Gemeenteblad van Lelystad
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lelystad | Gemeenteblad 2025, 24247 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lelystad | Gemeenteblad 2025, 24247 | beleidsregel |
Beleidsregel gebiedsontzeggingen Lelystad 2025
De burgemeester van gemeente Lelystad;
overwegende, dat de burgemeester op grond van artikel 2:78 van de Algemene Plaatselijke verordening Lelystad 2021 (hierna: APV) bevoegd is om aan overlastgevende personen een gebiedsontzegging op te leggen;
dat de burgemeester op grond van artikel 172a en 172b van de Gemeentewet (de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast) met een gebiedsontzegging, groepsverbod, meldingsplicht en begeleidingsplicht kan optreden tegen (ernstige) verstoringen van de openbare orde;
dat als gevolg van de mogelijke samenloop van de maatregelen genoemd in de APV en de Gemeentewet een integraal beleid en een afwegingskader gewenst is omtrent de toepassing van deze maatregelen door de burgemeester;
gelet op artikel 2:78 van de APV, de artikelen 172a en 172b van de Gemeentewet en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
Vast te stellen: de beleidsregel gebiedsontzeggingen Lelystad 2025.
Het Integrale Veiligheidsplan 2023-2026 stelt zich ten doel om Lelystad veiliger te maken, waarbij we de criminaliteit en overlast willen verminderen en veiligheidsgevoelens willen verhogen.
In dit plan zijn onder andere de thema’s Jeugd en Veiligheid, Zorg en Veiligheid en Ondermijning geprioriteerd.
Rondom deze thema’s is een brede aanpak van toepassing. Daarin is er een toenemende vraag naar de toepassing van gebiedsontzeggingen bij o.a. de aanpak van jeugdoverlast, de aanpak van ondermijning en het gebruik van het instrument bij personen met onbegrepen gedrag die overlast veroorzaken in de openbare ruimte. In verband daarmee is het gewenst om een integraal beleid en afwegingskader te hebben omtrent de toepassing van de diverse mogelijkheden van gebiedsontzeggingen.
2. Om welke bevoegdheden gaat het?
Deze beleidsregel is een integraal afwegingskader voor de burgemeester bij de aanpak van (groepsgewijze) verstoring van de openbare orde in de gemeente. Aangegeven wordt hoe de burgemeester omgaat met de bevoegdheden op grond van artikel 2:78 van de APV en die op grond van de artikelen 172a en 172b van de Gemeentewet.
2.1 Artikel 2:78 Algemene plaatselijke verordening
Volgens artikel 2:78 van de Algemene plaatselijke verordening kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijke gebiedsontzegging opleggen.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet een soortgelijke bepaling bevat (de lichte bevelsbevoegdheid). De Hoge Raad heeft bepaald1 dat als een dergelijke bepaling is opgenomen in de APV, de APV voor gaat.
Openbare orde verstorende handelingen
Als één of meer van de bovengenoemde belangen van artikel 2:78 van de APV worden geschaad kan aan een persoon die strafbare feiten pleegt of openbare orde verstorende handelingen verricht, een gebiedsontzegging worden opgelegd. Maar wat zijn nu openbare orde verstorende handelingen? Een wettelijke definitie hiervan is niet te geven. Het hangt veelal af van de specifieke omstandigheden van het geval en de intensiteit van de gedraging in de openbare ruimte. De praktijk leert dat het hierbij gaat om een afwijking van de normale gang van zaken in de openbare ruimte. Uit een rapportage, mutatie of een proces verbaal van bevindingen/sfeer proces verbaal van de politie moet blijken dat sprake is van openbare orde verstorende handelingen
Voorbeelden van strafbare feiten en openbare orde verstorende handelingen zijn:
Voornoemde voorbeelden zijn niet limitatief. In de bijlage is een overzicht opgenomen van de meest voorkomende strafbare feiten.
Elk strafbaar feit dat één of meer van de hierboven genoemde belangen kan schaden kan worden betrokken bij de afweging welke maatregel het beste toegepast kan worden.
