlak;
teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van minimaal 1,50 en maximaal 3,50 meter en met een permanent karakter, zoals stellingenteelt (bakken in stellingen, regenkappen) en teeltondersteunende kassen, zijn alleen toegelaten binnen het bouwvlak en met een maximale gezamenlijke oppervlakte van 5000 m2, tezamen met de voorzieningen, bedoeld onder d, per bouwvlak.
In het gebied Agrarisch - stedelijk gebied gelden voor het gebruiken van gronden voor teeltondersteunende voorzieningen de volgende regels:
teeltondersteunende voorziening zijn alleen toegelaten ten dienste van grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
alleen teeltondersteunende voorzieningen met een tijdelijk karakter zijn toegelaten, zoals insectengaas, afdekfolie en lage tunnels, zolang de teelt het vereist, maar met een maximum van 8 maanden;
de hoogte is maximaal 1,50 meter.
De volgende gebruiksactiviteiten zijn altijd verboden:
het gebruiken van gronden voor een glastuinbouwbedrijf;
De volgende gebruiksactiviteiten zijn altijd verboden:
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten ook altijd verboden:
het gebruiken van gronden voor een glastuinbouwbedrijf;
het in gebruik geven, nemen of hebben van gronden voor groepskamperen, tenzij een vergunning is verleend als bedoeld in Artikel 21.1421.15;
het gebruiken van gronden buiten het bouwvlak voor opslag, anders dan het opslaan van hooibalen;
het opslaan van hooibalen bouwen het bouwvlak, gedurende een periode van langer dan 6 weken;
het huisvesten van tijdelijke werknemers die werken op structurele arbeidsplaatsen, te weten een arbeidsplaats die langer dan 6 maanden beschikbaar is, en tijdelijke arbeidsplaatsen;
het gebruiken van meer dan één bouwlaag van een bouwwerk voor het houden van dieren voor een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf;
het bewerken, verwerken en vergisten van mest afkomstig van derden;
het gebruiken van gronden buiten het bouwvlak voor kuilvoer- en mestplaten tenzij een vergunning is verleend als bedoeld in Artikel 21.3221.36;
In het gebied Agrarisch - stedelijk gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten ook altijd verboden:
Het is verboden gronden en bouwwerken:
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is het is verboden gronden en bouwwerken:
niet behorende tot een agrarisch bedrijf te gebruiken of te laten gebruiken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken;
behorende tot een agrarisch bedrijf te gebruiken of te laten gebruiken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken; te gebruiken of laten gebruiken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken.
Voor de toepassing het eerste lid, aanhef en onder a wordt onder ‘toename van stikstofemissie’ verstaan: een stikstofemissie in N/kg/jaar die meer bedraagt dan de emissie N/kg/jaar afkomstig van het op 17 mei 2017 feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b wordt onder ‘toename van stikstofemissie’ verstaan: een stikstofemissie in N/kg/jaar die meer bedraagt dan de emissie N/kg/jaar afkomstig van het op 17 mei 2017 feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken behorend tot de inrichting.
Als een gelijkblijvende of een afname van emissie N/kg/jaar afkomstig van het op 17 mei 2017 feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie als bedoeld in het eerste lid.
Als een gelijkblijvende of een afname van emissie N/kg/jaar afkomstig van het op 17 mei 2017 feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken behorend tot de inrichting een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie als bedoeld in het eerste lid.
Als uitzondering op het tweede tot en met vijfde lid is er geen sprake van een toename van stikstofemissie wanneer de emissie N/kg/jaar afkomstig van het agrarisch bedrijf niet meer bedraagt dan de emissie N/kg/jaar afkomstig van het gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in het tweede of vierde lid of het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot de het agrarisch bedrijf als bedoeld in het derde of vijfde lid conform een verleende en onherroepelijke natuurvergunning waarvoor een passende beoordeling is gemaakt en opgenomen in bijlage 3VI.
Waar in de voorgaande leden 'emissie N/kg/jaar' wordt gebruikt, wordt de hiervan onderdeel uitmakende hoofdletter 'N' bedoeld als verzamelnaam voor NH3 en NOx.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een bed & breakfast als daarbij wordt afgeweken van Artikel 21.9021.190.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur;
niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwvlak wordt ingezet voor bed & breakfast al dan niet in combinatie met groepskamperen als bedoeld in Artikel 21.1421.15;
de oppervlakte die wordt gebruikt voor bed & breakfast is niet meer dan 500 m2;
voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.9221.192;
de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse wordt naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig aangetast;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als, bedoeld in de provinciale omgevingsverordeningArtikel 21.6;
de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht worden genomen;
wordt voldaan aan de regels van afdeling 22.3.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor (een combinatie van) recreatieve activiteiten als nevenfunctie, voor zover het gaat om verblijfsrecreatie anders dan bed & breakfast overeenkomstig Artikel 21.9021.190 en Artikel 21.1221.13.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
de nevenfuncties zijn opgenomen in bijlage 2V;
de (gezamenlijke) oppervlakte van bebouwing voor recreatiewoningen, recreatieappartementen, voorzieningen voor bed & breakfast, trekkershutten en kleinschalig kampeerterrein inclusief kleinschalige horecavoorzieningen, niet meer is dan 500 m²;
de oppervlakte van bebouwing voor horecavoorzieningen niet meer is dan 50 m2m2;
een eventuele horecavoorziening uitsluitend tot hoofddoel heeft het verstrekken van niet-alcoholische dranken en versnaperingen;
er alleen gebruik gemaakt wordt van nieuwe of niet-karakteristieke bebouwing als het gebruik van bestaande karakteristieke bebouwing naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is;
niet meer dan 3 trekkershutten worden gerealiseerd;
voor wat betreft recreatiewoningen, -appartementen en groepsaccommodaties: er sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie voor recreatieve doeleinden;
voor wat betreft kampeerterreinen: er sprake is van een kampeerterrein, met niet meer dan 30 kampeerplaatsen, met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van mobiele kampeervoertuigen en/of tenten gedurende het kampeerseizoen (‘kleinschalig kampeerterrein’);
het aantal kampeerplaatsen is niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Omgevingsnorm kampeerplaatsen;
de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur;
niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwvlak wordt ingezet voor deze recreatieve functies;
de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden , waaronder in het bijzonder de belangen, bedoeld in Artikel 21.6, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad;
er geen buitenopslag plaatsvindt;
de activiteiten plaatsvinden in fysiek bestaande, legale en vrijgekomen (of vrijkomende) gebouwen, dan wel in nieuwe gebouwen voor zover dit wordt gecompenseerd door sloop van niet-karakteristieke bebouwing;
nieuwbouw als bedoeld in onderdeel l uitsluitend kleinschalig is, en aansluit bij de bestaande karakteristieken;
wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.9221.192;
de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredige wordt aangetast;
de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
de activiteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening;
de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht worden genomen;
er wordt voldaan aan de regels van afdeling 22.3.
In aanvulling op het tweede lid wordt in het gebied Agrarisch met waarden - Landschap en natuur (landelijk gebied) een omgevingsvergunning alleen verleend als er geen significante negatieve effecten optreden voor het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO).
Binnen het kader van deze omgevingsvergunningsmogelijkheid is het mogelijk de ene bestaande recreatieve functie om te zetten in een andere recreatieve functie.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een bedrijfs- en inrichtingsplan overgelegd.
Aan een omgevingsvergunning kan het voorschrift worden verbonden dat een landschappelijk inpassingsplan wordt overgelegd.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor groepskamperen.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
het groepskamperen alleen plaatsvindt gedurende een korte aaneengesloten periode;
de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur;
niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwvlak wordt ingezet voor groepskamperen al dan niet in combinatie met bed & breakfast als bedoeld in artikel Artikel 21.1221.13;
voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.9221.192;
de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als, bedoeld in de provinciale omgevingsverordeningArtikel 21.6;
de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht wordt genomen;
wordt voldaan wordt aan de regels van afdeling 22.3.
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over:
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een kampeerterrein, tenzij dit op grond van Artikel 21.8 al uitdrukkelijk is toegelaten.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerstetweede lid wordt verleend als:
de activiteit betrekking heeft op een nevenfunctie als bedoeld in Artikel 21.5, eerste lid, aanhef en onder b;
de activiteit betrekking heeft op een terrein met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van mobiele kampeervoertuigen en/of tenten gedurende het kampeerseizoen (‘kleinschalig kampeerterrein’);
het kleinschalig kampeerterrein wordt gesitueerd:
binnen het bouwvlak; of
in aansluiting op het bouwvlak, als realisatie (volledig) binnen het bouwvlak naar het oordeel van het bevoegd gezag niet mogelijk is;
de bebouwde oppervlakte voor bebouwing voor deze voorziening, inclusief trekkershutten, is niet meer dan 100 m²;
het aantal mobiel kampeervoertuigen, tenten en trekkershuttententen gezamenlijk is niet meer dan 30aangegeven met de Omgevingsnorm kampeerplaatsen.;
voor trekkershutten wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
per 10 kampeerplaatsen is er niet meer dan 1 trekkershut;
de bebouwde oppervlakte per trekkershut is niet meer dan 35 m2m2;
geen stacaravans of chalets worden gerealiseerd;
de voorziening, voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs mogelijk is, wordt gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing;
voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.9221.192;
de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast;
de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden , waaronder in het bijzonder de belangen, bedoeld in Artikel 21.6, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
er vindt naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening;
de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht wordt genomen;
wordt voldaan aan de regels van afdeling 22.3.
In aanvulling op het derde lid wordt in het gebied Agrarisch met waarden - Landschap en natuur (landelijk gebied) een omgevingsvergunning alleen verleend als er geen significante negatieve effecten optreden voor het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO).
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweedederde lid, aanhef en onder k.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een installatie voor mestbewerking, mestverwerking of mestvergisting.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerstetweede lid wordt verleend als:
uitsluitend mest wordt bewerkt, verwerkt of vergist die van het eigen bedrijf afkomstig is;
de hoeveelheid te verwerken mest op jaarbasis niet meer is dan 20.000 ton;
de activiteiten uitsluitend plaatsvinden binnen het bouwvlak;
de activiteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leiden tot onevenredige verkeerstoename;
de activiteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag gelet op milieuhygiënische eisen inpasbaar zijn;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, waaronder de belangen bedoeld in Artikel 21.6.
Met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweedederde lid, aanhef en onder e wordt in elk geval voldaan aan de regels over geur als bedoeld in paragraaf 22.3.6.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een nevenfunctie die niet is toegelaten volgens Artikel 21.721.8.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
de nevenfunctie op oogpunt is naar het oordeel van het bevoegd gezag in milieuhygiënisch opzicht vergelijkbaar met een toegelaten nevenfunctie als het gaat om de effecten die zijn gereguleerd door afdeling 22.3:
er geen uitbreiding van bebouwing plaatsvindt voor de nevenfunctie;
de oppervlakte voor de nevenfunctie is niet meer dan 350 m²;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van een aanzienlijke verkeersaantrekkende werking;
de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
de activiteit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als, bedoeld in de provinciale omgevingsverordeningArtikel 21.6.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerstetweede lid wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweedederde lid, aanhef en onder f.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een nevenfunctie uit te oefenen waarbij een oppervlakte wordt gebruikt die groter is dan is toegelaten op grond van Artikel 21.721.8.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
de nevenfunctie in bijlage 2V is aangeduid met ‘N’;
de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden , waaronder in het bijzonder de belangen, bedoeld in Artikel 21.6, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
niet meer dan 50% van de bebouwing wordt gebruikt voor de nevenfunctie;
de oppervlakte die wordt gebruikt voor de nevenfunctie is niet meer dan 750 m2aangegeven in het vierde lid;
de nevenfunctie vindt plaats naast en ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering;
voor de grotere oppervlakte gebruik wordt gemaakt van fysiek bestaande, legale en vrijgekomen (of vrijkomende) gebouwen;
de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij ‘overige gebouwen’ bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur;
voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.192;
parkeren en laden en lossen vindt plaats op eigen erf;
de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse wordt naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig aangetast;.
de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden worden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig geschaad;
er vindt naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening.
De oppervlakte als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder e is:
voor dagrecreatie niet meer dan 750 m2;
voor zorg niet meer dan 750 m2;
voor opslag niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum oppervlakte nevenfunctie;
voor overige nieuwe economische dragers als nevenfunctie niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum oppervlakte nevenfunctie.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerstetweede lid wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweedederde lid, aanhef en onder c.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een plattelandswoning.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
de plattelandswoning wordt gerealiseerd in het bouwvlak;
de aanvraag betrekking heeft op een reeds aanwezige (tweede of derde) bedrijfswoning met dien verstande dat geen vergunning wordt verleend als de aanvraag betrekking heeft op:
de eerste bedrijfswoning; of
een bedrijfswoning behorend tot een intensief veehouderijbedrijf;
het achterblijvende bedrijf economisch levensvatbaar is, hetzij zelfstandig, hetzij als onderdeel van een ander agrarisch bedrijf;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een goede luchtkwaliteit;
de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht worden genomen.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerstetweede lid wordt een luchtkwaliteitsonderzoeksrapport overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweedederde lid, aanhef en onder d.
Aan de omgevingsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat geen vervangende bedrijfswoning wordt gerealiseerd.
In het Plangebied Pluimersdijk 45A Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.5 alleen toegelaten als de Landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassingsplan Pluimersdijk 45a Zelhem. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het realiseren van de tweede bedrijfswoning waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
C
Paragraaf 21.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden buiten het bouwvlak een bouwwerk te bouwen in de vorm van een stal, schuilgelegenheid of schuur bedoeld voor het hobbymatig houden van dieren of telen van gewassen als bedoeld in Artikel 21.5, eerste lid, aanhef en onder kg.
In afwijking van het eerste lid zijn in het gebied Agrarisch - stedelijk gebied gebouwen toegelaten buiten het bouwvlak als is voldaan aan de volgende regels:
Nieuwe
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied zijn nieuwe bedrijfsgebouwen en emissiepunten, beide behorend tot de niet-grondgebonden veehouderijtak, zijn alleen toegelaten op een afstand van minimaal 25 meter van een locatie waar de aanduiding Specifieke vorm van wonen – plattelandswoning ligt als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied.
De goothoogte van een bedrijfsgebouw is maximaal 6 meter.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied gelden de volgende regels over maatvoering van bedrijfsgebouwen en (daar) bijbehorende gebouwen:
de goothoogte van een bedrijfsgebouw is maximaal 6 meter;
de goothoogte van een bijbehorend gebouw is maximaal 3 meter;
de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw is maximaal 12 meter;
de bouwhoogte van een bijbehorend gebouw is maximaal 6 meter.
De goothoogte van een bijbehorend gebouw is maximaal 3 meter.in het stedelijk gebied niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Maximum goothoogte gebouwen stedelijk gebied
De bouwhoogte van een bedrijfsgebouw is maximaal 12 meter.
De bouwhoogte van een gebouw is in het stedelijk gebied niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Maximum bouwhoogte gebouwen stedelijk gebied
De bouwhoogte van een bijbehorend gebouw is maximaal 6 meter.
Het is verboden een bedrijfswoning te bouwen buiten een bouwvlak.
Per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegelaten.
Het
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is het verboden om een bedrijfswoning te realiseren buiten een hoofdgebouw.
In het gebied Bedrijfswoning uitgesloten is het verboden een bedrijfswoning te realiseren.
De inhoud van het hoofdgebouw (tezamen met aan- en uitbouwen), waarbinnen de bedrijfswoning is gelegen, is maximaal 750 m³.
Het
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is het vorige lid geldt niet als het hoofdgebouw op 25 oktober 2016 een grotere inhoud had dan 750 m3. In dat geval geldt de grotere inhoud als maximum.
Het
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is het hoofdgebouw mag een inhoud hebben die groter is dan de inhoud die is toegelaten op grond van het vijfde of zesde lid voor zover het meerdere wordt gebruikt voor agrarische bedrijfsactiviteiten anders dan wonen.
De
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is de goothoogte van een bedrijfswoning is maximaal 4,5 meter.
De
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is de bouwhoogte van een bedrijfswoning is maximaal 10 meter.
Dit artikel geldtis van toepassing voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat wordt gebouwd binnen het bouwvlak.
De goothoogte van een mestsilo is maximaal 4 meter.
De bouwhoogte van een mestsilo is maximaal 8,5 meter.
De hoogte van een silo, anders dan een mestsilo, of een staande mestopslagtank is maximaal 12 meter.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is de hoogte van een staande mestopslagtank maximaal 12 meter.
De hoogte van een erfafscheiding is maximaal 3 meter.
De goothoogte van een hooiberg is maximaal 6 meter.
De bouwhoogte van een hooiberg is maximaal 9 meter.
De bebouwde oppervlakte van een hooiberg is maximaal 36 m2.
De hoogte van een verlichting- of vlaggenmast is maximaal 8 meter.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is de hoogte van een vlaggenmast is maximaal 8 meter.
In het gebied Agrarisch (landelijk gebied) is de hoogte van een verlichtingsmast maximaal 8 meter
De
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is de hoogte van een grondgebonden zonnepaneel als bedoeld in Artikel 21.5, is maximaal 3 meter.
De hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in het tweede tot en met tiende twaalfde lid, is maximaal 6 meter.
Het is verboden een bouwwerk, geen gebouw zijnde te bouwen buiten het bouwvlak, met uitzondering van de bouwwerken, bedoeld in het tweede tot en met vierde vijfde lid.
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde dat is bedoeld voor agrarisch grondgebruik voldoet buiten het bouwvlak aan de volgende regels:
de bouwhoogte is maximaal 3 meter;
sleufsilo's, kuilvoer- en mestplaten, kassen en paardenbakken zijn niet toegelaten, behalve bestaand (bouwwerk) sleufsilo's, kuilvoer- en mestplaten en bestaand (bouwwerk) paardenbakken bedoeld voor:
een van de activiteiten bedoeld in Artikel 21.5 of Artikel 21.7021.153; of
de bestemmingen ‘Agrarisch’, 'Wonen’, ‘Wonen – 1’, ‘Wonen- 2' of 'Wonen - Landhuis' die van toepassing zijn op grond van het bestemmingsplan Landelijk gebied.
De bouwhoogte van een perceelafscheiding buiten het bouwvlak is maximaal 1 meter.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak bedoeld voor het extensief recreatief medegebruik, zoals een bank, een wegwijzer of een picknicktafel is maximaal 2 meter.
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in het tweede tot en met vierde lid, maximaal 4 meter.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een mestsilo die hoger is dan is toegelaten volgens Artikel 21.2321.24, wordt verleend als:
de bouwhoogte van de mestsilo niet meer is dan de hoogte van de feitelijk en legaal aanwezige bedrijfsgebouwen op het erf;
de goothoogte van de mestsilo niet meer is dan de helft van de hoogte van de feitelijk en legaal aanwezige bedrijfsgebouwen op het erf;
de grotere hoogte naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is voor een doelmatiger uitoefening van de activiteiten, bedoeld in Artikel 21.5;
naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld;
de bouwactiviteit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als, bedoeld in de provinciale omgevingsverordeningArtikel 21.6;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing..
In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.2521.26 een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.2521.26, aanhef en onder f.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
Dit artikel is van toepassing op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een paardenbak die in strijd is met Artikel 21.2421.25.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid die wordt gerealiseerd voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 21.5 wordt verleend als:
de paardenbak naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet kan worden gesitueerd binnen het bouwvlak;
de paardenbak wordt gerealiseerd aansluitend aan het eigen bouwvlak;
wordt voldaan aan het vierdevijfde lid.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in eerstetweede lid die wordt gerealiseerd voor de activiteiten bedoeld in Artikel 21.7021.153 wordt verleend als:
de paardenbak naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet kan worden gesitueerd in het gebied Wonen - landelijk gebied;
de paardenbak wordt gerealiseerd aansluitend of binnen een afstand van 50 meter van de grens van het gebied, bedoeld onder a;
wordt voldaan aan het vierdevijfde lid.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweedederde of derdevierde lid wordt alleen verleend als:
de oppervlakte van de paardenbak niet meer is dan 1.500 m2m2;
de afstand van de paardenbak tot de bouwperceelgrens van woningen van derden niet minder is dan 50 meter;
de activiteit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot extra (licht)hinder voor omwonenden;
de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden , waaronder in het bijzonder de belangen, bedoeld in Artikel 21.6, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden;
wordt voldaan aan de regels over geur door een activiteit op geurgevoelige objecten, bedoeld in paragraaf 22.3.6.
Het tweedederde lid is van overeenkomstige toepassing voor een paardenbak die wordt gerealiseerd ten behoeve van de bestemming ‘Agrarisch’ die van toepassing is op grond van het bestemmingsplan Landelijk gebied.
Het derdevierde lid is van overeenkomstige toepassing voor een paardenbak die wordt gerealiseerd ten behoeve van de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Wonen – 1’, ‘Wonen- 2' of 'Wonen - Landhuis' die van toepassing zijn op grond van het bestemmingsplan Landelijk gebied.
In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.2721.28 een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.2721.28 aanhef en onder e.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een schuilgelegenheid voor vee buiten het bouwvlak wordt verleend als:
de bebouwing, gezien de specifieke situatie, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet binnen het bouwvlak kan worden geplaatst;
de schuilgelegenheid wordt gebouwd op een terrein met een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 1 hectare;
de goothoogte niet meer is dan 2,5 meter;
de bouwhoogte niet meer is dan 4 meter;
de oppervlakte van de schuilgelegenheid niet meer is dan 30 m2;
de afstand van de schuilgelegenheid tot woningen van derden niet minder is dan 30 meter;
realisatie van de schuilgelegenheid naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening;
de schuilgelegenheid naar het oordeel van het bevoegd gezag uit oogpunt van ruimtelijke ordening goed op het perceel is gesitueerd en landschappelijk wordt ingepast
In aanvulling op het eerste lid wordt een omgevingsvergunning in het gebied Agrarisch - landelijk gebied alleen verleend als realisatie van de schuilgelegenheid naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen, bedoeld in Artikel 21.6.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt niet verleend voor het bouwen van een schuilgelegenheid voor hobbydieren als bedoeld in Artikel 21.2021.21.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel22.26 die betrekking heeft op een sleufsilo die in strijd is met Artikel 21.2421.25 wordt verleend als:
situering van de sleufsilo binnen het bouwvlak naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet mogelijk is;
de sleufsilo direct aangrenzend aan het bouwvlak wordt gebouwd;
de hoogte van de sleufsilo niet meer is dan 2 meter;
de oppervlakte van de sleufsilo niet meer is dan 500 m2;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
realisatie van de sleufsilo naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als, bedoeld in de provinciale omgevingsverordeningArtikel 21.6;
wordt voldaan aan de regels over geur door een activiteit op geurgevoelige objecten, bedoeld in paragraaf 22.3.6.
In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.3021.31 een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.3021.31, aanhef en onder e.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch met waarden (landelijk gebied).
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de situering van nieuw op te richten bebouwing. Een maatwerkvoorschrift is gericht op de bescherming van de belangen, bedoeld in Artikel 21.6.
In het gebied Plangebied Heurneweg 2-4 Halle en Plangebied Halsedijk 8 Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.5 alleen toegelaten als de landschapsmaatregelen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassing Heurneweg 2-4 Halle en Landschappelijke inpassing Halsedijk 8 Halle, zoals vastgelegd in het Versterkingsplan Heurnedijk 2-4 Halle en Halsedijk 8 Halle. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
In het gebied Plangebied Halsedijk 8 Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.5 alleen toegelaten als het agrarisch gebruik van gronden in het gebied Plangebied Heurneweg 2-4 Halle, zoals dat voorheen werd toegelaten door het bestemmingsplan, is gestaakt.
D
Paragraaf 21.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing in het gebied Agrarisch - landelijk gebied.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden andere werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
ophogen, egaliseren van gronden en afgraven van de bodem;
aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen, het slaan van putten;
aanleggen en verharden van wegen, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 200 m²;
vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die kunnen leiden tot de dood of beschadiging van bomen;
n.v.t.
verwijderen van onverharde wegen en paden;
het aanleggen van kuilvoer- en mestplaten buiten het bouwvlak.
In het gebied Agrarisch met waarden (landelijk gebied) geldt het verbod, bedoeld in het tweede lid, ook voor:
In het gebied Agrarisch met waarden - Landschap en natuur geldt het verbod, bedoeld in het tweede lid ook voor:
Het verbod, bedoeld in Artikel 21.3221.36, geldt niet:
voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud;
voor werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak;
voor de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden;
voor werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand benodigd is.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.3221.36 wordt verleend als, naar het oordeel van het bevoegd gezag, door de werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan van:
de bodemstructuur, het bodemniveau en de waterhuishouding;
het reliëfrijke karakter van de bolle akkers;
de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening.
de belangen, bedoeld in Artikel 21.6.
E
Artikel 21.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze afdeling staan regels over het gebied Archeologische verwachting 1, Archeologische verwachting 2 en Archeologische verwachting 3 verwachting.
F
Het opschrift van artikel 21.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
G
Het opschrift van artikel 21.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Artikel 21.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.3721.41 wordt alleen verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag:
Voor zover het bevoegd gezag dat nodig acht, wordt, in aanvulling op het eerste lid, de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat proefsleuvenonderzoek of een opgraving heeft plaatsgevonden.
I
Artikel 21.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het bevoegd gezag wint advies in bij de archeologisch deskundige over de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.3821.42 en over de vraag welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
J
Artikel 21.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als uit het rapport, bedoeld in Artikel 21.3721.41, eerste lid, of de andere beschikbare informatie, bedoeld in Artikel 21.3721.41, tweede lid, aanhef en onder a, blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
K
Het opschrift van artikel 21.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Artikel 21.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter;
grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 meter onder het maaiveld over een oppervlakte met een oppervlakte die groter is dan aangegeven met de omgevingsnorm Archeologie, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
het verlagen van de bodem verlagen;
het of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
het verlagen van het waterpeil;
het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
M
Artikel 21.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in Artikel 21.4221.46, geldt niet:
voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor in dit kader een omgevingsvergunning is verleend op het moment dat het verbod voor de desbetreffende locatie van kracht wordt;
als de activiteit betrekking heeft op een rijksmonument;
als is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn, hetgeen moet blijken uit een rapport van archeologisch onderzoek, dan wel andere beschikbare informatie;
voor werken en werkzaamheden als bedoeld in Artikel 21.4221.46, aanhef en onderdeel c of d, voor zover hiervoor een omgevingsvergunning voor een ontgrondingenactiviteit is vereist.
N
Artikel 21.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een vergunning als bedoeld in Artikel 21.4221.46 wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag:
O
Artikel 21.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.4221.46 wordt een rapport overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, zijn vastgesteld.
Het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
P
Artikel 21.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het bevoegd gezag wint advies in bij de archeologisch deskundige over de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.4421.48 en over de vraag welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
Q
Het opschrift van artikel 21.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
R
Artikel 21.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling bevat regels over het gebied Bedrijf (landelijk gebied).
S
Artikel 21.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het gebied Bedrijf (landelijk gebied) mogen gronden gebruikt worden voor:
niet-agrarische bedrijven;
detailhandel in zelf vervaardigde en/of voortgebrachte producten;
parkeervoorzieningen, alleen op eigen terrein;
groenvoorzieningen;
waterhuishoudkundige voorzieningen;
nutsvoorzieningen;
aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf, waaronder internetverkoop;
grondgebonden zonnepanelen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie voor de eigen energievoorziening.
T
Artikel 21.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op de locatie
In het gebied Bedrijf Pluimersdijk 25-25B25A Halle Halle is een niet-agrarisch bedrijf toegelaten onder de volgende voorwaarden:
uitsluitend toegelaten zijn een agrarisch loonbedrijf, akkerbouwbedrijf, landmechanisatiebedrijf en verhuur van werktuigen en landbouwmachines;
de oppervlakte van het bedrijfsbebouwing, exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning(en) en de daarbij behorende bouwwerken, is maximaal 986 m2;
buitenopslag vindt plaats op een oppervlakte van maximaal 1.446 m²;
de toegestane hoogte buitenopslag is maximaal 4 meter.
Op de locatie
In het gebied Bedrijf Zanddijk 1 en 1a Halle is een niet-agrarisch bedrijf toegelaten onder de volgende voorwaarden:
In het gebied Plangebied Heurneweg 2-4 Halle is een niet-agrarisch bedrijf toegelaten onder de volgende voorwaarden:
uitsluitend toegelaten zijn een kantoor, kinderopvang, sportschool en trainingsfaciliteit voor honden;
de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing, exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende bouwwerken, is maximaal:
de oppervlakte van de buitenruimte is maximaal:
U
Na artikel 21.50 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Het uitoefenen van nevenfuncties is toegelaten in overeenstemming met de regels van afdeling 21.17.
In aanvulling op het eerste lid is in het gebied Plangebied Heurneweg 2-4 Halle agrarisch medegebruik toegestaan onder de voorwaarde dat hiervoor maximaal 648 m2 aan bebouwing in gebruik is.
V
Artikel 21.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De oppervlakte voor buitenopslag is maximaal 250 m² tenzij anders aangegeven in Artikel 21.5021.54.
De hoogte van buitenopslag is maximaal 2 meter, tenzij anders aangegeven in Artikel 21.5021.54.
Het eerste lid is niet van toepassing op de buitenstalling van voertuigen en machines die worden gebruikt voor de eigen bedrijfsvoering en niet worden aangeboden ter reparatie, verhuur en/of verkoop.
Het tweede lid is niet van toepassing op de buitenstalling van voertuigen en machines.
W
Artikel 21.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is toegelaten gronden te gebruiken voor detailhandel voor zover het betreft:
detailhandel in zelf vervaardigde of voortgebrachte producten;
verkoopactiviteiten als bedoeld in Artikel 21.5021.54.
Detailhandel in zelf vervaardigde of voortgebrachte producten vindt uitsluitend plaats in bestaande gebouwen en met een oppervlakte van maximaal 25 m2m2.
X
Het opschrift van artikel 21.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Y
Artikel 21.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden gronden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor buitenopslag als de hoogte of de oppervlakte van de buitenopslag groter is dan toegelaten volgens Artikel 21.5021.54.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
de grotere oppervlakte dient ten behoeve van een gebiedsgebonden bedrijf;
bij uitbreiding van de oppervlakte buitenopslag boven de 250 m2m2 of boven de in Artikel 21.5021.54 opgenomen specifieke oppervlakte, per m2m2 uitbreiding buitenopslag 2 m2m2 sloop elders wordt gerealiseerd;
de verruiming van de mogelijkheden naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is voor een doelmatiger uitoefenen van de op de locatie toegelaten activiteiten;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
Z
Artikel 21.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning functieverandering te realiseren en gronden te gebruiken voor een niet-agrarisch bedrijf dat niet is toegelaten op grond van Artikel 21.5021.54.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als het gaat om een of meer van de volgende activiteiten, anders dan detailhandel:
een activiteit als bedoeld in bijlage 2V;
een activiteit die qua aard en omvang en invloed op het milieu vergelijkbaar zijn met de activiteiten, bedoeld onder a, als het gaat om de effecten die zijn gereguleerd door afdeling 22.3:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als is voldaan aan het tweede lid en:
voor de oppervlakte van de bedrijfsactiviteitactiviteit wordt voldaan aan Artikel 21.5021.54;
de activiteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag milieuhygiënisch inpasbaar zijn;
de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad;
voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.9221.192;
parkeren en laden en lossen plaatsvinden op eigen erf;
de verkeersafwikkeling naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast;
naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden;
de aanwezige waarden worden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig aangetast;
geen sprake is van activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.
Met het oog op de beoordeling als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder b wordt in elk geval voldaan aan:
de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de regels van afdeling 22.3.
In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder g.
AA
Artikel 21.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op de locatie Plangebied Zanddijk voldoet de inrichting van de openbare ruimte en de uitstraling van de gebouwen aan de Landschappelijke inpassing dat is opgenomen als bijlage Landschappelijke inpassing Zanddijk 1 en 1a Halle.
In het Plangebied Zanddijk 1 en 1a Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.53 alleen toegelaten als de Landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassing Zanddijk 1 en 1a Halle. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
In het gebied Plangebied Pluimersdijk 25-25B Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.53 alleen toegelaten als de Landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassing Pluimersdijk 25-25B. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
BB
Artikel 21.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op de locatie Plangebied Pluimersdijk 25-25B Halle voldoet de inrichting van de opebare ruimte en de uitstraling van de gebouwen aan de Landschappelijke inpassing dat is opgenomen als bijlage Landschappelijke inpassing Pluimersdijk 25-25B .
[Vervallen]
CC
Het opschrift van artikel 21.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DD
Artikel 21.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Per functievlak is maximaal één bedrijfswoning toegelaten.
Het is verboden om een bedrijfswoning te realiseren buiten een hoofdgebouw.
Het aantal bedrijfswoningen en de verdeling van de woningen over de hoofdgebouwen voldoet aan Artikel 21.6021.64.
De inhoud van het hoofdgebouw (tezamen met aan- en uitbouwen), waarbinnen de bedrijfswoning is gelegen, is maximaal 750 m³.
Het vorige lid geldt niet als het hoofdgebouw op 25 oktober 2016 een grotere inhoud had dan 750 m3m3. In dat geval geldt de grotere inhoud als maximum.
De goothoogte van een bedrijfswoning is maximaal 4,5 meter.
De bouwhoogte van een bedrijfswoning is maximaal 10 meter.
EE
Het opschrift van artikel 21.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FF
Artikel 21.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
Artikel 21.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De hoogte van een verlichting- of vlaggenmast is maximaal 8 meter.
De hoogte van een grondgebonden zonnepaneel als bedoeld in Artikel 21.4921.53 is maximaal 3 meter.
De hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in het eerste en het tweede lid, is maximaal 6 meter.
HH
Artikel 21.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning bebouwing te realiseren met een oppervlakte groter dan is toegelaten volgens Artikel 21.5021.54.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
de uitbreiding niet meer is dan 10% van de oppervlakte als genoemd in Artikel 21.5021.54;
de uitbreiding van de bedrijfsfunctie naar het oordeel van het bevoegd gezag op verantwoorde wijze milieuhygiënisch inpasbaar is;
de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad;
voor wat betreft parkeren is voldaan aan Artikel 21.9221.192;
parkeren en laden en lossen plaatsvinden plaats op eigen erf;
de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd niet onevenredige wordt aangetast;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden.
Met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b wordt in elk geval voldaan aan de regels van afdeling 22.3.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een inrichtingsplan landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder g.
II
Artikel 21.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling bevat regels over het gebied Beperkingsgebied natte natuurparel .
JJ
Artikel 21.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het gebied Beperkingsgebied natte natuurparel mogen gronden worden gebruikt voor de hoofdfuncties die daar zijn toegelaten, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die hogen bij andere hoofdfuncties.
KK
Het opschrift van artikel 21.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LL
Artikel 21.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoel in Artikel 21.6621.70, geldt niet voor:
werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak;
werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met uitzondering van permanente teeltondersteunende voorzieningen.
MM
Artikel 21.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een vergunning als bedoeld in Artikel 21.6621.70 wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting optreedt van:
NN
Na afdeling 21.5 worden tien afdelingen ingevoegd, luidende:
Deze afdeling bevat regels over het gebied Bos.
In het gebied Bos mogen gronden gebruikt worden voor:
Naast belangen die rechtstreeks samenhangen met het uitoefenen van de activiteiten, bedoeld in Artikel 21.74, zijn de regels in deze afdeling gesteld met het oog op:
bescherming van droge en natte natuur- en landschapswaarden;
het belang van behoud, bescherming, herstel en ontwikkeling van specifieke landschappelijke en natuurwaarden in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingzone (GO);
bescherming van cultuurhistorische waarden;
bescherming en instandhouding van drinkwatervoorzieningen.
Gronden mogen alleen worden gebruikt voor (recreatieve) voet- en fietspaden die legaal aanwezig waren op het moment dat Artikel 21.74 op die locatie van toepassing is geworden.
Het is verboden een pad ongeschikt te maken als (recreatieve) route.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor groepskamperen.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
het groepskamperen alleen plaatsvindt gedurende een korte aaneengesloten periode;
de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen, bedoeld in Artikel 21.75.
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over:
Het is verboden een gebouw te bouwen, anders dan een schuilgelegenheid als bedoeld in Artikel 21.80.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een schuilgelegenheid wordt verleend als:
de schuilgelegenheid ten dienste staat van natuurbeheer;
de hoogte niet meer is dan 4 meter;
de oppervlakte niet meer is dan 30 m²;
het aantal schuilgelegenheden niet meer is dan 1 per 25 aaneengesloten ha bos- en natuurgebied waarop van toepassing is:
Artikel 21.73;
Artikel 21.92; of
de bestemming ‘Bos’ of ‘Natuur’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied;
het oprichten van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen als bedoeld in Artikel 21.75.
Het is verboden een overkapping te bouwen.
De bouwhoogte van een brandtoren is maximaal 30 meter.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van informatievoorzieningen, is maximaal 2 meter.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde anders dan bedoeld in het tweede of derde lid is maximaal 1 meter.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.26 voor een bouwactiviteit waarbij wordt afgeweken van Artikel 21.81, eerste, tweede of derde lid wordt verleend als:
de hoogte niet meer is dan 4 meter;
de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatiger uitoefening van de op de locatie toegelaten activiteiten;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen als bedoeld in Artikel 21.75.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
ophogen, egaliseren van gronden en afgraven van de bodem;
aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen, het slaan van putten;
aanleggen en (half)verharden van wegen;
het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen dan bedoeld onder d, groter dan 200 m²;
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur;
het verwijderen van onverharde wegen.
Het verbod, bedoeld in Artikel 21.83, geldt niet:
voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, gebruik en onderhoud;
voor werken en werkzaamheden die legaal werden uitgevoegd op het moment dat deze bepaling op een locatie van toepassing is geworden;
voor de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden;
de aanleg van een centrale parkeervoorziening in halfverharding.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.83 wordt verleend als, naar het oordeel van het bevoegd gezag, door de werken en werkzaamheden:
geen onevenredige aantasting optreedt van de bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap of de waterhuishouding;
geen onevenredige aantasting optreedt van de belangen als bedoeld in Artikel 21.75;
voor zover er sprake is van ligging in of grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden.
In aanvulling op het eerste lid wordt een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 21.83, aanhef en onderdeel g alleen verleend als er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van (recreatieve) routes.
Deze afdeling bevat regels over het gebied Maatschappelijk .
In het gebied Maatschappelijk mogen gronden gebruikt worden voor:
In het gebied Zorginstelling is een zorginstelling toegestaan.
De voorzieningen ten behoeve van een solarpark omvatten alleen technische ruimten voor de energiewinning en een educatieruimte.
Het is verboden een gebouw te bouwen buiten een Bouwvlak.
Het eerste lid geldt niet voorondergeschikte bouwdelen met een diepte van maximaal 1,5 meter.
De goothoogte van een gebouw is in het stedelijk gebied niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Maximum goothoogte gebouwen stedelijk gebied.
De bouwhoogte van een gebouw is in het stedelijk gebied niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Maximum bouwhoogte gebouwen stedelijk gebied.
De afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens is minimaal 5 meter.
Dit artikel is van toepassing op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een gebouw dat dichter bij de perceelsgrens wordt gebouwd dan is toegelaten op grond van Artikel 21.89, vijfde lid.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
sprake is van verbouw en/of uitbreiding van een bestaand bedrijfsgebouw, voor zover het bestaande bedrijfsgebouw al dichter bij de perceelsgrens is gelegen;
de afstand tot de perceelsgrens niet kleiner wordt dan bij het bestaande bedrijfsgebouw;
de hoogte van het gebouw binnen 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens niet meer is dan de hoogte van het bestaande bedrijfsgebouw(gedeelte) in dat gebied; d. wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.191;
naar het oordeel van het bevoegd gezag:
de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast, wat in elk geval betekent dat het algemene (bestaande) straatbeeld van openheid op hoofdlijnen gehandhaafd blijft;
er geen belemmeringen zijn voor woon- en leefmilieu;
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;
de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;
de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse niet onevenredig wordt aangetast;
er geen belemmeringen zijn op het gebied van brandpreventie.
Met het oog op de belangen, bedoeld in het tweede lid, onder e, kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden over de inrichting van het terrein en met name de inrichting en situering van parkeervoorzieningen.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak is maximaal 1 meter.
In het gebied [PM] is de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak maximaal 1,20 meter.
De bouwhoogte van een erf- of terreinafscheiding binnen het bouwvlak is maximaal 2 meter.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde binnen het bouwvlak anders dan bedoeld in het tweede lid is maximaal 4 meter.
Deze afdeling bevat regels over het gebied Natuur.
In het gebied Natuur mogen gronden gebruikt worden voor:
Naast belangen die rechtstreeks samenhangen met het uitoefenen van de activiteiten, bedoeld in Artikel 21.93, zijn de regels in deze afdeling gesteld met het oog op:
de instandhouding en ontwikkeling van de droge en natte natuurwaarden en de landschapswaarden;
bescherming en instandhouding van drinkwatervoorzieningen;
het belang van behoud, bescherming, herstel en ontwikkeling van specifieke landschappelijke en natuurwaarden in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingzone (GO).
Gronden mogen alleen worden gebruikt voor (recreatieve) voet- en fietspaden die legaal aanwezig waren op het moment dat Artikel 21.93 op die locatie van toepassing is geworden.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor groepskamperen.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
het groepskamperen alleen plaatsvindt gedurende een korte aaneengesloten periode;
de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen, bedoeld in Artikel 21.94.
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over:
Het is verboden een gebouw te bouwen, anders dan een schuilgelegenheden als bedoeld in Artikel 21.99.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een schuilgelegenheid wordt verleend als:
de schuilgelegenheid ten dienste staat van natuurbeheer;
de hoogte niet meer is dan 4 meter;
de oppervlakte niet meer is dan 30 m²;
het aantal schuilgelegenheden niet meer is dan 1 per 25 aaneengesloten hectarea bos- en natuurgebied waarop van toepassing is:
Artikel 21.92
Artikel 21.73; of
de bestemming ‘Bos’ of ‘Natuur’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied;
het oprichten van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen als bedoeld in Artikel 21.94.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een bouwactiviteit waarbij wordt afgeweken van Artikel 21.100, eerste of tweede lid wordt verleend als:
de hoogte niet meer is dan 4 meter;
de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatigere uitoefening van de op de locatie toegelaten activiteiten;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen als bedoeld in Artikel 21.94
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
ophogen, egaliseren van gronden en afgraven van de bodem;
aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen, het slaan van putten;
aanleggen en (half)verharden van wegen;
het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen dan bedoeld onder d, groter dan 200 m²;
het scheuren van grasland;
vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden die de dood of beschadigingen van bomen tengevolge kunnen hebben;
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur;
het verwijderen van onverharde wegen.
Het verbod, bedoeld in Artikel 21.102, geldt niet:
voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud;
voor werken en werkzaamheden die legaal werden uitgevoegd op het moment dat deze bepaling op een locatie van toepassing is geworden;
voor de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden;
voor werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand benodigd is.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.102 wordt verleend als, naar het oordeel van het bevoegd gezag, door de werken en werkzaamheden:
geen onevenredige aantasting optreedt van de bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap of de waterhuishouding;
geen onevenredige aantasting optreedt van de belangen als bedoeld in Artikel 21.94.
In aanvulling op het eerste lid wordt een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 21.102, aanhef en onderdeel i alleen verleend als er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van (recreatieve) routes.
Deze afdeling bevat regels over het gebied Recreatiewoning.
In het gebied Recreatiewoning mogen gronden gebruikt worden voor:
Het aantal recreatiewoningen is niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm aantal recreatiewoningen. Als geen omgevingsnorm is aangegeven, is per functievlak maximaal één recreatiewoning toegelaten.
Als binnen een functievlak een bouwvlak ligt, zijn gebouwen alleen toegelaten in het bouwvlak.
De inhoud van een recreatiewoning, inclusief de inhoud van bijbehorende bouwwerken, is maximaal 300 m³.
De goothoogte van een recreatiewoning is maximaal 3,5 meter.
De bouwhoogte van een recreatiewoning is maximaal 7 meter.
In het gebied Recreatiewoning - bijbehorend bouwwerk uitgesloten is het verboden een bijbehorend bouwwerk te bouwen. Artikel 22.36 is niet van toepassing.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor de voorgevelrooilijn is maximaal 1 meter.
De bouwhoogte van een erf- of terreinafscheiding achter de voorgevelrooilijn is maximaal 2,5 meter.
De hoogte van een verlichtings- of vlaggenmast is maximaal 8 meter.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid, is maximaal 4 meter
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk, geen gebouw zijnde te bouwen dat hoger is dan is toegelaten volgens Artikel 21.109.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
de bouwhoogte niet meer is dan 4 meter;
de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatiger gebruik van de gronden in overeenstemming met Artikel 21.106.
Deze afdeling bevat regels over het gebied Rioolleiding.
In het gebied Rioolleiding mogen gronden gebruikt worden voor een drukrioolleiding, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die horen bij andere hoofdfuncties.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen anders dan ten behoeve van de rioolleiding, bedoeld in Artikel 21.112.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
wordt gebouwd ten behoeve van een gebruiksactiviteit die op grond van deze afdeling op die locatie is toegelaten;
wordt voldaan aan de regels voor het bouwen van bouwwerken die voor die gebruiksactiviteit van toepassing zijn;
naar het oordeel van het bevoegd gezag uit hoofde van bescherming van de leidingen geen bezwaar bestaat tegen het verlenen van de vergunning.
Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wint het bevoegd gezag advies in bij de betrokken leidingbeheerder.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
aanleggen van wegen of paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
graafwerkzaamheden;
heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen;
aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen;
wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoping;
vellen of rooien van houtgewas;
aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur van 2,5 meter of hoger.
Het verbod, bedoeld in Artikel 21.115, geldt niet voor:
werken en werkzaamheden waarvoor in dit kader een omgevingsvergunning is verleend op het moment dat het verbod voor de desbetreffende locatie van kracht wordt;
werken en werkzaamheden die op het moment dat het verbod voor de desbetreffende locatie van kracht wordt in uitvoering waren;
werken en werkzaamheden in het kader van het normale onderhoud van leidingen;
werken en werkzaamheden die vallen onder de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.115 wordt verleend als, naar oordeel van het bevoegd gezag, door de werken en werkzaamheden geen veiligheidsrisico’s ontstaan en de betreffende leiding niet wordt aangetast.
Bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.115 wint het bevoegd gezag advies in bij de betrokken leidingbeheerder.
Deze afdeling bevat regels over het gebied Verblijfsrecreatie.
In het gebied Verblijfsrecreatie mogen gronden gebruikt worden voor
recreatieve doeleinden, zoals:
in afwijking bedoeld onder a geldt dit zover op een locatie toegelaten op grond van Artikel 21.121
gemeenschappelijke voorzieningen zoals voor horecadoeleinden, detailhandelsactiviteiten, kantoordoeleinden en zwembaden, ondergeschikt en ondersteunend aan de activiteiten, bedoeld onder a;
overige ondersteunende en ondergeschikte voorzieningen zoals parkeervoorzieningen, sport- en spelvoorzieningen en groenvoorzieningen.
In het gebied specifieke vorm van recreatie - 10 mogen gronden worden gebruikt voor recreatieve doeleinden onder de volgende voorwaarden:
Rondom de verblijfsrecreatieterreinen dient een strook van minimaal 5 meter met afschermende groenvoorzieningen aanwezig te zijn.
Het parkeren behorende bij de functie Verblijfsrecreatie vindt op het perceel plaats.
In het gebied Plangebied Ruurloseweg 30-30a Zelhem is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.120 en Artikel 21.121alleen toegelaten als de Landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Versterkingsplan Ruurloseweg 30-30a Zelhem. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
De inhoud van een recreatiewoning is maximaal 300 m3.
De bebouwde oppervlakte van een recreatiewoning is maximaal 75 m2.
De bebouwde oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk bij een recreatiewoning is maximaal 15 m2.
De goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bij een recreatiewoning is maximaal 3 meter.
De bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bij een recreatiewoning is maximaal 6 meter.
Per functievlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan.
De inhoud van het hoofdgebouw (tezamen met aan- en uitbouwen), waarbinnen de bedrijfswoning is gelegen, is maximaal 750 m³.
Het vorige lid geldt niet als het hoofdgebouw op 25 oktober 2016 een grotere inhoud had dan 750 m3. In dat geval geldt de grotere inhoud als maximum.
De goothoogte van een bedrijfswoning is maximaal 4,5 meter.
De bouwhoogte van een bedrijfswoning is maximaal 10 meter.
De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens is minimaal 3 meter.
De goothoogte van een aangebouwe of vrijstaand bijgebouw is maximaal 3 meter.
De bouwhoogte van een aangebouwd of vrijstaand bijgebouw is maximaal 6 meter.
De bebouwde oppervlakte voor aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen per woning is maximaal 150 m2.
De afstand van een vrijstaand bijgebouw tot de bedrijfswoning is maximaal 20 meter.
De bouwhoogte van een vlaggenmast of een verlichtingsmast is maximaal 8 meter.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde anders dan bedoeld in het eerste lid is maximaal 2,5 meter.
Deze afdeling bevat regels over het gebied Verkeer.
In het gebied Verkeer mogen gronden gebruikt worden voor:
In het gebied Verkeer (landelijk gebied) mogen gronden ook gebruikt worden voor:
In het gebied Verkeer (stedelijk gebied) mogen gronden ook gebruikt worden voor:
In het gebied Verkeer (landelijk gebied) is de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouwen zijnde, maximaal 2,5 meter.
In het gebied Verkeer (stedelijk gebied) is de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouwen zijnde, maximaal 4 meter.
In het gebied Verkeer (stedelijk gebied) is de bouwhoogte van een erf- of terreinafscheiding ten behoeve van een tuin maximaal 1 meter.
Dit artikel geld voor het gebied Verkeer (landelijk gebied).
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk, geen gebouw zijnde te bouwen dat hoger is dan is toegelaten volgens artikel 21.134.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
de hoogte niet meer is dan 4 meter;
de grotere hoogte noodzakelijk is voor een doelmatiger gebruik van de gronden in overeenstemming met artikel 21.132.
Deze afdeling bevat regels over het gebied Water.
In het gebied Water mogen gronden gebruikt worden voor:
Naast belangen die rechtstreeks samenhangen met het uitoefenen van de activiteiten, bedoeld in Artikel 21.137, zijn de regels in deze afdeling gesteld met het oog op:
Deze afdeling bevat regels over het gebied Waterberging .
In het gebied Waterberging mogen gronden worden gebruikt voor de hoofdfuncties die daar zijn toegelaten, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die horen bij andere hoofdfuncties.
Artikel 22.36 is niet van toepassing.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken wordt alleen verleend als het belang van de verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt geschaad:
Het tweede lid is niet van toepassing op een bouwwerk dat legaal aanwezig was op 25 oktober 2016.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen.
Het verbod, bedoel in Artikel 21.144, geldt niet voor:
Een vergunning als bedoeld in Artikel 21.144 wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterbergingscapaciteit van de gronden.
Het bevoegd gezag wint advies in bij de waterbeheerder over de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.146 en over de vraag welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
Deze afdeling bevat regels over het gebied Waterkering.
In het gebied Waterkering mogen gronden worden gebruikt voor de hoofdfuncties die daar zijn toegelaten, waarbij de regels in deze afdeling voorrang hebben op de regels die horen bij andere hoofdfuncties.
Artikel 22.36 is niet van toepassing.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een bouwwerk ten behoeve van een hoofdfunctie, anders dan waterkering, die op die locatie is toegelaten, wordt alleen verleend als de belangen van de waterkering naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad.
Het bevoegd gezag wint advies in bij de waterbeheerder over de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.150 en over de vraag welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
OO
Het opschrift van afdeling 21.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PP
Het opschrift van paragraaf 21.6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 21.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling bevat regels over het gebied Wonen (landelijk wonen).
RR
Paragraaf 21.6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het gebied Wonen mogen gronden worden gebruikt voor:
woondoeleinden;
aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf waaronder internetverkoop;
parkeren;
grondgebonden zonnepanelen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie bedoeld voor de eigen energievoorziening.
In het gebied Wonen mogen gronden worden gebruikt voor:
woondoeleinden;
aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf waaronder internetverkoop;
groen, zoals tuinen en andere beplanting;
beheer, berging en afvoer van water;
wegen en paden.
In het gebied Wonen - landelijk gebied mogen gronden ook worden gebruikt voor grondgebonden zonnepanelen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie bedoeld voor de eigen energievoorziening.
Het uitoefenen van nevenfuncties is toegelaten in overeenstemming met de regels van afdeling 21.17.
In aanvulling op het eerste lid is in het gebied Plangebied Heurneweg 2-4 Halle agrarisch medegebruik toegestaan onder de voorwaarde dat hiervoor maximaal 118 m2 aan bebouwing in gebruik is.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor nevenfuncties anders dan bedoeld in Artikel 21.189 en Artikel 21.190.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerstetweede lid wordt alleen verleend als het gaat om een of meer van de volgende nevenfuncties:
nevenfuncties als bedoeld in bijlage 2V, met uitzondering van verblijfsrecreatie, detailhandel of horeca (anders dan een theetuin);
activiteiten die in milieuhygiënisch opzicht vergelijkbaar zijn met de activiteiten, bedoeld onder 2.a, als het gaat om de effecten die zijn gereguleerd door afdeling 22.3:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerstetweede lid wordt verleend als is voldaan aan het tweedederde lid en:
alleen bestaande, legale en vrijgekomen (of vrijkomende) gebouwen worden gebruikt en er geen uitbreiding van bebouwing plaatsvindt ten behoeve van de nevenfunctie(s);
alleen vrijstaande of aangebouwde bijgebouwen worden gebruikt voor de nevenfunctie(s);
niet meer dan 50% van deze bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor de nevenfunctie(s), tot een maximum van 350 m2m2;
de vereveningsbijdrage wordt voldaan, die bij "overige gebouwen" bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur;
naar het oordeel van het bevoegd gezag geen sprake is van een aanzienlijke verkeersaantrekkende werking;
voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.9221.192;
parkeren en laden en lossen plaatsvinden op eigen erf;
naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad;
de volgende waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast:
landschapselementen en kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap;
de belangen als bedoeld in Artikel 21.6;
landschappelijke waarden als bedoeld in de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ als bedoeld het bestemmingsplan Landelijk gebied;
landschappelijke en natuurwaarden als bedoeld in de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap en natuur’ als bedoeld in van het bestemmingsplan Landelijk gebied;
de oppervlakte van een theetuin niet meer is dan 50 m2m2.
In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.7121.155 een inrichtingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.7121.155, derdevierde lid lid, aanhef en onder h.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een kampeerterrein.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerstetweede lid wordt verleend als:
de activiteit betrekking heeft op een terrein met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van mobiele kampeervoertuigen en/of tenten gedurende het kampeerseizoen (‘kleinschalig kampeerterrein’);
het kampeerterrein wordt gerealiseerd op een locatie die is gelegen buiten het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO);
het kampeerterrein wordt gerealiseerd in het gebied Wonen - landelijk gebied;
van de bebouwde oppervlakte wordt niet meer dan 100 m² gebruikt voor het kleinschalige kampeerterrein (inclusief trekkershutten);
voor trekkershutten:
stacaravans of chalets zijn niet toegelaten;
er wordt alleen gebruik gemaakt van bestaande legale bebouwing tenzij dit naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet kan worden gevergd;
het aantal kampeerplaatsen, inclusief trekkershutten, niet meer is dan 30;
het kampeerterrein wordt alleen gebruikt tijdens het kampeerseizoen;
voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.9221.192;
de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse wordt naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig aangetast;
de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden worden niet onevenredig geschaad;
er is naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
de aanwezige waarden worden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig geschaad.
Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerstetweede lid kan het voorschrift worden verbonden dat een landschappelijk inrichtingsplan wordt overgelegd.
In het gebied Plangebied Heisterboomsdijk 20-22 Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.153 alleen toegelaten als de Landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassing Heisterboomsdijk 20-22 Halle. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
In het gebied Plangebied Heurneweg 2-4 Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.153 alleen toegelaten als de Landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassing Heurneweg 2-4 Halle. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
SS
Paragraaf 21.6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het maximum bebouwd oppervlak in het gebied Venderinkweg 2 en 2A is 300m2.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen (stedelijk).
Het bebouwingspercentage van het Bouwvlak is niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Bebouwingspercentage.
De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens is bij vrijstaande en twee-aaneen woningen minimaal 3 meter.
Het
In het gebied Wonen - landelijk gebied is het is verboden een gebouw te bouwen buiten een bouwvlak.
Per
In het gebied Wonen (landelijk wonen) woning is per functievlak is maximaal één woning toegelaten.
Er zijn alleen vrijstaande woningen toegelaten.
In het gebied Wonen - 1 woningen zijn per functievlak maximaal twee woningen toegelaten.
De inhoud van het hoofdgebouw (tezamen met aan- en uitbouwen), waarbinnen de woning is gelegen, is maximaal 750 m³.
In het gebied Wonen (stedelijk) is het aantal woningen niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Wonen-stedelijk gebied-aantal woningen. Als geen omgevingsnorm is aangegeven is het aantal woningen niet meer dan feitelijk legaal aanwezig op 31 maart 2016.
Het vorige lid geldt niet als het hoofdgebouw op 25 oktober 2016 een grotere inhoud had dan 750 m3. In dat geval geldt de grotere inhoud als maximum.
De bouwhoogte van een hoofdgebouw is maximaal 10 meter.
De goothoogte van een hoofdgebouw is maximaal 4,5 meter.
De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens is minimaal 3 meter.
In het gebied Wonen - landelijk gebied zijn er zijn alleen vrijstaande woningen toegelaten.
In het gebied Bouwaanduiding vrijstaand zijn alleen vrijstaande woningen toegelaten.
In het gebied Bouwaanduiding twee-aaneen zijn alleen twee-aaneengebouwde woningen toegelaten.
In het gebied Bouwaanduiding aaneengebouwd zijn alleen aaneengebouwde woningen toegelaten.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied.
De inhoud van het hoofdgebouw (tezamen met aan- en uitbouwen), waarbinnen de woning is gelegen, is maximaal 750 m³.
Het vorige lid geldt niet als het hoofdgebouw op 25 oktober 2016 een grotere inhoud had dan 750 m3. In dat geval geldt de grotere inhoud als maximum.
In het gebied Wonen - landelijk gebied is de bouwhoogte van een hoofdgebouw maximaal 10 meter.
In het gebied Wonen - landelijk gebied is de goothoogte van een hoofdgebouw maximaal 4,5 meter.
De bouwhoogte is maximaal de hoogte die is aangegeven met de omgevingsnorm Maximum bouwhoogte gebouwen stedelijk gebied.
De goothoogte is maximaal de hoogte die is aangegeven met de omgevingsnorm Maximum goothoogte gebouwen stedelijk gebied.
De afstand van een Bouwaanduiding vrijstaand hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens is minimaal 3 meter.
In het gebied Wonen (stedelijk) wordt een hoofdgebouw gebouwd in een bouwvlak in de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak.
In het gebied Wonen (stedelijk) is de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens is in het gebied Bouwaanduiding twee-aaneen éénzijdig minimaal 3 meter.
In het gebied Wonen (stedelijk) is de oppervlakte van het hoofdgebouw:
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied.
Herbouw van een woning is alleen toegelaten als:
de woning is gebouwd in overeenstemming met de regels van dit omgevingsplan of een onherroepelijke omgevingsvergunning om af te wijken van de regels van dit omgevingsplan;
herbouw plaatsvindt op de bestaande bouwwijze;
herbouw plaatsvindt met de bestaande situering.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied.
De bebouwde oppervlakte voor aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen per woning is maximaal 100 m2m2.
De goothoogte van een aangebouwd of vrijstaand bijgebouw is maximaal 3 meter.
De bouwhoogte van een aangebouwd of vrijstaand bijgebouw is maximaal 6 meter.
De afstand van een vrijstaand bijgebouw tot de woning is maximaal 20 meter.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen (stedelijk).
Bijbehorende bouwwerken worden alleen gebouwd:
In het gebied Bijbehorende bouwwerken uitgesloten worden geen bijbehorende bouwwerken gebouwd.
De goothoogte is maximaal 3 meter, tenzij artikel 21.172, artikel 21.173of artikel 21.174 van toepassing is.
De bouwhoogte is maximaal 5 meter, tenzij artikel21.172, artikel 21.173 of artikel 21.174 van toepassing is.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen (stedelijk).
Buiten het bouwvlak is de bebouwde oppervlakte per bouwperceel maximaal 120 m2.
In het gebied Afwijkende oppervlakte bijgebouwen is de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak maximaal 275 m².
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen (stedelijk).
Dit artikel is van toepassing voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken in het zijerfgebied. Dit artikel geldt niet als artikel 21.173 van toepassing is.
Als op een belendend perceel, grenzend aan het zijerfgebied, een hoofdgebouw aanwezig is, gelden de volgende regels:
Als op een belendend perceel, grenzend aan het zijerfgebied, geen hoofdgebouw aanwezig is, gelden de volgende regels:
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen (stedelijk).
Dit artikel geldt voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken in hoeksituaties. Een hoeksituatie is de situatie dat het zijerfgebied of het achtererfgebied grenst aan het voorerfgebied of het achtererfgebied van een aangrenzend perceel (er ligt een ander hoofdgebouw ‘om de hoek’).
Voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken is een grotere bouw- en/of goothoogte toegelaten, mits:
de omvang en vormgeving van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt blijven aan die van het hoofdgebouw en het hoofdgebouw als zodanig duidelijk herkenbaar blijft;
het bijbehorend bouwwerk minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw staat;
de gewenste openheid van de tussenruimten (tuinen) tussen het hoofdgebouw op dit perceel en die op aansluitende percelen gewaarborgd blijft;
het bijbehorend bouwwerk niet staat vóór de voorgevels van hoofdgebouwen op aansluitende percelen ‘om de hoek’.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen (stedelijk).
Dit artikel geldt voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel (erkers).
Een erker mag alleen worden gebouwd voor de voorgevel als wordt voldaan aan de volgende regels:
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied.
De bebouwde oppervlakte van overkappingen is per woning maximaal 30 m².
De bouwhoogte van een overkapping is maximaal 3 meter.
De afstand van een overkapping tot de woning is maximaal 20 meter.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied.
De bebouwde oppervlakte voor hooibergen is per woning maximaal 36 m².
De goothoogte van een hooiberg is maximaal 6 meter.
De bouwhoogte van een hooiberg is maximaal 9 meter.
De afstand van een hooiberg tot de woning is maximaal 20 meter.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied.
Dit artikel geldt voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan een overkapping of een hooiberg, voor de voorgevelrooilijn.
De bouwhoogte van een pergola is maximaal 3 meter.
De bouwhoogte van een afrastering van landbouwgronden is maximaal 1,5 meter.
De bouwhoogte van een zwembad is maximaal 0,6 meter.
De bouwhoogte van een grondgebonden zonnepaneel als bedoeld in Artikel 21.7021.153 is maximaal 1 meter.
De bouwhoogte van een vlaggenmast is maximaal 8 meter.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in het eerste tot en met zesde lid is maximaal 1 meter.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied.
Dit artikel geldt voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan een overkapping of een hooiberg, achter de voorgevelrooilijn.
De bouwhoogte van een erf- of terreinafscheiding is niet meer dan aangegeven met de omgevingsnorm Bouwhoogte erfafscheiding.
De bouwhoogte van een zwembad is maximaal 0,6 meter.
De bouwhoogte van een vlaggenmast is maximaal 8 meter.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde anders dan bedoeld in het tweedevierde of derdevijfde lid is maximaal 3 meter.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen (stedelijk).
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde anders dan pergola’s is buiten het bouwvlak maximaal 2 meter.
De bouwhoogte van pergola’s is maximaal 3 meter.
De bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen in achtererfgebied is maximaal 2 meter.
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid, is 3 meter.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen (stedelijk).
In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan wordt een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, en die betrekking heeft op een bouwwerk als bedoeld in Artikel 21.179, tweede lid dat hoger is dan 1 meter alleen verleend als de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van de aangrenzende bouwpercelen naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op het verplaatsen of herbouwen van een woning en die in strijd is met Artikel 21.7721.168 wordt verleend:
als er op enig punt aansluiting plaatsvindt ter plaatse van de bestaande funderingen (dit betekent dat de nieuwe situering van de te herbouwen woning in ieder geval dient aan te sluiten op de voormalige situering);
als niet voldaan wordt aan onderdeel a en dat vanuit oogpunt van verkeersveiligheid naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is: de woning maximaal 20 meter buiten de bestaande fundamenten wordt gesitueerd;
als de woning dichter bij de weg komt te staan: als wordt voldaan aan de standaardwaarde voor geluid van de weg op de woning voldoet aan artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
als de nieuwe situering naar het oordeel van het bevoegd gezag stedenbouwkundig en milieukundig aanvaardbaar is;
als het landelijk karakter naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast;
als de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden , waaronder in het bijzonder de belangen, bedoeld in Artikel 21.6, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad.
Als de woning dichterbij de weg komt te staan, wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerstetweede lid een akoestisch rapport overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het eerstetweede lid, aanhef en onder c.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een bouwactiviteit waarbij wordt afgeweken van Artikel 21.7621.162 wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
Bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerstetweede lid wint het bevoegd gezag advies in van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een bouwactiviteit waarbij wordt afgeweken van Artikel 21.7821.169 wordt verleend als in samenhang met het bouwen sloop plaatsvindt van legaal aanwezige gebouwen op het eigen erf, volgens de volgende beoordelingsregels:
er worden gebouwen gesloopt in het gebied Wonen - landelijk gebied;
per aantal vierkante meters gesloopte oppervlakte, minus de al toegestane 100 m2, is 20% extra bebouwde oppervlakte toegelaten;
de totale bebouwde oppervlakte is maximaal 375 m2.
Dit artikel is van toepassing n het gebied Wonen - landelijk gebied.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een bouwactiviteit waarbij wordt afgeweken van Artikel 21.8121.177 of Artikel 21.8221.178 wordt verleend als:
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen (stedelijk).
Het is verboden om, in afwijking van Artikel 21.189, zonder omgevingsvergunning een aan huis verbonden beroep of een aan huis verbonden bedrijf uit te oefenen waarbij meer dan 50 m2 vloeroppervlakte wordt gebruikt.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag:
het pand het uiterlijk van een woning blijft behouden;
het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse;
wordt voldaan aan Artikel 21.192.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen (stedelijk).
Het is verboden om, in afwijking van Artikel 21.190, zonder omgevingsvergunning een bed & breakfast te hebben met meer dan 2 gastenkamers.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
er niet meer dan 3 gastenkamers worden gerealiseerd;
de bed & breakfast is gevestigd in enkel de woning of in een bijbehorend bouwwerk;
er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de bed & breakfast plaats;
permanente bewoning of huisvesting van tijdelijke werknemers is niet toegelaten;
het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse;
wordt voldaan aan Artikel 21.192.
Dit artikel is van toepassing in het gebied Wonen - landelijk gebied.
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de situering van nieuw op te richten bebouwing. Een maatwerkvoorschrift is gericht op de bescherming van de volgende landschaps- en natuurwaarden:
landschapselementen en kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap;
landschaps- en natuurwaarden als bedoeld in Artikel 21.6;
landschappelijke waarden als bedoeld in de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied;
landschappelijke en natuurwaarden als bedoeld in de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap en natuur’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied.
TT
Het opschrift van afdeling 21.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UU
Het opschrift van paragraaf 21.7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VV
Het opschrift van artikel 21.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WW
Het opschrift van paragraaf 21.7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XX
Artikel 21.89 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of een aan huis verbonden bedrijf, waaronder internetverkoop, gelden de volgende regels:
als aan huis verbonden beroep is alleen toegelaten een beroep of het bedrijfsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, cosmetisch of hiermee gelijk te stellen gebied, daaronder niet begrepen prostitutie;
als aan huis verbonden bedrijf is alleen toegelaten het bedrijfsmatig verlenen van diensten, dan wel het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, daaronder niet begrepen prostitutie of een seksinrichting;
de activiteit past qua aard, omvang en uitstraling in de omgeving;
de eigenaar van de aan huis verbonden activiteit is ook de bewoner van de (bedrijfs)woning;
de bebouwing wordt in hoofdzaak gebruikt voor de functie die aan de locatie is toebedeeld met behulp van een gebiedsaanwijzing, en de uitoefening van het aan huis verbonden bedrijf is hieraan ondergeschikt;
het geheel blijft het uiterlijk van een (bedrijfs)woning behouden;
de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.9221.192;
maximaal 40% van de bruto vloeroppervlakte (bvo) word gebruikt tot een maximum van 50 m²;
bij een aan huis verbonden bedrijf zijn alleen activiteiten toegelaten die vallen in de categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten – functiemenging in bijlage 4V;
detailhandel is verboden, met uitzondering van internetverkoop en een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met het aan huis verbonden beroep of bedrijf.
In het gebied Wonen - landelijk gebied gebied zijn, bij het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of een aan huis verbonden bedrijf, waaronder internetverkoop, verboden:
YY
Artikel 21.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor het uitoefenen van een bed & breakfast gelden de volgende regels:
de bed & breakfast past qua aard, omvang en uitstraling in de omgeving;
de eigenaar van de bed & breakfast is ook de bewoner van de (bedrijfs)woning;
de bebouwing wordt in hoofdzaak gebruikt voor de functie die aan de locatie is toebedeeld met behulp van een gebiedsaanwijzing, en de uitoefening van de bed & breakfast is hieraan ondergeschikt;
het geheel blijft het uiterlijk van een (bedrijfs)woning behouden;
de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.9221.192;
er zijn maximaal 2 gastenkamers;
de gastenkamers hebben geen eigen kookgelegenheid;
er is een gemeenschappelijke ruimte waar de gasten een door de eigenaar bereide maaltijd (ontbijt) kunnen nuttigen;
detailhandel is verboden, met uitzondering van internetverkoop en een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de bed & breakfast.
In het gebied Wonen - landelijk gebied is, bij het uitoefenen van een bed & breakfast, opslag buiten bebouwing verboden.
ZZ
Artikel 21.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende activiteiten zijn altijd verboden:
het in gebruik geven, nemen of hebben van een bijgebouw voor permanente bewoning;
het in gebruik geven, nemen en hebben van een recreatiewoning, groepsaccommodatie, recreatieappartement, chalet, mobiele kampeervoertuigen of bijgebouw ten behoeve van permanente bewoning;
het gebruik van gronden en bouwwerken voor het opslaan, storten of lozen van materialen anders dan het gebruik toestaat;
het opslaan van materialen en goederen in de open lucht buiten het bouwvlak;
het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting;
het gebruiken van gronden voor teeltondersteunende voorzieningen voor pot- en containerteelt in:
grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening;
gebieden waar Artikel 21.6421.68 van toepassing is; en
gebieden met de bestemming ‘Waarde – Beschermingszone natte natuurparel’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied;
het gebruiken van gronden voor tuinbouw met open grondteelt, fruitteelt of boomkwekerijen, waarbij bestrijdingsmiddelen worden ingezet op de volgende locaties:
grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening;
gebieden waar artikel Artikel 21.6421.68 van toepassing is;
gebieden met de bestemming ‘Waarde – Beschermingszone natte natuurparel’ als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied;
een zone van 50 meter rondom de locaties waar Artikel 21.6921.152 van toepassing is;
een zone van 50 meter rondom woonbestemmingen als bedoeld in het bestemmingsplan Landelijk gebied.
het gebruiken van gronden voor een grondgebonden zonnepaneel of een windturbine, behalve waar dit uitdrukkelijk is toegelaten op grond van dit hoofdstuk.
AAA
Het opschrift van artikel 21.92 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBB
Artikel 21.93 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing bij het uitoefenen van een aan huis verbonden bedrijf als bedoeld in Artikel 21.8921.189.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning bij een aan huis verbonden bedrijf een activiteit te verrichten die valt in categorie B van de bij de regels behorende Bijlage 4VII.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
wordt voldaan aan Artikel 21.189 (met uitzondering van het eerste lid, onder j);
het geen activiteiten betreft die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
naar het oordeel van het bevoegd gezag uit milieuoogpunt geen bezwaar bestaat tegen de vestiging van het bedrijf, waarbij in het bijzonder van belang is of wordt voldaan aan de regels van afdeling 22.3;
de activiteit naar het oordeel van het bevoegd gezag qua aard, omvang en uitstraling past in de omgeving, mede gelet op de stedenbouwkundige kwaliteit;
naar het oordeel van het bevoegd gezag uit milieuoogpunt geen bezwaar bestaat tegen de vestiging van het bedrijf;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
de activiteit aantoonbaar niet leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.
Met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b wordt in elk geval voldaan aan de regels van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan en wordt de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht genomen.
CCC
Artikel 21.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een camperovernachtingsplaats.
Een omgevingsvergunning bedoeld als in het eerste lid wordt verleend als:
het aantal camperplekken niet minder is dan 2 en niet meer is dan 8;
het terrein eenvoudig is ingericht, zonder de extra faciliteiten van een camping;
er tenminste stroom, water, vuilwaterafvoer en chemisch toiletafvoer aanwezig zijn;
de verblijfsduur maximaal 72 uur aaneengesloten is;
de voorziening het gehele jaar open is;
de locatie goed bereikbaar is;
het terrein alleen toegankelijk is voor camper(bezitter)s;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
het verlenen van de vergunning naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk en niet sociaal controleerbaar is;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefmilieu van de omgeving;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse;
voor wat betreft parkeren wordt voldaan aan Artikel 21.9221.192;
de grenswaarde voor plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 5.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in acht worden genomen;
voldaan wordt aan de regels van afdeling 22.3.
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over:
DDD
Artikel 21.95 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden buiten een bouwvlak te gebruiken voor een grondgebonden zonne-installatie.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid voor een zonne-installatie in het gebied Agrarisch - landelijk gebied, ten dienste van een agrarisch bedrijf, wordt verleend als:
de zonne-installatie wordt geplaatst op een locatie buiten het bouwvlak die zoveel mogelijk direct grenst aan het bouwvlak;
wordt voldaan aan het vijfde lid.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid voor een zonne-installatie in het gebied Agrarisch - landelijk gebied, ten dienste van een particulier of onderneming in het gebied Wonen - landelijk gebied of Bedrijf (landelijk gebied), wordt verleend als:
de zonne-installatie wordt geplaatst op een locatie die zoveel mogelijk direct grenst aan dat gebied;
wordt voldaan aan het vijfde lid.
[Gereserveerd]
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid in het gebied Natuur wordt verleend als:
