Gemeenteblad van De Wolden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| De Wolden | Gemeenteblad 2025, 252388 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| De Wolden | Gemeenteblad 2025, 252388 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Beleidsregel Wet kinderopvang De Wolden
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Wolden,
gelezen het ambtelijk voorstel;
overwegende, dat het gewenst is om een beleidsregel vast te stellen voor
de uitvoering van de gemeentelijke taken op grond van de Wet kinderopvang ;
omdat het gewenst is om beleid vast te stellen over het:
gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 1.61, eerste lid, 1.65, eerste en vierde lid, 1.66 en 1.72, eerste lid, van de Wet kinderopvang;
Gelet op het feit dat op de Beleidsregel Wet kinderopvang De Wolden inspraak is verleend in overeenstemming met de Inspraakverordening 2005 en op de terinzagelegging geen zienswijzen zijn ingediend
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
werkwijze ‘Streng aan de Poort’: dit is een werkwijze die is afgesproken tussen GGD’en en gemeenten over het toezicht op de kinderopvang. Daarbij is de gemeente streng bij het nemen van een besluit over een aanvraag in het kader van de Wet kinderopvang en verzoekt de toezichthouder kinderopvang van de GGD om het kindercentrum intensief te onderzoeken. Het onderzoek is breed en betreft niet alleen de nieuwe voorziening. De GGD kijkt bij de beoordeling ook naar de naleving van kwaliteitseisen bij eventueel andere kindercentra die u eerder heeft geopend. De GGD onderzoekt of exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang (Wko) en onderliggende regelgeving.
Hoofdstuk 2 Aanvragen tot exploitatie en wijzigingsverzoeken
Artikel 3 Aanvragen tot exploitatie van kinderopvang
Bij aanvragen tot exploitatie van kinderopvang geeft het college alleen toestemming voor exploitatie als de toezichthouder van oordeel is dat een houder van een kinderopvangvoorziening vanaf de start kan voldoen aan de kwaliteitseisen en verantwoorde en kwalitatief goede opvang kan aanbieden als bedoeld bij of krachtens de Wet kinderopvang gestelde regelgeving. Het college volgt daarbij de werkwijze Streng aan de Poort.
De beoordeling van de aanvraag op de eisen vanuit de Wet kinderopvang door het college vindt in afstemming met andere betrokken afdelingen van de gemeente plaats, die gaan over:
vergunningen. Het gaat om vergunningen die van belang zijn voor de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen. Zoals het voldoen aan alle relevante eisen met betrekking tot bouw, brandveiligheid en bestemmingen. Relevante stukken moeten aanwezig en in orde zijn. Niet voldoen aan onder andere milieuvereisten, bouwtechnische en brandveiligheidseisen kan directe gevolgen hebben voor de veiligheid van de kinderopvang; en
Hoofdstuk 3 Toezicht en handhaving
Artikel 4 Onderzoek toezichthouder
De toezichthouder voert de volgende onderzoeken uit namens het college:
Nader onderzoek: naar aanleiding van eerder geconstateerde overtreding(en) kan de toezichthouder onderzoeken of de overtreding hersteld is en hersteld blijft. Wanneer er een handhavingsmaatregel is ingezet, onderzoekt de toezichthouder nadat de hersteltermijn is verstreken of de overtreding is hersteld en de handhavingsmaatregel is opgevolgd; en
Hoofdstuk 4 Handhavingstrajecten
Paragraaf 4.1 Herstellend handhaven
Artikel 8 Hoogte last onder dwangsom
Bij de bepaling van de grootte van de organisatie als bedoeld in het eerste lid, is de registratie in het Landelijk Register Kinderopvang op het moment van het begaan van de overtreding het uitgangspunt. Voor het bepalen van de grootte van de organisatie neemt het college ook dat deel van de organisatie mee dat niet in de gemeente De Wolden is gevestigd.
Paragraaf 4.2 Bestraffend handhaven
Artikel 10 Hoogte bestuurlijke boete
Bij de bepaling van de grootte van de organisatie als bedoeld in het eerste lid, is de registratie in het Landelijk Register Kinderopvang op het moment van het begaan van de overtreding het uitgangspunt. Voor het bepalen van de grootte van de organisatie neemt het college ook dat deel van de organisatie mee dat niet in de gemeente De Wolden is gevestigd.