Een strafbaar feit is een handeling of juist nalatigheid om te handelen, die bij wet strafbaar is gesteld. Strafbare feiten worden onderscheiden in overtredingen en misdrijven.
2.1.1 Proces Gebiedsontzegging artikel 2:78 APV
Een gebiedsontzegging op grond van artikel 2:78 van de APV kan worden opgelegd voor gedragingen zoals opgenomen in hoofdstuk 2.1 van deze beleidsregel.
Een persoon krijgt het bevel van de burgemeester zich niet te bevinden in een aangewezen gebied gedurende een in de ontzegging genoemde periode. De gedragingen, het tijdvak en het gebied waarvoor de gebiedsontzegging wordt opgelegd, worden schriftelijk vastgelegd in een besluit en in een proces-verbaal. Ook wordt zo mogelijk een kaart uitgereikt van het gebied waarvoor de ontzegging geldt. Voor het deel van de stad wordt gebruik gemaakt van de kaart met de wijkindeling behorende bij deze beleidsregel. Voor het deel buiten de stad wordt maatwerk toegepast. Deze kaart is ook via de website te raadplegen. Op de website van gemeente Lelystad is het mogelijk om in te zoomen op de kaart zodat de begrenzing van het gebied duidelijker zichtbaar wordt.
Uitgangspunt: eerst waarschuwing
Een gebiedsontzegging op grond van artikel 2:78 van de APV kan worden opgelegd nadat de betrokken persoon schriftelijk of mondeling is gewaarschuwd voor een gedraging waarvoor een ontzegging kan worden opgelegd. Deze waarschuwing geldt voor de gehele gemeente voor de duur van 6 maanden. De waarschuwing wordt namens de burgemeester gegeven door daartoe gemandateerde of aangewezen personen.
Vanwege de acute situatie zal in de regel een mondelinge waarschuwing worden gegeven. Van deze waarschuwing wordt een aantekening gemaakt in een proces verbaal en opgenomen in het bedrijfsprocessensysteem van de politie. Belangrijk is in ieder geval dat ergens geregistreerd staat dat de persoon (met vermelding van dag, tijdstip, plaats en door wie) is gewaarschuwd en waarvoor.
Een schriftelijke waarschuwing wordt gestuurd in het geval het gaat om een minderjarige zodat ouder(s)/voogd(en) ook hierover geïnformeerd zijn.
De waarschuwing moet, in geval van het opleggen van een gebiedsontzegging, in het dossier worden vermeld. Uit het dossier moet op te maken zijn, dat de persoon, door de waarschuwing had kunnen weten, dat bij het opnieuw plegen van een openbare orde verstorende handeling, de burgemeester over kan gaan tot het opleggen van een gebiedsontzegging.
Volledigheidshalve wordt hierover opgemerkt dat het niet dezelfde openbare orde verstorende handeling hoeft te zijn. Het kan dus elke openbare orde verstorende handeling zijn.
Nadat de persoon is gewaarschuwd maar toch overlast blijft veroorzaken, kan de burgemeester, op basis van een voldoende duidelijk en onderbouwd dossier, besluiten tot het opleggen van een gebiedsontzegging.
Gebiedsontzegging opleggen zonder waarschuwing
Door of namens de burgemeester kan een gebiedsontzegging zonder waarschuwing vooraf worden opgelegd als er sprake is van een vrees voor een verdere verstoring van de openbare orde b.v. tijdens een evenement, rondom horecabedrijven of bij escalatie van overlast in een wijk.
Een gebiedsontzegging van maximaal 3x24 uur kan namens de burgemeester zonder waarschuwing vooraf worden opgelegd als er sprake is van een vrees voor een verdere verstoring van de openbare orde. De vrees voor verdere verstoring van de openbare orde moet schriftelijk worden vastgelegd.
Afhankelijk van de situatie kan een gebiedsontzegging worden opgelegd voor:
Als de persoon minderjarig is, worden ook de ouder(s)/voogd(en), voor zover bekend, ingelicht over het gebiedsontzegging. Een gebiedsontzegging wordt schriftelijk medegedeeld. Daarbij wordt de persoon ook geïnformeerd over de mogelijkheden van bezwaar- en beroep.
