Gemeenteblad van Venlo
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Venlo | Gemeenteblad 2025, 242810 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Venlo | Gemeenteblad 2025, 242810 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Algemene subsidieverordening Venlo
De raad van de gemeente Venlo;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Venlo;
gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 4:23 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht;
Geamendeerd vast te stellen de Algemene subsidieverordening Venlo.
Met verwijdering van de tekst van artikel 15, lid 3 :
“Het college is te allen tijde bevoegd een steekproef te doen. Dit betekent dat wanneer een
subsidie wordt geselecteerd, de ontvanger hiervan bericht krijgt en wordt alsnog een
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
subsidie: De aanspraak op financiële middelen, door het college verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan de gemeente Venlo geleverde goederen of diensten. De gemeente Venlo onderscheidt de volgende typen subsidies:
eenmalige subsidie: subsidie die eenmalig wordt verstrekt ten behoeve van bijzondere en/of innovatieve activiteiten, experimenten, projecten, aanschaffingen of investeringen die door het college van belang worden geacht en die naar het oordeel van het college niet binnen de reguliere exploitatie van de organisatie hadden kunnen worden gedekt;
Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college op de volgende beleidsterreinen, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23 derde lid van de Awb (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is):
Het college kan bij subsidieregel vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin in ieder geval bepaald:
Artikel 5. Bevoegdheden, subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
Het college is bevoegd te beslissen op aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 4:23 lid 3 van de Awb en tot het afwijzen van aanvragen om subsidie waarvoor noch een wettelijke grondslag bestaat, noch het gestelde in artikel 4:23, lid 2 van de Awb van toepassing is. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
Het college is bevoegd om, binnen het financieel kader als bedoeld in lid 1, subsidieplafonds vast te stellen. De wijze van verdeling wordt bij Subsidieregel bepaald en bij het ontbreken van een subsidieregel wordt het beschikbare budget verdeeld naar volgorde van binnenkomst van ontvankelijke aanvragen.
De subsidieaanvrager is een rechtspersoon zonder winstoogmerk. Het college kan besluiten hierop uitzonderingen te maken. Het verlenen van een subsidie aan natuurlijke personen is slechts mogelijk indien een subsidieregel daar mogelijkheden toe biedt.
Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, voegt een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, een kopie van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, opgave van de bestuurssamenstelling, alsmede (indien van toepassing) van het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar toe aan de aanvraag.
Artikel 10. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden
Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvangers
Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college.
De subsidieontvanger, die een structurele subsidie per boekjaar ontvangt, behoeft toestemming van het college voor het verrichten van de in artikel 4:71 eerste lid van de Awb genoemde handelingen, althans voor zover deze handelingen leiden tot risico’s ten aanzien van de besteding van subsidiegelden.
De subsidieontvanger is verplicht om de risico’s die hij niet zelf kan dragen afdoende te verzekeren. Minimaal geldt een verplichting voor een verzekering tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid en een brand- en inboedelverzekering indien de subsidieontvanger eigenaar is van een accommodatie.
Artikel 12. Liquidatie, splitsing, fusie of faillissement
Verleende subsidies worden bij liquidatie, splitsing of fusie voor het nog niet gerealiseerde deel van het doel waarvoor subsidie is verleend terugbetaald aan de gemeente. Bij liquidatie worden het batig saldo van de liquidatierekening en een overblijvend eigen vermogen, voor zover deze direct of indirect gevormd zijn met subsidies van de gemeente Venlo, door het college teruggevorderd.
Artikel 13. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
Bij subsidieregel of verleningsbeschikking kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht
Bij subsidieregel of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, Awb voordoet.
Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding als bedoeld in lid 3 wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen. Daarnaast wordt de vergoeding gerelateerd aan de mate waarin de subsidie heeft bijgedragen aan de vermogensvorming. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijk deskundige.
Artikel 16. Verantwoording en vaststelling subsidies boven de €5.000
Per subsidie van meer dan € 125.000 per jaar dient de subsidieontvanger een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijke accountant, bij de aanvraag tot vaststelling te voegen. Deze dient conform het door het college vastgestelde accountsprotocol te worden opgemaakt. Het accountantsprotocol is gepubliceerd op de website www.venlo.nl. De accountant onderzoekt of het activiteitenverslag met het financieel verslag verenigbaar is en onderzoekt tevens de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
Artikel 17. Vaststelling subsidies
Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in artikel 17 lid 1, aanhef en onder a, b of c, is ingediend kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Wordt de aanvraag niet binnen deze termijn ingediend dan kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling op nihil.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 mei 2025.