Artikel 11 Matiging of verhoging van de bestuurlijke boete
Indien de overtreding met opzet is begaan, dan wel sprake is van grove schuld (roekeloosheid) verhoogt het college de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, met 50% indien het OM afziet van strafvervolging of niet binnen dertien weken een reactie heeft gegeven op de aangifte bij het OM door het college.
Het college kan de boete matigen, als de aard van de overtreding, de omstandigheden waaronder deze is begaan hiertoe aanleiding geven of degene die de bestuurlijke boete opgelegd krijgt deze gelet op zijn financiële draagkracht, op het moment dat de boete wordt opgelegd, niet binnen één jaar kan aflossen. In geval van grove schuld is de aflostermijn achttien maanden en bij opzet twee jaar.
Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen
Op overtredingen die zijn begaan vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregel blijft het Handhavingsbeleid kinderopvang en peuterspeelzaalwerk De Wolden 2012 van toepassing, indien toepassing van de huidige beleidsregel tot een hogere last onder dwangsom of bestuurlijke boete leiden.
Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 27-05-2025.
De secretaris, De burgemeester,
Roelof Pieter Koning Inge C.J. Nieuwenhuizen
In deze beleidsregel staat hoe het college toezicht houdt op de kwaliteit van de kinderopvang, aanvragen afhandelt tot exploitatie en wijzigingsverzoeken voor kinderopvang en hoe het college handhaaft op overtredingen van de Wet kinderopvang en daarop gebaseerde regelgeving. Het college kan herstellende en bestraffende maatregelen opleggen. Door het prioriteren (laag, gemiddeld en hoog) van iedere overtreding geeft het college aan hoe ernstig hij een overtreding vindt. Dit heeft gevolgen voor de handhaving. In het afwegingsmodel kinderopvang, dat als bijlage bij de beleidsregel is opgenomen, is per overtreding de prioriteit, de hoogte van de last onder dwangsom en het boetebedrag opgenomen. Het doel van de beleidsregel is de kwaliteit van de kinderopvang in de gemeente De Wolden te waarborgen.
De systematiek van deze beleidsregel is deels gebaseerd op het model van de VNG en het Beleid gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente De Wolden 2024. Op basis van een evaluatie van de voorheen geldende beleidsregel en wijzigingen in de wet- en regelgeving is deze beleidsregel aangepast en geactualiseerd. Vanwege de aard en omvang van de wijzigingen is een nieuwe beleidsregel vastgesteld.
In de Wet kinderopvang zijn minimale kwaliteitseisen opgenomen. De houder en gastouder moeten hieraan voldoen. Zij zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de kinderopvangvoorziening. GGD Drenthe houdt toezicht door inspecties bij kinderopvangvoorzieningen en stelt hiervan inspectierapporten op. De GGD Drenthe houdt jaarlijks een inspectie (regulier toezicht), maar kan dit ook naar aanleiding van meldingen of eerdere inspecties doen.
Als bij een voorziening voor gastouderopvang in de gemeente De Wolden een overtreding is begaan en deze voorziening voor gastouderopvang is aangesloten bij een gastouderbureau dat niet in de gemeente De Wolden gelegen of gevestigd is, kan het college een bestuurlijke boete opleggen aan dit gastouderbureau.
Artikel 3 Aanvragen tot exploitatie
Bij aanvragen volgt het college de werkwijze ‘Streng aan de Poort’.
Pas als de toezichthouder van oordeel is dat de exploitatie van de kinderopvangvoorziening redelijkerwijs zal plaatsvinden volgens de voorschriften van de Wko en onderliggende regelgeving geeft het college toestemming voor exploitatie. Daarbij is van belang dat ook de vergunningen op orde zijn en de exploitatie in overeenstemming is met het bestemmingsplan plaatsvindt. Bij de beoordeling speelt verder de kwaliteit bij andere kinderopvangvoorzieningen van de houder een rol. Indien bij andere kinderopvangvoorzieningen van de houder het college heeft moeten overgaan tot bestuursdwang en/of het opleggen van een bestuurlijke boete zal het college de aanvraag tot exploitatie afwijzen, tenzij de toezichthouder geconstateerd heeft dat de houder de overtreding heeft hersteld. De houder heeft dan immers een eerdere aanwijzing niet opgevolgd of er is sprake van recidive waardoor meteen tot bestuursdwang is overgegaan. Zie toelichting artikel 6 over de herstelmaatregelen.