De op te leggen maatregel kan onderdeel uitmaken van een integrale, persoonsgebonden aanpak. Zie hiervoor paragraaf 3.1.
Een gebiedsontzegging op grond van artikel 2:78 van de APV geldt in beginsel voor het gebied waarbinnen de gedraging heeft plaatsgevonden en wordt in beginsel begrensd door de grenzen van de wijkindeling zoals aangegeven op de kaart, behorende bij deze beleidsregel. Als het, gelet op de druk op de openbare orde in een ander gebied, noodzakelijk wordt geacht, kan ook dat gebied worden aangewezen. Indien noodzakelijk wordt een looproute aangegeven.
Als de gedraging heeft plaatsgevonden tijdens een evenement of in een horecagebied/bij een horecabedrijf, wordt een ontzegging opgelegd voor het gebied waar de gedraging heeft plaatsgevonden en wordt er tevens gebruik gemaakt van de wijkindeling van de bij deze beleidsregel behorende kaart.
Een procedure van een gebiedsontzegging op grond van artikel 2:78 van de APV wordt één keer, dat wil zeggen een waarschuwing, een ontzegging van maximaal 3X24 uur en een ontzegging van maximaal 8 weken2, gevoerd voor dezelfde persoon. Als de openbare orde verstorende handelingen blijven voortduren wordt opgetreden op grond van de Gemeentewet (MBVEO). Er is dan sprake van een herhaaldelijke verstoring van de openbare orde.
In artikel 172a Gemeentewet is samengevat bepaald dat de burgemeester aan een persoon die individueel of in groepsverband de openbare orde ernstig heeft verstoord of bij groepsgewijze ernstige verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, dan wel herhaaldelijk individueel of in groepsverband de openbare orde heeft verstoord of bij groepsgewijze verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel kan geven:
De volledige bepaling van artikel 172a Gemeentewet is opgenomen in bijlage en is ook te raadplegen op www.overheid.nl
Wat is een ernstige verstoring van de openbare orde?
De burgemeester is bevoegd om op grond van artikel 172a Gemeentewet een maatregel op te leggen wanneer er sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde. Deze verstoring kan individueel of in groepsverband plaatsvinden. Een ernstige verstoring van de openbare orde is bijvoorbeeld een geweldsdelict en verboden wapenbezit3. Andere voorbeelden zijn incidenten zoals het gooien van stenen of vuurwerk naar de politie en ernstige misdrijven als moord en openlijke geweldpleging. In deze gevallen is de voorwaarde van de herhaaldelijkheid niet van toepassing.
Wat is een ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde?
De burgemeester is pas bevoegd een maatregel op te leggen als er sprake is van ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde. Het is hierbij belangrijk om onderscheid te maken tussen het geval dat de openbare orde eerder is verstoord, of dat iemand voor het eerst de openbare orde heeft verstoord (een first offender).
Gaat het om een herhaaldelijke verstoring van de openbare orde, dan neemt de rechter aan dat er ernstige vrees is voor de verdere verstoring van de openbare orde.
Als het om een first offender gaat, dan moet de burgemeester aantonen dat er sprake is van ernstige vrees voor verdere verstoring. Er moet dan een inschatting gemaakt worden van de kans op herhaling.
Wat is een herhaaldelijke verstoring van de openbare orde?
De burgemeester is in de eerste plaats bevoegd een maatregel op te leggen wanneer een persoon herhaaldelijk, individueel of in groepsverband de openbare orde heeft verstoord. Dit houdt concreet in dat een persoon ten minste twee keer de openbare orde moet hebben verstoord.