De griffier, de voorzitter
Etienne Franken, Antoin Scholten
Deze Algemene subsidieverordening Venlo (AsV) betreft een algemene regeling. Het schept het juridische kader waarbinnen subsidies kunnen worden verstrekt. En het schept de wettelijke grondslag waarop subsidies kunnen worden verstrekt. Daar waar in de diverse artikelen een afwijkingsmogelijkheid voor het college is gecreëerd ten aanzien van de in de AsV genoemde hoofdregels, dient dit gemotiveerd in subsidieregels of indien van toepassing in de subsidieverleningsbeschikking te gebeuren.
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren nadere regels. Deze definities zullen dus niet nogmaals in de verschillende subsidieregels opgenomen worden.
Onder het begrip ‘Europees steunkader’ vallen in ieder geval:
Landbouwvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L327/1).
Visserijvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L327/82).
DAEB de-minimisverordening: Verordening (EEU) 2023/2832 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PbEU L15.12.2023).
Lid k is toegevoegd om duidelijkheid te geven bij de term egalisatiereserve. We sluiten hierbij aan bij de definitie van de belastingdienst. U mag een zogenoemde egalisatiereserve vormen voor kosten van de bedrijfsuitoefening in dit boekjaar, die pas in de toekomst tot een piek in de uitgaven leiden. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn onderhoudskosten aan gebouwen, waarbij het daadwerkelijke onderhoud bijvoorbeeld eens in de 10 jaar gebeurt. Een belangrijke voorwaarde is dat het gaat om toekomstige uitgaven wegens kosten, en niet om toekomstige aanschaf of verbetering van bedrijfsmiddelen. De uitgaven voor aanschaf of verbetering van een bedrijfsmiddel brengt u in mindering op de winst door de jaarlijkse afschrijving op dit bedrijfsmiddel. De overige voorwaarden voor de egalisatiereserve zijn in de rechtspraak ontwikkeld.
Met dit artikel krijgt het college de bevoegdheid toegewezen om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop de Algemene subsidieverordening Venlo van toepassing is. Onder maatschappelijke dienstverlening wordt in dit kader uitdrukkelijk ook het beheer en ingebruikgave (exploitatie) van gemeenschapsaccommodaties ten behoeve van maatschappelijke activiteiten verstaan.
Dit betreft in beginsel alle subsidies op de genoemde beleidsterreinen, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen.
Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om in nadere regels, hier en verder subsidieregel genoemd, de te subsidiëren activiteiten te bepalen. Voor zover het college iets wenst te regelen met betrekking tot de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van uitbetalen, dient dit dan eveneens in de subsidieregel te gebeuren.
In andere artikelen van de AsV worden andere bevoegdheden gedelegeerd die betrekking hebben op de inhoud van de subsidieregel: het afwijken van termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie, de wijze van verdelen van het subsidieplafond.
Artikel 4. Europees steunkader
Bij een voornemen tot subsidieverstrekking die voldoet aan de criteria voor staatssteun, moet nagegaan worden in hoeverre een Europees steunkader van toepassing kan zijn. Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie mogelijk op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er afgeweken wordt van de ASV, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd.
In subsidieregels en -beschikkingen die gebruik maken van een Europees steunkader, wordt het toepasselijke steunkader expliciet vermeld.
Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader (lid 2). Net zo goed als dat bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, ondernemingen alleen in aanmerking komen als de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader (lid 3).
Artikel 5. Bevoegdheden, subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
Dit artikel regelt welke algemene bevoegdheden het college heeft ten aanzien van subsidieverstrekking.
Lid 4 geeft de mogelijkheid aan het college tot het verplichten van het aanhouden van een egalisatiereserve aan subsidieontvanger
Lid 5 geeft de mogelijkheid aan de subsidieontvanger om te verzoeken tot het vormen van een egalisatiereserve.
In lid 6 is geregeld dat het college ook bevoegd is te beslissen op aanvragen om subsidie in gevallen waarin op grond van artikel 4:23 lid 3 van de Awb subsidie mag worden toegekend, ondanks het feit dat geen wettelijke grondslag aanwezig is. Het gaat hierbij met name om incidentele subsidieverlening en de verlening van subsidie in een situatie waarin de gemeentebegroting de subsidieontvanger vermeld, evenals het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld.
Lid 8 bepaalt de verdeling bij subsidieplafond op volgorde van binnenkomst. Tenzij dit anders bij subsidieregel wordt bepaald.
Dit artikel geeft aan dat subsidie in principe enkel verstrekt aan rechtspersonen zonder winstoogmerk. Afhankelijk van het subsidiebeleid kan het wenselijk zijn om bv natuurlijke personen subsidie te kunnen verlenen (burgerinitiatieven). Het college heeft hiertoe dan de bevoegdheid.
In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan en dat hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld. Dit betekent dat aanvraag dan met gebruikmaking van dat formulier gedaan moet worden. De toevoeging ”tenzij anders is overeengekomen” is opgenomen voor die gevallen dat een aanvrager echt niet in staat is om de digitale weg te gebruiken. In die gevallen kan in overleg een fysiek aanvraag worden ingediend. In het tweede is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag in elk geval overgelegd dienen te worden.