de zonne-installatie wordt geplaatst op een locatie die zoveel mogelijk direct grenst aan een bouwvlak in het gebied Agrarisch - landelijk gebied dan wel aan de grens van een van de gebieden Agrarisch - landelijk gebied, Bedrijf (landelijk gebied) of Wonen - landelijk gebied;
wordt voldaan aan het zesde lid.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als:
de installatie ten dienste staat van een woning of bedrijfswoning die of een bedrijfsgebouw dat is toegelaten in een van de gebieden Agrarisch - landelijk gebied, BedrijfWonen - landelijk gebied of WonenBedrijf (landelijk gebied);
de aanwezige daken van woning(en) en (bedrijfs)gebouwen zijn door vorm, constructie, monumentale waarde, afmeting of oriëntatie naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende geschikt om zonnepanelen op te bevestigen, of deze ruimte is al benut;
de installatie bedoeld is voor de eigen energievoorziening;
de gezamenlijke oppervlakte van zonne-installaties niet meer is dan 100 m2 vergunninghouder;
de bouwhoogte van de installatie is maximaal 3 meter;
de zonne-installaties staan op een afstand van minimaal 10 meter tot waterlopen en openbaar toegankelijk gebied;
de geschatte opbrengst in kilowattuur niet meer is dan ten hoogste het eigen geschatte verbruik van gebouwen, bedoeld in onderdeel a;
er voor de installatie geen bomen worden gekapt;
de belangen van de in de omgeving aanwezige functies en waarden worden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig geschaad;
de milieusituatie naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig wordt aangetast;
naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting optreedt van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als, bedoeld in de provinciale omgevingsverordeningArtikel 21.6;
het terrein waarop de zonne-installaties staan, wordt voorzien van een goede landschappelijke inpassing die naar het oordeel van het bevoegd gezag meerwaarde heeft voor de biodiversiteit;
voor zover sprake is van liggend grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden.
In aanvulling op het vijfde lid wordt, in het gebied Agrarisch met waarden - Landschap en natuur een omgevingsvergunning alleen verleend als uit onderzoek blijkt dat er geen schade optreedt aan de aanwezige flora en fauna.
EEE
Na artikel 21.95 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
In het gebied Plangebied Heisterboomsdijk 20-22 Halle wordt:
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, heeft alleen betrekking op de deellocaties zoals vermeld in bijlage Verkennend bodemonderzoek Heisterboomsdijk 20-22 Halle d.d. 17 mei 2024 nr. MM24069.
Als uit het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, blijkt dat er sprake is van verontreiniging van de bodem dan wordt deze locatie gesaneerd (volledige verwijdering).
Er moet worden onderbouwd, conform de NEN 5725, dat het puingranulaat (boring C01) niet verdacht is op asbest. Blijkt uit dit vooronderzoek dat er wel sprake is van een kans op het voorkomen van asbest dan moet dit puingranulaat onderzocht worden conform de NEN5798;
Als uit het onderzoek, bedoeld in het vierde lid, blijkt dat er sprake is van verontreiniging van de bodem en er sprake is van humaan risico (asbestgehalte >100 mg/kg d.s. en/of respirabele vezels >10 mg/kg d.s.) dan wordt deze locatie gesaneerd.
Op de locatie van de voormalige ondergrondse tanks (boringen C01, C02 en C03 vermeld in bijlage Verkennend bodemonderzoek Heisterboomsdijk 20-22 Halle d.d. 17 mei 2024 nr. MM24069) wordt een bodemsanering uitgevoerd waarbij moet worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving voor het onderdeel saneren van de bodem.
Doelstelling van de sanering, bedoeld in het zesde lid, is dat, voor wat betreft de grond, deze voldoet aan de voorwaarden van het Besluit activiteiten leefomgeving (o.a. terugsaneerwaarde = minimaal klasse wonen) en de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland (alleen saneringsvariant verwijderen in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving is toegestaan).
Met betrekking tot de sanering, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het grondwater dat na sanering de gehalten in het grondwater niet mogen leiden tot humaan risico (getoetst volgens de module bouwen op verontreinigde grond (Concrit) van de Risicotoolbox van het RIVM) zoals die gold op het moment van kracht worden van deze regel.
Als de gehalten in het grondwater na de sanering, bedoeld in het zesde lid, de gehalten voor humaan risico overschrijden, dan wordt met een binnenluchtmeting (conform de Richtlijn voor luchtmetingen voor de risicobeoordeling van bodemverontreiniging van het RIVM) nagegaan of er noodzaak is voor aanvullende grondwatersanering.
In het gebied Plangebied Heurneweg 2-4 Halle is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.5, Artikel 21.53 en Artikel 21.153 alleen toegelaten als de landschapsmaatregelen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassing Heurneweg 2-4 Halle. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
In het gebied Plangebied Prinsenmaatweg 12 Rha is het gebruik van de gronden overeenkomstig Artikel 21.5 en Artikel 21.153 alleen toegelaten als de landschapsmaatregelen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals opgenomen in bijlage Landschappelijk inrichtingsplan Prinsenmaatweg 10 Rha. Deze verplichting geldt vanaf één jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze planregel op die locatie van toepassing is geworden.
FFF
Het opschrift van paragraaf 21.7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGG
Het opschrift van artikel 21.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHH
Na artikel 21.96 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Dit artikel geldt in de gebieden Agrarisch - stedelijk gebied, Maatschappelijk , Verblijfsrecreatie, Wonen.
Het is verboden ondergronds te bouwen op een locatie die is gelegen op meer dan 1 meter buiten bovengrondse gebouwen.
Een ondergronds gebouw heeft maximaal één bouwlaag ondergronds.
III
Artikel 21.97 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het gebied Laagvliegroute geldt een laagvliegroute voor straaljagers en is geen bebouwing hoger dan 40 meter toegestaantoegelaten.
JJJ
Het opschrift van artikel 21.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKK
Artikel 21.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel geldt in de gebieden Agrarisch, Bedrijf en Wonen.
Dit artikel geldt in de gebieden Agrarisch - landelijk gebied, Bedrijf (landelijk gebied), Recreatiewoning, Verblijfsrecreatie, Water en Wonen - landelijk gebied.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een bouwwerk waarvan de maten afwijken van de regels in Afdeling 21.2, Afdeling 21.4, Afdeling 21.9, Afdeling 21.11, Afdeling 21.13 of Afdeling 21.621.16 wordt verleend als:
de afwijking niet meer is dan 10% van de genoemde maten;
als de afwijking betrekking heeft op een bouwwerk voor een milieubelastende activiteit: bij het gebruik van dat bouwwerk wordt voldaan aan afdeling 22.3; en
wordt voldaan aan het derde lid.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste tweede lid wordt alleen verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag:
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld;
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie;
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeersveiligheid;
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
geen onevenredige aantasting optreedt van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening;
geen onevenredige aantasting optreedt van de belangen, bedoeld in Artikel 21.6 ;
sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
voor zover er sprake is van ligging in of grenzen aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden.
In aanvulling op het derde lid afwijking van het tweede lid wordt een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit met betrekking tot een (bedrijfswoning) alleen verleend als dat naar het oordeel van het bevoegd gezag is aangewezen / noodzakelijk is met het oog op:
LLL
Artikel 21.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.9921.202 een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.9921.202, derde lid, aanhef en onder f.
MMM
Artikel 21.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel geldt in de gebieden Agrarisch - landelijk gebied, Bedrijf (landelijk gebied) en Verblijfsrecreatie
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op de herbouw van een bedrijfswoning wordt verleend als toegelaten als:
de bedrijfswoning is gebouwd in overeenstemming met de regels van dit omgevingsplan of een onherroepelijke omgevingsvergunning om af te wijken van de regels van dit omgevingsplan;
herbouw plaatsvindt op de bestaande bouwwijze;
de bedrijfswoning niet dichter bij de weg wordt gebouwd;
de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden , waaronder in het bijzonder de belangen, bedoeld in Artikel 21.6, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden geschaad.
Als in de gebieden Agrarisch - landelijk gebied en Verblijfsrecreatie de bedrijfswoning dichter bij de weg wordt gebouwd, wordt, in afwijking van het tweede lid, aanhef en onder c, de omgevingsvergunning verleend als het geluid van de weg op de bedrijfswoning voldoet aan de standaardwaarde voor dat geluid, bedoeld in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving en naar het oordeel van het bevoegd gezag:
de nieuwe situering van de bedrijfswoning stedenbouwkundig, milieukundig en vanuit oogpunt van verkeersveiligheid aanvaardbaar is;
het landelijk karakter door de herbouw niet onevenredig wordt aangetast.
NNN
Na artikel 21.101 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Dit artikel geldt in het gebied Molenbiotoop.
De bepalingen in dit artikel over de hoogte van bouwwerken gelden in aanvulling op overige bepalingen daarover in dit omgevingsplan. Bij strijdigheid gaat dit artikel voor.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt geweigerd als:
in het gebied, gelegen binnen 100 meter rond de molen, het bouwwerk hoger is dan de onderste punt van de verticaal staande wiek, tenzij wordt voldaan aan het vijfde lid;
in het gebied, gelegen tussen 100 en 400 meter rond de molen, het bouwwerk hoger is dan 1/100 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen, gerekend van de onderste punt van de verticale staande wiek, tenzij wordt voldaan aan het vierde lid.
In afwijking van het derde lid wordt de omgevingsvergunning verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag, ondanks de grotere hoogte:
OOO
Artikel 21.102 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 22.35 worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.10121.204, derde lid een akoestisch onderzoek verstrekt met het oog op de daar bedoelde beoordeling.
PPP
Artikel 21.103 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een
In het gebied Agrarisch - landelijk gebied wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een windturbine voor de eigen energievoorziening van een Agrarischagrarisch bedrijf wordt verleend als:
de aanvraag betrekking heeft op een windturbine die op de grond bevestigd is en een ashoogte heeft van maximaal 25 meter (‘kleine windturbine’), of een windturbine die op een gebouw wordt geplaatst met een maximale hoogte van 3 meter gemeten vanaf het dakvlak (‘mini-windturbine’);
de windturbine wordt gerealiseerd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel22.26 die betrekking heeft op een windturbine voor de eigen energievoorziening van een onderneming op een locatie in het gebied Bedrijf (landelijk gebied), wordt verleend als:
de aanvraag betrekking heeft op een windturbine die op de grond bevestigd is en een ashoogte heeft van maximaal 25 meter (‘kleine windturbine’), of een windturbine die op een gebouw wordt geplaatst met een maximale hoogte van 3 meter gemeten vanaf het dakvlak (‘mini-windturbine’);
de windturbine wordt gerealiseerd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een windturbine voor de eigen energievoorziening van een particulier of onderneming in het gebied Overige toegelaten locaties windturbines, wordt verleend als:
de aanvraag betrekking heeft op een windturbine die op de grond bevestigd is en een ashoogte heeft van maximaal 25 meter (‘kleine windturbine’), of een windturbine die op een gebouw wordt geplaatst met een maximale hoogte van 3 meter gemeten vanaf het dakvlak (‘mini-windturbine’);
de windturbine wordt gerealiseerd:
in het gebied Overige toegelaten locaties windturbines; of
als realisatie in dat gebied naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet kan worden gevergd: in het gebied Agrarisch, op een afstand van niet meer dan 100 meter van de (bedrijfs)woning(en) of, als geen woning aanwezig, de bebouwing van de vergunninghouder in het gebied Overige toegelaten locaties windturbines;
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op een windturbine als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid wordt alleen verleend als:
per vergunninghouder niet meer dan twee kleine windturbines worden geplaatst;
de activiteit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van de waarden en belangen in de omgeving;
de afstand tussen de windturbine en de aanduiding ‘hartlijn leiding-gas’ niet minder is dan de ashoogte van de windturbine plus 1/3 van de wieklengte;
er dient een vrije ruimte aangehouden te worden die minimaal gelijk of groter is dan de maximale werpafstand bij nominaal toerental, of indien deze groter is ashoogte plus 1/2 rotordiameter, van de betreffende windturbine, tenzij de netbeheerder instemt met een kortere afstand;
de afstand tussen de windturbine en de aanduiding ‘hartlijn leiding-hoogspanningsverbinding’ niet minder is dan de ashoogte van de windturbine plus de wieklengte daarvan, waarbij de afstand die volgt uit onderdeel d doorslaggevend is;
nadelige effecten op vleermuizen en vogels naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn uitgesloten;
de afstand tussen een windturbine buiten het bouwvlak en het dichtstbijzijnde erf van derden niet minder is dan 100 meter;
naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting optreedt van de belangen van instandhouding van landschapselementen en de bescherming van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Graafschap als, bedoeld in de provinciale omgevingsverordeningArtikel 21.6;
voor zover sprake is van liggend grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap: er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden.
Voor zover niet wordt voldaan aan het vierde lid, aanhef en onder c of e wordt de vergunning alleen verleend als het plaatsgebonden risico niet toeneemt.
In aanvulling op het vierde lid wordt een omgevingsvergunning in het gebied Agrarisch - landelijk gebied, voor zover sprake is van liggend grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap, alleen verleend als er naar het oordeel van het bevoegd gezag geen significante effecten optreden voor deze gebieden.
In aanvulling op het vierde lid wordt een omgevingsvergunning in het gebied Agrarisch met waarden (landelijk gebied), voor zover sprake is van liggend grenzend aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of het waardevol landschap, alleen verleend als de aanwezige kernkwaliteiten van het GNN en GO per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt, waarbij de samenhang niet verloren gaat.
QQQ
Artikel 21.104 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 22.35 worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.10321.207 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een quickscan flora en fauna met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.10321.207, vierde lid, aanhef en onder f;
een risico-onderzoek met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.10321.207, vijfde lid.
RRR
Artikel 21.105 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het bevoegd gezag wint advies in van de betrokken leidingbeheerder met het oog op de beoordeling als bedoeld in Artikel 21.10321.207.
SSS
Artikel 21.106 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woning te splitsen als dat ertoe leidt dat meer woningen worden gerealiseerd dan is toegelaten op grond van Artikel 21.7621.162.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
de woningsplitsing zich beperkt tot het eenmalig creëren van één extra woning binnen de contouren van een hoofdgebouw, waar al een verblijfsobject met een woonfunctie aanwezig is;
de gezamenlijke inhoud van de twee woningen na splitsing niet meer is dan 750 m³ (als het bestaande hoofdgebouw een grotere inhoud heeft dan 750 m³ geldt deze grotere inhoud als maximum);
waardevolle bouwvormen en karakteristieke elementen van een gemeentelijk of rijksmonument en eventuele (monumentale) bijgebouwen gehandhaafd blijven;
woningsplitsing naar het oordeel van het bevoegd gezag niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- of leefklimaat en van de in de omgeving aanwezige functies en waarden;
er naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
er wordt voldaan aan de voorwaarden zoals deze zijn opgenomen in de Woonvisie 2019 – 2025 zoals deze luidt op het moment dat de vergunning wordt verleend.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder f.
Aan de omgevingsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat elke woning na splitsing recht heeft op 100 m² aan bijgebouwen en dat het meerdere wordt gesloopt. Voor zover bij recht een grotere oppervlakte is toegestaantoegelaten op grond van het omgevingsplan wordt die oppervlakte in het voorschrift opgenomen.
De oppervlakte, bedoeld in het vierde lid is inclusief de oppervlakte van eventuele feitelijk aanwezige monumentale en/of karakteristieke bijgebouwen. Sloop van monumentale en/of karakteristieke bijgebouwen is niet toegelaten.
TTT
Het opschrift van artikel 21.107 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUU
Na paragraaf 21.7.3 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
In het gebied Molenbiotoop is het verboden zonder omgevingsvergunning beplanting te planten of in stand te houden met een uitgroeihoogte die meer is dan de hoogte, bedoeld in Artikel 21.138, derde lid.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag, ondanks de grotere hoogte:
VVV
Het opschrift van afdeling 21.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWW
Het opschrift van paragraaf 21.8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXX
Het opschrift van artikel 21.108 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYY
Het opschrift van paragraaf 21.8.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZ
Het opschrift van artikel 21.109 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAA
Het opschrift van paragraaf 21.8.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBB
Het opschrift van artikel 21.110 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCC
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:
bouwwerk, anders dan een mestopslagplaats, voor het opslaan van agrarische producten ten behoeve van de veehouderij en/of kuilvoer
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, dan wel het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten, dat door zijn beperkte omvang in een woning, in bijbehorende bouwwerken en de bij de woning behorende gronden, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend
bijbehorend gebouw dat als afzonderlijke ruimte aan het hoofdgebouw is aangebouwd, dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw.
locatie die in bestemmingsplan Landelijk gebied is voorzien van de aanduiding ‘hartlijn leiding – gas’
locatie die in bestemmingsplan Landelijk gebied is voorzien van de aanduiding ‘hartlijn leiding – hoogspanningsverbinding
woning die deel uitmaakt van bebouwing die wordt gekenmerkt door een rij van minimaal drie aan elkaar gebouwde woningen’
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het aanwezig zijn van bijzondere aardkundige verschijnselen, zoals steilranden en bodemtypen
achtererfgebied als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
horecabedrijf dat ook is gericht op de verkoop van ter plaatse bereide etenswaren voor het nuttigen elders
bedrijf dat is gericht op agrarische activiteiten
voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren en/of telen van gewassen
ammoniakbuffergebied als bedoeld in de Omgevingsverordening Gelderland.
werken en werkzaamheden anders dan het bouwen van bouwwerken
regionaal (beleids)archeoloog of een andere door het bevoegd gezag aangewezendeskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg
onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of geofysisch onderzoek en/of graven en/of begeleiden) verricht door een dienst, bedrijf of instelling die beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet
aan gebieden toegekende waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd
een kleinschalige vorm van logiesaccommodatie, waarbij één of meerdere gastenkamers aanwezig zijn
het via een bedrijf/stichting of ander rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/exploitatie, dat de recreatieverblijven daadwerkelijk worden gebruikt voor recreatieve doeleinden en waarbij tevens sprake is van verhuur van de recreatieverblijven ten behoeve van een wisselend gebruik
woning, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is
onderste bouwlaag van een gebouw anders dan een kelder
rijksbeschermd dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet of een beschermd dorpsgezicht dat als zodanig is aangewezen in dit omgevingsplan
rijksbeschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet of een beschermd stadsgezicht dat als zodanig is aangewezen in dit omgevingsplan
de oppervlakte van het bouwvlak op het tijdstip dat dit omgevingsplan voor de desbetreffende locatie van kracht wordt
een bouwwerk dat legaal aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, op het tijdstip dat dit omgevingsplan voor de desbetreffende locatie van kracht wordt;
het legale gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip dat dit omgevingsplan voor de desbetreffende locatie van kracht wordt;
een van de bestemmingsplannen zoals opgenomen in bijlage 1IV die van toepassing zijn als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.1
middel dat wordt gebruikt om parasieten, onkruiden, schimmels en ongedierten in de land- en tuinbouw te bestrijden
bijbehorend bouwwerk als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving
bijbehorend bouwwerk dat een gebouw is
bijbehorend gebouw dat ten dienste staat van een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw al dan niet aan het hoofdgebouw gebonden, zoals een berging, hobbyruimte, dierenverblijf of garagebox en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw
het telen van laan- en sierbomen, vruchtbomen en/of heesters
bijzondere recreatiewoning die door vorm en hoogte gelijkenis vertoont met een boom en zich hierdoor onderscheidt van andere recreatiewoningen.
terrein waarop bosbouw wordt uitgeoefend, zijnde het geheel van bedrijfsmatig handelen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van (één of meerdere van de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu (waaronder begrepen waterhuishouding) en recreatie
bouwen als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet
grens van een bouwvlak
aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten
grens van een bouwperceel
aaneengesloten geometrisch bepaald vlak dat onderdeel is van het gebied ‘bouwvlakken’
bouwwerk als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet
wijze van bouwen van een hoofdgebouw, te onderscheiden in vrijstaande woningen, twee-aaneengebouwde woningen, aaneengebouwde woningen en gestapelde woningen
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
horecabedrijf anders dan een discotheek of bar-dancing dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenfunctie het verstrekken van kleinere etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid
parkeerplaats op particulier terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht met voorzieningen, die een goede en stevige ondergrond biedt voor een kampeerauto (camper) en die gedurende een beperkt aantal nachten wordt gebruikt als verblijfsplaats
niet-omgevingsvergunningplichtige ruimte die geen gebouw is(waaronder een stacaravan), in de vorm van een aanhangwagen, gefabriceerd, ingericht en bedoeld voor het genieten van recreatief verblijf elders en bedoeld om achter een personenauto te worden voortbewogen
permanent aanwezig gebouw, anders dan een recreatiewoning of stacaravan, in één bouwlaag, bedoeld om gedurende een gedeelte van het jaar, uitsluitend voor recreatieve doeleinden, bewoond te worden, uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft.
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
bedrijf(sgedeelte), gericht op het bedrijfsmatig bieden van gelegenheid tot het houden van onder andere (informatie- en andere) bijeenkomsten, vergaderingen, congressen en conferenties met ondergeschikt de daarbij behorende voorzieningen
onderneming, gericht op het bedrijfsmatig bieden van gelegenheid tot het houden van onder andere (informatie- en andere) bijeenkomsten, vergaderingen, congressen, conferenties en recepties, met ondergeschikt de daarbij behorende voorzieningen
bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op cultuur en ontspanning, zoals concerten, evenementen en tentoonstellingen, met uitzondering van een bordeel, casino, (raam)prostitutie en seksinrichting
De aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt
gast of bezoeker van de verblijfsrecreatieve voorziening die daar niet overnacht
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waarbij een showroom en/of verkoopruimte ter plaatse aanwezig is; horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen
het verkopen van producten, die door het toegelaten bedrijf zijn voortgebracht, geteeld of vervaardigd
het verkopen van plaatselijk gekweekte of vervaardigde producten op een agrarisch bedrijf, al dan niet in combinatie met een nevenfunctie, aan personen die deze producten kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
detailhandel in auto's, boten, caravans, grove bouwmaterialen, keukens, sanitair en woninginrichting waaronder meubels
dienstverlening door een bedrijf met uitsluitend of in hoofdzaak een verzorgende taak met een publieksgerichte functie zoals wasserette, kapsalon, schoonheidssalon, autorijschool, videotheek, uitzendbureau, reisbureau, bank, postkantoor, makelaarskantoor, fotoatelier (inclusief ontwikkelen), kopieerservicebedrijf, schoenreparatiebedrijf, reparatiebedrijf voor muziekinstrumenten, cateringbedrijf, alsmede naar aard en uitstraling overeenkomstige bedrijven
omzetten van de grond, gemeten vanaf peil met een diepte van minimaal 0,80 m, ten behoeve van het agrarisch gebruik
horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij het doen beluisteren van (overwegend mechanische) muziek en het gelegenheid geven tot dansen een wezenlijk onderdeel vormt
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
het overbrengen of verkrijgen van informatie in al dan niet opvoedkundige of onderwijskundige zin in die strekt ter verwerving van kennis
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en op grond van het omgevingsplan ook zo mag worden ingericht.
Wet van 9 december 2015, Stb. 2015, 511, houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed
terrein dat wordt gebruikt voor jaarlijks terugkerende één- of meerdaagse festiviteiten met bijbehorende voorzieningen, zoals parkeerplaatsen en tijdelijke bouwwerken
gebruik van grond als schraal grasland of graanakker (m.u.v. mais)
recreatieve activiteiten die gericht zijn op het beleven van natuur en landschap in de buitenlucht waarbij minimale impact op de omgeving wordt nagestreefd en de recreatieactiviteiten ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie van het gebied. Deze activiteiten omvatten routegebonden activiteiten zoals wandelen en fietsen en plaatsgebonden activiteiten zoals sportvissen, vinden plaats zonder geluidsoverlast en kunnen mogelijk worden ondersteund door passende voorzieningen zoals picknickplaatsen en bewegwijzering. Het behoud en de bescherming van natuur en landschap staan centraal bij extensief recreatief medegebruik.
ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt
aaneengesloten vlak dat is geannoteerd met dezelfde gebiedsaanwijzing van het type functie
(culturele) voorziening ten behoeve van het tentoonstellen en het verkopen van kunst
gebiedsgebonden bedrijven zijn bedrijven die vanuit de aard van de bedrijfsvoering alleen geplaatst kunnen worden in (delen van) het buitengebied, omdat ze er een nauwe economische relatie mee hebben. Ook agrarisch verwante bedrijven horen hieronder, zoals loonwerkers, grondverzetbedrijven, veevoederbedrijven, landbouwmechanisatiebedrijven en hoveniers
gebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving
Gelders natuurnetwerk als bedoeld in de Omgevingsverordening Gelderland.
woning die deel uitmaakt van één gebouw waarin meerdere woningen, boven en/of naast elkaar zijn ondergebracht.
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
woningen met bijbehorende erven alsmede scholen, crèches en kinderopvangplaatsen met bijbehorende buitenspeelruimten, conform het voorzorgsbeleid
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
agrarisch bedrijf waarbij het telen van gewassen in kassen plaatsvindt
Groene Ontwikkelingszone als bedoeld in de Omgevingsverordening Gelderland
permanent aanwezig gebouw, anders dan een stacaravan of trekkershut , bedoeld om uitsluitend door minimaal 12 personen, die het hoofdverblijf elders hebben, gedurende een gedeelte van het jaar uitsluitend te worden bewoond in het kader van weekend- en/of verblijfsrecreatie
tijdelijk kamperen, buiten specifiek daarvoor ingerichte en/of geëxploiteerde kampeerterreinen, in groepsverband ten behoeve van eigen doeleinden door groepen of verenigingen met doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard, gedurende een korte, aaneengesloten periode
grondgebonden veehouderijbedrijf melkveehouderijbedrijf dat beschikt over voldoende cultuurgrond om de dieren op het eigen bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen voor meer dan 50 procent van het benodigde voer te voorzien
agrarisch bedrijf, anders dan een grondgebonden veehouderijbedrijf, dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten waarbij de productie voor meer dan 50 procent afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen kan beschikken
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit
met de hand verwijderen van (her)bruikbare materialen uit verontreinigde grond/materie
een activiteit waarvoor het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt volgens de regels in dit omgevingsplan over toegelaten activiteiten waaraan de gebiedsaanwijzing ‘functie’ is toegekend.
hoofdgebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving
vrijstaand bouwwerk, geen gebouw zijnde waarvan de constructie bestaat uit tenminste één tot zeven palen en dat een verstelbaar dak kan hebben, dat dan langs de palen op en neer kan bewegen, en geen dichte wanden heeft
bedrijf, gericht op het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bieden van nachtverblijf
horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse en/of de verhuur van een zaalruimte voor feesten en partijen
het voortbrengen van hout op bedrijfsmatige wijze door een mede daarop afgestemd duurzaam beheer van bos
bedrijf gericht op het kweken en verkopen van planten en siergewassen en het aanleggen en onderhouden van tuinen en andere groenvoorzieningen
één of meer personen die sociaal en economisch een eenheid vormen
specifieke vorm van detilhandel, waarbij
de te verkopen goederen uitsluitend via internet worden getoond en aangeboden;
de transactie via internet tot stand komt;
opslag van goederen plaatsvindt (op de bedrijfslocatie zelf of elders);
op de bedrijfslocatie geen sprake is van enige fysieke vorm van uitstalling ter verkoop, een showroom, of van verkoop, betaling en/of het afhalen van goederen; én
de uitlevering van verkochte goederen aan kopers geschiedt per post of bezorgdienst
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
terreingedeelte van een camping dat bedoeld is voor het plaatsen van een kampeermiddel dat gedurende het hele jaar aanwezig mag zijn, alsmede voor exclusief gebruik door de gebruikers van dat kampeermiddel
haven met de daarbij behorende grond waar overwegend gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van recreatie- of pleziervaartuigen
tent, tentwagen, kampeerauto of caravan of een ander onderkomen of voertuig of gewezen voertuig of gedeelten daarvan dat kennelijk bedoeld is om daarin te overnachten, voor zover dat geen bouwwerk is
periode tussen 15 maart en 31 oktober
verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard zonder baliefunctie
agrarisch gebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas en ander lichtdoorlatend materiaal
kringlooplandbouw is een vorm van duurzame landbouw waarbij de kringloop van stoffen gesloten is. Dit houdt in dat alle stoffen die door de landbouw uit een gebied verdwijnen ook weer teruggebracht worden in het gebied.
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal zijn afgestemd op bestaande of nog te ontwikkelen ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische landschapskwaliteiten
aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur
bedrijf dat – voornamelijk met behulp van verplaatsbare werktuigen – diensten verleent aan agrarische bedrijven, hetzij in verband met de bodemcultuur, hetzij ter uitvoering van grondwerkzaamheden waarbij beperkte grondopslag op het bedrijfsterrein mogelijk is
voorzieningen ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, onderwijs met bijbehorende sport- en gymnastieklokalen, (kinder)dagopvang, opvoeding, cultuur, lichamelijke en/of geestelijke volksgezondheid
gebruiksgerichte, dienstverlenende paarden- en ponyhouderij waarbij het doel is het geven van gelegenheid om met paarden en/of pony's binnen en/of buiten het betreffende perceel te rijden en het daaruit genereren van inkomsten
technische handelingen met mest waaruit mestproducten voortkomen die in de Nederlandse landbouw worden afgezet met een hogere acceptatiegraad dan normale drijfmest (voorbeelden: mestscheiding en mestvergisting)
bouwwerk waar mestopslag plaatsvindt van één of meerdere agrarische bedrijven
installatie voor de opwekking van energie door middel van vergisting van mest of andere organische producten
technische handelingen met mest waaruit producten voortkomen die buiten de Nederlandse landbouw worden afgezet (bijvoorbeeld mestverbranding, productie van mestkorrels ten behoeve van export of afzet via tuincentra)
tentwagen, kampeerauto of caravan (anders dan een stacaravan), die uitsluitend gedurende een gedeelte van het jaar wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden, door een huishouden (of daarmee gelijk te stellen groep van personen) dat het hoofdverblijf elders heeft
monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet
een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse en/of de verhuur van een zaalruimte voor feesten en partijen.
bos en/of natuurterrein waar de kwaliteit van dit terrein vraagt om een goede grondwatersituatie en eventueel een kwelstroom van voldoende mate van kwaliteit
vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 en/of artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming; of
omgevingsvergunning die met toepassing van hoofdstuk IX van de Natuurbeschermingswet 1998 dan wel onder toepassing van artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht juncto artikel 2.1, eerste lid, onder i van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend;
omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Omgevingswet.
aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
activiteit die in ruimtelijke en bedrijfseconomische zin ondergeschikt is aan de hoofdfunctie
veehouderijbedrijf waarvan de agrarische productie voor het grootste deel afkomstig is uit de niet-grondgebonden veehouderijtak(ken)
onderdeel van een agrarisch bedrijf dat beschikt over onvoldoende cultuurgrond om de dieren op het eigen bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen voor meer dan 50 procent van het benodigde voer te voorzien
voorziening ten behoeve van het openbaar nut zoals een transformatorhuisje, gasreduceerstation, schakelhuisje, bemalinginstallatie, gemaalgebouwtje, laadpaal, voorziening ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling of apparatuur voor telecommunicatie
omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet;
omgevingsverordening van de provincie Gelderland
ondergeschikte delen aan een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte dakopbouwen
bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten het gebouw uitsteken, zoals schoorstenen, windvanen, dak overstekken (<1 m), balkons (<5 m²), erkers (< 7 m³), dakkapellen (<7 m³) en liftschachten
onder peil
horecavoorziening op een locatie waar de hoofdfunctie een andere is dan horeca, maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren
ontgrondingenactiviteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet
weg als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer
bouwwerk, geen gebouw zijnde met één dakvlak en maximaal één gesloten wand
voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang aan een weg grenst, waarbij het gebouw op een afstand van niet meer dan 20 meter van die weg is gelegen: maximaal 35 cm boven de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
in andere gevallen bij een gebouw: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein;
voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het bouwwerk grenzende terrein
bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat bestaat uit een open constructie van twee of meer palen die onderling met elkaar verbonden zijn
gebruik van (een deel van) een gebouw als hoofdwoonverblijf
een voormalige agrarische bedrijfswoning die bewoond wordt door derden, die geen functionele binding hebben met het agrarisch bedrijf dat op die locatie is toegelaten
een recreatiewoning die deel uitmaakt van één gebouw waarin meerdere recreatiewoningen boven en/of naast elkaar zijn ondergebracht
permanent aanwezig gebouw, anders dan een chalet of stacaravan, dat bedoeld is om gedurende een gedeelte van het jaar, uitsluitend voor recreatieve doeleinden, bewoond te worden uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft
agrarisch bedrijf met een zodanige omvang en/of structuur dat redelijkerwijs verwacht mag worden, dan wel aantoonbaar is, dat tenminste één persoon minimaal een halve tot volledige dagtaak heeft met het beheer van het bedrijf, de verzorging van het vee en de bewerking van het land
rijstrook als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling
voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf
voorziening voor het uitoefenen van culturele, sociale of levensbeschouwelijke activiteiten
sociale koopwoning als bedoeld in artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving
bouwwerk, geen gebouw zijnde voor de opslag voor mest dat een grotere hoogte dan diameter heeft, met een maximale diameter van 4 meter
caravan of soortgelijk onderkomen op wielen dat mede gelet op de afmetingen niet bedoeld is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen over grote afstanden als aanhangsel van een auto te worden voortbewogen, dat bedoeld is om gedurende een gedeelte van het jaar te worden bewoond, uitsluitend voor recreatieve doeleinden, uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft
detailhandelsbedrijf met een winkelvloeroppervlak van meer dan 500 m² en een grote verscheidenheid aan artikelen, merendeels levensmiddelen, waarbij sprake is van zelfbediening door de klanten
kas waarin producten worden geteeld die een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale agrarische bedrijfsactiviteit
ondersteunende voorziening ten behoeve van vollegronds groente-, fruit-, bloemen-, en boomteelt
tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet
gebouw met een eenvoudige constructie en zonder sanitaire voorzieningen, uitsluitend bedoeld voor recreatief nachtverblijf
bedrijf dat is gericht op het telen en voornamelijk verkopen van planten en siergewassen en het verkopen en leveren van andere goederen en materialen voor het aanleggen, onderhouden en verfraaien van tuinen
woning die deel uitmaakt van bebouwing die wordt gekenmerkt door een blok van twee aan elkaar gebouwde woningen
bijbehorend gebouw dat is gebouwd als vergroting van het hoofdgebouw , dat door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en daar in architectonisch opzicht ondergeschikt aan is, maar in functioneel opzicht wel deel uitmaakt van dat hoofdgebouw
oppervlakte van een ruimte, die uitsluitend wordt gebruikt voor het verkopen van producten, anders dan de ruimte voor opslag of het vervaardigen/ bewerken van producten
voorerfgebied als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving
gevel(s) die naar architectuur, indeling en/of uitstraling de meest gezichtsbepalende gevel(s) van een hoofdgebouw is (of zijn), (doorgaans) gekeerd naar de weg of het openbaar gebied
lijn die gelijk loopt aan voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan.
locatie waar voor 25 oktober 2016 maar ná de terinzagelegging van de ontwerp-bestemmingsplannen Buitengebied Hengelo/Vorden 2005, Buitengebied Zelhem 2011 en Buitengebied Steenderen / Hummelo en Keppel de agrarische bestemming is gewijzigd in een woonbestemming
advies van de toenmalige Staatssecretaris van VROM d.d. 3 oktober 2005, kenmerk SAS/2005183118 en aanvullende brief van de toenmalige Minister van VROM d.d. 4 november 2008 (DGM/2008105664)) met betrekking tot gezondheidsaspecten van elektromagnetische velden
woning die geheel vrij staat ten opzichte van andere bebouwing
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
weg als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet
wet van 21 februari 2018, houdende regels over de informatie-uitwisseling betreffende bovengrondse en ondergrondse infrastructuur van netten en netwerken
complex van ruimten, inclusief aan- en uitbouwen, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden
het bewonen van een woning
gebouw dat uit meerdere naast elkaar en/of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen (appartementen) bestaat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd
vaartuig of drijvend voorwerp dat uitsluitend of hoofdzakelijk als woning wordt gebruikt en daartoe is ingericht
woonwagen als bedoeld in bijlage I bij het Bbl
voorerfgebied aan de naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van een hoofdgebouw
agrarisch bedrijf waar mensen met een zorg- of hulpvraag (en/of zorgindicatie) terechtkunnen voor dagbesteding, dagopvang of arbeidstraining, en/of (uitsluitend voor zover dat in de planregels is bepaald) kunnen logeren
gelegenheid voor tijdelijke overnachting in combinatie met zorg al dan niet ten behoeve van recreatief verblijf
complex met zorgwoningen gecombineerd met zorg- en welzijnsvoorzieningen en waarbij tevens ter ondersteuning van deze functie kleinschalige, ondergeschikte detailhandel, dienstverlening en/of horeca kan voorkomen
gebouw of zelfstandig gedeelte van een gebouw, bedoeld voor de huisvesting van een of meer personen met een geïndiceerde zorgbehoefte, die niet zelfstandig kunnen wonen en die voortdurend of nagenoeg voortdurend geestelijke en/of lichamelijke verzorging behoeven
agrarisch gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de hoofdfunctie.
DDDD
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm1876/2025/2d052ea118704f66a6035e98910f6848/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2024/32a323a0a07b450584bf72589c39031b/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/32a323a0a07b450584bf72589c39031b/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2024/28d33eaf3940462ebef735db70e98667/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/d09066f5c65a4623bd50f566981d07c7/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/62ef75c8f94a40ce8962b1e154d39437/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/34c4029cdb344e0b8a2fe0fc445079bc/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/5f09c3308ad04f70987ebace13865d02/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/e309f82976624d32a3a21203c3db5ecc/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2025/ef8fb8c7d12441c48189e049481c03d6/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/e7bc50aa3bd74b4f84856784f23f081d/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/2778061c606d4255ac96eb2e0a5cc6b1/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/38071b4914be4858b480eb3435960963/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/47673f644011418ab7d34ebd4cb8cbdd/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/e5bdb49045604561bdbf946b0cbbc201/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/4d40e8dfef9e49099fab2670e23ac203/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/3d6be2f09b704a3292a8d4868a8fc95a/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2024/604671af7ce04c548341126d7939748f/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/604671af7ce04c548341126d7939748f/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2024/b4fc8c0d86b44f7aa236772822b85612/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/b4fc8c0d86b44f7aa236772822b85612/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2024/b3a48cfa6daf4bd2b49ea13e1c86826d/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/a6a721636d844152813471f44a079e56/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2025/e9fe49fecd724da19193981c5aa5bddf/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2024/c4b3fcd502c844afbb51a453a48474b9/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/c4b3fcd502c844afbb51a453a48474b9/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/bdedccc8b9254f1e91b267ae52e12017/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/a6c70f63789a4c4f875358a7a6f66bf5/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2024/c36bdc2dea5643d492e0c8ab6c94f457/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/b30f3972bd2a4b4a9de387788ed8e8ef/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/2dbfc8c05a66423fa3c60d4e2eae88d5/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2025/04f6a44d53e24656986591465042e114/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/2c4604f575bc4599b7703b13e43ebc51/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/fbb0f3b145b249b9af16e3d51b2945db/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/bcc5f1f462dd42a8a30c49354523032c/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/19009ef5cd2b4ca3b24ae3d01fe47d61/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/14782d80ead246f8ab383988a5dd9242/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/9b64ccef8f1d45cfbb5a77a31c38b36d/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/e993e1072810477eaf0bfeab2d68997b/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/721a0b9e08ec4f85a50a2f5931b78bab/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2024/5fae78dba60d47898912e9bc98daf9d1/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/5fae78dba60d47898912e9bc98daf9d1/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2024/122d7e8b90ba493bb2e789ea40a37fdc/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/122d7e8b90ba493bb2e789ea40a37fdc/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/603eb720c28c43fa84d68646d9abed9d/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/e7384f7cb969484aa4955713837f6519/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/f0bc405a3ff742b2be38e57decabe400/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/4cd165c00d304a3f809a798b9f2957ee/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/cf19671b360a4e34ace593884d1dd0ac/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/1c242b72bee646cbaff84e46440cf694/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/08c1593364054810bc431c3a1c8d10cf/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/db0d019ef6e44a4b99ee60c22e20422f/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/f9ff3e3c9a234581aa35ccc341a073c8/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2024/21d495ae9c064d5ca006d596d14c3555/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/21d495ae9c064d5ca006d596d14c3555/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/5fd850bbb84e49a1aec3eb61b18ca534/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/88803c78e67a4acaa7837a34d1fd3706/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/5b5c5ae3e7d943bcb17e329e0cf11045/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2024/2530af5d7b364aa78ca501714f58ab7a/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2025/b62d532aa7b7425fb454ba76b07b06bd/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/63295d8742c74bb8b80969d3593b1175/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/0601d6f8677e45c6aa57378b638f7fb4/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/e1929c070c6746de96b04185b47ae07b/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/2f1d1218d4f34a1e9e2612bcbb133c0a/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/9414517c43934b33b1175b02282ade30/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/e27bcabe77d84ddc8e0dd2318255b946/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/ce2b169c64de4fbe82792bd7f592537b/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/07dbe648b4ad4fd6bd3658c7a5879475/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/b8caae4705484857a209a88ed31736f3/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/ea02d5ffb802437ea47da80c4fa6613d/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/025f625b88bc402b833569d65d317985/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/de4a6babc4674d879d39917f3b4299dc/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/61a5ae6ebc3748de96fe94d0a91ca9e4/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/f4ec33c1f08544f3882a4acaef40b26b/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/b81126f2d47147c1a0cf8ce901196322/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/43c7a123d2264a8c837aec3c83938125/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/f222e2f4619342b5af58e242d4cafa61/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/f32d298bc6694035b210624416da64b2/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/318d8109e71643f4a0ab03be06da34df/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/504d015e669e47cdb681957c7f972787/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/9ad5da6ef57740be966e48f1a068ccfe/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/53f9f1ad9196473980021c64b997077b/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2024/a8e60f636e01463483402ff63e8ee021/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/a8e60f636e01463483402ff63e8ee021/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/ca615e850e274011ae6bccf670855b87/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/c7b9701437d749e9b555cbfd3ce52186/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/556887b350e64066b194998b7c4f50b2/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/a15f2233670c479683497cfb4d5464ab/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/2a5ccb325d514adbbab7b7a2844b2573/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/e52d07cad5384d1a8ea12d5c706b6b1f/nld@2025‑06‑06;11214391
EEEE
Het opschrift van bijlage VI wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFF
Bijlage VII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bestemmingen | Agrarisch | Agrarisch met waarden - Landschap | Agrarisch met waarden - Natuur en landschap | Gebiedsgebonden |
Functies |
|
|
|
|
1. Verblijfsrecreatie | Uitsluitend toegestaan met een omgevingsvergunning in afwijking van de gebruiksregels en met een wijziging door burgemeester en wethouders. |
| ||
* minicampings
|
|
|
| Ja |
* recreatieappartementen |
|
|
| Ja |
* bed & breakfast |
|
|
| Ja |
* groepsaccomodatie |
|
|
| Ja |
* recreatiewoningen |
|
|
| Ja |
2. Dagrecreatie |
|
|
|
|
* catering 1 | N/H | N/H | N | Ja |
* restaurant 1 | N/H | N/H | N |
|
* eethuis 1 | N/H | N/H | N/H | Ja |
* ijssalon 1 | N/H | N/H | N/H | Ja |
* terras/theetuin 1 | N/H | N/H | N/H | Ja |
* theeschenkerij 1 | N/H | N/H | N/H | Ja |
* bezoekerscentrum | N/H | N/H | N/H | Ja |
* paardenpension/stalling | N/H | N/H | N/H | Ja |
* sauna | N/H | N/H | N/H | Ja |
* verhuur van: |
|
|
|
|
- paarden |
| N | N | Ja |
- fietsen | N | N | N | Ja |
- kano's | N | N | N | Ja |
- trapauto's | N | N | N | Ja |
3. Zorg |
|
|
|
|
* sociale nevenfunctie op agrarisch bedrijf (resocialisatie, therapie, gehandicapten) | N/H | N/H | N/H |
|
* individuele (para)medische of therapeutische praktijk | N/H | N/H | N/H | Ja |
* privékliniek | N/H | N/H | N/H |
|
* kuuroord | N/H | N/H | N/H | Ja |
* dagverblijf | N/H | N/H | N/H | Ja |
* groepspraktijk | N/H | N/H | N/H | Ja |
4. Opslag |
|
|
|
|
* caravans / boten | N/H | N/H | N | Ja |
* inboedel | N/H | N/H | N | Ja |
* overige opslag | N/H | N/H | N | Ja |
5. Overige functies |
|
|
|
|
Landbouw verwante functies |
|
|
|
|
Agrarische hulpbedrijven |
|
|
|
|
* loonbedrijven | N/H | N/H | - | Ja |
* drainigebedrijven | N/H | N/H | - | Ja |
* veehandelsbedrijven | N/H | N/H | - | Ja |
toeleverende bedrijven |
|
|
|
|
* spermabank | N/H | N/H | N | Nee |
* foeragehandel | N/H | N/H | N | Nee |
* zaai en pootgoed | N/H | N/H | N | Ja |
* opslag agrarische producten | N/H | N/H | N | Ja |
* hoefsmederij | N/H | N/H | N | Ja |
semi-agrarische bedrijven |
|
|
|
|
* hoveniersbedrijven | N/H | N/H | N/H | Ja |
* boomverzorgingsbedrijven | N/H | N/H | N/H | Ja |
* natuur- en landschapsbeheer | N/H | N/H | N/H | Ja |
* bosbouwbedrijven | N/H | N/H | N/H | Ja |
* tuincentrum | N/H | N/H | - | Nee |
* vis- escargot- wormkwekerij | N/H | N/H | N/H | Ja |
manege | N/H | N/H | N/H | Ja |
huifkarcentrum | N/H | N/H | N/H | Ja |
|
|
|
|
|
Aan huis verbonden beroepen |
|
|
|
|
dierenarts | N/H | N/H | N/H | Ja |
atelier | N/H | N/H | N/H | Ja |
overige aan huis verbonden-beroepen | N/H | N/H | N/H | Ja |
|
|
|
|
|
Medisch (verwante) dienstverlening |
|
|
|
|
dierenkliniek | N/H | N/H | N/H | Nee |
|
|
|
|
|
Overige dienstverlening |
|
|
|
|
cursuscentrum | N/H | N/H | N/H | Nee |
crêche / peuterspeelzaal | N/H | N/H | N/H | Nee |
museum / tentoonstellingsruimte | N/H | N/H | N/H | Ja |
dierenasiel / pension | N/H | N/H | N/H | Nee |
kappersbedrijf | N/H | N/H | N/H | Nee |
computerservicebedrijf | N/H | N/H | N/H | Nee |
adviesbureau | N/H | N/H | N/H | Ja |
geluids- en/of TV-studio | N/H | N/H | N/H | Nee |
post- en koeriersdiensten | N/H | N/H | N/H | Nee |
telecommunicatie | N/H | N/H | - | Nee |
antiekhande | N/H | N/H | N/H | Nee |
kunsthandel | N/H | N/H | N/H | Nee |
|
|
|
|
|
Ambachtelijke landbouwproduktverwerkende bedrijven |
|
|
|
|
- slagerij | N | N | N | Ja |
- vleesverwerking | N | N | N | Ja |
- zuivelverwerking | N | N | N | Ja |
- plantaardige produktverwerking | N | N | N | Ja |
- imkerij | N/H | N/H | N/H | Ja |
- palingrokerij | N/H | N/H | N/H | Ja |
- wijnmakerij | N/H | N/H | - | Ja |
- ijsmakerij | N/H | N/H | N/H | Ja |
- bierbrouwerij | N/H | N/H | N/H | Nee |
- riet en vlechtwerk | N/H | N/H | N/H | Nee |
|
|
|
|
|
Overige ambachtelijke bedrijven |
|
|
|
|
bouwbedrijven | N/H | N/H | N | Nee |
- schildersbedrijven | N/H | N/H | N | Nee |
- glas in lood zetterijen | N/H | N/H | N | Nee |
- installatiebedrijven | N/H | N/H | N | Nee |
- electrotechnisch installatiebedrijf | N/H | N/H | N | Nee |
- dakdekkersbedrijf | N/H | N/H | N | Nee |
- rietdekkersbedrijf | N/H | N/H | N | Ja |
houtbewerkingsbedrijven | N/H | N/H | N | Nee |
- houtzagerij en - schaverij | N/H | N/H | N | Ja |
- speeltoestellenfabricage | N/H | N/H | N | Nee |
lasinrichtingen / bankwerkerijen | N/H | N/H | N | Nee |
vervaardigen medische instrumenten / precisie-instrumenten en orthopedische artikelen | N/H | N/H | N | Nee |
meubelmakerij / restauratie | N/H | N/H | N | Nee |
meubelstofferderijen | N/H | N/H | N | Nee |
vervaardigen en reparatie sieraden |
|
|
|
|
vervaardigen en reparatie muziekinstrumenten | N/H | N/H | N | Nee |
spel- en speelgoedfabricage | N/H | N/H | N | Nee |
textiel |
|
|
|
|
- spinnen en weven van textie | N/H | N/H | N/H | Nee |
- vervaardigen van textielwaren | N/H | N/H | N/H | Nee |
- kledingvervaardiging | N/H | N/H | N/H | Nee |
reparatiebedrijven gebruiksgoederen | N/H | N/H | N/H | Nee |
pottenbakkerij | N/H | N/H | N/H | Nee |
natuursteenbewerking beeldhouwerij | N/H | N/H | N/H | Nee |
zeefdrukkeri | N/H | N/H | N/H | Nee |
grafische bedrijven | N/H | N/H | N/H | Nee |
verkoop eigen agrarische producten | N | N/H | N/H | Ja |
|
|
|
|
|
1 = gemaximeerd op 50m2 |
|
|
|
|
N = nevenactiviteit |
|
|
|
|
H = hoofdactiviteit |
|
|
|
|
GGGG
Bijlage VIII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Nr. | Adres | Datum | Kenmerk |
| Aaltenseweg 9 Zelhem | 13‑10‑2014 | 2014-008612 |
| Aaltenseweg 31 Halle | 12‑10‑2015 | 2015-008858 |
| Akkermansstraat 1a Zelhem | 19‑01‑2021 | 2020-006641 |
| Akkermansstraat 11 Zelhem | 13‑08‑2015 | 2015-006124 |
| Akkerweg 1a Zelhem | 30‑07‑2015 | 2015-001920 |
| Akkerweg 5 Zelhem | 25‑02‑2015 | 2014-011495 |
| Antinkweg 3 Hengelo (Gld) | 29‑09‑2015 | 2015-008758 |
| Antinkweg 14 Hengelo (Gld) | 19‑01‑2021 | 2020-006252 |
|
|
|
|
| Baaksekampweg 3 Zelhem | 07‑05‑2015 | 2014-013239 |
| Baaksekampweg 5 Zelhem | 28‑02‑2017 | 2016-014490 |
| Baaksevoetpad 7 Hengelo (Gld) | 21‑03‑2014 | 2013-015691 |
| Baakseweg 12 Vorden | 27‑02‑2012 | 2011-018113 |
| Bakermarksedijk 9a Baak | 01‑09‑2014 | 2014-011295 |
| Bakerwaardseweg 2 Bronkhorst | 24‑09‑2012 | 2012-001816 |
| Bakerwaardseweg 3 Bronkhorst | 05‑06‑2014 | 2013-013340 |
| Bakerwaardseweg 13A Bronkhorst | 18‑04‑2013 | 2013-000021 |
| Bakerwaardseweg 15 Bronkhorst | 04‑08‑2015 | 2015-003362 |
| Banninkstraat 48 Hengelo (Gld) | 02‑07‑2015 | 2014-016570 |
| Barlhammerweg 3 Laag-Keppel | 30‑05‑2016 | 2016-003683 |
| Beckenstraat 1 Vierakker | 02‑02‑2016 | 2015-001161 |
| Beekstraat 3 Toldijk | 22‑10‑2012 | 2012-005123 |
| Beekstraat 4 Toldijk | 13‑08‑2015 | 2015-004206 |
| Beemsterweg 4 Laag-Keppel | 01‑10‑2012 | 2012-004655 |
| Beijerinkdijk 3 Hengelo (Gld) | 09‑09‑2015 | 2015-000830 |
| Beukenlaan 7 Baak | 01‑10‑2012 | 2012-003373 |
| Beukenlaan 18 Baak | 20‑02‑2012 | 2011-010509 |
| Bielemansdijk 28a Halle | 01‑10‑2012 | 2012-003573 |
| Binnenweg 4 Drempt | 15‑05‑2018 | 2018-001115 |
| Binnenweg 8 Drempt | 10‑06‑2014 | 2014-001740 |
| Bobbinkstraat 7 Baak | 10‑12‑2012 | 2012-013833 |
| Bocholtseweg 1 Zelhem | 26‑04‑2013 | 2013-002015 |
| Bocholtseweg 2a Halle | 09‑06‑2015 | 2014-015929 |
| Boeninksteeg 4 Zelhem | 26‑03‑2012 | 2011-018029 |
| Boldijk 2 Zelhem | 02‑05‑2016 | 2015-010964 |
| Bonte Koeweg 4 Baak | 02‑02‑2016 | 2015-001161 |
| Boshuisweg 3 Vierakker | 19‑09‑2014 | 2014-003722 |
| Broekstraat 2 Baak | 23‑06‑2015 | 2014-017264 |
| Broekstraat 2 Hummelo | 25‑01‑2013 | 2012-017854 |
| Broekstraat 15 Hummelo | 29‑09‑2015 | 2015-008809 |
| Broekstraat 33 Hummelo | 03‑06‑2014 | 2014-002274 |
| Broekweg 4 Hengelo (Gld) | 10‑06‑2016 | 2016-002604 |
| Broekweg 5 Wichmond | 16‑08‑2016 | 2016-005796 |
| Broekweg 9 Wichmond | 08‑04‑2015 | 2014-010236 |
| Broekweg 14-14a Hengelo (Gld) | 04‑03‑2013 | 2012-018466 |
| Bronkhorsterstraat 2 Keijenborg | 18‑12‑2013 | 2013-011697 |
| Bronkhorsterstraat 10 Keijenborg | 28‑07‑2015 | 2015-002219 |
| Bultenszijweg 5 en 7 Zelhem | 07‑08‑2014 | 2014-001606 |
|
|
|
|
| Covikseweg 1a Steenderen | 29‑07‑2015 | 2014-017303 |
| Covikseweg 7 Steenderen | 20‑02‑2012 | 2011-004638 |
| Covikseweg 13 Steenderen | 26‑08‑2015 | 2015-005930 |
|
|
|
|
| Dambroek 3 Baak | 27‑08‑2015 | 2015-005728 |
| De Eldersmaat 3 Vorden | 08‑10‑2012 | 2012-004042 |
| De Horst 2 Vorden | 04‑03‑2013 | 2012-018389 |
| Deldensebroekweg 2 Vorden | 15‑09‑2015 | 2015-008571 |
| Deldensebroekweg 5 Vorden | 26‑10‑2018 | 2018-001777 |
| De Leuke 2 Vorden | 22‑10‑2012 | 2012-007066 |
| De Veersweg 5 Baak | 13‑11‑2012 | 2012-010895 |
| De Veersweg ong. Baak | 22‑04‑2013 | 2012-013881 |
| Dierenseweg 4 Olburgen | 07‑02‑2011 | 2010-021469 |
| Doesburgseweg 2 Steenderen | 11‑08‑2015 | 2015-002441 |
| Dollemansstraat 8 Baak | 02‑06‑2014 | 2013-018175 |
| Dwarsdijk 2 Halle | 05‑11‑2012 | 2012-008718 |
| Dwarsdijk 5 Halle | 15‑10‑2015 | 2015-009345 |
| Dwarsdijk 10 Halle | 16‑01‑2012 | 2011-012147 |
|
|
|
|
| Eckhorsterstraat 5a Zelhem | 26‑06‑2015 | 2014-016374 |
| Eekstraat 5 Steenderen | 04‑08‑2015 | 2014-002979 |
| Eeltinkweg 7-7a Zelhem | 01‑10‑2012 | 2012-004254 |
| Eldrikseweg 1 Laag-Keppel | 03‑10‑2013 | 2013-004472 |
| Eldrikseweg 2 Laag-Keppel | 17‑09‑2012 | 2012-001639 |
| Eldrikseweg 3 Laag-Keppel | 30‑04‑2014 | 2013-017470 |
| Eldrikseweg 7 Laag-Keppel | 23‑06‑2015 | 2014-017274 |
| Eldrikseweg 10 Laag-Keppel | 29‑07‑2015 | 2015-001749 |
| Eldrikseweg 20 Laag-Keppel | 16‑07‑2012 | 2011-020625 |
| Eldrikseweg 27 Laag-Keppel | 18‑08‑2015 | 2014-016053 |
| Eldrikseweg 33 Laag-Keppel | 22‑01‑2019 | 2018-012160 |
| Elferinkdijk 2 Hengelo (Gld) | 01‑09‑2014 | 2014-007079 |
| Elferinkdijk 3 Hengelo (Gld) | 07‑03‑2013 | 2012-019804 |
| Elferinkdijk 8 Hengelo (Gld) | 30‑04‑2014 | 2013-017356 |
| Emmerweg 2 Steenderen | 23‑04‑2013 | 2012-021416 |
| Emmerweg 5 Steenderen | 18‑08‑2015 | 2014-016427 |
| Emmerweg 7 Steenderen | 10‑06‑2015 | 2014-016354 |
| Emmerweg 8 Steenderen | 08‑07‑2013 | 2013-001121 |
| Emmerweg 10 Steenderen | 01‑10‑2012 | 2012-003424 |
| Emmerweg 12 Steenderen | 28‑08‑2015 | 2015-004262 |
| Everhardinkweg 1 Zelhem | 07‑08‑2015 | 2015-002968 |
| Everhardinkweg 3a Zelhem | 10‑08‑2016 | 2016-003812 |
|
|
|
|
| Galgengoorweg 5 Vorden | 10‑04‑2013 | 2012-021129 |
| Galgengoorweg 17 Vorden | 31‑08‑2015 | 2015-007114 |
| Galgengoorweg 19a Vorden | 11‑03‑2013 | 2012-020664 |
| Geurkenweg 1 Vorden | 23‑04‑2012 | 2011-019790 |
| Gietelinkdijk 2 Hengelo (Gld) | 04‑03‑2015 | 2014-012552 |
| Gompertsdijk 2 Hengelo (Gld) | 29‑11‑2016 | 2016-004670 |
| Gompertsdijk 5a Hengelo (Gld) | 21‑08‑2015 | 2014-016720 |
|
|
|
|
| Haitinkweg 6 Zelhem | 12‑10‑2015 | 2015-009189 |
| Halle-Heideweg 1 Halle | 07‑10‑2014 | 2014-001014 |
| Halle-Heideweg 7 Halle | 19‑10‑2015 | 2015-009225 |
| Halle-Heideweg 39a Halle | 09‑01‑2014 | 2013-011616 |
| Halle-Heideweg 40 Halle | 11‑06‑2017 | 2017-004334 |
| Halseweg 33a Zelhem | 05‑12‑2018 | 2018-009915 |
| Halseweg 51a Halle | 19‑10‑2015 | 2015-009381 |
| Halseweg 53 Halle | 21‑10‑2015 | 2015-009087 |
| Halseweg 57a Halle | 04‑06‑2014 | 2013-018318 |
| Hardsteestraat 16 Toldijk | 15‑10‑2012 | 2012-005206 |
| Hazenhutweg 10 Hengelo (Gld) | 26‑05‑2015 | 2014-015300 |
| ’t Heegken 5 Vorden | 21‑03‑2013 | 2012-021295 |
| Heerlerweg 1 Vierakker | 22‑10‑2012 | 2012-006474 |
| Heerlerweg 2 Vierakker | 19‑05‑2016 | 2015-016187 |
| Heerlerweg 6 Vierakker | 11‑02‑2013 | 2012-016254 |
| Heerlerweg 19 Vierakker | 17‑12‑2013 | 2013-011411 |
| Heidenhoekweg 9 Zelhem | 16‑02‑2018 | 2017-014729 |
| Heidenhoekweg 11 Zelhem | 25‑11‑2016 | 2016-009264 |
| Heideweversweg 2 Hengelo (Gld) | 22‑01‑2013 | 2013-000600 |
| Heijinkweg 13a Zelhem | 18‑11‑2015 | 2015-010989 |
| Heisterboomsdijk 3 Zelhem | 12‑10‑2020 | 2016-015986 |
| Hengeloseweg 15 Vorden | 18‑02‑2015 | 2014-011027 |
| Hengeloseweg 16 Vorden | 18‑04‑2013 | 2013-000092 |
| Het Lendenbosch 5 Hummelo | 26‑05‑2016 | 2016-001460 |
| Hoefkensestraat 1 Drempt | 13‑08‑2012 | 2012-000322 |
| Hoekendaalseweg 4 Vorden | 20‑09‑2017 | 2017-007080 |
| Hogenkampweg 16 Hengelo (Gld) | 18‑06‑2014 | 2014-000085 |
| Hogenkampweg 40-42 Hengelo (Gld) | 10‑06‑2015 | 2014-017028 |
| Hogeveldweg 4 Zelhem | 25‑11‑2014 | 2014-016708 |
| Hogeveldweg 6 en 6a Zelhem | 15‑01‑2018 | 2017-010194 |
| Holtslagweg 4 Baak | 08‑04‑2015 | 2014-014147 |
| Hoogstraat 4 Toldijk | 16‑06‑2015 | 2015-000799 |
| Hoogstraat 10 Toldijk | 15‑09‑2015 | 2015-008614 |
| Hoogstraat 19 Toldijk | 11‑01‑2019 | 2018-010919 |
| Hoogstraat 21 Toldijk | 15‑10‑2012 | 2012-005228 |
| Hoogstraat 23 Toldijk | 29‑10‑2012 | 2012-006632 |
| Hummeloseweg 61 Zelhem | 18‑02‑2014 | 2013-014345 |
| Hummeloseweg 63a Zelhem | 23‑01‑2014 | 2013-014020 |
|
|
|
|
| IJselweg 27 Vierakker | 29‑08‑2016 | 2016-005870 |
|
|
|
|
| J.F. Oltmansstraat 17 Steenderen | 28‑01‑2013 | 2012-019779 |
|
|
|
|
| Kapelweg 2 Vierakker | 19‑11‑2012 | 2012-012363 |
| Kapelweg 14 Vierakker | 15‑05‑2019 | 2018-011354 |
| Kattendijk 5 Halle | 08‑12‑2020 | 2019-009548 |
| Kerveldijk 4 Baak | 11‑04‑2013 | 2012-022044 |
| Koekoekstraat 13 Vierakker | 07‑01‑2015 | 2014-010152 |
| Koekoekstraat 15 Vierakker | 06‑03‑2019 | 2018-013153 |
| Koertweg 1a Halle | 27‑03‑2013 | 2012-020949 |
| Korte Broekstraat 1 Hummelo | 01‑07‑2015 | 2014-009703 |
| Korte Broekstraat 7 Hummelo | 26‑06‑2014 | 2014-004835 |
| Kostedeweg 11 Vorden | 13‑07‑2016 | 2016-003996 |
| Kremersdijk 1 Hengelo (Gld) | 24‑01‑2014 | 2013-013180 |
| Kruisbergseweg 12 Zelhem | 08‑08‑2017 | 2017-000679 |
| Kruisbergseweg 13 Zelhem | 10‑12‑2012 | 2012-013418 |
| Kruisbergseweg 52a Zelhem | 31‑08‑2015 | 2015-006249 |
| Kruisdijk 1 Vorden | 07‑04‑2014 | 2013-017708 |
| Kruisdijk 9a Vorden | 14‑01‑2015 | 2014-010367 |
| Kruisdijk 11 Vorden | 31‑08‑2015 | 2015-006952 |
| Kuilenburgerstraat 3 Steenderen | 17‑09‑2012 | 2012-001876 |
| Kuilenburgerstraat 4 Steenderen | 08‑04‑2015 | 2014-014365 |
| Kuilenburgerstraat 8 Steenderen | 29‑10‑2012 | 2012-007350 |
|
|
|
|
| Lageweg 8 Zelhem | 04‑09‑2015 | 2015-007820 |
| Lamstraat 8 Toldijk | 08‑07‑2015 | 2014-015604 |
| Lamstraat 12 Toldijk | 13‑10‑2015 | 2015-009211 |
| Lamstraat 12a Toldijk | 23‑06‑2015 | 2014-015574 |
| Lamstraat 16a Toldijk | 20‑01‑2014 | 2013-014598 |
| Lamstraat 19 Toldijk | 24‑10‑2016 | 2016-011523 |
| Lamstraat 25 Toldijk | 01‑07‑2015 | 2014-015564 |
| Landeweerweg 6 Halle | 21‑01‑2013 | 2012-015909 |
| Landstraat 8 Halle | 04‑06‑2015 | 2014-014363 |
| Lankampweg 2 Vorden | 28‑08‑2015 | 2015-004333 |
| Lankhorsterstraat 1 Wichmond | 02‑07‑2015 | 2014-016665 |
| Lankhorsterstraat 3 Hengelo (Gld) | 04‑12‑2018 | 2018-008465 |
| Lankhorsterstraat 11 Hengelo (Gld) | 03‑06‑2014 | 2013-016576 |
| Lankhorsterstraat 19 Hengelo (Gld) | 08‑10‑2014 | 2014-009847 |
| Lankhorsterstraat 19 Wichmond | 02‑09‑2015 | 2015-007745 |
| Landeweerweg 6 Halle | 21‑01‑2013 | 2012-015909 |
| Leemstraat 1 Steenderen | 07‑10‑2015 | 2015-007348 |
| Leestenseweg 15 Vierakker | 07‑04‑2014 | 2013-018499 |
| Lindeseweg 16 Vorden | 13‑09‑2017 | 2016-016469 |
| Lindeseweg 17 Vorden | 19‑09‑2018 | 2018-007481 |
| Loakendiek 3 Hengelo (Gld) | 13‑10‑2015 | 2015-009123 |
| Loenhorsterweg 11 Hummelo | 29‑08‑2013 | 2012-022355 |
|
|
|
|
| Maalderinkweg 4 Vorden | 10‑06‑2015 | 2014-016038 |
| Meeninklaan 5 Baak | 07‑01‑2013 | 2012-014991 |
| Meeneweg 10 Zelhem | 07‑11‑2013 | 2013-014885 |
| Memelinkdijk 1 Hengelo (Gld) | 23‑04‑2013 | 2013-000678 |
| Memelinkdijk 5 Hengelo (Gld) | 19‑11‑2015 | 2015-009294 |
| Memelinkdijk 10 Hengelo (Gld) | 15‑06‑2015 | 2014-016402 |
| Menkhorsterweg 6 Hengelo (Gld) | 12‑06‑2015 | 2014-016387 |
| Menninkweg 2 Hengelo (Gld) | 15‑09‑2015 | 2015-008750 |
| Michelstraat 4a Zelhem | 03‑08‑2020 | 2019-010901 |
| Michelstraat 14 Zelhem | 15‑08‑2016 | 2016-006633 |
| Michelstraat 26 Zelhem | 08‑12‑2015 | 2015-010161 |
| Moatweg 6 Hengelo (Gld) | 15‑06‑2016 | 2016-004427 |
| Mokkinkdijk 3 Hengelo (Gld) | 19‑11‑2012 | 2012-012377 |
| Molenweg 4 Halle | 17‑09‑2020 | 2019-010192 |
| Mosselseweg 3 Vorden | 17‑08‑2009 | 2009-005550 |
| Mosselseweg 22 Vorden | 06‑11‑2015 | 2015-009435 |
| Muizengatweg 4 Toldijk | 15‑05‑2018 | 2018-000467 |
| Muizengatweg 7 Toldijk | 12‑10‑2020 | 2019-012814 |
|
|
|
|
| Nicolaasweg 2 Halle | 17‑03‑2015 | 2014-013749 |
| Nicolaasweg 10 Halle | 10‑10‑2018 | 2018-008672 |
| Nieuwenhuisweg 1 Vorden | 06‑08‑2012 | 2011-020720 |
| Nijmansedijk 3 Zelhem | 22‑09‑2015 | 2015-009008 |
| Nijmansedijk 11 Zelhem | 11‑06‑2015 | 2014-016600 |
|
|
|
|
| Okhorstweg 3 Vorden | 24‑09‑2012 | 2012-003735 |
| Okhorstweg 7 Wichmond | 23‑04‑2012 | 2011-019773 |
| Olburgseweg 31 Olburgen | 22‑12‑2008 | 2008-008703 |
| Olburgseweg 36 Olburgen | 19‑03‑2012 | 2011-012381 |
| Oosterwijkweg 1 Zelhem | 11‑02‑2013 | 2013-000138 |
|
|
|
|
| Petersdijk 4a Zelhem | 05‑11‑2012 | 2012-008785 |
| Petersdijk 16 Halle | 25‑06‑2015 | 2015-000892 |
| Pieriksestraat 3 Laag-Keppel | 06‑03‑2019 | 2018-013010 |
| Pipeluurseweg 3 Olburgen | 22‑07‑2015 | 2014-008642 |
| Pipeluurseweg 4 Olburgen | 01‑10‑2012 | 2012-002228 |
| Pluimersdijk 45A Halle | 25‑02‑2013 | 2012-018882 |
| Polweg 4 Wichmond | 23‑10‑2015 | 2015-009506 |
| Polweg 6 Wichmond | 13‑04‑2015 | 2014-012686 |
| Potronsdijk 5 Halle | 22‑07‑2013 | 2013-005387 |
| Prinsenmaatweg 10 Rha | 24‑05‑2016 | 2015-012414 |
| Prinsenmaatweg 16 Rha | 03‑09‑2013 | 2013-005462 |
|
|
|
|
| Reigersvoortseweg 16 Toldijk | 29‑07‑2015 | 2015-002217 |
| Rhabergseweg 17 Rha | 09‑09‑2013 | 2013-008379 |
| Riethuisweg 2 en Holskampweg 5 Vorden | 18‑02‑2014 | 2013-014291 |
| Rijksweg 42 Drempt | 25‑02‑2013 | 2012-017622 |
| Rijksweg 120 Hummelo | 23‑07‑2013 | 2013-005537 |
| Rijksweg 134 Hummelo | 07‑03‑2013 | 2012-020779 |
| Rijnweg 23 Hengelo (Gld) | 07‑11‑2013 | 2013-011489 |
| Roessinkweg 2 Hengelo (Gld) | 14‑06‑2016 | 2016-004730 |
| Roessinkweg 30 Hengelo (Gld) | 19‑03‑2013 | 2012-020984 |
| Roomstraat 4 Drempt | 01‑10‑2012 | 2012-003660 |
| Roomstraat 15 Drempt | 27‑08‑2013 | 2013-007202 |
| Ruurloseweg 26 Zelhem | 29‑07‑2013 | 2013-005448 |
| Ruurloseweg 35 Zelhem | 10‑10‑2014 | 2014-008512 |
| Ruurloseweg 49 Zelhem | 08‑07‑2015 | 2014-016588 |
| Ruurloseweg 70 Hengelo (Gld) | 14‑10‑2013 | 2013-008896 |
| Ruurloseweg 78 Hengelo (Gld) | 30‑09‑2015 | 2015-005344 |
| Ruurloseweg 79 Hengelo (Gld) | 06‑02‑2013 | 2012-009435 |
| Ruurloseweg 95 Hengelo (Gld) | 12‑08‑2015 | 2015-003257 |
| Ruurloseweg 119 Vorden | 08‑09‑2015 | 2015-008038 |
|
|
|
|
| Sarinkdijk 19 Hengelo (Gld) | 16‑10‑2014 | 2014-008673 |
| Schimmeldijk 4 Vorden | 17‑09‑2015 | 2015-007240 |
| Schiphorsterstraat 2-2a Toldijk | 12‑06‑2015 | 2014-017096 |
| Schiphorsterstraat 14 Toldijk | 28‑07‑2015 | 2015-000159 |
| Schooldijk 4 Baak | 23‑11‑2016 | 2016-012625 |
| Schooltinkweg 7 Zelhem | 03‑09‑2015 | 2015-006584 |
| Schooltinkweg 9b Zelhem | 16‑10‑2018 | 2018-008777 |
| Schovenweg 7 Zelhem | 11‑12‑2013 | 2013-011740 |
| Schuttestraat 7 Vorden | 07‑09‑2015 | 2015-002288 |
| Schuttestraat 26 Vorden | 14‑07‑2020 | 2019-002446 |
| Slangenburgweg 2 Zelhem | 24‑06‑2020 | 2016-010098 |
| Slangenburgweg 7 Zelhem | 08‑12‑2016 | 2015-009241 |
| Sliekstraat 2 Hummelo | 15‑09‑2015 | 2015-008786 |
| Spaensweertweg 4 Steenderen | 17‑05‑2017 | 2016-015922 |
| Steenderenseweg 6 Hengelo (Gld) | 15‑09‑2015 | 2015-009165 |
| Steenderenseweg 21-21a Keijenborg | 08‑08‑2013 | 2013-005541 |
| Steenderenseweg 23 Hengelo (Gld) | 06‑12‑2016 | 2016-013001 |
| Stikkenweg 21 Zelhem | 25‑02‑2013 | 2012-018849 |
| Strodijk 19 Vorden | 11‑08‑2016 | 2016-004802 |
| Strodijk 23 Vorden | 09‑02‑2016 | 2015-008498 |
| Stuwdijk 5 Vorden | 03‑09‑2014 | 2014-007063 |
|
|
|
|
| Tellingstraat 9 Drempt | 13‑03‑2016 | 2016-015747 |
| Terborgseweg 5 – 5a Zelhem | 01‑10‑2012 | 2012-004188 |
| Terborgseweg 10a Zelhem | 22‑07‑2015 | 2014-016630 |
| Toldijkseweg 12 Steenderen | 05‑11‑2012 | 2012-008937 |
| Toldijkseweg 16 Steenderen | 31‑08‑2015 | 2015-006387 |
| Toldijkseweg 26 Steenderen | 21‑03‑2014 | 2013-016152 |
| Toldijkseweg 39 Steenderen | 21‑09‑2009 | 2009-009303 |
| Tolstraat 3 Drempt | 10‑06‑2016 | 2016-001148 |
| Tolweg 1 Vorden | 24‑09‑2012 | 2012-002129 |
| Tolweg 1a Vorden | 03‑03‑2015 | 2014-011218 |
| Toverstraat 3 Baak | 24‑09‑2012 | 2012-001944 |
| Toverstraat 8 Baak | 06‑03‑2018 | 2017-016358 |
|
|
|
|
| Uilenesterstraat 4 Keijenborg | 01‑10‑2012 | 2012-001887 |
| Uilenesterstraat 6a Keijenborg | 05‑11‑2012 | 2012-008576 |
|
|
|
|
| Van Heeckerenweg 13 Hummelo | 23‑08‑2013 | 2013-011534 |
| Varsselsestraat 3 Zelhem | 08‑02‑2019 | 2018-009595 |
| Varsselseweg 40 Hengelo (Gld) | 15‑06‑2015 | 2014-017251 |
| Varsselseweg 42 Hengelo (Gld) | 22‑08‑2016 | 2016-006369 |
| Varsseveldseweg 1 Halle | 03‑06‑2015 | 2014-015484 |
| Veengoot 10 Halle | 02‑07‑2015 | 2014-016991 |
| Veenweg 10 Drempt | 07‑05‑2012 | 2011-019959 |
| Vierakkersestraatweg 32 Vierakker | 08‑06‑2015 | 2014-015519 |
| Vierblokkenweg 3-5 Hengelo (Gld) | 30‑09‑2016 | 2016-005638 |
| Voortseweg 8 Toldijk | 30‑09‑2014 | 2014-003910 |
| Voortseweg 11 Toldijk | 19‑09‑2014 | 2014-003971 |
| Vordenseweg 76 Hengelo (Gld) | 03‑03‑2015 | 2014-012554 |
| Vrendenbargsedijk 4 Baak | 29‑10‑2012 | 2012-009056 |
| Vrogteweg 7 Zelhem | 23‑05‑2016 | 2016-001158 |
|
|
|
|
| Walterslagweg 2a Baak | 24‑09‑2012 | 2012-002093 |
| Walterslagweg 4 Baak | 04‑03‑2013 | 2012-019734 |
| Weeversplasweg 2 Hengelo (Gld) | 15‑08‑2016 | 2016-005200 |
| Wehlsedijk 2 Laag-Keppel | 27‑02‑2015 | 2014-012262 |
| Westendorpseweg 19 Halle | 17‑09‑2012 | 2012-000445 |
| Wichmondseweg 37 Hengelo (Gld) | 14‑09‑2020 | 2019-006658 |
| Wiersserbroekweg 16 Vorden | 01‑05‑2019 | 2019-000948 |
| Wiersserbroekweg 18 Vorden | 26‑11‑2012 | 2012-012460 |
| Wildenborchseweg 29a Vorden | 16‑10‑2015 | 2015-009387 |
| Wildenborchseweg 32 Vorden | 13‑08‑2012 | 2012-000457 |
| Winkelsweg 3 Hengelo (Gld) | 10‑06‑2015 | 2014-017054 |
| Wolfersveenweg 8 Zelhem | 11‑04‑2013 | 2012-022211 |
| Wolfsstraat 1 Toldijk | 23‑08‑2015 | 2015-005040 |
| Wolfsstraat 5 Toldijk | 10‑09‑2015 | 2015-006826 |
| Wuusweg 3 Toldijk | 07‑12‑2015 | 2015-010510 |
|
|
|
|
| Zelhemseweg 3a Hummelo | 06‑05‑2013 | 2012-020839 |
| Zelhemseweg 45-45a Hengelo (Gld) | 30‑09‑2016 | 2016-007596 |
| Zelledijk 3 Vorden | 22‑10‑2012 | 2012-008349 |
| Zieuwentweg 2 Halle | 23‑11‑2015 | 2015-008992 |
| Zomerweg 8 Drempt | 24‑08‑2016 | 2016-005274 |
| Zomerweg 53a Drempt | 10‑06‑2015 | 2014-015538 |
| Zomerweg 61 Drempt | 15‑07‑2013 | 2013-003076 |
| Zutphen-Emmerikseweg 3 Toldijk | 03‑03‑2015 | 2014-012215 |
| Zutphen-Emmerikseweg 4 Toldijk | 04‑03‑2015 | 2014-012204 |
| Zutphen-Emmerikseweg 15 Toldijk | 30‑08‑2016 | 2016-007767 |
HHHH
Bijlage IV wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SBI-CODE | BI-CODE 2008 | Nummer | OMSCHRIJVING | Categorie |
01 | 01 | - | LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW |
|
014 | 016 | 0 | Dienstverlening t.b.v. de landbouw: |
|
014 | 016 | 2 | - algemeen (o.a. loonbedrijven), b.o < 500 m² | B |
014 | 016 | 4 | - plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven, b.o. < 500 m² | B |
0142 | 0162 |
| KI-stations | B |
15 | 10, 11 | - |
|
|
15 | 10, 11 | - | VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN |
|
151 | 101, 102 | 0 | Slachterijen en overige vleesverwerking: |
|
151 | 101 | 6 | vleeswaren- en vleesconservenfabrieken, p.o. < 200 m² | B |
1552 | 1052 | 2 | Consumptie-ijsfabrieken, p.o. < 200 m² | B |
1581 | 1071 | 1 | Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen, charge-ovens, v.c.< 7.500 kg meel/week | B |
1584 | 10821 | 0 | Verwerking cacaobonen en vervaardiging chocolade- en suikerwerk: |
|
1584 | 10821 | 3 | - Cacao- en chocoladefabrieken- vervaardigen van chocoladewerken met p.o. < 200 m² | B |
1584 | 10821 | 6 | - Suikerwerkfabrieken zonder suiker branden, p.o. < 200 m² | B |
1593 t/m 1595 | 1102 t/m 1104 |
| Vervaardiging van wijn, cider e.d. | B |
17 | 13 | - |
|
|
17 | 13 | - | VERVAARDIGING VAN TEXTIEL |
|
174, 175 | 139 |
| Vervaardiging van textielwaren | B |
176, 177 | 139, 143 |
| Vervaardiging van gebreide en gehaakte stoffen en artikelen | B |
18 | 14 | - |
|
|
18 | 14 | - | VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT |
|
181 | 141 |
| Vervaardiging kleding van leer | B |
20 | 16 | - |
|
|
20 | 16 | - | HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D. |
|
203, 204, 205 | 162 | 1 | Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout, p.o. < 200 m2 | B |
205 | 162902 |
| Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken | B |
22 | 58 | - |
|
|
22 | 58 | - | UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN MEDIA |
|
221 | 581 |
| Uitgeverijen (kantoren) | A |
2222.6 | 181829 |
| Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen | B |
2223 | 1814 | A | Grafische afwerking | A |
2223 | 1814 | B | Binderijen | B |
2224 | 1813 |
| Grafische reproduktie en zetten | B |
2225 | 1814 |
| Overige grafische aktiviteiten | B |
223 | 182 |
| Reproduktiebedrijven opgenomen media | A |
26 | 23 | - |
|
|
26 | 23 | - | VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN GIPSPRODUKTEN |
|
2615 | 231 |
| Glasbewerkingsbedrijven | B |
262, 263 | 232, 234 | 0 | Aardewerkfabrieken: |
|
262, 263 | 232, 234 | 1 | - vermogen elektrische ovens totaal < 40 kW | B |
267 | 237 | 0 | Natuursteenbewerkingsbedrijven: |
|
267 | 237 | 2 | - zonder breken, zeven en drogen p.o. < 2.000 m² | B |
2681 | 2391 |
| Slijp- en polijstmiddelen fabrieken | B |
28 | 25 | - |
|
|
28 | 25 | - | VERVAARD. EN REPARATIE VAN PRODUKTEN VAN METAAL (EXCL. MACH./TRANSPORTMIDD.) |
|
281 | 251, 331 | 1a | - gesloten gebouw, p.o. < 200 m2 | B |
284 | 255, 331 | B1 | Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d., p.o. < 200 m2 | B |
2852 | 2562, 3311 | 2 | Overige metaalbewerkende industrie, inpandig, p.o. <200m2 | B |
287 | 259, 331 | B | Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.; inpandig, p.o. <200 m2 | B |
30 | 26, 28, 33 | - |
|
|
30 | 26, 28, 33 | - | VERVAARDIGING VAN KANTOORMACHINES EN COMPUTERS |
|
30 | 26, 28, 33 | A | Kantoormachines- en computerfabrieken incl. reparatie | B |
33 | 26, 32, 33 | - |
|
|
33 | 26, 32, 33 | - | VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN |
|
33 | 26, 32, 33 | A | Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. incl. reparatie | B |
36 | 31 | - |
|
|
36 | 31 | - | VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G. |
|
361 | 9524 | 2 | Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m2 | A |
362 | 321 |
| Fabricage van munten, sieraden e.d. | B |
363 | 322 |
| Muziekinstrumentenfabrieken | B |
3663.1 | 322 |
| Sociale werkvoorziening | B |
40 | 35 | - |
|
|
40 | 35 | - | PRODUKTIE EN DISTRIB. VAN STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM WATER |
|
40 | 35 | C0 | Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen: |
|
40 | 35 | C1 | - < 10 MVA |
|
40 | 35 | D0 | Gasdistributiebedrijven: | B |
40 | 35 | D3 | - gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinst. Cat. A | A |
40 | 35 | D4 | - gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C | B |
40 | 35 | E0 | Warmtevoorzieningsinstallaties, gasgestookt: |
|
40 | 35 | E2 | - blokverwarming | B |
41 | 36 | - |
|
|
41 | 36 | - | WINNING EN DITRIBUTIE VAN WATER |
|
41 | 36 | B0 | Waterdistributiebedrijven met pompvermogen: |
|
41 | 36 | B1 | - < 1 MW | B |
45 | 41, 42, 43 | - |
|
|
45 | 41, 42, 43 | - | BOUWNIJVERHEID |
|
45 | 41, 42, 43 | 3 | Aannemersbedrijven met werkplaats, b.o. < 1000 m2 | B |
50 | 45, 47 | - |
|
|
50 | 45, 47 | - | HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BENZINESERVICESTATIONS |
|
501, 502, 504 | 451, 452, 454 |
| Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven | B |
5020.4 | 45204 | B | Autobeklederijen | A |
5020.5 | 45205 |
| Autowasserijen | B |
503, 504 | 453 |
| Handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires | B |
51 | 46 | - |
|
|
51 | 46 | - | GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING |
|
511 | 461 |
| Handelsbemiddeling (kantoren) | A |
5153 | 4673 | 2 | - indien b.o. =< 2000 m2 | B |
5153.4 | 5153.4 | 4 | zand en grind: |
|
5153.4 | 46735 | 6 | - indien b.o. =< 200 m² | B |
5154 | 4674 | 0 | Grth in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur: |
|
5154 | 4674 | 2 | - indien b.o. =<2.000 m² | B |
52 | 47 | - |
|
|
52 | 47 | - | DETAILHANDEL EN REPARATIE T.B.V. PARTICULIEREN |
|
52 | 47 | A | Detailhandel voor zover n.e.g. | A |
5211/2, 5246/9 | 471 |
| Supermarkten, warenhuizen | B |
5222, 5223 | 4722, 4723 |
| Detailhandel vlees, wild, gevogelte, met roken, koken, bakken | A |
5224 | 4724 |
| Detailhandel brood en banket met bakken voor eigen winkel | A |
5231, 5232 | 4773, 4774 |
| Apotheken en drogisterijen | A |
5249 | 4778 |
| Detailhandel in vuurwerk tot 10 ton verpakt | A |
527 | 952 |
| Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en motorfietsen) | A |
55 | 55 | - |
|
|
55 | 55 | - | LOGIES-, MAALTIJDEN- EN DRANKENVERSTREKKING |
|
5511, 5512 | 5510 |
| Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra | A |
553 | 561 |
| Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. | A |
554 | 563 | 1 | Café's, bars | A |
554 | 563 | 2 | Discotheken, muziekcafé's | B |
5551 | 5629 |
| Kantines | A |
5552 | 562 |
| Cateringbedrijven | B |
60 | 49 | - |
|
|
60 | 49 | - | VERVOER OVER LAND |
|
6022 | 493 |
| Taxibedrijven | B |
603 | 495 |
| Pomp- en compressorstations van pijpleidingen | B |
61, 62 | 50, 51 | - |
|
|
61, 62 | 50, 51 | - | VERVOER OVER WATER / DOOR DE LUCHT |
|
61, 62 | 50, 51 | A | Vervoersbedrijven (uitsluitend kantoren) | A |
63 | 52 | - |
|
|
63 | 52 | - | DIENSTVERLENING T.B.V. HET VERVOER |
|
6322, 6323 | 5222 |
| Overige dienstverlening t.b.v. vervoer (kantoren) | A |
633 | 791 |
| Reisorganisaties | A |
634 | 5229 |
| Expediteurs, cargadoors (kantoren) | A |
64 | 53 | - |
|
|
64 | 53 | - | POST EN TELECOMMUNICATIE |
|
642 | 61 | A | Telecommunicatiebedrijven | A |
642 | 61 | B0 | zendinstallaties: |
|
642 | 61 | B2 | - FM en TV | B |
65, 66, 67 | 64, 65, 66 | - |
|
|
65, 66, 67 | 64, 65, 66 | - | FINANCIELE INSTELLINGEN EN VERZEKERINGSWEZEN |
|
65, 66, 67, | 64, 65, 66 | A | Banken, verzekeringsbedrijven, beurzen | B |
70 | 41, 68 | - |
|
|
70 | 41, 68 | - | VERHUUR VAN EN HANDEL IN ONROEREND GOED |
|
70 | 41, 68 | A | Verhuur van en handel in onroerend goed | A |
71 | 71 | - |
|
|
71 | 77 | - | VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN |
|
711 | 7711 |
| Personenautoverhuurbedrijven | B |
72 | 62 | - |
|
|
72 | 62 | - | COMPUTERSERVICE- EN INFORMATIETECHNOLOGIE |
|
72 | 62 | A | Computerservice- en informatietechnologie-bureau's e.d. | A |
72 | 58, 63 |
| Datacentra | B |
73 | 72 | - |
|
|
73 | 72 | - | SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK |
|
732 | 722 |
| Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek | A |
74 | 74 | - |
|
|
74 | 63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82 | - | OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING |
|
74 | 63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82 | A | Overige zakelijke dienstverlening: kantoren | A |
7484.4 | 82992 |
| Veilingen voor huisraad, kunst e.d. | A |
75 | 84 | - |
|
|
75 | 84 | - | OPENBAAR BESTUUR, OVERHEIDSDIENSTEN, SOCIALE VERZEKERINGEN |
|
75 | 84 | A | Openbaar bestuur (kantoren e.d.) | A |
80 | 85 | - | ONDERWIJS |
|
801, 802 | 852, 8531 |
| Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs | B |
803, 804 | 8532, 854, 855 |
| Scholen voor beroeps-, hoger en overig onderwijs | B |
85 | 86 | - |
|
|
85 | 86 | - | GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSZORG |
|
8512, 8513 | 8621, 8622, 8623 |
| Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven | A |
8514, 8515 | 8691, 8692 |
| Consultatiebureaus | A |
853 | 871 | 1 | Verpleeghuizen | B |
853 | 8891 | 2 | Kinderopvang | B |
90 | 37, 38, 39 | - |
|
|
90 | 37, 38, 39 | - | MILIEUDIENSTVERLENING |
|
9001 | 3700 | B | rioolgemalen | B |
91 | 94 | - |
|
|
91 | 94 |
| DIVERSE ORGANISATIES |
|
9111 | 941, 942 |
| Bedrijfs- en werknemersorganisaties (kantoren) | A |
9131 | 9491 |
| Kerkgebouwen e.d. | B |
9133.1 | 94991 | A | Buurt- en clubhuizen | B |
93 | 96 | - |
|
|
93 | 96 | - | OVERIGE DIENSTVERLENING |
|
9301.3 | 96013 | A | Wasverzendinrichtingen | B |
9301.3 | 96013 | B | Wasserettes, wassalons | A |
9302 | 9602 |
| Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten | A |
9303 | 9603 |
| Begrafenisondernemingen: uitvaartcentra | A |
9304 | 9313, 9604 |
| Fitnesscentra, badhuizen en sauna-baden | B |
9305 | 9609 |
| Persoonlijke dienstverlening n.e.g. | A |
IIII
Bijlage IX wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJ
Bijlage V wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm1876/2024/5b122e19f14a4d1481956523f01e34bb/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2024/a262e8f6729b4beb94a16454f96936ed/nld@2025‑01‑13;12235845
/join/id/regdata/gm1876/2025/1ca74113be53431fb9b803b569b71111/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/e2396978dd5b4876aba0e919d08e63aa/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/4a7286d30e3b46efa7b988921dd439c2/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/0a9531c7b45745c8a2d4bf4d39c2b1d0/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/f42fb207746d4f15b4b6123b98b35426/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/83bd49e284204df59e85f4312560ba27/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/332e2e1dddcf49c89618dbdade4a6fa4/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/regdata/gm1876/2025/e1c002fff3204b26a83400db77a18e9c/nld@2025‑06‑06;11214391
KKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het omgevingsplan van de gemeente Bronckhorst is als volgt opgebouwd:
In hoofdstuk 1 zijn de algemene bepalingen opgenomen. Dit zijn zowel begripsbepalingen (1.1) als meet- en rekenbepalingen (1.2).
In hoofdstuk 21 zijn de regels voor wijzigingsbesluiten opgenomen. Aan dit hoofdstuk worden regels toegevoegd die van toepassing zijn op ontwikkelingen in de transitiefase. De regels zijn beleidsneutraal omgezet.
In hoofdstuk 22 is de bruidschat opgenomen. Dit zijn rijksregels voor activiteiten die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn overgedragen aan gemeenten. Omdat deze regels op dat moment ook automatisch onderdeel zijn geworden van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, hebben ze hun werking behouden.
Hoofdstuk 23 bevat de slotbepalingen.
De tussenliggende hoofdstukken 2 tot en met 20 zijn dus leeg.
De bijlagen zijn als volgt opgebouwd:
Bijlage II bevat een overzicht van locaties die het werkingsgebied van een juridische regel of tekst vastlegt. Door in de tekst van het omgevingsplan naar het informatieobject te verwijzen krijgt het informatieobject juridische status en is het dus juridisch bindend.
Bijlage I bevat de definitie van begrippen die voorkomen in regels in hoofdstuk 22 in het omgevingsplan. Dit draagt bij aan de uitlegbaarheid en interpretatie van regels.
Bijlage III bevat de meet- en rekenbepalingen.
Bijlage IVVII bevat bevat bijlagen die verbonden zijn aan regels in het omgevingsplan.
Bijlagen VVIII bevat documentbijlagen die verbonden zijn aan regels in het omgevingsplan.
De regels van het omgevingsplan, geografische informatieobjecten en bijlagen bij de regels van de regeling zijn juridisch bindend.
LLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het voorliggende wijzigingsbesluit wordt het tijdelijk deel van het omgevingsplan Bronckhorst gewijzigd. Het voorliggende wijzigingsbesluit maakt deel uit van het proces zoals dat in de gemeente Bronckhorst wordt doorlopen bij het opstellen, het in procedure brengen en het vaststellen van omgevingsplannen. De basis voor dit proces is dat er halfjaarlijks aanpassingen op het omgevingsplan in procedure worden gebracht. In deze zogeheten ‘veegplannen’ worden nieuwe initiatieven en ambtshalve aanpassingen gebundeld in één omgevingsplan. Op basis van ontwikkelplannen voor individuele ontwikkelplannen samengevoegd tot een veegplan. Het veegplan wordt vanaf de ontwerpfase in procedure gebracht. De individuele initiatieven en ambtshalve aanpassingen door de gemeente vormen elk een planonderdeel van het veegplan.
Voorliggend plan is de 2e wijziging van het omgevingsplan.
De onderstaande motivering bespreekt de achtergronden van dit wijzigingsbesluit en de relatie met het wettelijk kader. Naast de motivering wordt er een toelichting gegeven op het omgevingsplan, waarin de technische kenmerken en de juridische uitleg van het plan worden behandeld. Deze toelichting is opgenomen in het wijzigingsbesluit.
De gemeente Bronckhorst werkt sinds medio 2015 volgens een zogeheten ‘veegplansystematiek’ (zie 1.1). Individuele ontwikkelplannen worden gebundeld tot één wijziging van het omgevingsplan welke vanaf de ontwerpfase in procedure wordt gebracht. Overleg en inspraak vindt vooraf plaats aan de hand van individuele plannen. De individuele plannen zijn aan de hand van vooraf gestelde standaarden qua inhoud en vorm opgesteld. Dit kan in opdracht zijn van particuliere initiatiefnemers (inwoners, instellingen, bedrijven), professionele initiatiefnemers (ontwikkelaars) of de gemeente zelf. Door het stellen van heldere kaders qua inhoud en vorm, is er sprake van uniformiteit. Dit komt de leesbaarheid van het plan ten goede. Maar maakt het samenvoegen van de individuele plannen tot één veegplan ook eenvoudiger. Met name bij de opzet van de plantoelichting van ontwikkelplannen en veegplannen is daarmee rekening gehouden.
Onderdeel van het bestemmingsplanproces zoals dat in Bronckhorst is ingericht, is dat bij de voorbereiding van het omgevingsplan de verantwoordelijkheden voor de inhoud van dat plan en het voeren van overleg en inspraak bij de initiatiefnemer of de gemeente kunnen liggen. Dit is afhankelijk van het soort initiatief. Bij een zogeheten A-plan is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor inhoud en proces. Voor inhoud en proces. Bij een B-plan is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de inhoud en de gemeente voor het proces. Bij een C-plan is de gemeente verantwoordelijk voor inhoud en proces.
De motivering van deze wijziging van het Omgevingsplan is als volgt opgebouwd.
Hoofdstuk 2 Planonderdelen
In dit hoofdstuk worden de planonderdelen, die deel uitmaken van de wijziging van het omgevingsplan, toegelicht. Elke paragraaf bevat de evenwichtig toedelen van functies aan locatie van het betreffende planonderdeel. Per onderdeel wordt telkens een inleiding gegeven, een beschrijving van het initiatief en de uitvoerbaarheid. Bij de uitvoerbaarheid wordt ingegaan op toetsing aan het beleidskader, omgevingsaspecten, volkshuisvestelijke aspecten, economische aspecten, maatschappelijke aspecten, overleg en inspraak en wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is. De laatste paragraaf geeft een toelichting op de activiteiten per planonderdeel.
Hoofdstuk 3 Beleidskader
In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 3.1), provinciaal beleid (paragraaf 3.2), regionaal beleid (paragraaf 3.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 3.4).
Het voornemen bestaat om op het perceel Kruisbergseweg 17, Zelhem enkele schuren te slopen en hiervoor in de plaats één levensloopbestendige woning te realiseren. De nieuwe woning zal worden gerealiseerd ten westen van de bestaande woning aan de Kruisbergseweg 17 en ten noorden van de te slopen schuren. Het perceel heeft reeds een woonbestemming, maar binnen deze bestemming is slechts maximaal één woning toegestaan. Daarom wordt middels voorliggend omgevingsplan de bestaan de bestaande woonbestemming opgeknipt tot twee woonbestemmingen. Dit resulteert in het kunnen realiseren van in totaal twee woningen (één op iedere woonbestemminig).
Dit maakt dat de ontwikkeling niet past binnen de juridisch-planologische kaders die ter plaatse gelden op grond van het tijdelijk omgevingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet een wijzigingsbesluit omgevingsplan worden opgesteld. Het voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de wijziging van het omgevingsplan.
Het plangebied is gelegen op het adres Kruisbergseweg 17 te Zelhem. De percelen waarop de ontwikkeling is beoogd zijn kadastraal bekend als ZHM00-V-49 (Zelhem) en ZHM00-V-50 (Zelhem). Navolgende afbeeldingen geven het plangebied (globaal rood omcirkeld) ten opzichte van de omgeving en de globale begrenzing hiervan weer.


Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn de vigerende bestemmingsplannen automatisch opgenomen in het (tijdelijke) omgevingsplan. Zo ook het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Bronckhorst’ dat is vastgesteld door de gemeenteraad van Bronckhorst op 17 mei 2017. Binnen dit bestemminsplan heeft het plangebied de enkelbestemming ‘Wonen’. Naast de enkelbestemming is er nog een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 3’ aanwezig op het plangebied.

Binnen de woonbestemming is onder voorwaarden maximaal één reguliere burgerwoning toegestaan. Ter plaatse van de archeologische dubbelbestemming zijn grenswaarden opgenomen, waarbij bij overschrijding een archeologisch rapport overlegd moet worden waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgelegd.
2.2.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis
Geomorfologie
De ondergrond van het gebied is grotendeels gevormd tijdens de ijstijden. Het plangebied maakt onderdeel uit van een dekzandgebied in het oosten dat zwak afhelt tussen het (hoger gelegen) Oost-Nederlands Plateau en overloopt in het (lager gelegen) rivierenlandschap van het IJsseldal in het westen van de gemeente. De hoogteverschillen binnen het plangebied zijn beperkt, het hoogst is de dekzandrug van 't Zand in het oosten van het plangebied (circa 22 m. boven NAP).Het laagste deel ligt in het rivierenlandschap in het westen van het plangebied (circa 7 m. boven NAP).
Het huidige landschap is ontstaan in de laatste twee ijstijden van het Pleistoceen, te weten het Saalien (200.000-125.000 jaar voor Chr.) en het Weichselien (80.000-8.000 jaar voor Chr.). In het Saalien bereikte het landijs Nederland. Traag voortschuivende landmassa's duwden een serie stuwwallen op. De Utrechtse Heuvelrug, de Veluwe, het Rijk van Nijmegen en het Montferland vormden een muur die de Rijn en Maas naar het westen dwongen. Pas later brak de IJssel door de Gelderse stuwwallen ter hoogte van Arnhem en vormt sindsdien de noordelijke Rijntak. Zo heeft een landijstong onder andere de stuwwal van Montferland opgestuwd en het IJsseldal uitgesleten.
Vóór de ijskap onstond een systeem van vlechtende rivieren. Door die rivieren is veel grind en grof zand afgezet. Dit zand staat bekend als “oude dekzanden”. In het Weichselien lag het landijs benoorden ons land en heerste hier een droog toendraklimaat. Door de schaarse begroeiing kreeg de wind de kans om het zand op grote schaal te verstuiven. Dit stuifzand heeft een fijne structuur en staat bekend als jong dekzand.
Na de ijstijden werd het klimaat warmer en de poolwoestijn veranderde in een gebied met een afwisseling van bossen en natuurlijke weides, doorsneden door beekdalen. De bodem bestond vooral uit dekzandgronden, beekdalen met en beekoverstromingsvlakten. Grote delen van het gebied waren van nature vrij nat. Op plaatsen waar de bodem minder doorlatend was, ontstonden uitgestrekte venen en moerasbossen. Deze zijn door de verbetering van de waterhuishouding en de ontginning van woeste gronden praktisch verdwenen.
Bodemstructuur
In het westen van de gemeente, achter de IJsseldijk, liggen vruchtbare rivierkleigronden die door deze rivier zijn afgezet. De rivierkleigronden gaan geleidelijk over in zogenaamde vaaggronden, kalkloze zandgronden met een zavel- of kleidek. Meestal ontbreekt een goedontwikkelde humuslaag. Verder naar het oosten maken de vaaggronden plaats voor humuspodzolgronden. Deze gronden zijn ontstaan uit mineralogisch arm moedermateriaal dat verrijkt is door de inspoeling van organisch materiaal.
Op de hoger gelegen plaatsen met oude historische bewoningskernen zijn de zogenaamde enkeerdgronden ontstaan. Dat zijn akkerbouwgronden die in de loop van honderden jaren door de mens zijn opgehoogd met organische mest vermengd met heide- of grasplaggen. Op de hoger gelegen delen van het dekzandgebied liggen verder ook de zogenaamde beekeerdgronden. Deze gronden die iets lager liggen dan de omgeving bestaan uit afzettingen van vroegere beken. Ze zijn relatief vochtig en vruchtbaar doordat zij een vrij hoog gehalte aan organisch materiaal bevatten.
Een uniek gebied is ’t Zand. Dit is een stuifzandgebied van vrij jonge datum. Deze gronden zijn de laatste eeuwen door de mens of door de natuur niet meer met organisch materiaal of meststoffen verrijkt. Door de relatief hoge ligging en de zandige ondergrond die geen water tegenhoudt loogt het weinige organische materiaal voortdurend uit de bodem waardoor een zeer humusarme grond resteert.
Plaatselijk zijn in de lage gebieden onder natte omstandigheden veen- en moerige gronden gevormd.
Occupatie door de mens
Van oudsher vestigden de mensen zich op de overgangen van het hoger gelegen droge dekzandgebieden naar de lager gelegen vochtige beekdalen en broekgebieden.
Zoals eerder vermeld werden de dekzandruggen veelal als bouwland gebruikt. Het vee werd in de lager gelegen beekdalen en broekgronden geweid en de schapen op de hoger gelegen heidevelden. In de potstal werd de mest van deze dieren gemengd met heide en gras om vervolgens als bemestingsmateriaal te dienen voor de akkers. Uitputting van de bodem en verstuiving van de gronden zonder bomen en bouwlanddek betekenden een permanente bedreiging van het bestaan. De verstuiving werd door de boeren aan banden gelegd door de aanplant van bos en de aanleg van houtwallen die tevens als veekering konden dienen. Het al of niet door bomen en houtwallen beschutte bouwland dat eigendom was van één boer werd “kamp” genoemd. Deze kampen kwamen vooral tot stand in gebieden met een grote afwisseling van grondsoorten en hoogteverschillen binnen een relatief klein gebied. Zij overheersten vroeger het ruimtelijke beeld in het plangebied. Een belangrijk deel van dit kampenlandschap in het plangebied is in de afgelopen eeuwen door grote grondeigenaren omgezet in landgoederen. Op deze landgoederen zijn bossen aangelegd, met name ten bate van de houtexploitatie en de jacht. De landgoederen vormen met hun lanen en oude loofbossen bijzondere elementen in het dekzandgebied. Het meestal geometrisch grondpatroon contrasteert opvallend met het onregelmatig patroon van het omringende esdorpen- en hoevenlandschap.
De hoger gelegen droge gronden met een homogeen karakter vormden een ideale locatie voor het ontstaan van “enken”, dat wil zeggen aaneengesloten bouwlandcomplexen die bij meerdere boeren in eigendom waren. Evenals de nederzettingen werden de boerderijen gevestigd op de overgangen van hoog naar laag.
Tot in het midden van de vorige eeuw is de gebrekkige waterafvoer een beperkende factor voor het grondgebruik geweest. In 1804 is er in het plangebied al een begin gemaakt met de verbetering van het afwateringssysteem. Verdere verbeteringen zijn in de loop van de 20ste eeuw onder andere bereikt.
De invoering van de kunstmest betekende het einde van de oude vorm van gemengd bedrijf, waarbij de boer de dierlijke mest nodig had om zijn akkers vruchtbaar te houden. Verder maakte het gebruik van kunstmest de grootschalige ontginning mogelijk van de voorheen extensief gebruikte heidevelden, en de omzetting van deze velden in akkers, weiland of productiebos. Een voorbeeld van zo’n jong ontginningenlandschap is het agrarische gebied ten oosten van Hengelo.
Door de betere bemesting en de regulering van de waterhuishouding vervaagde in de zandgebieden het zichtbare verschil tussen de hoge droge bouwlanden en de lage vochtige graslanden. Prikkeldraad maakte het oprichten van nieuwe houtwallen en het zorgvuldige beheer van de bestaande houtwallen als veekering overbodig. Hierdoor verdwenen deze elementen geleidelijk uit het landschap.
2.2.2.1.2 Ruimtelijke structuur en functionele structuur
Het plangebied is gelegen aan de westzijde van de Kruisbergseweg 17 tussen de kernen Doetinchem en Zelhem. Deze weg vormt een belangrijke verbinding tussen deze kernen. Parrallel aan de Kruisbergseweg ligt een fietspad. De inrit naar de bestaande en beoogde woning binnen het plangebied vormt tevens de inrit naar de woning aan de Kruisbergseweg 15. De directe omgeving van het plangebied wordt hoofdzakelijk gevormd door agrarische percelen en veelal vrijstaande (bedrijfs)woningen. In de omgeving zijn daarnaast een aantal agrarische bedrijven gevestigd. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid betreft de kwekerij aan de zuidzijde van het plangebied.

Kenmerkend voor het grondgebied van Bronckhorst zijn de vele beeklopen en watergangen. Het landschap is een landschap van laaglandbeken verdeeld in diverse kleine stroomgebieden. Veel beken ontspringen net over de grens in Duitsland en stromen vandaar in westelijke richting naar de IJssel, maar sommige ontspringen in het gebied zelf. Het water heeft het landschap gevormd tot 30 à 40 jaar geleden. Vanaf die tijd zijn de waterlopen zo onder controle gebracht via kaden en stuwen dat water ongeacht de hoogte van (piek) afvoer in het stroombed blijft. Daarmee hebben veel waterlopen hun oorspronkelijke karakter, waar in meer of mindere mate van meandering sprake was, verloren.
Op en rondom het perceel zijn geen kavelsloten en greppels aanwezig om het overtollige regenwater van het perceel af te voeren. Alle hemelwater infiltreert ter plaatse in het plangebied.
De bodem bestaat in de deklaag uit klei en fijn zand. Het eerste en tweede watervoerend pakket bestaat uit grof zand en daartussenin bestaat de scheidende laag uit klei. Het grondwater stroomt in zuidwestelijke richting. De grondwaterstand is afhankelijk van de waterstand in de IJssel.
2.2.2.1.4 Landschaps- en natuurwaarden
De ruimtelijke structuur van het landelijk gebied is te kwalificeren als een essen/enken- en kampenlandschap. Karakteristiek voor dit landschapstype zijn onder andere de bolle ligging van de gronden, de zichtbare hoogteverschillen in de vorm van steilranden, het kronkelige verloop van wegen, de verspreide bebouwing op de kampen en de lintbebouwing rondom de essen of enken. Deze lintbebouwing is in enkele gevallen uitgegroeid tot buurtschappen met een eigen identiteit. De openheid van het landschap wordt afgewisseld met bomenrijen en bosschages.
2.2.2.1.5 Archeologie en cultuurhistorie
Cultuurhistorie
Het landschap is een bron van informatie over het verleden. Het landschap ontleent haar cultuurhistorische waarde aan de sporen die door menselijke activiteiten, zoals bouwen, bemesten en ontginnen, zijn achtergelaten. Het landschap en de landschappelijke basis vormen een archief vol aanwijzingen over het leven en werken van mensen in vroeger tijden. Voorbeelden zijn molens, grafheuvels, poelen, enkeerdgronden en escomplexen. Beeldbepalend in het buitengebied is ook (nog steeds) de sterke verwevenheid van natuur en landbouw: cultuurgronden, bossen en landschapselementen zoals houtwallen, bosjes, solitaire bomen, poelen, zandwegen, bloemrijke bermen, slootkanten en steilranden wisselen elkaar af.
Heel globaal valt Bronckhorst landschappelijk in te delen in het rivierengebied, de overgangszone en het hoge zandgebied. Op basis van historisch gegroeide patronen, het reliëf en de bebouwing kan onderscheid gemaakt worden tussen een vijftal verschillende landschapstypen binnen de gemeente Bronckhorst:
IJsselland: een open en wijds rivierlandschap met oude bewoningskernen op de rivierduinen in het westen van de gemeente;
Broekland: een grootschalig, open waterrijk gebied aan weerszijden van de Grote beek in het midden van de gemeente;
Oud cultuurland: een halfopen tot besloten gebied met een onregelmatige verkaveling in het midden en zuiden van de gemeente;
Landgoedland: een gevarieerd kleinschalig en besloten gebied met historische ensembles van kastelen, landgoederen, landhuizen en pachtboerderijen in een parkachtig landschap met bossen en landbouwgronden in het noordoosten van de gemeente;
Velden: jonge veldontginningen van natte veen- en heidegebieden in het zandlandschap met een open karakter en rechtlijnige verkaveling in het zuidoosten van de gemeente.
Daarnaast kunnen ook vijf deelgebieden worden onderscheiden op basis van de geografische situering nabij de grotere bewoningskernen binnen de gemeente, waarbij het gebied in deelgebied Zelhem en omgeving is gelegen. Binnen dit gebied liggen Halle en de buurtschappen: Halle-Heide, Halle-Nijman, Heidenhoek, Meene, Oosterwijk, Velswijk, Wassinkbrink, Wittebrink en Wolfersveen. Landschappelijk ligt dit deelgebied ook hoofdzakelijk in het Oud cultuurland. De belangrijkste kenmerken betreffen:
Knooppunt van oude verbindingswegen;
Essencomplex tussen laag broekgebied en hoger dekzandplateau met venen en heide;
Halse rug met zichtbaar hogere ligging in het landschap;
Eeuwenoud agrarisch karakter;
Zeer oude nederzettingsgeschiedenis;
Boerderijen van het type rechthoekige hallehuizen. Ook varianten in T-vormen komen voor.
Archeologie
Op de Oostnederlandse zandgronden waarop het plangebied ligt bestaat een zeer sterke relatie tussen bepaalde landschappelijke eenheden en het voorkomen van archeologische resten. In het verleden werden bijna zonder uitzondering droge, hoger gelegen zandgronden gebruikt om te wonen, te werken en te begraven. Het gebied werd in het verleden gekenmerkt door een zeer grote afwisseling tussen hoge droge en vochtige natte gebieden binnen een relatief kleine oppervlakte. Deze afwisseling bood de bewoners een breed scala aan vestigings- en bestaansmogelijkheden. Tot aan het begin van de Late Middeleeuwen werden vrijwel zonder uitzondering alleen de hoger gelegen, goed ontwaterde zandgronden in de nabijheid van het open water bewoond, waaronder de dekzandruggen, de rivierduinen en de droge delen van de stuwwallen. De laag gelegen delen waren nagenoeg onbewoonbaar door het ontbreken van een gereguleerde waterhuishouding. De oudste droge bewoningsplekken herbergen dan ook vaak een waardevol bodemarchief. De lagere delen zijn over het algemeen in archeologische zin weinig waardevol.
De archeologische verwachtingswaarde van het gebied is vastgelegd op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart, die op 24 september 2009 door de gemeente is vastgesteld. Deze kaart is grotendeels gebaseerd op landschappelijke gegevens met betrekking tot de bodemgesteldheid en de geomorfologie. Ook zijn gegevens over de hoogte van het terrein benut. Op deze kaart is af te lezen in welke gebieden een hoge, middelhoge of lage kans bestaat op het aantreffen van een waardevol archeologisch bodemarchief. Daarnaast zijn de bekende archeologische vindplaatsen en terreinen binnen de gemeente op deze kaart opgenomen.
Het plangebied is gelegen in een gebied met een middelhoge verwachtingswaarde (Waarde – Archeologische verwachting 3). Dit betekent dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 5.000 m2 de aanvrager een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
2.2.2.2.1 Beeldkwaliteitseisen
In de welstandsnota van de gemeente Bronckhorst is opgenomen welke criteria ten grondslag liggen aan elke planbeoordeling. Deze criteria vormen daarmee een onderlegger voor gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. Het plangebied is volgens de welstandsnota gelegen in de zone ‘Agrarisch buitengebied'.
Kenmerken ‘Agrarisch buitengebied’
Het agrarisch buitengebied van de gemeente Bronckhorst heeft een gevarieerd landschap, van open gebieden langs de IJssel tot meer besloten landschappen met landgoederen en beekdalen. Traditionele agrarische bebouwing, zoals hallehuizen, T-boerderijen en krukhuisboerderijen, zijn typerend voor de regio. Tegenwoordig zijn er ook modernere agrarische bedrijven met grotere schuren, maar het aantal functionerende agrarische complexen is afgenomen. De bebouwing bestaat vaak uit een tot twee bouwlagen met zadeldaken, rode bakstenen gevels en grijze dakpannen. Daarnaast zijn er ook burgerwoningen, bedrijven zonder agrarische functie en recreatiegebieden te vinden. Historische details zoals segmentbogen en versieringen komen bij sommige boerderijen voor.
Criteria agrarisch buitengebied
In de welstandsnota staan een aantal welstandscriteria beschreven. Het reikt te ver om alle welstandscriteria hier te benoemen. In het kort worden er eisen gesteld aan de situering, massa en vorm, materiaal en kleurgebruik en detaillering.
Situatie plangebied
Met voorliggend plan worden verouderde bijgebouwen gesloopt en vervangen door een landschappelijk ingepaste burgerwoning met netto een kleiner oppervlakte. De woning past qua kleur, schaal en materiaalgebruik bij de omgeving. Geacht wordt dat dit een zekere positieve invloed heeft op de omgevingskwaliteit binnen en rondom het plangebied. Het plan is als principeverzoek positief beoordeeld door Welstand.
2.2.2.2.2 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing
Ruimtelijke inpassing
Het realiseren van een levensloopbestendige schuurwoning ter vervanging van een aantal verouderde bijgebouwen wordt als een passende invulling voor het plangebied gezien. Om de schuurwoning passend in te passen in de omgeving is gekeken naar de uitstraling van het gebouw, wijze van ontsluiten en zichtlijnen vanuit de woningen en vanaf de Kruisbergseweg. Tevens is de vergelijking gemaakt met het huidige landelijke karakter. Op dit moment staat er een langwerpige schuur van circa 25 meter lengte. Na een korte onderbreking staat er nog een kleinere schuur (die gesloopt zal worden) en een grotere berging/garage (die behouden blijft). Door het bouwen van de woning zal het gebouw ten opzichte van de erftoegangsweg dichterbij de weg komen te liggen. Hierdoor komt de schuurwoning te liggen in lijn met de te behouden berging/garage én de bestaande woningen op nummer 15 en 15a, waardoor de woning beter zichtbaar wordt vanaf de Kruisbergseweg. Zodoende is gekozen voor een landelijke look en aardse tinten. Hierdoor kan het gebouw op zichzelf al goed opgaan in de omgeving, maar is de uitstraling wel aanzienlijk verbeterd ten opzichte van de huidige vervallen schuur.
Landschappelijke inpassing
Wanneer gekeken wordt naar de omgeving, is duidelijk dat het gaat om een typisch landelijk gebied. In dit geval ligt in het zuiden (direct aan de tuin van de bestaande woning) een bosschage. Het naastgelegen agrarische bedrijf wordt afgeschermd door een haag en een bomenrij. Aan de westzijde van het perceel bevindt zich eerst een agrarisch perceel en vervolgens een erftoegangsweg omlijnd met een dubbele bomenrij. Op het eigen perceel staat ook een rij met solitaire bomen. Dit alles geeft een landelijke en groene uitstraling waarbij openheid en (solitaire) bomen elkaar afwisselen.
Om het geheel passend aan te kleden, is gekozen om ook hier een rij met solitaire (fruit)bomen te planten. Door het strategisch plaatsen van de fruitbomen naast de woning wordt de woning voor de buren deels aan het zicht onttrokken en krijgt de woning een groene aankleding. Indien gewenst, kunnen ook in het grasland nog een rij met bomen geplaatst worden, soortgelijk aan de bestaande bomen op dit perceel. Om de nieuwe bewoners van de bestaande woning hun privacy te geven en tevens aan te sluiten bij de inpassing van het naastgelegen agrarische bedrijf, zal tevens een haag worden geplant aan de zuidoostzijde van de nieuwe woning. Hiermee komt de woning ‘in het groen’ te liggen, maar sluit het landschap tevens aan bij de bestaande omgeving. Dit versterkt de zichtlijnen en uitstraling van deze hoek met woningen en bedrijvigheid.
Water
Als gevolg van de ontwikkeling worden geen watergangen gedempt of anderszins aangetast. Verder zal het netto verhard oppervlak afnemen, waardoor geen knelpunten in het kader van waterberging worden verwacht.
De initiatiefnemer is voornemens een levensloopbestendige schuurwoning van maximaal 400 m³ te realiseren ten westen van de bestaande woning aan de Kruisbergseweg 17 te Zelhem. Als ontwerp is gekozen voor een schuurmodel, zodat de woning goed past binnen het karakter van de omgeving. Ook op het gebied van omvang en materiaalgebruik zal de woning bijdragen aan de kwaliteit van het landschap.
Op het perceel zullen twee bestaande bijgebouwen met asbestdaken worden gesloopt. De woning zal bereikbaar worden via de bestaande inrit aan de noordoostzijde. De geplande woning wordt iets noordelijker gepositioneerd dan de huidige woning, wat zorgt voor een eigen zichtlijn richting de Kruisbergseweg. Dit zorgt voor voldoende privacy tussen de woningen onderling. De ontwikkeling zorgt zo voor een kwaliteitsimpuls van het erf met een moderne uitstraling.
In navolgende afbeeldingen is een plattegrond van de beoogde situatie weergegeven en een impressie van de beoogde schuurwoning.


Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
duurzaam economisch groeipotentieel
sterke en gezonde steden en regio's
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Voor kleinschalige lokale ontwikkelingen is er geen directe binding met de maatschappelijke opgaven uit de NOVI. Wel kan gesteld worden dat de uitgangspunten van de voorgenomen ontwikkeling passend zijn binnen de uitganspunten van de NOVI.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving is één van de vier AMvB’s die invulling geven aan de Omgevingswet.
Het project raakt geen nationale belangen en is niet in strijd met het gegeven uit het Bkl.
Ladder van duurzame verstedelijking
De Ladder van duurzame verstedelijking is van toepassing op projecten waar sprake is van een toename van meer dan 11 woningen.
Met onderhavig plan is er sprake van een toename van slechts één woning. De Ladder van duurzame verstedelijking hoeft zodoende niet doorlopen te worden.
2.2.2.3.1.2 Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
De omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie Gaaf Gelderland beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn. Deze zijn onderverdeeld in zeven thema’s, te weten energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.
Ten aanzien van voorliggend plan kan gesteld worden dat deze ontwikkeling passend is binnen de kaders van de omgevingsvisie. Voorliggend plan voorziet in de toevoeging van één levensloopbestendige woning. Daarnaast worden twee verouderde bijgebouwen gesloopt. Hiermee zorgt de voorgenomen ontwikkeling voor geschikte huisvesting voor een specifieke doelgroep en een kwaliteitsimpuls van de omgeving. Het plangebied is niet gelegen in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of de Groene Ontwikkelingszone (GO) van de Gelderland.
Omgevingsverordening
De omgevingsverordening is de uitwerking van de omgevingsvisie in juridische regels. Hoewel het plangebied niet is gelegen binnen het GNN en de GO, is het plangebied wel gelegen in de ‘Gelderse streek Achterhoek’. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Achterhoek wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap.
Met onderhavig plan worden twee verouderde bijgebouwen verwijderd en wordt een compacte levensloopbestendige schuurwoning teruggebouwd. De woning zal landschappelijk worden ingepast met zoveel mogelijk streekeigen beplanting. Geacht wordt dat de ontwikkeling zal zorgen voor een kwaliteitsimpuls van het erf, welke in lijn is met de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van de Gelderse streek ‘Achterhoek’. Op basis van het hiervoor genoemde kan geconcludeerd worden dat voorliggend plan past binnen de kaders van het beleid van de Provincie Gelderland.
Rijksbeleid - Nationaal Waterprogramma 2022-2027
Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd:
waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit);
waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater;
waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem;
in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit;
realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂¬arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur;
verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit;
behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.
Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities:
een veilige en klimaatbestendige delta;
een concurrerende, duurzame en circulaire delta;
een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de Rijn-Maasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).
In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden.
Provinciaal beleid - Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027
Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland.
Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s:
Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem.
Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd.
Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland.
In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen.
Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel
Op 21 december 2021 is het waterbeheerprogramma van waterschap (WPB) Rijn en IJssel vastgesteld en vervangt het Waterbeheerplan 2016-2021. In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap Rijn en IJssel voor de periode 2022 – 2027 op welke wijze gezorgd wordt voor: een goede bescherming tegen hoog water, een goed functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater
Het waterbeheerprogramma zoekt verbinding met het werk van de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders.
Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap:
Naar een betere balans tussen nat en droog en gebiedsgerichte aanpak: klimaat robuust gebied;
Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water;
Afstemming van functies op de draagkracht van het systeem en een gezond watersysteem: gezonde leefomgeving;
Afvalvermindering, wendbare keten: Circulaire economie en energietransitie.
Het programma is, naast in deze thema’s, ook in verschillende deelgebieden uitgewerkt. De kenmerken, de ontwikkelingen en de opgaven die gebiedsspecifiek zijn worden achter elkaar weergegeven.
Het beleid is verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap, zoals de verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
De toetsing aan het waterbeleid vindt plaats in paragraaf ‘Water’. Geconcludeerd wordt dat het plan in lijn is met het waterbeheerprogramma van het rijk, de provincie Gelderland en Waterschap Rijn en IJssel.
2.2.2.3.1.4 Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Bronckhorst 2035
De Omgevingsvisie Bronckhorst 2035 is op 24 februari 2022 vastgesteld. De kern van de visie is ‘Bronckhorst twee keer zo mooi’. De dorpen en buurtschappen ontwikkelen zich op hun eigen manier, passend bij hun karakter en identiteit. Alle inwoners dragen actief bij aan hun gemeenschap, waarbij activiteiten, cultuur en tradities floreren.
Er is ruimte voor ondernemerschap, met technologische en ambachtelijke bedrijven die de regio kenmerken. Bronckhorst heeft zich gevestigd als ontwikkelaar van gezonde en innovatieve agrofoodproducten. De bedrijven in de regio creëren banen die zorgen voor interessant en passend werk. Er zijn voldoende woningen beschikbaar, zodat inwoners in hun eigen gemeenschap kunnen blijven wonen. Binnen 20 minuten fietsen zijn de basisvoorzieningen aanwezig voor een prettig leven. De leefomgeving stimuleert deelname, beweging en ontmoeting.
Inwoners en bezoekers genieten van de prachtige en veelzijdige landschappen. Kenmerkende groenstructuren, bomen, andere landschapselementen en het rijke erfgoed worden verder versterkt. Het natuurlijke systeem is in balans en veerkrachtig, met goede kwaliteit van bodem, water en lucht. Het landschap is in staat de effecten van het veranderende klimaat op te vangen. Boeren voeren een gezonde bedrijfsvoering, met zorg voor de omgeving en oog voor dierenwelzijn.
Op deze manier wordt invulling gegeven aan de vele opgaven die de komende vijftien jaar te wachten staan. Bronckhorst zal veranderen: er komen woningen, bedrijven en locaties voor de opwekking van hernieuwbare energie. Gemeenschappen en landschappen zullen zich met deze veranderingen mee ontwikkelen, zoals ze dat al eeuwen doen. In de komende jaren wordt Bronckhorst zo twee keer zo mooi.
Deze ambities zijn vertaald naar concrete doelen voor 2035. Deze doelen helpen bij het formuleren van gerichte acties en het al dan niet ondersteunen van initiatieven van inwoners.
Het realiseren van één levensloopbestendige schuurwoning draagt bij aan het realiseren van voldoende woningen voor de juiste doelgroepen. Daarnaast draagt de kwaliteitsimpuls van het erf bij aan het creëren van een prettige omgeving, waarin inwoners en bezoekers kunnen genieten van de prachtige en veelzijdige landschappen binnen de gemeente.
2.2.2.3.2.1 Milieueffectrapportage
Algemeen
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
Toetsing
Onderhavig plan betreft een de realisatie van één schuurwoning binnen de reeds aanwezige woonfunctie. Gezien de zeer beperkte toename in het aantal woningen zijn er niet tot nauwelijks milieueffecten te verwachten. Dit maakt, gelet op de aard en omvang (één woning), dat gesteld wordt dat er geen sprake is van een ‘Stedelijk ontwikkelingsproject’ zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het doorlopen van een m.e.r.-beoordeling is zodoende niet nodig.
Conclusie
Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling of milieueffectrapport is niet nodig.
Algemeen
Op 28 maart 2019 heeft de gemeenteraad de "Routekaart Energieneutraal Bronckhorst 2030" vastgesteld. Gelijktijdig is besloten om het "Koersdocument Duurzame energie in de Achterhoek; zichtbaar, merkbaar, onmiskenbaar" vast te stellen en om deel te nemen aan het “Fonds stimulering energietransitie Achterhoek” en ten behoeve van de oprichting en het beheer van dit fonds een stichting op te richten en een fondsbeheerder aan te stellen.
Routekaart
Het einddoel is dat de gemeente Bronckhorst in 2030 net zoveel duurzame energie opwekt als deze in totaal aan energie verbruikt. Het energieverbruik vermindert met 45% ten opzichte van het verbruik in 2015. De rest van de energie die wel wordt verbruikt, komt in zijn geheel uit duurzame (lokale) bronnen. Het doel 2030 energieneutraal staat vast. Met deze Routekaart stelt Bronckhorst tevens twee tussendoelen vast.
Doel 2022: 15% schone energieopwekking en 10% besparing energieverbruik
Doel 2026: 45% schone energieopwekking en 25% besparing energieverbruik
Doel 2030: 100% schone energieopwekking en 45% besparing energieverbruik
In de Routekaart is gekozen voor een combinatie van duurzaam opwekken van stroom en het winnen van warmte uit diverse bronnen. Bronckhorst zet nadrukkelijk in op alle mogelijk duurzame bronnen. Diverse scenario's van een goed gebalanceerde energiemix zijn mogelijk.
Om de doelstelling te halen is verbreding van de samenwerking met inwoners en ondernemers noodzakelijk. Ook de dorpsbelangenorganisaties, energiecooperaties en maatschappelijke organisaties in Bronckhorst hebben een cruciale rol in de energietransitie. Zij krijgen een rol in een "Raad van Inspiratie" om hen te betrekken bij de uitvoering van de Routekaart. Alle partijen dragen immers bij aan deze verandering.
De gemeente neemt een belangrijke rol op zich door te informeren, stimuleren, faciliteren en zelf het goede voorbeeld te geven. Draagvlak en draagkracht staan daarbij centraal, omdat de gemeente graag wil dat de stappen op de Routekaart voor iedereen haalbaar en betaalbaar zijn.
De Routekaart schept een kader, die voor uitvoering nader uitgewerkt zal worden:
Het streven naar inzet van alle geschikte daken voor het opwekken van zonne-energie.
Het streven naar kleinere zonneparken op land (rond 2 ha) die goed ingepast kunnen worden en een groot zonneveld (>10 ha), zodat Liander de infrastructuur hierop kan aanpassen.
Het uitdagen van initiatiefnemers om zich maximaal in te zetten voor een meervoudig grondgebruik, met landbouw, natuur of andere geschikte doeleinden.
De keuze voor windmolens in clusteropstelling en geen medewerking aan solitaire windmolens. Om het aantal zoveel mogelijk te beperken, is het streven gericht op grotere efficiente varianten.
Bij windmolens is lokale participatie en eigendom van burgers en bedrijven een randvoorwaarde. Partijen werken gelijkwaardig samen in de ontwikkeling, bouw en exploitatie, zoals uitgesproken in het klimaatakkoord.
Gezien het verdienmodel van grootschalige opwek moet de opbrengst zoveel mogelijk ten goede komen aan de lokale omgeving.
Kleine windmolens voor eigen gebruik zijn, met uitzondering van woonwijken, toegestaan tot twee per perceel op het bouwblok.
Minimaal 50% lokaal eigendom van zonnevelden en windenergie. Deze eigendomsverdeling (50% van de productie voor de lokale omgeving) is een harde eis voor medewerking.
Een inspanningsverplichting voor de participatie in de planvorming van omwonenden van energieprojecten.
Een inspanningsverplichting voor de participatie in de financiele revenuen van een zonnepark of windproject door de mogelijkheid van individueel mede-eigenaarschap en door een omgevingsfonds. Het omgevingsfonds wordt door de initiatiefnemers met een redelijk bedrag gevuld. Een lokaal bestuur kan met deze bijdrage investeren in de leefbaarheid van de directe omgeving of in duurzame projecten.
Koersdocument
Het Koersdocument is de basis waarop initiatieven voor duurzame energieopwekking worden getoetst en deze ruimtelijk worden ingepast. Het biedt inwoners en lokale initiatieven en ondernemers de mogelijkheid om mee te doen en mee te kunnen beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Daarnaast geeft het initiatiefnemers een handelingsperspectief waarmee zij projecten voor duurzame energieopwekking tot ontwikkeling kunnen brengen in de gemeente Bronckhorst. Het Koersdocument draagt daarmee bij aan het intensiveren van de beweging naar een energieneutraal Bronckhorst in 2030. Met dit Koersdocument wordt een zeer belangrijke stap gezet om invulling te gegeven aan de Routekaart.
Aanjaagfonds
Het Aanjaagfonds dient als aanjager en financieel middel voor lokale initiatieven. Met dit fonds kan de ontwikkelkosten van lokale (Achterhoekse) inwoners initiatieven voor duurzame energieopwekking worden voorgefinancierd en wordt de slagingskans van deze projecten vergroot. Bij de ontwikkelkosten vallen ondermeer de kosten voor de MER, vergunningen, technisch ontwerp, financieel en juridisch). Het is een fonds waar de lokale initiatieven gebruik van kunnen maken en bij realisatie van duurzame energieprojecten zij het weer terug moeten storten in het Aanjaagfonds.
Samenhang Routekaart, Koersdocument en Aanjaagfonds
De Routekaart is een realistisch en daadkrachtig plan om samen met alle betrokkenen aan de slag te gaan met de energietransitie. De Routekaart beschrijft de weg naar Bronckhorst energieneutraal in 2030 en vormt de start voor de uitvoering. Het Koersdocument en het Aanjaagfonds zijn instrumenten om invulling te geven aan het behalen van de doelstelling. Het Koersdocument is de basis waarop we initiatieven voor duurzame energieopwekking willen toetsen en ruimtelijk willen inpassen. Het biedt inwoners, lokale initiatieven en ondernemers de mogelijkheid om mee te doen en mee te beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Het Aanjaagfonds is een instrument die voor lokale initiatieven het financieel mogelijk maakt om duurzame energieprojecten te realiseren. We helpen hen daarmee om een versnelling in de duurzame energieopwekking op gang te brengen.
Toetsing
De realisatie van één woning is een relatief kleine ontwikkeling waarbij maar beperkt mogelijkheden bestaan voor duurzame energieopwekking. De woning zal voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG), wordt gasloos opgeleverd en het hemelwater wordt geïnfiltreerd op het eigen perceel.
Conclusie
Het aspect duurzaamheid zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Algemeen
Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Toetsing
Vanwege de realisatie van bodemgevoelige objecten in de vorm van een woning is er een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform de NEN 5740 en NEN 5897 uitgevoerd om te bepalen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik.
Uit het onderzoek zijn In de bodem is zintuiglijk geen asbest aangetroffen. Analytisch is maximaal 0,2 mg/kg d.s. aan gewogen asbest aangetoond. In de vaste bodem zijn sterk verhoogde gehalte aan arseen en een licht verhoogd gehalte aan zink aangetoond. De aangetoonde gehalte aan arseen hebben een natuurlijke oorzaak en vormen derhalve geen aanleiding tot nader onderzoek. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan barium aangetoond. Het aangetoonde gehalte vormt geen aanleiding tot nader onderzoek.
Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit voldoende vastgelegd en bestaan er geen bezwaren voor de voorgenomen bestemmingswijzing en nieuwbouw op de locatie. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor wat betreft het aspect bodem.
Algemeen
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.
Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen
De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn.
Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen.
Geluid door activiteiten
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van:
activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen;
geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte.
Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66).
Voorafgaand de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd gewerkt met de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. Hierin is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt ervan uit gegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. In de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met de term inrichting en wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Omdat in voorliggende situatie het gemeentebrede omgevingsplan nog niet gereed is en daarmee de bestemmingsplannen nog onderdeel uitmaken van omgevingsplan, is het kader van de VNG-publicatie nog wel relevant. Onder de Omgevingswet worden echter alleen nog de aspecten geluid en geur meegenomen in de afweging evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Toetsing
Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen
Met onderhavige ontwikkeling wordt een geluidsgevoelige gebouw mogelijk gemaakt. De woning wordt gezien vanaf de Kruisbergseweg achter de bestaande woning gerealiseerd. Er is geen reden om aan te nemen dat hier mogelijk sprake zal zijn van een overschrijding van de standaardwaarde. Zodoende kan een toetsing aan geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen achterwege blijven.
Geluid door activiteiten
Met voorliggend initiatief worden geen hinderveroorzakende activiteiten mogelijk gemaakt. Wel betreft de beoogd woning een functie die mogelijk hinder kan ondervinden van geluid door activiteiten in de omgeving. De dichtstbijzijnde en meest relevante hinderveroorzakende functie in de omgeving is de kwekerij ten zuiden van het plangebied. Deze kwekerij ligt echter op ruim voldoende afstand, waardoor hiervan geen hinder verwacht hoeft te worden. Ditzelfde geldt voor overige hinderveroorzakende functie in de omgeving.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect geluid.
Algemeen
Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.
Ook voor activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied is het toetsen aan de omgevingswaarden van belang. Deze activiteiten kunnen immers zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt, maar hier mogelijkerwijs wel invloed op kan hebben. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Ook in dat geval wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de beoogde activiteit(en) niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden:
bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal);
bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt;
bij de aanleg van een auto(snel)weg.
Toetsing
Dit project voorziet in de netto toevoeging van één woning. De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. Daaruit volgt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de EU.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit.
Algemeen
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
1.9.1.9.1.1.1.5 bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen;
1.9.1.9.1.1.1.6 bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven).
Aanvaardbare geurhinder
De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.
Toetsing
De ontwikkeling voorziet niet in nieuwe geurveroorzakende activiteiten. In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich wel enkele geurveroorzakende activiteiten. Het betreft drie veehouderijen welke op minimaal 300 meter afstand liggen. Daarnaast geldt dat in alle gevallen reeds maatgevende hindergevoelige functies aanwezig zijn. Een nadere beschouwing van dit aspect is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geur.
2.2.2.3.2.7 Milieubelastende bedrijfsactiviteiten
Algemeen
Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Voor de invoering van de Omgevingswet werd dit aspect behandeld in de paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering’.
Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: ‘rustige woonwijk’, ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’.
Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een hindergevoelig gebouw binnen een bestaande woonbestemming. Met het toevoegen van een extra woning wordt geen de mogelijkheid voor het realiseren van hindergevoelige functies niet groter dan in de huidige situatie. Daarnaast geldt dat er in de directe omgeving geen milieubelastende bedrijfsactiviteiten aanwezig zijn die mogelijk hinder veroorzaken op de beoogde woning. Daardoor hoeft er geen verdere toetsing voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten plaats te vinden.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect milieubelastende bedrijfsactiviteiten.
2.2.2.3.2.8 Omgevingsveiligheid
Algemeen
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.
Groepsrisico
Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.
Toetsing
De navolgende afbeelding betreft een uitsnede uit de risicokaart waarop de relevante risicobronnen in de omgeving zijn aangeduid.

Uit gegevens van de Atlas Leefomgeving blijkt dat er in de omgeving van het plangebied één enkele risicobron is gesitueerd, in de vorm van een buisleiding.
Gezien de grote afstand tot deze buisleiding is geen verdere onderbouwing van het aspect omgevingsveiligheid noodzakelijk.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingsveiligheid.
Algemeen
De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit.
Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. Het waterschap maakt onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang:
Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig.
Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien.
Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding.
Toetsing
Uit de digitale watertoets blijkt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat geen van de waterschapsbelangen raakt. Er zijn op basis van de check geen acties noodzakelijk.
Waterberging
Met voorliggende ontwikkeling worden twee bijgebouwen gesloopt en één compacte schuurwoning teruggebouwd. Door het slopen van twee bijgebouwen zal het totaal aantal vierkante meters aan verhard oppervlak afnemen. In de huidige situatie is op het perceel ook geen probleem met waterberging. Dit tezamen maakt dat verwacht wordt dat het aspect waterberging geen belemmering zal vormen.
Legger
Raadpleging van de interactieve leggerkaart wijst uit dat het plangebied niet in of direct naast een watergang of waterkering is gelegen. Het plangebied is zodoende niet gelegen in een beschermingszone en er hoeft geen oppervlaktewater gedempt te worden. Het is derhalve op dit punt niet nodig om watercompensatie door te voeren. De dichtstbijzijnde watergang is gelegen aan de overzijde van de Kruisbergseweg (gezien vanaf het plangebied). Een uitsnede van de interactieve leggerkaart is navolgend weergegeven met het plangebied globaal rood omlijnd.

Algemeen
Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zet Gelderland zich vooral en eerst in op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt Gelderland de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maakt afspraken over hoe de provincie met de risico’s omgaat.
Ambities
In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. De provincie is goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.
In 2020 heeft de provincie samen met partners de risico’s en kansen van het veranderend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen.
Aanpak
De provincie zorgt voor een veerkrachtig en duurzaam water-, natuur en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit een klimaatbestendige en schone bodem en ondergrond en uit schoon en gezond grond- en oppervlaktewater en drinkwater.
Samen met partners brengt de provincie toekomstige risico’s en kansen van het veranderend klimaat voor Gelderland in kaart. De provincie draagt bij aan het opstellen van Regionale Adaptatie Strategieën en helpen bij de uitvoering daarvan.
Gelderland werkt zelf klimaatbestendig en weegt dit aspect bij al hun beslissingen mee. En: geven dit als voorwaarde mee aan onze partners.
In artikel 5.85 van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen:
Artikel 5.85 (klimaatadaptatie)
Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:
De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.
Toetsing
De sloop van twee verouderde stallen en de realisatie van één duurzame woning vindt plaats op een bestaand woonerf in het buitengebied van de gemeente Bronckhorst. Door het verminderen van het totaal verhard oppervlak ontstaat er meer ruimte voor water om de grond in te trekken. De nieuwe woning wordt landschappelijk ingepast door middel van (solitaire) bomen en hagen. Deze zorgen onder andere voor schaduwwerking wat hitte tegen moet gaan.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor wat betreft het aspect klimaatadaptatie.
2.2.2.3.2.11 Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie
Algemeen
Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De Omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. In beginsel moet de gemeente aan projecten kleiner dan 100 m2 vrijstelling verlenen van de verplichting tot archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Met een inhoudelijke onderbouwing kan de gemeente echter afwijken van deze vrijstellingsgrens.
De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het projectgebied moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden. De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden.
Toetsing
Op grond van het tijdelijke omgevingsplan is aan het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 3’ verbonden. De aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 5.000 m2 dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
Met voorliggende ontwikkeling wordt deze onderzoeksgrens niet gehaald, waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek achterwege kan blijven.
Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Bronckhorst.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect archeologie.
Cultuurhistorie
Algemeen
Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Toetsing
In het plangebied bevinden zich geen monumentale en/of karakteristieke gebouwen. Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland blijkt dat het plangebied niet binnen een cultuurhistorische zone is gelegen. Binnen het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorische waarden.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect cultuurhistorie.
Algemeen
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Toetsing
Voor het doorlopen van de benodigde ruimtelijke procedure is het noodzakelijk dat de haalbaarheid van het plan wordt aangetoond. Er is daarom vanuit de ecologie onderzocht of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving.
In een quick scan natuurwaardenonderzoek is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied.
Beschermde gebieden
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene ontwikkelingszone (GO) en behoort niet tot Natura 2000-gebied. Omdat de bescherming van Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent, hoeft voorgenomen ontwikkeling niet getoetst te worden aan de beleidsregels voor bescherming van GNN/GO. Een negatief effect op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied, niet uit te sluiten. Voor andere storingsfactoren is dat wel uit te sluiten. Nader onderzoek naar stikstofdepositie voor de aanleg- en gebruiksfase in de vorm van een AERIUS-berekening is daarom noodzakelijk. In het onderzoek stikstofdepositie is de stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt.
Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden.
Uit de uitgevoerde berekeningen van de aanleg- en gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden.
Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd.
Beschermde soorten
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied, maar benutten het wel als foerageergebied.
Van de vogels die in het plangebied nestelen is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet de nestplaats Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnest uitgesloten kan worden.
Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect natuur.
Algemeen
Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om hier te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent het vaststellen van het wijzigingsbesluit omgevingsplan is meegenomen. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities tevens vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan.
Toetsing
In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, geur, spuitzonering en geluid is geconcludeerd dat in het plangebied sprake is van een gezonde leefomgeving:
In het plangebied is geen geluidhinder te verwachten;
In het plangebied wordt ruim voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit;
Het plangebied dat reeds de bestemming ‘Wonen’ heeft, is vanwege die bestemming al beschermt tegen het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de omliggende agrarische gronden;
In het plangebied is geen geurhinder te verwachten.
Conclusie
Uit het voorgaande is gebleken dat het plan voldoet aan de kaders voor het aspect gezondheid.
2.2.2.3.2.14 Verkeer en parkeren
Algemeen
De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Dit geldt ook bij buitenplanse omgevingsvergunningen.
De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.
Toetsing verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt.
De gemeente Bronckhorst wordt gezien als ‘weinig stedelijk’ tot ‘niet stedelijk’ gebied (beide hanteren dezelfde norm). Onderhavige locatie is gelegen in het ‘buitengebied’. Navolgende tabel geeft een inschatting van de verkeersgeneratie weer van de beoogde nieuwbouw.