Artikel 4 Onderzoek toezichthouder
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting
In het Beleid gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente De Wolden 2024 staat welke onderzoeken de toezichthouders doen voor de gemeente. De bevindingen van de toezichthouders worden in een inspectierapport vastgelegd. Op basis van dit rapport en het daarin door de toezichthouders gegeven advies, treedt het college handhavend op. Dit doet het college op basis van het afwegingsmodel kinderopvang dat als bijlage onderdeel uitmaakt van deze beleidsregel. Daarin zijn verkort de overtredingen weergegeven in het afwegingsmodel kinderopvang. Voor de volledige kwaliteitseisen wordt verwezen naar de wet- en regelgeving. Per overtreding is een prioriteit gegeven, die tot uiting komt in de duur van de gegeven hersteltermijn en de hoogte van de last onder dwangsom en de hoogte van de bestuurlijke boete. Naarmate de prioriteit hoger is, is de hersteltermijn korter en de last onder dwangsom en/of bestuurlijke boete hoger. Een overtreding kan een lage, gemiddelde of hoge prioriteit hebben. Een hoog geprioriteerde overtreding vindt het college ernstig.
De bevoegdheid van het college om te handhaven volgt uit de wet- en regelgeving, niet uit deze beleidsregel. Als een overtreding niet in de beleidsregel opgenomen is, kan het college hierop wel handhaven. Reden waarom het vierde lid is opgenomen in dit artikel.
Artikel 6 Onderwerpen van handhaving
Het college gaat terughoudend om met de bevoegdheid in het derde lid. Deze mogelijkheid ontstaat wanneer de feitelijk leidinggevende kennis heeft of had moeten hebben van de overtreding én hij het in zijn macht heeft of had moeten hebben om de overtreding te voorkomen. Zo kunnen leidinggevenden zich niet verschuilen achter rechtspersonen.
De stappen in het tweede lid volgen elkaar op. Wanneer een stap leidt tot het gewenste resultaat, bijvoorbeeld het beëindigen van een overtreding, stopt het hersteltraject. De volgende stap wordt dan niet uitgevoerd.
Aanwijzing, last onder dwangsom en -bestuursdwang
Met een aanwijzing, een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang verplicht het college de houder om binnen een gestelde termijn een herstelmaatregel te nemen. Als de houder de aanwijzing niet opvolgt, volgt een last onder dwangsom. Wanneer een houder de last onder dwangsom niet opvolgt, moet deze een dwangsom betalen. Als de houder de last onder bestuursdwang niet opvolgt, kan het college door feitelijk handelen zelf de maatregel nemen op kosten van de overtreder.
Het verbieden van het in exploitatie houden van een kinderopvangvoorziening is een tijdelijke maatregel. Het college kan een exploitatieverbod opleggen:
Wanneer de overtreding aantoonbaar is beëindigd en de houder naar verwachting redelijkerwijs blijft voldoen aan de kwaliteitseisen, geeft het college toestemming aan de houder om de exploitatie te hervatten.
Intrekken toestemming tot exploitatie
Het college kan de beschikking waarin toestemming tot exploitatie is gegeven intrekken en de kinderopvangvoorziening verwijderen uit het landelijk register kinderopvang als:
Er is sprake van illegale kinderopvang als:
Dit kan leiden tot vervolging door het Openbaar Ministerie vanwege het overtreden van de Wet op de economische delicten of tot een bestuurlijke boete van het college.
De in het vijfde lid vastgestelde hersteltermijnen zijn maximale termijnen. Naarmate de overtreding door het college ernstiger wordt geacht, is de hersteltermijn korter.
Het college kan de houder verplichten de maatregel per direct te nemen. Bijvoorbeeld bij een overtreding van de beroepskracht-kindratio. Om te controleren of een overtreding tijdig is beëindigd, kan het college:
Als de overtreding niet is beëindigd, volgt de volgende stap van de herstelmaatregelen.
Bij de last onder dwangsom is de maximale hersteltermijn (begunstigingstermijn) korter dan bij de aanwijzing als het gaat overtredingen met een gemiddelde of lage prioriteit. De houder is bij de aanwijzing immers al in de gelegenheid gesteld om de overtreding te herstellen.
Van belang is wel dat het herstel haalbaar moet zijn binnen de gegeven hersteltermijn (begunstigingstermijn).
