|
Wets-
artikel
|
Oude omschrijving van het wetsartikel
|
Nieuwe omschrijving van het wetsartikel
|
|
Art. 1.1.5
|
(…)
.
Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen:
- -
bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;
- -
bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet;
- -
bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.
- -
bezwaarschriften tegen beschikkingen kostenvergoeding bij een onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de wet;
- -
bezwaarschriften tegen beschikkingen bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 63b van de wet.
(…).
|
(…)
Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen:
- -
bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;
- -
bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.
- -
bezwaarschriften tegen beschikkingen kostenvergoeding bij een onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de wet;
- -
bezwaarschriften tegen beschikkingen bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 63b van de wet.
(…).
|
|
Art. 2.2.
|
Vertaalbepaling Gemeentewet
In artikel 231, lid 1 van de Gemeentewet is de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen van toepassing verklaard op de invordering van de gemeentelijke belastingen. Artikel 249 Gemeentewet noemt de artikelen van de Invorderingswet 1990 die buiten toepassing bIn de artikelen 231 en 232 Gemeentewet is bepaald aan wie de in de Invorderingswet 1990 genoemde bevoegdheden toekomen. Het gaat daarbij om een vertaling van de functionarissen die in artikel 2 van de Invorderingswet 1990 worden genoemd naar bestuursorganen en functionarissen binnen Meerinzicht. Deze artikelen worden gelezen in samenhang met de daarop betrekking hebbende artikelen uit de Gemeenschappelijke regeling Meerinzicht, Sttscrnt 2017, 40772 en het Mandaatbesluit Directieraad Meerinzicht 2018 Zeewolde gmb 2018, nr 89916; zie ook Leidraad art 1.1.2 en 1.1.10.
|
Vertaalbepaling Gemeentewet
In artikel 231, lid 1 van de Gemeentewet is de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen van toepassing verklaard op de invordering van de gemeentelijke belastingen. Artikel 249 Gemeentewet noemt de artikelen van de Invorderingswet 1990 die buiten toepassing bIn de artikelen 231 en 232 Gemeentewet is bepaald aan wie de in de Invorderingswet 1990 genoemde bevoegdheden toekomen. Het gaat daarbij om een vertaling van de functionarissen die in artikel 2 van de Invorderingswet 1990 worden genoemd naar bestuursorganen en functionarissen binnen Meerinzicht. Deze artikelen worden gelezen in samenhang met de daarop betrekking hebbende artikelen uit de Gemeenschappelijke regeling Meerinzicht, Gemeenteblad 2024, 254330 en aanwijzingsbesluit Gemeenteblad, nr. 87463, 24 september 2015; zie ook Leidraad art 1.1.2 en 1.1.10.
|
|
Art. 4.1.1.
|
Belastingdeurwaarders worden aangesteld door het bestuur van Meerinzicht, Mandaatbesluit bestuur Meerinzicht 2018 Zeewolde, gmb 2018-82807 . Van deze bevoegdheid kan (onder)mandaat verleend worden, zie Mandaatbesluit Directieraad Meerinzicht 2018 Zeewolde gmb 2018, nr. 89916; zie ook Leidraad art. 1.1.2, art.1.1.10 en art. 2.2.
|
Belastingdeurwaarders worden aangewezen door het bestuur van Meerinzicht, Mandaatbesluit bestuur Meerinzicht 2022, bgr-2022-1123 . Van deze bevoegdheid kan (onder)mandaat verleend worden, zie Mandaatbesluit Directieraad Meerinzicht 2022 bgr-2022-1125; zie ook Leidraad art. 1.1.2, art.1.1.10 en art. 2.2.
|
|
Art. 25.5.6a
|
Bij het vaststellen van de netto woonlasten, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling, vermindert de ontvanger het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met € 37,72.
|
Het betreffende artikel vervalt
|
|
Art. 25.5.7
|
De ontvanger kan – afhankelijk van de concrete situatie van de belastingschuldige en zijn gezin – bepaalde aanvaardbare uitgaven op de berekende betalingscapaciteit in mindering brengen. Het moet dan gaan om uitgaven die samenhangen met de maatschappelijke positie van de belastingschuldige, en die naar het oordeel van de ontvanger niet in redelijkheid kunnen worden betaald uit het normbedrag voor levensonderhoud en de zogenoemde uitvoeringstolerantie van 20%.
|
Het betreffende artikel vervalt
|
|
Art. 25.7.5
|
Als de belastingschuldige bij de ontvanger bezwaar maakt tegen de beslissing op het verzoek om uitstel of voor dezelfde belastingschuld een herhaald verzoek om uitstel indient, dan merkt de ontvanger dit aan als een beroepschrift.