Voorbeelden van gedrag dat herhaaldelijke verstoring van de openbare orde veroorzaakt, zijn geluidsoverlast, vernieling, belediging en het dealen van drugs. Ook kan, als de gebiedsontzegging op grond van de APV onvoldoende effect heeft gehad, artikel 172a Gemeentewet worden toegepast (zie paragraaf 2.1.1)
2.2.2 Gebiedsontzegging Gemeentewet in welke gevallen?
Als de openbare ordeverstoring ernstig van aard is (volgt uit een bestuurlijke rapportage van de politie) of herhaaldelijk heeft plaatsgevonden (als b.v. de procedure van de gebiedsontzegging van de APV is doorlopen), zoals in artikel 172a van de Gemeentewet en hiervoor in de toelichting is omschreven, zal in beginsel een gebiedsontzegging op grond van artikel 172a, lid 1, onder a, van de Gemeentewet worden opgelegd. De gebiedsontzegging moet voor wat betreft de inhoud, de duur, de omvang van het gebied etc. voldoen aan het gestelde in de Gemeentewet.
Groepsverbod Gemeentewet in welke gevallen?
Als de openbare ordeverstoring van ernstige aard is of herhaaldelijk en voor het merendeel in groepsverband heeft plaatsgevonden, zoals in artikel 172a Gemeentewet en hiervoor is omschreven, kan een groepsverbod worden opgelegd (artikel 172a, lid 1, onder b).
Het groepsverbod moet voor wat betreft de inhoud, duur, omvang van het gebied etc. voldoen aan het gestelde in de Gemeentewet. Het groepsverbod houdt in dat de personen zich niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een voor het publiek toegankelijke plaats zonder redelijk doel met meer dan drie andere personen in groepsverband mogen ophouden.
2.2.3 Meldingsplicht Gemeentewet in welke gevallen?
Bij een meldingsplicht (artikel 172a lid 1, onder c) krijgt de overlastgever het bevel van de burgemeester zich op bepaalde tijdstippen te melden op of vanaf bepaalde plaatsen, al dan niet in een andere gemeente.
De meldingsplicht wordt zoveel mogelijk opgelegd in de gemeente waar de persoon woonachtig is, tenzij de aard van de omstandigheden zich hiertegen verzet.
De tijdstippen en plaats van de melding worden per individueel geval bepaald. In het besluit worden de tijden en locatie waar de persoon zich moet melden vastgelegd. Een kopie van het besluit wordt afgegeven op de locatie waar de persoon zich moet melden
Een fysieke en digitale meldingsplicht is mogelijk. In beginsel wordt een fysieke meldingsplicht opgelegd. Uitgangspunt is dat de persoon zich meldt in de woonplaats waar hij woonachtig is.
Een persoon kan een meldingsplicht krijgen indien hem reeds door een private organisatie een sanctie is opgelegd wegens gedrag dat bij de burgemeester de ernstige vrees doet ontstaan dat die persoon de openbare orde zal verstoren.
De op te leggen maatregel kan onderdeel uitmaken van een integrale, persoonsgebonden aanpak. Zie hiervoor paragraaf 3.1.
Op grond van artikel 172b van de Gemeentewet kan de burgemeester aan een persoon die het gezag uitoefent over een minderjarige die herhaaldelijk in groepsverband de openbare orde heeft verstoord en de leeftijd van 12 jaar nog niet heeft bereikt, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel geven zorg te dragen:
2.3.1 Begeleidingsverplichting ten aanzien van 12 minners in welke gevallen?
Een persoon die het gezag uitoefent over een minderjarige die herhaaldelijk (in groepsverband) de openbare orde heeft verstoord en de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, kan bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde het bevel van de burgemeester krijgen:
dat de minderjarige zich niet bevindt in of in de omgeving van een of meer bepaalde objecten binnen de gemeente, dan wel in een of meer bepaalde delen van de gemeente. Dit tenzij de minderjarige wordt begeleid door een persoon die het gezag over hem uitoefent of door een andere in het bevel aangewezen meerderjarige
dat de minderjarige zich op bepaalde dagen gedurende een aangegeven tijdvak tussen 8 uur ’s avonds en 6 uur ’s ochtends niet bevindt op voor het publiek toegankelijke plaatsen. Dit tenzij de minderjarige wordt begeleid door een persoon die het gezag over hem uitoefent of door een andere in het bevel aangewezen meerderjarige.
Het bevel geldt voor een door de burgemeester vast te stellen periode van ten hoogste drie maanden.