Er zullen maximaal circa 9 extra verkeersbewegingen per etmaal ontstaan als gevolg van de ontwikkeling. De verwachting is dat dit extra verkeer zonder problemen via de bestaande inrit afgewikkeld kan worden op de Kruisbergseweg.
Toetsing parkeren
De gemeente Bronckhorst heeft met de ‘Beleidsregel Parkeernormen Gemeente Bronckhorst’ haar eigen parkeerbeleid. Navolgend is de parkeerbehoefte als gevolg van de ontwikkeling weergegeven.

Binnen het plangebied is voldoende ruimte voor het realiseren van 3 parkeerplaatsen. Deze zullen volledig op eigen terrein worden gerealiseerd. Hiermee wordt voorzien in de parkeerbehoefte van de woning.
Conclusie
Uit het voorgaande is gebleken dat het plan voldoet aan de kaders voor het aspect verkeer en parkeren.
2.2.2.3.2.15 Kabels en leidingen
Algemeen
Bij vaststelling van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen. Relevante gasleidingen zijn weergegeven in paragraaf omgevingsveiligheid. Overige relevante leidingen betreffen hoogspanningsleidingen.
Toetsing
In of rondom het plangebied zijn geen relevante kabels of leidingen gelegen.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect kabels en leidingen.
Het aspect 'volkshuisvesting' is nauwelijks van toepassing op voorliggend plan. De levensloopbestendige nieuwbouwwoning zal in gebruik genomen gaan worden door de huidige bewoners van de Kruisbergseweg 17. De bestaande woning zal verkocht worden. Het plan heeft hierdoor maar minimaal effect op het aspect volkshuisvesting.
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn:
Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.
De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een private partij. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van dit project is hiermee voldoende aangetoond.
Overleg
Burgemeester en wethouders dienen bij de voorbereiding van een wijzigingsbesluit overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader wordt het wijzigingsbesluit voor advies toegezonden aan betrokken instanties.
Waterschap
Na het doorlopen van de checklist van het wateradvies volgt dat geen acties nodig zijn omtrent het aspect water. Derhalve is het waterschap ook niet betrokken bij de ontwikkeling.
Inspraak
Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid.
De buurtbewoners zijn op de hoogte gebracht van het planvoornemen. In de meeste gevallen is dat gedaan via een Whatsapp-bericht of een mail. Aan de bewoners van de Kruisbergseweg 15 en 15A is een brief verstuurd. De meeste reacties waren positief. De bewoners van één adres waren tegen het planvoornemen en een ander adres had graag een andere opstelling van de woning gezien maar is in principe akkoord. Alle reacties zijn in ogenschouw genomen en er is gekeken of de zorgen hier weggenomen konden worden. Dit is niet in alle gevallen gelukt. Desalniettemin wordt geacht dat de buurt voldoende is betrokken bij het initiatief en dat er is gekozen voor een ontwikkeling die passend is op deze locatie.
In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende:
het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur.
het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
In de voorliggende motivering is de realisatie van één levensloopbestendige schuurwoning getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema’s van de fysieke leefomgeving. Het voorliggend plan is niet in strijd met het landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Het voorliggend plan voldoet aan de wettelijke kaders van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. De extra woning zal de omliggende functies niet belemmeren en daarnaast vormen de omliggende functies geen belemmeringen voor de nieuwe ontwikkeling. Er is sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
Daarom kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en wordt voorzien in een maatschappelijke behoefte.
Op de locatie Pluimersdijk 45a te Halle bevindt zich het agrarisch bedrijf Hesselink VOF. In bijlage I Overzicht Documentenbijlagen van deze toelichting is een situatieschets weergegeven. Het betreft een melkrundveehouderij met bedrijfswoning welke hier in 2008 is opgericht vanwege een bedrijfsverplaatsing vanuit het Twentse Mander in verband met de ligging nabij een Natura 2000-gebied. Vanwege het werkzaam zijn van de bedrijfsopvolger binnen het agrarische bedrijf (medemaatschaphouder) bestaat de wens om op deze locatie een tweede bedrijfswoning te realiseren. Gebleken is dat de bedrijfssituatie zodanig is dat hieraan in beginsel medewerking kan worden verleend. In haar voorlopig standpunt van 19 december 2024 heeft de gemeente Bronckhorst zich in principe bereid verklaard om de gemeenteraad voor te stellen om medewerking te verlenen aan dit initiatief.
De deels buiten het agrarisch bouwvlak te bouwen tweede bedrijfswoning is niet mogelijk te maken op grond van het vigerende omgevingsplan, zodat hiervoor een wijziging van het omgevingsplan nodig is. Onderhavige toelichting voorziet in een onderbouwing dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingswet genoemde criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het plangebied bestaat uit de locatie Pluimersdijk 45a te Halle. Het betreft de percelen kadastraal bekend gemeente Zelhem, sectie AC, nummers 2710 (ged.) en 2711 (ged.). In onderstaande figuren zijn luchtfoto’s met aanduidingsvlakken voor functies aangegeven, waarmee de ligging van de locatie ten opzichte van de omgeving duidelijk wordt.


Voor het plangebied is sprake van een geldende regeling op basis van een eerder vastgesteld bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege opgegaan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit:
(ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen;
rijksregels over activiteiten (aangeduid als de bruidsschat).
Voor de gronden binnen het plangebied is op 17 mei 2017 het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Bronckhorst’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan is na een gerechtelijke uitspraak op 19 februari 2020 deels onherroepelijk geworden.
Volgens het omgevingsplan is binnen het plangebied sprake van de volgende functies:
‘Agrarisch’: gronden bestemd voor agrarische doeleinden, waarbij ter plaatse van de nieuwe woning deels geen sprake is van een bouwvlak, maar voor het overige plangebied wel, waarbinnen één bedrijfswoning is toegestaan;
‘Waarde – Archeologische verwachting 2’: gronden mede bestemd voor bescherming van archeologische waarden.

2.3.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis
In figuur 4 zijn de historische en huidige landschapsstructuren op en rondom de locatie weergegeven. Daaruit valt op te maken dat in de directe omgeving sprake is geweest van heide- en veenontginningen. Eind jaren ’20 van de 20ste eeuw heeft die ontginning in dit gebied zijn beslag gekregen.
De gronden in het plangebied waren rond 1900 echter al in gebruik voor agrarische doeleinden. Daarbij was sprake van kleinschalige bebouwing aan de noordzijde van het perceel. Die bebouwing heeft zich in de loop der tijd iets verplaatst in zuidwestelijke richting, maar is rond 1950 geheel verdwenen. Tot 2008 zijn de gronden onbebouwd gebleven. In de loop van 2008 is de hier nu aanwezige melkrundveehouderij opgericht.




2.3.2.1.2 Ruimtelijke structuur
In de directe omgeving van deze locatie is sprake van gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ en daarnaast verspreid liggende woningen met de bestemming ‘Wonen’. Nabij het plangebied en verderop liggen meerdere agrarische bouwvlakken. Omliggende wegen hebben de bestemming ‘Verkeer’. Op een afstand van circa 294 meter ten noordoosten van het plangebied bevindt zich de bebouwde kom van Halle. Op enige afstand rondom het plangebied liggen enkele kleine gebiedjes met de bestemming ‘Bos’.

2.3.2.1.3 Functionele structuur
De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Bronckhorst. Het agrarisch erf ontsluit op de Pluimersdijk, maar ligt feitelijk dichterbij de (onverharde) Meindertweg, waarop het erf eveneens ontsluit. De bebouwing (inclusief sleufsilo’s) is evenwijdig aan de Meindertweg georiënteerd. Rondom de locatie liggen gronden die hoofdzakelijk in gebruik zijn als agrarische cultuurgrond (weilanden en akkers). De wegenstructuur bestaat overwegend uit rechte wegen. Langs de Pluimersdijk en Meindertweg bevinden zich laanbomen. Voor het overige is sprake van een overwegend open landschap met her en der solitaire bomen en kleine bosjes.
Kenmerkend voor het grondgebied van Bronckhorst zijn de vele beeklopen en watergangen. Het landschap is een landschap van laaglandbeken verdeeld in diverse kleine stroomgebieden. Veel beken ontspringen net over de grens in Duitsland en stromen vandaar in westelijke richting naar de IJssel, maar sommige ontspringen in het gebied zelf. Het water heeft het landschap gevormd tot 30 à 40 jaar geleden. Vanaf die tijd zijn de waterlopen zo onder controle gebracht via kaden en stuwen dat water ongeacht de hoogte van (piek) afvoer in het stroombed blijft. Daarmee hebben veel waterlopen hun oorspronkelijke karakter, waar in meer of mindere mate van meandering sprake was, verloren.
Door o.a. ruilverkaveling zijn er kavelsloten en greppels aanwezig om het overtollige regenwater van het perceel af te voeren. Het hemelwater wordt afgevoerd volgens de trits vasthouden-bergen-afvoeren, zodat het hemelwater geleidelijk wordt afgevoerd naar omliggende sloten.
Bij de locatie is sprake van een langs de Pluimersdijk gelegen sloot en een langs de Meindertweg gelegen greppel. De langs de Pluimersdijk gelegen sloot betreft een watergang van het waterschap.
Op deze locatie is ter plaatse van de hier aanwezige veldpodzolgronden (leemarm en zwak lemig fijn zand) sprake van grondwatertrap VIId. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in het plangebied bevindt zich tussen de 84 en 100 cm beneden maaiveld (bron: BROloket). Ter plaatse van de beoogde tweede bedrijfswoning bedraagt de GHG 88 cm beneden maaiveld.
2.3.2.1.5 Landschaps- en natuurwaarden
De locatie is gelegen aan de flanken van deelgebied 13 ‘Halsche Rug’, zoals aangegeven in de gemeentelijke Landschapsontwikkelingsvisie (zie figuur hieronder).

De Halsche Rug is een hoge langgerekte rug in het landschap met cultuurhistorische waarde. Het is van oudsher een belangrijke oost west passage, een bijna kaarsrechte en kilometers lange zandrug tussen Zelhem en Aalten. Over de rug loopt een oude hanzeweg (de huidige N330, die Zelhem met Varsseveld en de N18 verbindt) en oude hessewegen liggen aan de flanken. Bebouwing staat eveneens op de rug. Op de flanken liggen open kampen en enken. Vanaf de rug zijn er prachtige vergezichten over het omliggende open ontginningslandschap aanwezig. De rug kent een belangrijke korte landschapsgradiënt. De meer besloten kam van de rug, de open flanken met enken en kampen en de lager gelegen, open ontginningsgebieden aan weerszijden van de rug. De landschapsontwikkelingsvisie richt zich op het versterken van die gradiënt en op het behouden van de gestrektheid van de rug. De gestrektheid van de rug wordt benadrukt door de landschappelijke opbouw vast te houden bij nieuwe ontwikkelingen van Halle. Uitbreidingen van Halle vinden niet plaats op de flanken, maar bovenop de rug. De bovenkant van de rug heeft een meer besloten karakter, de flanken zijn juist meer open. Bij nieuwbouw wordt er rekening mee gehouden dat de waardevolle uitzichten vanaf de rug worden behouden.
De oude enken en kampen op de flanken behouden hun landbouwkundige functie en daarmee hun openheid. De flanken worden landschappelijk versterkt door randen van de enken en kampen te beplanten, rekening houdend met de zichtlijnen. Als gidssoort geldt hier de Boomkikker.
De ontginningsgebieden aan weerszijden van de Halsche Rug hebben een open karakter en het rechtlijnige verkavelingspatroon is kenmerkend. Landbouw is hier de voornaamste functie. In verband met het beleven van de langgerekte rug, is het van belang deze landbouwgebieden open te houden. De landbouw in dit deelgebied bestaat uit grondgebonden landbouw en verbreding. De boerderijen staan zowel aan de route over de rug als langs de wegen aan de voet van de rug.
2.3.2.1.6 Archeologie en cultuurhistorie
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:
Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
Verplaatsing van beschermde monumenten;
Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Archeologie
Voor het plangebied is in het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Bronckhorst’ (thans onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege) de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’ opgenomen (zie figuur 3).
Dit betekent dat bij oprichting van een bouwwerk groter dan 1.000 m2 een archeologisch rapport moet worden overlegd. Voor onder meer het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter en grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 meter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden vereist. Van werken of werkzaamheden in die omvang is in dit geval geen sprake, zodat hiervoor geen vergunningplicht geldt. Er worden geen bouwwerken gerealiseerd die de ter plaatse geldende oppervlaktecriteria overschrijden, zodat geen archeologisch onderzoek nodig is voor de met dit plan beoogde ontwikkeling.
Cultuurhistorie
Binnen het plangebied zijn geen te beschermen historisch-geografische of stedenbouwkundige waarden aanwezig. Ook is hier geen sprake van architectuurhistorische waarden. De gemeentelijke erfgoednota is niet van toepassing bij de boogde ontwikkeling. Het voorliggend initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan. Ook zijn binnen het plangebied geen karakteristieke gebouwen of monumenten aanwezig.
2.3.2.2.1 Stedenbouwkundige eisen
In de beoogde situatie wordt op de locatie Pluimersdijk 45a een tweede bedrijfswoning gerealiseerd, maar blijft voor het overige de erfopzet ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie, met dien verstande dat wel een landschappelijke inpassing plaatsvindt. De tweede bedrijfswoning wordt bezien vanaf de Pluimersdijk grofweg in het lint met de bestaande bedrijfswoning gebouwd. Bezien vanaf de Meindertweg wordt de tweede bedrijfswoning ongeveer in lijn met de bestaande bedrijfswoning geplaatst, op korte afstand van een bestaande stal, waarmee sprake blijft van een relatief compact erf.
De tweede bedrijfswoning is ten opzichte van de eerste bedrijfswoning aan de andere zijde van de ligboxenstal gesitueerd. In overleg met de stedenbouwkundige van de gemeente is aangegeven dat deze bedrijfswoning wat materialisering en vormgeving betreft ondergeschikt dient te worden uitgevoerd. Om die reden wordt de woning achter de doorgetrokken voorgevelrooilijn van de eerste bedrijfswoning gesitueerd en uitgevoerd als schuurwoning. Met de positionering op deze plek wordt aangesloten bij de 1-erfgedachte.
Hiermee is sprake van een in stedenbouwkundig opzicht aanvaardbare situatie.
2.3.2.2.2 Beeldskwaliteitseisen
In de welstandsnota van de gemeente Bronckhorst is opgenomen welke criteria ten grondslag liggen aan elke planbeoordeling. Deze criteria vormen daarmee een onderlegger voor gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. Welstand wordt getoetst bij een aanvraag omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Die bouwactiviteit heeft bij voorliggend plan betrekking op de te realiseren tweede bedrijfswoning. De aanvraag voor de ruimtelijke bouwactiviteit zal ingediend worden in een volgende fase, nadat voorliggend omgevingsplan is vastgesteld. De toetsing aan de welstandscriteria maakt daarmee verder geen onderdeel uit van dit plan.
2.3.2.2.3 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing
De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Bronckhorst. Op een afstand van circa 294 meter ten noordoosten van het plangebied bevindt zich de bebouwde kom van Halle. De tweede bedrijfswoning gaat ruimtelijk gezien onderdeel uitmaken van het bestaande agrarisch erf op deze locatie.
De tweede bedrijfswoning valt voor een klein deel buiten het bouwvlak. Met voorliggende wijziging van het omgevingsplan moet daarom het bouwvlak worden uitgebreid. De uitbreiding van het bouwvlak bedraagt niet meer dan enkele procenten en blijft daarbij onder de 40% en 2 hectare, zoals genoemd in de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.8.1 van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Bronckhorst’.
In gevallen van een verzoek voor een tweede bedrijfswoning is het gebruikelijk dat de gemeente een advies van een onafhankelijk deskundig adviseur aanvraagt, te weten de Stichting advisering agrarische bouwplannen (Saab). Dat is ook in dit geval gebeurd. Hieruit volgde een positief advies, waarbij de aard van het bedrijf een belangrijke rol heeft gespeeld. Er is sprake van momenten en tijdstippen voor benodigde controle en toezicht die vooraf niet zijn te voorzien buiten reguliere werktijden (bijvoorbeeld de geboorte van kalveren), met een hoge frequentie als gevolg van de omvang van het bedrijf. De locatie van de tweede bedrijfswoning is ten opzichte van aanwezige bedrijfsgebouwen, de ontsluiting van de bedrijfskavel en eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van de ligboxenstal juist bevonden.
De van oudsher en momenteel aanwezige landschaps- en natuurwaarden zijn beschreven in paragraaf 3.1.2.5. In verband met de beoogde ontwikkeling is voorzien in een landschappelijke inpassing op de locatie (zie figuur 7 en bijlage I Overzicht Documentenbijlagen van deze toelichting). Die landschappelijke inpassing voorziet in de aanleg van een boomgaard met hoogstam fruitbomen ten noorden van de nieuwe woning, inclusief de aanplant van een haag veldesdoorn rondom die boomgaard (met een opening richting nieuwe woning). Uitgangspunt bij deze landschappelijke inpassing is de aanplant van inheemse en gebiedseigen soorten.

Op de locatie Pluimersdijk 45a is sprake van een bestaande melkrundveehouderij met bedrijfswoning, waarbij de wens bestaat om een tweede bedrijfswoning te realiseren voor de bedrijfsopvolger. De tweede bedrijfswoning wordt deels buiten het agrarisch bouwvlak gebouwd. Voor het overige treden geen wijzigingen op binnen het bedrijf. Hieronder is de beoogde verbeelding voor de locatie weergegeven.


Nationale omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De NOVI is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.
Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan:
periodes van droogte afgewisseld met extreme regenval;
de zeespiegelstijging;
de overgang naar duurzame energie;
de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen;
de bouw van nieuwe woningen om het nationale woningtekort op te lossen;
de groei en het bereikbaar houden van steden;
plekken voor distributiecentra;
het versterken van de natuur en biodiversiteit;
het behoud van het landschap;
de vitaliteit van de landbouw.
Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.
De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk dus een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken met als doel om het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.
Ten aanzien van dit plan
In voorliggend plan is sprake van een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
Instructieregels Rijk (AMvB’s)
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s):
het Omgevingsbesluit (Ob);
het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels:
Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);
Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);
Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl);
Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);
Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Ten aanzien van dit plan
De instructieregels zijn nader uitgewerkt in paragraaf 3.1.3.2. Daaruit komt naar voren dat wordt voldaan aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering.
Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
Ten aanzien van dit plan
In artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat bij een BOPA voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’
Wat moet worden verstaan onder ‘een andere stedelijke voorziening’ volgt uit de hieromtrent gevormde jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling, die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen, moet worden aangemerkt als een ladder-plichtige woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.
Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen initiatief buiten bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Er is sprake van een ontwikkeling die voorziet in de realisatie van één woning. Daarmee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Een verdere laddertoets is daarom niet aan de orde. De ontwikkeling levert geen strijdigheid op met het hieromtrent gestelde in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Conclusie rijksbeleid
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de ontwikkeling binnen de doelstellingen, het beleid en de regels van het Rijk.
2.3.2.3.1.2 Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. De visie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in Gelderland.
De provincie streeft naar een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wil de provincie bereiken door de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Hiervoor zijn zeven ambities benoemd om richting te geven:
Energietransitie;
Klimaatadaptatie;
Circulaire economie;
Biodiversiteit;
Bereikbaarheid;
Vestigingsklimaat;
Woon- en leefklimaat.
Themakaarten
Bij de visie is een aantal themakaarten aanwezig. Deze hebben betrekking op de volgende hoofdonderwerpen:
Daarmee is voor een aantal onderwerpen specifiek beleid vastgelegd.
Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen uitgebreid worden.
Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden. Voldoende groene ruimte, koele plekken en opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de Gelderlanders.
Ten aanzien van dit plan
Op de themakaart ‘ruimtelijk beleid’ is het plangebied onderdeel van de zones ‘grote zonneparken mogelijk’, ‘windenergie aandachtsgebied’ en ‘windenergie mogelijk’. Dat wil echter niet zeggen dat hier geen andere functies mogelijk zijn. De tweede bedrijfswoning is in dit verband geen ontoelaatbare functie. Op de themakaart ‘milieubeleid’ staan geen aspecten die betrekking hebben op het plangebied. Tevens raken de grenzen van de themakaarten ‘waterbeleid’ en ‘natuur- en landschapsbeleid’ het plangebied niet. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot strijdigheid met de doelstellingen uit de omgevingsvisie. Het aspect klimaat komt aan de orde in paragraaf 3.1.3.1.2.2. Daaruit volgen geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Omgevingsverordening provincie Gelderland
De meest recente versie van de Omgevingsverordening is op 23 april 2024 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en op 1 mei 2024 in werking getreden. In de verordening staan alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening is onderdeel van de beleidscyclus van de provincie en één van de instrumenten waarmee wordt gewerkt aan de ambities uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Die beleidscyclus en daarmee ook de verordening is gericht op zowel het beschermen als het (duurzaam) benutten van de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Telkens wordt er gelet op een goede balans tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijk maken van ontwikkelingen in een bepaald gebied binnen de provincie. Daarbij worden ook belangrijke waarden als het Gelders Natuurnetwerk en grondwaterbeschermingsgebieden voor de openbare drinkwatervoorziening beschermd.
Voor de volgende onderwerpen gelden er provinciale instructieregels:
Algemeen (afd. 5.1 Omgevingsverordening);
Natuur (afd. 5.2 Omgevingsverordening);
Landschap (afd. 5.3 Omgevingsverordening);
Erfgoed (afd. 5.4 Omgevingsverordening);
Milieu (afd. 5.5 Omgevingsverordening);
Provinciale wegen (afd. 5.6 Omgevingsverordening);
Ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en regionale samenwerking (afd. 5.7 Omgevingsverordening).
Ten aanzien van dit plan
Het doel van de instructieregels is dat wordt voldaan aan omgevingswaarden of dat andere doelstellingen van de provincie voor de fysieke leefomgeving worden bereikt. De uitwerking hiervan is te vinden in paragraaf 3.1.3.2 van deze onderbouwing. Daaruit komt naar voren dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op het beleidsthema Klimaatadaptatie wordt hieronder specifiek ingegaan.
In artikel 5.85 van de omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen over klimaatadaptatie. De toelichting van het omgevingsplan moet een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen bevatten die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of beperken. Daarbij moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Op basis van de Klimaatatlas Bronckhorst wordt hieronder per aspect ingegaan op de voor het plangebied relevante overwegingen.
Waterveiligheid
Er liggen geen dijken en watergangen in de nabijheid van de locatie, die kunnen zorgen voor overstromingsgevaar. Volgens de Klimaatatlas is er geen significante overstromingskans.
Wateroverlast
Op de beoogde locatie voor de tweede bedrijfswoning is plasvorming te verwachten bij met name korte extreem hevige buien en in iets mindere mate ook bij lange extreem hevige buien. Plassen kunnen in dat geval één tot twee dagen blijven staan op maaiveld. Wegen in de omgeving blijven begaanbaar voor calamiteitenverkeer. Door een beperkte ophoging van het bouwpeil ter plaatse van de nieuwe woning zijn problemen door wateroverlast in voldoende mate te voorkomen.
Droogte
Op de beoogde locatie voor de tweede bedrijfswoning is sprake van een gemiddelde grondwaterstand van 1,2 meter tot 1,8 meter onder maaiveld in de zomer. In 2050 verslechtert dit beeld in enige mate, waarbij het grondwater niet verder wegzakt dan 2,5 meter onder maaiveld. De gronden op de locatie zijn momenteel en in 2050 als beperkt droogtegevoelig te beschouwen. De sloten aan de west- en noordzijde van de locatie zullen tijdens langere droge periodes droogvallen. Door het hemelwater binnen de locatie zelf te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater langer in het gebied aanwezig. Hier zal voor de nieuwe woning in worden voorzien. De locatie ligt volgens de Klimaatatlas in een gebied met momenteel een laag risico en in 2050 een matig risico op natuurbranden bij langdurige droogte. Gezien het huidige en beoogde gebruik op de locatie en de rondom de locatie gelegen gronden (geen bos of natuurgebied) levert dat echter geen onaanvaardbare situatie op.
Hitte
De temperatuur in het plangebied op warme dagen zal vergelijkbaar zijn met de temperatuur op andere percelen in het buitengebied van Bronckhorst. Op de locatie is geen sprake van een stedelijk hitte-eiland effect, zodat er geen extra warme nachten optreden ten opzichte van andere in het buitengebied gelegen locaties. Door de erfinpassing met groen zullen de effecten van hittestress bovendien enigszins worden gemitigeerd. Er bestaat in de directe omgeving van de locatie geen risico op opwarming van oppervlaktewater.
Volgens de Klimaatatlas Bronckhorst is gezien het bovenstaande geen sprake van zodanige lokale klimaateffecten dat hiervoor specifieke maatregelen of voorzieningen nodig zijn binnen het plangebied (met uitzondering van een beperkte verhoging van het bouwpeil ter plaatse van de nieuwe woning).
Conclusie provinciaal beleid
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de ontwikkeling binnen de doelstellingen, het beleid en de regels van de provincie Gelderland.
Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030
De Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030 ('Goed wonen in een vitale regio') is de opvolger van de Regionale woonagenda 2015-2025. De directe aanleiding hiervoor zijn de veranderingen op de woningmarkt, in woonbehoeftes en de wens om wonen meer dan voorheen te bezien als een integrale gebiedsopgave. De vorige regionale woonagenda (2015) ging uit van een krimpscenario. De bevolking in de Achterhoek neemt inmiddels toe en ook de woonbehoeftes veranderen. Er komen meer ouderen, kleine huishoudens en starters vinden moeilijk een plek op de woningmarkt. Alle reden om het bestaande beleid op wonen te actualiseren en doelstellingen aan te passen.
Deze nieuwe agenda kent vier programmalijnen:
Vergroten woningvoorraad en versnelling productie
De ambitie is om 11.500 extra woningen te realiseren in de Achterhoek. Hiermee wil de regio haar woningvoorraad flink en versneld uitbreiden. Het streven is om 1.200 woningen per jaar te realiseren. De gemeenten, de provincie en het Rijk maken in de Regionale Woondeal onder voorwaarden afspraken om tot en met 2030 in ieder geval 8.390 woningen te bouwen in de Achterhoek (waarvan 1.000 woningen in de gemeente Bronckhorst).
Investeren in kwaliteit bestaande woningvoorraad
De ambitie is om zoveel mogelijk woningen kwalitatief en energetisch te verbeteren. Met verbeteren wordt verduurzamen, levensloopbestendig maken en/of herstructurering bedoeld.
De Achterhoek, een plek voor iedereen
Er wordt fors geïnvesteerd in een toename van betaalbare woningen. Hiermee wordt ingezet op een evenwichtig woningaanbod in de regio. De Achterhoekse gemeenten geven elkaar de ruimte om te bouwen passend bij de lokale behoefte, tegelijkertijd wordt gezamenlijke verantwoordelijkheid genomen om de extra vraag van jonge huishoudens, starters, ouderen, arbeidskrachten en aandachtsgroepen te kunnen beantwoorden. Er wordt daarbij zoveel mogelijk aangesloten bij de ambities van het Rijk om tot en met 2030 tweederde van de nieuwbouw in het betaalbare segment toe te voegen. Daarbij wordt het volgende nieuwbouwprogramma gehanteerd bij projecten van twintig of meer woningen: 28% sociale huur, 32% betaalbare koop tot € 355.000 (prijspeil 2022) en middenhuur (tot € 1.000,- per maand of minder). Voor starters ligt de betaalbaarheidsgrens vast op maximaal € 250.000 (prijspeil 2022). Bij minder dan twintig woningen vindt maatwerk plaats, met inachtneming van de gewenste kwaliteit zoals opgenomen in de regionale woonagenda. Elke gemeente is verantwoordelijk dat over het gemeentelijk totaal de verdeling in betaalbaarheid gehaald wordt.
Wonen als integrale gebiedsopgave
Vanuit de regionale woonagenda worden regionale woonstrategieën benoemd. Woonstrategieën zijn regionale aanpakken om op integrale wijze invulling te geven aan de woningbouw en transformatieopgaven in alle Achterhoekse gemeenten, passend bij de gebiedseigen opgaven en context. Het gaat daarbij om de volgende woonstrategieën:
Vergroten differentiatie woningaanbod in vitale kernen en buurten;
Vergroten aanbod van stedelijke woonmilieus;
Goed en bereikbaar wonen rondom mobiliteitsknooppunten;
Ruimte voor nieuwe woonconcepten in een toekomstbestendig landelijk gebied.
Ten aanzien van dit plan
Het plan heeft ten aanzien van wonen betrekking op de realisatie van een tweede bedrijfswoning bij een melkrundveehouderij. Het plan sluit aan op de actuele behoefte aan woningen in dit gebied en op de specifieke bedrijfssituatie waarvoor een tweede bedrijfswoning gewenst is.
Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek
De groei van het aantal huishoudens in de regio houdt langer aan dan eerder voorzien. Dit betekent dat er extra woningen moeten komen bovenop het aantal dat nu in afspraken is vastgelegd. Er moet meer ruimte gegeven worden aan de bouw van extra woningen. De prioriteit moet daarbij liggen op woningen waar nu behoefte en een duidelijk tekort aan is.
Het Achterhoeks Woonwensen en Leefbaarheidsonderzoek 2017 (AWLO) geeft een helder advies over de bouwopgave: blijf bouwen voor starters en creëer geschikt aanbod waar (actieve) senioren naar kunnen doorstromen. Dit is vertaald naar het geven van extra ruimte door scherpe voorwaarden te stellen aan nieuwe initiatieven voor woningbouw. Met de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek' zijn regionaal kwalitatieve criteria afgesproken waaraan de gemeenten nieuwe plannen moeten toetsen. Dit betreft de volgende drie kwaliteitscriteria:
De behoefte is aangetoond;
Voorrang voor transformatie van leegstaand vastgoed (verbouw of nieuwbouw na sloop);
Inbreiding gaat voor uitbreiding.
In september 2019 stemden de zeven gemeenteraden in de Regio Achterhoek in met de kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek. In oktober 2019 is deze door de provincie Gelderland vastgesteld.
Ten aanzien van dit plan
Met het initiatief wordt voorzien in één extra woning (tweede bedrijfswoning) bij een bestaande melkrundveehouderij. Hierbij wordt voorzien in een actuele behoefte aan een woning op deze locatie. Het betreft daarbij geen woning voor starters of senioren. Het is ook niet nodig om uitsluitend woningen voor starters of senioren te bouwen, zolang het totale woningbouwprogramma hier in voldoende mate in voorziet. Dat betekent dat in de praktijk vooral in de grotere plannen (binnen de bebouwde kom) extra aandacht is voor die specifieke doelgroepen.
Conclusie regionaal beleid
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de ontwikkeling binnen het regionale beleid.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van het Waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema’s:
Klimaatrobuust gebied
Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig in te vullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Veilig gebied
Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Circulaire Economie en Energietransitie
Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert.
Gezonde leefomgeving
Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
Ten aanzien van dit plan
Het initiatief betreft de realisatie van één extra woning (tweede bedrijfswoning) bij een bestaande melkrundveehouderij. De toename aan verhard oppervlak blijft hierbij ruimschoots onder de 500 m2 (zie paragraaf 3.1.3.2.9 voor de watertoets). Het hiervan afvloeiende hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem. Zie verder paragraaf 3.1.3.2.9 van de voorliggende onderbouwing. Gezien de beperkte omvang van het plan en de ligging heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de gestelde doelen van het Waterschap Rijn en IJssel.
Overig relevant beleid waterschap: weging van het waterbelang
De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit.
Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen.
Ten aanzien van dit plan
In de weging van het waterbelang komen in de digitale watertoets (hetwateradvies.nl) thema’s en vragen aan de orde waaruit een resultaat volgt. Uit de uitgevoerde digitale watertoets (zie bijlage I Overzicht Documentenbijlagen) blijkt dat de ontwikkeling waterschapsbelangen raakt, waarbij er advies nodig is voor de volgende onderdelen:
Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 3.1.3.2.9 van de voorliggende onderbouwing. Daaruit volgen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Conclusie waterschap beleid
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de ontwikkeling binnen de doelstellingen en het beleid van het Waterschap Rijn en IJssel. Uit een via de mail toegestuurd advies is gebleken dat het waterschap akkoord is met de hierboven opgenomen onderbouwing.
2.3.2.3.1.5 Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Bronckhorst 2035
Op grond van artikel 3.1 van de Omgevingswet is de gemeente verplicht een Omgevingsvisie vast te stellen. Dit is een strategische integrale visie op de gewenste ontwikkeling van de totale (fysieke) leefomgeving op de lange termijn, die de gemeenteraad bindt bij het uitoefenen van haar bevoegdheden. De visie gaat inhoudelijk over thema’s als ruimtelijke ontwikkeling, milieu, gezonde leefomgeving, economische ontwikkeling, natuur, landschap, water, verkeer en cultuurhistorie. Deze Omgevingsvisie vormt de beleidsmatige basis voor het toekomstige Omgevingsplan Bronckhorst (de opvolger van de voormalige bestemmingsplannen) en de Omgevingsprogramma’s (voor bijvoorbeeld gemeentelijke milieunormen). In de Omgevingsvisie is een strategische ontwikkelrichting voor de gemeente neergelegd. Ook het Rijk en de provincies moeten een omgevingsvisie opstellen. De gemeenteraad heeft op 24 februari 2022 de Omgevingsvisie Bronckhorst 2035 vastgesteld. De kern van de visie is ‘Bronckhorst twee keer zo mooi’.
Hoe ziet de gemeente Bronckhorst eruit in 2035?
De karakteristieke gemeenschappen en landschappen staan er in 2035 nóg beter voor. De dorpen en buurtschappen ontwikkelen zich, elk op hun eigen manier. Passend bij hun karakter en identiteit. Alle inwoners doen mee en dragen bij aan hun gemeenschap. Activiteiten, cultuur en tradities floreren.
Er is ruimte om te ondernemen voor toonaangevende, technologische en ambachtelijke ondernemingen. Bronckhorst staat op de kaart als ontwikkelaar van gezonde en innovatieve agrofood producten. De banen die de ondernemers creëren zorgen voor interessant en passend werk. Er zijn voldoende woningen om in de eigen gemeenschap te blijven wonen. In de dorpen of binnen 20 minuten fietsen vinden we de basisvoorzieningen om prettig te leven. De leefomgeving stimuleert meedoen, bewegen en ontmoeten.
Inwoners en bezoekers genieten van prachtige, veelzijdige landschappen. Kenmerkende groenstructuren, bomen, andere landschapselementen en het rijke erfgoed zijn verder versterkt. Het natuurlijke systeem is op orde en veerkrachtig. De kwaliteit van bodem, water en lucht zijn goed en het landschap is in staat de effecten van het veranderende klimaat op te vangen. Boeren voeren er een gezonde bedrijfsvoering met zorg voor de omgeving en oog voor dierenwelzijn.
Zo geeft de gemeente invulling aan de vele opgaven die de komende vijftien jaar op hen afkomen. Bronckhorst zal veranderen. Er komen woningen, bedrijven en locaties voor de opwek van hernieuwbare energie. Gemeenschappen en landschappen veranderen mee, zoals ze al eeuwen mee veranderen. En zo wordt Bronckhorst de komende jaren alles bij elkaar twee keer zo mooi. Deze bovenstaande ambities vertaalt de gemeente in concrete doelen voor 2035. Deze doelen helpen de gemeente bij het formuleren van concrete acties. En het al dan niet ondersteunen van initiatieven van inwoners.
Sterke dorpen en leefbaar platteland, streefbeeld 2035
Jonge en oudere inwoners kunnen een passende woning vinden in hun eigen gemeenschap. Met slimme combinaties van transformeren van bestaand vastgoed, inbreiden en het toevoegen van nieuwbouw ontstaat er in 2035 een evenwichtig, flexibel en energiezuinig woningaanbod. Dat doet de gemeente op basis van de lokale behoefte van dorpen en buurtschappen. Zo zorgt de gemeente voor een duurzame balans tussen jong en oud en voorkomt ze isolement en eenzaamheid en dat mensen buiten de boot vallen. Leegstaande gebouwen bieden kansen voor wonen en werken. Met name voor jongeren en starters, maar ook voor ouderen die graag dicht bij de voorzieningen willen wonen. Zo vergroot de gemeente de doorstroom op de woningmarkt, worden karakteristieke panden behouden en zorgt de gemeente voor een levendig en aantrekkelijk dorp.

Ten aanzien van dit plan
Het initiatief betreft de realisatie van een tweede bedrijfswoning bij een bestaande melkrundveehouderij. Die tweede bedrijfswoning is benodigd vanwege de specifieke bedrijfsvoering en bedrijfsomvang. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de strategische opgaven voor de leefbaarheid, de woningbouwopgave, de landbouw en de landschappelijke kwaliteit. Het initiatief past binnen de in de omgevingsvisie geschetste streefbeelden.
Woonvisie 2019-2025
De gemeenteraad van Bronckhorst heeft op 19 juli 2019 de lokale woonvisie ‘Ruimte voor wonen in Bronckhorst’ 2019-2025 vastgesteld. De vorige woonvisie van Bronckhorst is in 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze was gebaseerd op de regionale woonagenda die in 2015 is opgesteld en vastgesteld door de Achterhoekse gemeenten, woningcorporaties en provincie Gelderland. Dit beleid is niet meer actueel. Ten opzichte van een paar jaar geleden bevindt de gemeente Bronckhorst zich nu in een periode van economische groei en is - mede als gevolg daarvan - de druk op de woningmarkt enorm toegenomen. De gemeente ziet daarnaast dat vraag en aanbod onvoldoende op elkaar aansluiten. Ook is de energietransitie nog hoger op de agenda komen te staan. Tot slot ziet de gemeente in de samenleving steeds meer behoefte aan nieuwe (collectieve) woonvormen. De hierboven genoemde ontwikkelingen en opgaven die daarmee samenhangen, vormen de aanleiding om het lokale en regionale woonbeleid te actualiseren.
Op 27 mei 2021 heeft de gemeenteraad ingestemd met de actualisatie van de woonvisie. Hiermee komt er nog meer ruimte voor goede woningbouwplannen. De speerpunten uit de woonvisie blijven overeind. De gemeente geeft prioriteit aan het toevoegen van toekomstbestendige woningen in een betaalbaar segment en het benutten van inbreidingslocaties en bestaand vastgoed. Met de actualisatie van de woonvisie is het aantal te realiseren woningen verhoogd en is er daarnaast meer mogelijk voor doorstromers, collectieve woonvormen, flexibiliteit in bestaand vastgoed en bouwen aan de randen van dorpen.
Bij het opstellen van nieuw beleid baseert de gemeente zich op trends en ontwikkelingen, maar houdt tegelijkertijd rekening met de onzekerheden in de maatschappij. De wereld om ons heen blijft in snel tempo veranderen en daarom is het moeilijk om ver in de toekomst te kijken. De ontwikkeling van de bevolking door geboorte en sterfte is redelijk goed te voorspellen, maar dit geldt niet voor de invloed van migratiestromen. Daarnaast zijn ook factoren als economische groei, consumentvertrouwen, aanscherping van hypotheekeisen en toewijzingsregels bij de sociale huur van invloed. Bij wijzigingen zullen er verschuivingen optreden op de woningmarkt. Daarom gaat de gemeente uit van adaptief beleid. Dit is beleid dat de gemeente kan aanpassen op basis van nieuwe inzichten en ontwikkelingen. Aan de andere kant is de gemeente zich ervan bewust dat een woning een statisch 'product' is en woningen meestal voor minimaal 50 jaar gebouwd worden.
Uitgangspunten Woonvisie
In veel kleine kernen en het buitengebied is er een woonbehoefte die niet altijd in het bestaande woningaanbod kan worden ingevuld. Daarom is er ook ruimte om, op basis van een aantoonbare behoefte, woningen in de kleine kernen en het buitengebied toe te voegen. Hier gaat het vooral om transformatie van bestaand vastgoed en woningsplitsing, waarbij Bronckhorst de landschappelijke kwaliteiten en de mogelijkheden voor bedrijven in het buitengebied wil waarborgen.
Transformatie van bestaand (leegstaand) vastgoed heeft de voorkeur. Hierbij gaat het zowel om verbouw/ herbestemming als nieuwbouw na sloop. Ook is ruimte voor woningsplitsing en nieuwbouw. De gemeente bouwt kiest vooral voor projecten die qua omvang en kwaliteit passen bij de identiteit, uitstraling en stedenbouwkundige structuur van de kern of het gebied. Inbreiding gaat boven uitbreiding. Hierbij wordt rekening gehouden met de opgaven op het gebied van klimaatadaptatie en hittestress.
Op basis van de uitkomsten van het AWLO (2017) en de gesprekken die zijn gevoerd, onderscheidt Bronckhorst de volgende prioritaire doelgroepen:
Starters: jongeren tussen 18 en 35 jaar en jonge gezinnen tot 40 jaar met een beperkt budget, die niet eerder eigenaar van een woning zijn geweest;
Ouderen die graag de stap willen maken van koop naar huur of naar een kleinere, betaalbare en levensloopgeschikte koopwoning;
Huishoudens die net te veel verdienen voor een sociale huurwoning, maar relatief weinig mogelijkheden hebben op de koopmarkt (lagere middeninkomens);
Mensen in een kwetsbare positie, zoals mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben.
Ten aanzien van dit plan
Met voorliggend plan wordt op de locatie één woning toegevoegd in de vorm van een tweede agrarische bedrijfswoning. De behoefte aan die woning is evident. Het plan leidt niet tot strijdigheid met de woonvisie.
Welstandsnota
De welstandsnota bevat de criteria die gelden bij de beoordeling van bouwplannen door de welstandscommissie. De reden voor dit beleidsinstrument is én de gemeenteraad én de burger te betrekken bij het welstandsbeleid, zodat dit beleid voor eenieder inzichtelijk wordt.
De formulering luidt, dat de plannen moeten voldoen 'aan redelijke eisen van welstand'. Thans is het al lang niet meer zo dat overal op dezelfde wijze naar de plannen wordt gekeken. Eerst wordt de aanvraag al getoetst aan het bestemmingsplan/omgevingsplan. In nieuwe plangebieden bepalen daarnaast beeldkwaliteitsplannen de eisen waaraan bouwplannen moeten voldoen. In beschermde stads- en dorpsgezichten wordt speciaal gelet op het historische kader. Wat 'redelijk' is voor welstand, hangt dus af van het kader waarbinnen de plannen worden getoetst.
De welstandsnota brengt samenhang in die toetsingskaders en de daarbij behorende criteria en presenteert deze overzichtelijk en inzichtelijk. Met vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad kan de welstandsbeoordeling alleen nog maar gebaseerd worden op de criteria die in de welstandsnota worden genoemd.
Ten aanzien van dit plan
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een tweede bedrijfswoning. De toetsing aan de 'redelijke eisen voor welstand' zal plaatsvinden in het kader van de procedure voor de nog aan te vragen omgevingsvergunning voor de (ruimtelijke) bouwactiviteit.
Parkeerbeleid
Op 16 december 2013 hebben burgemeester en wethouders de 'beleidsregels 'Parkeernormen Gemeente Bronckhorst' vastgesteld. Deze beleidsregels zijn op 25 december 2013 in werking getreden. De beleidsregels bevatten parkeernormen die dienen als toetsingskader voor het opstellen van ruimtelijke plannen en waar initiatiefnemers van ruimtelijke activiteiten aan moeten voldoen.
De parkeernormen geven aan hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn voor een bepaalde functie. Het kan gaan over woningen, kantoren en supermarkten maar bijvoorbeeld ook over een camping of een manege. Iedere functie heeft een eigen parkeernorm. De normen die in deze beleidsregels zijn opgenomen komen uit publicatie "kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Niet alle functies zijn opgenomen in de beleidsregels. Voor functies die niet in de beleidsregels staan hanteert de gemeente als uitgangspunt de maximale norm uit de CROW-publicatie 'kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie'.
Bij nieuwe ontwikkelingen of functieveranderingen moet gekeken worden naar het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de nieuwe situatie. Is er sprake van een geheel nieuwe situatie dan moet de berekende parkeervraag in zijn geheel toegevoegd worden. Wanneer er sprake is van een functieverandering dan moet het verschil in parkeervraag tussen oude en nieuwe situatie worden toegevoegd. Vraagt de nieuwe functie om minder parkeerplaatsen dan hoeven de, eventueel, te veel aanwezige parkeerplaatsen niet verwijderd te worden.
Ten aanzien van dit plan
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op realisatie en gebruik van een tweede bedrijfswoning. Zoals blijkt uit paragraaf 3.1.3.2.14 is hierbij sprake van voldoende parkeercapaciteit om te kunnen parkeren op het eigen terrein.
Landschapsontwikkelingsplan Bronckhorst, Lochem en Zutphen
Op 25 juni 2009 heeft de gemeenteraad van Bronckhorst het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) voor het buitengebied vastgesteld. Dit beleidsplan is door de gemeenten Bronckhorst, Lochem en Zutphen gezamenlijk opgesteld. Het doel van het LOP is om een stimuleringskader te bieden voor het landelijke gebied en de gewenste initiatieven te ondersteunen, wat moet leiden tot verder behoud en versterking van het landschap. Hierbij wordt rekening gehouden met bestaande plannen. Het LOP is uitgewerkt in de gemeentelijke structuurvisie Bronckhorst 2012 dat als basis voor bestemmingsplannen dient.
Conform het landschapsbeleid geldt onder meer een zorgvuldige landschappelijke inpassing als voorwaarde voor ontwikkelingen in het buitengebied, onder meer functieverandering, uitbreidingen van bebouwing, bedrijventerreinen en wegenaanleg.
Daarbij dient gelet te worden op de vormgeving van nieuwe bebouwing, de situering van nieuwe gebouwen ten opzichte van de reeds bestaande gebouwen en de wijze waarop de nieuwe gebouwen zich verhouden tot de ruimere omgeving in het betreffende landschapstype. Dit doel wordt door de aanleg van streekeigen beplanting gerealiseerd en leidt tot een verhoging van de landschappelijke kwaliteit.
Ten aanzien van dit plan
Het initiatief heeft betrekking op de realisatie en het gebruik van een tweede bedrijfswoning. Hierbij is voorzien in een landschappelijke inpassing die bestaat uit de aanleg van een door hagen omsloten hoogstamboomgaard. Zie verder paragraaf 3.1.2.2.3 en de daarin opgenomen figuur 7.
Samen voor biodiversiteit
Het plan ‘Samen voor biodiversiteit’ is in oktober 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit biodiversiteitsplan is gericht op:
verankering van het thema biodiversiteit in het gemeentelijk beleid (ruimtelijke processen);
verankering van het thema biodiversiteit in het gemeentelijk beheer (beheer);
vergroting van bewustwording en handelen (communicatie en participatie);
projecten die bijdragen aan het vergroten van de biodiversiteit.
Ten aanzien van dit plan
Met dit plan worden inheemse struiken en bomen aangeplant in de vorm van een door hagen (veldesdoorn) omsloten hoogstamboomgaard. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het vergroten van de biodiversiteit in het gebied.
Conclusie gemeentelijk beleid en gemeentelijke regels
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de ontwikkeling binnen de doelstellingen, beleid en regels van de gemeente Bronckhorst.
2.3.2.3.2.1 Milieu-effectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.
De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt bij een omgevingsvergunning een mer- of merbeoordelingsplicht als het project is opgenomen in bijlage V van het Ob. Hierin zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten.
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in Bijlage V bij het Ob. Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder nummer J11. Volgens de hierop betrekking hebbende rechtspraak is de realisatie van een enkele woning niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Dat betekent dat geen sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.
Conclusie
Voor de ontwikkeling is geen milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling nodig.
Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.
Energietransitie
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning.
Circulariteit
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning.
Planspecifiek
Energietransitie
De beoogde tweede bedrijfswoning zal aardgasvrij worden uitgevoerd. Verwarming van de woning zal plaatsvinden met behulp van een warmtepomp of een andere elektrisch verwarmingstoestel. De elektriciteit daarvoor wordt geheel of gedeeltelijk opgewekt met zonnepanelen.
Circulariteit
De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is in beginsel bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwe kantoorgebouwen (groter dan 100 m²) en om nieuwbouwwoningen. De uitwerking vindt plaats in het kader van de voor technische bouwactiviteit in te dienen melding.
Conclusie
Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door het in onderlinge samenhang:
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
Planspecifiek
In verband met de beoogde tweede bedrijfswoning heeft Montferland Milieu een vooronderzoek conform NEN 5725 verricht (zie bijlage I Overzicht Documentenbijlagen voor de rapportage daarvan). Doel van het vooronderzoek is het vormen van een totaalbeeld van mogelijke bodembedreigende activiteiten die op de bodemgevoelige locatie hebben plaatsgevonden of nog plaatsvinden. In het vooronderzoek wordt vastgesteld of er aanleiding is tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek.
Uit het uitgevoerde vooronderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
Op of nabij de bodemgevoelige locatie hebben geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden die van invloed kunnen zijn (geweest) op de bodemgevoelige locatie.
Tijdens de inspectie van de locatie zijn geen bijzonderheden waargenomen.
Derhalve kan worden gesteld dat er geen aanleiding is voor het uitvoeren van een verkennend bodem- en asbestonderzoek volgens de NEN5740/NEN5707.
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouw. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen zijn via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:
Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;
Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
Het bevorderen van bronmaatregelen;
Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels;
Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen.
Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden.
Planspecifiek
De tweede bedrijfswoning wordt aangemerkt als een nieuw geluidgevoelig gebouw. Zoals blijkt uit figuur 10 bestaan daar bezien vanuit het onderdeel wegverkeerslawaai geen bezwaren tegen. Op de gevel van de nieuwe woning is sprake van een indicatieve geluidbelasting van minder dan 45 dB, terwijl de standaardwaarde volgens het Bkl 53 dB is. Hieraan wordt ruimschoots voldaan, zodat in zoverre sprake is van een voor geluid aanvaardbare situatie. In de omgeving zijn geen spoor- of vaarwegen, geluidgezoneerde industrieterreinen of andere relevante geluidbronnen met aandachtsgebieden aanwezig. Daarnaast is er geen sprake van andere milieuhinderlijke activiteiten in de omgeving die bezien vanuit het aspect geluid belemmeringen opwerpen. Zie in verband daarmee het gestelde in paragraaf 3.1.3.2.7 Bedrijven en milieuzonering. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
De hoofdlijnen voor de regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.
Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden afgewogen of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan of project aanvaardbaar is om een nieuwe woning of uitbreiding van een bestaande woning te realiseren.
Planspecifiek
Het plangebied ligt buiten de in het Bkl gedefinieerde aandachtsgebieden. Bovendien heeft de ontwikkeling geen betrekking op een auto(snel)weg of een tunnelbuistraject. Dat betekent dat alleen een afweging moet plaatsvinden of ter plaatse van de beoogde tweede bedrijfswoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dit geval is dat zo, omdat geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van rijksomgevingswaarden. Dit blijkt uit de beschikbare informatie op het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. Op toetspunten langs wegen wordt ruimschoots voldaan aan de rijksomgevingswaarden en binnen een straal van 500 meter zijn geen veehouderijen aanwezig met een PM10-emissie van 800 kg per jaar of meer. Verder draagt de ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.
Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Dat geldt uiteraard ook voor veehouderijen in het buitengebied. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is.
Planspecifiek
Een bedrijfswoning bij een veehouderij wordt aangemerkt als een geurgevoelig gebouw waarvoor een specifieke regeling is opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor een dergelijke agrarische bedrijfswoning geldt namelijk ten opzichte van omliggende veehouderijen een minimumafstand van 50 meter. Aan die minimumafstand wordt in dit geval ruimschoots voldaan, omdat de meest nabijgelegen veehouderij (op de locatie Pluimersdijk 45) zich op een afstand van circa 160 meter bevindt van de nieuwe woning. Dat betekent dat omliggende veehouderijen niet worden belemmerd door de ontwikkeling en dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Voor het overige is geen sprake van geurrelevante activiteiten in de omgeving van het plangebied. Daarmee werpt het aspect geur geen belemmeringen op voor deze ontwikkeling en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
2.3.2.3.2.7 Bedrijven en mileuzonering
Voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van ruimtelijke initiatieven op milieugebied kan gebruik worden gemaakt van de Handreiking Activiteiten en milieuzonering (VNG, editie 2024). De in deze handreiking beschreven systematiek voor milieuzonering werkt anders dan voorheen niet meer met zones gekoppeld aan milieucategorieën en een Lijst van activiteiten met richtafstanden. In plaats daarvan wordt uitgegaan van zones met milieuwaarden die de gebruiksruimte per activiteit begrenzen (zonder een lijst met activiteiten). De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De aspecten gevaar en stof hebben geen plek meer gekregen in de Handreiking. In de vorige versie (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering uit 2009) golden hiervoor nog richtafstanden. Naar huidige inzichten zijn die aspecten al op een andere wijze afdoende gereguleerd.
Zoals voorheen al gebruikelijk was wordt ook nu nog onderscheid gemaakt in twee woongebieden:
1. rustig woongebied: hiermee wordt een gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld, waar incidenteel ook niet woon-activiteiten voorkomen, die doorgaans geen wezenlijke hinder voor omwonenden veroorzaken;
2. gemengd gebied met wonen: hiermee wordt een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toebedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. Hieronder worden mede verstaan lintbebouwing in het buitengebied met een menging van wonen met agrarische en andere bedrijvigheid en woongebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen.
In hoofdstuk 10 van de Handreiking is een hulpmiddel opgenomen om een inschatting te maken of een bepaalde activiteit past binnen de beschikbare milieugebruiksruimte voor geluid en geur. Dit hulpmiddel bevat een naar zones voor geluid en geur omgezette lijst van activiteiten (transponeringstabel), waarbij deze in bijlage A5 van de Handreiking opgenomen lijst nadrukkelijk slechts een indicatie geeft. Dat betekent dat nader moet worden gemotiveerd of een milieuhinderlijke activiteit inpasbaar is nabij milieugevoelige functies en vice versa.
Planspecifiek
In de beoogde situatie is sprake van de realisatie van een extra bedrijfswoning. De Handreiking Activiteiten en milieuzonering biedt geen beoordelingskader voor inpassing van agrarische bedrijfswoningen. In algemene zin kan echter worden opgemerkt dat het voor een agrarische bedrijfswoning voldoende is om een minimumafstand van 50 meter ten opzichte van omliggende veehouderijen te hanteren om redenen van geur en geluid. Zoals blijkt uit de voorgaande paragrafen wordt voor de beoogde tweede bedrijfswoning in ruime mate aan die minimumafstand voldaan.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
2.3.2.3.2.8 Externe veiligheid
De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Planspecifiek
De ontwikkeling binnen het plangebied heeft geen betrekking op risicovolle activiteiten die van invloed zijn op de omgevingsveiligheid in de omgeving daarvan. Andersom moet worden beoordeeld of en in welke mate risicobronnen in de omgeving kunnen leiden tot belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Uit raadpleging van de risicokaart (zie figuur 11) blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied sprake is van de volgende risicobronnen:
een LPG-tankstation op de locatie Dorpsstraat 2 te Halle: de vergunde doorzet is begrensd op minder dan 500 m3 per jaar. Aan de met de plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar samenhangende afstand van maximaal 25 meter wordt ruimschoots voldaan. Ook wordt de woning buiten het brandaandachtsgebied van 60 meter en het explosieaandachtsgebied van 160 meter gerealiseerd;
een propaantank op de locatie Dorpsstraat 82 te Halle: de inhoud van deze bovengrondse propaantank bedraagt 1,5 m3. Aan de met de plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar samenhangende afstand van maximaal 25 meter wordt ruimschoots voldaan. Ook wordt de woning buiten het brandaandachtsgebied van 20 meter en het explosieaandachtsgebied van 30 meter gerealiseerd;
een bufferbewaarplaats op de locatie Dorpsstraat 93 te Halle: het betreft een bufferbewaarplaats voor consumentenvuurwerk waarvoor een veiligheidsafstand van 8 meter geldt. Aan die afstand wordt ruimschoots voldaan ten opzichte van de nieuwe woning.
Daarmee werpt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen op voor deze ontwikkeling en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
Planspecifiek
Uit de digitale watertoets (bijlage I Overzicht Documentenbijlagen) komt naar voren dat de ontwikkeling waterschapsbelangen raakt. Hierop is de korte procedure van toepassing verklaard. Dit houdt in dat zelfstandig de waterparagraaf kan worden opgesteld, waarna deze ter advisering aan het waterschap kan worden voorgelegd. Daarbij moet in ieder geval worden ingegaan op de volgende onderdelen:
De resultaten van de digitale watertoets voor deze locatie zijn opgenomen in bijlage 4. Hieronder wordt nader ingegaan op de verschillende adviesonderdelen.
Kwaliteit oppervlaktewater
Hemelwater dat van verhard oppervlak direct afstroomt naar het oppervlaktewater kan verontreinigd raken door specifieke activiteiten binnen een plan. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld agrarische bedrijven, industrieterreinen, tankstations, autobedrijven of sloperijen etc. Het waterschap zal in deze gevallen aanvullende voorzorgsmaatregelen adviseren om verontreiniging van oppervlaktewater te voorkomen. Voor deze locatie zijn geen aanvullende voorzorgsmaatregelen nodig, omdat van daken en van terreinverharding afstromend hemelwater niet verontreinigd is.
Grondwaterbeheer
Het waterschap streeft naar doelmatig waterbeheer dat optimaal de functies en het huidige gebruik ondersteunt. Bij nieuwe functies moet structurele overlast door te hoog grondwater worden voorkomen en verdroging door te laag grondwater worden tegengegaan. Zoals blijkt uit de Klimaatatlas Bronckhorst zal op deze locatie geen sprake zijn van overlast door te hoog grondwater. Wel kunnen met name korte extreem hevige buien aanleiding geven tot plasvorming, zodat enige mate van verhoging van het bouwpeil is aan te bevelen. Door het ter plaatse bergen en infiltreren van afstromend hemelwater wordt verdroging zoveel mogelijk tegengegaan.
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Uit een via de mail toegestuurd advies is gebleken dat het waterschap akkoord is met de hierboven opgenomen onderbouwing (zie bijlage 4).
Voor het kader voor klimaatadaptatie wordt in eerste instantie verwezen naar het beleid van de provincie op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie paragraaf 3.1.3.1.2). Daarnaast is de ‘Landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ van toepassing. Deze maatlaat vormt de basis voor het klimaatadaptief bouwen, waaraan moet worden voldaan om toekomstbestendig te ontwikkelen. De maatlat geeft aan hoe er klimaatbestendig ingericht en gebouwd kan worden.
In de maatlat worden de volgende thema’s onderscheiden:
biodiversiteit en natuurinclusiviteit;
droogte;
bodemdaling;
hitte;
gevolgbeperking overstroming;
wateroverlast.
Planspecifiek
Op basis van de Klimaatatlas Bronckhorst is in paragraaf 3.1.3.1.2.2 al in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen op de locatie als gevolg van klimaatverandering. Daarbij hoeven aan biodiversiteit, natuurinclusiviteit en bodemdaling geen specifieke overwegingen te worden gewijd, omdat deze aspecten in relatie tot dit initiatief niet spelen dan wel van ondergeschikt belang zijn. Biodiversiteit en natuurinclusiviteit zijn bovendien al aan de orde gekomen in paragraaf 3.1.2.2.3.
Conclusie
Volgens de Klimaatatlas Bronckhorst is geen sprake van zodanige lokale klimaateffecten dat hiervoor specifieke maatregelen of voorzieningen nodig zijn binnen het plangebied (met uitzondering van een beperkte verhoging van het bouwpeil ter plaatse van de nieuwe woning).
2.3.2.3.2.11 Archeologie en cultuurhistorie
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:
Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
Verplaatsing van beschermde monumenten;
Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Planspecifiek
Archeologie
Voor het plangebied is in het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Bronckhorst’ (thans onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege) de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’ opgenomen. Dit betekent dat bij oprichting van een bouwwerk groter dan 1.000 m2 een archeologisch rapport moet worden overlegd. Voor onder meer het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter en grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 meter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden vereist. Van werken of werkzaamheden in die omvang is in dit geval geen sprake, zodat hiervoor geen vergunningplicht geldt. Er worden daarnaast geen bouwwerken gerealiseerd die het ter plaatse geldende oppervlaktecriterium overschrijden, zodat geen archeologisch onderzoek nodig is voor de met dit plan beoogde ontwikkeling.
Cultuurhistorie
Binnen het plangebied zijn geen historisch-geografische of stedenbouwkundige waarden aanwezig. Ook zijn geen architectuurhistorische waarden aanwezig. De gemeentelijke erfgoednota is niet van toepassing bij de boogde ontwikkeling. Het voorliggend initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan. Ook zijn binnen het plangebied geen karakteristieke gebouwen of monumenten aanwezig.
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
In de Omgevingswet is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet en onderliggende besluiten en regelingen zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. Er zijn drie verschillende beschermingsregimes waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):
soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m 11.40 Bal), waarbij er een vergunningplicht geldt voor schadelijke handelingen bij vogels;
soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m 11.48 Bal), waarmee worden bedoeld in het wild levende soorten (geen vogels), zoals aangewezen in bijlage IVa bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn;
andere soorten (artikel 11.54 Bal), waarbij er een vergunningplicht geldt voor schadelijke handelingen bij dieren van bijlage IX, onder A van het Bal (artikel 11.54, eerste lid, Bal). Het gaat om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. rijk) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet en onderliggende besluiten en regelingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen omgevingsvergunning nodig is, indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende
soort(en). Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen omgevingsvergunning nodig.
Planspecifiek
Het initiatief heeft geen negatieve invloed op beschermde soorten ten opzichte van de hier al aanwezige functies (agrarisch erf met omliggende agrarische cultuurgronden). De gronden worden op intensieve wijze bewerkt. Er is geen sprake van te slopen bouwwerken om de ontwikkeling mogelijk te maken. Vanuit de inrichting en het gevoerde beheer is de locatie daarom niet aan te merken als een geschikte verblijfslocatie voor beschermde soorten. Wel kan sprake zijn van foerageergebied, maar de ontwikkeling zal hieraan zeker geen significante afbreuk doen. Sterker nog, door de landschappelijke inpassing vindt eerder een versterking plaats van de foerageermogelijkheden van beschermde soorten, Het initiatief leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortenbescherming. Om die reden wordt een quickscan soortenbescherming niet noodzakelijk geacht en kan worden volstaan met een verwijzing naar de wettelijke zorgplicht.
Conclusie
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:
Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);
Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.
Planspecifiek
In zijn algemeenheid is gezondheid onderdeel van vrijwel alle hiervoor behandelde omgevingsaspecten. Als zodanig vloeien hieruit geen gezondheidsrisico’s voort. Verder spelen in deze omgeving geen specifieke gezondheidsrisico’s ten aanzien van elektromagnetische straling, laagfrequent geluid, blootstelling aan toxische stoffen of zoönosen dan wel andere met veehouderijen samenhangende gezondheidsrisico’s (uiteraard rekening houdende met het feit dat sprake is van een tweede bedrijfswoning bij een melkrundveehouderij). Voor wat betreft het aspect gezondheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Conclusie
Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot verkeer en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet.
Op 16 december 2013 hebben burgemeester en wethouders de 'beleidsregels Parkeernormen Gemeente Bronckhorst' vastgesteld. Deze beleidsregels zijn op 25 december 2013 in werking getreden. De beleidsregels bevatten parkeernormen die dienen als toetsingskader voor het opstellen van ruimtelijke plannen en waar initiatiefnemers van ruimtelijke activiteiten aan moeten voldoen. Zie verder paragraaf 3.1.3.1.5.4.
Planspecifiek
De tweede bedrijfswoning leidt tot een beperkte extra verkeersgeneratie. De nieuwe woning zal via het bestaande erf en inrit worden ontsloten op de Pluimersdijk. De Pluimersdijk en het omliggende wegennetwerk hebben voldoende capaciteit om in de beoogde situatie de verkeersstromen van het bedrijf en de woningen te kunnen verwerken, zodat zich geen congestie of verkeersonveilige situaties zullen voordoen.
In de beoogde situatie is sprake van de realisatie van een tweede bedrijfswoning in de vorm van een vrijstaande woning. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt op grond van de Beleidsregels Parkeernormen Gemeente Bronckhorst een parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen. Op het erf is voldoende ruimte aanwezig om dit aantal parkeerplaatsen te realiseren, zodat hiermee in de eigen parkeerbehoefte kan worden voorzien. Hierdoor zal geen parkeeroverlast langs de weg ontstaan.
Conclusie
Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Bij de aanleg van ondergrondse kabels en leidingen kunnen meerdere regels uit diverse juridische instrumenten van toepassing zijn.
Het rijksbeleid richt zich vooral op de ondergrondse hoofdinfrastructuur en de belangrijkste grote leidingen zoals buisleidingen voor gevaarlijke stoffen of ondergrondse hoogspanningsverbindingen.
Het regionaal en lokale ondergrondse netwerk kan opgenomen worden in de provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies. Nieuwe kabels en leidingen kunnen een belemmering vormen voor andere functies of activiteiten. Of moeten beschermd worden tegen beschadiging. In de visie kunnen deze in samenhang bekeken worden met andere gewenste ontwikkelingen en de inpassing in de omgeving. Daarnaast kan er in de visie worden opgenomen hoe wordt omgegaan met kabels en leidingen en hoe het onderhoud geregeld wordt. Dit kan gebruikt worden als input bij het omgevingsplan of de omgevingsvergunning.
Ook ander gemeentelijk beleid kan van belang zijn voor de inpassing van kabels en leidingen. Denk daarbij aan de visie op klimaat of energiebeleid. Deze kunnen ingaan op bijvoorbeeld de transitie naar minder gasgebruik door het gebruik van stadsverwarming of andere warmtenetten. Gemeentelijk beleid richt voornamelijk op grote infrastructuurnetwerken zoals rioleringen en warmtenetten.
Bij de aanleg van ondergrondse kabels en leidingen kunnen meerdere regels uit diverse juridische instrumenten van toepassing zijn.
Het rijksbeleid richt zich vooral op de ondergrondse hoofdinfrastructuur en de belangrijkste grote leidingen zoals buisleidingen voor gevaarlijke stoffen of ondergrondse hoogspanningsverbindingen.
Het regionaal en lokale ondergrondse netwerk kan opgenomen worden in de provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies. Nieuwe kabels en leidingen kunnen een belemmering vormen voor andere functies of activiteiten. Of moeten beschermd worden tegen beschadiging. In de visie kunnen deze in samenhang bekeken worden met andere gewenste ontwikkelingen en de inpassing in de omgeving. Daarnaast kan er in de visie worden opgenomen hoe wordt omgegaan met kabels en leidingen en hoe het onderhoud geregeld wordt. Dit kan gebruikt worden als input bij het omgevingsplan of de omgevingsvergunning.
Ook ander gemeentelijk beleid kan van belang zijn voor de inpassing van kabels en leidingen. Denk daarbij aan de visie op klimaat of energiebeleid. Deze kunnen ingaan op bijvoorbeeld de transitie naar minder gasgebruik door het gebruik van stadsverwarming of andere warmtenetten. Gemeentelijk beleid richt voornamelijk op grote infrastructuurnetwerken zoals rioleringen en warmtenetten.
Planspecifiek
Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en/of leidingen aanwezig. Wel moet voor de nieuwe woning een extra huisaansluiting worden gerealiseerd. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig.
Conclusie
Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Met het initiatief wordt één extra woning mogelijk gemaakt, die door de bedrijfsopvolger zal worden gebruikt als tweede bedrijfswoning. Die tweede bedrijfswoning is nodig in verband met de specifieke bedrijfsvoering en de bedrijfsomvang. Hiermee wordt dus voorzien in een actuele behoefte aan een woning op deze locatie.
Deze ontwikkeling draagt bij aan een vitaal platteland, aangezien ten behoeve van de bedrijfsopvolger wordt geïnvesteerd in een tweede bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf en in landschappelijke inpassing. De daarvoor benodigde investeringen worden door initiatiefnemers uit eigen middelen gedragen.
Het initiatief draagt bij aan de leefbaarheid en de beleefbaarheid van het buitengebied van de gemeente Bronckhorst.
Het initiatief is voorafgaand aan de procedure voor wijziging van het omgevingsplan voorgelegd aan het Waterschap Rijn en IJssel. Er is hierbij geen sprake van een zodanig provinciaal belang dat de provincie Gelderland hiervoor in het kader van vooroverleg moest worden geraadpleegd.
Reactie waterschap
In de weging van het waterbelang komen in de digitale watertoets (hetwateradvies.nl) thema’s en vragen aan de orde waaruit een resultaat volgt. Uit de digitale watertoets (zie bijlage I Overzicht Documentenbijlagen) komt naar voren dat de ontwikkeling waterschapsbelangen raakt, waarbij er door het waterschap advies is uitgebracht voor de volgende onderdelen:
Hierop is nader ingegaan in paragraaf 3.1.3.2.9 van de voorliggende onderbouwing. Daaruit volgen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit plan
Het initiatief is gedeeld met direct belanghebbenden. Hiertoe zijn gesprekken gevoerd met de omwonenden, zoals aangegeven op figuur 12. Zij hebben allen aangegeven geen problemen te hebben met dit initiatief. Er zijn geen opmerkingen gemaakt die aanleiding hebben gegeven tot een aanpassing van het initiatief.
Tijdens de periode van terinzagelegging (6 weken na publicatie) kan eenieder een zienswijze indienen tegen het ontwerp-omgevingsplan.

Op basis van de toetsingen en bevindingen in dit hoofdstuk kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn om de voorgestane ontwikkeling doorgang te laten vinden. Aan de gemeentelijke randvoorwaarden en de wettelijke vereisten is voldaan. Daarbij is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en een uitvoerbaar plan.
Op de locatie Prinsenmaatweg 12 te Rha, in het buitengebied van de gemeente Bronckhorst, bestaat het voornemen om de varkenshouderij te staken. Door het wegvallen van de agrarische werkzaamheden en de intensieve veehouderij ligt het omzetten van de bestemming naar wonen voor de hand. Het grootste deel van de bedrijfsgebouwen wordt hierbij gesloopt. Er zal één gebouw blijven behouden welke in de toekomstige situatie dienst zal gaan doen als berging en paardenstal t.b.v. het hobbymatig houden van paarden. Ook de ondergrondse kelder voor de opvang van gier blijft behouden.
Deze ontwikkeling kan niet worden gerealiseerd binnen de regels van het geldende omgevingsplan. Daarom wordt ingestoken op een buitenplanse procedure in de vorm van een wijziging van het omgevingsplan.
De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Rha op circa 2,5 km afstand ten zuidwesten van Steenderen. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Steenderen sectie T, nummer 989 en heeft een totale oppervlakte van 13.895 m2. Het betreft momenteel een varkenshouderij met één bedrijfswoning. Op het perceel staan diverse varkensstallen en een gebouw voor het stallen van paarden. Aan de noordoostzijde van het perceel is een paardenbak gelegen. De op en rondom het terrein gelegen groenelementen blijven behouden en worden uitgebreid en versterkt met dit plan. De locatie is te bereiken via een tweetal toegangen welke direct aansluiten op de Prinsenmaat. Hieronder een weergave van de locatie.

Voor de planlocatie geldt het onherroepelijke bestemmingsplan 'Landelijk gebied Bronckhorst’, dat is vastgesteld op 17 mei 2017 en opvolgende veegplannen. Per 1 januari 2024 (datum inwerkingtreding Omgevingswet) is dit bestemmingsplan onderdeel geworden van het omgevingsplan van rechtswege. Zie de figuur hieronder voor een uitsnede van de verbeelding.

Voor de gronden op de planlocatie gelden de enkelbestemmingen ‘Agrarisch met waarden - landschap’ en ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. Daarnaast geldt de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ en de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop.
De enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ is bedoeld voor agrarische doeleinden, zonder dat binnen de als zodanig bestemde gronden binnen de planlocatie sprake is van een agrarisch bouwvlak. Op deze gronden zijn volgens het omgevingsplan geen woningen toegestaan.
Op grond van het omgevingsplan en de daarin opgenomen flexibiliteitsbepalingen is de beoogde ontwikkeling niet mogelijk te maken. Dat betekent dat een buitenplanse procedure nodig is om hier woningen te kunnen realiseren. Daarbij is ingestoken op een wijziging van het omgevingsplan.
2.4.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis
Rha ligt op een rivierduin aan de IJssel. De Rhabergseweg en de Prinsenmaatweg volgen de randen van de rivierduin. De omgeving bestaat uit open landbouwgrond. Hierdoor is de hogere ligging van Rha zichtbaar.
Op kaarten van omstreeks 1900 is er in de directe omgeving van het plangebied al bebouwing te zien. De bestaande woning is gebouwd omstreeks 1992 (bron: bagviewer). De grote varkensstal is omstreeks 1985 gebouwd en de te behouden berging met paardenstal dateert van 1965.



