Gemeenteblad van Nijmegen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nijmegen | Gemeenteblad 2025, 251099 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nijmegen | Gemeenteblad 2025, 251099 | ander besluit van algemene strekking |
Gedragscode en integriteitsprotocol voor politieke ambtsdragers
In Nijmegen streven we naar een bestuur, waar onze inwoners en bedrijven vertrouwen in mogen stellen. Dat betekent dat wij verantwoordelijkheid nemen en bereid zijn verantwoording af te leggen. De gedragscode bevat de gemaakte afspraken, richtlijnen en waarden over integriteit en onze omgang met elkaar die wij binnen onze gemeente belangrijk vinden.
In Nijmegen vinden wij een integere overheid belangrijk, willen wij verantwoordelijkheid nemen en kijken wij om naar elkaar. Deze begrippen vormen de algemene uitgangspunten voor de normen en afspraken in deze gedragscode.
Onze democratie en de manier waarop wij in de gemeente besluiten nemen en beleid maken, kunnen niet zonder een integere organisatie en integere politici. De gedragscode heeft bestuurlijke en politieke relevantie. Politieke ambtsdragers zijn op de naleving van gedragscodes aanspreekbaar. Wanneer zij zich er niet aan houden kan dat gevolgen hebben voor hun functioneren en positie. Het rechtskarakter van een gedragscode is dat van een interne regeling in aanvulling op de wettelijke regels. De code is belangrijk als beoordelingskader voor politieke ambtsdragers bij vragen, twijfels en discussies.
Integriteit gaat ook over de manier waarop wij ons werk doen en de onderlinge omgangsvormen. Wij vinden een respectvolle omgang met inwoners en organisaties, tussen politieke ambtsdragers onderling en tussen politieke ambtsdragers en medewerkers belangrijk, zonder dat dit ten koste gaat van ieders eigen politieke inhoud en stijl. Integer handelen is iets wat we steeds opnieuw in de praktijk moeten en willen brengen. Daarom moet reflectie op het handelen van politieke ambtsdragers regelmatig onderwerp van gesprek zijn, juist ook onderling. De gedragscode helpt om het gesprek tussen politieke ambtsdragers te ondersteunen.
Deze gedragscode heeft betrekking op de politieke ambtsdragers van Nijmegen: de raadsleden, de wethouders en de burgemeester. In deze code worden ook de fractievolgers daaronder begrepen. Waar het maken van onderscheid tussen de verschillende rollen nodig is wordt dit expliciet in de tekst van de code aangegeven.
Wanneer sprake is van niet-integer handelen van politieke ambtsdragers, kunnen zij daarop worden aangesproken. Maar wel nadat de feiten zorgvuldig zijn vastgesteld. Om die reden heeft de gemeenteraad van Nijmegen ook een handhavingsprotocol opgesteld. Dit is een protocol waarin staat hoe te handelen bij twijfel of vermoedens van integriteitsschendingen.
1. Afspraken over het voorkomen van belangenverstrengeling
Raadsleden hebben als gekozen politieke ambtsdragers het democratische mandaat en de democratische plicht om deel te nemen aan de besluitvorming in de raad. Collegeleden vormen als benoemde politieke ambtsdragers het uitvoerend bestuur dat staat voor een vertrouwenwekkend bestuur. Voor alle politieke ambtsdragers geldt dat zij het algemeen belang voor ogen houden, belangenverstrengeling tegengaan en hun invloed niet gebruiken voor hun eigen belang of de belangen van andere mensen of bedrijven waarbij zij persoonlijk betrokken zijn.
ARTIKEL 1.1 MELDEN VAN FUNCTIES NAAST HET POLITIEKE AMBT
Raadsleden informeren de griffier terstond over de functies die zij vervullen, na aanvaarding van nieuwe functies of als de omstandigheden met betrekking tot bestaande functies veranderen. Ook toekomstige functies worden gemeld, op het moment dat raadsleden weten dat zij deze functies gaan vervullen. De griffier draagt zorg voor directe openbaarmaking.
Collegeleden informeren de secretaris terstond over de functies die zij vervullen of als de omstandigheden met betrekking tot bestaande functies veranderen. Ook toekomstige functies worden gemeld, op het moment dat collegeleden weten dat zij deze functies gaan vervullen. De secretaris draagt zorg voor directe openbaarmaking. Als collegeleden voornemens zijn een nieuwe functie te aanvaarden dan melden zij dit aan de raad.
ARTIKEL 1.4 ONTHOUDEN VAN DEELNAME AAN BERAADSLAGING EN STEMMING
Politieke ambtsdragers nemen geen deel aan de beraadslaging en stemming over een onderwerp als er sprake is van een situatie die strijd met (artikel 58 en) artikel 28 Gemeentewet oplevert. Politieke ambtsdragers beïnvloeden in dat geval de betreffende besluitvorming, of de voorbereiding daarvan, ook niet op andere manieren of momenten.
Als de situatie in lid 1 aan de orde is, melden politieke ambtsdragers dit aan de voorzitter voordat de vergadering begint of bij het vaststellen van de agenda. Politieke ambtsdragers verlaten de vergadering bij de behandeling van het betreffende agendapunt of nemen plaats op de publieke tribune in geval van een openbare vergadering. Dit wordt aangetekend in de notulen.