Als de ontvanger op dat moment aanleiding ziet om een voor de belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen, geeft hij echter een nieuwe beschikking. Als de belastingschuldige het ook met de nieuwe beschikking niet eens is, dan kan hij daartegen binnen tien dagen in beroep gaan bij het college.
|
De ontvanger merkt een door de belastingschuldige gemaakt bezwaar tegen de beslissing op het verzoek om uitstel van betaling aan als een administratief beroep dat is gericht aan het college van burgemeester en wethouders.
Dit geldt ook als de belastingschuldige een nieuw verzoek om uitstel van betaling indient voor dezelfde belastingschuld waarvoor de ontvanger eerder een verzoek om uitstel van betaling geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen en daarbij geen andere feiten of veranderde omstandigheden vermeldt.
In de hiervoor genoemde situaties geeft de invorderingsambtenaar een nieuwe voor administratief beroep vatbare beschikking af als hij aanleiding ziet om een voor de belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen.
Als de belastingschuldige een nieuw verzoek om uitstel van betaling doet voor dezelfde belastingschuld en hij vermeldt hierin andere feiten of veranderde omstandigheden, dan beslist de invorderingsambtenaar op dat verzoek bij voor administratief beroep vatbare beschikking. Bij deze beslissing houdt hij rekening met deze andere feiten of veranderde omstandigheden. Dit geldt ook als het een belastingschuld betreft waarvoor het College van Burgemeester en Wethouders al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist.
Als de belastingschuldige opnieuw verzoekt om uitstel van betaling ter zake van een belastingschuld waarvoor het College van Burgemeester en Wethouders al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist zonder daarbij andere feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, wijst de ontvanger dit verzoek af onder verwijzing naar de uitspraak van het College van Burgemeester en Wethouders bij voor administratief beroep vatbare beschikking.
|
|
Art. 26.1.5
|
Als de ontvanger besluit dat kwijtschelding zal worden verleend nadat aan één of meer voorwaarden is voldaan, dan neemt hij die voorwaarden in de beschikking op.
Als de ontvanger in de voorwaarden heeft opgenomen dat verrekening zal plaatsvinden van uit te betalen bedragen, dan stelt hij tevens de termijn vast waarin verrekening van die bedragen zal plaatsvinden. De termijn bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van de kennisgeving, dan wel - als dit minder is - de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt.
Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld behoort, dan moet de ontvanger de belastingschuldige uitnodigen om binnen een termijn van veertien dagen een voorstel te doen met betrekking tot de betaling van dat deel. Hierbij is het uitstelbeleid (zie artikel 25 van deze leidraad) van toepassing. Als tot de voorwaarden naast de voldoening van een deel van de schuld ook de verrekening van teruggaven behoort, wordt het te betalen bedrag niet beïnvloed door de hoogte van de verrekende teruggaven.
Indien ten tijde van het indienen van het verzoek om kwijtschelding inmiddels invorderingskosten zijn ontstaan, dan wordt de betaling van deze invorderingskosten als voorwaarde gesteld voor het verlenen van kwijtschelding, tenzij het ontstaan van de invorderingskosten niet aan belastingschuldige te wijten is, zie ook Leidraad, art. 75.10.
|
Als de ontvanger besluit dat kwijtschelding zal worden verleend nadat aan één of meer voorwaarden is voldaan, dan neemt hij die voorwaarden in de beschikking op.
Als de ontvanger in de voorwaarden heeft opgenomen dat verrekening zal plaatsvinden van uit te betalen bedragen, dan stelt hij tevens de termijn vast waarin verrekening van die bedragen zal plaatsvinden. De termijn bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van de kennisgeving, dan wel - als dit minder is - de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt.
Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld behoort, dan moet de ontvanger de belastingschuldige uitnodigen om binnen een termijn van veertien dagen een voorstel te doen met betrekking tot de betaling van dat deel. Hierbij is het uitstelbeleid (zie artikel 25 van deze leidraad) van toepassing. Als tot de voorwaarden naast de voldoening van een deel van de schuld ook de verrekening van teruggaven behoort, wordt het te betalen bedrag niet beïnvloed door de hoogte van de verrekende teruggaven.
|
|
Art. 26.2.2.
|
De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer dan € 2.269,00 bedraagt. (…)
|
De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer dan € 2.269,00 bedraagt. (…)
|
|
Art. 26.2.3.
|
De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van € 2.269,00 of minder.(…)
|
De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van € 2.269,00 of minder.(…)
|
|
Art. 26.2.10
|
(…)
Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van zijn echtgenoot in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. De vaststelling van het totale netto besteedbaar inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de aanslagen waarvan kwijtschelding wordt verzocht.