2.4.2.1.2 Ruimtelijke structuur
Rha is een buurtschap in de gemeente Bronckhorst. De Prinsenmaatweg en de Rhabergseweg vormen hierbij de belangrijkste ruimtelijke structuurdragers in de directe omgeving. Ter plaatse van het plangebied gelden landschapswaarden. Hier is rekening mee gehouden in de uitwerking van het erfinpassingsplan.
2.4.2.1.3 Functionele structuur
De directe omgeving bestaat voornamelijk uit agrarische bedrijven en burgerwoningen in het landelijke gebied. Op relatief korte afstand (circa 130 meter) is een bedrijf aanwezig. Het betreft een bierbrouwerij. Tevens ligt er op een afstand van circa 340 meter een waterzuiveringsinstallatie.
Grondwatersysteem
Er ligt een vrij dik watervoerend pakket onder het grondgebied van de gemeente Bronckhorst dat uit één laag bestaat. De stroomrichting is voornamelijk van het zuidoost naar het noordwesten gericht. In de gemeente liggen een aantal infiltratiegebieden van regenwater die van belang zijn voor de drinkwatervoorziening.
In de westelijke delen van de gemeente komt ook kwelwater naar boven dat afkomstig is van de Veluwe. Langs de IJssel ligt een kwelgebied waar water van de rivier naar boven komt. De verschillen in grondwaterstand in het gebied variëren over het algemeen met de lokale hoogteverschillen. De zogenaamde grondwatertrappen komen in grote lijnen overeen met de bodemeenheden. De hoger gelegen enkeerdgronden zijn het droogst (grondwatertrap VII), de lager gelegen beekeerdgronden zijn vochtig (grondwatertrap III) en de vaaggronden hebben over het algemeen grondwatertrap IV. Bij de overige gronden varieert de grondwaterstand (en daarmee de grondwatertrap), afhankelijk van het al dan niet optreden van kwel. Een voortdurende aanpassing van de waterhuishouding aan de behoeften van de landbouw heeft overigens in de loop der jaren gezorgd voor een algemene verlaging van de grondwaterstand.
Kenmerkend voor het grondgebied van Bronckhorst zijn de vele beeklopen en watergangen. Het landschap is een landschap van laaglandbeken verdeeld in diverse kleine stroomgebieden. Veel beken ontspringen net over de grens in Duitsland en stromen vandaar in westelijke richting naar de IJssel, maar sommige ontspringen in het gebied zelf. Het water heeft het landschap gevormd tot 30 à 40 jaar geleden. Vanaf die tijd zijn de waterlopen zo onder controle gebracht via kaden en stuwen dat water ongeacht de hoogte van (piek) afvoer in het stroombed blijft. Daarmee hebben veel waterlopen hun oorspronkelijke karakter, waar in meer of mindere mate van meandering sprake was, verloren.
Op en rondom het perceel zijn geen kavelsloten en greppels aanwezig om het overtollige regenwater van het perceel af te voeren. Alle hemelwater infiltreert ter plaatse in het plangebied.
Het plangebied is niet gelegen binnen een drinkwaterwinningsgebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van zeer lage grondwaterstanden (meer dan 2,5 m. onder maaiveld).
2.4.2.1.5 Landschaps- en natuurwaarden
De locatie is gelegen op de grens tussen het hooilandenlandschap aan de zuidzijde en het essenlandschap aan de noordzijde.
De gebiedskenmerken van het essenlandschap
Het landijs in de voorlaatste ijstijd vormde hoge stuwwallen. Op de overgang van de droge stuwwal naar de nattere gronden aan de voet daarvan liggen de essen, ook wel enken of engen genaamd. De akkercomplexen zelf zijn open akkers en hebben geen beplanting. Ze hebben een bolle ligging en soms steilranden aan de rand van de es. Soms zijn houtwallen aangelegd tegen oprukkende stuifzanden en ter bescherming tegen wildvraat. Het wegenpatroon is een mix van traditioneel rechte en slingerende wegen. De bebouwing is geconcentreerd aan de beneden rand.
De gebiedskenmerken van het hooilandenlandschap
De graslanden van het hooilandschap komen voor langs beekdalen en afvoer loze laagtes in het dekzandgebied. Het is een vlak, grootschalig landschap met de aanwezigheid van bosjes, houtsingels en solitaire bomen. Het zijn natte gebieden, gekenmerkt door een onregelmatige blokverkaveling. Er komt vrijwel geen bebouwing voor. Het wegenpatroon is slingerend.
2.4.2.1.6 Archeologie en cultuurhistorie
Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Monumentenwet 1988 is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten waarden moet worden omgegaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn bij een bepaalde archeologische verwachting.
Archeologie
Binnen het plangebied is sprake van de dubbelbestemming “Waarde – Archeologische verwachting 1”. Bij een aanvraag voor omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 250 m2 moet op grond van deze dubbelbestemming een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Er worden met onderhavig plan geen bouwwerken mogelijk gemaakt, wel wordt er gesloopt. hierbij is er geen sprake van grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 meter onder maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2. De grond onder de bestaande stallen is al eens eerder geroerd geweest. Tevens geldt op basis van het omgevingsplan van rechtswege dat er voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Dat betekent dat voor deze ontwikkeling geen archeologisch onderzoek nodig is.
Cultuurhistorie
De ontstaansgeschiedenis van Rha als rivierduindorp aan de IJssel is herkenbaar aan de hogere ligging en het historisch wegenpatroon. De bebouwing die aan de wegen is gelegen, versterkt de structuur. Rha vormt een ensemble, bestaande uit de landschappelijke ligging in het open IJsselland, de wegenpatronen en de agrarische bebouwing. De cultuurhistorische waarde is voornamelijk gebaseerd op de geografische waarde. Rha is kenmerkend voor oude dorpen in het IJsselland.
2.4.2.2.1 Stedenbouwkundige eisen
Er vind geen nieuwbouw plaats. De bestaande stallen worden gesloopt waarbij enkel de berging met paardenstal en ondergrondse gierkelder blijft bestaan. Ook de bestaande woning blijft behouden.
Het beoogde bestemmingsvlak wonen is drastisch verkleind ten opzichte van het bestaande agrarische bestemmingsvlak. De te behouden gebouwen vallen binnen het beoogde bestemmingsvlak evenals de te behouden gierkelder. Voor omliggende gronden zal de bestemming ‘’ Agrarisch met waarden – Landschap’ behouden blijven. Het bouwvlak is op deze gronden, evenals de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’, wel verdwenen. De zone inzake de molenbiotoop blijft hierbij ongewijzigd.
2.4.2.2.2 Beeldskwaliteitseisen
Het plangebied is volgens de welstandsnota gelegen in het agrarisch buitengebied. De open landschappen zijn van grote waarde vanwege de lange zichtlijnen op het kenmerkende patroon van ruggen en geulen. In de meer besloten landschappen wordt juist het parkachtige karakter gewaardeerd. Doordat delen van het gebied soms al eeuwenlang onder het beheer van landgoederen vallen, is plaatselijk sprake van bijzondere waarden.
De traditionele en jongere erven in het agrarisch buitengebied van de gemeente Bronckhorst zijn belangrijke schakels in deze gevarieerde landschappelijke structuur en zijn ook in cultuurhistorisch en architectonisch opzicht zeer waardevol. Tal van panden in deze gebieden zijn aangewezen als Rijks- of gemeentelijk monument.
2.4.2.2.3 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Bronckhorst, in buurtschap Rha. Gemeente Bronckhorst heeft aangegeven mee te willen werken aan het initiatief onder de voorwaarde dat sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Voor dit plan is daarom een landschappelijke inpassing/erfinpassing opgesteld. Deze is akkoord bevonden door de gemeente. Hieronder een weergave. Zie ook bijlage I Overzicht Documentenbijlagen voor het erfinpassingsplan.

De bestaande tweede inrit (richting de voormalige stallen) is komen te vervallen. De locatie is al dermate ingepast. Zo zijn er laanbomen langs de te behouden oprit aangeplant en staan er 2 solitaire bomen. Ook is er aan de oostzijde een meidoornhaag gepland. Aan de noordoostzijde is een bestaand vogelbosje gelegen.
Aan de westzijde wordt, aan de rand van het perceel ter hoogte van de te slopen stal, over een afstand van circa 60 meter een 12-tal knotwilgen aangeplant. Deze worden op een afstand van 5 meter van elkaar gesitueerd. Dit sluit mooi aan bij de gebiedskenmerken van het landschap.
Het plan voorziet in het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ naar ‘Wonen’. Hierbij verdwijnt tevens de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Alle voormalige stallen worden hierbij gesloopt. Enkel een berging met paardenstal en gierkelder blijven behouden. Hieronder een weergave van de beoogde situatie.

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als structuurvisie. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft de landelijke overheid richting aan de grote opgaven, zoals het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050:
Een klimaatbestendige delta, waarbij Nederland beschermd is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering, waterveiligheid (ook voor de laaggelegen gebieden in het westen) gegarandeerd is en voldoende zoetwater beschikbaar is van goede kwaliteit;
Duurzaam, concurrerend en circulair: een toekomstbestendige en volledig circulaire economie zonder vervuilende manieren van produceren en consumeren, met een uitstekend vestigingsklimaat en een hoge quality of life, met een zo goed mogelijke inpassing van duurzame energie in onze leefomgeving en slimme combinaties van functies zonder de risico's en milieunadelen te vergroten. Een economie die veel maatschappelijke winst oplevert in termen van banen, innovatie en nieuwe bedrijvigheid en exportmogelijkheden;
Kwaliteit van leven in stad en dorp: met een aantrekkelijke woon- en leefomgeving en een goede verbondenheid van stad en land. De ontwikkelingen zijn gericht op kwaliteit, met gecontroleerde en doordachte groei waar dat nodig is, waardoor diversiteit in wonen, een stedelijk netwerk, prettige woonmilieus, met rust en ruimte maar ook vitale en leefbare regio's ontstaan.
Nabijheid en betrouwbare verbindingen: een uitstekende bereikbaarheid wordt met een goede en betrouwbare infrastructuur gegarandeerd, waarbij wordt ingespeeld op locatiekeuzes voor wonen en werken (nabijheid). De infrastructuur is onderdeel van een mobiliteitssysteem dat een meer divers patroon van mobiliteit veilig, robuust en duurzaam afhandelt. Luchthavens blijven belangrijk voor een sterk internationaal netwerk voor de lange afstanden. De uitdaging is om het vliegverkeer net als het goederenvervoer op een zo veilige, efficiënte en duurzame manier vorm te geven.
Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk: een veilig en gezond leven voor iedereen staat voorop. De leefomgeving nodigt uit om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te ontspannen. Daarbij horen een goede milieukwaliteit, robuuste natuur, klimaatbestendigheid en voor iedereen goede toegang tot wonen, werken en voorzieningen.
Het realiseren van een fysieke leefomgeving die dit toekomstperspectief mogelijk maakt, is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn:
Naar een ruimte voor klimaat adaptatie en energietransitie;
Naar een duurzaam economisch groeipotentieel;
Naar sterke en gezonde steden en regio's;
Naar een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied;
Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer er aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit.
Beoordeling initiatief
De NOVI gaat niet concreet in op relatief kleinschalige lokale ontwikkelingen als de beoogde functiewijziging in dit plan. In het NOVI zijn geen belemmeringen benoemd ten aanzien van de planontwikkeling. In algemene zin draagt het plan bij aan de kwaliteit van het leven, doordat een agrarische functie verdwijnt, waarbij de bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning.
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met de Nationale Omgevingsvisie.
Instructieregels Rijk (AMvB’s)
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s):
het Omgevingsbesluit (Ob);
het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Voor de volgende onderwerpen gelden er op grond van het Bkl instructieregels voor het vaststellen van een (wijziging van het) omgevingsplan:
De dienstenrichtlijn (art. 5.1a Bkl);
Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);
Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);
Beschermen van de gezondheid en het milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid, slagschaduw, geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
Het behoud van ruimte voor toekomstige functies zoals autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen en buisleidingen van nationaal belang (§ 5.1.6 Bkl);
Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);
Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen (denk bijvoorbeeld aan een beperkingengebied). In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Beoordeling initiatief
Dit initiatief is voor wat betreft de omgevingsaspecten in hoofdstuk 3 getoetst aan de Rijksinstructieregels, Die Rijksinstructieregels zijn daar waar nodig vertaald in het omgevingsplan. Voor het overige wordt voldaan aan de Rijksinstructieregels zonder dat het nodig is om daarvoor iets te regelen in het omgevingsplan. Uit hoofdstuk 3 komt naar voren dat toepassing van de Rijksinstructieregels niet leidt tot belemmeringen voor dit initiatief. Het initiatief past daarmee binnen de doelstellingen, het beleid en de regels van het Rijk voor de fysieke leefomgeving.
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met de op grond van de Omgevingswet geldende regels voor de fysieke leefomgeving.
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.
Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
Beoordeling initiatief
In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder (ABRvS201501297/1/R4). De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. In beginsel is een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor wonen is dus de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij dit initiatief is geen sprake van het realiseren extra woningen, zodat daarom geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Conclusie
Het plan leidt niet tot strijdigheid met de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Nationale Woon- en Bouwagenda
In de Nationale Woon- en Bouwagenda worden de oorzaken van de wooncrisis, de doelstellingen en de programmatische aanpak voor de komende jaren geschetst. Het doel van de Nationale Woon- en Bouwagenda is het bevorderen van de beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod in Nederland.
De agenda kent drie kerndoelen:
Beschikbaarheid: voldoende woningen voor iedereen. De bouw van 900.000 woningen tot en met 2030, met als streven twee derde betaalbaar.
Betaalbaarheid: woonlasten sluiten beter aan bij het inkomen. Het aantal huishoudens dat te hoge woonlasten draagt ten opzichte van het inkomen neemt af.
Kwaliteit: voldoende woningen voor aandachtsgroepen en ouderen, perspectief voor kwetsbare wijken en duurzame huisvesting bereikbaar voor iedereen.
Met de zes onderliggende programma’s van de Nationale Woon- en Bouwagenda wordt invulling gegeven aan het realiseren van de doelstellingen.
Beoordeling initiatief
Het initiatief heeft geen betrekking op de realisatie van nieuwe woningen. Uiteraard levert het initiatief een bijdrage aan het vergroten van de beschikbaarheid van woningen in het algemeen.
2.4.2.3.1.2 Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. De visie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in Gelderland.
De provincie streeft naar een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wil de provincie bereiken door de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Hiervoor zijn zeven ambities benoemd om richting te geven:
Energietransitie;
Klimaatadaptatie;
Circulaire economie;
Biodiversiteit;
Bereikbaarheid;
Vestigingsklimaat;
Woon- en leefklimaat.
Themakaarten
Bij de visie is een aantal themakaarten aanwezig. Deze hebben betrekking op de volgende hoofdonderwerpen:
Daarmee is voor een aantal onderwerpen specifiek beleid vastgelegd.
Uitvoering beleid
In het kader van de uitvoering van de visie, zijn ook drie beleidsdocumenten vastgesteld:
Beoordeling initiatief
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen om voldoende passend en duurzaam woningaanbod in de provincie te garanderen, dat aansluit bij de wensen van de inwoners. Daarbij is sprake van een goed woon- en leefklimaat en draagt de landschappelijke inpassing bij aan het vergroten van de biodiversiteit op deze locatie.
Voor wat betreft de relevante themakaarten kan het volgende worden opgemerkt:
ruimtelijk beleid: geen specifieke aandachtspunten;
milieubeleid: de planlocatie is niet gelegen in een stiltegebied of ander gebied waar beperkingen gelden vanuit het oogpunt van milieu;
waterbeleid: de planlocatie is niet gelegen binnen provinciale beschermingszones ter bescherming van grondwater, oppervlaktewater of natte landnatuur;
natuur- en landschapsbeleid: de planlocatie is niet gelegen binnen een ecologische verbindingszone, Gelders Natuur Netwerk, Groene ontwikkelingszone, Natura 2000-gebied, rustgebied voor ganzen, weidevogelgebied of zoekgebied voor nieuwe natuur.
De drie in het kader van de uitvoering van de omgevingsvisie vastgestelde beleidsdocumenten zijn niet van directe betekenis voor dit initiatief. Het onderwerp water komt aan de orde in hoofdstuk 3.
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.
Omgevingsverordening provincie Gelderland
De Omgevingsverordening is op 21 december 2022 door de Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en is in werking getreden na invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 In de verordening staan alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening is onderdeel van de beleidscyclus van de provincie en één van de instrumenten waarmee wordt gewerkt aan de ambities uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Die beleidscyclus en daarmee ook de verordening is gericht op zowel het beschermen als het (duurzaam) benutten van de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Telkens wordt er gelet op een goede balans tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijk maken van ontwikkelingen in een bepaald gebied binnen de provincie. Daarbij worden ook belangrijke waarden als het Gelders Natuurnetwerk en grondwaterbeschermingsgebieden voor de openbare drinkwatervoorziening beschermd.
Voor de volgende onderwerpen gelden er provinciale instructieregels:
Algemeen (afd. 5.1 Omgevingsverordening);
Natuur (afd. 5.2 Omgevingsverordening);
Landschap (afd. 5.3 Omgevingsverordening);
Erfgoed (afd. 5.4 Omgevingsverordening);
Milieu (afd. 5.5 Omgevingsverordening);
Provinciale wegen (afd. 5.6 Omgevingsverordening);
Ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en regionale samenwerking (afd. 5.7 Omgevingsverordening).
Beoordeling initiatief
De provinciale instructieregels voor natuur, erfgoed, milieu en provinciale wegen zijn niet relevant voor deze ontwikkeling. In de omgevingsverordening wordt aangegeven dat nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts zijn toegestaan wanneer dit past in de vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Zie de volgende paragrafen voor meer informatie over deze regionale woonagenda en de gemeentelijke uitwerking. Daarin wordt onderbouwd dat de ontwikkeling binnen de betreffende kaders past.
Verder geldt vanwege de ligging van de planlocatie in de Achterhoek een specifieke instructieregel voor landschap. Bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling moet namelijk rekening worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Dat is meegenomen in de voor deze locatie opgestelde landschappelijke inpassing.
De planlocatie ligt niet in een gebied met specifiek beschermde waarden waarvoor op grond van de omgevingsverordening regels zijn gesteld, zoals Gelders Natuur Netwerk, Groene ontwikkelingszone, waterwingebied of drinkwaterreserveringsgebied. Wel ligt de ontwikkeling binnen een molenbiotoop. Dit heeft echter geen gevolgen voor het initiatief.
In de Omgevingsverordening is een instructieregel ten aanzien van klimaatadaptie opgenomen. Voor zover een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de motivering bij de wijziging van het omgevingsplan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Daarnaast moet een beschrijving worden opgesteld waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Voor die beschrijving kan gebruik worden gemaakt van de opgestelde klimaatatlas.
Op basis van de klimaatatlas gemeente Bronckhorst is in Hoofdstuk 3 in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen op de planlocatie als gevolg van klimaatverandering. Daaruit volgt dat bij het voorliggende initiatief voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico’s door klimaatverandering.
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening provincie Gelderland.
Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012
De regionale structuurvisie is een actualisatie van de regionale structuurvisie uit 2004. Er is gekozen voor een actualisatie, omdat er zich een aantal relevante en ingrijpende economische en maatschappelijke ontwikkelingen heeft voorgedaan, zoals:
energietransitie en het inspelen op de gevolgen van de klimaatveranderingen;
bevolkingsverandering, krimp, vergrijzing en ontgroening en
de veranderingen in de landbouw en het landelijk gebied.
De visie gaat ervan uit dat deze ontwikkelingen gevolgen kunnen hebben voor de manier waarop er nu gewoond, geleefd en gewerkt wordt in de regio Achterhoek. Ze hebben invloed op de wijze waarop geld verdiend wordt in de regio. Wijzigingen hierin kunnen ruimtelijke consequenties hebben. De geactualiseerde visie wil richting geven aan het regionaal ruimtelijk beleid om de transitieopgaven op juiste wijze te kunnen faciliteren. Dit door belangrijke ruimtelijke thema's te agenderen en hierop afstemming tussen gemeenten te zoeken. Het doel hiervan is om ook in de toekomst te kunnen spreken van een vitale, regionale economie en een zeer prettige omgeving om in te wonen en te recreëren.
De visie gaat uit van waardeontwikkeling door het toevoegen van kwaliteit als motor achter ruimtelijke ontwikkelingen. Flexibiliteit is nodig om het kwalitatieve aanbod en vraag goed op elkaar af te kunnen stemmen. De ruimtelijke visie richt zich niet op een ruimtelijk eindbeeld, maar streeft juist flexibiliteit na. Het leidende principe is een omslag 'van sturen naar begeleiden'. Dit om kansen te pakken en tegelijkertijd te werken aan behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit. Met de visie wordt regionale afstemming beoogd in de keuzes in de ruimtelijke ontwikkeling op lokaal niveau. Dit door het benoemen van ruimtelijke speerpunten. Als regionale speerpunten worden genoemd: bevolkingsdaling, transitie van het platteland en duurzaamheid/energietransitie.
Beoordeling initiatief
Feit is dat er in de Achterhoek geen sprake meer is van bevolkingsdaling, maar juist van groei. Vooral daarom is er behoefte aan extra woningen. Dit is nader beschreven in het beleidsdocument Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030 (zie paragraaf 3.3.2). Voorliggend initiatief voegt ruimtelijke kwaliteit toe aan een bestaand voormalig agrarisch erf en maar levert geen bijdrage aan de woningbouwopgave, omdat er enkel een bestaande bedrijfswoning qua functie verandert naar een burgerwoning.
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met de Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012.
Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030
De regionale woonagenda 2023-2030 is geldend vanaf 4 maart 2023 en tot stand gekomen op basis van brede bevraging van stakeholders en is door het bureau Ruimtevolk opgesteld in een nauw overleg met een ruime vertegenwoordiging uit de Thematafel Wonen en Vastgoed(accounthouders) en uit het Ambtelijke overleg wonen regio Achterhoek. Daarnaast is de voortgang en de vaststelling van de woonagenda voortdurend en integraal besproken aan de Thematafel Wonen en Vastgoed. Na vaststelling door de zeven gemeenteraden vormt dit document het kader voor de uitvoering en dient het tevens als uitgangspunt voor de vraag aan de samenleving om ideeën en plannen.
In de woonagenda is de woningbehoefte in beeld gebracht op basis van drie belangrijke factoren. Dat zijn de grotere en gewijzigde woonbehoeftes uit de regio zelf, de behoefte aan aanvullende arbeidskrachten en de toenemende trek naar de Achterhoek vanuit andere delen van het land. De woonagenda is gericht op de huisvesting van alle doelgroepen. Daartoe behoren starters op de woningmarkt, ouderen en inwoners behorend tot de bijzondere aandachtsgroepen. Dit vraagt om een passend aanbod aan woningen, waarvan een aanzienlijk deel betaalbaar moet zijn zowel in de koop als in de huur. Naast kwaliteitsaspecten als duurzaam en toekomstbestendig bouwen, geeft de agenda aandacht aan de belangrijke aspecten die spelen in de fysieke leefomgeving zoals een goede leefbare woonomgeving, bereikbaarheid en voorzieningen maar ook klimaatadaptie en een goede ruimtelijke inpassing. De Regionale Woonagenda 2023-2030 anticipeert op de groeiende behoefte aan woningen en het versnellen van de woningbouw en biedt een nieuw kader voor woningbouwplannen.
Beoordeling initiatief
Het initiatief heeft geen betrekking op de realisatie van nieuwe woningen waardoor er niet aan de regionale woonagenda hoeft te worden getoetst.
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met de Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema’s:
Klimaatrobuust gebied
Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Veilig gebied
Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Circulaire Economie en Energietransitie
Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert.
Gezonde leefomgeving
Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
Beoordeling initiatief
Op de locatie zal logischerwijs het verharde oppervlakte afnemen. Het water zal ter plekke worden geïnfiltreerd in de bodem. Tevens wordt er groen toegevoegd wat bijdraagt aan de klimaatrobuustheid van de locatie. Op het aspect water wordt tevens nader ingegaan onder Hoofdstuk 3.
Conclusie
Het initiatief is niet in strijd met het waterbeheerprogramma
2.4.2.3.1.5 Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Bronckhorst 2035
Op grond van artikel 3.1 van de Omgevingswet is de gemeente verplicht een Omgevingsvisie vast te stellen. Dit is een strategische integrale visie op de gewenste ontwikkeling van de totale (fysieke) leefomgeving op de lange termijn, die de gemeenteraad bindt bij het uitoefenen van haar bevoegdheden. De visie gaat inhoudelijk over thema’s als ruimtelijke ontwikkeling, milieu, gezonde leefomgeving, economische ontwikkeling, natuur, landschap, water, verkeer en cultuurhistorie. Deze Omgevingsvisie vormt de beleidsmatige basis voor het toekomstige Omgevingsplan Bronckhorst (de opvolger van de voormalige bestemmingsplannen) en de Omgevingsprogramma’s (voor bijvoorbeeld gemeentelijke milieunormen). In de Omgevingsvisie is een strategische ontwikkelrichting voor de gemeente neergelegd. Ook het Rijk en de provincies moeten een omgevingsvisie opstellen. De gemeenteraad heeft op 24 februari 2022 de Omgevingsvisie Bronckhorst 2035 vastgesteld. De kern van de visie is ‘Bronckhorst twee keer zo mooi’.
Hoe ziet de gemeente Bronckhorst eruit in 2035?
De karakteristieke gemeenschappen en landschappen staan er in 2035 nóg beter voor. De dorpen en buurtschappen ontwikkelen zich, elk op hun eigen manier. Passend bij hun karakter en identiteit. Alle inwoners doen mee en dragen bij aan hun gemeenschap. Activiteiten, cultuur en tradities floreren.
Er is ruimte om te ondernemen voor toonaangevende, technologische en ambachtelijke ondernemingen. Bronckhorst staat op de kaart als ontwikkelaar van gezonde en innovatieve agrofood producten. De banen die de ondernemers creëren zorgen voor interessant en passend werk. Er zijn voldoende woningen om in de eigen gemeenschap te blijven wonen. In de dorpen of binnen 20 minuten fietsen vinden we de basisvoorzieningen om prettig te leven. De leefomgeving stimuleert meedoen, bewegen en ontmoeten.
Inwoners en bezoekers genieten van prachtige, veelzijdige landschappen. Kenmerkende groenstructuren, bomen, andere landschapselementen en het rijke erfgoed zijn verder versterkt. Het natuurlijke systeem is op orde en veerkrachtig. De kwaliteit van bodem, water en lucht zijn goed en het landschap is in staat de effecten van het veranderende klimaat op te vangen. Boeren voeren er een gezonde bedrijfsvoering met zorg voor de omgeving en oog voor dierenwelzijn.
Zo geeft de gemeente invulling aan de vele opgaven die de komende vijftien jaar op hen afkomen. Bronckhorst zal veranderen. Er komen woningen, bedrijven en locaties voor de opwek van hernieuwbare energie. Gemeenschappen en landschappen veranderen mee, zoals ze al eeuwen mee veranderen. En zo wordt Bronckhorst de komende jaren alles bij elkaar twee keer zo mooi. Deze bovenstaande ambities vertaalt de gemeente in concrete doelen voor 2035. Deze doelen helpen de gemeente bij het formuleren van concrete acties. En het al dan niet ondersteunen van initiatieven van inwoners.
Sterke dorpen en leefbaar platteland, streefbeeld 2035
Jonge en oudere inwoners kunnen een passende woning vinden in hun eigen gemeenschap. Met slimme combinaties van transformeren van bestaand vastgoed, inbreiden en het toevoegen van nieuwbouw ontstaat er in 2035 een evenwichtig, flexibel en energiezuinig woningaanbod. Dat doet de gemeente op basis van de lokale behoefte van dorpen en buurtschappen. Zo zorgt de gemeente voor een duurzame balans tussen jong en oud en voorkomt ze isolement en eenzaamheid en dat mensen buiten de boot vallen. Leegstaande gebouwen bieden kansen voor wonen en werken. Met name voor jongeren en starters, maar ook voor ouderen die graag dicht bij de voorzieningen willen wonen. Zo vergroot de gemeente de doorstroom op de woningmarkt, worden karakteristieke panden behouden en zorgt de gemeente voor een levendig en aantrekkelijk dorp.
Beoordeling initiatief
Het initiatief betreft de functieverandering van de voormalige varkenshouderij op de locatie Prinsenmaatweg 12 naar een woning met behoud van de bestaande berging met paardenstal en gierkelder.
Conclusie
Het initiatief past binnen de strategische opgaven voor sterke dorpen en leefbaarheid platteland, landschappelijke kwaliteit en slimme economie en landbouw. Het initiatief past binnen de in de omgevingsvisie geschetste streefbeelden.
Woonvisie 2019-2025
De gemeenteraad van Bronckhorst heeft op 19 juli 2019 de lokale woonvisie ‘Ruimte voor wonen in Bronckhorst’ 2019-2025 vastgesteld. De vorige woonvisie van Bronckhorst is in 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze was gebaseerd op de regionale woonagenda die in 2015 is opgesteld en vastgesteld door de Achterhoekse gemeenten, woningcorporaties en provincie Gelderland. Dit beleid is niet meer actueel. Ten opzichte van een paar jaar geleden bevindt de gemeente Bronckhorst zich nu in een periode van economische groei en is - mede als gevolg daarvan - de druk op de woningmarkt enorm toegenomen. De gemeente ziet daarnaast dat vraag en aanbod onvoldoende op elkaar aansluiten. Ook is de energietransitie nog hoger op de agenda komen te staan. Tot slot ziet de gemeente in de samenleving steeds meer behoefte aan nieuwe (collectieve) woonvormen. De hierboven genoemde ontwikkelingen en opgaven die daarmee samenhangen, vormen de aanleiding om het lokale en regionale woonbeleid te actualiseren.
Op 27 mei 2021 heeft de gemeenteraad ingestemd met de actualisatie van de woonvisie. Hiermee komt er nog meer ruimte voor goede woningbouwplannen. De speerpunten uit de woonvisie blijven overeind. De gemeente geeft prioriteit aan het toevoegen van toekomstbestendige woningen in een betaalbaar segment en het benutten van inbreidingslocaties en bestaand vastgoed. Met de actualisatie van de woonvisie is het aantal te realiseren woningen verhoogd en is er daarnaast meer mogelijk voor doorstromers, collectieve woonvormen, flexibiliteit in bestaand vastgoed en bouwen aan de randen van dorpen.
Bij het opstellen van nieuw beleid baseert de gemeente zich op trends en ontwikkelingen, maar houdt tegelijkertijd rekening met de onzekerheden in de maatschappij. De wereld om ons heen blijft in snel tempo veranderen en daarom is het moeilijk om ver in de toekomst te kijken. De ontwikkeling van de bevolking door geboorte en sterfte is redelijk goed te voorspellen, maar dit geldt niet voor de invloed van migratiestromen. Daarnaast zijn ook factoren als economische groei, consumentvertrouwen, aanscherping van hypotheekeisen en toewijzingsregels bij de sociale huur van invloed. Bij wijzigingen zullen er verschuivingen optreden op de woningmarkt. Daarom gaat de gemeente uit van adaptief beleid. Dit is beleid dat de gemeente kan aanpassen op basis van nieuwe inzichten en ontwikkelingen. Aan de andere kant is de gemeente zich ervan bewust dat een woning een statisch 'product' is en woningen meestal voor minimaal 50 jaar gebouwd worden.
Uitgangspunten Woonvisie
In veel kleine kernen en het buitengebied is er een woonbehoefte die niet altijd in het bestaande woningaanbod kan worden ingevuld. Daarom is er ook ruimte om, op basis van een aantoonbare behoefte, woningen in de kleine kernen en het buitengebied toe te voegen. Hier gaat het vooral om transformatie van bestaand vastgoed en woningsplitsing, waarbij Bronckhorst de landschappelijke kwaliteiten en de mogelijkheden voor bedrijven in het buitengebied wil waarborgen.
Transformatie van bestaand (leegstaand) vastgoed heeft de voorkeur. Hierbij gaat het zowel om verbouw/ herbestemming als nieuwbouw na sloop. Ook is ruimte voor woningsplitsing en nieuwbouw. De gemeente bouwt kiest vooral voor projecten die qua omvang en kwaliteit passen bij de identiteit, uitstraling en stedenbouwkundige structuur van de kern of het gebied. Inbreiding gaat boven uitbreiding. Hierbij wordt rekening gehouden met de opgaven op het gebied van klimaatadaptatie en hittestress.
Op basis van de uitkomsten van het AWLO (2017) en de gesprekken die zijn gevoerd, onderscheidt Bronckhorst de volgende prioritaire doelgroepen:
Starters: jongeren tussen 18 en 35 jaar en jonge gezinnen tot 40 jaar met een beperkt budget, die niet eerder eigenaar van een woning zijn geweest;
Ouderen die graag de stap willen maken van koop naar huur of naar een kleinere, betaalbare en levensloopgeschikte koopwoning;
Huishoudens die net te veel verdienen voor een sociale huurwoning, maar relatief weinig mogelijkheden hebben op de koopmarkt (lagere middeninkomens);
Mensen in een kwetsbare positie, zoals mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben.
Beoordeling initiatief
Met voorliggend plan worden er geen extra woningen mogelijk gemaakt. Een bestaande bedrijfswoning wijzigt naar een burgerwoning.
Conclusie
Het plan leidt daardoor niet tot strijdigheid met de woonvisie.
Welstandsnota
De welstandsnota bevat de criteria die gelden bij de beoordeling van bouwplannen door de welstandscommissie. De reden voor dit beleidsinstrument is én de gemeenteraad én de burger te betrekken bij het welstandsbeleid, zodat dit beleid voor eenieder inzichtelijk wordt.
De formulering luidt, dat de plannen moeten voldoen 'aan redelijke eisen van welstand'. Thans is het al lang niet meer zo dat overal op dezelfde wijze naar de plannen wordt gekeken. Eerst wordt de aanvraag al getoetst aan het bestemmingsplan/omgevingsplan. In nieuwe plangebieden bepalen daarnaast beeldkwaliteitsplannen de eisen waaraan bouwplannen moeten voldoen. In beschermde stads- en dorpsgezichten wordt speciaal gelet op het historische kader. Wat 'redelijk' is voor welstand, hangt dus af van het kader waarbinnen de plannen worden getoetst.
De welstandsnota brengt samenhang in die toetsingskaders en de daarbij behorende criteria en presenteert deze overzichtelijk en inzichtelijk. Met vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad kan de welstandsbeoordeling alleen nog maar gebaseerd worden op de criteria die in de welstandsnota worden genoemd.
Beoordeling initiatief
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op nieuwbouw.
Conclusie
De toetsing aan de 'redelijke eisen voor welstand' is niet aan de orde.
Parkeerbeleid
Op 16 december 2013 hebben burgemeester en wethouders de 'beleidsregels 'Parkeernormen Gemeente Bronckhorst' vastgesteld. Deze beleidsregels zijn op 25 december 2013 in werking getreden. De beleidsregels bevatten parkeernormen die dienen als toetsingskader voor het opstellen van ruimtelijke plannen en waar initiatiefnemers van ruimtelijke activiteiten aan moeten voldoen.
De parkeernormen geven aan hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn voor een bepaalde functie. Het kan gaan over woningen, kantoren en supermarkten maar bijvoorbeeld ook over een camping of een manege. Iedere functie heeft een eigen parkeernorm. De normen die in deze beleidsregels zijn opgenomen komen uit publicatie "kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Niet alle functies zijn opgenomen in de beleidsregels. Voor functies die niet in de beleidsregels staan hanteert de gemeente als uitgangspunt de maximale norm uit de CROW-publicatie 'kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie'.
Bij nieuwe ontwikkelingen of functieveranderingen moet gekeken worden naar het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de nieuwe situatie. Is er sprake van een geheel nieuwe situatie dan moet de berekende parkeervraag in zijn geheel toegevoegd worden. Wanneer er sprake is van een functieverandering dan moet het verschil in parkeervraag tussen oude en nieuwe situatie worden toegevoegd. Vraagt de nieuwe functie om minder parkeerplaatsen dan hoeven de, eventueel, te veel aanwezige parkeerplaatsen niet verwijderd te worden.
Beoordeling initiatief
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op een functieverandering van agrarisch naar wonen. Zoals ook blijkt uit paragraaf 3.1.3.2.14 is op de locatie sprake van voldoende parkeercapaciteit om te kunnen parkeren op het eigen terrein.
Conclusie
Het plan is niet in strijd met het parkeerbeleid van de gemeente Bronckhorst.
Landschapsontwikkelingsplan Bronckhorst, Lochem en Zutphen
Op 25 juni 2009 heeft de gemeenteraad van Bronckhorst het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) voor het buitengebied vastgesteld. Dit beleidsplan is door de gemeenten Bronckhorst, Lochem en Zutphen gezamenlijk opgesteld. Het doel van het LOP is om een stimuleringskader te bieden voor het landelijke gebied en de gewenste initiatieven te ondersteunen, wat moet leiden tot verder behoud en versterking van het landschap. Hierbij wordt rekening gehouden met bestaande plannen. Het LOP is uitgewerkt in de gemeentelijke structuurvisie Bronckhorst 2012 dat als basis voor bestemmingsplannen dient.
Conform het landschapsbeleid geldt onder meer een zorgvuldige landschappelijke inpassing als voorwaarde voor ontwikkelingen in het buitengebied, onder meer functieverandering, uitbreidingen van bebouwing, bedrijventerreinen en wegenaanleg.
Daarbij dient gelet te worden op de vormgeving van nieuwe bebouwing, de situering van nieuwe gebouwen ten opzichte van de reeds bestaande gebouwen en de wijze waarop de nieuwe gebouwen zich verhouden tot de ruimere omgeving in het betreffende landschapstype. Dit doel wordt door de aanleg van streekeigen beplanting gerealiseerd en leidt tot een verhoging van de landschappelijke kwaliteit.
Beoordeling initiatief
Het initiatief heeft betrekking op de omzetting van ‘agrarisch’ naar ‘wonen’. Hierin is voorzien in een landschappelijke inpassing (zie bijlage I Overzicht Documentenbijlagen).
Conclusie
Het plan is niet in strijd met het landschapsontwikkelingsplan.
Samen voor biodiversiteit
Het plan ‘Samen voor biodiversiteit’ is in oktober 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit biodiversiteitsplan is gericht op:
verankering van het thema biodiversiteit in het gemeentelijk beleid (ruimtelijke processen);
verankering van het thema biodiversiteit in het gemeentelijk beheer (beheer);
vergroting van bewustwording en handelen (communicatie en participatie);
projecten die bijdragen aan het vergroten van de biodiversiteit.
Beoordeling initiatief
Met dit plan wordt extra groen aangeplant in de vorm van knotwilgen. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het vergroten van de biodiversiteit in het gebied.
Conclusie
Het plan is niet in strijd met het biodiversiteitsplan.
2.4.2.3.2.1 Milieu-effectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan of project met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage of een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is in dit verband bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.
Wettelijk kader
De m.e.r. beoordeling gebeurt op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit (Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan:
dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of
waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.
In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten.
Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.
Toetsing
De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven onder categorie J11 in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De ontwikkeling betreft het omzetten van de bestemming ‘agrarisch met waarden – landschap’ naar ‘wonen’ waarbij er geen extra woningen worden toegevoegd, en is daardoor niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Verder is zoals blijkt uit paragraaf 4.3.1 geen passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig, zodat ook op basis hiervan geen sprake is van plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Conclusie
De ontwikkeling leidt niet tot aanzienlijke milieueffecten en er is geen passende beoordeling nodig, zodat geen sprake is van plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen waarbij duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als: ”een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen" (bijlage 1 van de Ow). Toetsing aan het aspect duurzaamheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid is nog in ontwikkeling, zodat is getoetst aan algemene uitgangspunten.
Toetsing
Er wordt niet gebouwd, enkel gesloopt. Hierdoor kan er niet concreet worden ingezet op duurzaamheid.
Conclusie
Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.
Wettelijk kader
In de Memorie van Toelichting bij de Aanvullingswet bodem Omgevingswet wordt beschreven dat de algemene doelstelling van het bodembeleid is, het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door de maatregelen van het in onderlinge samenhang:
Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteit van de bodem.
Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
Via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is de algemene doelstelling van het bodembeleid opgenomen in de Omgevingswet en bijbehorende AMvB’s. In paragraaf 5.1.4.5 Bodemkwaliteit van het Bkl zijn instructieregels opgenomen over:
Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie
Nazorg
Aanwijzing bodembeheergebieden
Indeling landbodem en bodemfunctieklassen
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl).
Tot het moment waarop de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5. Bodemkwaliteit van het Bkl zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Bronckhorst, gelden de artikelen 22.29 lid 1 sub c en 22.30 uit het omgevingsplan. Dit zijn de regels uit de bruidsschat. Hierin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen wordt verleend als de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden, of bij overschrijding, aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Toetsing
In verband met de ontwikkeling is door Montferland Milieu een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Uit het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde bodemonderzoeksrapport (zie bijlage I Overzicht Documentenbijlagen) kan het volgende worden opgemaakt:
Op of nabij de bodemgevoelige locatie hebben geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden die van invloed kunnen zijn (geweest) op de bodemgevoelige locatie.
Derhalve kan worden gesteld dat er geen aanleiding is voor het uitvoeren van een verkennend bodem en asbestonderzoek volgens de NEN5740.
Tijdens het veldwerk is de opgegraven grond/puin zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. In de grove fractie van de bodem is geen asbest aangetroffen.
In het mengmonster A-ASMM01 van de fijne fractie is een gehalte van <0,5 mg/kg aangetoond.
In het mengmonster B-ASMM02 van de fijne fractie is een gehalte van <0,8 mg/kg aangetoond.
In het mengmonster C-ASMM03 van de fijne fractie is een gehalte van <0,4 mg/kg aangetoond.
Alle mengmonsters bevinden zich onder het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) en een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
De tevoren gestelde hypothese ‘De onverharde afwateringszones kunnen op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient te worden verworpen.
De tevoren gestelde hypothese ‘De puinverharding kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient te worden verworpen.
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen planologische procedure. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
Conclusie
Ten aanzien van het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Een planlocatie kan bij een geluidsbron zijn gelegen, zoals een drukke weg, spoorweg, industrie of een windturbine. Bekeken moet worden of het plan geen hinder voor de omgeving vormt, en of de omgeving geen hinder vormt voor het plan. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen geluid van activiteiten en geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (aandachtsgebieden).
Wettelijk kader
Geluid van activiteiten
In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl staan instructieregels over het geluid van activiteiten (bijv. windturbines) op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Op grond van deze instructieregels moet er in het omgevingsplan worden zorggedragen voor een aanvaardbare geluidsbelasting. Er is in ieder geval sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting indien de standaard- en grenswaarden van artikel 5.65 van het Bkl worden opgenomen in het omgevingsplan. Tot het moment waarop de gemeente Bronckhorst een permanent omgevingsplan heeft, gelden de regels van paragraaf 22.3.4 van het tijdelijk omgevingsplan gemeente Bronckhorst.
Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen
In paragraaf 5.1.4.2a Bkl staan instructieregels over het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
onderwijsfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan;
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
In paragraaf 5.1.4.2a.4 Bkl staan instructieregels voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). In het omgevingsplan gemeente Bronckhorst zijn nog geen geluidaandachtsgebieden opgenomen waardoor het overgangsrecht geluidaandachtsgebied voor gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen van toepassing is (artikel 17.5 Omgevingsregeling), met bijbehorende afstanden:
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m;
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en
voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
Op grond van artikel 5.78s Bkl moet de geluidsbelasting van een weg op een geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtgebied aanvaardbaar zijn. De geluidsbelasting is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals deze zijn opgenomen in artikel 5.78t Bkl.
Toetsing initiatief
Geluid van activiteiten
In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich naast woningen meerdere agrarische bedrijven en een enkel niet-agrarisch bedrijf. In de omgeving bevinden zich de in de onderstaande tabel opgenomen locaties met milieuhinderlijke activiteiten. De afstanden in de tabel zijn gemeten vanuit de rand van de bestemmingsvlakken van deze bedrijven tot de grens van de planlocatie. Feitelijk ligt de bestaande woning echter op grotere afstand van deze bedrijven, zodat sprake is van een worst case beoordeling. In deze situatie is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied met wonen.
De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen de zone voor geluid van de bierbrouwerij. Het initiatief belemmert dit bedrijf in zoverre niet in de bedrijfsvoering en mogelijkheden. Dit komt enerzijds omdat er sprake is van een worst case situatie. De bestaande woning ligt feitelijk op grotere afstand van het bedrijf uit de tabel. Daarnaast liggen omliggende bestaande woningen op korte afstand van deze bedrijven. Hierdoor is het niet aannemelijk dat deze ontwikkeling de bestaande bedrijven schaad in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Andersom mag ter plaatse van de bestaande woning worden aangenomen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Railverkeerslawaai
Het geluidaandachtsgebied voor een spoorweg bestrijkt een zone van maximaal 100 meter aan weerszijden van het spoor. Het plangebied ligt op een veel grotere afstand van spoorwegen, zodat hiervan geen belemmeringen uitgaan voor dit initiatief.
Verkeerslawaai
De planlocatie bevindt zich binnen de geluidaandachtsgebieden van de Prinsenmaatweg. Deze ontwikkeling maakt echter geen nieuwe woningen of andere geluidgevoelige objecten mogelijk. Andersom voorziet de ontwikkeling zelf niet in geluidbronnen die relevant zijn om te toetsen ter plaatse van omliggende woningen of andere geluidgevoelige objecten. Het woon- en leefklimaat is zondermeer aanvaardbaar te achten.
Industrielawaai
De planlocatie bevindt zich buiten het aandachtsgebied van een industrieterrein.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Bij het aspect luchtkwaliteit moet worden beoordeeld of een initiatief bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit en of ter plaatse van een initiatief de luchtkwaliteit aanvaardbaar is.
Wettelijk kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden bijvoorbeeld zogeheten omgevingswaarden voor o.a. de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden;
2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden luchtkwaliteit blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. Echter, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient de lokale luchtkwaliteit onderzocht te worden, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiervoor dient het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd te worden (https://www.cimlk.nl/kaart.). Het CIMLK geeft meer inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) op lokaal niveau tussen 2022 en 2030.
Toetsing
De gemeente Bronckhorst ligt buiten de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit, zodat het aspect luchtkwaliteit in beginsel slechts marginaal hoeft te worden getoetst. Er is immers geen sprake van de aanleg van auto(snel)wegen of tunnelbuistrajecten.
Duidelijk is op dat op en rondom de planlocatie geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Zo blijkt uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit dat langs het dichtstbijzijnde meetpunt uit het CIMLK (langs de N348) sprake is van een jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2)van 12,74 microgram/m3 (monitoringsronde 2023), terwijl voor deze parameter een omgevingswaarde van 40 micogram/m3 geldt. Voor fijn stof (PM10) is hier sprake van een jaargemiddelde concentratie van 14,40 micogram/m3, terwijl ook voor deze parameter een omgevingswaarde van 40 micogram/m3 geldt.
Volledigheidshalve valt op te merken dat er een agrarisch bedrijf verdwijnt waarmee de daarbij behorende verkeersbewegingen ook komen te vervallen. Hierdoor kan er ruimschoots worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dat betekent dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woning niet in het geding is.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen optreedt.
Wettelijk kader
In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen (paragraaf 5.1.4.6 Bkl), op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn.
Tot het moment waarop deze regels zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Bronckhorst gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke omgevingsplan, welke gelden voor de volgende activiteiten:
geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf;
geur door het houden van fokteven van nertsen;
geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval;
geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken.
Toetsing
In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich meerdere relevante locaties:
een paardenhouderij op de locatie Prinsenmaatweg 10 op een afstand van 58 meter gemeten vanaf de gevel van de bestaande woning tot aan het agrarische bouwvlak;
een bierbrouwer op de locatie Rhabergseweg 9 op een afstand van 193 meter;
een waterzuiveringsinstallatie op de locatie Oldburgseweg 42 op een afstand van 440 meter.
De meest nabijgelegen veehouderij bevindt zich op een afstand van 58 meter van de planlocatie. Het betreft een paardenhouderij waarvoor een minimumafstand van 50 meter geldt tot woningen buiten de bebouwde kom. Hieraan wordt dus voldaan.
De planlocatie bevindt zich binnen de zone met milieuwaarden inzake geur van de bierbrouwerij. In de bestaande situatie zijn er echter al woningen op kortere afstand van deze bierbrouwer gelegen. De ontwikkeling belemmert het bedrijf daarom niet verder in de mogelijkheden dan momenteel al het geval is. Nu het bedrijf op die bestaande woningen moet voldoen aan de milieuregelgeving, mag bovendien worden aangenomen dat bij de op grotere afstand gelegen bestaande woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De planlocatie bevindt zich buiten de zones met milieuwaarden van de rioolwaterzuiveringsinstallatie van 300 meter.
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
2.4.2.3.2.7 Bedrijven en mileuzonering
Voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van ruimtelijke initiatieven op milieugebied kan gebruik worden gemaakt van de Handreiking Activiteiten en milieuzonering (VNG, editie 2024). De in deze handreiking beschreven systematiek voor milieuzonering werkt anders dan voorheen niet meer met zones gekoppeld aan milieucategorieën en een Lijst van activiteiten met richtafstanden. In plaats daarvan wordt uitgegaan van zones met milieuwaarden die de gebruiksruimte per activiteit begrenzen (zonder een lijst met activiteiten).
De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De aspecten gevaar en stof hebben geen plek meer gekregen in de Handreiking. In de vorige versie (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering uit 2009) golden hiervoor nog richtafstanden. Naar huidige inzichten zijn die aspecten al op een andere wijze afdoende gereguleerd.
Zoals voorheen al gebruikelijk was wordt ook nu nog onderscheid gemaakt in twee typen woongebieden:
1. rustig woongebied: hiermee wordt een gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld, waar incidenteel ook niet woon-activiteiten voorkomen, die doorgaans geen wezenlijke hinder voor omwonenden veroorzaken;
2. gemengd gebied met wonen: hiermee wordt een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toebedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. Hieronder worden mede verstaan lintbebouwing in het buitengebied met een menging van wonen met agrarische en andere bedrijvigheid en woongebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen.
In hoofdstuk 10 van de Handreiking is een hulpmiddel opgenomen om een inschatting te maken of een bepaalde activiteit past binnen de beschikbare milieugebruiksruimte voor geluid en geur. Dit hulpmiddel bevat een naar zones voor geluid en geur omgezette lijst van activiteiten (transponeringstabel), waarbij deze in bijlage A5 van de Handreiking opgenomen lijst nadrukkelijk slechts een indicatie geeft. Dat betekent dat nader moet worden gemotiveerd of een milieuhinderlijke activiteit inpasbaar is nabij milieugevoelige functies en vice versa.
Toetsing
In de beoogde situatie is sprake van een functiewijziging van de agrarische bestemming met waarden naar wonen. In algemene zin kan echter worden opgemerkt dat het voor een woning voldoende is om een minimumafstand van 50 meter ten opzichte van omliggende veehouderijen te hanteren om redenen van geur en geluid. Aan die afstand wordt in dit geval voldaan.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit initiatief.
2.4.2.3.2.8 Externe veiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden).
De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Het betreft de volgende activiteiten:
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar (Kaarten | Atlas Leefomgeving).
In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt in ieder geval aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor een aanvullende onderbouwing en eventueel extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een plan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Toetsing
De ontwikkeling voorziet o.a. in het gebruik van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het beoogde plan maakt zelf geen risicovolle activiteiten mogelijk. Een woning is volgens het Bkl een kwetsbaar gebouw (Bijlage VI, onderdeel C, sub a).
Aan de hand van de Atlas Leefomgeving en de EV-Signaleringskaart (02‑02‑2024) is bekeken of in de omgeving van het projectgebied risicobronnen aanwezig zijn, die relevant zijn voor het plan vanuit het oogpunt omgevingsveiligheid. Zie hiervoor onderstaande figuur.

In de omgeving zijn volgens de risicokaart (zie figuur) echter geen risicobronnen aanwezig, waarvan de risicocontouren of de aandachtsgebieden over de locatie liggen. Dat betekent dat risicovolle inrichtingen, basisnetroutes en buisleidingen op voldoende afstand van de planlocatie liggen en geen belemmeringen opwerpen voor de beoogde ontwikkeling.
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
Wettelijk kader
Waterschap Rijn en IJssel: Waterbeheerprogramma 2022-2027
In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van het Waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema’s:
Klimaatrobuust gebied
Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig in te vullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Veilig gebied
Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Circulaire Economie en Energietransitie
Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert.
Gezonde leefomgeving
Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
Waterschap Rijn en IJssel: Waterschapsverordening
In de Waterschapsverordening staan regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Zo staan er bijvoorbeeld regels in over water onttrekken, water lozen en andere activiteiten. Deze regels gelden voor iedereen. Soms is niet alleen de beek of dijk zelf beschermd, maar ook een strook grond er langs. Ook deze zones staan aangegeven in de Waterschapsverordening.
Per 1 januari 2024 zijn ook sommige rijksregels over lozingen vervallen. Deze regels van het rijk zijn nu in de Waterschapsverordening opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om lozingen op een oppervlaktewater van een waterschap of zuiveringtechnisch werk van een waterschap.
Waterschap Rijn en IJssel: weging waterbelang
De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit.
Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang:
1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig.
2. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien.
3. Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding.
Toetsing
Uit het doorlopen van de online vragenlijst op hetwateradvies.nl komt naar voren dat de ontwikkeling geen waterschapsbelangen raakt. Hierdoor is er geen wateradvies nodig.
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
De ‘Landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ is de basis voor het klimaatadaptief bouwen, waaraan voldaan moet worden om toekomstbestendig te ontwikkelen. De landelijke maatlat geeft aan hoe er klimaatbestendig ingericht en gebouwd kan worden. Daarbij worden de volgende thema’s onderscheiden:
biodiversiteit en natuurinclusiviteit;
droogte;
bodemdaling;
hitte;
gevolgbeperking overstroming;
wateroverlast.
Op basis van de klimaatatlas gemeente Bronckhorstis in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in de projectgebieden als gevolg van klimaatverandering.
Wateroverlast.
Ter plaatse van het bouwvlak wordt geen plasvorming verwacht na een korte bui. Er wordt ook geen plasvorming verwacht bij een lange bui. Tijdens een lange bui, zijn omliggende wegen wel gewoon bereikbaar. Tijdens een korte bui is de Prinsenmaatweg enkel begaanbaar voor calamiteitenvervoer.
Hittestress.
De temperatuur op de locatie zal warm zijn (niet extra koeler of extra warmer) op warme dagen. Dit is naar waarschijnlijkheid gebaseerd op de huidige situatie waarbij de bestaande bebouwing voor warmte zorgt. De bestaande bebouwing neemt door sloop drastisch af. Daarnaast wordt er extra groen toegevoegd wat zorgt voor verkoeling.
Droogte.
Betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid is er weinig verandering te zien in 2050 ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is en blijft op de locatie sprake van zeer lage grondwaterstanden en is deze zeer droogtegevoelig. Het projectgebied ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. Op de locatie is geen sloot of overig water aanwezig die droog kan vallen. Hierdoor is er geen sprake van een risico voor de volksgezondheid.
Overstroming.
Er liggen dijken en watergangen in nabijheid van de locatie. Daarbij vormt overstroming een risico voor het projectgebied. De kans op een overstroming is echter klein. 1x per 300 tot 3.000 jaar.
Op basis van voorgaande punten volgt dat door de toevoeging van groen al een bijdrage wordt geleverd aan de klimaatadaptatie. Er hoeven daarom geen andere specifieke maatregelen getroffen te worden.
2.4.2.3.2.11 Archeologie en cultuurhistorie
Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving moet een afweging plaatsvinden met betrekking tot eventueel op een locatie aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspect archeologie en cultuurhistorie.
Wettelijk kader
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:
Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
Verplaatsing van beschermde monumenten;
Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Toetsing
Archeologie
Op de locatie is sprake van de bestemming “Waarde – Archeologische verwachting 1”. Bij een aanvraag voor omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 250 m2 moet op grond van deze dubbelbestemming een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Er worden met onderhavig plan geen bouwwerken mogelijk gemaakt. Bestaande bebouwing wordt gesloopt. Hiervoor geldt een uitzondering op de vergunningplicht voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk. De grond is, door de realisatie van de beoogde te slopen stallen, al eerder geroerd geweest.
Cultuurhistorie
In de directe omgeving en ter plaatse van het plangebied is geen sprake van als Rijks- en of gemeentelijke aangewezen objecten.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.
Wettelijk kader
In het Bkl zijn diverse regels opgenomen ter bescherming van de natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming Natura 2000
Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moet worden bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden.

De planlocatie is gelegen op een afstand van ruim 800 meter van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Rijntakken (zie figuur 9).
Vanwege de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, waarbij de voormalige agrarische activiteiten verdwijnen, en de afstand tussen de locatie en Natura 2000-gebieden, kunnen negatieve effecten bij voorbaat worden uitgesloten. De ontwikkeling leidt dus niet tot nadelige gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Ook leidt de ontwikkeling niet tot vergunningplicht voor de Natura 2000-activiteit.
Conclusie
Het aspect gebiedsbescherming Natura 2000 vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone
Gelderland heeft veel natuurgebieden. Samen vormen zij het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. De begrenzing en de regels ter bescherming van het GNN en de Groene ontwikkelingszone zijn opgenomen in de Omgevingsverordening provincie Gelderland.
Toetsing
De planlocatie is niet gelegen binnen of nabij de begrenzingen van het GNN of de GO, waardoor negatieve effecten hierop zijn uit te sluiten. Er is buiten deze zones namelijk geen sprake van externe werking, zoals voor Natura 2000-gebieden wel het geval is.

Conclusie
Het aspect provinciale gebiedsbescherming (GNN/GO) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Soortenbescherming
Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnet werk Nederland. Dit kan vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar ook in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Toetsing
In het kader van de beoogde ontwikkeling is er door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (“Quickscan natuurwaardenonderzoek Prinsenmaatweg 12 - Rha”, d.d. 4 december 2025, kenmerk 7052, versie 1.0). De locatie is daarbij onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. De rapportage van die quickscan is opgenomen in bijlage I Overzicht Documentenbijlagen.
Uit de quickscan volgen onderstaande bevindingen en conclusies:
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied en wordt niet als functioneel leefgebied voor amfibieën beschouwd.
Door het slopen van de stallen wordt mogelijk een bezet nest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari.
Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen of vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood.
Conclusie
Het aspect Flora en Fauna soortenbescherming zorgt niet voor belemmeringen ten aanzien van dit plan.
Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Dit belangrijke maatschappelijke doel is o.a. doorvertaald naar een aantal instructieregels in het Bkl die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de wijziging van het omgevingsplan is meegenomen.
Beoordeling initiatief
De toetsing aan de wettelijke milieunormen en de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling zijn in de voorgaande paragrafen per relevant omgevingsaspect aan bod gekomen. Ook bij het voldoen aan wettelijke milieunormen kan echter gezondheidsschade optreden. Belangrijk begrip daarbij is het voorzorgsbeginsel dat voortvloeit uit de artikelen 2 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De overheid kan op basis hiervan maatregelen treffen als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben, zonder dat er (voldoende) wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn.
Bij voorliggend initiatief worden geen significante gezondheidseffecten verwacht. Er is in de directe omgeving geen sprake van zodanig voor de gezondheid nadelige emissies of omstandigheden, dat hierdoor vanuit het voorzorgsbeginsel of anderszins belemmeringen optreden voor de beoogde ontwikkeling.
De inrichting van de planlocatie met veel groen draagt daarnaast bij aan de positieve gezondheid. Groen in de buurt zorgt aantoonbaar voor een gevoel van welbevinden, wat bijdraagt aan de gezondheid van bewoners.
Concluderend
Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
2.4.2.3.2.14 Verkeer en parkeren
Verkeer
De locatie wordt ontsloten via de Prinsenmaatweg. Hierbij komt de toegang richting de te slopen stallen te vervallen. Tevens neemt het aantal verkeersbewegingen af, aangezien de agrarische activiteiten ter plaatse komen te vervallen.
Parkeren
Op het bestaande erf is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte
Concluderend
De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.
In het kader van het plan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante kabels en leidingen (bijv. hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
Toetsing
Aardgastransportleidingen
Op de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen.
Hoogspanningsleidingen
Op de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen.
Rioolleidingen
De rioolleidingen leiden voor dit plan niet tot enige belemmering.
Watertransportleidingen
Op de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen.
Straalverbindingen
Op de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen.
Kabels en niet planologisch relevante leidingen
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verplichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van de planlocatie worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.
Conclusie
Op en nabij de planlocatie van dit plan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de volkshuisvesting omdat het aantal woningen op de locatie ongewijzigd blijft.
Bij de voorbereiding van de wijziging van een omgevingsplan dient onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het gaat hierbij om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen.
Het voorliggende initiatief heeft voor de gemeente Bronckhorst geen financiële consequenties. De plannen komen volledig voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Dit wordt vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Tevens wordt er met de initiatiefnemer een nadeelcompensatieovereenkomst afgesloten.
Met de beoogde ontwikkeling wordt agrarische bebouwing gesloopt, waarbij de intensieve veehouderij verdwijnt en de agrarische bestemming wordt omgezet naar wonen. Hiermee wordt de leefbaarheid van het buitengebied behouden en versterkt.
Over voorliggend plan heeft geen vooroverleg plaatsgevonden met het Waterschap Rijn en IJssel omdat het initiatief geen waterbelangen raakt. Vooroverleg met de provincie Gelderland is niet noodzakelijk geacht, nu er geen sprake is van directe provinciale belangen bij dit plan. Het ontwerp-omgevingsplan wordt toegezonden aan zowel het waterschap als aan de provincie.
Participatie
De directe omgeving is geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling en hebben aangegeven hier geen problemen mee te hebben.
Het ontwerp-omgevingsplan wordt conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Hierbij heeft een ieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen op het ontwerpplan. Eventuele zienswijzen zullen worden voorzien van een reactie en bij de (al dan niet gewijzigde) vaststelling van het omgevingsplan worden betrokken.
Op basis van de voorgaande paragrafen kan worden geconcludeerd dat de beoogde functiewijziging, gelet op het planologisch beleid, de omgevingssituatie ter plaatse uitvoerbaar kan worden geacht. Geconcludeerd kan worden dat voor de gewenste ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op recreatiepark c.q. bungalowpark ’t Zonnetje aan de Ruurloseweg 30-30a te Zelhem was door omstandigheden al enkele decennia weinig onderhoud gepleegd en geen ontwikkelingen doorgevoerd om het park bij de tijd te houden. Omdat er geen campinggedeelte meer aanwezig is, heeft het voormalige toilet- en douchegebouw haar functie verloren. De horecagelegenheid werd gesloten en het park verloor haar aantrekkelijkheid voor de toeristische verhuur. In 2021 heeft de huidige eigenaar en beheerder Recrejans V.O.F. het park overgenomen. Deze eigenaar/initiatiefnemer is onder andere ook eigenaar van het naastgelegen recreatiepark Vossenveen. De speeltuin en het momenteel gesloten horecagebouw op het terrein van ‘t Zonnetje zijn als gemeenschappelijke voorzieningen beschikbaar voor gasten van beide parken.
De nieuwe eigenaar heeft het onderhoud opgepakt en een planinitiatief voor nieuwe ontwikkelingen uitgewerkt. Initiatiefnemer wil de gemeenschappelijke horecafunctie van het horecagebouw nieuw leven inblazen. Dit door het horecapand uit te breiden met een bowlingbaan en open te stellen voor zowel parkbezoekers als inwoners van de gemeente Bronckhorst en omgeving. Door het restaurant, terras en de bowlingbaan ook open te stellen voor externe gasten, dienen de parkeerfaciliteiten te worden aangepast en uitgebreid. Het sanitairgebouw van het voormalige campinggedeelte is met enkele eenvoudige ingrepen te verbouwen tot een vijftal recreatiestudio’s voor een kortstondig verblijf van 1 of 2 nachten. Ideaal voor onder andere wandelaars van het Pieterpad, wat aan de noordzijde langs het recreatiepark loopt. Voor deze uitbreidingen en aanpassingen op het bungalowpark is een wijziging van het omgevingsplan nodig.
Het plangebied aan de Ruurloseweg 30-30a te Zelhem is gelegen in het buitengebied van de gemeente Bronckhorst op een gemeten afstand van circa 2,85 km ten noordoosten van Zelhem. Het plangebied ligt verder hemelsbreed op ruim 5 km ten zuidwesten van Hengelo, circa 3,25 km ten zuidoosten van Veldhoek en circa 5,5 km ten noordoosten van Halle.

Het recreatiepark ’t Zonnetje is het plangebied en bestaat uit tientallen kadastrale percelen, omdat veel recreatiewoningen op een eigen kadastraal perceel staan. Het gehele plangebied heeft een oppervlakte van circa 5,4 ha. Het deel van het plangebied waarop de ontwikkelingen zijn voorzien is kadastraal bekend als gemeente Zelhem, sectie X, nummer 820 en heeft een oppervlakte van 15.770 m2. Binnen dit perceel bevinden zich de huidige bedrijfswoning Ruurloseweg 30 en een aantal gemeenschappelijke voorzieningen, zoals het horecagebouw, het (voormalige) sanitairgebouw, de speelvoorzieningen, het parkeerterreinen en de padenstructuur van het park. De voormalige bedrijfswoning aan de Ruurloseweg 30a te Zelhem is in het zuidwesten van het plangebied gesitueerd en kadastraal gelegen op het perceel bekend als gemeente Zelhem, sectie X, nummer 731 en heeft een oppervlakte van 4.725 m2. Bij deze voormalige bedrijfswoning zijn momenteel geen wijzigingen voorzien, hoewel de bebouwing zich in een vervallen staat bevindt.
Op onderstaande luchtfoto is het plangebied rood omlijnd weergegeven, waarbij de locaties waar ontwikkelingen zijn voorzien globaal met een gele cirkel worden gemarkeerd.

De planlocatie is gelegen in het buitengebied met verschillende functies, zoals agrarische bedrijvigheid, woonfuncties en enkele niet-agrarische bedrijven. Ten noorden van het plangebied is het bosgebied ’t Zand gelegen.
Volgens het op 17 mei 2017 vastgestelde bestemmingsplan Landelijk Gebied Bronckhorst heeft de Ruurloseweg 30-30a te Zelhem de enkelbestemming ‘Recreatie- Verblijfsrecreatie’ met de nadere functie-aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 10’. Binnen deze functieaanduiding zijn 54 recreatiewoningen toegestaan en is een oppervlakte van 567 m2 aan bedrijfsbebouwing toegestaan voor gemeenschappelijke voorzieningen waaronder horeca. Tevens gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ (grotendeels) en ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’ (in het zuidwestelijke deel van het plangebied). Volgens artikel 16.2.3 sub a is per bestemmingsvlak één bedrijfswoning toegestaan, tenzij ter plaatse de aanduiding ‘aantal woningen’ is opgenomen, waarbij uitsluiten het aangegeven aantal bedrijfswoningen is toegestaan. Hoewel er decennialang 2 bedrijfswoningen binnen de planlocatie zijn gedoogd, ontbreekt de aanduiding ‘aantal woningen: 2’. Omdat één bedrijfswoning zich momenteel in een vervallen staat bevindt en daardoor niet meer in gebruik is, is er geen sprake van een strijdige situatie.

Nadien zijn diverse veegplannen vastgesteld, waarin de van toepassing zijnde regels evenals afwijkingsmogelijkheden zijn aangepast. De details van deze wijzigingen zijn niet relevant voor de beeldvorming van het planologische kader.
Nu de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking is getreden vormt het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Bronckhorst’ alsmede de parapluherzieningen en opvolgende veegplannen het huidige planologische toetsingskader en is daarmee een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Bronckhorst.
Omdat een vergroting van de oppervlakte gemeenschappelijke voorzieningen ten behoeve van de horeca inclusief bowlingbanen wat ook voor derden toegankelijk dient te zijn en er 5 studio’s voor kortdurend recreatief nachtverblijf worden voorzien, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.
2.5.2.1.1 Onstaansgeschiedenis
Op basis van de geomorfologie en bodemgesteldheid kan de gemeente Bronckhorst globaal worden opgedeeld in twee landschappen met eigen karakter en ontstaansgeschiedenis: het dekzandlandschap en het rivierenlandschap van de IJssel. Onderhavig plangebied aan de Ruurloseweg 30-30a te Zelhem ligt in een tamelijk laag gelegen en laat ontgonnen gebied in het dekzandlandschap en bestond uit voormalige woeste gronden. Rechte verkavelingslijnen en lanen verwijzen naar het ontginningsverleden van dit gebied.
De huidige bossen van landgoed ’t Zand behoorden in de Late Middeleeuwen als gemeenschappelijke gronden toe aan ongeveer vijftig boeren uit de marke Dunsborger of Hattemer genoemd. Het gebied bestond uit heide. Rond 1919 werden de gronden ontgonnen en tot bos ingeplant. In 1929 werd een groot deel van het bosareaal echter verwoest door een brand. Vanaf 1934 viel landgoed `t Zand onder de NSW en was het opengesteld voor wandelaars. Na 1935 werd een groot deel van het landgoed (80%) ingeplant als bos en was een kleiner deel (20%) in gebruik als landbouwgrond.
In 1947 heeft familie van de voorgaande eigenaar een groot deel van het plangebied aangekocht en werd het glooiende terrein met heide en hier en daar wat dennen ontwikkeld tot kampeerterrein. Geleidelijk kwamen hier ook zomerhuisjes op te staan. In 1971 werd het terrein uitgebreid tot de huidige omvang en in de jaren daarna verder ontwikkeld en oude huisjes vervangen door bungalows. Na 1978 verdwijnt het kampeerterrein en komen er meer tweede huizen te staan. Ook werd het hoofdgebouw nieuw gebouwd, zoals op afbeelding 4 te zien is.

2.5.2.1.2 Ruimtelijke structuur
Het plangebied is gelegen in een overgangszone tussen het kleinschalige kampenlandschap ten westen en het grootschalig en open ontginningsgebied ’t Wolfersveen met een rationeel verkavelingspatroon oostelijk van het recreatiepark. Op de armere zandgronden is in de eerste helft van de vorige eeuw bos aangeplant.
2.5.2.1.3 Functionele structuur
Hoewel de aanplant van bos op de voormalige woeste gronden vooral als productiebos was bedoeld, kent het gebied hoge natuur- en landschapswaarden. Met ecologische verbindingszones worden de diverse landgoederen en natuurgebieden met elkaar verbonden. Tevens is deze landgoederenzone aantrekkelijk voor recreanten en toeristen. Naast diverse recreatieparken zijn er vele wandel- en fietsroutes door dit gebied uitgezet, waaronder het Pieterpad. Het plangebied bestaat uit recreatiepark Het Zonnetje, terwijl oostelijk daarvan recreatiepark Vossenveen is gesitueerd.
Kenmerkend voor de gemeente Bronckhorst zijn de vele beeklopen en watergangen. Het betreft een landschap van laaglandbeken verdeeld in diverse kleine stroomgebieden. Veel beken ontspringen net over de grens in Duitsland en stromen vandaar in oost-westelijke richting naar de IJssel, maar sommige ontspringen in het gebied zelf. Het water heeft het landschap gevormd tot de 2e helft van de 20e eeuw. Vanaf die tijd zijn de waterlopen zo onder controle gebracht via kaden en stuwen dat water ongeacht de hoogte van (piek)afvoer in het stroombed blijft. Daarmee hebben veel waterlopen hun oorspronkelijke karakter, waarin in meer of mindere mate sprake was van meandering, verloren. Het plangebied ligt op de zandgronden ten noordoosten van Zelhem. Op en direct rondom de planlocatie is geen oppervlaktewater van belang aanwezig.
2.5.2.1.5 Landschaps- en natuurwaarden
In het Landschapsontwikkelingsplan van de gemeenten Bronckhorst, Lochem en Zutphen uit 2009 is het plangebied gelegen in deelgebied 12 ‘Verbindingslandgoederen: tussen essen en enken’. Landgoed ’t Zelle en landgoed ’t Zand liggen in een aantrekkelijk gebied waar boscomplexen, natuur en landbouwgronden, openheid en geslotenheid elkaar afwisselen. Beide landgoederen zijn ontstaan op de voormalige woeste gronden. Rechte verkavelingslijnen en lanen verwijzen naar het ontginningsverleden van deze gebieden. Deze landschapsontwikkelingsvisie gaat uit van een aaneenschakeling van de verschillende natuurgebieden en landgoederen. Door toevoeging van kleine landschapselementen, zoals singels en houtwallen, wordt een aaneengesloten landschappelijk netwerk nagestreefd tussen ’t Zelle in het noorden en ’t Zand in het zuiden.
Het plangebied ligt aan de zuidzijde van landgoed ’t Zand. Het recreatiepark heeft zelf veel groen op het terrein en maakt onderdeel uit van de Groene Ontwikkelingszone. Het plangebied is aantrekkelijk gelegen tegen landgoed ’t Zand aan en biedt hierdoor recreatieve (wandel-)mogelijkheden in dit bosgebied.