Bij jongeren, in het bijzonder de categorie 12-minners, moet een zwaardere afweging worden gemaakt bij de beoordeling of het (kind)gedrag als overlastgevend kan worden aangemerkt. Als de (vrees voor verdere) verstoring van de openbare orde dermate ernstig is, dat het wenselijk is om artikel 172b van de Gemeentewet toe te passen, kan hiertoe worden overgegaan.
De maatregel kan onderdeel uitmaken van een integrale, persoonsgebonden aanpak. Zie hiervoor paragraaf 3.1.
Als de persoon inmiddels de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, kan bij een volgende overtreding binnen 12 maanden verstrijken van de maatregel direct worden overgestapt op andere maatregelen als genoemd in deze beleidsregel.
2.4 Uitvoering van de bevelen aangaande jongeren in de leeftijd 12 tot 18 jaar
De maatregelen van deze beleidsregel zijn ook van toepassing op overlastgevende jongeren in de leeftijd 12 tot 18 jaar. Vanwege de specifieke aandacht en aanpak ten aanzien van jongeren ligt het voor de hand hier op een andere manier mee om te gaan. De maatregel kan onderdeel uitmaken van een integrale, persoonsgebonden aanpak. Zie hiervoor paragraaf 3.1.
3.1 Interactie met casuïstiek uit het ZVH / de lokale PGA
Maatregelen van deze beleidsregel kunnen ook van toepassing zijn op inwoners die opgenomen zijn binnen een integrale aanpak van het Zorg- en Veiligheidshuis of de Lokale Persoonsgerichte Aanpak. Vanwege de specifieke aandacht voor- en aanpak van deze doelgroep, ligt het voor de hand om hier op een andere manier mee om te gaan. Door samen te werken met de procescoördinatoren van deze aanpakken, kan voorafgaand of naast de inzet van een maatregel worden onderzocht of (door een hulpverleningstraject) ook met minder vergaande middelen tot een vermindering van het overlastgevend gedrag van de persoon of personen gekomen kan worden.
Afstemming met procescoördinator ZVH/PGA
Voorafgaand aan het (voorgenomen) besluit wordt met de procescoördinatoren ZVH/PGA afgestemd, of personen betrokken zijn bij een persoonsgerichte integrale aanpak. Als de persoon niet betrokken is bij een integrale persoonsgerichte aanpak, kan het opleggen van een maatregel zoals genoemd in deze beleidsregel aanleiding zijn om deze persoon op te nemen in een integrale persoonsgerichte aanpak.
Indien er sprake is van (actieve) betrokkenheid, wordt er (context)informatie ingewonnen bij de procescoördinator, die van meerwaarde kan zijn bij de besluitvorming rondom een gebiedsontzegging. Hiermee wordt de mogelijkheid voorkomen, dat een maatregel indruist tegen een plan van aanpak, dan wel dat de maatregel het een persoon moeilijk maakt om naar een of meer van de daarin opgestelde doelen toe te werken. Tegelijkertijd kan de maatregel in sommige gevallen bepaalde doelstellingen extra borgen of bevorderen. De burgemeester neemt in haar afweging tot het al dan iet opleggen van een gebiedsontzegging of groepsverbod het belang van een lopend of op te starten (hulpverlenings)traject mee.
De burgemeester is verplicht de belanghebbende voorafgaand aan het besluit te horen (artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Dit horen is vormvrij en kan zelfs telefonisch gebeuren.
Uitzonderingen op deze hoorplicht, zoals genoemd in artikel 4:11 Awb, zijn met name van toepassing bij een gebiedsontzegging van maximaal 3x24 uur op grond van de APV. Het vragen om een reactie is hier in beginsel ‘mondeling en direct’.
In het zogenaamde voorgenomen besluit wordt aangegeven waarom de burgemeester van plan is om een maatregel op te leggen. Ook wordt een termijn genoemd waarbinnen de persoon, mondeling of schriftelijk, een reactie (zienswijze) op dit voorgenomen besluit kan geven.