Collegeleden die in de collegevergadering aanwezig zijn en voor wie artikel 58 en artikel 28 Gemeentewet niet van toepassing zijn, kunnen zich in onderling overleg onthouden van beraadslaging en/of stemming, indien meedoen aan de beraadslaging of stemming nadelige effecten zou hebben of ongewenste beeldvorming zou oproepen.
ARTIKEL 1.5 TEGENGAAN VAN EEN DRAAIDEURCONSTRUCTIE
Bij veel besluiten die de gemeenteraad en het college nemen, kan direct of indirect een persoonlijk belang van politieke ambtsdragers een rol spelen. Dat is inherent aan wonen, werken en recreëren in Nijmegen. Een persoonlijk belang hebben bij besluiten is op zichzelf niet altijd doorslaggevend bij de vraag of sprake is van belangenverstrengeling. Politieke ambtsdragers dienen zich volgens de wet van beraadslaging en stemming te onthouden als de besluitvorming hen persoonlijk of hun directe familie en vrienden aangaat of wanneer zij als vertegenwoordiger betrokken zijn. Of daar sprake van is, hangt in de eerste plaats af van de aard van het te nemen besluit. Gaat het om iets algemeens, wat gevolgen heeft voor een grotere kring van betrokkenen, dan staat het politieke ambtsdragers doorgaans vrij om daarover mee te praten en te stemmen – zolang zij daarbij maar het algemeen belang voor ogen blijven houden.
Naast de juridische kaders, waarbinnen niet snel sprake is van belangenverstrengeling, speelt ook de buitenwereld een rol. Die kijkt vaak kritisch mee. Het is belangrijk dat politieke ambtsdragers aan inwoners kunnen uitleggen dat hun persoonlijk belang geen invloed heeft op de besluitvorming. Publieke discussie hierover kan immers afbreuk doen aan het vertrouwen in (de besluitvorming van) de gemeente. Waar voor collegeleden geldt dat zij zich soms beter afzijdig kunnen houden van besluiten als zij de schijn tegen hebben, geldt bij uitstek voor raadsleden dat zij worden geacht midden in de maatschappij te staan. Bij raadsleden gaat het om een juiste balans tussen hun democratische mandaat en voorzichtigheid. Uiteindelijk maakt de politieke ambtsdrager zelf altijd de afweging of het zich dient te onthouden van een stemming of beraadslaging. Is er twijfel dan kunnen politieke ambtsdragers advies inwinnen.
Voor raadsleden geldt dat zij naast het raadswerk veelal nog andere functies hebben. Dat hoort bij de positie van lokale volksvertegenwoordigers. Ook collegeleden kunnen nevenfuncties hebben. Zij moeten niet alleen hun nevenfuncties melden en openbaar maken, maar ook het voornemen tot aanvaarding van nieuwe nevenfuncties melden aan de gemeenteraad. Deze verplichting komt voort uit het feit dat de gemeenteraad een controlerende rol heeft.
2. Afspraken over de omgang met geschenken en uitnodigingen
Politieke ambtsdragers mogen geen geschenken aannemen of geven, of beloften doen in ruil voor een tegenprestatie. In de ambtseed of belofte verklaart een politieke ambtsdrager aan niemand iets te hebben gegeven of beloofd om te worden benoemd en ook in de toekomst geen geschenken aan te nemen of beloften te doen in ruil voor een tegenprestatie.
ARTIKEL 2.1 OMGANG MET GESCHENKEN, FACILITEITEN EN DIENSTEN
Politieke ambtsdragers nemen van derden geen geschenken aan en accepteren geen faciliteiten of diensten waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die hen uit hoofde van of vanwege hun functie als politieke ambtsdrager worden aangeboden, tenzij het gaat om een incidentele, kleine attentie (zoals een bloemetje of een fles wijn) met een geschatte waarde van maximaal € 50.
ARTIKEL 2.3 BUITENLANDSE DIENSTREIZEN
Politieke ambtsdragers die het voornemen hebben uit hoofde van hun functie of uit hoofde van een ambtsgebonden nevenfunctie een buitenlandse reis (daaronder valt ook een reis naar de landen van het Koninkrijk in de Caraïben en de BES eilanden) te maken of worden uitgenodigd voor een buitenlandse reis of werkbezoek op kosten van derden, hebben vooraf toestemming nodig van het bestuursorgaan waar zij deel van uit maken. De betreffende politieke ambtsdragers verschaffen voor de besluitvorming informatie over het doel van de reis, het gekozen vervoersmiddel, de bijbehorende beleidsoverwegingen, de samenstelling van het gezelschap, de geraamde kosten en de wijze waarop van de reis verslag wordt gedaan. De burgemeester, als bestuursorgaan, behoeft toestemming van het college. Het gemeentelijk belang van de reis is doorslaggevend voor de besluitvorming.