Lid 3 geeft de mogelijkheid aan het college om als extra gegevens te vragen een de-minimis verklaring en de stand van de egalisatiereserve en de vermogenspositie.
Over de de-minimisverklaring het volgende. Bij een subsidie aan een onderneming moet voorkomen worden dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna VWEU). Daarom zijn een tweetal aanvraagvereisten opgenomen die specifiek voor ondernemingen gelden. Ten eerste, om ontoelaatbare cumulatie te voorkomen wordt een overzicht gevraagd van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd (tweede lid, onderdeel d, onder 1). Een subsidie kan namelijk ook uit een garantie, lening, korting op de grondprijs, etc. bestaan. Ten tweede, om subsidie onder de de-minimisverordening te kunnen verlenen moet de onderneming om een de-minimisverklaring gevraagd worden (tweede lid, onderdeel d, onder 2). Op basis van een ingeleverde de-minimisverklaring dient het college te controleren of verlenen van de subsidie in overeenstemming is met de de-minimisverordening (zie toelichting artikel 1).
De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen structurele subsidies (per boekjaar, al dan niet zijnde een kalenderjaar), en eenmalige subsidies. Bij subsidieregel kan het college besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het eerste tot en met derde lid (vierde lid).
Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen structurele subsidies per boekjaar, al dan niet zijnde een kalenderjaar, en eenmalige subsidies. Bij subsidieregel kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid (derde lid).
De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een eindebeslissing heeft genomen (vierde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en vervolgens teruggevorderd dient te worden.
Artikel 10 Weigerings-, intrekkings-, en terugvorderingsgronden
Subsidieaanvragen worden in eerste instantie getoetst aan de in dit artikel vermelde weigeringsgronden alvorens een verdere behandeling plaatsvindt.
Artikel 4:25 regelt dat een subsidie kan worden geweigerd als toekenning zou leiden tot een overschrijding van het subsidieplafond. Artikel 4:35 noemt nog meer gevallen, zoals het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens of als een organisatie failliet is verklaard. Een subsidie kan ook (geweigerd en) ingetrokken worden in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 6 van die wet.
Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan wel indien het een onderneming betreft waartegen een terugvorderingsactie loopt, moet het college op grond van lid 1 overgaan tot weigering (absolute weigeringsgrond).
Ten aanzien van het tweede lid, geldt dat een onderneming, naar oordeel van de Europese Commissie, beschouwd wordt als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij - zonder overheidsingrijpen - op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Dat er sprake moet zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders – zonder de steun – niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart.
Lid 3 bevat een aantal facultatieve weigeringsgronden. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht.
Onderdeel b. geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt. In nadere regels kan dit begrip nader worden uitgewerkt, waarbij rekening gehouden wordt met mogelijke bestemmingsreserves en een buffer die nodig is voor een gezonde exploitatie.
Onderdeel c in nieuw toegevoegd en betreft de situatie dat het college kan weigeren als de subsidie wordt gevraagd voor kosten waarvoor het gebruikelijk is reserveringen aan te houden. Dit betekent dat als het normaal is dat voor een activiteit een reservering wordt aangemaakt maar een aanvrager dit niet heeft gedaan het college kan kiezen om subsidie hiervoor te weigeren. Van de aanvrager kan worden verwacht dat er zorgvuldig met de administratie en gelden wordt omgegaan.
Onderdeel k geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregel nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.
Onderdeel l geldt voor dat geval dat de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om hier uitvoering aan te geven.
Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvangers
Dit artikel bevat een aantal algemene verplichtingen die gelden voor subsidieaanvragers/-ontvangers. Onder lid 2 wordt onder andere begrepen voornemens tot fusie, liquidatie of ontbinding. Al deze zaken moeten onverwijld worden gemeld aan het college. Dit kan leiden tot intrekking of wijziging van de subsidie, eventueel in combinatie met terugvordering van (een gedeelte van) de subsidie.
Lid 3 verwijst naar artikel 4:71 van de Awb. Dit artikel noemt een aantal juridische handelingen, zoals het oprichten van of deelnemen in een rechtspersoon, het wijzigen van statuten, het verwerven van eigendom, het vervreemden of bezwaren van registergoederen, het aangaan van geldleningen of kredietovereenkomsten, enz. Toestemming van het college voor deze handelingen is nodig als dit leidt tot risico’s ten aanzien van de besteding van subsidiegelden.
Het vereiste van een ‘redelijke financiële bijdrage van leden c.q. deelnemers en/of derden’ in lid 5 geldt voor de meeste organisaties. Het gaat daarbij om bijdragen van leden/deelnemers, maar bijvoorbeeld ook om sponsorgelden, crowdfunding of co-financiering door derden. In sommige gevallen zal de eigen bijdrage van leden of deelnemers echter nihil zijn vanwege de aard van de activiteiten. Dit moet door subsidieaanvrager dan onderbouwd worden bij de aanvraag.