2.5.2.2.1 Stedenbouwkundige eisen
De gemeente Bronckhorst onderschrijft het belang van een nieuwe impuls aan het recreatiepark, waar de afgelopen decennia weinig tot geen ontwikkelingen zijn geweest en gemeenschappelijke voorzieningen buiten gebruik waren gesteld door de voorgaande eigenaar. Het horecagedeelte en de bowlingbanen zijn een toevoeging voor het recreatieve aanbod in Bronckhorst en mogen ook opengesteld worden voor bezoekers die niet verblijven op het park. De 5 studio’s zijn een nieuwe vorm van recreatie, die qua omvang gering zijn maar wel beschikken over een douche en toilet. Met deze studio’s wordt iets meer comfort geboden dan bij een trekkershut, wat aansluit bij de behoefte van passerende Pieterpad-lopers. Dit levert voor Bronckhorst een aanvullend aanbod aan overnachtingsplaatsen. Stedenbouwkundige voorwaarde is dat gebruik wordt gemaakt van een bestaand gebouw, zodat dit niet zal leiden tot grote verstoring van landschap en natuur in de directe omgeving.
Met de uitbreiding van de horeca is de verwachting dat de verkeersbewegingen zullen toenemen en er ook meer behoefte is aan parkeerruimte. De parkeersituatie dient aangepast te worden door verbreding van de toegangsweg, gescheiden houden van toegang van leveringsbedrijven en bezoekers van het park. Het huidige parkeerterrein nabij de ingang wordt opnieuw ingericht en uitgebreid.
2.5.2.2.2 Beeldskwaliteitseisen
De landschappelijke inpassing van de ontwikkelingen moeten leiden tot een versterking van de kwaliteit van de Groene Ontwikkelingszone, aldus de gemeente en provincie. Door
initiatiefnemer is daarom een plan opgesteld ter versterking van de kwaliteit van het landschap. Het plan is positief ontvangen onder andere door Vereniging Bomenbelang Bronckhorst. Met de uitvoering van de ontwikkelingen zijn nauwelijks ingrepen te verwachten in het bestaande landschap. Er zal een Amerikaanse eik (exoot) gekapt worden en bestaande begroeiing zal op enkele plaatsen gesnoeid en vervangen worden.
2.5.2.2.3 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing
Binnen recreatiepark ’t Zonnetje worden drie ontwikkelingen voorzien, nl.
het herontwikkelen van het hoofdgebouw/horecagebouw tot horecagebouw inclusief bowlingbanen en terras;
het omvormen van het voormalige sanitairgebouw tot 5 recreatie-studio’s voor kortdurend nachtverblijf;
het opnieuw inrichten van het parkeerterrein en de verkeersstromen, zodat dit overzichtelijker wordt en voldoet aan de parkeernormen.
Daarnaast zijn er decennialang 2 bedrijfswoningen binnen de planlocatie gedoogd, terwijl er planologisch slechts één bedrijfswoning bestemd was en is. De huidige eigenaar vindt het wenselijk om een tweede bedrijfswoning binnen de planlocatie als zodanig te bestemmen, zodat deze na vervangende nieuwbouw in gebruik kan worden genomen door de kok/exploitant van het horecagebouw. Het college ziet de meerwaarde hiervan echter niet in, zodat zij hebben verzocht om het positief bestemmen van de tweede bedrijfswoning uit het principeverzoek te halen en ook niet in deze ruimtelijke motivering op te nemen. Het college heeft aangegeven wel bereid te zijn om de momenteel in gebruik zijnde bedrijfswoning als twee kleinere recreatiewoningen in gebruik te nemen, zoals deze oorspronkelijk ook bedoeld was. Daarmee worden er feitelijk 56 recreatiewoningen toegestaan. Wanneer er in de toekomst wel nieuwbouw gepleegd wordt rondom de vervallen bedrijfswoning in het westelijke deel van de onderzoekslocatie verdient het aanbeveling om de werkzaamheden archeologisch te begeleiden, conform protocol 4003 – proefsleuven. Het planologisch opnemen van een tweede bedrijfswoning binnen het plangebied maakt door het standpunt van het college echter geen deel uit van dit initiatief, zodat het proefsleuvenonderzoek achterwege kan blijven aangezien aldaar geen bodemverstoringen zullen plaatsvinden.
Hoewel het gehele recreatiepark altijd een groen karakter heeft gehad en er veel verschillende planten en diersoorten aanwezig zijn, wordt met de ontwikkelingen een extra versterking van deze landschaps- en natuurwaarden voorzien. Onderstaand worden de drie ontwikkelingen nader toegelicht.
Horecagebouw met bowlingbanen
Het hoofdgebouw c.q. horecagebouw is eind jaren 70 van de vorige eeuw gebouwd en na een glorietijd in onbruik geraakt. Hierdoor vertoont het constructief goede gebouw tekenen van verval en is een facelift nodig om het pand bij de tijd te brengen en een invulling te geven als horecavoorziening waar vraag naar is. Op situatietekening in afbeelding 6 is de huidige contour weergegeven, waarbij het terras door de verharding niet is overwoekerd. Aan de andere zijde van het gebouw is wel opslag van beplanting opgekomen en staat een amerikaanse eik. Dit is een exoot die zal moeten wijken voor de uitbreiding.

Onderstaand worden in afbeeldingen 7 en 8 de nieuw gewenste aanzichten van dit hoofdgebouw weergegeven. Bij de voorgevel is aan de linkerzijde de uitbreiding met de 3 bowlingbanen te zien. Deze moderne bowlingbaan wordt voorzien van geluid-, licht- en lasereffecten. Er is geen daglicht nodig bij de banen en de technische ruimten, zodat er geen ramen in dit deel van het gebouw worden voorzien. Op afbeelding 7 zijn slechts indicatief enekele bomen ingetekend langs deze blinde gevel. Bij de landschappelijke inpassing van het gebouw wordt hier een rij lei-fruitbomen over de volle breedte van deze blinde gevel aangeplant voor een aantrekkelijker aanzicht.
Bij de rechterzijgevel is de uitbreiding niet zichtbaar, maar worden de raam- en deurpartijen vernieuwd. Dit om zowel een modernere uitstraling te krijgen, maar ook meer lichtinval en te voorzien in een betere isolatie. De nieuwbouw zal worden voorzien van zonnepanelen, zodat in de eigen energiebehoefte kan worden voorzien.


Het bestaande gebouw heeft een oppervlakte van 398 m2. Met de uitbreiding van de 3 bowlingbanen wordt een oppervlakte van 342 m2 toegevoegd. Deze oppervlakte blijft beperkt, omdat de zithoek en het gedeelte van waaruit de bowlingballen worden weggeworpen nog binnen het huidige pand gelegen zijn. De totale oppervlakte van het gehele gebouw bedraagt in de nieuwe situatie derhalve 760 m2 inclusief het overstek van ca. 20 m2 van de luifels bij het terras.

Voor de landschappelijke inpassing van het horecagebouw wordt inheems plantmateriaal gebruikt, wat bijdraagt aan de biodiversiteit. Naast de bestaande haag van Ligustrum vulgare (wilde liguster) die bij zachte winters wintergroen is, wordt de beplanting vanaf de paden en het terras/speeltuin van laag naar hoger opgaande beplanting aangeplant. Dit betekent dat een wild bloemenmengsel met vaste plantensortiment wordt opgevolgd door een bijenhaag/struweel, welke overgaat in de bestaande houtwal/singel aan de westzijde van het park. De voorzijde van de uitbreiding van het gebouw bestaat vanwege de aanwezigheid van de bowlingbanen uit een blinde gevel. Dit onaantrekkelijke beeld wordt met leifruitbomen van een vriendelijker aanzicht voorzien. Afhankelijk van de beschikbare ruimte kunnen de lei-fruitbomen eventueel nog vervangen worden door hoogstamfruitbomen. De achterzijde van het horecagebouw en met name rondom de bowlingbanen biedt ruimte voor wilde inheemse bosbeplanting met onderbegroeiïng. Deze combinatie van bloemen en struiken is aantrekkelijk voor zowel bijen, vlinders als vogels.

Studio’s
Het voormalige sanitairgebouw is al decennia lang buiten gebruik, omdat er geen kampeerterrein meer is op het recreatiepark. De vakantiebungalows c.q. tweede woningen hebben immers eigen sanitaire voorzieningen. De huidige eigenaar van het park wil dit sanitairgebouw een nuttige functie geven door hier eenvoudige recreatie-units in te realiseren ten behoeve van bezoekers op doorreis. Dit zullen veelal lopers van het Pieterpad zijn. Deze studio’s beschikken over een eigen douche en toilet en bieden iets meer comfort dan een trekkershut. Met relatief beperkte bouwkundige ingrepen zijn hier 5 studio’s te realiseren, zoals op de afbeeldingen 13 en 14 is te zien. Er zijn 3 vakken aanwezig, waarvan de 2 grotere vakken elk worden gesplitst in 2 kleine units met een slaapvide. Het iets kleinere vak wordt één unit, waarbij ook het tweepersoonsbed op de begane grond wordt gesitueerd. Op de afbeeldingen 11 en 12 is te zien dat er alleen deuren en raampartijen worden geplaatst om elke studio’s zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde richting het terrasje te ontsluiten. De oppervlakte van dit gebouw blijft gelijk en bedraagt 127 m2, dit is inclusief de oppervlakte van de verdeelkast (v.k. op de tekening).




De landschappelijke inpassing rondom de studio’s bestaat uit inheems bosplantsoen. Rondom het voormalige sanitairgebouw heeft opschot zijn weg gevonden. Deels zal dit al bestaan uit de beoogde soorten, zodat enige dunning zal plaatsvinden met versterkende aanplant. Ten behoeve van een goede bezonning op de terrasjes bij de studio’s zal een beperkte oppervlakte worden vrijgemaakt ten behoeve van een gazon. Op afbeelding 15 is deze landschappelijke inpassing weergegeven, waarbij opgemerkt wordt dat toen nog uitgegaan werd van 4 studio’s. Voor de beeldvorming dat elke studio een eigen terrasje heeft, maakt dit niet uit.

Landschappelijke inpassing recreatiepark en specifiek het parkeerterrein
Hierboven is reeds ingegaan op de landschappelijke inpassing in de directe omgeving van het horecagebouw en de studio’s voor kortdurend recreatief verblijf. In zijn algemeenheid is op het gehele bungalowpark al in veel groen voorzien, zowel naaldbomen als inheemse soorten.
Omdat het plangebied in de Groene ontwikkelingszone is gelegen, dient tevens voldaan te worden aan de kaders van de provinciale Omgevingsverordening en is een versterkingsplan benodigd. Feitelijk vormt onderstaande onderbouwing van de landschappelijke inpassing tezamen met de uitwerking van de 3 locaties waar ontwikkelingen plaatsvinden, het versterkingsplan.
De locatie is gelegen binnen de Gelderse streek ‘Achterhoek’. Bij de kernkwaliteiten voor dit gebied is het van belang om de verbinding van nieuwe natuur met het bestaande natuurgebied/bosgebied ‘t Zand mee te nemen. Dit wordt gedaan door natuur- en landschapselementen toe te voegen.
Er is rekening gehouden met de biodiversiteit (variatie aan planten- en diersoorten);
het aanleggen van inheems groen voor de leefbaarheid en wel in de volgende categorieën:
1. Bijenhaag/struweel e/o houtwal/houtsingel (ecologische functie)
2. Wilde inheemse bosbeplanting met onderbegroeiing
3. Wilde bloemenmengsel e/o vaste planten sortiment (bijen en vlinders)
4. Bloeiende haag nabij speeltuin/rondom terras (Ligustrum vulgare)
5. Solitaire heesters en bomen (vogels/bijen/vlinders)
6. Lei-fruitbomen aan gebouw, evt. hoogstam afhankelijk van de beschikbare ruimte.
De namen van de toegepaste beplanting staan in de uitwerking van het plan. Zie afbeeldingen 10, 15 en 16. Deze afbeeldingen vormen het complete Landschappelijke inpassingsplan en versterkingsplan, welke op groot formaat als bijlage in de regels met een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen.

Afbeelding 16 gaat weliswaar meer in op het parkeren, maar de bomen worden daarbij gehandhaafd. De motivering van de parkeerbehoefte vindt plaats in paragraaf 3.1.3.2.14 Verkeer. De beplanting rondom de parkeerplaatsen biedt ruimte voor het behouden en versterken van het inheemse bosplantsoen in de groenstroken rondom de parkeerplaats.
Met de provincie Gelderland heeft de gemeente Bronckhorst vooroverleg gevoerd over dit initiatief, waarbij is geconcludeerd dat de landschappelijke inpassing voldoet als versterkingsplan. Initiatiefnemer heeft het plan besproken met omwonenden (eigenaren van recreatiewoningen) en Vereniging Bomenbelang Bronckhorst. De Vereniging van Eigenaren van het park zijn geïnformeerd, zowel via de algemene ledenvergadering als met een brief en worden betrokken bij de verdere uitwerking van de plannen. Daarnaast is het plan positief ontvangen bij de Vereniging Bomenbelang Bronckhorst.
Voorliggend plan voorziet in de volgende drie ontwikkelingen binnen recreatiepark ’t Zonnetje:
het herontwikkelen van het hoofdgebouw/horecagebouw tot horecagebouw inclusief bowlingbanen en terras;
het omvormen van het voormalige sanitairgebouw tot 5 recreatie-studio’s voor kortdurend nachtverblijf;
het opnieuw inrichten van het parkeerterrein en de verkeersstromen, zodat dit overzichtelijker wordt en voldoet aan de parkeernormen.
Op dit initiatief is reeds uitgebreid ingegaan in de vorige paragraaf 3.1.2.2.3 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing, omdat deze planbeschrijving niet los te zien is van de ruimtelijke en landschappelijke inpassing.
2.5.2.3.1 Toetsing aan beleidskader
Het planinitiatief is getoetst aan het beleid en de instructieregels, zoals opgenomen in onder meer de provinciale Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, de Omgevingsverordening Gelderland en het gemeentelijk beleid, zoals de Omgevingsvisie ‘Bronckhorst twee keer zo mooi’ en het beleidskader van het bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst c.q. het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Bronckhorst (zie Hoofdstuk 2 Beleidskader).
Rijksbeleid en rijksregels
Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. De planactiviteit raakt geen rijks belangen. Wat betreft ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ kan het navolgende worden vermeld.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van over-programmering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/Bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 bruto vloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.
Dit initiatief betreft de herontwikkeling van de functies binnen een bestaand recreatiepark, waarbij de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing c.q. het horecagebouw 342 m2 bedraagt, zodat dit minder is dan 500 m2 bruto vloeroppervlak. Dit initiatief betreft hierdoor geen stedelijke ontwikkeling, zodat een motivering overeenkomstig de ladder voor duurzame verstedelijking niet nodig is. Met het hergebruik van het voormalige sanitairgebouw tot recreatiestudio’s en de herontwikkeling van het horecagebouw is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Provinciaal beleid en instructieregels
In de omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ zijn de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn onderverdeeld in zeven thema’s, te weten energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.
Daarnaast is het provinciaal belang gelegen in het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. De klimaatbestendigheid wordt vergroot, de mogelijkheden om zonne- en windenergie op te wekken zijn in kaart gebracht en onze natuur- en landschappelijke kwaliteit blijft behouden. Voor wonen en werken geldt een regionale aanpak die gericht is op een gezonde en veilige woonomgeving, waarin mensen zich met elkaar verbonden voelen en die goed bereikbaar is en goede voorzieningen heeft.
In de Omgevingsverordening Gelderland zijn voor de volgende onderwerpen provinciale instructieregels opgenomen:
Algemeen (afd. 5.1 Omgevingsverordening);
Natuur (afd. 5.2 Omgevingsverordening);
Landschap (afd. 5.3 Omgevingsverordening);
Erfgoed (afd. 5.4 Omgevingsverordening);
Milieu (afd. 5.5 Omgevingsverordening);
Provinciale wegen (afd. 5.6 Omgevingsverordening);
Ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en regionale samenwerking (afd. 5.7 Omgevingsverordening).
Ten aanzien van deze herontwikkeling van een deel van het recreatiepark zijn weinig instructieregels relevant.
Wel dient rekening gehouden te worden met de instructieregels landschap Groene ontwikkelingszone (afdeling 5.2) en landschap (afdeling 5.3). Door de ligging van het plangebied binnen de Groene ontwikkelingszone is in basis een versterkingsplan benodigd. Gezien de hoge kwaliteit van de bestaande landschapselementen op het recreatiepark en de voorgestelde aanplant op de tekeningen van de landschappelijke inpassing, kan dit worden aangemerkt als versterkingsplan.
Het plangebied ligt binnen de Gelderse streek Achterhoek. De instructieregel in artikel 5.34 (beschermen landschap Gelderse streken: Achterhoek) luidt als volgt: Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Achterhoek wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Achterhoek.
Gezien de integrale ontwikkeling van dit planinitiatief inclusief de ruimtelijke en landschappelijke inpassing, staat de beschrijving van deze aspecten in paragraaf 3.1.2.2.3 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing. Met de provincie Gelderland heeft de gemeente Bronckhorst vooroverleg gevoerd over dit initiatief, waarbij is geconcludeerd dat de landschappelijke inpassing voldoet als versterkingsplan. De conclusie is dat er wordt voldaan aan de provinciale instructieregels met betrekking tot de Groene Ontwikkelingszone en landschap.
Volgens de instructieregel klimaatadaptatie (artikel 5.85 Omgevingsverordening) moet, voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, de toelichting bij het ruimtelijke plan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Daarnaast moet de beschrijving worden opgesteld waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Met de beschrijving in paragraaf 3.1.3.2.10 Klimaat wordt voldaan aan de eisen van de instructieregel met betrekking tot klimaatadaptatie.
Geconcludeerd wordt dat dit planinitiatief voldoet aan het provinciale beleid en de instructieregels.
Gemeentelijk beleid
Met de publicatie van de Omgevingsvisie plaatst de gemeente Bronckhorst een stip op de horizon voor 2035 met betrekking tot een vijftal strategische opgaven: sterke dorpen en leefbaar platteland, slimme economie, gezonde leefomgeving, energie en klimaat en landschappelijke kwaliteit.
Met het uitbreiden en weer in gebruik nemen van horecagebouw inclusief bowlingbanen, het in verbouwen tot en in gebruik nemen van een vijftal studio’s in het voormalige toiletgebouw en een verbetering en uitbreiding van de parkeerfaciliteiten inclusief de landschaps-maatregelen wordt bijgedragen aan al deze strategische opgaven.
Deze herontwikkeling op recreatiepark ’t Zonnetje voldoet aan het gemeentelijke beleidskader en is passend binnen de speerpunt ‘Samen leven, werken en ontmoeten in een gezonde leefomgeving’ uit het coalitieakkoord ‘Bouwen aan een dienstbaar, leefbaar en sociaal Bronckhorst’.
Hieruit blijkt dat dit initiatief passend is binnen het gemeentelijk beleid.
2.5.2.3.2.1 Milieu-effectrapportage
Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.
De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob).
Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan:
Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;
Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.
In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten.
Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r.-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.
Het voorgenomen planinitiatief betreft een herontwikkeling van een deel van een bestaand recreatiepark, waarbij het horecagebouw met 342 m2 wordt uitgebreid en er 5 kleine recreatiestudio’s worden toegevoegd. Tevens wordt het parkeerterrein uitgebreid om te voldoen aan de parkeerbehoefte. In bijlage V staat onder categorie M3 weliswaar ‘Vakantieparken of hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen’ genoemd, waardoor mogelijk een m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing zou kunnen zijn. Voor dit project geldt echter dat er niet een geheel vakantiepark nieuw wordt gerealiseerd, maar slechts enkele kleinschalige wijzigingen worden beoogd. Uit de navolgende parafen blijkt bovendien dat er geen aanzienlijke milieueffecten en significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn.
Een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht is niet noodzakelijk voor deze kleinschalige uitbreiding van de verblijfsrecreatieve functie en de herontwikkeling van de bijbehorende horeca.
Met de ontwikkeling van het voormalige sanitairgebouw tot recreatiestudio’s wordt duurzaam hergebruik gemaakt van de bestaande bebouwing. Zowel bij de recreatiestudio’s als bij de uitbreiding en herontwikkeling van het horecagebouw wordt gebruik gemaakt van duurzame, niet-uitlogende materialen en zal er veel aandacht zijn voor een goede isolatie en een laag energieverbruik van de installaties. Tezamen met de landschappelijke inpassing van de ontwikkellocaties wordt bijgedragen aan een meer klimaatbestendige, groene en daarmee duurzame inrichting.
Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.
In verband met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging/wijziging van het omgevingsplan heeft Montferland Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek verricht aan de Ruurloseweg 30-30a te Zelhem. Dit onderzoeksrapport d.d. 30 oktober 2023 is bijgevoegd in bijlage I Overzicht Documentenbijlagen.
In dit onderzoek is rekening gehouden met zowel de uitbreiding van het horecagebouw en de nieuwbouw van de voormalige bedrijfswoning en behoud van de huidige bedrijfswoning (deellocatie A) als de omvorming van het sanitairgebouw tot recreatiestudio’s (deellocatie C)

In het rapport zijn de volgende conclusies en aanbevelingen opgenomen:
Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden.
In de boven- en ondergrond mengmonsters van deellocaties A en C zijn geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie boven de achtergrondwaarde of de detectiegrens van de desbetreffende stof.
In het bovengrond mengmonsters van deellocatie B (halfverharding) is een licht verhoogd gehalten aan minerale olie en PAK aangetoond.
Het grondwater ter plaatse van peilbuis A04 is licht verontreinigd met barium. Het aangetroffen barium gehalte wordt toegeschreven aan een natuurlijke oorsprong.
Ter indicatie getoetst aan de waarden van het Besluit Bodemkwaliteit voldoet het gehalte aan minerale olie (grondmengmonster B-MM06) niet aan de functie ‘Wonen’. Een toetsing van het gemeten gehalten aan minerale olie aan de Risicotoolbox is niet mogelijk. Aangenomen wordt dat het gemeten licht verhoogde minerale oliegehalte geen gezondheidsrisico vormt voor het gebruik ‘Wonen’.
De tevoren gestelde hypothese ‘De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd’ dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond en in het grondwater zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden.
Uit milieukundig oogpunt is er naar onze mening geen bezwaar tegen de voorgenomen werkzaamheden, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.
De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) heeft het bodemonderzoeksrapport en de bevindingen daarvan inhoudelijk beoordeeld. Het advies d.d. 19 juni 2024 luidt als volgt: Het bodemonderzoek voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. In de grond zijn verhoogde gehalten PAK (wonen) en minerale olie (niet toepasbaar) gemeten. In het grondwater is een verhoogd gehalte barium gemeten. Er is geen nader bodemonderzoek nodig.
De gemeten gehalten voldoen aan de functienorm voor wonen, met uitzondering van het verhoogde gehalte minerale olie ter plaatse van paden/halfverharding (monster B-MM06). Aangenomen wordt dat het gemeten verhoogde oliegehalte, met het huidige gebruik zijnde paden/halfverharding, geen gezondheidsrisico vormt voor het gebruik wonen.
Geadviseerd wordt om aan de omgevingsvergunning de voorwaarde te verbinden dat wanneer er ter plaatse van een pad/halfverharding binnen de onderzoekslocatie grond (halfverharding) wordt ontgraven, het verplicht is om verschillende kwaliteiten grond gescheiden te ontgraven en deze grond als Niet Toepasbaar wordt behandeld. Dat betekent dat deze grond moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker.
Hoewel er momenteel geen ontwikkelingen zijn voorzien bij de vervallen bedrijfswoning, voldoet ook die locatie aan de functienorm voor wonen.
Geconcludeerd wordt dat bij eventuele ontgravingen van de paden/halfverharding, de vrijkomende grond daarvan moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Omdat er geen gezondheidsrisico is voor het gebruik wonen, waar tevens recreatief gebruik onder valt, vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan voor de planlocatie Ruurloseweg 30-30a te Zelhem.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. De gemeente Bronckhorst heeft geen geluidbeleid. Niettemin moet een initiatief aan de normen van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voldoen en mogen bedrijven in de omgeving niet belemmerd worden door de ontwikkeling van een initiatief. Daarnaast dient sprake te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat wil zeggen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd moet kunnen worden.
Gebouwen met een woonfunctie zijn geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl). Hieronder vallen alle gebouwen voor woongebruik, zoals woningen en verzorgingshuizen. Over recreatiewoningen ontstond in het verleden discussie. Onder de Omgevingswet is voor de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen aangesloten bij de gebruiksfunctie volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hierdoor zijn gevangenissen (celfunctie), hotels en recreatiewoningen (beiden logiesfunctie) geen gebouw met een woonfunctie. Een horecagebouw waar gegeten en gedronken wordt (bijeenkomstfunctie), is eveneens geen geluidgevoelig gebouw.
De ontwikkeling betreft het uitbreiden van het horecagebouw en de omvorming van het sanitairgebouw tot recreatiestudio’s. Deze studio’s zijn bedoeld voor kortdurend nachtverblijf, zodat dit niet vergelijkbaar is met een woonfunctie. Er is geen sprake van het toevoegen van nieuwe geluidgevoelige gebouwen. Het Bkl is daarom niet van toepassing.
Omdat geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen worden gerealiseerd is geen sprake van belemmeringen voor omliggende bedrijven. Aangenomen kan worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling binnen het plangebied.
Het bevoegd gezag moet de luchtkwaliteit in de besluitvorming ten aanzien van omgevingsplannen betrekken. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Deze zijn daarom dan ook als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Deze waarden gelden voor heel Nederland. Een dergelijke waarde is een maatstaf voor de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving die kan gelden als inspannings- of resultaatsverplichting. In paragraaf 2.2.1 Bkl is per omgevingswaarde aangegeven of sprake is van een inspannings- of resultaatsverplichting. Als een omgevingswaarde is vastgesteld, schept dit twee verplichtingen:
de plicht tot monitoring, om te bewaken of aan de omgevingswaarde wordt voldaan (artikel 20.1 Omgevingswet);
en de plicht tot het opstellen van een programma met maatregelen wanneer sprake is van een dreigende overschrijding (artikel 3.10 Omgevingswet).
Er zijn resultaatverplichtingen vastgesteld voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Voor zeer fijn stof (PM2.5) geldt een inspanningsverplichting. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving.
De volgende omgevingswaarden c.q. grenswaarden voor deze stoffen zijn gesteld (art. 2.4 en 2.5 Bkl):
Stof | Gemiddelde concentratie | Jaargemiddelde concentratie |
Stikstofdioxide (NO2) | 200 microgram/m3 (uur) | 40 microgram/m3 |
Fijnstof (PM10) | 50 microgram/m3 (24-uur) | 40 microgram/m3 |
In Afdeling 5.1 (Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties) van het Bkl zijn instructieregels opgenomen ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht. Dit zijn regels die verplicht dienen te worden opgenomen in het omgevingsplan. De instructieregels van het Rijk zijn een belangrijk kader voor de gemeentelijke regels in het omgevingsplan. Het gaat dan om voorschriften waar gemeenten niet van mogen afwijken. Voor de vaststelling van het onderhavige omgevingsplan dienen deze voorschriften dan ook standaard opgenomen te worden en er dient dus ook te worden nagegaan in hoeverre met het plan aan deze regels kan worden voldaan.
Voor dit plan zijn van belang de bepalingen ten aanzien van de eerder bekende blootstelling- en toepasbaarheidscriterium (art. 5.52 Bkl). Daarnaast is ook de Niet In Betekenende mate (NIBM-) regeling opgenomen in het Bkl (art. 5.53/5.54).
In artikel 2.1, 4e lid van de Omgevingswet wordt gesteld:
“Onverminderd het derde lid wordt bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.”
Het Nederlandse beleid voor de luchtkwaliteit is gebaseerd op internationale afspraken en normen, die zijn opgenomen in de hierboven al genoemde bepalingen in het Bkl.
Luchtkwaliteitsnormen (luchtkwaliteitseisen) geven de concentraties aan waarboven nadelige gezondheidseffecten op kunnen treden en deze kunnen dus worden gehanteerd als harde criteria in dit kader.
Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat er een aantal aspecten ten aanzien van de luchtkwaliteit getoetst moeten worden; allereerst gaat het om de luchtverontreiniging die door het project zelf wordt veroorzaakt, waarbij het criterium ‘Niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) een belangrijke rol speelt, maar daarnaast gaat het natuurlijk ook om de luchtkwaliteit van het gebied zelf, in relatie tot de gezondheidsaspecten.
Effect van het project op de luchtkwaliteit
Op basis van artikel 5.54, aanhef en onder a. en b. van het Bkl, worden gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties evenals woningbouwlocaties, wanneer er sprake is van een project met één ontsluitingsweg met een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m2 of minder dan 1.500 woningen, aangewezen als NIBM-projecten. Bij de ontwikkeling op de locatie Ruurloseweg 30-30a, Zelhem heeft de wijziging van het omgevingsplan betrekking op één ontsluitingsweg, waarbij de nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden in en aan gebouwen met een gezamenlijke bruto-vloeroppervlakte van ca. 867 m2. Het is daarmee duidelijk dat het hier een NIBM-project betreft, waardoor dit aspect geen belemmering voor de ontwikkeling van het project betekent.
Effect van de luchtkwaliteit voor het project
Op basis van het gegeven dat rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid, is er bij dit project sprake van een locatie waar getoetst moet worden aan de luchtkwaliteit. In artikel 11.19 Bkl wordt aangegeven dat Monitoring voor de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in de artikelen 2.3 tot en met 2.8, plaats vindt door metingen en berekeningen volgens bij ministeriële regeling gestelde regels.
Op de kaarten van de atlasleefomgeving.nl kunnen voor het gebied rondom Ruurloseweg 30-30a, Zelhem de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 worden afgelezen. Voor het jaar 2022 konden de volgende data binnen het plangebied worden afgelezen:
De jaargemiddelde stikstofdioxide-concentratie (NO2) bedraagt tussen 10,1 en 11,9 microgram/m3, waarbij de hoogste waardes dicht langs de provinciale weg gemeten worden;
De jaargemiddelde fijnstof-concentratie (PM10) is lager dan 16 microgram/m3.
Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van overschrijding van de grenswaarden.
Ten aanzien van de effecten van het project voor de luchtkwaliteit, als ten aanzien van de effecten van de luchtkwaliteit op het woon- en leefklimaat, voldoet het project ruimschoots aan de Nederlandse en Europese regelgeving.
Het aspect luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.
Bij de Ruurloseweg 30-30a, Zelhem wordt een herontwikkeling van een deel van het recreatiepark beoogd. Bij dit planinitiatief zijn eventueel de instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van landbouwhuisdieren van belang. Er zijn echter geen intensieve veehouderijbedrijven, dat wil zeggen bedrijven met geuremissienormen per diersoort, in de nabijheid van het plangebied gelegen.
Het meest nabijgelegen agrarisch bedrijf betreft een melkveehouderij aan de Ruurloseweg 35 te Zelhem, direct tegenover het plangebied. Voor melkveebedrijven gelden geen geuremissienormen, zodat voor dit melkveebedrijf een vaste minimumafstand van 50 m benodigd is. De afstand van de rand van dit agrarische bouwvlak tot de dichtstbijzijnde recreatiewoning dan wel bedrijfswoning bedraagt minimaal 65 m, zodat aan de minimumafstand voldaan wordt. Opgemerkt wordt dat in het geldende bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Bronckhorst’ dit adres nog een functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ heeft. Van intensieve veehouderij-activiteiten binnen dit agrarisch bedrijf is echter al geruime tijd geen sprake meer.
De bedrijfswoning van recreatiepark ’t Zonnetje ligt op voldoende afstand van de meest nabijgelegen agrarische veehouderij. Aangezien de gemeente geen specifiek geurbeleid heeft geformuleerd, zijn de aanwezige recreatiewoningen binnen het plangebied evenals de te realiseren recreatie-studio’s in het voormalige sanitairgebouw niet als geurgevoelig gebouw aangewezen. Niettemin wordt ook dan aan de minimumafstand voldaan. De voorgenomen ontwikkeling is niet belemmerend voor dit agrarische bedrijf of voor andere omliggende agrarische bedrijven.
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
2.5.2.3.2.7 Bedrijven en mileuzonering
Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies en gevoelige functies op een verantwoorde afstand van elkaar gesitueerd worden. Dit dient twee doelen:
het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen (of andere gevoelige objecten);
het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde handreiking Bedrijven en milieuzonering. Hierin wordt per bedrijf aangegeven wat de milieu-invloed op de omgeving is en welke indicatieve afstand hierbij minimaal in acht moet worden genomen. Van deze indicatieve afstand kan worden afgeweken indien op basis van een onderzoek de daadwerkelijke afstand kan worden bepaald.
De richtafstanden opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een rustig buitengebied. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij milieu-inrichtingen of drukke wegen, al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast gevoelige functies komen belastende functies voor, die om die reden een milieuzone kennen; zoals winkels, horeca en bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd, indien sprake is van het omgevingstype gemengd gebied.
De omgeving van het plangebied is te omschrijven als een rustig buitengebied door de beperkte combinatie van functies. Deze omgeving bestaat uit enkele (agrarische) bedrijven en burgerwoningen naast de diverse recreatieparken. Er is geen reden om de richtafstanden met één afstandstap te verlagen.
In de voorgaande paragraaf is het aspect geur reeds beoordeeld, zodat het aspect geur in deze paragraaf geen nadere toelichting behoeft. Daarnaast geldt volgens de VNG-handreiking voor het fokken en houden van rundvee een indicatieve richtafstand van 30 m voor de aspecten geluid en stof, terwijl het aspect gevaar hierbij geen rol speelt. De rand van het bouwvlak van het meest nabijgelegen melkveebedrijf aan de Ruurloseweg 35 te Zelhem ligt zoals minimaal 65 m van de gevel van dichtstbijzijnde recreatiewoning dan wel bedrijfswoning op het park. Daarmee wordt aan de richtafstand voldaan.
Het naastgelegen recreatiepark Het Vossenveen is eveneens in beheer bij de eigenaar van het plangebied. De beide recreatieparken maken gebruik van dezelfde inrit en gemeenschappelijke voorzieningen. Planologisch en vanuit historisch oogpunt qua naamgeving zijn het nog 2 gescheiden parken, maar in praktische zin vormt het één geheel. Het is dan ook niet zinvol om de bedrijfsactiviteiten ten opzichte van elkaar te beoordelen.
Daarnaast is aan Ruurloseweg 35a te Zelhem een garagebedrijf met verkoop van auto’s gelegen. Voor garagebedrijven geldt een richtafstand van 30 m. Het plangebied met de woningen aan de Ruurloseweg 30-30a, Zelhem ligt op minimaal 110 m afstand van de rand van het bouwvlak van dit garagebedrijf. De activiteiten van het garagebedrijf vormen geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat bij recreatiepark. Andersom vormt de horeca en de recreatiewoningen/studio’s geen belemmering voor het mogen uitvoeren van milieubelastende activiteiten binnen het garagebedrijf.
Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
2.5.2.3.2.8 Externe veiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines.
De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Met het voorgenomen planinitiatief van een uitbreiding van het horecagebouw en de functieverandering van het sanitairgebouw naar recreatiestudio’s worden geen nieuwe milieubelastende activiteiten ontplooid.
Wel kan de planlocatie mogelijk blootgesteld zijn aan bestaande veiligheidsrisico’s in de omgeving. Hiervoor is het Register Externe Veiligheid geraadpleegd. Op onderstaande uitsnede is te zien dat in de nabijheid van het plangebied bij bungalowpark Wolferswoud aan de Ruurloseweg 39 te Zelhem, één van de andere parken van initiatiefnemer, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit betreft de opslag van gasflessen op meer dan 400 m van het plangebied met een beperkt risico, waarbij zelfs geen plaatsgebonden risico wordt weergegeven. Op grotere afstanden van in elk geval meer dan 1 kilometer bevinden zich nog enkele bedrijven en vakantieparken waar propaantanks staan en gasflessen worden opgeslagen. De blauwe cirkels geven de plaatsgebonden risicocontouren weer, welke als basis wordt gebruikt voor de veilige afstand tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en andere activiteiten. Binnen de blauwe cirkels is er een kans van één op de miljoen per jaar (10-6) dat een persoon, die altijd aanwezig is op die plaats, overlijdt door een ongeval met een gevaarlijke stof. Omdat het plangebied ruim buiten deze risicocontouren is gelegen, bestaat er voor de activiteiten binnen het plangebied geen veiligheidsrisico. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen andere stationaire of mobiele risicobronnen.

Met betrekking tot het aspect externe veiligheid voldoet het plangebied aan een goed woon- en leefklimaat.
Artikel 5.3.7 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregel met betrekking tot:
a. Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
b. Het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied, en;
c. Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.
In het beoogde planvoornemen neemt het verhard oppervlak niet toe.
De ‘weging van het waterbelang’ (voorheen: watertoets) is digitaal doorlopen op de site van www.hetwateradvies.nl. In bijlage I Overzicht Documentenbijlagen is een uitdraai van het resultaat van deze digitale watertoets opgenomen. Op basis van de check zijn een viertal adviezen gegeven. Onderstaand is de standaardwaterparagraaf toegevoegd en aangepast/ingevuld voor dit initiatief, waarbij ook op de 4 adviezen wordt ingegaan.
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
Het waterschap Rijn en IJssel zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.
In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s.
Klimaatrobuust gebied
Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
In de volgende paragraaf wordt ingegaan op de klimaataspecten binnen het plangebied. Hieruit blijkt dat het bungalowpark op een goede wijzig is ingericht om de effecten van klimaatverandering, zoals zwaardere buien en langere droge perioden, beter te kunnen weerstaan.
Veilig gebied
Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Circulaire Economie en Energietransitie
Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren.
Gezonde leefomgeving
Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets.
Relevante wateraspecten - Wateroverlast
Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak toe met circa 640 m2, waarbij ten tijde van het uitvoeren van de digitale watertoets nog werd uitgegaan van circa 600 m2. In het advies toename verharding is aangegeven dat deze toename gecompenseerd moet worden door een waterbergende voorziening aan te leggen. Hierin wordt het hemelwater verzameld en geïnfiltreerd in de ondergrond of vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater.
Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel
maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Voor ontwikkelingen in het landelijk gebied moet een bui T10+10% kunnen worden geborgen, wat neerkomt op een hemelwatercompensatie van 55 mm per m2 verhard oppervlak.
Voor de uitbreiding van het horecagebouw met de bowlingbaan geldt een toename van het verhard oppervlak van circa 340 m2. Bij het bestaande gebouw waarin de recreatiestudio’s worden gerealiseerd, wordt circa 300 m2 aan grind dan wel halfverharding rondom dit gebouw aangelegd. Bij toepassing van halfverharding hanteert het waterschap dat 70% geldt als verhard oppervlak, tenzij wordt aangetoond dat de waterdoorlatendheid ook in de loop van de tijd 50% blijft. Daarmee bedraagt de toename aan verhard oppervlak van dit planinitiatief 340 + 0,7 * 300 = 550 m2. Met de benodigde hemelwatercompensatie van 55 mm per m2 is in totaal ruim 30 m3 benodigd.
Omdat het plangebied een groen karakter heeft, zijn er veel infiltratiemogelijkheden in de bodem. Het hemelwater kan ruimschoots in de groenstroken en het deels aan te planten bosplantsoen achter het horecagebouw en de recreatiestudio’s worden geborgen. Dit door alhier grond weg te graven met een diepte van circa 30 cm ten opzichte van maaiveld. Het bosplantsoen naast en achter het horecagebouw betreft een totale oppervlakte van circa 1.000 m2 en bij de recreatiestudio’s circa 500 m2, naast andere grotere oppervlaktes onverharde gronden binnen het plangebied. Omdat met eventuele bestaande beplanting rekening wordt gehouden, zullen de infiltratievoorzieningen in het veld hun plek krijgen. Hiervoor is bij 30 cm diepte een totale oppervlakte van circa 100 m2 benodigd. Er is in elk geval ruim voldoende binnen de genoemde oppervlakte van 1.500 m2 in de directe omgeving van de ontwikkelingen binnen het plangebied om een regenbui T=100+10% te infiltreren zonder dat waterschade optreedt. Lozing van hemelwater op oppervlaktewater in de omgeving is niet aan de orde, mede omdat er zich geen watergangen in of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden.
Bij voorkeur worden natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, regionale bergingsgebieden en overstromingsvlaktes niet bebouwd. Het plangebied is niet gelegen in een dergelijk gebied.
Waterkwaliteit
Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Het advies met betrekking tot de kwaliteit van het oppervlaktewater is voor voorliggend plan niet van toepassing. Het afstromende oppervlaktewater betreft uitsluiten hemelwater en wordt geïnfiltreerd in de bodem. Binnen het plangebied zijn geen milieubelastende activiteiten
waardoor dit water vervuild zou kunnen raken. Het advies kwaliteit oppervlaktewater wordt daarmee opgevolgd.
Riolering en Afvalwaterketen
Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater van de uitbreiding van de horeca en de 5 recreatiestudio’s verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden.
Grondwaterbeheer
De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. De bouwwijze is aangepast aan de grondwaterstand en zettingsgevoeligheid van de bodem door ophoging van het maaiveld, kruipruimteloos bouwen, waterdicht bouwen, passende fundering, etc. Om de bestaande grondwaterstanden op peil te houden worden maatregelen genomen om neerslag in de bodem te infiltreren of in andere voorzieningen vast te houden of te bergen. Omdat de uitbreiding van het horecagebouw niet tot wijziging van de grondwaterstand leidt, sluit deze nieuwe functie aan op het gewenst grond- en oppervlaktewaterregime. Het advies grondwaterbeheer wordt daarmee opgevolgd.
Deze waterparagraaf is voorgelegd aan het Waterschap Rijn en IJssel. Het waterschap heeft op 11 december 2024 per e-mail aangegeven akkoord te zijn met deze waterparagraaf.
Het plan is uitvoerbaar vanuit het aspect water.
Het klimaat verandert. De stijging van de gemiddelde temperatuur brengt extremer weer met zich mee. Toenemende hoosbuien, lange periodes van droogte, hitte en de gevolgen van overstromingen: het raakt iedereen. De gemeente wil samen met inwoners, ondernemers en het waterschap de gevolgen van de klimaatverandering in beeld brengen. Door tijdig maatregelen te nemen kunnen we de gevolgen beperken. De klimaatatlas die voor de gemeente Bronckhorst is opgesteld, is geraadpleegd om eventuele gevolgen voor het plangebied in beeld te brengen. Met het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met duurzaamheid, waaronder klimaatadaptatie door de hoeveelheid verharding binnen het plangebied zo beperkt mogelijk te houden.
Het risico op wateroverlast is door de relatief hoge ligging van het plangebied gering, al zijn er binnen het park enkele lagergelegen gebieden door het glooiende terrein. Zelfs bij een extreme piekbui van 160 mm in 2 uur treedt binnen het plangebied slechts op enkele plekken plasvorming op. Dit is onder andere het geval op een locatie van minimaal 25 m ten westen van het horecagebouw en in mindere mate in het bosplantsoen achter/ten oosten van de te realiseren recreatiestudio’s in het voormalige sanitairgebouw. De beperkte toename van verharding bij deze ontwikkelingen leveren geen knelpunten op. Er zijn immers voldoende infiltratiemogelijkheden in de directe omgeving.
Het plangebied is geen specifiek aandachtsgebied voor hitte, want is gelegen in het buitengebied. Het plangebied heeft al een zeer groen karakter en met extra aanplant van bomen en bosplantsoen wordt bijgedragen aan extra verkoeling op warme dagen.
De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 beperkte verandering zien ten opzichte van de huidige situatie ter plaatse van het plangebied. Het grondwater binnen het plangebied kan nu en in de toekomst wegzakken tot overwegend meer dan 2,5 m beneden maaiveld. Het plangebied is door de zandgronden droogtegevoelig tot zeer droogtegevoelig, zowel in de huidige situatie als in 2050. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater zoveel mogelijk in het gebied zelf aanwezig.
De overstromingskans is in dit oostelijke en hoge deel van de gemeente Bronckhorst niet significant. De waterveiligheid binnen het plangebied is niet in het geding.
Uit bovenstaande toetsing blijkt dat voldaan wordt aan de provinciale instructieregels voor klimaatadaptatie. Klimaateffecten vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan, zodat sprake is van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied.
2.5.2.3.2.11 Archeologie en cultuurhistorie
Het plangebied heeft grotendeels een hoge archeologische verwachtingswaarde.
Hiervoor is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ opgenomen in het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Bronckhorst' c.q. het tijdelijke omgevingsplan. Archeologisch onderzoek is dan benodigd bij het oprichten van een bouwwerk groter dan 250 m2 en/of er grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld plaatsvinden.
In de zuidwesthoek van het plangebied is nog een klein gedeelte waar de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’ met een onderzoeksplicht bij meer dan 1.000 m2 en dieper dan 0,4 m geldt.
Bij de verbouwing van het sanitairgebouw tot recreatiestudio’s vinden nagenoeg geen bodemverstoringen plaats, zodat bij deze ontwikkeling geen archeologisch onderzoek benodigd is. In eerste instantie werd ook vervangende nieuwbouw van de vervallen bedrijfswoning op nr. 30a voorzien en daarbij zouden eveneens bodemverstoringen ontstaan, zodat dit deel van het plangebied wel onderzocht is. Deze vervangende nieuwbouw blijft momenteel achterwege. Met dit planinitiatief vinden wel bodemverstoringen plaats met name plaats bij de uitbreiding van het horecagebouw met de bowlingbaan. Omdat deze uitbreiding groter is dan 250 m2 is een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek), karterende fase Ruurloseweg 30-30a te Zelhem door KSP Archeologie uitgevoerd. Het rapport van dit verkennende archeologisch onderzoek d.d. 20 oktober 2023 is bijgevoegd in bijlage I Overzicht Documentenbijlagen. De samenvatting van het onderzoek wordt hieronder weergegeven.
Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanherziening/wijziging van het omgevingsplan voor de nieuwbouw van de bestaande woning met huisnummer 30a en om het horecagebouw op te knappen en uit te breiden met 300 m2.
Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging binnen een zone met landduinen met bijbehorende vlakten en laagten, waaronder al dan niet dekzand aanwezig kan zijn, en de archeologische onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling een lage verwachting aan het plangebied toegekend.
Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, karterende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat binnen het onderzoeksgebied geen landduinen met bijbehorende laagten en vlakten aanwezig zijn. Er zijn dekzandwelvingen aangetroffen, waarbij op de hoger gelegen delen restanten van een vorstvaaggrond zijn aangetroffen. Het potentiële archeologische niveau kan hier worden aangetroffen vanaf 30 cm -mv. In de lagergelegen delen is de bodem verdwenen en is sprake van een Ap- op C-horizont met daartussen een verstoorde laag grond.
In boring 3 is een archeologische indicator in de vorm van een brokje aardewerk aangetroffen in de menglaag van de Ap- met de Bw-horizont van de vorstvaaggrond, die mogelijk wijst op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats uit de periode IJzertijd tot en met de Middeleeuwen. Op grond van deze resultaten is de middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum naar laag bijgesteld en blijft de hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) gehandhaafd. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late
Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen.
KSP Archeologie adviseert een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit gravende archeologisch onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de
randvoorwaarden van het onderzoek vastgelegd. Voor zover bekend zal voorlopig alleen de bodem worden verstoord voor de uitbreiding van het horecagebouw aan de zuidzijde van de bestaande bebouwing. Hier is nog een strook van 5 tot 6 m breed waar de bodem intact is en waar archeologische resten kunnen worden verwacht. Gezien de beperkte omvang van de locatie wordt geadviseerd om deze gehele strook gelegen binnen de nieuwbouw op te nemen in het proefsleuvenonderzoek en in het PvE een optie op te nemen voor een uitbreiding naar een opgraving als er behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn.

In het archeologisch onderzoeksrapport/bijlage 3 van deze toelichting is op de boorpuntenkaart (bijlage 4 in het rapport) de lichtgroene kleur van de uitbreiding van het horecagebouw weggevallen. Op bovenstaande afbeelding is deze uitbreiding van het horecagebouw daarom globaal ingetekend met een lichtgroene rechthoek. Tevens is de contour van het onderzoeksgebied waar nu geen planologische wijzigingen/verstoringen zullen plaatsvinden met een lichtblauwe rechthoek weergegeven.
Op 16 juli 2024 heeft de regioarcheoloog van de Omgevingsdienst Achterhoek het rapport beoordeeld. Uit die beoordeling volgt dat het onderzoek met bijbehorende rapportage aan de hiervoor geldende richtlijn uit de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1) voldoet. Ook voldoet het onderzoek aan het archeologiebeleid van de gemeente Bronckhorst. De regioarcheoloog heeft geen inhoudelijke opmerkingen op de rapportage.
Binnen de voorgenomen uitbreiding van het bestaande horecagebouw bevindt zich in het uiterste noorden een smalle strook (6 x 5 m, ergo 30 m2), waar zich een deels intacte vorstvaaggrond bevindt. De regioarcheoloog concludeert dat de kenniswinst die archeologisch onderzoek zal opleveren gezien de beperkte oppervlakte waarschijnlijk zeer gering is. Op basis daarvan is zijn advies dan ook om voor de uitbreiding van het horecagebouw geen verder archeologisch onderzoek uit te laten voeren.
Bovenstaand advies is expliciet van toepassing op de bodemingrepen die zullen plaatsvinden binnen het lichtgroene kader (zie Afb. 2). Wanneer er in de toekomst nieuwbouw gepleegd wordt rondom de huidige (bedrijfs-)woning in het westelijke deel van de onderzoekslocatie verdient het aanbeveling om de werkzaamheden archeologisch te begeleiden, conform protocol 4003 – proefsleuven. Voorafgaand aan dat onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid.
De aanwezige bebouwing heeft geen specifieke cultuurhistorische waarden. Het omliggende landschap van het Wolfersveen heeft een kenmerkende rechtlijnige verkaveling behorend bij het ontginningslandschap. Het bungalowpark ’t Zonnetje ligt aan de zuidzijde van landgoed ’t Zand binnen de Verbindingslandgoederen. Cultuurhistorisch gezien is het behouden van de verschillende natuurgebieden en landgoederen en de aaneenschakeling daarvan van belang. Door toevoeging van kleine landschapselementen, zoals singels en houtwallen, wordt een aaneengesloten landschappelijk netwerk nagestreefd tussen ’t Zelle in het noorden en ’t Zand in het zuiden en deze landschapskarakteristiek versterkt.
Geconcludeerd wordt dat wat betreft de bodemingrepen omtrent de uitbreiding van het horecagebouw archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van dit initiatief.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming is beleidsneutraal opgenomen in de Omgevingswet (de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Deze regels zijn onder andere opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving) en beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Daarnaast worden gebieden beschermd via het Nationaal Natuurwerk, dat in Gelderland is vertaald in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO). Beide zijn opgenomen in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Gelderland.
Om te beoordelen of de activiteit voldoet aan de regels ter bescherming van de natuur, is een 'Quickscan Natuurwaardenonderzoek Ruurloseweg 30-30a Zelhem’ uitgevoerd. Het rapport d.d. 30 oktober 2024 is bijgevoegd in bijlage I Overzicht Documentenbijlagen. Het oorspronkelijke rapport d.d. 3 oktober 2023 is daarmee compleet herzien. De samenvatting en conclusies worden onderstaand weergegeven.
Het plangebied is op 31 augustus 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden:
Het plangebied ligt binnen de Groene Ontwikkelingszone maar ligt buiten Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Stelkampsveld is op minimaal 11,67 km afstand van het plangebied gelegen. Omdat sprake is van een ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone, dient een versterkingsplan opgesteld te worden. Dit plan geeft aan, op welke wijze de kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone versterkt worden. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen plangebied en Natura 2000- gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten:
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of
voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling.
Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Dat kan door het werkterrein te ontdoen van strooisel en bladeren en de spullen/materialen buiten de voortplantingsperiode. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood.
Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust-
of voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het verbouwen van het horecapand en de woning met huisnummer 30a op het terrein wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Er dient een aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden om de functie van het horecapand en de woning met huisnummer 30a vast te kunnen stellen.
Op basis van nader onderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten niet af.
Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat:
• Opstellen versterkingsplan;
• Beplanting rooien buiten de voortplantingsperiode van vogels;
• Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (verjagen, wegvangen of Omgevingsvergunning aanvragen);
• Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het horecapand en woning met huisnummer 30a voor vleermuizen;
Op 16 juli 2024 heeft een ecoloog van de Omgevingsdienst Achterhoek het oorspronkelijke rapport d.d. 3 oktober 2023 beoordeeld. De conclusie en het advies luidde als volgt:
Het is toegestaan om op basis van data en habitatkenmerken een uitspraak te doen over de
mogelijkheid dat beschermde soorten in het onderzoeksgebied kunnen voorkomen. De quick
scan geeft:
- onvoldoende inzicht in mogelijk aanwezige flora en fauna
- onvoldoende inzicht in geschikt habitat en de effecten van het initiatief op soorten.
Het advies is om de quick scan aan te laten passen op de volgende punten:
• Er moet een nieuw veldonderzoek plaatsvinden waarbij het onderzoeksgebied zich
spreid over beide plangebieden. Ook de weersomstandigheden en tijd van het
onderzoek dienen aangegeven te worden.
• Er is onduidelijkheid rondom de aanwezige vogelsoorten, deze onduidelijkheid dient
opgehelderd te worden.
• Toevoegen van de soortgroepen ongewervelden en (de overige) marterachtigen.
• Toevoegen van het aspect licht als mogelijk effect.
• Aangeven welke periode is gebruikt bij het bronnenonderzoek. Doorgaans wordt
tussen de 5 en 10 jaar genomen.
• Toevoegen van de specifieke zorgplicht. De omgevingswet eist nadere invulling van de
algemene en bijzondere zorgplicht. Dat gaat verder dan alleen beschermde soorten
(namelijk gebieden en houtopstanden).
Op basis van de quick scan is het noodzakelijk dat nader onderzoek wordt gedaan naar vleermuizen. Het onderzoek moet plaatsvinden volgens de geldende protocollen, kennisdocumenten en/of expert judgement als er geen protocol of kennisdocument is vastgesteld.
Het advies was in juli om nog geen medewerking te verlenen en de quick scan aan te passen en het nader onderzoek naar vleermuizen af te ronden. Ook moet voor een RO-procedure zekerheid zijn dat de benodigde ontheffingen / toestemmingen worden verleend.
Naar aanleiding van dit advies is de quick scan aangepast en aangevuld, welke reeds in het rapport in bijlage 4 zijn verwerkt. De bovenstaande conclusies zijn uit dit aangepaste rapport overgenomen, zodat het advies is opgevolgd. Daarnaast is een ‘Nader onderzoek vleermuis Ruurloseweg 30-30a Zelhem’ uitgevoerd. De rapportage d.d. 21 oktober 2024 is bijgevoegd in bijlage 5. De samenvatting en conclusies worden hieronder verwoord:
In de periode juni- september 2024 zijn diverse kleine gebouwen op Camping ’t Zonnetje (bedoeld wordt Bungalowpark ’t Zonnetje) onderzocht op verblijfplaatsen van vleermuizen.
Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het onderzoeksgebied vastgesteld. Tijdens de bezoeken aan het plangebied zijn wel vleermuizen waargenomen, maar die vertoonden geen verbondenheid met de bebouwing in het onderzoeksgebied.
De resultaten van dit onderzoek zijn drie jaar gelding. Na drie jaar worden de resultaten als verouderd beschouwd.
Stikstofdepositie
Op grond van de instructieregels ter bescherming van de natuur in het Bkl worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de aanleg- en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend.
Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Stelkampsveld' ligt op minimaal 11,67 kilometer afstand. Door ROlin Advies Achterhoek is een memo met uitgangspunten inclusief AERIUS-berekeningen voor zowel de gebruiksfase als de aanlegfase uitgevoerd. Deze memo d.d. 4 december 2024 is in bijlage 6 opgenomen. Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet vergunningsplichtig. Deze berekeningen bevestigen dat de ervaringen van Natuurbank Overijssel dat gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen plangebied en Natura 2000- gebied een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten kan worden. Niettemin blijft de gemeente Bronckhorst om dergelijke berekeningen vragen.
Samenvattend
Hoewel in de rapportages nog is uitgegaan van een situatie waarbij de vervallen bedrijfswoning wordt vervangen, is dit momenteel niet aan de orde. Aangezien er geen belemmeringen voor de sloop en vervangende nieuwbouw van deze woning zijn geconstateerd, zou dit alsnog binnen drie jaar vanaf oktober 2024 kunnen worden opgepakt.
Een versterkingsplan is in de vorm van de landschappelijke inpassing reeds opgesteld. Het eventueel rooien van beplanting zal buiten de voortplantingsperiode van vogels plaatsvinden. Daarnaast is er geen reden om beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën te doden bij de uitvoering van het planinitiatief. Er is ruimte genoeg voor eventueel aanwezige dieren om te vluchten. Er zijn geen ontheffingen benodigd.
De aspecten flora en fauna vormen geen belemmering voor de uitvoering van dit initiatief.
De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid.
De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zijn in artikel 1.3 van die wet als volgt geformuleerd:
Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
In de voorgaande paragrafen is reeds gemotiveerd dat voldaan wordt aan de Bkl-instructieregels die betrekking hebben op de aspecten bodem, geluid, geur en luchtkwaliteit. Deze instructieregels zijn specifiek bedoeld ter bescherming van de gezondheid en het milieu. Daarnaast voldoet dit initiatief aan de doelstellingen voor het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving, omdat met de herontwikkeling van delen van het bungalowpark een doelmatige functie en hergebruik van de bestaande bebouwing met een beperkte uitbreiding van het horecagebouw plaatsvindt. Met dit initiatief wordt immers invulling gegeven aan de menselijke behoefte tot ontspanning. Ook wordt met het uitvoeren van het landschappelijk inrichtingsplan bijgedragen aan een gezonde fysieke leefomgeving.
Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Onderdeel van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Met voorgenomen initiatief worden de horeca-activiteiten uitgebreid. Dit gebouw met gemeenschappelijke voorzieningen ter grootte van 740 m2 is niet alleen voor gasten van bungalowpark ’t Zonnetje, maar zal tevens opengesteld worden voor bezoekers vanuit de omgeving. De uitbreiding van het horecagebouw betreffen de bowlingbanen zelf en de technische ruimte. Deze uitbreiding is niet toe te rekenen aan het bruto vloeroppervlak, omdat hier geen zitplaatsen beschikbaar zijn en de capaciteit van het horecagebouw niet vergroot wordt. Daarnaast worden 5 recreatiestudio’s met een gezamenlijke oppervlakte van 127 m2 toegevoegd op het recreatiepark. Deze studio’s zullen voornamelijk gebruikt worden voor kortdurend verblijf van Pieterpadlopers, zodat deze gasten niet met een personenauto komen. De gehele ontwikkeling zal niettemin zorgen voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. De bestaande in-/uitrit, welke wordt gebruikt voor beide bungalowparken behoeft een beperkte verbreding, zodat gemakkelijker in- en uitgereden kan worden. Oponthoud en gevaarlijke situaties op de Ruurloseweg/provinciale weg N319 worden hiermee vermeden. De toename van het aantal verkeersbewegingen zal per etmaal beperkt blijven, omdat dit feitelijk alleen de bezoekers aan de horeca betreft. De gasten die overnachten in de 5 recreatiestudio’s zullen veelal wandelaars van het Pieterpad zijn, die zoals gezegd niet met een auto komen. Deze ruim geschat circa 100 extra personenauto’s (200 vervoersbewegingen) gaan zonder problemen op in het heersende verkeersbeeld van de provinciale weg.
Volgens de Beleidsregels Parkeernormen gemeente Bronckhorst, zoals vastgesteld op 16 december 2013, geldt voor een bungalowpark (huisjescomplex) een parkeerkencijfer van 2,2 per bungalow. Op bungalowpark ’t Zonnetje zijn momenteel 54 recreatiewoningen toegestaan, waarvan 24 echt kleinere recreatiewoningen betreffen. Veel van de recreatiewoningen zijn als tweede woning in eigendom van particulieren. Zij stellen hun recreatiewoning niet beschikbaar voor de recreatieve verhuur, waardoor het aantal auto’s wat naar deze recreatiewoningen komt aanzienlijk beperkter is. De eigenaar van het park bevestigt dat de bezoekersparkeerplaats op het bungalowpark meestal slechts door enkele auto’s wordt benut. Ook in het hoogseizoen zijn er vrijwel nooit meer dan 15 parkeerplaatsen bezet. Voor alle recreatiewoningen op het park is daarom een parkeerkencijfer van 1,2 realistisch, zoals geldt voor een standplaats op een camping. Alle bestaande recreatiewoningen hebben minimaal 1 parkeerplaats direct bij de bungalow op het terrein, zodat die parkeerbehoefte niet hoeft te worden opgevangen op het parkeerterrein.
Voor de nieuw te vormen recreatiestudio’s voldoet het parkeerkencijfer behorend bij een camping (kampeerterrein) van 1,2 per standplaats zeker, omdat de gasten wandelend komen en gaan.
De parkeerbehoefte van de 54 recreatiebungalows en de 5 recreatiestudio’s op het openbare parkeerterrein is op basis van bovenstaande als volgt: (54 + 5) * 1,2 – 54 = 16,8 pp. Afgerond moet voor de overnachtingsaccommodaties naast de parkeerplaatsen bij de bungalows zelf voorzien worden in 17 parkeerplaatsen extra.
Daarnaast geldt voor een restaurant respectievelijk een café/bar/cafetaria per 100 m2 bruto vloeroppervlak (bvo) een parkeerkencijfer van 16,0 respectievelijk 8,0 parkeerplaatsen. In de Beleidsregels wordt weliswaar onderscheid gemaakt tussen bebouwde kom en buitengebied, maar de parkeerkencijfers zijn bij de van toepassing zijnde categorieën in beide gebieden hetzelfde.
Voor het horecagebouw geldt dat deze voor circa de helft van de capaciteit zal worden benut door de bezoekers van de beide bungalowparken. Deze bezoekers komen te voet of wanneer het eigenaren van een tweede woning betreft eventueel per fiets, zodat deze capaciteit in praktische zin niet hoeft te worden meegerekend. Daarnaast is er een verschil of de bezoekers van de horeca uitgebreid gaan dineren of alleen wat drinken met eventueel wat borrelhapjes tijdens het bowlen. Daarom is het reëel om met het parkeerkencijfer voor een café/bar/cafetaria van 8,0 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo te rekenen.
Zoals gezegd is de uitbreiding van het horecagebouw c.q. de bowlingbanen zelf en de technische ruimte niet toe te rekenen aan de bvo, omdat hier geen zitplaatsen beschikbaar zijn. Om deze reden wordt de bestaande oppervlakte van het horecagebouw van circa 400 m2 als bvo gerekend. Dit betekent dat voor de horeca 8,0 * 4 = 32 parkeerplaatsen benodigd zijn.
In het landschappelijk inpassingsplan is het parkeerterrein opnieuw ingericht en uitgebreid. Hierbij is het parkeerterrein overzichtelijker geworden en wordt het toeleverende verkeer en eventueel benodigde hulpdiensten als brandweer of ambulance ten beboeve van de horeca gescheiden van de bezoekersverkeerstromen. Ook wordt rekening gehouden met een separaat voet- en fietspad, zodat een verkeersveiligere situatie voor deze zwakkere verkeersdeelnemers op het bungalowpark ontstaat.
Met de nieuwe inrichting is ruimte voor 39 + 20 = 59 parkeerplaatsen naast enkele parkeerplaatsen voor de busreizigers. Daarmee wordt voldaan aan de extra parkeerbehoefte van in totaal 49 parkeerplaatsen, bestaande uit 32 parkeerplaatsen voor de horeca en de 17 bezoekersparkeerplaatsen voor de recreatiebungalows en -studio’s. Er is dus een marge van 10 parkeerplaatsen extra, waarvan 3 met een oplaadzuil voor elektrische auto’s zullen worden uitgerust en 3 als invalidenparkeerplaats extra ruim worden uitgevoerd.
Mocht de parkeerbehoefte gedurende het hoogseizoen toch te laag zijn ingeschat, dan kunnen er bij grote drukte tweede auto’s bij de bungalows worden toegestaan. Ook is er ruimte om een aantal parkeerplaatsen met grasbetonstenen bij de bedrijfswoning met huisnummer 30 en eventueel de recreatiebungalow daarachter uit te breiden. Dit is echter een minder wenselijke optie, omdat de auto’s dan over het fiets-/voetpad in- en uitparkeren. Ook een extra parkeerstrook langs de toegangsweg voor de levanciers is vanuit (verkeers-) veiligheidsoogpunt niet aan te raden. Dit zorgt namelijk voor menging van horecabezoekers met het toeleverende vrachtverkeer, maar belangrijker is dat de toegangsweg voor de hulpdiensten mogelijk geblokkeerd wordt.
De beplanting rondom de parkeerplaatsen biedt ruimte voor het behouden en versterken van het inheemse bosplantsoen in de groenstroken rondom de parkeerplaats.