Het ten laste van de gemeente meereizen van de partner van een politieke ambtsdrager naar en in het buitenland is uitsluitend toegestaan wanneer dit gebeurt op uitnodiging van de ontvangende partij en het belang van de gemeente daarmee gediend is. Het meereizen van de partner wordt bij de besluitvorming betrokken.
Geschenken en uitnodigingen kunnen een sluiproute naar oneigenlijke beïnvloeding zijn. Uitgangspunt bij de afspraken over geschenken, faciliteiten, diensten en uitnodigingen is dat kleine attenties en attenties die een functioneel doel hebben mogen worden aangenomen. Het is belangrijk dat geschenken en uitnodigingen transparant zijn, niet bovenmatig zijn en dat er geen (schijn van) afhankelijkheid ontstaat.
Bij buitenlandse dienstreizen kan snel het beeld ontstaan van een snoepreisje. Om deze beeldvorming te vermijden en politieke ambtsdragers houvast te bieden over het kader waarbinnen de dienstreizen kunnen worden gemaakt, zijn in deze gedragscode afspraken opgenomen.
3. Afspraken over de omgang met gemeentelijke voorzieningen
De gemeente werkt met belastinggeld. Politieke ambtsdragers gaan daarom zorgvuldig om met gemeentelijke faciliteiten en financiële middelen en gebruiken die alleen waar ze voor zijn bedoeld. Politieke ambtsdragers maken gebruik van voorzieningen die de gemeente hun ter beschikking stelt. Zij maken kosten bij de uitoefening van hun ambt, waarvoor zij een vergoeding ontvangen. In de wet staat dat geen andere vergoedingen zijn toegestaan dan waarin de wet voorziet.
ARTIKEL 3.1 GEMEENSCHAPPELIJKE RUIMTES
Politieke ambtsdragers houden zich aan de regels voor het gebruik van algemene interne voorzieningen, zoals vergaderruimtes.
ARTIKEL 3.3 GEBRUIK ICT- MIDDELEN
Politieke ambtsdragers houden zich bij gebruik van de ICT-middelen van de gemeente aan de interne werkafspraken . Daarbij is van belang dat:
ARTIKEL 3.4 GEBRUIK DIENSTAUTO
Het college bepaalt in hoeverre burgemeester en wethouders voor hun dienstreizen gebruik maken van een dienstauto (met of zonder chauffeur) en of van de dienstauto gebruik kan worden gemaakt voor woon-werkverkeer of voor de uitoefening van q.q.-nevenfuncties.
Politieke ambtsdragers bevinden zich onder een vergrootglas als het gaat over het vergoeden van gemaakte kosten of het gebruikmaken van voorzieningen. Van politieke ambtsdragers mag een zekere soberheid worden verwacht en zij hebben een voorbeeldfunctie. Het is moeilijk uit te leggen als een politieke ambtsdrager in economisch moeilijke tijden een beroep doet op de soberheid van burgers, terwijl die zelf veel kosten declareert.
Politieke ambtsdragers dragen immers vaak zelf de eindverantwoordelijkheid voor het kostenniveau van een bepaalde voorziening of verstrekking. Uitgaven die ogenschijnlijk van ondergeschikt belang zijn, kunnen in de publiciteit breed worden uitgemeten en de reputatie van een politieke ambtsdrager aantasten.
4. Afspraken over de omgang met informatie
Politieke ambtsdragers gaan zorgvuldig en correct om met de informatie die zij hebben. Daar hoort ook bij dat zij niet met opzet een feitelijk onjuiste voorstelling van zaken geven over gebeurtenissen in en rond de gemeente. Zij streven met elkaar naar een open en controleerbare overheid.
ARTIKEL 4.1 OPEN EN CONTROLEERBAAR
Politieke ambtsdragers handelen in overeenstemming met de letter en de geest van de Gemeentewet en van de Wet open overheid. Zij streven ernaar open en transparant te zijn over het gevoerde beleid en de beweegredenen daarvoor.
ARTIKEL 4.2 OMGANG MET GEHEIME INFORMATIE
Geheime informatie is informatie waar formeel geheimhouding is opgelegd (op grond van de artikelen 87, 88 en 89 Gemeentewet). Politieke ambtsdragers zijn dan wettelijk verplicht tot geheimhouding. Het schenden van de geheimhouding is strafbaar. De afspraken over (de omgang met) geheimhouding zijn vastgelegd in het Protocol geheimhouding.
Een respectvolle omgang met elkaar en met informatie is een vereiste om met elkaar tot een werkelijk debat te komen op basis van feiten. Verspreid daarom niet bewust onjuiste informatie en controleer bronnen. De politieke duiding en waardering van feiten is (uiteraard) aan politieke ambtsdragers.
5. Afspraken over omgangsvormen en het politieke samenspel
Politieke ambtsdragers gaan op respectvolle wijze om met elkaar, medewerkers en inwoners. Zij gedragen zich als een goede ambassadeur van de gemeente en houden de eer en het aanzien van de gemeente hoog. Politieke ambtsdragers zorgen met elkaar voor een veilige werksfeer.