Na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een zienswijze, besluit de burgemeester of door haar gemandateerden, of de maatregel daadwerkelijk opgelegd wordt. Bij deze besluitvorming wordt de eventuele ingebrachte zienswijze in de beoordeling meegewogen. In het besluit geeft de burgemeester aan of er een zienswijze is ingediend, wat deze zienswijze inhoudt en wat hij met deze zienswijze bij de besluitvorming heeft gedaan. De ingebrachte zienswijze kan een aanleiding zijn om anders dan het voornemen te besluiten. De praktijk is echter, dat het voornemen tot het opleggen van een maatregel niet zonder reden is ontstaan. De persoon zal dan ook met goede argumenten moeten komen, waarom de burgemeester van het voorgenomen besluit moet afzien. Het feit, dat de persoon het “er niet mee eens is”, is hierbij niet voldoende.
Voor het opleggen van de gebiedsontzeggingen op grond van artikel 2:78, lid 1, van de APV (maximaal 3X24 uur) is de politie gemandateerd middels een mandaatbesluit. De burgemeester blijft te allen tijde ook zelf bevoegd gebiedsontzeggingen en waarschuwingen op te leggen.
Zoals in paragraaf 3.2 is aangegeven wordt de persoon om een zienswijze gevraagd. Bij een directe ontzegging wordt dit mondeling gedaan en ontvangt de persoon direct de ontzegging. Als er aanleiding is kan er ook later een schriftelijk voornemen worden gestuurd waarbij een zenswijze kan worden gegeven.
Politie maakt een foto van de ontzegging ten behoeve van het dossier.
Bij een volgende geconstateerde openbare orde verstorende handeling wordt de burgemeester schriftelijk geïnformeerd door de politie middels een afschrift van de ontzegging van maximaal 3x24 uur. Op basis daarvan kan de volgende stap in het handhavingsarrangement kan worden genomen voor een ontzegging van langere duur.
Besluiten die op grond van artikel 172a en 172b Gemeentewet genomen worden kunnen op grond van artikel 177, lid 2, van de Gemeentewet niet worden gemandateerd. Deze bevoegdheid ligt bij de burgemeester. Dit geldt ook voor het besluit tot verlenging, wijziging of intrekking van het besluiten het besluit tot het verlenen van een ontheffing.
3.4 Wijzigingsmogelijkheden maatregel
De maatregel kan worden gewijzigd of verlengd ten nadele van de betrokkene indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven. Ook kan de maatregel ten gunste van de betrokkene worden gewijzigd indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven. Onder deze nieuwe feiten en omstandigheden wordt ook verstaan het overtreden van de maatregel.
Het niet naleven van een gebiedsontzegging op grond van de APV is een overtreding van artikel 6.1 van de APV. Overtreding worden gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
Het negeren van een bevel, gegeven door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, is een strafbaar feit (artikel 184 Wetboek van Strafrecht) waardoor de overtreder van het bevel kan worden vervolgd door het openbaar ministerie.
3.6 Versterking sanctie private organisaties
Artikel 172a Gemeentewet biedt de burgemeester de mogelijkheid een bevel te geven aan een persoon die als gevolg van zijn gedrag een sanctie opgelegd heeft gekregen door een private organisatie. Volgens de Memorie van Toelichting kan daarbij niet alleen worden gedacht aan een stadionverbod maar ook aan een toegangsverbod rondom een evenement, opgelegd door de organisator van dat evenement, of een horecaverbod. Op deze manier kan de burgemeester een door een private organisatie opgelegde sanctie versterken met één van de in artikel 172a Gemeentewet genoemde maatregelen. Voorwaarde hiervoor is dat er sprake is geweest van een gedraging die bij de burgemeester een ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde doet ontstaan.
De burgemeester wordt zo spoedig mogelijk geïnformeerd over het opleggen van een (gemandateerde) gebiedsontzegging op grond van de APV. De politie en team Stadstoezicht houden een registratie bij van de opgelegde ontzeggingen en waarschuwingen en informeren de burgemeester hierover in een politieoverleg of portefeuillehouders overleg (PHO Veiligheid).