Met betrekking tot de aspecten verkeer en parkeren voldoet dit initiatief aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het plangebied zijn geen leidingen gelegen met een planologisch relevante beschermingszone.
Met deze functieverandering vindt er geen uitbreiding van het aantal woningen plaats. Op grond van het woonbeleid zijn er daarom geen beperkende regels van toepassing.
Het aspect volkshuisvesting is daarmee niet relevant voor dit plan.
Een wijziging van het omgevingsplan mag geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. De financiële kosten van dit particuliere initiatief mogen daarom niet voor rekening van de gemeente Bronckhorst komen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges.
In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden. Daarvoor heeft de gemeente met initiatiefnemer een verhaalsovereenkomst als bedoeld in artikel 13.3c Ow opgenomen in de anterieure overeenkomst.
De economische uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond.
Door de herontwikkeling van het recreatiepark wordt voorzien in de maatschappelijke behoefte aan een horecavoorziening met moderne bowlingbanen ten behoeve van zowel de bezoekers van de parken van Recrejans als mensen uit de omgeving. Met de recreatiestudio’s wordt in de behoefte aan comfort van Pieterpadwandelaars voorzien, zonder dat een volledige recreatiewoning hoeft te worden afgehuurd. De recreatiestudio’s voorzien in de behoefte van een specifieke doelgroep met een juiste prijs-kwaliteitverhouding.
Met betrekking tot de maatschappelijke aspecten is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan deze locatie.
Voor voorliggend plan is de digitale Watertoets doorlopen. Naast de adviezen die hieruit voortgekomen zijn, heeft de gemeente dit initiatief als vooroverleg toegezonden aan het Waterschap. Op 20 juni 2024 heeft de plantoetser van het Waterschap per e-mail enkele adviezen gegeven, waaruit blijkt dat dat de toename verharding moet worden gecompenseerd met infiltratievoorzieningen. Aan de vereiste hemelwatercompensatie wordt voldaan en dit is verwerkt in paragraaf 3.1.3.2.9 Water. Deze gehele ruimtelijke motivering is tevens ter vooroverleg aangeboden aan het Waterschap Rijn en IJssel en op 11 december 2024 akkoord bevonden.
De gemeente heeft alvorens haar principemedewerking uit te spreken reeds overleg gehad met de provincie Gelderland omtrent de noodzaak van een versterkingsplan, waarbij geconcludeerd is dat het landschappelijk inpassingsplan als versterkingsplan kan worden aangemerkt.
De initiatiefnemer heeft als beheerder van de recreatieparken de beide verenigingen van eigenaren zowel tijdens de Algemene ledenvergaderingen als met een brief op de hoogte gesteld van dit planinitiatief. Daarnaast is de landschappelijke inpassing met de Vereniging Bomenbelang Bronckhorst besproken en akkoord bevonden.
Ook zijn de omwonenden en naastgelegen bedrijven door de eigenaar mondeling op de hoogte gebracht van voorgestane aanpassingen, waarbij zij hebben aangegeven geen bezwaren te hebben.
Het plan is, gelet op beleid, omgevingsaspecten, volkshuisvesting, economisch en maatschappelijk uitvoerbaar. Ook de uitvoering van de ‘Landschappelijke inpassing Ruurloseweg 30-30a, Zelhem’, zoals opgenomen in de bijlage bij de regels wordt met een voorwaardelijke verplichting geregeld.
Na uitvoering van dit planinitiatief is in en rondom het plangebied sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op dit adres is al heel lang een kleinschalige zorgvilla aanwezig die bekend is bij de gemeente (Huize Sonnevanck). De locatie is momenteel bestemd als een burgerwoning. Dit is niet passen bij de activiteiten die op deze locatie plaatsvinden. In dit veegplan wordt de bestemming gecorrigeerd en omgezet naar maatschappelijk met de aanduiding zorginstelling.
Voor deze locatie is in 2009 een omgevingsvergunning verleend voor een kleinschalig kampeerterrein. Deze vergunning is verwerkt in het bestemmingsplan. Initiatiefnemers hebben nu aangegeven dat het kleinschalig kampeerterrein onjuist is ingetekend. Na bestudering van het bestemmingsplan en de vergunning is ambtelijk geconcludeerd dat het kleinschalig kampeerterrein te klein is ingetekend. Dit wordt hersteld in dit veegplan.
Voor de diverse agrarische gronden zijn vergunningen verleend in 2005 en 2009 voor nieuwe natuur en watergangen op het landgoed Hackfort. Deze vergunningen zijn niet vertaald geweest in het bestemmingsplan, maar is wel noodzakelijk. In dit veegplan worden de agrarische gronden die vergund zijn voor het boezemgebied Hackfort omgezet naar bos, natuur en water.
Op twee locaties rondom Deldensebroekweg 6 in Vorden zitten witte vlekken in het bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst. Deze locaties worden in dit veegplan ingevuld met de functies Agrarisch met waarden – Landschap en natuur, Bos en Water. Dit zijn de functies die ook in het plan voor Landelijk gebied Bronckhorst zijn opgenomen.
Voor deze locatie is op 22 augustus 2023 een omgevingsvergunning afgegeven om het horecapand volledig te gaan gebruiken als woning. Gezien de functie nu niet meer overeenkomt met het voormalige bestemmingsplan, wordt deze locatie in dit veegplan omgezet naar de functie Wonen.
De gemeente heeft twee stukjes gemeente grond verkocht aan de eigenaren van Hendrikmesdag 13 in Zelhem. In de verkoop is afgesproken dat deze twee percelen de functie Wonen zullen krijgen, zodat de gronden bij de woning gebruikt kunnen worden.
Dit adres heeft in het moederplan de bestemming ‘Wonen-1’. In Landelijk gebied; Veegplan 2021-2 geldt per abuis de bestemming ‘Wonen’ voor het hele hoofdgebouw. Dit hoort de functie ‘Wonen-1’ te zijn, omdat er feitelijk twee woningen in één hoofdgebouw zijn. Dit wordt aangepast in dit veegplan.
Op 3 december 2024 is er een vergunning verleend voor het samenvoegen van twee woningen naar één woning. In het voormalige bestemmingsplan staat momenteel aangegeven dat hier twee woningen aanwezig zijn. Dit is niet meer kloppend na verlening van de vergunning. In dit Veegplan passen we de bestemming aan van Wonen-1 naar Wonen.
In het veegplan 2024-2 is de functie Bos vergeten. Met deze ambtshalve aanpassing wordt dit hersteld.
Op 7 december 2022 is er een omgevingsvergunning verleend om het schoolgebouw ‘de Mammoet’ te verbouwen naar zes appartementen. De verbouwing is afgerond waardoor de functie van het gebouw omgezet moet worden van Maatschappelijk naar Wonen.
In het veegplan 2020-1 is deze locatie omgezet van Agrarisch naar Wonen. Met de functie Wonen is maar één burgerwoning toegestaan. Dit is onjuist gezien onder de agrarische bestemming al twee bedrijfswoningen aanwezig waren. Daarom wordt er in dit veegplan de functie Wonen omgezet naar Wonen-1(twee burgerwoningen), zodat het weer kloppend is.
In 2010 is er een toezegging gedaan dat de agrarische bestemming agrarisch zou blijven en niet naar bos/natuur omgezet zouden worden. Dit is echter toegezegd bij het bestemmingsplan buitengebied Steenderen. De locatie ligt echter in stedelijk gebied. Bij het maken van het bestemmingsplan Kleine kernen in 2013 is deze toezegging niet meegenomen. Sinds 2015 is op luchtfoto’s ook geen bos meer te zien. Gezien de gemeente een toezegging heeft gedaan in 2010 passen wij ambtshalve de locatie aan van Bos naar Agrarisch.
In de agrarische bestemmingen is opgenomen dat er een kleinschalig kampeerterrein aanwezig mag zijn bij een agrarisch bedrijf. Dit is bedoeld als nevenfunctie en niet als hoofdfunctie. Bij een rechtelijke uitspraak is naar voren gekomen dat doordat het woordje nevenfunctie ontbreekt in de voorwaarden dat een kleinschalig kampeerterrein ook mogelijk is als het agrarisch bedrijf niet meer in werking is maar nog wel de bestemming heeft. Door het woordje nevenfunctie toe te voegen aan de het artikel willen wij voorkomen dat meerdere locaties waar geen agrarische activiteiten aanwezig meer zijn toch kleinschalige kampeerterreinen worden gerealiseerd.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze visie biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de visie wordt beoogd de grote opgaven aan te pakken. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat de grote opgaven niet meer apart van elkaar worden opgelost maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.
Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
duurzaam economisch groeipotentieel
sterke en gezonde steden en regio's
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
Een van de nationale belangen is het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. Vitale functies in de maatschappij zijn afhankelijk van een betrouwbare toelevering en uitwisseling van energie. Voor iedereen moet deze energie betaalbaar zijn. Energie moet veilig worden opgewekt, gewonnen, getransporteerd, opgeslagen en gebruikt. Met betrekking tot 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' is in de NOVI aangegeven dat de transitie naar hernieuwbare energie meer ruimte vraagt voor transport, distributie, conversie en opslag van energie, zowel boven- als ondergronds. In plaats van enkele relatief grote 'puntbronnen' (centrales) en transport van energie in één richting zal sprake zijn van meerdere, vaak decentrale en sterk in grootte verschillende bronnen (zon-, wind- en bodemenergie) en tweerichtingsverkeer (gebruik en productie) van energie.
Duurzaam economisch groeipotentieel
In het kielzog van de COVID-19-pandemie werken we hard om de gevolgen voor onze economie zoveel als mogelijk te beperken. Dat vraagt op de korte termijn om ongekende overheidsingrepen en investeringen. De kunst is om interventies en investeringen ook ten goede te laten komen aan onze ambitie voor de lange termijn: het duurzaam en circulair maken van onze economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van onze leefomgeving. Bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra houden we naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, de aansluiting op het verkeers- en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk rekening met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. We zetten daarbij in op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors.
Sterke en gezonde steden en regio's
Met de NOVI bouwen we aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. Daar willen we naartoe groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s realiseren. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een nieuwe, stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich in het Stedelijk Netwerk Nederland. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
De stikstofproblematiek raakt zowel het landelijk gebied als diverse economische sectoren zwaar. De waarde van onze natuur, het landschap én de toekomst van de landbouw staan onder druk. Daarbij is verbetering van de biodiversiteit niet alleen een ecologische, maar nadrukkelijk ook een economische uitdaging, die op de korte termijn om een doortastende aanpak vraagt. Houdbare oplossingen vragen echter tijd. Voor de lange termijn werken we daarom aan geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied, onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Dit draagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.
De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda vindt u onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma’s op de verschillende beleidsterreinen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.
Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. Een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in één, waarbinnen we gezamenlijk optimaal kunnen werken aan het behoud van een gezond, leefbaar en economische sterk Nederland
De Structuurvisie Ondergrond (juni 2018) richt zich op duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond waarbij benutten en beschermen met elkaar in balans zijn. Het is een gezamenlijke visie van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK).
De belangrijkste elementen van de Structuurvisie Ondergrond:
Veel aandacht voor veiligheid en het tijdig betrekken van de omgeving bij nieuwe activiteiten in de ondergrond.
Provincies hebben het voortouw bij het aanwijzen van gebieden voor drinkwaterwinning.
In deze kabinetsperiode geen opsporingsvergunningen voor nieuwe gasvelden op land. Aardgaswinning uit bestaande kleine velden is nog enige tijd nodig.
Zoveel mogelijk benutten van potenties voor geothermie.
De winning van schaliegas wordt uitgesloten, ook na deze kabinetsperiode.
CO2-opslag op zee. Nu geen CO2-opslag op land, wel mogelijkheden op land onderzoeken.
De opgave
De ondergrond is van groot belang voor onze energievoorziening en grondwater is de belangrijkste bron voor onze drinkwatervoorziening. De ruimte in de diepe ondergrond lijkt eindeloos en conflicten tussen de verschillende vormen van gebruik doen zich tot op heden nauwelijks voor. Maar als er naar de ambities voor de energievoorziening en drinkwatervoorziening op de langere termijn wordt gekeken, dan is het wenselijk een visie te ontwikkelen op het gebruik van de ondergrond, om ‘botsingen’ in de toekomst te voorkomen.
Nederland beschikt over grote voorraden grondwater waaruit een uitstekende kwaliteit drinkwater word bereid. Om ook in de toekomst te kunnen voldoen aan de toenemende vraag naar schoon grondwater voor de drinkwatervoorziening, is het nodig geschikte grondwatervoorraden te identificeren en ‘aan te wijzen’ als reservebron voor de toekomst. Deze grondwatervoorraden moeten bovendien worden beschermd tegen mogelijke verontreinigingen.
De fossiele energiebronnen aardgas en olie leveren tot op heden het leeuwendeel van onze energie. Met het oog op de klimaatproblematiek is inmiddels een transitie in gang gezet waarbij fossiele energiebronnen in toenemende mate worden vervangen door CO2-arme energiebronnen, waaronder geothermie en bodemenergie.
Bovendien is er discussie over CO2-opslag in de ondergrond en de winning van schaliegas.
De drinkwatervoorziening en mijnbouwactiviteiten, zoals de winning van aardgas, olie, geothermie en opslag van stoffen in de ondergrond, zijn van nationaal belang. Deze structuurvisie bevat het strategische beleid voor deze nationale belangen. De opgave daarbij is het zoeken naar een goede balans tussen beschermen en benutten van grondwater voor de drinkwatervoorziening en het bieden van ruimte voor mijnbouwactiviteiten voor de energievoorziening.
Duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond
De ondergrond kan in principe worden benut voor nieuwe activiteiten, mits dit veilig en zorgvuldig gebeurt. De leidraad hierbij is de doelstelling: ‘Duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond, waarbij benutten en beschermen met elkaar in balans zijn.’ Deze doelstelling is uitgewerkt in een aantal uitgangspunten voor de vormgeving van beleid voor de ondergrond. Tevens worden twee manieren van ‘denken en doen’ gepresenteerd waarmee samenhangend beleid kan worden gerealiseerd, waarbij activiteiten in de diepe ondergrond, in de ondiepe ondergrond en op de bovengrond op elkaar worden afgestemd: driedimensionale (3D) ordening en de watersysteembenadering.
Typering van de structuurvisie
Deze structuurvisie bevat het nationale ruimtelijk beleid voor de ondergrond, specifiek gericht op de nationale belangen ‘drinkwatervoorziening’ en ‘mijnbouwactiviteiten’. Deze structuurvisie richt zich op toekomstige ontwikkelingen en nieuwe activiteiten in de diepe ondergrond en niet op de bestaande problematiek. Het doel hiervan is risico’s van nieuwe activiteiten en problemen in de toekomst zoveel mogelijk te beperken. Daarbij wordt rekening gehouden met de huidige situatie. Deze structuurvisie doet geen beleidsuitspraken over nut en noodzaak van nieuwe activiteiten in de diepe ondergrond. Dat gebeurt binnen bestaande beleidskaders voor de drinkwatervoorziening en de energievoorziening. De structuurvisie richt zich op de ruimtelijke inpassing van nieuwe activiteiten waarvan na maatschappelijk en politiek debat is vastgesteld dat deze gewenst of noodzakelijk zijn.
Deze structuurvisie gaat grotendeels over ontwikkelingen die nog onzeker zijn. De structuurvisie beoogt duidelijkheid te geven over hoe het Rijk afwegingen maakt als zich ontwikkelingen voordoen op het gebied van de drinkwatervoorziening of de energievoorziening. De structuurvisie geeft handvatten en overwegingen voor de besluitvorming hierover op alle schaalniveaus. Het Rijk maakt in de structuurvisie alleen beleidsmatige keuzes over de wenselijkheid van het toestaan of uitsluiten van activiteiten in bepaalde gebieden als dat nu nodig is voor zaken van nationaal belang. Dat kan het geval zijn wanneer een specifieke functie een onacceptabel effect heeft op de kwaliteit van de leefomgeving of een te groot risico met zich meebrengt voor de veiligheid van de bewoners in bepaalde gebieden. Een keuze kan ook nodig zijn als de potentieel geschikte ruimte voor een specifieke gewenste functie schaars is en er concurrentie dreigt van andere functies. In deze structuurvisie is maar een beperkt aantal keuzes gemaakt, in de vorm van ‘uitsluitingen’. Reserveringen voor specifieke functies zijn nu niet noodzakelijk. Dat kan in de toekomst mogelijk veranderen.
Samenwerken met het oog op nationale belangen
Het ‘dienen’ van een nationaal belang is niet exclusief een aangelegenheid van het Rijk. Vrijwel altijd zal het gaan om een samenspel tussen verschillende overheden, waarbij elke overheid een eigen rol en verantwoordelijkheid heeft. Bij de belangenafweging en besluitvorming over toekomstig activiteiten in de ondergrond is het essentieel dat alle overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties samenwerken, met oog voor de veiligheid en belangen van burgers. De wijze waarop het ministerie van Economische Zaken en Klimaat samen met alle betrokken partijen invulling geeft aan energieprojecten in het kader van de energietransitie en de omgeving daarbij betrekt, wordt aangeduid met de term ‘omgevingsparticipatie’. Dit proces wordt samen met de regio vormgegeven, aan de hand van vijf uitgangspunten, waaronder het vroegtijdig betrekken van de omgeving, het zoeken naar gemeenschappelijke belangen en het delen van informatie.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s).
het Omgevingsbesluit (Ob).
het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
In deze AMvB’s staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels uit het Bkl:
Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);
Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid, geur en bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4);
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 5.1.5);
Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (paragraaf 5.1.6);
Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (paragraaf 5.1.7),
Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Per instructieregels is het toepassingsbereik bepaald. Daardoor kan het zijn dat een thema waarvoor het Bkl instructieregels bevat, niet geldt voor een specifieke activiteit.
De 'ladder voor duurzame verstedelijking' ziet toe op een zorgvuldig ruimtegebruik in Nederland. De benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies moet gebaseerd zijn op een goede onderbouwing van nut en noodzaak. Dit om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten te bereiken. Ook wordt de nieuwe ontwikkeling zorgvuldig ruimtelijk ingepast. Alle ontwikkelingen die worden aangemerkt als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ (binnen en buiten bestaand stedelijk gebied) moeten de Ladder doorlopen en moet de behoefte worden beschreven in de plantoelichting.
De Ladder is onder de Omgevingswet in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) opgenomen als een instructieregel’. Deze regel is van toepassing bij het wijzigen van het omgevingsplan en bij een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarbij sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van de Bkl is dit een ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Het Bkl geeft niet aan wat substancieel is waardoor we de rechtspraak hierover relevant blijft.
Om te bepalen of we te maken hebben met een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet beoordeeld worden in hoeverre er sprake is van een nieuw of groter planologisch ruimtebeslag en/of een functiewijziging. Het beoogde en huidige planologische regime moeten daarbij met elkaar vergeleken worden. Een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan mag daarbij ook worden meegenomen.
Het Bkl hanteert de volgende definitie van stedelijk gebied: op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen. Uitgangspunt is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Als dat niet mogelijk is, dan dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden een rol spelen. De behoefte wordt onderbouwd en afgewogen op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling.
De ladder is specifiek gericht op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden (o.a. tegengaan leegstand) en cultureel erfgoed. Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Het beter benutten van het bestaand stedelijk gebied kent randvoorwaarden en een concurrerende ruimtevraag die wordt opgelost door maatwerk te bieden binnen de kaders die wet- en regelgeving stellen. Uitgangspunt hierbij is een goede ruimtelijke afweging gericht op een duurzame ruimtelijke kwaliteit. Met de huidige maatschappelijke opgaven op o.a. het gebied van klimaat en energie is het duidelijk dat er meerdere claims liggen op de ruimte binnen bestaand stedelijk gebied. Deze claims moeten onderling afgewogen worden om tot zorgvuldig ruimtegebruik en een duurzame ruimtelijke kwaliteit te komen. Het transparant en helder motiveren is de essentie van het werken aan een duurzame verstedelijking.
De Ladder-instructieregel is van het type ‘rekening houden met’ dat aan het bevoegd gezag de vrijheid geeft om met goede argumenten af te wijken van de instructieregel. Zo kan een ontwikkeling doorgang vinden omdat de totale belangenafweging positief beeld laat zien terwijl de specifieke behoefte van de ontwikkeling niet kan worden aangetoond.
Voor 1 januari 2024 moest de Ladder ook worden toegepast bij globale en flexibele plannen, op een moment dat de ontwikkeling nog niet concreet was. Omdat op een later moment ook het een uitwerkingsplan aan de Ladder werd getoetst was in zo’n geval sprake van een dubbele laddertoets. In de Omgevingswet is geregeld dat het zwaartepunt van de te verrichten onderzoeken ligt op het moment dat ontwikkelingen meer concreet zijn. Dit heeft het voordeel dat concrete plannen makkelijker kunnen worden beoordeeld op hun kwantitatieve en kwalitatieve behoeften. Het nadeel van het doorschuiven van de laddertoets naar een fase waarin het plan meer concreet is, is dat de locatie niet is opgenomen in het bestaande aanbod van de stedelijke ontwikkeling. Omdat de vraag-aanbodbalans in de praktijk kan verschillen van het moment van vaststellen van het omgevingsplan en het realisatiemoment van de ontwikkeling ontstaat er een risico.
De Omgevingswet gaat over beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Er zijn vijf typen maatschappelijke opgaven op het terrein van de fysieke leefomgeving waarvoor het Rijk regels stelt. Eén ervan is het cultureel erfgoed, een kwetsbaar belang, waarvoor in het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels zijn gesteld. De wettelijke grondslagen hiervoor in hoofdstuk 2 van de wet zien op het behoud van respectievelijk cultureel erfgoed en werelderfgoed. De verplichtingen houden met name verband met de verplichtingen uit het verdrag van Granada, het verdrag van Valletta en het werelderfgoedverdrag. De instructieregels zien behalve op het omgevingsplan op projectbesluiten.
Rekening houden met cultureel erfgoed
De instructieregel over het omgevingsplan met de formulering «rekening houden met» in dit besluit is – onder meer – een voortzetting van de Monumentenwet 1988, waarbij de reikwijdte is verbreed van alleen archeologie tot al het cultureel erfgoed dat onder de Omgevingswet valt. Dit naar analogie van de met de modernisering van de monumentenzorg (MoMo) doorgevoerde verbreding van de reikwijdte Het doel van deze instructieregel is om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het in het desbetreffende gebied aanwezige cultureel erfgoed en dit voldoende te beschermen. Het belang moet, naast andere belangen, uitdrukkelijk worden meegewogen bij het vaststellen van omgevingsplannen. Dat betekent dat het bevoegd gezag een analyse moet maken van het aanwezige cultureel erfgoed en de conclusies daarvan moet vertalen in het omgevingsplan. Het bevoegd gezag moet daartoe een toereikend beschermingsregime instellen. Daarbij kan de aanwezigheid van cultureel erfgoed van invloed zijn op onder meer de toedeling van functies aan locaties – bijvoorbeeld de keuze om geen parkeergarage toe te staan op een locatie met hoge archeologische waarden – of op de inhoud van in het omgevingsplan op te nemen beschermende regels of beoordelingsregels voor afwijkactiviteiten.
Ook kan cultureel erfgoed onderdeel zijn van een milieueffectrapport. Hiervoor gelden dan ook de specifieke mer-vereisten, wat ook leidt tot doorwerking in het omgevingsplan. Burgers en belangengroepen worden bij het vaststellen van een omgevingsplan al in een vroeg stadium betrokken. Dit is eveneens een verplichting die voortvloeit uit het verdrag van Granada. Het biedt burgers, ontwikkelaars en bevoegd gezag de mogelijkheid om vroegtijdig het gesprek aan te gaan over de aanwezige waarden. Dit kan onnodige vertraging in een later stadium van planvorming of uitvoering voorkomen.
Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de monumentenzorg al zoveel mogelijk gedecentraliseerd en is de regelgeving zoveel mogelijk vereenvoudigd. De formulering van de instructieregel is ‘rekening houden met’ . Dit betekent dat het bevoegd gezag het cultureel erfgoed zelf in beeld brengt. Dit kan door het opstellen van een cultuurhistorische waardenkaart, maar dat hoeft niet. De mate en wijze van bescherming betreft een discretionaire bevoegdheid, al worden rijksmonumenten van rijkswege beschermd en is de bescherming van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten ingekaderd door een instructiebesluit. Het rekening houden met cultureel erfgoed vertaalt zich over het algemeen in regels in het omgevingsplan, die ertoe kunnen leiden dat bepaalde activiteiten in het geheel niet kunnen plaatsvinden of dat activiteiten slechts onder beperkingen kunnen plaatsvinden. Die beperkingen kunnen in de vorm van voorschriften aan een in het omgevingsplan opgenomen omgevingsvergunning worden verbonden.
Internationaalrechtelijke verplichtingen
De ruimte voor gemeenten om zelf invulling te geven aan de wijze waarop het behoud van cultureel erfgoed wordt verankerd in het omgevingsplan laat onverlet dat zij – net als het Rijk, de provincies en de waterschappen – gehouden zijn uitvoering te geven aan de relevante internationale verdragen. Met de in de verdragen van Granada en Valletta en het werelderfgoedverdrag opgenomen verplichtingen en uitgangspunten moet rekening gehouden worden. Deze verdragen laten het aan de nationale wetgever over bij welke overheidslaag van de verdragsstaat de implementatie van de verdragsverplichtingen wordt belegd. Gelet op het gedecentraliseerde karakter van het wettelijke stelsel met betrekking tot de fysieke leefomgeving zijn de gemeenten voor veel verdragsverplichtingen de verantwoordelijke overheidslaag. Om deze verantwoordelijkheid nader te duiden en te concretiseren geeft artikel 5.130 van het Bkl enige sturing op het te betrekken belang zonder de beslisruimte van het bevoegd gezag aan te tasten. Zo verplicht het verdrag van Granada onder meer om te beschermen monumenten, stads- en dorpsgezichten («gebouwen die een architectonische eenheid vormen») en cultuurlandschappen («waardevolle gebieden») te inventariseren, passende beschermingsmaatregelen te treffen en in dat kader controle- en goedkeuringsprocedures in te richten. Die dienen onder meer betrekking te hebben op plannen tot wijziging of sloop van (onderdelen van) beschermd cultureel erfgoed of projecten waardoor de omgeving van beschermde monumenten wordt aangetast. Met het toedelen van de functie van gemeentelijk monument, (gemeentelijk) beschermd stads- of dorpsgezicht of cultuurlandschap voor bepaalde locaties in een omgevingsplan en passende regels, kunnen gemeenten dus voorzien in de uitvoering van het verdrag van Granada.
Kwaliteit
De Rijksdienst staat de restauratiesector bij in het uitwerken van normen om de kwaliteit van restauraties te borgen. Het behoud en de overdracht van vakkennis vormen onderdeel van dat project.
Het opzetten van een kennisinfrastructuur
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is binnen de monumentenzorg het kenniscentrum bij de rijksoverheid. Daarnaast zijn er nog veel instanties die kennis hebben van het erfgoed. Kennis op academisch niveau, vakinhoudelijke en operationele kennis en ervaring in de praktijk. De Rijksdienst heeft hierbij een stimulerende en verbindende rol.
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.
Opgaven
Er liggen de volgende grote opgaven voor het waterdomein:
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering
We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte.
Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen.
Inhoudelijke thema’s
Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van:
klimaatadaptatie;
waterveiligheid;
zoetwater en waterverdeling;
waterkwaliteit en natuur;
scheepvaart;
de functies van de rijkswateren.
Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij kijken we naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laten we de raakvlakken zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat ons nu en in de toekomst te wachten staat.
Wettelijke bijlagen bij het NWP
Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Deze zijn als wettelijke bijlagen opgenomen.
Op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden elke 6 jaar Stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’s) opgesteld voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems. Hierin staan de doelen, het waterkwaliteitsbeeld en de maatregelen om de waterkwaliteit verder te verbeteren.
Het Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) beschrijft de doelen en maatregelen van het overstromingsrisicobeheer in Nederland.
Het Programma Noordzee combineert onder meer de opgave voor windenergie op de Noordzee met natuurontwikkeling (vergroten biodiversiteit), duurzame visserij en ruimte voor de scheepvaart. Onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie worden maatregelen genomen om de milieutoestand van de Noordzee te verbeteren.
De kern van het Waterbeleid 21e eeuw is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Daarmee worden problemen in andere, lager gelegen gebieden voorkomen.
Het Waterbeleid 21e eeuw breekt met de traditie van zoveel mogelijk pompen en zo snel mogelijk lozen. De waterbeheerders hebben samen gekozen voor een drietrapsstrategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat. Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk afgevoerd wordt, maar dat het water zolang mogelijk wordt vastgehouden onder andere in de bodem. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen de waterbeheerders het in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Door het water zo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen De strategie vasthouden, bergen, afvoeren betekent ook dat het water meer dan nu de kans krijgt om langzaam in de grond te zakken. Zo bestrijden we het watertekort. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd.
In het kader van het actualiseren van omgevingsplannen betekent dit dat het aanbeveling verdient om ook in het bestaand stedelijk gebied ruimte te reserveren voor waterberging; bijvoorbeeld door deze mogelijkheid toe te voegen aan een bestemming 'Groen'.
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze nieuwe wet verving drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving. Het gaf invulling aan de decentralisatieafspraken die het Rijk met de provincies had gemaakt in het Bestuursakkoord natuur en in het Natuurpact. Het bracht ook vereenvoudiging ten opzichte van het bestaande stelsel, onder meer door een betere aansluiting op het Europese recht en op het omgevingsrecht. Slechts één wet en minder regels maakt de regelgeving omtrent natuurbescherming overzichtelijker en wordt het makkelijker om de wet toe te passen.
Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet (Ow). In hoofdstuk 4 Ow is geregeld dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de natuur. Hoofdstuk 5 Ow regelt de vergunningsplicht voor dit soort activiteiten. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) worden in aanvulling op de Omgevingswet de voor eenieder relevante regels opgenomen die bepalen of een activiteit met betrekking tot de natuur wel of niet vergunningplichtig is. Daarnaast worden in dat hoofdstuk algemene regels opgenomen waaraan eenieder moet voldoen: over jacht, over het bezit en gebruik van middelen voor het vangen of doden van dieren, over het bezit en verhandelen van exemplaren van beschermde soorten, over activiteiten die kunnen leiden tot verspreiding van invasieve exoten, over walvisvangst en over het vellen van houtopstanden. Voor de toegankelijkheid zijn de onderwerpen in dit hoofdstuk zoveel mogelijk op gelijke wijze en in dezelfde volgorde geclusterd als voorheen in de Wet natuurbescherming het geval was: gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden.
Rolverdeling Rijk, provincie en gemeente
De provincies bepalen wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De gemeenten komen, bij de uitvoering in beeld als de aanvrager van een natuurvergunning of -ontheffing wil aanhaken bij een door de gemeente te verlenen omgevingsvergunning;
Voor burgers en bedrijven is het belangrijk dat zij makkelijk en snel weten of een activiteit met mogelijke schade voor de natuur is toegestaan. Het blijft mogelijk om bij de provincie een aparte natuurvergunning aan te vragen.
Gebiedsbescherming
Wat betreft gebiedsbescherming verandert er voor Natura 2000 weinig. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is gebaseerd op internationale verplichtingen. Die veranderen niet en daarom zal vanaf 2024 op de dezelfde manier worden getoetst als nu het geval is.
Bescherming van dieren en planten
Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige diersoorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Onder de Omgevingswet geldt, net als onder de Natuurbeschermingswet een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat men werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.
Er wordt gewerkt met lijsten met beschermde soorten.
Bescherming van bosopstanden
De regels van de Natuurbeschermingswet zijn grotendeels onveranderd opgenomen in de Omgevingswet.
Jacht om schade te beperken
Er mag worden gejaagd wanneer dieren schade veroorzaken of om te beheren. Provincies, grondeigenaren, dieren- of natuurorganisaties en jagers maken samen vooraf een faunabeheerplan. Daarin staat op welke en op hoeveel dieren gejaagd mag worden. Na het jachtseizoen moeten de jagers volgens de nieuwe wet laten weten welke dieren zijn afgeschoten. Dit zorgt voor beter inzicht in de jacht.
Uitgangspunt van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Externe veiligheid krijgt daarom een belangrijke plaats het omgevingsplan. In dit plan stelt de gemeente regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling houdt ook in dat ze voldoende rekening houdt met het belang van een veilige leefomgeving. Het gaat daarbij om:
de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en
het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit.
Zelfredzaamheid
Bij de inrichting van een gebied houdt het bevoegd gezag rekening met onder meer zelfredzaamheid. Dit is het vermogen van mensen om zich in veiligheid te brengen in een gebied waar een ramp of zwaar ongeval optreedt. Ook houdt het bevoegd gezag rekening met de mogelijkheden tot hulpverlening. Hierbij gaat het om:
de toegankelijkheid van het gebied voor de hulpdiensten (brandweer, ambulance en politie)
de mogelijkheden voor de rampbestrijding (bestrijdbaarheid en bluswatervoorzieningen)
voldoende schuilmogelijkheden in de omgeving.
Vitale infrastructuur
Daarnaast houdt het bevoegd gezag rekening met de mogelijke effecten van een ramp of zwaar ongeval op vitale infrastructuur. Een ramp of zwaar ongeval kan er bijvoorbeeld toe leiden dat:
Andere effecten kunnen zijn dat een belangrijke verkeersader uitgeschakeld raakt of een gebied niet langer bereikbaar is voor mobiel telefoonverkeer. Die effecten op de infrastructuur leiden dan tot (verdere) maatschappelijke ontwrichting.
Drie categorieën gebouwen en locaties
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden:
zeer kwetsbaar zijn bijvoorbeeld basisscholen, kinderopvang, dagverblijven voor personen met een lichamelijke of geestelijke beperking;
kwetsbaar: zijn bv. Woon functies, kantoorfunctie, sportfunctie, evenement in open lucht voor min 5000 personen;
beperkt kwetsbaar zijn de overige gebouwen en locaties.
Plaatsgebonden risico
Gemeenten moeten op grond van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het omgevingsplan een grenswaarde in acht nemen voor het plaatsgebonden risico. In acht nemen van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico betekent dat de gemeente alleen van de grenswaarde mag afwijken onder de voorwaarden die in het Bkl staan.
Voor het toedelen van locaties voor zeer kwetsbare- en kwetsbare gebouwen en locaties geldt een plaatsgebonden risico van1 op 1.000.000 per jaar. (1 van de 1 miljoen personen overlijdt als gevolg van een ramp/ongeluk per jaar). De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. Zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit komen.
Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt dat met dit plaatsgebonden risico (PR- 10-6 contour) rekening moeten worden gehouden. Dit betekent dat een gemeente binnen de contouren van 1 op de miljoen die beperkt kwetsbare gebouwen alleen mogelijk kan maken na een belangenafweging en goede motivatie.
Aandachtsgebieden en groepsrisico
Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten.
Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden:
Binnen een aandachtsgebied moet de gemeente rekening houden met het groepsrisico. Ook gaat het om het afwegen van beschermende maatregelen voor mensen die in dat gebied wonen, werken of recreëren. De aandachtsgebieden gelden zodra de activiteit wordt verricht.
Het bevoegd gezag kan in een omgevingsplan een locatie waar een brand- of explosieaandachts-gebied geldt, aanwijzen als een brand- of explosievoorschriftengebied. Binnen de voorschriftengebieden gelden dan bouwvoorschriften voor nieuwe bouwwerken bovenop de standaard bouweisen. Het gaat daarbij om bouweisen die extra beschermen tegen de gevolgen van een van buiten komende brand of explosie. Deze extra bouweisen gelden dan alleen voor nieuwbouw.
Het aanwijzen van een voorschriftengebied is verplicht als op die locatie ook zeer kwetsbare gebouwen (zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven) zijn toegelaten.
Het werken met aandachtsgebieden is een andere manier van omgaan met het groepsrisico. De regels hiervoor staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regels over extra bouweisen bij nieuwbouw in een (brand- of explosie)voorschriftengebied staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Bal: algemene rijksregels voor milieubelastende activiteiten
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan maatregelen die een initiatiefnemer van een risicovolle milieubelastende activiteit moet toepassen. Het gaat om maatregelen voor activiteiten met gevaarlijke stoffen, met vuurwerk, met ontplofbare stoffen voor militair of civiel gebruik en om windturbines.
Bkl: beoordelingsregels vergunningen voor milieubelastende activiteiten
Een aantal risicovolle milieubelastende activiteiten is vergunningplichtig. Beoordelingsregels hiervoor staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het gaat bijvoorbeeld om regels voor de opslag van gevaarlijke stoffen en regels voor Seveso-inrichtingen.
Bijna alle activiteiten die mensen ondernemen hebben milieugevolgen. Voor activiteiten die nadelige milieugevolgen kunnen hebben, kan het vereist zijn dat een milieu-effectrapportage (m.e.r.) moet worden opgesteld. Het doel van de m.e.r. is dat het milieubelang volwaardig wordt meegewogen in de besluitvorming. De procedure voor de milieu-effectrapportage is geregeld in de Omgevingswet. De uitvoeringsregels staan in het Omgevingsbesluit.
In het Omgevingsbesluit (bijlage 5) wordt onderscheid gemaakt in de volgende typen m.e.r:
m.e.r.-plicht; bevat de projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
m.e.r.-beoordelingsplicht; bevat de projecten, waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Ook is in het Omgevingsbesluit vastgelegd op welke besluiten en plannen de mer van toepassing is.
In het geval dat sprake is van een plan of programma dat een kader vormt voor een MER-beoordelingsplichtig project of mer-plichtig project, waarin het gebruik van kleine gebieden op lokaal niveau wordt bepaald, of bij kleine wijzigingen van zo’n plan of programma, hoeft onder het stelsel van de Omgevingswet niet meteen een MER te worden gemaakt. Eerst moet worden beoordeeld of dat plan of programma belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.
Voor een plan of programma dat een kader vormt voor een project dat niet MER-plichtig of MER-beoordelingsplichtig is gold doorgaans geen plan-MER-plicht. De wetgever heeft onder de Omgevingswet voor deze gevallen toch een MER-beoordelingsplicht in het leven geroepen. Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal dus in deze gevallen moeten worden nagegaan of dat plan of programma vooralsnog belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben zodat een MER moet worden gemaakt.
In de Omgevingswet is bepaald dat de beschrijving van redelijke alternatieven voor een locatie of tracé in een project-MER niet nodig is wanneer die locatie of dat tracé al in een MER-plichtig plan of programma is aangewezen, en daarvoor ook al een MER is gemaakt.
Er geldt nog maar één procedure voor het project-MER. Het advies over reikwijdte en detailniveau als het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. is facultatief voor alle projecten.
Er is onder de Omgevingswet geen verplichting meer om van het voornemen van een plan, programma of project kennis te geven. Onder het nieuwe stelsel hoeft bij de voorbereiding van een plan, programma of besluit waarvoor een MER moet worden gemaakt alleen nog maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 Awb te worden gevolgd.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. We kennen nog maar één MER-beoordelingsprocedure.
Het resultaat en de motivering van de MER-beoordeling moeten in het (ontwerp)plan of (-)programma of in het (ontwerp)besluit worden opgenomen. Er hoeft geen aparte kennisgeving en terinzagelegging van het MER-beoordelingsbesluit plaats te vinden.
De omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie Gaaf Gelderland beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn. Deze zijn onderverdeeld in zeven thema’s, te weten energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.
Doelstellingen, ambitie en visie
De provincie verwoordt de doelstellingen, de ambitie en de visie als volgt:
Deze Omgevingsvisie gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar ‘Gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in onze Gelderse Omgevingsvisie. Wij benoemen wat voor ons van waarde is en wat we willen beschermen. En: we geven richting aan wat we willen en ook moeten veranderen en ontwikkelen. Zo kunnen we met overtuiging en in vertrouwen de provincie doorgegeven aan volgende generaties. Een Gelderland van en voor ons allemaal en voor de kinderen van de toekomst.
Willen we Gelderland in de toekomst ‘gaaf’ houden, dan moeten we daar nu wat voor doen. We staan voor stevige uitdagingen. De wereld verandert ingrijpend en snel. Er zijn grote, grensoverschrijdende ontwikkelingen die ook Gelderland raken. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, verdere verstedelijking in combinatie met krimp, toenemende mobiliteit op de weg en in de lucht, digitalisering, internationalisering. Uitdagingen die om antwoorden vragen. Daar hebben we elkaar voor nodig: inwoners, bedrijven, organisaties, overheden. De vraagstukken van nu zijn te groot en te ingewikkeld om los van elkaar aan te pakken. Niemand heeft de oplossing alleen in handen. Samen de krachten bundelen. Dat vraagt een andere rolinvulling, ook van ons. Steeds weer en meer samen met partners optrekken op basis van gelijkwaardigheid. En, waar dat kan en nodig is, het initiatief en de ruimte aan anderen laten. Of zelf de handschoen oppakken en doorpakken.
Om samen stappen te zetten, hebben we een gezamenlijke horizon nodig: een gedeeld vergezicht, een gedeelde ambitie dat dient als leidraad voor ons handelen. In onze Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ beschrijven wij dit vergezicht: het beeld op de toekomst. Dit beeld is het resultaat van vele vruchtbare gesprekken met partners: inwoners, ondernemers, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties, overheden. Een vergezicht dat het accent legt op wat wij samen belangrijk vinden. Een vergezicht dat tot de verbeelding spreekt en uitnodigt en aanspoort tot actie. En: dat ons helpt bij het gesprek over de keuzes die te maken zijn bij het vinden van concrete oplossingsrichtingen.
Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. Dat is het streven. Dat is waar wij aan willen werken. Dit doen wij door bij de uitoefening van onze taken de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – geven wij hier richting aan. En door vier 'spelregels’ of ‘DOE-principes’ – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geven we hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen wij werken en afwegingen maken.
Welke afwegingen we van geval tot geval maken? Graag nodigen wij u uit om met ons hierover in gesprek te gaan: over de keuzes die gemaakt moeten worden, de prioriteiten die we daarbij stellen en de acties die wij samen inzetten. En: om afspraken te maken en deze vast te leggen in uitvoeringsprogramma’s waar we samen – ieder vanuit zijn of haar kracht en verantwoordelijkheid – aan werken. Zo geven we invulling aan de Gelderse Omgevingsvisie en realiseren we ons wensbeeld. Als koersen wijzigen en droombeelden veranderen, dan gaan wij opnieuw met u in gesprek en passen desgewenst de Gelderse Omgevingsvisie aan. De weg naar de toekomst is immers geen rechte lijn. Maar het begin van de toekomst is nu!
Ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer
Een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving gaat sinds 2014 op in de Omgevingsvisie. Dit gaat over planfiguren voor ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Daarbij zijn gebieden en functies aangewezen. Deze blijven voortbestaan onder deze omgevingsvisie. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura-2000 gebieden en van bijzondere natuurgebieden. Andere kaarten en functiebeschrijvingen uit de oude Omgevingsvisie Gelderland hebben een uitvoerend of informerend karakter en worden daarom overgeheveld naar programma’s of andere beleidsdocumenten, zoals het Regionaal Waterprogramma, de Handreiking Plussenbeleid en de Beleidslijn Windenergie.
Ruimtelijk beleid
Al sinds 2014 is de ruimtelijke ontwikkeling van Gelderland een maatschappelijke opgave met verantwoordelijkheden voor overheden, organisaties en partners. De provincie draagt op een toekomstbestendige manier bij, met beleid dat een duurzame economische structuur in de provincie en regio’s versterkt en dat richting geeft aan de vestigingsmogelijkheden en milieugebruiksruimte voor bedrijven. Het provinciaal belang is gelegen in het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. Onze klimaatbestendigheid wordt vergroot, de mogelijkheden om zonne- en windenergie op te wekken zijn in kaart gebracht (zie themakaart) en onze natuur- en landschappelijke kwaliteit blijft behouden. De provincie zet zich in voor vitale steden en dorpen en voor een duurzame verstedelijking, gericht op versterking van de stedelijke netwerken, gecombineerd met aandacht voor de vitaliteit van kleine kernen en dorpen. De kwalitatieve regionale opgave voor wonen is van provinciaal belang, net als het belang dat bij locaties met een bovenlokaal ontwikkelpotentieel die potenties benut worden. Het beleid voorziet in provinciale kaders voor het terugdringen van leegstand en overcapaciteit in gemeentelijke plannen en voor zorgvuldige locatie-afwegingen op regionaal niveau, waarbij de ladder voor duurzame verstedelijking wordt ingezet. Voor wonen en werken geldt een regionale aanpak die gericht is op een gezonde en veilige woonomgeving, waarin mensen zich met elkaar verbonden voelen en die goed bereikbaar is en goede voorzieningen heeft. Voor ontwikkelingen in de niet grondgeboden landbouw hanteert de provincie het ‘plussenbeleid’. Daarmee geeft de provincie veehouders de ruimte om hun bedrijf te ontwikkelen, maar onder voorwaarden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en bij het beheer van terreinen wil de provincie dat aandacht wordt besteed aan onder andere het risico op natuurbranden.
Waterbeleid
De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden.
Milieubeleid
Een gezonde en veilige leefomgeving is de hoofdzaak van het milieubeleid. Dit vraagt om provinciaal beleid dat zorgt voor goede milieukwaliteit en veilige ruimtelijke keuzes. Gezondheidsschade, onacceptabele risico's en onaanvaardbare geur- en geluidhinder moeten worden voorkomen. Er wordt voldaan aan milieukwaliteitseisen. Spoedeisende bodemverontreiniging wordt gesaneerd. Ook is het van belang om op toekomstige ontwikkelingen te anticiperen, met name vanwege de energietransitie en klimaatverandering. Vooral in het stedelijk gebied kunnen de gevolgen hiervan van invloed zijn op de gezondheid. De provincie streeft naar een op gezondheid gericht benadering van de kwaliteit van de leefomgeving en het milieu.
Natuur- en landschapsbeleid
De provincie spant zich in voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten: dat zijn de natuurwaarden, de potentiële waarden en de omgevingscondities. Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Het uitgangspunt is dat in het GNN geen nieuwe initiatieven plaatsvinden, behalve ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor geen alternatieven bestaan. In de GO is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals de weidevogelgebieden en de rustgebieden voor winterganzen. De provincie treft maatregelen vanwege de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen, leefgebieden, een gunstige staat van instandhouding en het Natuurnetwerk Nederland. De provincie beschermt de achttien Natura2000 gebieden die in het GNN liggen. Verder richt het beleid zich op behoud van de basiskwaliteit van landschappen in Gelderland. Voor de landschappen van bovenregionale waarde geldt een beschermingsregiem met kernkwaliteiten en met een juridisch vangnet in de verordening, zodat de provincie in gesprek kan komen indien het provinciaal belang in het geding raakt.
Verkeers- en vervoerbeleid
De provincie streeft naar een veilige, betrouwbare en duurzame mobiliteit, als hoofdzaak van het verkeers- en vervoersbeleid. Dit wordt benaderd als een systeem waarin verschillende mobiliteitsnetwerken op elkaar inwerken, ook over provinciegrenzen heen, ter ondersteuning van een sterke economie, welvaart en welzijn. Hierbij houden wij rekening met de kwaliteit van de leefomgeving, de doorstroming binnen elk netwerk en verkeersveiligheid. De provincie heeft specifiek aandacht voor de wisselwerking en knooppunten in het systeem en gaat uit van drie principes: voorkomen, benutten en bouwen. Dit gebeurt op basis van een meerjaren-investeringsagenda en met een regionale aanpak. Via die aanpak wordt het provinciaal beleid afgestemd op het beleid van het rijk en de gemeenten. Het beleid richt zich ook op een goede regionale ontsluiting over water en ontwikkelingen van de luchtvaart.
De Omgevingsverordening is op 21 december 2022 door de Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld. Deze verordening vormt de juridische doorwerking van het beleid uit de Omgevingsvisie in regels en is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Hij is gericht op zowel het beschermen als het duurzaam benutten van deze leefomgeving in Gelderland. Telkens wordt er gelet op een goede balans tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijk maken van ontwikkelingen in een bepaald gebied binnen de provincie. Dit betekent dat voor vrijwel alle thema’s die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving instructieregels zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. De volgende instructieregels zijn opgenomen:
Als het gaat om de fysieke leefomgeving hebben de gemeenten in de Regio Achterhoek veel plannen op het gebied van wonen, infrastructuur, natuur, landbouw, recreatie, energieopwekking en bedrijven. Daarnaast moeten ze problemen oplossen op het gebied van stikstof, klimaat en de kwaliteit van de bodem en het watersysteem. Veel ruimtevragers zoals wonen, natuur en landbouw overlappen elkaar en onze ruimte is schaars. Daarom moeten slimme keuzes worden gemaakt voor de korte en lange termijn. Dat doen de regiogemeenten niet alleen maar samen met andere overheden. Die samenwerking is bijvoorbeeld gegoten in een regioarrangement. Dit is, naast het programma Vitaal landelijk gebied Gelderland één van de instrumenten om die uitwerkingen en keuzes voor te bereiden. Het regioarrangement is onderdeel van een langjarige samenwerking in de regio, tussen de regio- gemeenten, provincie, waterschap.
Citaat: ‘De Achterhoek is een uniek gebied. Sterke waarden zijn onze prachtige woon- en werkomgeving, de bloeiende en innovatieve economie en een cultuur van samenwerken en vertrouwen. Innoveren en experimenteren: we zijn er niet alleen goed in, het hoort bij ons. Dit laten we ook zien met onze unieke samenwerking, waarin maatschappelijke organisaties, ondernemers en overheden samen de koers bepalen. In een open bestuurscultuur en met respect voor elkaar benutten we elkaars netwerk en leren we van elkaar. Met één gezamenlijk doel: de Achterhoek als geheel verder brengen. In onze ambities en doelen leggen we hiervoor nadrukkelijk de verbinding met de Sustainable Development Goals en zijn we de eerste SDG-regio van Nederland. We werken integraal aan onze opgaven en ambities vanuit zes verschillende thema’s. Deze thema’s staan niet los van elkaar, maar beïnvloeden elkaar, grijpen op elkaar in en dragen in gezamenlijkheid bij aan brede welvaart. We richten ons daarbij niet alleen op technische, maar ook op sociale en maatschappelijke innovatie. Ook constateren we dat stad en landelijk gebied steeds meer verbonden raken met elkaar. De opgaven in het landelijk gebied en de grote ruimtelijke opgaven die we in Nederland en de Achterhoek hebben, vragen om een goede afweging, balans en samenwerking om de gewenste ontwikkelingen op de juiste plaatsen tot stand te brengen. Nederland heeft met de Achterhoek een regio waar alles samenkomt: een aantrekkelijk én duurzaam werk-, leer-, woon- en leefklimaat’.
Door de Kamer van Koophandel, MKB Nederland, Provincie Gelderland en de regio Achterhoek is een Regionale Detailhandelsvisie voor de Regio Achterhoek opgesteld. In deze visie staan, kijkend naar de huidige situatie, (toekomstige) ontwikkelingen en bestaande beleidsstukken, het toekomstbeeld van de winkelstructuur in de Achterhoek centraal. De visie maakt strategische keuzen en geeft beleidsstandpunten. Het beleid is gericht op optimalisering van de bestaande detailhandelsstructuur. De dynamiek in vraag en aanbod wordt ingezet in de bestaande winkelgebieden. De belangrijkste doelstellingen daarbij zijn: geen uitbreiding van het aantal detailhandelsconcentraties, voortzetten en versterken van de bestaande hiërarchie in de verzorgingsstructuur, versterking van de koppositie van de binnensteden van Doetinchem en Winterswijk t.o.v. Twente, KAN en Duitsland, compacte winkelcentra in een omgeving met hoge verblijfswaarde, regionale toetsing bij initiatieven met gemeenteoverschrijdende effecten, versterking van het bestaande woonthemacentrum in Doetinchem. Verder is er sprake van terughoudend beleid ten aanzien van perifere en grootschalige detailhandel, is flankerend beleid vanuit andere beleidssectoren noodzakelijk om de leefbaarheid van dorpen en kernen te stimuleren door behoud van voorzieningen, het bevorderen van samenwerking tussen recreatie/toerisme en detailhandel en is er geen plaats voor het realiseren van een Factory Outlet Center. Initiatieven in de regiogemeenten worden getoetst aan de regionale visie. Initiatieven met gemeente overschrijdende effecten worden ter toetsing aan de Regio Achterhoek voorgelegd. Er vindt periodiek regionaal overleg plaats.
De Provincie Gelderland streeft naar een evenwichtige voorraad van werklocaties die bijdraagt aaneen aantrekkelijk en duurzaam vestigingsklimaat. Om regionale economische ontwikkelingen op een adequate manier te kunnen faciliteren zijn voldoende werklocaties van de juiste kwaliteiten en op de juiste locaties gewenst. Om het lokale en regionale bedrijfsleven ook de komende jaren zo goed mogelijk te kunnen faciliteren, hebben de regio Achterhoek en de provincie Gelderland een analyse van vraag en aanbod op bedrijventerreinen in de Achterhoek laten uitvoeren.
Dit RPW voor de periode 2019 tot 2023 vormt het eindproduct van dit proces, waarin de zeven gemeenten in de Achterhoek, op basis van vraag-aanbodanalyses, onderling afspraken hebben gemaakt betreffende de bedrijventerreinenprogrammering in de regio.
De doelstelling van het RPW zijn:
Bijdragen aan economische ontwikkeling op de juiste locaties in de regio en het bevorderen van (de randvoorwaarden voor) werkgelegenheid.
Ruimte geven aan de ontwikkeling van lokale bedrijvigheid
Het versterken van de kwaliteit van bestaande bedrijventerreinen
Toelaten van nieuwe ontwikkelingen, waar dat nodig is
Bevorderen van regionale samenwerking omtrent het bedrijventerreinenbeleid
In dit RPW zijn de stappen uitgewerkt, die moeten leiden tot het behalen van deze doelstellingen. Daartoe zijn voorstellen gedaan, op basis waarvan de gemeenten in de Achterhoek en de Provincie Gelderland verder kunnen bouwen aan een kwalitatief sterke bedrijventerreinenvoorraad.
De drie stappen van het bedrijventerreinenbeleid
Het bedrijventerreinenbeleid in de Achterhoek wordt beschreven in de volgende drie stappen:
1. het op- en vaststellen van het RPW;
2. het planologisch regelen van (nieuwe) locaties, inclusief toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking;
3. het beoordelen van individuele initiatieven.
Dit RPW vormt het resultaat van stap 1. Hiervoor is een analyse gemaakt van de bedrijventerreinenmarkt in de Achterhoek. De analyse die ten grondslag ligt aan dit RPW is gebaseerd op de regionale doelstellingen die zijn beschreven in de Uitvoeringsagenda 2.0 Achterhoek 2020 en opvolger Achterhoek 2030. Hiermee werken de gemeenten in de Achterhoek zoveel mogelijk aan een integraal economisch beleid, waarbij over de grens van beleidsvelden wordt samengewerkt.
Aan de basis van het onderzoek ligt een analyse van het aanbod in de regio en een prognose van de ruimtevraag voor de periode 2019-2023 en de periode tot 2030. Vervolgens is door middel van een vraag-aanbodconfrontatie in beeld gebracht hoe vraag en aanbod in de regio zich verhouden. Dit is gedaan door zowel de vraag als het aanbod in te delen in werkmilieus. Op die manier is een duidelijk beeld ontstaan van op welke locaties en voor welk type bedrijvigheid knelpunten zijn of kunnen ontstaan, dus waar mogelijk nieuwe ontwikkelingen of herstructurering noodzakelijk zijn. De analyse is afgesloten met enkele aanbeveling. Deze aanbevelingen hebben vervolgens geleid tot afspraken per gemeente die zijn vastgelegd in de uitvoering van het RPW. In het afsluitende stroomschema is weergeven hoe de gemeenten gezamenlijk omgaan met nieuwe initiatieven.
Op 1 juli 2021 heeft de gemeenteraad van Bronckhorst de geactualiseerde regionale bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer vastgesteld. In deze bodemkwaliteitskaart is voor de hele regio Achterhoek aan de hand van beschikbare bodemonderzoeken opnieuw de (chemische) bodemkwaliteit doorgerekend. Hierbij is gebruik gemaakt van in de afgelopen jaren verzamelde gegevens over de bodemkwaliteit. Doordat er meer data beschikbaar en gebruikt is, is de betrouwbaarheid van de informatie op de kaarten verbeterd.
De grootste wijzigingen ten opzichte van de voorgaande bodemkwaliteitskaarten zijn:
Het uitbreiden van de regio Achterhoek met de gemeenten Lochem en Zutphen;
Een eenduidiger beleid voor grondverzet binnen de regio Achterhoek, door het hebben van één bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer voor de regio;
Toevoegen van PFAS aan het stoffenpakket. Door de bodemkwaliteitskaart uit te breiden met PFAS, kan meer grondverzet plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en is een partijkeuring niet altijd meer nodig. Dit bespaart geld en tijd.
De bodemkwaliteitskaart wordt met name ingezet voor het toepassen van grond. De regels voor het toepassen van grond zijn uitgewerkt in de bijbehorende nota bodembeheer. Het doel van de Nota bodembeheer is:
Het stellen van regels voor duurzaam en efficiënt hergebruik van vrijkomende grond in de regio;
Het verankeren van afspraken over grondverzet en hergebruik van grond.
Wanneer aan de regels van de beleidsnota wordt voldaan, mag grond zonder partijkeuring worden toegepast. Met de inzet van de kaart wordt hergebruik van kostbare grond gestimuleerd en wordt regionaal invulling gegeven aan verantwoord en duurzaam bodembeheer.
Met het vaststellen van de nota Bodembeheer wordt het volgende mogelijk gemaakt:
De gemeenten heeft de mogelijkheden om milieuvriendelijk beheer van de grondstromen, dat praktisch uitvoerbaar, milieu hygiënisch verantwoord en transparant is, te optimaliseren;
Meer grondstromen kunnen plaatsvinden zonder dat voorafgaand de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Voor de gemeenten en derden kunnen besparingen worden gerealiseerd in uitvoeringstijd en kosten;
Meer toepassingslocaties beschikbaar komen om vrijkomende grond milieuvriendelijk te hergebruiken;
Het gebruik en de aankoop van primaire én secundaire bouwstoffen (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank) wordt verminderd;
De druk op het wegennet, de uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof en het gebruik van energie wordt verminderd (grond hoeft minder ver te worden getransporteerd, geen extra productie door grondverwerker).
De acht samenwerkende Achterhoekse gemeenten, waaronder Bronckhorst, hebben de ambitie om de vrijetijdssector in de Achterhoek verder te ontwikkelen. Daarmee leveren we een belangrijke bijdrage aan de Achterhoekse economie en maatschappelijke opgaven, zoals instandhouding van voorzieningen, werkgelegenheid creëren en jongeren aan de Achterhoek binden. Om dat te realiseren zetten we de komende jaren in op de volgende speerpunten:
Speerpunt 1: Aanbodontwikkeling; de beleefbaarheid van de Achterhoek vergroten
De Achterhoekse vrijetijdssector is in ontwikkeling en de afgelopen jaren gegroeid. Er liggen kansen om te werken aan het onderscheidend vermogen van de Achterhoek en het realiseren van meer publiekstrekkers.Het gaat om het vraaggericht ontwikkelen van het aanbod. Meer diversiteit en highlights met een regionale impact zijn binnen dit speerpunt de belangrijkste kenmerken.
Speerpunt 2: Vitaliteit verblijfsrecreatie op peil houden en verbeteren
Uit onderzoek (najaar 2019) blijkt dat de verblijfsrecreatie sector in de Achterhoek tamelijk vitaal is. Om ook in de toekomst toeristen goed te ontvangen moeten we blijven investeren in aantrekkelijk en kwalitatief hoogwaardig aanbod. We zetten in op het transformeren of revitaliseren van bedrijven aan de onderkant van de markt en het vitaal houden, door o.a. ruimte te bieden om verder te groeien, van bedrijven die vooroplopen.
Speerpunt 3: Werken aan een onderscheidend profiel
De Achterhoek is een sterk merk met een hoge naamsbekendheid. Om het onderscheidend vermogen ten opzichte van voor de toerist vergelijkbare regio’s nog beter uit te dragen, zetten we in op het versterken van het Achterhoekse profiel voor de (inter)nationale gast.
Speerpunt 4: Gastvrijheid in de regio bevorderen
De Achterhoek staat bekend om haar unieke streekeigen kenmerken, zoals het noaberschap, de volksaard, de gastvrijheid, maar ook bescheidenheid. Om langer verblijf, spreiding en herhaalbezoek te stimuleren willen we gasten een unieke ervaring bieden. Daarom gaan we de gastvrijheid naar een hoger plan tillen, zowel qua hardware (goede informatiepunten) als software (gepersonaliseerde informatievoorziening).
Speerpunt 5: Positie vrijetijdssector versterken; verbindingen met andere sectoren intensiveren
De vrijetijdssector is minder goed in beeld door de regionale bestuursstructuur, waardoor directe toegang tot structurele financiële bijdrages ontbreekt. Een gemiste kans, want de vrijetijdssector staat niet op zichzelf, maar raakt ook andere thema’s, zoals food, klimaat, biodiversiteit, cultuur en erfgoed, natuur en landbouw. Daarom zetten wij in op een brede samenwerking. Samen kunnen we de integrale vraagstukken in de Achterhoek oppakken, zoals de (fijnmazige) bereikbaarheid, vitaliteit van vakantieparken, het vinden van geschikt personeel en verschraling van ons landschap.
Het Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) heeft op 7 mei 2013 de Watervisie 2030 vastgesteld.
Nederland is een delta. Zonder dijken, sloten, stuwen en gemalen, is Nederland grotendeels onbewoonbaar. Al in de middeleeuwen ontstonden er daardoor waterschappen die er voor zorgden dat het land niet om de haverklap overstroomde en het water op een gecontroleerde manier naar zee stroomde. Dat waterbeheer vraagt permanent onderhoud. WRIJ beheert het water in Noordoost Gelderland en een klein deel van Overijssel. Dat doet het WRIJ al meer dan 700 jaar. Daardoor konden steden groeien, werden gronden geschikt voor landbouw en is laatste halve eeuw ook de kwaliteit van het water sterk verbeterd.
Maar omstandigheden veranderen voortdurend. Zoals klimaatverandering en veranderende sociaaleconomische omstandigheden. Ook komen, dankzij steeds geavanceerdere computers, nieuwe technieken beschikbaar. WRIJ ziet deze veranderende omstandigheden als dé uitdagingen voor de toekomst, omdat deze de vorm en inhoud van het waterbeheer direct raken. Hoe gaat WRIJ daarmee om en wat betekenen deze voor het waterbeheer in deze regio?
Samen met andere overheden, bedrijven en kennisinstellingen werkt WRIJ aan de toekomst. De manier waarop deze dat wil doen, staat in de Watervisie 2030. Water is daarbij het verbindende element in die samenwerking.
Een multischalig waterschap
WRIJ is en blijft een regionaal werkende overheid die staat voor een deskundige en betrouwbare uitvoering van zijn taken. De samenwerking met medeoverheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties is uitgebouwd, om doelen beter te kunnen bereiken of om kosten te beheersen. Daarvoor kennen betrokken partijen elkaars doelen en belangen en wisselen deze die in regelmatige dialogen uit. Kostenstijgingen worden door WRIJ ook beperkt door slimmer of duurzamer te werken en door, waar dit verantwoord is, taken aan anderen over te laten. De uitvoering van de ene taak vergt een ander schaalniveau van samenwerken dan een andere taak, voor WRIJ geen doel, omdat de gebiedsnabijheid -het werken in en dichtbij de stroomgebieden- wordt gekoesterd. WRIJ toont meerwaarde door de kennis en ervaring als gebiedsbeheerder maximaal te benutten, zowel in de stroomgebieden als daarbuiten.
Hoogwaterveiligheid op niveau
Het doel is en blijft een robuuste en kosteneffectieve bescherming van de regio tegen hoogwater. De opgave om grotere hoeveelheden water veilig op de Rijn en IJssel te kunnen opvangen is aanzienlijk. De aanpassingen die daarvoor nodig zijn, heeft WRIJ in 2030 voor een deel uitgevoerd, samen met de partners in het nationale Deltaprogramma. Voor de rivierdijken worden verschillende beschermingsniveaus gehanteerd, omdat het ene gebied een hogere bescherming vraagt dan het andere gebied. WRIJ werkt met nieuwe soorten dijken en betrekt gebiedspartijen, andere overheden, ondernemers en burgers meer bij de bescherming van de binnendijkse gebieden.
Helder regionaal waterbeheer
In 2030 wordt het regionale watersysteem klimaatbestendig beheerd en onderhouden. We kennen de risico's op wateroverlast en weten in welke gebieden extreme buien en droogte negatieve gevolgen hebben. In samenwerking met agrariërs, terreinbeheerders en gemeenten werken we aan maatregelen om die extremen op te vangen. Ook werken we samen aan een verbeterslag in de waterkwaliteit. Waar er risico's en knelpunten blijven, geven we dit aan. Als gebiedsbeheerder hebben we nieuwe allianties met ondernemers en burgers en stimuleren we hen om van de stroomgebieden een verdienlandschap te maken: een gebied waar economisch gewin en waterbeheer hand in hand gaan.
Stoffen winnen uit de waterketen
In 2030 blijft het zuiveren van afvalwater met oog op de volksgezondheid de belangrijkste taak. Op basis van de modernste zuiveringstechnieken halen we schadelijke stoffen uit het water, voordat dit teruggaat in het milieu of verder wordt benut. De meeste zuiveringsinstallaties draaien in 2030 op energie die uit het afvalwater wordt opgewekt. Ook in het regionale watersysteem zijn kansen op we er zoveel mogelijk uit en deze worden opnieuw gebruikt. We stimuleren het scheiden van schadelijke stoffen aan de bron. De partners in de hele waterketen werken nauw samen in gebiedsverbanden, die zijn afgestemd op de kansen en mogelijkheden in het betreffende gebied.
Het Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) heeft op 13 januari 2022 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld.
Aanleiding
Het waterbeheerprogramma (WBP) is een belangrijk instrument, waarmee WRIJ aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn. De sturende werking ervan wordt mede bepaald door de mate waarin doelen en maatregelen geconcretiseerd worden. Voor het overgrote deel zijn de langetermijndoelen voor de beleidsthema’s al vastgesteld; het WBP geeft aan hoe WRIJ in de planperiode met deze doelen aan de gang gaat en waar WRIJ in 2027 denkt te staan. Gedurende de looptijd van het WBP kan/zal tussentijds bepaald worden of er aanleiding is het WBP te actualiseren; dit is aan de orde als koers of de kaders significant wijzigen.
WRIJ in uw omgeving
WRIJ zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt WRIJ bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet WRIJ door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en stevige dijken. WRIJ doet dit met diepgewortelde vaken gebiedskennis en verbinden beleid én uitvoering. WRIJ werkt met een ondernemende houding, gericht op maatschappelijk toegevoegde waarde, in samenwerking met de partners en inwoners in de Achterhoek, de Liemers en Overijssel, wendbaar en gebied-nabij. De beleidsdoelen worden in samenwerking met netwerkpartners opgesteld (open planvorming) en gebiedsgericht vertaald naar haalbare wateropgaven en programmaopdrachten (gebiedsprocessen). De programmaopdrachten worden in samenwerking met de betrokkenen in het gebied doorgezet naar uitvoering (co-creatie).
Wat komt er op ons af?
De wereld om ons heen is blijvend in verandering en die veranderingen lijken ook steeds sneller te gaan. Toenemende risico’s met betrekking tot droogte en wateroverlast, een groeiende vraag naar woningen, de natuur- en milieuopgaven zoals stikstofdepositie, maar ook de nieuwe mogelijkheden met onder andere informatietechnologie zien wij op ons afkomen. WRIJ zien dat de samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vragen om nauwe samenwerking met onze partners (zoals gemeenten en provincies), inwoners en bedrijven. Het betreft het samenwerken aan wateropgaven die WRIJ nu in beeld heeft en wateropgaven die de komende periode nog worden uitgewerkt. Hoe WRIJ dat de komende zes jaar wil gaan doen samen met de omgeving, dat wordt beschreven in dit WBP.
Wat gaat WRIJ doen in de periode tot aan 2027?
Ondanks dat er veel verandert in en rond het water, blijven de kerntaken van WRIJ in ieder geval:
het peilbeheer van grond- en oppervlaktewater
het onderhouden en beheren van de waterkeringen en watergangen
het transporteren en zuiveren van afvalwater
het verbeteren van de waterkwaliteit
de vergunningverlening, toezicht en handhaving.
Daarbovenop is voor de periode 2022-2027 als belangrijkste speerpunt de opgave om het gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt WRIJ toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. Er wordt gebiedsbreed geïnvesterd in een toename van de veerkracht, anticiperend op de nieuwe inzichten over de snelheid van klimaatverandering richting 2050. Hiervoor gaat WRIJ het volgende doen:
Integrale aanpak, samen met omgevingspartners, om te komen tot een nieuwe inrichting, zowel van het watersysteem als het gebied/gebruik, landelijk en stedelijk.
Voorraadbeheer actief oppakken op Achterhoeks plateau en verder brengen in de Landgoederenzone Baakse Beek (mogelijk verbreden), o.a. drainagebasis groter gebied omhoog.
Gebiedsbrede aanpak stedelijk gebied (programmatisch).
Intensiveren inzet van de voorbereidende trajecten (verkenningen, inrichten processen) voor structurele/integrale/brede systeem- en gebiedsaanpassingen.
Intensiveren no-regret in het gehele gebied; sneller, op eigen initiatief en breder ‘elke druppel de grond in’.
Agenderende rol richting omgevingspartners bij benoemen complexe keuzes om transities watersysteem te realiseren.
Verbreden aanpak focusgebieden: gebiedsbrede aanpak in lopende (of extra) gebieden vanuit thema’s Gezonde Leefomgeving & Klimaatrobuust Gebied samen.
Kwaliteitsverbetering stedelijk water door andere inrichting van de openbare ruimte.
Water op Maat: realisatie van hergebruik effluent bij de 4 KRW-rioolwaterzuiveringen.
Voor dit WBP heeft WRIJ diens werkzaamheden weergegeven in onderstaande vier thema’s.
Klimaatrobuust gebied
De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit doet WRIJ in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Veilig gebied
De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in het gebied. WRIJ zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst, door dagelijks beheer van keringen en door continu inzicht in de keringen. WRIJ voert het beheer op een duurzame wijze uit en werkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar wordt ingespeeld op ontwikkelingen. Daarnaast heeft WRIJ een sterke adviesrol in de ruimtelijke ordening en zijn is het een sterke partner in de calamiteitenbestrijding.
Circulaire Economie en Energietransitie
WRIJ wil in het uitvoeren van de primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil WRIJ in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd. Hiervoor moeten zoveel mogelijk de grondstofbehoefte worden beperkt en ervoor worden gezorgd dat er geen sprake is van waardevermindering van grondstoffen. De afvalstromen moeten zo klein mogelijk zijn. En bovenal: WRIJ moet met diens werkwijze zorgen voor 95% minder emissie van broeikasgassen.
Gezonde leefomgeving
WRIJ zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het streven is naar dat water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. WRIJ verwacht met deze plannen de woon-, werk- en leefomgeving van de Achterhoek, Liemers en Overijssel nog toekomstbestendiger te maken.
De waterschapsverordening is de verordening op grond van de Omgevingswet, waarin vrijwel alle regels over de fysieke leefomgeving van het waterschap zijn opgenomen. Vrijwel alle regels, omdat enkele onderwerpen op grond van artikel 2.2 van het Omgevingsbesluit buiten de waterschapsverordening moeten blijven. Dat betreft bijvoorbeeld regels over onderhoudsplichten waarvoor de onderhoudslegger op grond van de Waterschapswet blijft bestaan.
De waterschapsverordening bestaat uit regels over activiteiten van burgers, bedrijven en mede-overheden die van invloed zijn op het watersysteem, de waterveiligheid en de zuiveringtechnische werken (rioolwaterzuiveringsinstallaties, RWZI). Voor de opbouw van de waterschapsverordening is daarom gekozen naar een indeling in de verschillende soorten activiteiten.
Hoofdstuk 2 van deze waterschapsverordening bevat alle regels over activiteiten bij waterstaatswerken, zoals oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen. Dit zijn regels over bijvoorbeeld het aanleggen van bruggen of steigers bij oppervlaktewaterlichamen, het aanleggen van kabels bij waterkeringen of het lozen van water in of onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam.