ARTIKEL 5.2 OMGANGSVORMEN IN VERGADERING
Iedereen heeft recht op een sociaal veilige werkomgeving, ook politieke ambtsdragers. Los van de gevolgen van grensoverschrijdend gedrag op individueel niveau, zijn correcte omgangsvormen van politieke ambtsdragers van belang voor het goed functioneren van de democratie. Een respectvolle omgang met elkaar is een vereiste om met elkaar tot een werkelijk debat te komen op basis van feiten. Bovendien zijn onderlinge omgangsvormen in de raad en in het college van betekenis voor de vraag hoe inwoners en bedrijven naar de gemeente kijken. De manier waarop de raad en het college onderling en met elkaar omgaan is van invloed op de geloofwaardigheid van de politiek. Het goede voorbeeld geven, ook in de privésfeer, is daarbij in de praktijk de norm.
Politiek is debatteren, en kan daarbij ook een arena van strijd en emotie zijn. Daar mogen verschillen worden uitvergroot. Daarbij geldt wel: we houden oog voor elkaars welzijn. Als politieke ambtsdragers zichtbaar over elkaars grenzen gaan ligt de verantwoordelijkheid niet alleen bij de persoon die de ongewenste gedraging ervaart, maar ook bij overige politieke ambtsdragers die op dat moment getuige zijn.
ARTIKEL 6.1 EENDUIDIGE INTERPRETATIE
De gemeenteraad bevordert de eenduidige interpretatie van deze gedragscode. Bij niet-geregelde onderwerpen of onduidelijkheden in de gedragscode voorziet de raad daarin op voorstel van de voorzitter.
ARTIKEL 6.2 TOEZICHT OP NALEVING
Een gedragscode kan onmogelijk in alle situaties voorzien. Het is daarom van belang om regelmatig te reflecteren op de afspraken uit de gedragscode en op eventuele leemtes of onduidelijkheden. Daarbij kunnen ook de behoefte voor het bespreken van praktijkvoorbeelden of het volgen van trainingsbijeenkomsten worden gepeild. Op die manier blijft de gedragscode een levend document.
Het toezien op naleving van de gedragscode ligt ultimo bij de gemeenteraad als orgaan dat de gedragscode vaststelt. Bijzondere rollen zijn weggelegd voor de burgemeester als bevorderaar van bestuurlijke integriteit (artikel 170 lid 2 Gemeentewet) en voor de fractievoorzitters, als primus inter pares binnen hun fracties. De griffier en de gemeentesecretaris zijn als eerste adviseurs van de raad respectievelijk het college beschikbaar voor ondersteuning en advies.
Wanneer sprake is van een concreet vermoeden van niet-integer handelen, dan geldt het handhavingsprotocol. Dit protocol biedt een met waarborgen omklede procedure om zorgvuldig om te gaan met meldingen en signalen en recht te doen aan zowel de melder als de betrokken politieke ambtsdrager.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 mei 2025,
De raadsgriffier,
Drs. S.J. Ruta
De voorzitter,
Drs. H.M.F. Bruls
De integriteit van het openbaar bestuur is verankerd in wetgeving en in door gemeenteraad vastgestelde gedragscode. Politieke ambtsdragers dragen zowel collectief als individueel verantwoordelijkheid voor de integriteit van het bestuur. Regels en beginselen die integer gedrag van politieke ambtsdragers borgen liggen daarmee vast en geven richting. Toch kan het gebeuren dat een politieke ambtsdrager gedrag vertoont dat bij anderen vragen oproept over de integriteit van dat gedrag. Op dat moment kan er sprake zijn van een vermoeden van een integriteitsschending.
Vertrekpunt van dit protocol is dat politieke ambtsdragers elkaar aanspreken en aanspreekbaar zijn op voorgenomen of getoond gedrag wanneer over dat gedrag vragen of twijfels bestaan. Het maakt daarbij niet uit of het nu gaat om gedrag van zichzelf of dat van een ander. Een aanspreekbare en open houding draagt eraan bij dat makkelijker het gesprek kan worden aangegaan over integriteitsvragen en -kwesties.
Als sprake is van een vermoeden van een integriteitsschending, wordt daar zorgvuldig mee omgegaan. Dit protocol beschrijft hoe te handelen bij een vermoedelijke integriteitsschending. Een duidelijk en eenduidig protocol is van belang voor iedereen die betrokken is bij een dergelijk vermoeden. Het gaat dan om degene die het vermoeden uit, degene over wie een melding wordt gedaan en de verschillende personen of organen die betrokken zijn bij de afhandeling. Het protocol drukt uit dat de politieke ambtsdragers bij een vermoeden van een integriteitsschending belang hechten aan zorgvuldigheid en objectiviteit. In die gevallen waarin het tot een onderzoek komt staat waarheidsvinding daarbij centraal. Individuele of partijpolitieke opvattingen zijn daaraan ondergeschikt. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan een proces dat zich kenmerkt als procedureel rechtvaardig.
Waarden en normen zijn geen statisch en onveranderlijk geheel, zij passen zich aan de omstandigheden zoals tijd en plaats aan. Ook dit protocol is geen statisch product. De burgemeester stelt de gedragscode, het integriteitsprotocol en de naleving ervan eenmaal per jaar aan de orde in het presidium en het seniorenoverleg respectievelijk het college.