De burgemeester en het Openbaar Ministerie informeren elkaar en de politie over en weer indien een maatregel wordt voorbereid en opgelegd. De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de Wet politiegegevens (Wpg) geeft de kaders voor wat betreft de verwerking van persoons- en politiegegevens.
3.8 Samenhang bevelsbevoegdheden APV en Gemeentewet
In de gevallen waar (nog) geen sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde of van een herhaaldelijke verstoring van de openbare orde ligt optreden op grond van de APV voor de hand. In de gevallen waar sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde of van een herhaaldelijke verstoring van de openbare orde ligt optreden op grond van Gemeentewet voor de hand.
Artikel 172a Gemeentewet doorkruist niet wat in de APV is bepaald. Zoals in deze beleidsregel is aangegeven kunnen de bevoegdheden op grond van de artikelen 172a en 172b van de Gemeentewet ingezet worden als de maatregelen op grond van de APV onvoldoende effect sorteren of niet toereikend geacht worden, gelet op de ervaringen of het karakter van de problematiek en er ernstige vrees bestaat voor een verdere verstoring van de openbare orde.
In een acute situatie waarin relschoppers de openbare orde ernstig verstoren blijven de strafrechtelijke aanhouding, de APV (bestuurlijk ophouden etc), de noodrechtbevoegdheden (artikelen 172 en 175-176a Gemeentewet) de meest geëigende bevoegdheden.
3.9 Maatregel tevens namens een andere burgemeester
Een bevel van de burgemeester strekt zich uit tot het eigen grondgebied. Door de wijziging van artikel 172a Gemeentewet kan de burgemeester van een andere gemeente de burgemeester van Lelystad verzoeken een persoon tevens namens hem een overeenkomstig bevel te geven. Dit kan als de burgemeester van de andere gemeente de ernstige vrees heeft dat die persoon ook in de gemeente Lelystad de openbare orde zal verstoren. Het betreft dan twee (of meer) bevelen in één beschikking en niet om een bevel mede namens een andere burgemeester.
De verzoekende burgemeester laat zich wat betreft de inhoud van de maatregel op voorhand leiden door de keuzes van de burgemeester van Lelystad inzake de aard en de duur van de op te leggen maatregel(en).
Een verzoek wordt op voorhand gedaan. Wel levert de verzoekende burgemeester de noodzakelijke gegevens aan zoals bijvoorbeeld een aanduiding van de objecten of gebieden waar de aanwezigheid van die persoon niet gewenst is en van de tijdstippen of perioden waarvoor het bevel geldt. Het verzoek kan ook het opleggen van een meldingsplicht betreffen. De burgemeester van Lelystad zendt een afschrift van het bevel aan die burgemeester.
3.10 Relatie burgemeester en Officier van Justitie
Op grond van artikel 509hh Wetboek van Strafvordering is de Officier van Justitie (OvJ) bevoegd een gedragsaanwijzing te geven tegen een betrokkene. Dit kan indien ernstige bezwaren bestaan in geval van verdenking van een strafbaar feit waardoor de openbare orde ernstig is verstoord en waarbij grote vrees bestaat voor herhaling. Dit betekent dat de OvJ in beginsel als eerste bevoegd is een maatregel te treffen indien sprake is van ernstig ordeverstorend gedrag, zijnde een strafbaar feit, en vervolging is of wordt ingesteld.
Als de OvJ besluit in zijn gedragsaanwijzing geen meldingsplicht, gebiedsontzegging op te nemen of in zijn geheel geen maatregel treft, beoordeelt de burgemeester of zij, gelet op de bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat, een maatregel oplegt. Hierover vindt afstemming plaats tussen OvJ en de burgemeester.
De gebiedsontzegging van de OvJ gaat voor het gebiedsverbod van de burgemeester (art 172a Gemeentewet). Zolang een gebiedsontzegging van de OvJ geldt kan de burgemeester niet hetzelfde gebied aanwijzen. Zij kan wel een ander gebied aanwijzen.