Op basis van het lid 7 bestaat zowel voor het college als voor de raad of de rekenkamercommissie de mogelijkheid om onderzoek te doen naar een gesubsidieerde organisatie. Deze is verplicht hieraan alle medewerking te verlenen.
Artikel 12 Liquidatie, splitsing, fusie of faillissement
Dit artikel is opgenomen om aan de aanvragers kenbaar te maken hoe te handelen in deze gevallen.
Artikel 13 Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb).
Lid 1 maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet strekken tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde activiteit. Het betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen terughoudendheid dient te worden betracht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden. Dit kan in de subsidieregel en/of in de verleningsbeschikking.
Lid 2 en 3 bieden het college de mogelijkheid om te bepalen dat de subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd is bij een met subsidiegelden opgebouwd vermogen. In een dergelijk geval zal rekening worden gehouden met bestemmingsreserves en de buffer die nodig is voor een gezonde exploitatie. In artikel 4:41 lid 2 van de Awb wordt aangegeven in welke gevallen van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt.
Een meerjarensubsidie is een vorm van structurele subsidie en kan door het college worden verleend in het geval er sprake is van activiteiten die met grote continuïteit plaatsvinden en jaarlijks vrijwel in vrijwel gelijke vorm worden uitgevoerd. Een meerjarensubsidie leidt in dat geval tot beperking van administratieve lasten, zowel voor de betreffende organisatie als voor de gemeente.
De meerjarensubsidie wordt voorafgaand aan het eerste boekjaar waarop de subsidie betrekking heeft aangevraagd. De aanvraag tot vaststelling wordt ingediend na afloop van het laatste boekjaar waarop de subsidie betrekking heeft.
Artikel 15 Wijze van verstrekking subsidies tot €5.000.
In dit artikel wordt bepaald dat de subsidies tot €5.000 gelijktijdig worden verleend en vastgesteld.
Hiervan kan bij subsidieregel worden afgeweken.
Artikel 16 Verantwoording en vaststelling subsidies boven de €5.000
Bij de grotere subsidies vindt een knip plaats tussen verlening en vaststelling. Door de subsidieontvanger moet een aanvraag tot vaststelling worden ingediend, voorzien van de vereiste (inhoudelijke en financiële) verantwoording.
De aanvraag dient in de gevallen als benoemd in lid 4 en lid 5 te worden voorzien van een controleverklaring van een onafhankelijke accountant. Dit gaat om subsidies vanaf €125.000 per jaar. De accountant onderzoekt of het activiteitenverslag met het financieel verslag verenigbaar is en onderzoekt tevens de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen en geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid (controleverklaring).
Voor het opstellen van deze controleverklaring geldt dat de accountant hiervoor het door het college vastgestelde controleprotocol moeten gebruiken zodat aan de eisen wordt voldaan. Dit is toegevoegd om te zorgen dat de juiste informatie in de verklaring komt en omdat bleek dat de accountant vaak overtollige zaken in de verklaring opnam waardoor de kosten onnodig opliepen.
Lid 6 geeft het college de mogelijkheid om bij subsidieregel aanvullende/andere gegevens te verlangen.
Om de administratieve lasten te beperken, zowel aan de kant van de gemeente als aan de kant van de subsidieontvangers, kan het college besluiten dat subsidies gelijk worden verleend en vastgesteld (lid 7). Dan wordt het voorschot gelijkgesteld aan de verleende subsidie
Artikel 17 Vaststelling subsidies
Het college beslist op de aanvraag tot vaststelling binnen de in dit artikel genoemde termijnen. Indien een ingediende aanvraag niet alle vereiste gegevens bevat, wordt de beslistermijn opgeschort (art 4:15 lid 1 sub a Awb) tot dat alle vereiste gegevens zijn overlegd.
Dit artikel regelt het overgangsrecht voor aanvragen die nog onder de Algemene subsidieverordening Venlo 2020 zijn ingediend. Deze zullen onder het regime van de oude verordening worden afgehandeld. Ook bij eventuele rechtsbeschermingsprocedures zoals bezwaar en beroep blijft dit regime van toepassing.
De Algemene subsidieverordening Venlo 2025 betreft een algemene regeling. Het college is bevoegd hiervan af te wijken als toepassing van bepaalde regels in een incidenteel geval voor een belanghebbende gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die met deze verordening worden beoogd. De ontheffing als bedoeld in het eerste lid geschiedt vooraf, op verzoek van de aanvrager.
Dit artikel regelt enkele formaliteiten zoals ingangsdatum en citeertitel.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-242810.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.