Proportionaliteit: zo groot als nodig, zo klein als mogelijk
Een melding van een mogelijke integriteitsschending is ingrijpend voor alle betrokkenen: voor de melder, voor de beschuldigde maar ook voor (andere) betrokken functionarissen en voor de organisatie. Daarom staat bij de opvolging van de melding zorgvuldigheid voorop. Onder zorgvuldigheid wordt ook verstaan het oog hebben voor de betrokkenen en hun belangen. Het uitgangspunt in dit protocol is daarom dat de stappen die gezet worden steeds in verhouding staan tot het gemelde gedrag. De stappen zijn zo groot als nodig, maar tevens zo klein als mogelijk.
Onpartijdigheid en onafhankelijkheid
Van alle politieke ambtsdragers mag verwacht worden dat zij bij de behandeling van een vermeende integriteitsschending het algemeen belang leidend laten zijn en zich niet laten leiden door politieke kleur. Bij de behandeling van een melding zorgen betrokkenen ervoor dat er geen sprake is van eventuele verstrengeling van belangen. De betrokken functionarissen handelen onbevooroordeeld, neutraal en autonoom en laten zich niet oneigenlijk beïnvloeden door derden.
Zorgvuldigheid en zorgzaamheid
Alle betrokkenen bij een vermeende integriteitsschending hebben recht op een zorgvuldige behandeling ervan. Zorgvuldigheid komt bijvoorbeeld tot uitdrukking door:
Ook zorgzaamheid weegt zwaar bij de behandeling van vermeende integriteitsschendingen. Zorgzaamheid komt tot uiting door oog te hebben voor alle betrokkenen. Melder, slachtoffer of beschuldigde maar ook andere betrokkenen reageren elk op een andere manier op een vermeende integriteitsschending. Zij hebben daarbij in de verschillende fasen van het proces ieder eigen behoeften en mogelijk ook een hulpvraag, of behoefte aan nazorg. Het ligt bijvoorbeeld in de rede dat de gemeente zorgdraagt voor een adequate ondersteuning aan de melder en de beschuldigde politieke ambtsdrager. Zij kunnen zich hiervoor wenden tot de burgemeester. Afspraken hierover kunnen het beste gemaakt worden alvorens het integriteitsonderzoek start en worden schriftelijk vastgelegd. Door die behoefte te onderkennen en hier zo goed als mogelijk op in te spelen wordt zorgzaam omgegaan met alle betrokkenen.
Op grond van artikel 170 lid 2 van de Gemeentewet bevordert de burgemeester de bestuurlijke integriteit van de gemeente. Vanuit deze verantwoordelijkheid vervult de burgemeester een belangrijke rol bij de behandeling van vermeende integriteitsschendingen in de gemeente. De burgemeester geeft regie aan het proces dat volgt op een melding. Ongeacht de aard van de melding, de persoon van de melder of de ambtsdrager waarop de melding betrekking heeft, handhaaft de burgemeester de toepassing van dit protocol. Indien er een melding is gedaan over of onderzoek plaatsvindt naar de burgemeester, wordt deze rol vervuld door diens plaatsvervanger.
Terughoudendheid bij communicatie
Het is van belang dat betrokkenen bij een integriteitsschending terughoudend zijn met het doen van publieke uitspraken voordat feiten zijn vastgesteld. Voorkomen moet worden dat vermoedens afkomstig uit de media en/of van social media als vaststaande feiten worden gepresenteerd voordat aan waarheidsvinding is gedaan. Dit betekent ook dat tijdens het proces dat wordt doorlopen om die feiten vast te stellen centrale regie wordt gevoerd op de te voeren communicatie. De burgemeester draagt in voorkomend geval zorg voor interne en externe communicatie over een melding, een onderzoek en de uitkomsten daarvan. De kring van geïnformeerde personen wordt zo klein als mogelijk gehouden. Alleen (een woordvoerder van) de burgemeester spreekt zo nodig met de pers tijdens het doorlopen van het proces.
Aangifte is soms een keuze, soms verplicht
Als er in enige fase van de behandeling van de melding een redelijk vermoeden is dat een strafbaar feit is begaan, kan de burgemeester hiervan aangifte doen. Gaat het om een redelijk vermoeden van een ambtsmisdrijf, dan is de burgemeester hiertoe verplicht. Het gaat dan om strafbare feiten waarbij een politieke ambtsdrager ‘een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruikmaakt van macht, gelegenheid of middel, hem door zijn ambt geschonken‘. Tijdens de afhandeling van de aangifte wordt afgewogen of de werking van dit protocol voor de betreffende melding wordt opgeschort.
Werkingssfeer van dit protocol
Iedereen die in een relatie staat tot de gemeente kan twijfel hebben over het waargenomen gedrag van een politieke ambtsdrager. Of het nu gaat om inwoners, ondernemers, ambtenaren en andere medewerkers, leveranciers of politieke ambtsdragers, elk van hen kan twijfel over een vermoeden van een schending bespreken met de burgemeester, de secretaris of de griffier. Het melden van een vermoeden van een integriteitsschending gebeurt bij de burgemeester. Indien het vermoeden betrekking heeft op het gedrag van de burgemeester kan de melder terecht bij de plaatsvervangend voorzitter van de raad.