De rechter kan een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Deze maatregel gaat voor het burgemeestersbevel. Als het rechterlijk bevel niet te maken heeft met het burgemeestersbevel, bijvoorbeeld een verbod voor een kleiner of ander gebied en op basis van andere informatie dan de ‘’overlast’’ die ten grondslag ligt aan het burgemeestersbevel, dan vindt overleg plaats tussen OM en gemeente over de vraag of de gebiedsontzegging naast het rechterlijk bevel in stand kan blijven.
Deze beleidsregel bevat een handhavingsarrangement over de maatregelen die getroffen kunnen worden op grond van de in deze beleidsregel aangegeven wettelijke bepalingen van de APV en de Gemeentewet.
Het handhavingsarrangement geeft de burgemeester de bevoegdheid, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, te besluiten tot of af te zien van een bevel of te volstaan met een waarschuwing. De burgemeester kan echter ook besluiten een stap in het handhavingsarrangement over te slaan, te kiezen voor een cumulatie van bevelen of te kiezen voor oplegging van een andersoortig bevel als de concrete situatie, de feiten of omstandigheden dit vereisen. Als van deze beleidsregel wordt afgeweken zal dat expliciet in het besluit worden gemotiveerd.
De bevoegdheden van de Gemeentewet en de APV houden een beperking in van de bewegingsvrijheid van het individu. Dit is een beperking van het recht om zich zonder inmenging van de overheid te verplaatsen (vrijheidsbeperking). Een juiste toepassing van de bevoegdheden moet daarom zijn gewaarborgd. Dit betekent dat de maatregel een legitiem doel moet dienen, waarbij tevens wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De burgemeester heeft te allen tijde de bevoegdheid hiervan af te wijken indien (bijzondere) omstandigheden, gelet op de openbare orde, daartoe aanleiding geven.
Bijlage 1 Handhavingsarrangement Gebiedsontzegging APV*
*Dit handhavingsarrangement laat onverlet de bevoegdheid van de burgemeester om op te treden op grond van de Gemeentewet. Afhankelijk van de veiligheidssituatie, de aard van de strafbare feiten en de termijn waarbinnen deze feiten zijn gepleegd, kan de burgemeester er voor kiezen om de overlastgever aan te pakken op basis van de Overlastwet (MBVEO).
Bij overtreding van een gebiedsontzegging wordt een proces verbaal opgesteld en geldt de sanctiebepaling van artikel 6:1 van de APV.
Bijlage 2 Handhavingsarrangement Overlastwet (artikel 172a Gemeentewet)
Bijlage 3 Handhavingsarrangement maatregelen bij (ernstige of herhaaldelijke) verstoring jeugd 12–18 jaar, Overlastwet
Bijlage 4 Handhavingsarrangement 12 minners, Overlastwet
Algemene plaatselijke verordening
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 3x24 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
Bij overtredingen als bedoeld in het eerste lid, kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste aantal acht weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 172a Gemeentewet bepaalt het volgende.
Onverminderd artikel 172, derde lid, en hetgeen bij gemeentelijke verordening is bepaald omtrent de bevoegdheid van de burgemeester om bevelen te geven ter handhaving van de openbare orde, kan de burgemeester aan een persoon die individueel of in groepsverband de openbare orde ernstig heeft verstoord of bij groepsgewijze ernstige verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, dan wel herhaaldelijk individueel of in groepsverband de openbare orde heeft verstoord of bij groepsgewijze verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel geven:
De burgemeester van een andere gemeente kan een burgemeester verzoeken om een persoon tevens namens hem een overeenkomstig bevel te geven, indien de burgemeester die het bevel geeft, de ernstige vrees heeft dat die persoon ook in de andere gemeente de openbare orde zal verstoren. Het verzoek bevat een aanduiding van de objecten of gebieden waar de aanwezigheid van die persoon niet gewenst is en van de tijdstippen of perioden waarvoor het bevel geldt. De burgemeester zendt een afschrift van het bevel dat hij namens een andere burgemeester heeft gegeven, aan die burgemeester.
Indien de officier van justitie een persoon als bedoeld in het eerste lid een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, geeft de burgemeester aan deze persoon niet een bevel als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, voor hetzelfde gebied.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-24247.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.