Artikel 8 Hoogte last onder dwangsom
De hoogte van de last onder dwangsom is afhankelijk van de overtreding. Naarmate de overtreding door het college ernstiger wordt geacht, geeft het college aan handhaving daarvan een hogere prioriteit en is de last onder dwangsom hoger zoals weergegeven in het afwegingsmodel kinderopvang. Bij de vaststelling van de hoogte van de last onder dwangsom kijkt het college naar de grootte van de organisatie. Hoe en op welk moment het college dat doet staat in het derde lid. In het afwegingsmodel kinderopvang staan maximumbedragen. Dit kan betekenen dat in een individueel geval ook een lagere dwangsom kan worden opgelegd.
Van een dwangsom moet een financiële prikkel uitgaan voor de houder om de overtreding te herstellen. Indien de last onder dwangsom niet in verhouding staat tot de financiële draagkracht, moet het college kunnen afwijken van de maximale bedragen in het afwegingsmodel kinderopvang.
In beginsel legt het college pas een bestuurlijke boete als de houder de aanwijzing niet heeft opgevolgd. Dit is alleen anders indien er sprake is van recidive of in situaties waarin een herstelmaatregel niet van toepassing is. De boete heeft primair een bestraffende functie. Beëindiging van de overtreding betekent niet dat de bestuurlijke boete niet kan worden opgelegd.
Artikel 10 Hoogte bestuurlijke boete
Bij het opleggen van een boete gaat het college er in beginsel vanuit dat sprake is van normale verwijtbaarheid. Het is aan de houder om in zijn zienswijze aan te geven waarom sprake is van verminderde verwijtbaarheid op het moment dat de overtreding werd begaan.
Verder is de hoogte van de bestuurlijke boete afhankelijk van de ernst van de overtreding en de prioriteit die het college heeft gegeven aan het handhaven daarvan, zoals weergegeven in het afwegingsmodel kinderopvang. Bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete kijkt het college naar de grootte van de organisatie. Hoe en op welk moment het college dat doet, staat weergegeven in het derde lid.
Van een document, bijvoorbeeld het pedagogisch beleidsplan, kunnen meerdere onderdelen ontbreken. Wanneer het college per ontbrekend onderdeel een boete oplegt, kan de totale bestuurlijke boete nooit hoger worden dan het boetebedrag voor het totaal ontbreken van het pedagogisch beleidsplan.
Artikel 11 Matiging of verhoging van de bestuurlijke boete
Bij het opleggen en vaststellen van de hoogte van een bestuurlijke boete houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Om eventueel tot matiging over te gaan, verwacht het college een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat niet alleen gesteld wordt dat bepaalde omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat dit ook wordt aangetoond met bewijs.
Is sprake van opzet of grove schuld (roekeloosheid, dan hanteert het college ruimere aflostermijnen voor de op te leggen boete. De draagkracht op het moment dat de boete wordt opgelegd is daarbij van belang. Indien sprake is van opzet of grove schuld en de overtreding een direct gevaar oplevert voor de gezondheid of veiligheid van personen, doet het college aangifte bij het Openbaar Ministerie. Bij opzet en grove schuld ligt de bewijslast bij het college. Zo moet het college bij opzet aantonen dat de houder willens en wetens de overtreding heeft begaan.
De hardheidsclausule en de overgangs- en slotbepalingen behoeven geen nadere toelichting.
Bijlage: Afwegingsmodel Wet kinderopvang
Voor de toepassing van het afwegingsmodel wordt verwezen naar de artikelen 7 tot en met 11 van deze nadere regels. Daarin staat welke volgorde het college hanteert bij het opleggen van een herstelmaatregel. Ook staan daarin de hersteltermijnen (begunstigingstermijnen) die het college hanteert bij het geven van een aanwijzing of het opleggen van een last onder dwangsom. Verder staat in de nadere regels op welke wijze het college de hoogte van de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete vaststelt. Om inzichtelijk te maken waar de overtreding betrekking op heeft, maakt het model onderscheid tussen kinderopvang, buitenschoolse opvang, een voorziening gastouderbureau en een gastouderbureau.
De in het afwegingsmodel opgenomen bedragen voor bestuurlijke boetes en dwangsommen zijn in beginsel maximumbedragen.
VGO: voorziening gastouderopvang
Afwegingsmodel buitenschoolse opvang
Afwegingsmodel gastouderbureau
|
De houder van een gastouderbureau is aangesloten bij de Geschillencommissie Kinderopvang voor het behandelen van:
|
Afwegingsmodel voorziening voor gastouderopvang
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-252388.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.