Dit protocol biedt houvast en richting voor het handelen bij vermoedens van integriteitsschendingen door raadsleden, fractievolgers, wethouders en de burgemeester. Het protocol wordt niet toegepast bij vermoedens van integriteitsschendingen door functionarissen die in een arbeidsverhouding staan tot de gemeente, zoals de algemeen directeur/secretaris, de griffier of andere ambtenaren.
Dit protocol biedt inzicht in de omgang met een vermoeden van een integriteitsschending. Het protocol vormt een basis voor het handelen van functionarissen bij de omgang met een vermoeden van een integriteitsschending. Hoewel het protocol richting geeft, vormt het geen vrijbrief om tijdens het te volgen proces niet zelf te reflecteren op wat nodig is. Als dat in het belang is van de gemeente of van een of meer van de betrokkenen, kan de burgemeester dan ook besluiten af te wijken van het protocol. De burgemeester is duidelijk over de argumenten daarvoor en legt hierover achteraf verantwoording af aan de gemeenteraad.
Fase 1: Aarzelingen of twijfel over een gedraging bespreken
Wat niet-integer handelen is, is niet altijd volstrekt duidelijk. Het kan zijn dat een politieke ambtsdrager twijfel of vragen heeft over de juistheid van (voorgenomen) handelen van zichzelf of van een ander. Het is verstandig die twijfel en vragen zo vroeg mogelijk te bespreken met anderen.
Bij een dilemma is sprake van een lastige keuze: over de beste handelwijze ten aanzien van een (mogelijk) probleem, over de interpretatie van regels, of over andere zaken waarin advies gewenst kan zijn. In het kader van dit protocol gaat het dan om twijfels of vragen in de preventieve sfeer: over kwesties die geen integriteitsschending zijn, maar wel de potentie hebben om dat te worden. Politieke ambtsdragers worden aangespoord om dergelijke dilemma’s in een vroeg stadium en laagdrempelig bespreekbaar te maken, om misstappen te vermijden.
Twijfels of vragen of een mogelijk integriteitsdilemma over het (voorgenomen) handelen van zichzelf of een ander kunnen door de politieke ambtsdrager ter advisering besproken worden met de griffier of de secretaris. Bij een dilemma is nog geen sprake van een schending maar wordt advies gevraagd over hoe te handelen. Als de politieke ambtsdrager en de griffier of gemeentesecretaris er samen niet uitkomen kunnen zij de kwestie voorleggen aan de burgemeester. Het is aan de politieke ambtsdrager of deze het advies al dan niet opvolgt en om hierover transparant te zijn. Ook als degene die een dilemma waarneemt zelf geen politieke ambtsdrager is, kan diegene zich wenden tot de griffier of de gemeentesecretaris.
Bij een vermoeden is sprake van de situatie dat iemand het waarschijnlijk acht dat sprake is van niet- integer handelen. Het gaat dan om een reeds voorgevallen situatie die duidt op een mogelijke integriteitsschending.
Bij een vermoeden van een integriteitsschending begaan door een ander, spreekt degene die het vermoeden heeft in beginsel eerst zelf de betreffende politieke ambtsdrager aan. Dit om meer duidelijkheid te krijgen over de kwestie en daarover het gesprek aan te gaan. Door zo’n gesprek kan in sommige gevallen al een gezamenlijke oplossing worden gevonden, zonder dat verdergaande stappen zoals een onderzoek nodig zijn. Wellicht was er sprake van onwetendheid of is er sprake van een misverstand. Ook kan er een logische verklaring zijn voor de gedraging waar de melder geen weet van heeft. Afhankelijk van de uitkomst van het hierboven beschreven gesprek kunnen twijfels en vragen over een vermoeden van een integriteitsschending ter advisering worden besproken met de griffier of de secretaris.
Aandachtspunt hierbij is dat alleen een als zodanig aangestelde (externe) vertrouwenspersoon gehouden is aan geheimhouding, andere functionarissen kunnen uit hoofde van hun rol of verantwoordelijkheid niet altijd volledige geheimhouding over het besprokene garanderen. Ook kunnen zij uit hoofde van hun functie verplicht zijn te handelen naar aanleiding van het besprokene. Op basis van de uitkomst van het gesprek met de ambtsdrager en het eventueel ingewonnen advies, kunnen zowel degene die het gedrag heeft waargenomen als degene die het gedrag heeft vertoond zich wenden tot de burgemeester.
Een melding van een vermoeden van een integriteitsschending wordt gedaan bij de burgemeester. Dit gebeurt vertrouwelijk. Bij meldingen over raadsleden of fractievolgers ondersteunt de griffier de burgemeester bij de behandeling van de melding. Bij meldingen over wethouders is deze ondersteuning in handen van de gemeentesecretaris. De burgemeester kan ook zelf op basis van eigen waarnemingen of externe berichtgeving een vermoeden van een integriteitsschending hebben. De burgemeester doet dan eigenstandig melding van het vermoeden. Dit doet hij dan door tussenkomst van zijn plaatsvervanger of de gemeentesecretaris bij zichzelf.