Hoofdstuk 3 gaat over activiteiten met betrekking tot grondwater. Daarbij kan gedacht worden aan grondwateronttrekkingen voor bijvoorbeeld beregening, veedrenking of bronneringen, maar ook het infiltreren van water in de bodem en het aanbrengen van drainage.
Hoofdstuk 4 bevat de regels over het aansluiten van de gemeentelijke riolering op de RWZI.
In de hoofdstukken 5, 6 en 7 zijn de voormalige rijksregels opgenomen (bruidsschat) die niet terugkomen onder de Omgevingswet. Het betreffen regels over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of de RWZI, het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem in samenhang met dergelijke onttrekkingen, en het onttrekken van oppervlaktewater) en regels voor activiteiten bij oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen, zoals bruggen en kabels.
Er is een grote behoefte aan extra woningen om te voorzien in het aanzienlijke tekort. In het nationale programma is daarom vastgelegd dat er op de schaal van heel Nederland 900.000 woningen moeten worden bijgebouwd. Omdat er vooral behoefte is aan betaalbare woningen, moet 2/3e van de te bouwen woningen behoren tot de categorie betaalbaar. Betaalbare koopwoningen zijn volgens het programma woningen tot de grens van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG); dit was € 355.000. In 2023 wordt de link met de NHG-grens losgelaten en het bedrag niet verder geïndexeerd. Betaalbare huurwoningen zijn de sociale huurwoningen en midden-huurwoningen tot € 1.000 per maand. Onderdeel van de woondeal is dat in ieder geval moet 28% van alle te realiseren woningen een sociale huurwoning is. Dit komt neer op 250.000 sociale huurwoningen op de schaal van Nederland.
De minister heeft de regie voor het sluiten van woondeals neergelegd bij de provincies. Op 13 oktober 2022 heeft de provincie Gelderland een bod tot het realiseren van 100.000 woningen in de hele provincie uitgebracht aan het ministerie van Binnenlandse Zaken.
Woonagenda en woondeal
Vanaf het voorjaar van 2022 is op het niveau van de regio 8RHK veelvuldig overleg
gevoerd met de provincie om te komen tot afspraken voor de Achterhoek. Dit heeft
geresulteerd in een woondeal waar partijen zich in kunnen vinden.
De belangrijkste afspraken uit de Achterhoekse woondeal zijn:
Er worden in ieder geval 8.390 woningen in de Achterhoek gebouwd tot en met 2030, met daarbij ruimte om adaptief te programmeren tot ca. 11.500 woningen (totale ambitie van de Achterhoekse gemeenten).
60 procent van de te realiseren woningen vallen in de betaalbare categorie, 28 procent in de sociale huur en 32 procent in de betaalbare koop.
De Achterhoekse woningcorporaties zetten zich in voor de realisatie van 2.331 woningen, waarvan 105 in de middenhuur.
In de gemeente Bronckhorst worden minimaal 1.000 woningen gebouwd tot en met 2030.
We gaan uit van een benodigde plancapaciteit van minimaal 130%.
Om deze doelen te behalen, dient een aantal randvoorwaarden geborgd te zijn. Daarbij gaat het om: financiering van onrendabele toppen, investering in bereikbaarheid, voldoende ambtelijke capaciteit en stikstofruimte. Over deze voorwaarden zijn we als regio nog in gesprek met de Provincie en het Rijk. In regionaal verband wordt er gewerkt aan een goed woonklimaat in de Achterhoek, in samenwerking met de provincie Gelderland. Sinds 2019 gebeurt dit onder de vlag van de “8RHK Ambassadeurs”.
Het Rijk heeft eind 2023 met alle provincies afspraken gemaakt over hoe wij opgaven op het gebied van wonen, bereikbaarheid, energie, economie, landbouw en natuur, goed ruimtelijk kunnen inpassen. Het Rijk vraagt hiervoor een ruimtelijk voorstel van de provincie. De provincie Gelderland heeft besloten haar ruimtelijk voorstel vanuit haar zeven regio’s op te bouwen op basis van een regioarrangement per regio. Eén van de regio’s is de Achterhoek.
In het regioarrangement maken we als provincie, regio, gemeenten en waterschap afspraken over het gezamenlijk perspectief voor hoe we al deze opgaven in samenhang aanpakken voor de komende 20 tot 30 jaar. Een regioarrangement is een dynamisch document dat minimaal eens in de twee jaar bijgesteld zal worden. Dit arrangement bundelt de verschillende bestuurlijke krachten en middelen worden op een passende wijze gealloceerd om tot een effectieve integrale realisatie van de verschillende opgaven te komen.
In hoofdstuk 5 van het Regioarrangement staan de hoofdopgaven voor de Achterhoek beschreven die vragen om een gezamenlijke uitwerking en aanpak.
Overkoepelend: leefbare gemeenschappen en sterke landschappen met 7 speerpunten:
Naar een klimaatbestendige regio
Aantrekkelijke woonomgeving met passende voorzieningen
Een toekomstbestendige landbouw
Slim bereikbare regio
Duurzaam economisch perspectief
Meer Duurzame energie
Versterking (cultuur) landschap Achterhoek en recreatie
De opgaven hebben reikwijdte tot over de gemeentegrenzen. Het Regioarrangement beschrijft de ambities, doelen en opgaven voor de leefomgeving rondom de drie perspectieven;
Perspectief natuur en landbouw,
Ordenende netwerken mobiliteit, energie en (circulaire) economie en
Leefbare steden en regio’s.
De opgaven binnen deze perspectieven kunnen zowel qua schaalgrootte als qua complexiteit niet door de afzonderlijke gemeenten alleen opgepakt worden.
De wijze waarop uitvoering aan deze opgaven wordt gegeven kan per opgave verschillen. Een gezamenlijke uitwerking via een integrale gebiedsgerichte aanpak leggen we vast met/in het regioarrangement.
De Omgevingsvisie Bronckhorst 2035 is op 24 februari 2022 vastgesteld. De kern van de visie is:
Bronckhorst twee keer zo mooi
Onze karakteristieke gemeenschappen en landschappen staan er in 2035 nóg beter voor. En hoe ziet het er dan uit in 2035?
Onze dorpen en buurtschappen ontwikkelen zich, elk op hun eigen manier. Passend bij hun karakter en identiteit. Alle inwoners doen mee en dragen bij aan hun gemeenschap. Activiteiten, cultuur en tradities floreren.
Er is ruimte om te ondernemen voor onze toonaangevende, technologische en ambachtelijke ondernemingen. Bronckhorst staat op de kaart als ontwikkelaar van gezonde en innovatieve agrofood producten. De banen die onze ondernemers creëren zorgen voor interessant en passend werk. Er zijn voldoende woningen om in de eigen gemeenschap te blijven wonen. In de dorpen of binnen 20 minuten fietsen vinden we de basisvoorzieningen om prettig te leven. Onze leefomgeving stimuleert meedoen, bewegen en ontmoeten.
Inwoners en bezoekers genieten van prachtige, veelzijdige landschappen. Kenmerkende groenstructuren, bomen, andere landschapselementen en ons rijke erfgoed zijn verder versterkt. Het natuurlijke systeem is op orde en veerkrachtig. De kwaliteit van bodem, water en lucht zijn goed en het landschap is in staat de effecten van het veranderende klimaat op te vangen. Boeren voeren er een gezonde bedrijfsvoering met zorg voor de omgeving en oog voor dierenwelzijn.
Zo gaven we invulling aan de vele opgaven die de komende vijftien jaar op ons afkomen. Bronckhorst zal veranderen. Er komen woningen, bedrijven en locaties voor de opwek van hernieuwbare energie. Gemeenschappen en landschappen veranderen mee, zoals ze al eeuwen mee veranderen. En zo wordt Bronckhorst de komende jaren alles bij elkaar twee keer zo mooi. Deze bovenstaande ambities vertaalden we in concrete doelen voor 2035. Deze doelen helpen ons bij het formuleren van concrete acties. En het al dan niet ondersteunen van initiatieven van inwoners. We monitoren de komende jaren in hoeverre we deze doelen bereiken en of we eventueel moeten bijsturen met nieuwe acties.
Woonvisie
Op 18 juli 2019 heeft de raad van Bronckhorst de lokale woonvisie 'Ruimte voor wonen in Bronckhorst 2019-2025 vastgesteld. Op 27 mei 2021 heeft de raad ingestemd met de actualisatie van de woonvisie.
Woningbouwambitie
Op 27 januari 2022 heeft de raad de woningbouwambitie vastgesteld op het toevoegen van 1.700 tot 2.200 woningen.
Er is extra woningbouw nodig o.a. vanwege:
Gezinsverdunning zet door: groeiend aantal (kleinere) huishoudens
Meer vestiging dan vertrek: positief migratiesaldo
Arbeidsmarkttekort loopt op: noodzaak om nieuwe arbeidskrachten aan te trekken en te huisvesten
Blijvende wens en behoefte starters en (jonge) gezinnen om terug te keren naar waar men vandaan komt. Dit is ook belangrijk voor de leefbaarheid en een gezonde bevolkingsopbouw.
Nieuwbouw blijft altijd nodig voor vernieuwing en verduurzaming van de woningvoorraad en het creëren van doorstroming.
We programmeren adaptief om in te kunnen spelen op nieuwe woningmarktontwikkelingen.
Woningbouw realiseren we in de volgende categorieën:
Woningbouw is mogelijk in alle kernen, naar de maat en behoefte van de kern (door inbreiding en transformatie);
Uitbreidingslocaties in Hengelo, Hummelo (verdeeld over dorp), Vorden, Steenderen, Zelhem;
Wonen in het buitengebied, door woningsplitsing en het mogelijk maken van wonen op locaties van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB);
Woningbouw op gemeentelijke locaties, inzet van gemeentelijke locaties voor woningbouw in diverse kernen;
Wonen door het inzetten en toevoegen van flexwoningen.
Uitbreidingslocaties woningbouw
Om mede invulling te geven aan de woningbouwambitie heeft het college op 1 februari 2022 een aantal uitbreidingslocaties vastgesteld. Naast inbreiding en transformatie hebben we aanvullend een aantal uitbreidingslocaties nodig voor de woningbehoefte in onze gemeente.
Overige informatie
Woningsplitsing
In het verleden was het gebruikelijk dat meerdere generaties samenwoonden onder één dak of op een erf. Op dit moment leeft er onder een deel van de inwoners (met name in het buitengebied) nog steeds deze behoefte. Redenen kunnen bijvoorbeeld zijn dat kinderen voor hun ouders zorgen of om het voor jongere generaties financieel mogelijk te maken om in het buitengebied te (blijven) wonen. Het hoeft niet altijd te gaan om familiaire verbanden, maar vaak is dit wel het geval. We willen de kernen en het buitengebied nu en in de toekomst leefbaar houden en hebben het naoberschap hoog in het vaandel staan. Daarom bieden we ruimte aan het splitsen van woningen, zowel binnen de bebouwde kom als daarbuiten.
Uitgangspunt is dat met de extra gecreëerde woning voorziet in de behoefte van een van de prioritaire doelgroepen.
Recreatie woningen
Permanente bewoning van recreatiewoningen is niet toegestaan. In specifieke gevallen is tijdelijke bewoning onder voorwaarden wel toegestaan. Zowel in geval van calamiteiten, verbouw, verhuizing en echtscheiding geldt dat er een tijdelijke vergunning kan worden afgegeven voor maximaal 1 jaar die niet kan worden verlengd. Dit geldt alleen voor huidige of toekomstige inwoners.
Mantelzorgwoningen
Onder bepaalde voorwaarden kan vergunning vrij een tijdelijke mantelzorgwoning worden gebouwd. Dit kan zowel in de bestaande woning als in een aangebouwd of vrijstaand bijgebouw. De mantelzorgwoning kan worden bewoond door degene die zorg nodig heeft, maar ook door de degene die zorg verleent. Er moet sprake zijn van een mantelzorgsituatie en sociale relatie. Wanneer de mantelzorgsituatie eindigt, dan dient de woning weer ontmanteld te worden. Het uiteindelijke besluit om een mantelzorgwoning toe te kennen, ligt bij de sociaalconsulent in overleg met de vergunningverlener.
Vrijkomende agrarische bebouwing – wonen in buitengebied
In februari 2022 is door de raad het beleid vastgesteld.
Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) is mogelijk. Dit een vorm van sociale projectontwikkeling waarbij toekomstige bewoners gezamenlijk opdrachtgever zijn voor hun eigen nieuwbouwproject. Woningzoekenden aangegeven graag via (collectief) particulier opdrachtgeverschap woningen te willen realiseren op gemeentelijke locaties. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat ook particuliere woninglocaties ontwikkeld worden via (collectief) particulier opdrachtgeverschap. Gezien de huidige behoefte van onze inwoners om zelf aan de slag te gaan met woningbouw gaan we CPO als instrument structureel inzetten om woningbouw te realiseren en is CPO daarom onderdeel van ons woonbeleid.
Net als de rest van Nederland heeft Bronckhorst te maken met een ouder wordende bevolking, die steeds langer vitaal blijft en zelfstandig blijft wonen. Op dit moment is ongeveer een derde van de inwoners 65-plus. De piek van de vergrijzing (hoog aandeel ouderen) zal tussen 2030 en 2040 zijn.
Langer zelfstandig thuis wonen
Een groot deel van de mensen wil niet verhuizen, tenzij het echt niet meer gaat. Men is tevreden met de eigen woning en vindt deze geschikt om in te blijven wonen. Daarnaast ervaren veel mensen een sterke sociale binding met de buurt waar ze wonen. Ook technologische ontwikkelingen maken het langer zelfstandig thuis wonen soms makkelijker. Zo kan onder andere door de aanleg van breedband meer zorg op afstand worden geleverd.
Vraag-aanbod woonzorg
Tegelijkertijd is er ook een groeiende groep ouderen met een zorgvraag die niet in de thuissituatie opgevangen kan worden. Uit onderzoek blijkt dat het tekort aan intramurale plaatsen voor ouderen oploopt. Met name het aantal mensen met dementie neemt naar verwachting fors toe. Ook wordt er op korte termijn een tekort verwacht aan geschikte plekken voor mensen met een verstandelijke beperking (VG) of psychiatrische problematiek (GGZ). Het gaat hier zowel om intramurale plekken als om geclusterde woonplekken voor begeleid wonen. Verwacht wordt dat de behoefte aan deze plekken (voor VG en GGZ) op langere termijn afneemt. Landelijk beleid is er op gericht om mensen zo kort mogelijk in een beschermde of beschutte woonvoorziening te laten verblijven en zo snel mogelijk zelfstandig of begeleid te laten wonen. Veel mensen stromen dan door naar reguliere (huur)woningen. Er worden (regionale) afspraken gemaakt met de Achterhoekse gemeenten, zorgpartijen en woningcorporaties.
Kijkend naar het woonzorgaanbod, zien we enerzijds een trend dat zorg steeds meer geclusterd wordt in de grootschalige instellingen. Zorgpartijen geven aan dat er een minimale omvang nodig is om de voorziening voor hun rendabel te maken. Anderzijds zien we in de samenleving een toenemende behoefte aan kleinschalige woonvormen of vormen van groepswonen waar (indien nodig) zorg kan worden geleverd. Hier gaat het vaak om mensen die nog geen zware (intramurale) zorg nodig hebben, maar die wel behoefte hebben aan ontmoeting en/of ondersteuning. Hierbij kan ook sprake zijn van een mantelzorgsituatie.
Hoewel een groot deel van de (vitale) ouderen niet wil verhuizen en de meeste woningen levensloopgeschikt te maken zijn, is er ook een deel dat wel graag wil doorstromen naar een andere woning. De voorkeur gaat vaak uit naar een kleinere betaalbare grondgebonden woning met tuin (koop of huur) in een van de grotere kernen (dichtbij voorzieningen). Op dit moment ervaart een deel van de ouderen dat er niet genoeg aanbod is dat past bij hun specifieke woonwensen.
Bronckhorst staat voor grote opgaven waarvoor in de fysieke leefomgeving oplossingen moeten worden gevonden. Hierbij valt te denken aan de energietransitie, economie, klimaatadaptatie, voldoende betaalbare woningen, water vasthouden, behoud monumenten, stikstofdepositie en landschappelijke inpassing. Grondbeleid is één van de middelen om de beleidsdoelen van de gemeente te realiseren. Grondbeleid is nooit een doel op zich. Daarbij worden gemeentelijke kosten maximaal verhaald, maar hoeft er geen geld aan verdiend te worden. Er staat immers ook maatschappelijk rendement tegenover in de vorm van een verbetering van de leefomgeving. Grondbeleid kan bij dit alles als vliegwiel fungeren.
In de Nota Grondbeleid wordt uitgegaan van sturend grondbeleid: Door de tijdige en optimale inzet van beschikbare grondbeleidsinstrumenten, toegespitst op de specifieke locatie en situatie, leidt dit tot de tijdige bestuurlijk gewenste verandering in het ruimtelijk grondgebruik. De gemeente heeft daarmee de regie over de gewenste ontwikkeling (de gemeente stuurt en geeft richting aan). Daarbij wordt actief (en ook proactief) gebruik gemaakt van die beschikbare instrumenten die op de meest efficiënte en effectieve wijze de ontwikkeling tot stand kunnen brengen. Sturend grondbeleid betekent niet dat primair actief grondbeleid wordt toegepast, maar het sluit het ook zeker niet uit. Gevolg hiervan is dat de verhouding en wijze van samenwerken met marktpartijen per locatie wezenlijk kan verschillen. In alle gevallen houdt de gemeente de regie over het gewenste resultaat van de ontwikkeling.
Met het kiezen voor sturend grondbeleid worden de nadelen van actief grondbeleid (bijv. financiële risico’s) en faciliterend grondbeleid (bijv. te weinig regie) voor een belangrijk deel opgelost. Sturend grondbeleid stelt het beleidsdoel en de regie op het realiseren daarvan voorop en daar worden de meest effectieve instrumenten van grondbeleid voor toegepast.
Regie voeren op het realiseren van beleidsdoelen betekent dat soms op onverwachte momenten zich kansen voordoen en dat daar snel op gereageerd moet worden. Daarbij kan gedacht worden aan het onder gunstige voorwaarden kunnen kopen van een stuk grond dat in de toekomst als ruilgrond kan dienen of in de toekomst voor bijvoorbeeld woningbouw of natuurontwikkeling kan worden ingezet. Om deze reden is het college van B & W tot een zeker bedrag gemandateerd om zonder raadsbesluit strategische grond en/of opstallen te kunnen kopen.
In grote lijnen zijn de belangrijkste instrumenten van grondbeleid:
Grondverwerving (en exploitatie) door minnelijke aankoop of door onteigening waarbij ook een voorkeursrecht gevestigd kan worden.
Gronduitgifte en alles wat daarbij hoort, zoals bewoningsplicht, differentiëren in grondprijzen etc.
Gebruik maken van publiekrechtelijke juridische instrumenten zoals bestemmingsplan, exploitatieplan en omgevingsplan.
Gebruik maken van privaatrechtelijke instrumenten zoals een anterieure overeenkomst of andere vormen van overeenkomsten zoals een samenwerkingsovereenkomst
Om optimaal te kunnen sturen en het maatschappelijk rendement te kunnen realiseren wordt op voorhand geen instrumenten uitgesloten.
Verspreid in het buitengebied van Bronckhorst ligt een groot aantal niet-agrarische bedrijven, welke in het omgevingsplan Landelijk gebied Bronckhorst de bestemming ‘Bedrijf’ hebben gekregen.
Vanuit de gedachte dat bedrijfsuitbreiding kan leiden tot aantasting van de ruimtelijke kwaliteit op locatie, is medewerking aan uitbreiding denkbaar als elders dit verlies in kwaliteit wordt gecompenseerd. Deze nota geeft daarvoor handvatten. Het is een flexibele regeling. Eén waarmee verzoeken om bedrijfsuitbreiding uniform kunnen worden beoordeeld. En met gebruikmaking van een evenwichtige verevening in de vorm van sloop en/of landschappelijke inpassing. Dit beleid, sinds half 2019 in werking, zoekt de balans tussen ruimte voor ondernemerschap en het versterken van landschap en natuur. De sloopvereiste is gekoppeld aan het type / soort bedrijfsuitbreiding, de omvang van de uitbreiding, de mate van gebiedsgebondenheid en de ligging in het buitengebied van Bronckhorst . Daarmee streven we naar bedrijvigheid passend in het landschap.
Het beleid geeft antwoord op de volgende vragen: Welke aard bedrijvigheid is passend in het buitengebied? Welke omvang is nog passend voor het buitengebied? Verbreding van het takenpakket leidt soms binnen het bedrijf tot verschuiving van het gebiedsgebonden karakter. In hoeverre is dit acceptabel? Maar ook worden kaders aangegeven: tot hoever kan worden uitgebreid, op welke bedrijfsonderdeel en vooral welke sloopopgave en/of landschappelijke inpassing wordt gevraagd.
Een verzoek om uitbreiding wordt eerst getoetst aan de Ladder van duurzame verstedelijking, de provinciale verordening (met name van belang met betrekking tot GNN en GO) en de landschapsontwikkelingsvisie van de gemeente Bronckhorst-Lochem-Zutphen uit 2009 (LOP). De bedrijfslocaties zijn gelegen in bepaalde landschapstypen uit het LOP. Met behulp van de koesterkaarten uit dit LOP kan de bedrijfsuitbreiding wordt getoetst aan de gewenste landschapontwikkeling op die plek. In het LOP is voor elk landschaptype een (on)gewenste ontwikkeling beschreven. Als deze regelgeving groen licht geeft, dan wordt vervolgens getoetst aan onderhavig gemeentelijk beleid en wordt bepaald of uitbreiding mogelijk is en zo ja, wat de vereveningsopgave is.
Het Omgevingsprogramma werklocaties beschrijft een integrale aanpak om te komen tot voldoende, kwalitatief hoogwaardig en duurzame locaties voor de groei van het bedrijfsleven tot 2030. Het gaat vooral om het faciliteren van lokale groei van bedrijven die al in Bronckhorst gevestigd zijn. Deze bedrijven zijn een belangrijke sociale en economische pijler in het weefsel van de gemeenschappen van Bronckhorst. 60% van de bedrijven bevindt zich verspreid binnen dat weefsel, 40% is gehuisvest op bedrijventerreinen. Daarnaast willen we waar zich kansen voor doen ook bedrijven van elders ruimte bieden.
De aanpak verloopt via vier samenhangende programmalijnen:
Herstructureren; verouderde bedrijvenparken toekomstbestendig maken.
Herbestemmen en verruimen; meer ruimte voor bedrijven in Vrijkomende Agrarische bebouwing (VAB’s) in het buitengebied.
Uitbreiden: uitbreiden van en/of aanleg nieuwe bedrijvenparken.
Samenwerken; gericht op betere onderlinge samenwerking en prestaties van bedrijven.
Dit Omgevingsprogramma is gericht op de uitvoering van (een deel) van de Omgevingsvisie, die de raad begin 2022 heeft vastgesteld. Het Programma beschrijft de doelen en resultaten en de wijze waarop die worden bereikt en behaald. Omdat daar ook middelen aan zijn verbonden kan de verdere uitwerking en uitvoering van de programmalijnen plaatsvinden. Daarvoor worden met name onderzoeken gedaan naar potentiële uitbreidingen en nieuwe bedrijfslocaties, alsook verkenningen naar gebieden die in aanmerking komen voor herstructurering. Daarnaast is het bedoeld voor het opstellen van een brede visie op de vrijkomende agrarische bebouwing en het buitengebied en het stimuleren van samenwerking op bedrijventerreinen.
De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. In het omgevingsplan worden de archeologische waarden en verwachtingen geborgd. Instrument daarvoor is de archeologische waarden- en verwachtingskaart.
De gemeente Bronckhorst heeft een archeologische waarden- en verwachtingskaart en een archeologische beleidskaart. De archeologische waarden- en verwachtingskaart is een kaart waarop bekende archeologische vindplaatsen en terreinen staan die door de provincie en de rijksoverheid zijn geoormerkt als terreinen met een archeologische status. Daarnaast geeft de archeologische waarden- en verwachtingskaart een vlakdekkend en zo gedetailleerd mogelijk overzicht van de archeologische verwachtingen binnen de gemeente. Op de hier vanaf geleide beleidsadvieskaart zijn aan de verschillende verwachtingszones uitvoeringsgerichte adviezen voor het gemeentelijk AMZ (Archeologische MonumentenZorg)beleid gekoppeld. Deze kaarten samen bieden daarmee zowel inzicht in de bestaande archeologische toestand van het landelijke en het bebouwde gebied van de gemeente alsmede een handvat voor een zorgvuldige omgang met archeologische waarden in de fysieke leefomgeving.
De gemeente Brockhorst kent een Erfgoedverordening waarin de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke monumenten is geregeld en waarin het archeologiebeleid is vastgelegd Dit beleid is gebaseerd op de regionale nota 'Archeologie met beleid - Afwegingskader voor het archeologiebeleid in de Achterhoek'.
De gemeente Bronckhorst heeft een cultuurhistorische gebiedsbeschrijving gemaakt om inzichtelijk te krijgen wat de cultuurhistorische waarden in de gemeente zijn. Met deze cultuurhistorische beschrijving geeft de gemeente inzicht in de ontstaansgeschiedenis van het gemeentelijk grondgebied en in de bijbehorende cultuurhistorische waarden. In het bijbehorende SWOT-analyse is aangegeven wat op dit vlak de sterke en zwakke punten zijn en waar kansen en bedreigingen liggen. De beschrijving is bruikbaar voor het inpassen in diverse beleidsstukken. Daarnaast is het behulpzaam bij het ontwikkelen van een visie op toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen rondom de cultuurhistorische waarden. De doelgroep van dit project is tweeledig. Enerzijds zijn de resultaten bedoeld als bruikbare instrumenten voor de bestuurders en ambtenaren van de gemeente Bronckhorst. Anderzijds is het uiteindelijk de burger binnen gemeente Bronckhorst die gebaat is bij een degelijke cultuurhistorische beschrijving en aanvullende beleidsnotities. Omdat de gemeente Bronckhorst een groot belang hecht aan de bijdrage van cultuurhistorie aan de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente, en om de cultuurhistorische kenmerken en kansen te verankeren in beleid, koos de gemeente ervoor om cultuurhistorisch beleid vast te leggen in een thematische structuurvisie cultuurhistorie. De structuurvisie geeft input bij de onderbouwing van de omgang met cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplan. In de structuurvisie is de gemeente verdeeld in de volgende drie gebieden, hetgeen de basis vormt van het gemeentelijke cultuurhistorische beleid:
Naast deze drie gebieden zijn tevens cultuurhistorische ensembles en hotspots omschreven. Het gaat om cultuurhistorische structuren en elementen die op het schaalniveau van de gemeente van belang zijn. Ze geven karakter en kleur aan de deelgebieden en kunnen als inspiratie of leidraad dienen bij ontwikkelingen.
De Structuurvisie cultuurhistorie Bronckhorst is op 31 oktober 2013 door de raad vastgesteld en op 9 januari 2014 in werking getreden.
De herziening van de Woningwet, die 1 januari 2003 in werking is getreden, heeft onder meer als doel, het inzichtelijk maken van de beoordeling van de aanvragen voor bouwplannen door de welstandscommissie. Die beoordeling zelf is niet veranderd en betreft 'de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in zijn omgeving, van het bouwwerk op zichzelf en van de toegepaste details, materialen en kleuren'. Per plangebied is er een welstandsnota opgesteld die door de gemeenteraad is vastgesteld. Met de invoering van de Omgevingswet, die 1 januari 2024 in werking is getreden, zijn de regels voor een welstandstoets opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van de bruidsschat en maken daarmee onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Met de invoering van de Omgevingswet is de oude adviescommissie welstand vervallen en is daarvoor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed aangesteld.
De welstandsnota bevat de criteria die gelden bij de beoordeling van bouwplannen door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed. De reden voor dit beleidsinstrument is én de gemeenteraad én de burger te betrekken bij het welstandsbeleid, zodat dit beleid voor een ieder inzichtelijk wordt.
De formulering luidt, dat de plannen moeten voldoen 'aan redelijke eisen van welstand'. Thans is het al lang niet meer zo dat overal op dezelfde wijze naar de plannen wordt gekeken; eerst wordt de aanvraag al getoetst aan het omgevingsplan; in nieuwe plangebieden bepalen daarnaast beeldkwaliteitsplannen waaraan de bouwplannen moeten voldoen. In beschermde stads- en dorpsgezichten wordt speciaal gelet op het historische kader. Wat 'redelijk' is voor welstand, hangt dus af van het kader waarbinnen de plannen worden getoetst.
De nota brengt samenhang in die toetsingskaders en de daarbij behorende criteria en presenteert deze overzichtelijk en inzichtelijk. Met vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad kan de welstandsbeoordeling alleen nog maar gebaseerd worden op de criteria die in de welstandsnota worden genoemd.
In 2017 heeft de gemeenteraad de Omgevings- en Bouwverordening vastgesteld. In deze verordening zijn regels vastgesteld voor het plaatsen van permanente reclame-uitingen. Hiermee willen zij de beeldkwaliteit in Bronckhorst verhogen en aantasting van de architectuur voorkomen. Een rustig en overzichtelijk straatbeeld verhoogt de beeldkwaliteit en creëert een toegankelijke en veilige openbare ruimte voor bezoekers, bewoners en hulpdiensten. Daarnaast biedt de verordening rechtszekerheid voor ondernemers, die hun bedrijf op de kaart willen zetten, door duidelijke richtlijnen te stellen. Het nieuwe reclamebeleid staat in verband met de Welstandsnota en is afgestemd op de functie van de verschillende delen van de gemeente (gebiedsgerichte benadering), die hierin is opgenomen. In het ene gebied mag meer dan in het andere.
Richtlijnen
De gemeente maakt in het reclamebeleid onderscheid in algemene en gebiedsgerichte richtlijnen. Alle reclame-uitingen moeten aan de algemene richtlijnen voldoen. Het gaat hierbij om functioneel, technische eisen (reclame-objecten moeten een verband hebben met de activiteiten van het bedrijf, het gebruikte materiaal moet deugdelijk zijn etc.), verkeersveiligheidseisen (er mag geen overlast zijn voor gebruikers van nabijgelegen onroerend goed, er mag geen sprake zijn van uitzichtbelemmering etc.) en welstandsaspecten (eisen ten aanzien van het uiterlijk van het reclameobject; de uiting moet bij voorkeur een verrijking zijn van gevels en de openbare ruimte/nabije omgeving etc). Ook geldt dat alle reclame-uitingen op eigen terrein moeten worden geplaatst. Voor de gebiedsgerichte richtlijnen is het uitgangspunt dat de reclame moet passen binnen de functie van het karakter van een gebied. Zo verdienen historische centra een extra bescherming en zijn er op bedrijven- en kantoorterreinen meer mogelijkheden voor reclame.
Veel bedrijven hebben een huisstijl en/of huiskleuren die zij willen gebruiken in hun reclame-uitingen. Deze spelen geen overwegende rol in de beoordeling van de aanvraag om een vergunning voor reclameobjecten.
Gebieden
De gemeente onderscheidt op haar grondgebied onder andere de volgende gebieden: bebouwde kom, bedrijventerreinen, sportterreinen, buitengebied (buiten de bebouwde kom), beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten. Per gebied zijn regels opgesteld voor reclame-uitingen. Voor het buitengebied geldt bijvoorbeeld in principe dat alle reclame-objecten ontoelaatbaar zijn. Om ondernemers in het buitengebied echter niet te benadelen, zijn enkele reclamevormen toegestaan onder bepaalde voorwaarden:
reclameborden moeten een direct verband hebben met de activiteiten, die de ter plaatse gevestigde ondernemer op dat perceel uitoefent;
in totaal zijn maximaal twee reclameobjecten toegestaan per onderneming.
Verwijsborden
Het is moeilijk te bepalen waar bewegwijzering eindigt en reclame begint. De gemeente ontwikkelt beleid om de vraag naar verwijsborden te kunnen reguleren en wil een uniform bewegwijzeringsysteem voor heel Bronckhorst realiseren. Op dit moment is alleen een keuze gemaakt in toeristische bewegwijzering. Het overige bewegwijzeringsbeleid is nog in ontwikkeling. Om niet alle vormen van verwijzing naar een onderneming te verbieden, is in het nieuwe reclamebeleid voor een tussenoplossing gekozen. Op het moment dat de beleidsnota met regels voor bewegwijzering in werking treedt, komt dit onderdeel hierover in het reclamebeleid te vervallen. Volgens het reclamebeleid geldt voorlopig dat voor nieuwe aanvragen voor bewegwijzering alleen een tijdelijke vergunning afgegeven kan worden.
Overgangsregeling
In Bronckhorst staan, net zoals elders in ons land, veel reclame-objecten. De vergunningen voor deze permanente reclame-uitingen blijven van kracht totdat een eigenaar zijn reclameborden wil vervangen. Dan geldt het nieuwe reclamebeleid. Het nieuwe beleid is nu al wel van kracht voor alle nieuwe aanvragen die binnenkomen. Deze worden hieraan getoetst. Reclame-objecten die zonder vergunning zijn geplaatst, zijn in principe illegaal en moeten verwijderd worden.
Handhaving
In 2007 is de hele gemeente in beeld gebracht op panoramafoto's. Op de foto's zijn alle aanwezige reclame-uitingen vanaf de verharde rijweg zichtbaar, voor zover openbaar en redelijkerwijs toegankelijk. Deze foto's zijn voor de gemeente de nulsituatie. Van de reclame-uitingen die op de foto's zichtbaar zijn, wordt uitgezocht of ze met een vergunning zijn geplaatst. Niet vergunde objecten zijn niet toegestaan en moet de eigenaar verwijderen. Voor vergunde objecten die niet voldoen aan de nieuwe reclameregels geldt zoals aangegeven de overgangsregeling. De gemeente zet handhaving in om toe te zien op het naleven van de regels rond reclame-uitingen.
Relatie met ander gemeentelijk beleid
Naast de regels in het reclamebeleid, kunnen voor het al dan niet vergunnen van reclame-uitingen, bepaalde voorschriften die zijn opgenomen in gemeentelijke bestemmingsplannen van kracht zijn. Deze gaan vóór op de regels in het reclamebeleid. Verder vormt het reclamebeleid dus een aanvulling op de Welstandsnota.
Het "Groenstructuurplan voor het openbaar groen" heeft tot doel om vanuit een gezamenlijke visie de gewenste groenstructuur en de gewenste kwaliteit van het groen vast te leggen en zowel kwantitatief als kwalitatief in stand te houden. Het in 2008 vastgestelde groenstructuurplan heeft een looptijd van 15 jaar en fungeert als toetsingskader voor het behouden, verwerven en afstoten van het groen. Het plan is ontwikkeld op basis van de ambities van de verschillende sleutelfiguren (onder andere ambtelijk apparaat, burgers, bestuur) in het openbaar groen. Samen hebben zij de inhoud bepaald. Het geeft een kader voor ontwerpen, inrichtingsvoorstellen en beheerplannen, levert randvoorwaarden voor de beleids- en beheerplannen voor alle deelproducten en behartigt het openbaar groen in de dorpen en de kernen in de gemeente, inclusief de sportcomplexen en begraafplaatsen die in de dorpen of kernen liggen of er aan grenzen. Tevens bevat het een aantal uitgangspunten voor het bereiken van de doelstelling.
Bronckhorst kent een prachtig buitengebied met een grote variatie in landschappen. De natuur is overal om ons heen te vinden. Maar de natuur is aan het veranderen. De diversiteit gaat hard achteruit. Het aantal soorten en de verspreiding ervan neemt af, tegelijkertijd zien we het aantal plaagsoorten toenemen. En het besef groeit dat de biodiversiteit van levensbelang is voor ons. De gemeente Bronckhorst ziet het keren van de achteruitgang als een essentiële taak om samen met inwoners op te pakken. Daarom heeft de raad van Bronckhorst op 31 oktober 2019 het beleidsplan 'Samen voor biodiversiteit' vastgesteld.
Lange termijn
De verbetering van de biodiversiteit vraagt om een lange termijn visie. Dit is een verandering van denken en handelen. Het herstel van het ecosysteem is een proces waar soms jaren van investering aan vooraf gaat. Dit vraagt van gemeente en samenleving om investering, vertrouwen en geduld. We richten ons daarom op vier sporen;
verankering van het thema biodiversiteit in het gemeentelijk beleid (ruimtelijke processen)
verankering van het thema biodiversiteit in het gemeentelijk beheer (beheer)
vergroten van bewustwording en handelen (communicatie en participatie)
activiteiten die bijdragen aan het vergroten van de biodiversiteit (projecten)
Huidige trend: verarming van de biodiversiteit
De toenemende druk op het gebruik van de buitenruimte, veranderingen in het klimaat en veranderingen in beheer hebben de laatste decennia een verarming van de biodiversiteit teweeg gebracht. Insecten verdwijnen, een groot aantal vogelsoorten neemt af en plantensoorten verdwijnen. Landschapselementen en akkerranden die voorheen vaak een onderdeel vormde van de agrarische bedrijfsvoering staan onder druk. Tegelijkertijd zien we het aantal ongewenste exotische invasieve soorten toenemen. Ook zien we een verstoring van het ecologisch evenwicht, bijvoorbeeld door de overlast van de eikenprocessierups.
Keer de trend om: Samen voor biodiversiteit!
Het herstel van de variatie aan soorten, ecosystemen en landschappen is van belang voor een rijke natuur en is de basis van ons welzijn. Ook economisch zijn wij afhankelijk van een gezond ecosysteem. Biodiversiteit gaat ons allemaal aan. Met dit plan zetten we de volgende stap om de inzet op het behoud en herstel van de biodiversiteit te vergroten, een structureel karakter te geven en zo de natuurwaarde meetbaar te versterken. Samen met bewoners, ondernemers en bedrijven geven we vanuit de gemeente Bronckhorst richting in een verbetering van de biodiversiteit en het natuurinclusief denken en doen. Dit doen we volgens het principe van 'behouden, versterken en verbinden van leefgebieden'.
De Soortenatlas die bij het biodiversiteitsplan hoort geeft focus aan de vier sporen van het biodiversiteitsplan.
Het Speelruimteplan Gemeente Bronckhorst maakt op basis van demografische ontwikkelingen keuzes voor vermindering van het aantal speelplaatsen en -plekken. Doel is een passen en aantrekkelijke speelruimte die goed verdeeld is over de Bronckhorster jeugd.
De landelijke gehanteerde richtlijn voor speelplekken in plattelandsgemeentes is 1 speelplek per 30 tot 100 kinderen. Uit de analyse van onze speelruimte blijkt dat Bronckhorst volgens deze richtlijn ruim bedeeld is wat betreft speelvoorzieningen. Terwijl in Bronckhorst een afname van het aantal kinderen wordt verwacht. Bronckhorst heeft gemiddeld 2,8 speelplekken per 100 kinderen. Wij streven naar het gemiddelde van 1 plek per 100 kinderen als basisniveau voor speelvoorzieningen. Concreet betekent dit voor wijken of dorpen met:
De gemeente Bronckhorst streeft naar een kwalitatief goede openbare ruimte met een inrichting die is afgestemd op de verschillende functies en die we goed in stand kunnen houden. De kwaliteit van de openbare ruimte is gebaat bij samenwerking en onderlinge afstemming tussen alle vakgebieden die zich bezighouden met de openbare ruimte. Leefbaarheid en veiligheid staan daar voorop. Dit geldt zowel bij nieuwe aanleg als reconstructie en herstructurering van de bestaande omgeving. Hiervoor moeten de juiste randvoorwaarden gehanteerd worden. Daarvoor is er nu het HIOR en geld voor elke ontwikkeling waar eventueel openbare ruimte gemaakt of aangepast wordt.
Dit HIOR geeft de randvoorwaarden aan voor de inrichting van de openbare ruimte en verzekert daarmee de duurzame functionaliteit en het toekomstige beheer ervan.
Het gaat om de openbare ruimte die in beheer komt van de gemeente. Dit HIOR is door het bestuur vastgesteld en geeft bindende eisen. Verder is het een uitgangspunt bij overeenkomsten met externe partijen. Wanneer de in dit handboek gehanteerde eisen, voorwaarden, maten of andere uitgangspunten afwijken van de genoemde landelijke normen, richtlijnen of bepalingen, dan prevaleert dit handboek. Ontwerpen blijft altijd maatwerk. Het is mogelijk dat zich een situatie voordoet, waarbij er gegronde redenen zijn om van de eisen af te wijken. In overleg met de gemeente kan, als het goed gemotiveerd is, worden afgeweken van de inrichtingseisen.
Deze inrichtingseisen beschrijven de basiskwaliteit van de openbare ruimte.
Omdat de openbare ruimte constant in ontwikkeling is net als de kaders die zijn gesteld ten aanzien van het ontwerp, zijn de inrichtingseisen dynamisch vormgegeven. Dit betekent dat deze van tijd tot tijd worden herzien.
Op 25 juni 2009 heeft de raad van Bronckhorst het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) voor het buitengebied vastgesteld. Dit beleidsplan is door de gemeenten Bronckhorst, Lochem en Zutphen gezamenlijk opgesteld. Het doel van het LOP is om een stimuleringskader te bieden voor het landelijke gebied en de gewenste initiatieven te ondersteunen, wat moet leiden tot verder behoud en versterking van het landschap. Hierbij wordt rekening gehouden met bestaande plannen. Het LOP is uitgewerkt in de gemeentelijke structuurvisie Bronckhorst 2012 dat als basis voor bestemmingsplannen dient.
Conform het landschapsbeleid geldt onder meer een zorgvuldige landschappelijke inpassing als voorwaarde voor ontwikkelingen in het buitengebied, onder meer functieverandering, uitbreidingen van bebouwing, bedrijventerreinen en wegenaanleg. Daarbij dient gelet te worden op de vormgeving van nieuwe bebouwing, de situering van nieuwe gebouwen ten opzichte van de reeds bestaande gebouwen en de wijze waarop de nieuwe gebouwen zich verhouden tot de ruimere omgeving in het betreffende landschapstype. Dit doel wordt door de aanleg van streekeigen beplanting gerealiseerd en leidt tot een verhoging van de landschappelijke kwaliteit.
Kansen voor ontwikkeling
Het noordelijke deel van de gemeente Bronckhorst maakt deel uit van Nationaal Landschap De Graafschap. Een van rijkswege aangewezen kleinschalig waardevol landschap van oeverwallen langs de IJssel, veel historie en een mozaïek van landgoederen en oude ontginningen. Nationaal Landschap De Graafschap strekt zich tevens uit over delen van de gemeenten Zutphen, Lochem en Berkelland.
De provincie Gelderland heeft de kernkwaliteiten van de nationale landschappen vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland. Ruimtelijke ontwikkelingen in het nationaal landschap zijn mogelijk mits de kernkwaliteiten worden behouden en versterkt. Het ‘Ja, mits-principe’. Ook de gemeente Bronckhorst wil dit bijzondere landschap behouden en ontwikkelen en ziet hierbij een belangrijke rol voor de bewoners, initiatiefnemers en gebruikers van het gebied.
Op 29 juni 2017 heeft de raad van Bronckhorst het 'Kwaliteitskader Nationaal Landschap De Graafschap' vastgesteld. Dit kwaliteitskader is de uitwerking van de kernkwaliteiten naar het gebied van de gemeente Bronckhorst. Het geeft aan wat de hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de kernkwaliteiten van het landschap. Het biedt kansen voor de initiatiefnemer en de omgeving. Belangrijk daarbij is het proces. Kwaliteit maak je samen. Dit kader geeft houvast bij de planvorming en de afweging zodat vooraf duidelijk is wat de ambities zijn voor het landschap en hoe de initiatiefnemer met een ruimtelijke ontwikkeling een meerwaarde kan bieden voor de kernkwaliteiten van het nationaal landschap.
Doelstelling landschap
Vanuit de provinciale verordening is de doelstelling het behouden en versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten. De landschapsvisie ambieert het behoud van het unieke karakter van het gebied door het benadrukken van contrasten tussen openheid en geslotenheid van landschap en het realiseren van een fijnmazig patroon voor flora en fauna.
Status
Het kwaliteitskader is als beleidsregel van toepassing op binnenplanse en buitenplanse planologische procedures. De toetsing aan dit kader maakt onderdeel uit van een integrale beoordeling en afweging van diverse belangen, zoals ruimtelijk beleid, milieu, landschap, ecologie en economie. Het proces om tot de uitwerking van de kernkwaliteiten te komen en hoe om te gaan met initiatieven, sluit aan bij werkwijze in Bronckhorst, zoals beschreven in het Bronckhorster bestemmingsplanproces, en de intenties van de Omgevingswet. Dat betekent meer burgerparticipatie en eigen verantwoordelijkheid.
Werkwijze voor initiatieven
Iedere ruimtelijke ontwikkeling in het nationaal landschap heeft in meer of mindere mate invloed op het landschap maar niet voor iedere ontwikkeling wordt de toets aan het kwaliteitskader verplicht gesteld. Er kunnen wat dat betreft twee soorten ontwikkelingen worden onderscheiden:
Ontwikkelingen die binnen het bestemmingsplan passen.
Deze ontwikkelingen worden geregeld met een aanvraag omgevingsvergunning. Een bijdrage aan het nationaal landschap, middels het naleven van de ambities en het toepassen van bouwstenen zoals omschreven in dit toetsingskader, gebeurt op basis van vrijwilligheid. Het kader is wel van toepassing op een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, of van werkzaamheden, geen bouwwerk zijnde (aanlegvergunning), als deze op grond van het bestemmingsplan nodig is in verband met landschappelijke kwaliteiten.
Ontwikkelingen die niet binnen het bestemmingsplan passen.
Deze ontwikkelingen kunnen mogelijk worden gemaakt via een afwijkingsbevoegdheid, wijzigingsbevoegdheid of een bestemmingsplanherziening. In het ‘Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst’ staat beschreven hoe de gemeente omgaat met dergelijke plannen en welke plancategorieën ze onderscheiden. Als een initiatief het nationaal landschap ligt is dit afwegingskader van toepassing en moet het navolgende stappenplan worden doorlopen.
Stappenplan
Het kwaliteitskader bevat een stappenplan. Dit stappenplan laat zien hoe om te gaan met ruimtelijke initiatieven in het nationaal landschap in 9 stappen. Hiermee weten initiatiefnemers en omwonenden wat ze moeten en kunnen doen om de juiste ontwikkelingen in het gebied mogelijk te maken. Het geeft aan hoe met dit kwaliteitskader, initiatiefnemer en gemeente samen met het gebied tot plannen komen die bijdragen aan de (kern)kwaliteiten van het nationale landschap en de ruimtelijke initiatieven.
De gemeente heeft sinds 2007 een Gemeentelijk Verkeer en Vervoerplan (GVVP). Dit plan geeft zodanig sturing aan de ontwikkeling van de mobiliteit dat de kwaliteit van zowel de bereikbaarheid, de leefbaarheid als de verkeersveiligheid in de gemeente wordt gewaarborgd.
Het GVVP is van cruciaal belang omdat hierin de toekomstige beleidskaders voor de gemeente Bronckhorst zijn vastgelegd. Er is onderscheid gemaakt in de volgende thema's:
Verkeersveiligheid: eenduidige inrichting van wegen volgens de duurzaam veilig filosofie.
Bereikbaarheid: definiëren van verkeersaantrekkende locaties (woon, werk of bijvoorbeeld recreatieve locaties), benoemen van routes tussen hoofdwegen en deze verkeersaantrekkende locaties, beschrijven van bereikbaarheidsniveaus, prioriteren van locaties.
Leefbaarheid: benoemen van kwetsbare gebieden en robuuste wegen, beschrijven van acceptabele grenzen voor intensiteit, milieu en geluid en benoemen van voorwaarden.
In 2013 is dit GVVP geëvalueerd wat tot een aantal aanpassingen in het plan heeft geleid.
Op 16 december 2013 hebben burgemeester en wethouders de 'beleidsregels 'Parkeernormen Gemeente Bronckhorst' vastgesteld. Deze beleidsregels zijn op 25 december 2013 in werking getreden. De beleidsregels bevatten parkeernormen die dienen als toetsingskader voor het opstellen van ruimtelijke plannen en waar initiatiefnemers van ruimtelijke activiteiten aan moeten voldoen.
De parkeernormen geven aan hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn voor een bepaalde functie. Het kan gaan over woningen, kantoren en supermarkten maar bijvoorbeeld ook over een camping of een manege. Iedere functie heeft een eigen parkeernorm. De normen die in deze beleidsregels zijn opgenomen komen uit publicatie "kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Niet alle functies zijn opgenomen in de beleidsregels. Voor functies die niet in de beleidsregels staan hanteren wij als uitgangspunt de maximale norm uit de CROW publicatie 'kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie'.
De parkeernormen worden gebruikt om praktische en wettelijke redenen. Praktisch is het handig om met elkaar af te spreken hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn per functie. Op deze manier kan de gemeente van te voren toetsen of een nieuw of aangepast plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Hiermee wordt achteraf getouwtrek en mogelijke parkeeroverlast in de toekomst voorkomen. Binnen de fysieke leefomgeving speelt het omgevingsplan een centrale rol. Een eis voor voldoende parkeergelegenheid is zo'n stedenbouwkundige bepaling. Nu deze niet meer middels de bouwverordening worden geregeld, moeten de parkeernormen op een andere manier vastgesteld worden. Het vastleggen in beleidsregels, als toetsingskader voor het opstellen van fysieke plannen en beoordeling van verzoeken om medewerking aan ruimtelijke ontwikkelingen, is een goed instrument voor dit doel.
Bij nieuwe ontwikkelingen of functieveranderingen moet gekeken worden naar het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de nieuwe situatie. Is er sprake van een geheel nieuwe situatie dan moet de berekende parkeervraag in zijn geheel toegevoegd worden. Wanneer er sprake is van een functieverandering dan moet het verschil in parkeervraag tussen oude en nieuwe situatie worden toegevoegd. Vraagt de nieuwe functie om minder parkeerplaatsen dan hoeven de, eventueel, te veel aanwezige parkeerplaatsen niet verwijderd te worden.
De gemeente Bronckhorst heeft geen zelfstandig milieubeleidsplan. Het milieubeleid van de gemeente Bronckhorst ligt opgesloten in beleidsnotities en handleidigen van allerlei milieuthema’s, bijvoorbeeld afval, klimaat, bodem, geluid, lucht, openbaar groen, externe veiligheid en landschap. Dit milieubeleid geeft de ambities en de richting aan die wordt gevolgd voor wat betreft het te voeren gemeentelijk milieubeleid.
Onderwerpen welke continu aandacht blijven vragen zijn een nagenoeg afvalloze maatschappij door nog betere scheidingsmogelijkheden, afval als grondstof voor nieuwe producten en de mogelijkheid van subsidie voor energiebesparende maatregelen bij particuliere woningen.
Duurzaamheid en leefbaarheid zijn actuele thema's en met een aantal maatregelen zet de gemeente zich hiervoor in. Het verminderen van afval en het bijdragen aan het tegengaan van klimaatsverandering zijn belangrijke uitgangspunten. Leefbaarheid richt zich hierbij op de korte termijn, hier en nu, de mensen in hun leefomgeving. Duurzaamheid richt op de langere termijn, de volgende generatie en kijkt over de grenzen heen. Het doel van het milieubeleid is een bijdrage leveren aan het creëren van een gezonde, prettige en duurzame leefomgeving voor nu en in de toekomst.
Ruimtelijke ordening richt zich op de inrichting van de fysieke leefomgeving. Als gevolg hiervan heeft ruimtelijke ordening vele raakvlakken met de in dit milieubeleid genoemde thema's (bijvoorbeeld Externe Veiligheid en Geluid). Ten aanzien van ruimtelijke ordening zijn als ambitie en doelstelling opgenomen een duurzame inrichting van de schaarse grond, harmonie tussen de diverse functies en het handhaven daarvan. Om deze doelstellingen te kunnen bereiken worden de volgende activiteiten uitgevoerd:
In een vroeg stadium van de ruimtelijke planvorming wordt inzicht verkregen in de gevolgen voor milieu, duurzaamheid en natuur.
Elk ruimtelijk plan/besluit wordt voorzien van een afgewogen keuze ten aanzien van milieuaspecten (geluid, lucht, externe veiligheid, bodem, flora en fauna en waterhuishouding).
Toepassen van de afstandcriteria voor externe veiligheid, geluid, geur en lucht.
Onderzoeken in hoeverre het omgevingsplan voldoet aan de normen met betrekking tot externe veiligheid (risicovolle planologische situaties worden zoveel mogelijk voorkomen en de gewenste veiligheidsituatie wordt planologisch vastgelegd).
Onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om duurzaamheid te integreren in het omgevingsplan.
Met het milieubeleid wordt bij het uitoefenen van gemeentelijke taken, waaronder ruimtelijke ordening, rekening gehouden.
Uitgangspunt van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Externe veiligheid krijgt daarom een belangrijke plaats het omgevingsplan. In dit plan stelt de gemeente regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling houdt ook in dat ze voldoende rekening houdt met het belang van een veilige leefomgeving. Gemeenten moeten de normen uit de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving in het Omgevingsplan vertalen. Deze instructieregels zijn in paragraaf 3.1.9. beschreven.
Voor de totale gemeente Bronckhorst heeft de gemeenteraad op 25 september 2008 een Beleidsvisie Externe Veiligheid Inrichtingen vastgesteld. De ambitie van de gemeente is om “de gemeente Bronckhorst in subjectieve en objectieve zin veiliger te maken in samenwerking met alle partners”. De belangrijke beleidskeuzes zijn als volgt:
Plaatsgebonden risico
In aansluiting op de ambitie is het plaatsgebonden risico het minimale beschermingsniveau die aan personen geboden moet worden. Gezien het wettelijke kader en de kosten die een passende oplossing met zich meebrengt, is het niet realistisch om de risico's voor de reeds aanwezige beperkt kwetsbare objecten, gelegen binnen de gestelde norm, te beperken. Binnen de gemeente Bronckhorst wordt de hoogst mogelijke bescherming van de kwetsbare objecten gegeven zonder de bestaande knelpunten direct te saneren.
Bescherming nog te realiseren beperkt kwetsbare objecten: Beperkt kwetsbare objecten zijn binnen de richtwaarde toegestaan. Er wordt gestreefd (bij beslissingen Wet op de Ruimtelijke Ordening of Wet milieubeheer ) om de risico's zoveel mogelijk te beperken en eventueel te saneren. Nieuwe nog te realiseren beperkt kwetsbare objecten worden binnen de gestelde richtwaarde niet toegestaan.
Groepsrisico
De visie van de gemeente Bronckhorst is om de gemeente in subjectieve en objectieve zin veiliger te maken. Bij deze visie sluit de beleidsmogelijkheid toename van het groepsrisico is niet toegestaan het meest aan. In deze situatie kunnen er geen nieuwe onveilige situaties ontstaan en zullen reeds aanwezige onveilige situaties worden bevroren.
Een zeer groot nadeel is, dat deze visie voor bedrijven waarvoor het beleid van toepassing is een grote beperking oplegt. Reeds bestaande bedrijven kunnen door het hanteren van de deze ambitie niet meer uitbreiden en nieuwe (externe veiligheidrelevante) bedrijven kunnen zich niet binnen de gemeente vestigen. Daarnaast leidt deze ambitie ertoe dat er binnen de invloedssfeer van de inrichting geen planontwikkeling mogelijk is. Het realiseren van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten is niet mogelijk en het veranderen van bestemmingen is alleen nog mogelijk indien dit geen negatieve gevolgen heeft voor de risico's. Daarnaast is het de vraag of de algemene visie van de gemeente Bronckhorst strikt toegepast moet worden voor alle gebieden van de gemeente.
Om de algemene visie van de gemeente Bronckhorst te volgen en tegemoet te komen aan de nadelen, wordt een gebiedsgerichte benadering toegepast die onderscheidt maakt in:
Ruimte voor wonen: woongebieden, landelijk gebied, gemengd wonen en werken
Voor de woongebieden, het landelijk gebied en gemengd wonen en werken biedt de gemeente Bronckhorst de maximale bescherming aan (beperkt) kwetsbare objecten, ook als dit ten koste gaat van de ontplooiingsruimte van bedrijven. Voor deze gebieden is een toename van het groepsrisico niet toegestaan. Bij een beoordeling van een planontwikkeling of een aanvraag voor een Wet milieubeheer vergunning kan blijken dat het aantal personen in een invloedsgebied toeneemt maar dat de kans op een calamiteit of door een vergroting van de zelfredzaamheid de risico's ter plaatse afnemen. Het is in die situaties niet logisch om deze veranderingen niet door te voeren. In die gevallen is een toename van het groepsrisico toegestaan tot de oriëntatiewaarde onder de voorwaarde dat de risico's worden verbeterd ten opzichte van de dan geldende situatie ten gevolge van pro-actieve of preventieve maatregelen.
Ruimte voor bedrijvigheid: bedrijven en industrieterreinen
Voor de gebieden waarvoor een bestemmingsplan is vastgesteld met de bestemming bedrijventerrein c.q. industrieterrein wordt gestreefd naar een optimale combinatie van gewenste ruimtelijke en economische ontwikkelingen. Daarbij zijn er mogelijkheden om te wonen en te werken waarbij bedrijven de mogelijkheid hebben om zich te vestigen en activiteiten te ontplooien. Voor dit gebied “ruimte voor bedrijvigheid” legt het hanteren van de algemene visie een ongewenst grote beperking op. Om deze reden mag in deze gebieden het groepsrisico toenemen tot aan de oriëntatiewaarde.
Bij een beoordeling van een planontwikkeling of een aanvraag voor een Wet milieubeheer vergunning kan blijken dat het aantal personen in een invloedsgebied toeneemt tot boven de oriëntatiewaarde maar dat de kans op een calamiteit of door het vergroten van de zelfredzaamheid de risico's ter plaatse afnemen. Het is in die situaties niet logisch om deze veranderingen niet door te voeren. In die gevallen is een toename van het groepsrisico toegestaan tot boven de oriëntatiewaarde onder de voorwaarden:
De risico's moeten ten gevolge van pro-actieve of preventieve maatregelen worden verbeterd ten opzichte van de dan geldende situatie.
Binnen de invloedssfeer van de inrichting mogen uitsluitend nieuwe beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet binnen de invloedsfeer van de inrichting worden gerealiseerd.
De oriëntatiewaarde mag worden overschreden. Het totaal aantal personen dat zich in de invloedssfeer bevindt in kwetsbare objecten mag de oriëntatiewaarde niet overschrijden. Een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het aantal personen in kwetsbare objecten is niet toegestaan.
Op 28 maart 2019 heeft de gemeenteraad de "Routekaart Energieneutraal Bronckhorst 2030" vastgesteld. Gelijktijdig is besloten om het "Koersdocument Duurzame energie in de Achterhoek; zichtbaar, merkbaar, onmiskenbaar" vast te stellen en om deel te nemen aan het “Fonds stimulering energietransitie Achterhoek” en ten behoeve van de oprichting en het beheer van dit fonds een stichting op te richten en een fondsbeheerder aan te stellen.
Routekaart
Het einddoel is dat de gemeente Bronckhorst in 2030 net zoveel duurzame energie opwekt als deze in totaal aan energie verbruikt. Het energieverbruik vermindert met 45% ten opzichte van het verbruik in 2015. De rest van de energie die wel wordt verbruikt, komt in zijn geheel uit duurzame (lokale) bronnen.
Het doel 2030 energieneutraal staat vast. Met deze Routekaart stelt Bronckhorst tevens twee tussendoelen vast.
Doel 2022: 15% schone energieopwekking en 10% besparing energieverbruik
Doel 2026: 45% schone energieopwekking en 25% besparing energieverbruik
Doel 2030: 100% schone energieopwekking en 45% besparing energieverbruik
In de Routekaart is gekozen voor een combinatie van duurzaam opwekken van stroom en het winnen van warmte uit diverse bronnen. Bronckhorst zet nadrukkelijk in op alle mogelijk duurzame bronnen. Diverse scenario's van een goed gebalanceerde energiemix zijn mogelijk.
Om de doelstelling te halen is verbreding van de samenwerking met inwoners en ondernemers noodzakelijk. Ook de dorpsbelangenorganisaties, energiecooperaties en maatschappelijke organisaties in Bronckhorst hebben een cruciale rol in de energietransitie. Zij krijgen een rol in een "Raad van Inspiratie" om hen te betrekken bij de uitvoering van de Routekaart. Alle partijen dragen immers bij aan deze verandering.
De gemeente neemt een belangrijke rol op zich door te informeren, stimuleren, faciliteren en zelf het goede voorbeeld te geven. Draagvlak en draagkracht staan daarbij centraal, omdat de gemeente graag wil dat de stappen op de Routekaart voor iedereen haalbaar en betaalbaar zijn.
De Routekaart schept een kader, die voor uitvoering nader uitgewerkt zal worden:
Het streven naar inzet van alle geschikte daken voor het opwekken van zonne-energie.
Het streven naar kleinere zonneparken op land (rond 2 ha) die goed ingepast kunnen worden en een groot zonneveld (>10 ha), zodat Liander de infrastructuur hierop kan aanpassen.
Het uitdagen van initiatiefnemers om zich maximaal in te zetten voor een meervoudig grondgebruik, met landbouw, natuur of andere geschikte doeleinden.
De keuze voor windmolens in clusteropstelling en geen medewerking aan solitaire windmolens. Om het aantal zoveel mogelijk te beperken, is het streven gericht op grotere efficiente varianten.
Bij windmolens is lokale participatie en eigendom van burgers en bedrijven een randvoorwaarde. Partijen werken gelijkwaardig samen in de ontwikkeling, bouw en exploitatie, zoals uitgesproken in het klimaatakkoord.
Gezien het verdienmodel van grootschalige opwek moet de opbrengst zoveel mogelijk ten goede komen aan de lokale omgeving.
Kleine windmolens voor eigen gebruik zijn, met uitzondering van woonwijken, toegestaan tot twee per perceel op het bouwblok.
Minimaal 50% lokaal eigendom van zonnevelden en windenergie. Deze eigendomsverdeling (50% van de productie voor de lokale omgeving) is een harde eis voor medewerking.
Een inspanningsverplichting voor de participatie in de planvorming van omwonenden van energieprojecten.
Een inspanningsverplichting voor de participatie in de financiele revenuen van een zonnepark of windproject door de mogelijkheid van individueel mede-eigenaarschap en door een omgevingsfonds. Het omgevingsfonds wordt door de initiatiefnemers met een redelijk bedrag gevuld. Een lokaal bestuur kan met deze bijdrage investeren in de leefbaarheid van de directe omgeving of in duurzame projecten.
Koersdocument
Het Koersdocument is de basis waarop initiatieven voor duurzame energieopwekking worden getoetst en deze ruimtelijk worden ingepast. Het biedt inwoners en lokale initiatieven en ondernemers de mogelijkheid om mee te doen en mee te kunnen beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Daarnaast geeft het initiatiefnemers een handelingsperspectief waarmee zij projecten voor duurzame energieopwekking tot ontwikkeling kunnen brengen in de gemeente Bronckhorst. Het Koersdocument draagt daarmee bij aan het intensiveren van de beweging naar een energieneutraal Bronckhorst in 2030. Met dit Koersdocument wordt een zeer belangrijke stap gezet om invulling te gegeven aan de Routekaart.
Aanjaagfonds
Het Aanjaagfonds dient als aanjager en financieel middel voor lokale initiatieven. Met dit fonds kan de ontwikkelkosten van lokale (Achterhoekse) inwoners initiatieven voor duurzame energieopwekking worden voorgefinancierd en wordt de slagingskans van deze projecten vergroot. Bij de ontwikkelkosten vallen ondermeer de kosten voor de MER, vergunningen, technisch ontwerp, financieel en juridisch). Het is een fonds waar de lokale initiatieven gebruik van kunnen maken en bij realisatie van duurzame energieprojecten zij het weer terug moeten storten in het Aanjaagfonds.
Samenhang Routekaart, Koersdocument en Aanjaagfonds
De Routekaart is een realistisch en daadkrachtig plan om samen met alle betrokkenen aan de slag te gaan met de energietransitie. De Routekaart beschrijft de weg naar Bronckhorst energieneutraal in 2030 en vormt de start voor de uitvoering. Het Koersdocument en het Aanjaagfonds zijn instrumenten om invulling te geven aan het behalen van de doelstelling. Het Koersdocument is de basis waarop we initiatieven voor duurzame energieopwekking willen toetsen en ruimtelijk willen inpassen. Het biedt inwoners, lokale initiatieven en ondernemers de mogelijkheid om mee te doen en mee te beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Het Aanjaagfonds is een instrument die voor lokale initiatieven het financieel mogelijk maakt om duurzame energieprojecten te realiseren. We helpen hen daarmee om een versnelling in de duurzame energieopwekking op gang te brengen.
De gemeente Bronckhorst sluit ten aanzien van waterhuishouding aan op het rijksbeleid, zoals vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027, het Waterbeleid voor de 21e eeuw en het beleid van het Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) ten aanzien van integraal waterbeheer, zoals vastgelegd in de Watervisie 2030, het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Waterverordening.
Verordening op de afvoer van Hemelwater gemeente Bronckhorst 2022 (Hemelwaterverordening)
Om het risico op wateroverlast bij bedrijven en inwoners te beperken houdt de gemeente Bronckhorst vast aan de ambitie uit het oude watertakenplan om in 2050 30% van het verhard oppervlak, ten opzichte van de peildatum 1 januari 2018, dat loost op een gemengd rioolstelsel afgekoppeld te hebben. Dat komt overeen met 2,2 ha per jaar. Volgens de KNMI valt er de komende decennia tijdens buien steeds meer water. Zowel de piek als het totaal volume per bui neemt toe. Door het afkoppelen van 30% van het verhard oppervlak daalt tijdens een bui zowel het totaal volume als de piek van het af te voeren afvalwater Met de vaststelling van de Hemelwaterverordening heeft de gemeente een juridisch kader waarmee zij inwoners kan verplichten mee te werken aan het afkoppelen van hemelwater. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet maakt deze verordening van rechtswege onderdeel uit van het Omgevingsplan.
De Hemelwaterverordening regelt dat het college van burgemeester en wethouders gebieden kunnen aanwijzen waar afkoppelen verplicht is. Zolang het college deze gebiedsaanwijzing nog niet heeft gedaan, is deze verordening alleen van toepassing op alle nieuwe bouwwerken en bouwwerken die vanaf 2012 zijn gebouwd. Ook is de verordening meteen van toepassing op gebouwen die vanaf de inwerkingtreding van deze verordening ingrijpend gerenoveerd worden, een groter bebouwd oppervlak en/of er bouwlagen bij krijgen.
Watertakenplan Olburgen 2023-2027
Dit watertakenplan (WTPO) beschrijft de water- en rioleringsaspecten voor de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de uitvoeringsprogramma’s van Bronckhorst, Doesburg en Rheden.
Met de Omgevingswet vervalt de plicht voor een gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Gemeenten en waterschap houden wel de zorgtaken voor water, riolering en zuivering. Beleid en plannen blijven nodig, maar hoeven niet meer apart vastgesteld te worden. Dit wordt onderdeel van de ‘nieuwe documenten’ van de Omgevingswet. Voor gemeenten zijn dat de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de programma’s. Het waterschap heeft het waterbeheerprogramma en de waterschapsverordening.
Het WTPO bestaat uit vier onderdelen:
een visie op water die opgenomen kan worden in de omgevingsvisie,
een voorstel voor regels in het omgevingsplan,
een water-/rioleringsprogramma voor de komende planperiode
en een kostendekkingsplan ter onderbouwing van de rioolheffing.
Gezamenlijk plan
De rioleringen van Bronckhorst, Doesburg en Rheden brengen het afvalwater naar de afvalwaterzuivering Olburgen van Waterschap Rijn en IJssel. De rioolstelsels en rwzi vormen samen één afvalwatersysteem. De drie gemeenten en het waterschap werken samen om hun inspanningen op elkaar af te stemmen, van elkaar te leren en gezamenlijke projecten te ondernemen. Zodoende kunnen zij effectiever en efficiënter werken. Bronckhorst, Doesburg, Rheden en Waterschap Rijn en IJssel hebben een gezamenlijke visie en hebben samen één beleidsplan voor het afvalwatersysteem gemaakt: het WTPO. Op onderdelen is het beleid specifiek voor een van de gemeenten of het waterschap.
Reikwijdte
Het WTPO gaat over de drie gemeentelijke watertaken (afvalwater, hemelwater en grondwater), de zuiveringstaak van het waterschap (rwzi) en de raakvlakken met het oppervlaktewater, de ruimtelijke omgeving en klimaatadaptatie.
Gebied
Het plangebied is het grondgebied van de gemeenten Bronckhorst, Doesburg en Rheden, plus de delen van het afvalwatertransportstelsel van Olburgen die net buiten dit grondgebied liggen. Onder dit laatste valt bijvoorbeeld rioolgemaal Angerlo, dat via Doesburg afvoert naar rwzi Olburgen. Een deel van gemeente Rheden en een klein deel van Bronckhorst voeren water af naar andere rwzi’s en vallen daarmee buiten het afvalwatersysteem Olburgen. Toch zijn ook die gebieden onderdeel van dit WTPO, omdat het plan de gehele rioleringszorg van de gemeenten omvat.
Klimaatadaptatie
De risico’s op overstroming worden beperkt door maatregelen van het waterschap en Rijkswaterstaat. De risico’s op wateroverlast wil de gemeente beperken tot de streefwaarden die in 2018 zijn vastgesteld. Dit houdt in dat op alle plekken in de gemeente er elk jaar tot 5% kans is dat er een bui valt die schade veroorzaakt. Om dit te bereiken gaan we op meerdere plekken in gemeente afkoppelen, vijvers aanleggen en leidingen vergroten.
In 2018, 2019 en 2020 kampte we met droogte. Naar verwachting gaat dit vaker voorkomen. Gemeente en waterschap willen samen met bewoners en bedrijven bekijken wat we kunnen doen om problemen te verminderen. Dit is nog niet uitgewerkt in maatregelen.
Door de landelijke groene omgeving geeft hitte nog geen grote problemen in Bronckhorst. Dit willen we zo houden. Daarvoor moeten we zorgen voor voldoende groen, water en schaduw in de kernen. Dit nemen we mee bij alle projecten in de openbare ruimte. Groen en afkoppelen zijn goed te combineren en biedt kansen om de leefomgeving verder te verbeteren.
Met ingang van 1 oktober 2000 is tengevolge van wijziging van zedelijkheidswetgeving de opheffing van het algemene bordeelverbod in werking getreden. Met de opheffing van dit verbod is een einde gekomen aan het illegale karakter van deze prostitutiebedrijven. De verwachting bestaat dat van deze wetswijziging een sanerende werking uitgaat en uiteindelijk zal leiden tot een betere regulering van de prostitutiebranche.
Ondanks het feit dat deze bedrijvigheid in Bronckhorst momenteel niet voorkomt, is de opheffing van het bordeelverbod voor de gemeente aanleiding geweest om de eventuele vestiging en exploitatie van de aan de seksindustrie gelieerde bedrijven/activiteiten planologisch nader te reguleren.
In de bestemmingsplannen van Bronckhorst is de vestiging van een sexinrichting in eerste aanleg uitgesloten. Middels een wijzigingsbevoegdheid kan onder voorwaarden het vestigen van maximaal één seksinrichting in een daarvoor aangwezen zone worden toegelaten. Bij het bepalen van die zone is rekening gehouden met de uitstraling die een sexinrichting heeft naar de omgeving.
Met het beleidsplan beschrijven we hoe wij onze taken op het gebied van Toezicht en Handhaving voor de periode 2023-2027 gaan uitvoeren. Wat doen we en welke keuzes worden daarbij gemaakt. Hiermee voldoet wij aan onze wettelijke verplichte taak.
Het doel is het borgen van een veilige woon- en leefomgeving voor iedereen in de gemeente Bronckhorst. Dit doet wij samen met onze inwoners, bedrijven en partners. De gemeente Bronckhorst moet een gemeente zijn waar het prettig wonen, werken en recreëren is voor nu en in de toekomst.
Strategieën
Activiteiten gericht op het naleven van regels, vormen samen de 'naleefstrategie'. Met deze strategieën willen wij handhavend optreden voorkomen. Dit doen wij door aan de voorkant het gedrag van onze inwoners te beïnvloeden en aan de andere kant de risico’s die ontstaan bij overtreding van de voorschriften zo veel mogelijk te voorkomen.
Het voorkomen van overtredingen door:
Voorlichting en Communicatie
Via de gemeentelijke website informeren we inwoners en bedrijven en lichten wij hen voor over actuele informatie over wet- en regelgeving. Ook zijn wij actief op social media om onze doelgroep te vergroten.
Persoonlijk contact/overleg
Wij leggen in persoonlijk contact uit wat de geldende wet- en regelgeving is, wat ons beleid is en hoe wij dit uitvoeren. Wij voeren het goede gesprek!
Juridische sancties
Juridische sancties opleggen heeft een preventief effect (slecht gedrag wordt niet beloond).
Het controleren van activiteiten door:
Risico gestuurd toezicht
De mate en diepgang van ons toezicht is gericht op risicovolle activiteiten.
Repressief toezicht
Een deel van ons toezicht vindt plaats door te reageren op klachten/meldingen en verzoeken tot handhaving.
Integraal toezicht
Toezichthouders controleren en signaleren waar mogelijk samen, voor elkaar (en handhavingspartners).
Het optreden tegen overtredingen:
Landelijke handhavingsstrategie (LHS)
De (interventiematrix van de) LHS gebruiken wij als uitgangspunt voor ons handhavend optreden.
Handhaven tegen bestuursorganen
Dit doen wij volgens het beleid en gelijk aan handhaving tegen inwoners/bedrijven.
Persoonlijk contact/overleg
Wij leggen wet- en regelgeving uit en geven duidelijkheid over hoe wij invulling en uitvoering geven aan ons beleid. De overtreder wordt verzocht om zo snel mogelijk de overtreding te beëindigen.
Wij gebruiken de LHS als richtlijn. Door de LHS treden handhavende instanties, zoals overheden, omgevingsdiensten, het OM en de politie op eenzelfde manier op bij overtredingen. Zo ontstaat een gelijk speelveld, wordt het rechtsgevoel gerespecteerd en blijft de leefomgeving veilig, schoon en gezond. De LHS bevat een stappenplan met hulpmiddelen om passend te reageren op bevindingen van een toezichthouder. Een overtreding wordt beoordeeld op:
ernst van de (mogelijke) gevolgen en het gedrag van de overtreder;
verzwarende omstandigheden;
op de vraag of (ook) strafrechtelijke handhaving nodig is.
De bevindingen worden aan de hand van deze punten geplaatst in onderstaande matrix waardoor de vorm en mate van het handhavend optreden meer uniform wordt uitgevoerd. Dit betekent dat wij in soortgelijke situaties op dezelfde wijze optreden/handhaven.
Onze inzet is altijd gericht op het doen eindigen van een overtreding. Het laten voortduren van een overtreding (actief gedogen) doen wij dan ook alleen in uitzonderlijke situaties. Hierbij volgen wij de landelijke beleidslijn ‘Grenzen aan gedogen’.
Dit betekent dat wij gemotiveerd overtredingen accepteren wanneer:
het gedogen verantwoord is ter bescherming van de fysieke leefomgeving;
het dogen tijdelijk is;
het gedogen gebeurt in de vorm van een besluit.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan de toestemming om een illegaal schuurtje langer te mogen laten staan omdat binnen een afzienbare termijn op een andere plek een vervangend schuurtje mag worden gebouwd. In dat geval kunnen wij overwegen dat er sprake is van een overgangstermijn en het tijdelijk toestaan van de overtreding acceptabel is. Er is immers nog steeds zicht op het stoppen van de overtreding.
Bij het bepalen van de sanctie gaan wij uit van een voldoende prikkel om een overtreding te (doen) eindigen. Bij een overtreding wordt een constateringsrapport opgemaakt door de toezichthouder. De juridisch medewerker maakt een juridische verkenning op en toetst deze breed. Hier wordt ook een link gelegd met ketenpartners en andere beleidsvelden.
Op 23 februari 2023 heeft de gemeenteraad de Nota Lokaal Gezondheidsbeleid 2023-2026, ‘Gezonde keuzes in Bronckhorst’ vastgesteld. Volgens de wet publieke gezondheid is de gemeente verplicht om iedere vier jaar een gemeentelijke nota publieke gezondheid op te stellen. De afgelopen periode is gezondheid als integraal onderdeel van het beleidskader sociaal domein opgenomen. Voor de komende jaren wil de gemeente extra aandacht geven aan preventie en gezondheid. Het meerjarig doel van deze nota gericht op preventie en gezondheid van inwoners is: In 2026 maken meer mensen gezonde keuzes dan dat ze nu doen. Met de Nota geeft de gemeente vorm aan gezondheidsbeleid door een integrale benadering. Vanuit het gedachtengoed van Positieve gezondheid richten we ons hierbij op zowel de sociale als de fysieke leefomgeving en op individueel gedrag. Het gaat naast zorg, ook om welzijnsactiviteiten en specifieke interventies. Denk aan een aantrekkelijke (rookvrije) buitenruimte voor bewegen en ontmoeten. Het gaat ook over toegankelijke voorzieningen, het beperken van werkloosheid en schulden en het creëren van passende en betaalbare huisvesting.
De beleidsvisie Recreatie en Toerisme gemeente Bronckhorst geeft antwoord op de vraag waar Bronckhorst zich qua toerisme en recreatie de komende jaren op gaat inzetten. Het geeft richting aan de acties en profilering op het gebied van recreatie en toerisme voor de komende jaren. Dit moet leiden tot een verhoging van de kwaliteit van het toeristische aanbod, trekt meer recreanten en toeristen en stimuleert meer (gezamenlijke) productontwikkeling van toeristische ondernemers. Ook is het doel dat de groei van de bestedingen en de werkgelegenheid minstens net zo goed zijn als de gemiddelde ontwikkeling in de Achterhoek. De toeristische ondernemers en organisaties hebben met de beleidsvisie een duidelijk beleid en kaders ten behoeve van hun bedrijfs- en productontwikkeling. De visie is tot stand gekomen in samenspraak met betrokken ondernemers en organisaties uit de gemeente Bronckhorst en de regio.
/join/id/pubdata/gm1876/2025/8f3f24de67fb40a290baea474a0c6e74/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/34e50efb3dda49eebdda0f09ae294d67/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/f278a05c8bba4683829f2af6b4926c93/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/db8a3bf16a6e431e90403dfc966572b0/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/cbfc8e1b2b944b72a46936894ba04e72/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/3518a9936b2247008a09233a6cd664b8/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/5509c9af79954bd996b6229e7b09d628/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/148a8c64320b49b2badabd4d54515dd5/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/be4da20f22a144a3848ec2dc7dec8857/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/ff44fcb6b8bf45a2acc731791210ba67/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/73aef248f85b4f809ec9cc89c2233053/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/de2b7a851897476e96c45dcc433678b5/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/89c1e7160efe41bc854ae19db51db688/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/cd47f6855c2f4694a2a1a3fe33bba7ca/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/507fb3cbb68247bea6c8f8cb7359bff1/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/2da12991718d45c69e8da5dd474bf78f/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/804ea87d2a4047468d3054bdfb3eca73/nld@2025‑06‑06;11214391
/join/id/pubdata/gm1876/2025/a4cd8a2bc4d04994b35c5c0faf71801a/nld@2025‑06‑06;11214391
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-252729.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.