De melding wordt schriftelijk ingediend en moet over een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden gaan. Een melding van een mogelijke integriteitsschending bevat in ieder geval:
Als aan deze vereisten niet wordt voldaan stelt de burgemeester de melder gedurende een nader te bepalen periode van minimaal vijf werkdagen in de gelegenheid de melding met de vereiste informatie aan te vullen. Meldingen die na deze periode niet aan de vormvereisten voldoen, worden door de burgemeester niet in behandeling genomen. De melder wordt hierover schriftelijk geïnformeerd.
Te zetten stappen na een melding
In de ontvangstbevestiging wordt de melder uitgenodigd voor een gesprek met de burgemeester over de melding. Dit persoonlijke gesprek met de melder wordt zo spoedig mogelijk gevoerd. In dit gesprek vraagt de burgemeester om een toelichting op de melding en wat de melder beoogt te bereiken met de melding. Ook stelt de burgemeester vast of er een dringende reden is om de identiteit van de melder niet bekend te maken. Tot slot informeert de burgemeester de melder over de inhoud van dit protocol en doet de burgemeester waar dat gepast is een beroep op de melder om geen onnodige ruchtbaarheid te geven aan de zaak.
Na ontvangst van de melding wordt deze door de burgemeester beoordeeld. De burgemeester laat zich bij deze beoordeling ten minste bijstaan door de griffier of de gemeentesecretaris, afhankelijk van de positie van de politieke ambtsdrager over wie melding is gedaan. De burgemeester kan desgewenst deskundigen raadplegen. Bij de beoordeling van de melding kijkt de burgemeester naar de volgende toetsingscriteria:
Aard van het feit: Wat is er aan de hand? Is er sprake van een vermoeden van een schending van de gedragscode of van een andere integriteitsschending, en zo ja, wat voor soort integriteitsschending is het? Is er sprake van een redelijk vermoeden dat de melding een strafbaar feit inhoudt? Is er een geschonden norm aan te wijzen? Is de melding voldoende concreet?
Ernst van de zaak: Is de melding van voldoende gewicht? Hierbij wordt gelet op het feit zelf, de omstandigheden, de (functie van de) persoon op wie de melding betrekking heeft en op eventueel acuut gevaar of de maatschappelijke en/of politieke gevoeligheid. Hoe valt de weging van een onderzoek uit tegenover de eventuele gevolgen ervan? Is het op een andere manier op te lossen om daarmee de schade zoveel mogelijk te beperken?
De beoordeling als hiervoor beschreven kan leiden tot de volgende conclusies:
De melding krijgt geen vervolg, bijvoorbeeld omdat de melding niet over integriteit gaat of er overduidelijk geen sprake is van een integriteitsschending. De melder krijgt dan een gemotiveerd bericht dat de melding geen verdere opvolging krijgt. Indien van toepassing wordt de melder doorverwezen naar een ander orgaan.
De feiten zijn voldoende helder en eenduidig vast te stellen. De burgemeester informeert de politieke ambtsdrager over wie is gemeld over de melding en het dan bekende feitencomplex. Bezien wordt of en op welke wijze opvolging wordt gegeven aan de melding. De burgemeester weegt af of het seniorenoverleg wordt geïnformeerd. In de overweging betrekt de burgemeester onder meer de aard en de ernst van de zaak en de kans op ruchtbaarheid.
Er is een vooronderzoek nodig om de melding te beoordelen. De burgemeester gaat met ambtelijke ondersteuning na of er redenen zijn om aan te nemen dat de melding gegrond is. Op basis van de uitkomst van het vooronderzoek besluit de burgemeester vervolgens tot conclusie a) -geen opvolging- of conclusie b) –feitenonderzoek-. . De ambtelijke ondersteuning wordt geboden door een of meer personen die voldoende deskundig, objectief en politiek neutraal kunnen adviseren en geen betrokkenheid hebben bij de kwestie waarover de melding is ingediend.
De burgemeester kan besluiten tot een vooronderzoek. Een vooronderzoek is bedoeld als eerste screening van de melding en is gericht op het bepalen van een juiste opvolging van de melding: door de eerste screening worden nut en noodzaak van nader onderzoek in kaart gebracht en wordt stilgestaan bij de wenselijkheid van een andere opties voor opvolging van de melding. In geval nader onderzoek opportuun is, dient het vooronderzoek ook om de doelstelling en de reikwijdte van nader onderzoek te bepalen. Het vooronderzoek beperkt zich uitdrukkelijk tot het verzamelen van die feiten die nodig zijn om de opvolging van de melding te bepalen.
De gesprekspartners ontvangen voor aanvang van het gesprek een schriftelijke uitnodiging en dit protocol. In de uitnodiging staat een korte omschrijving van de aard van de melding en de aard van het te voeren gesprek. De betrokken politieke ambtsdrager wordt op gepaste wijze geïnformeerd over de inhoud van de schriftelijke melding of ontvangt een kopie.
De burgemeester komt tot een gemotiveerde schriftelijke beoordeling van de melding. Hierbij hanteert de burgemeester ten minste de volgende criteria: aard van het feit; ernst van de zaak; valideerbaarheid; positie of persoon van de bron; positie of persoon van de ambtsdrager op wie de melding betrekking heeft; waarschijnlijkheid; actualiteit.
De burgemeester informeert het seniorenoverleg, de politieke ambtsdrager over wie is gemeld en de melder over het advies en de wijze waarop er opvolging aan wordt gegeven. Als de betreffende politieke ambtsdrager wethouder is informeert de burgemeester ook het college. Dit tenzij er een zwaarwegend belang is een of meer van deze personen niet te informeren.
Afhandeling als er geen feitenonderzoek nodig is
Concludeert de burgemeester na de eerste screening of op basis van het vooronderzoek dat er geen nader feitenonderzoek nodig is, dan stelt de burgemeester een verslag op. Dit wordt gedeeld met de melder en de betrokken politieke ambtsdrager. Bij voorkeur wordt dit verslag persoonlijk met hen besproken.
Als sprake is van een vooronderzoek, maakt de beoordeling daarvan onderdeel uit van het verslag. De melder en de betrokken ambtsdrager mogen binnen twee weken na ontvangst van het verslag verzoeken om alsnog een uitgebreid nader onderzoek uit te laten voeren. De burgemeester informeert en hoort het seniorenoverleg over dit verzoek en laat zich adviseren door de griffier of secretaris. Gehoord deze functionarissen, neemt de burgemeester het besluit om al dan niet een nader feitenonderzoek in te stellen.
Als wordt besloten dat er een feitenonderzoek nodig is, formuleert de burgemeester een concept onderzoeksopdracht. De burgemeester bespreekt dit concept vertrouwelijk in een overleg met het seniorenoverleg Hierna verleent de burgemeester namens de gemeenteraad aan een (externe) onderzoeker de opdracht tot uitvoering van het onderzoek.
Een feitenonderzoek bestaat uit de volgende stappen:
Tijdens de uitvoering van het onderzoek kunnen zowel personen op ambtelijk en bestuurlijk niveau binnen de gemeente alsook externe partijen worden benaderd voor een interview. Deze interviews worden door ten minste twee personen gevoerd. Desgewenst kunnen geïnterviewden zich laten bijstaan voor emotionele of juridische ondersteuning.
Van de interviews worden gespreksverslagen gemaakt. Deze worden ter controle op juistheid en volledigheid voorgelegd aan de gesproken personen. De gesprekspartner heeft de mogelijkheid om binnen vijf werkdagen schriftelijk te reageren op feitelijke onjuistheden in het verslag. Als de gesprekspartner nieuwe verklaringen toevoegt, wordt hier melding van gemaakt in het verslag. Desgewenst kan een schriftelijke weergave van de afwijkende mening van de gesprekspartner bij het verslag worden gevoegd. De gespreksverslagen blijven in het bezit van de onderzoeker(s) en worden niet gedeeld met de gemeente.
De burgemeester stelt het rapport van het feitenonderzoek ter beschikking aan de onderzochte politiek ambtsdrager. Afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek besluit de burgemeester over het verdere vervolg.
Als uit het rapport blijkt dat geen sprake is van een integriteitsschending worden de personen die door het vooronderzoek en/of het feitenonderzoek al op de hoogte waren van de melding op passende wijze geïnformeerd over de uitkomst van het feitenonderzoek. De burgemeester weegt af of de gemeenteraad ook moet worden geïnformeerd en op welke wijze.
Als wel sprake is van een vastgestelde integriteitsschending legt de burgemeester in het rapport voor aan de gemeenteraad. De burgemeester beslist of daarbij geheimhouding wordt opgelegd. In deze bijeenkomst wordt besloten over de consequenties die aan de uitkomst van het onderzoek worden verbonden en wordt besloten over openbaarmaking ervan. De raad besluit om de geheimhouding al dan niet op te heffen. Tegen dit besluit staan rechtsmiddelen open voor belanghebbenden.
Ongeacht de uitkomst van de behandeling van een melding is het bieden van nazorg van belang, voor eenieder die betrokken is. De burgemeester gaat na welke nazorg voor de melder, de betrokken politieke ambtsdrager en eventuele anderen nodig is. De burgemeester evalueert ook het doorlopen proces en maakt zo nodig afspraken voor de toekomst.
Onderdeel van de nazorg is ook het leren van een integriteitsschending. Integriteitskwesties dragen bij aan de vorming van de eigen mores. De burgemeester stimuleert na afronding van een kwestie dat tijd en ruimte wordt genomen om van die kwestie te leren.
Als de burgemeester het vermoeden heeft dat er sprake is geweest van een opzettelijk valse melding, kan de burgemeester een onderzoek instellen naar de melder.
Jaarlijks brengt de burgemeester verslag uit aan de gemeenteraad over het aantal meldingen en uitgevoerde onderzoeken op het gebied van bestuurlijke integriteit.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-251099.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.