Bij het vaststellen van de nettowoonlasten, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling, vermindert de ontvanger het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met € 37,72.
(…)
|
(…)
Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van zijn echtgenoot in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. De vaststelling van het totale netto besteedbaar inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de aanslagen waarvan kwijtschelding wordt verzocht.
(…)
|
|
Art. 26.2.12
|
(…)
De inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair bedrag.
- a.
Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 63,00.
- b.
Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 56,00 en met het bedrag aan onderwijsretributie.
(…)
|
(…)
De inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair bedrag.
- a.
.Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 77,00.
- b.
Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 68,00 en met het bedrag aan onderwijsretributie.
(…)
|
|
Art. 26.2.19
|
De normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover is begrepen in de bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 33,00 per maand en voor echtgenoten € 74,00 per maand.
|
De normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover is begrepen in de bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 45,00 per maand en voor echtgenoten € 101,00 per maand.
|
|
Art. 26.4.2
|
De ontvanger merkt een herhaald verzoek om kwijtschelding aan als een beroepschrift dat gericht is aan het college. Als de ontvanger zelf aanleiding ziet om een gunstigere beslissing te nemen dan in zijn eerdere beschikking, handelt hij het herhaalde verzoek zelf af.
De ontvanger behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding als een ee
rste verzoek als het verzoek is afgewezen als gevolg van een duidelijke, ambtelijke fout. In deze gevallen kan de belastingschuldige na de beslissing van de ontvanger een beroepschrift indienen bij het college.
|
De ontvanger merkt een door de belastingschuldige gemaakt bezwaar tegen de beslissing op het verzoek om kwijtschelding aan als een administratief beroep dat is gericht het college van Burgemeester en Wethouders. Dit geldt ook als de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding indient voor dezelfde belastingschuld waarvoor de ontvanger eerder een verzoek om kwijtschelding geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen en daarbij geen andere feiten of veranderde omstandigheden vermeldt.
In de hiervoor genoemde situaties geeft de ontvanger een nieuwe voor administratief beroep vatbare beschikking af als hij aanleiding ziet om een voor de belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen.
Als de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding doet voor dezelfde belastingschuld en hij vermeldt hierin andere feiten of veranderde omstandigheden, dan beslist de ontvanger op dat verzoek bij voor administratief beroep vatbare beschikking. Bij deze beslissing houdt hij rekening met deze andere feiten of veranderde omstandigheden. Dit geldt ook als het een belastingschuld betreft waarvoor het college van Burgemeester en Wethouders al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist.
Als de belastingschuldige opnieuw verzoekt om kwijtschelding ter zake van een belastingschuld waarvoor het college van Burgemeester en Wethouders al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist zonder daarbij andere feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, wijst de ontvanger dit verzoek af onder verwijzing naar de uitspraak van de directeur bij voor administratief beroep vatbare beschikking.
|
|
Art. 73.4.15
|
Als de belastingschuldige woont of gevestigd is in een lidstaat van de EU - niet Denemarken - en aldaar in staat van insolventie verkeert terwijl in Nederland sprake is van een nevenvestiging, kan in Nederland op grond van de EG-insolventieverordening een zogenoemde territoriale of secundaire procedure worden geopend.
(…)
|
Als de belastingschuldige woont of gevestigd is in een lidstaat van de EU - niet Denemarken - en aldaar in staat van insolventie verkeert terwijl in Nederland sprake is van een nevenvestiging, kan in Nederland op grond van de EU-insolventieverordening een zogenoemde territoriale of secundaire procedure worden geopend.
(…)
|
|
Art. 75.6
|
Naast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening rekenfouten zijn gemaakt dan wel een onjuist tarief is gehanteerd, zijn kosten niet verschuldigd in de volgende gevallen:
Als de betaling op de rekening van de Belastingdienst is bijgeschreven op of voorafgaand aan de dag waarop de kosten verschuldigd zijn geworden.
Voor zover na het in rekening brengen van de kosten een afname van de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening tot stand is gekomen. Deze situatie zal zich voordoen:
- -
bij vermindering van belastingaanslagen;
- -
als een positieve belastingaanslag wordt gevolgd door een negatieve belastingaanslag over dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak;
(…)
|
Naast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening rekenfouten zijn gemaakt dan wel een onjuist tarief is gehanteerd, zijn kosten niet verschuldigd in de volgende gevallen:
als de betaling op de rekening van de gemeente is bijgeschreven op of voorafgaand aan de dag waarop de kosten verschuldigd zijn geworden;
voor zover na het in rekening brengen van de kosten een afname van de schuld, anders dan door betaling, of verrekening tot stand is gekomen.
Deze situatie zal zich voordoen:
- -
bij vermindering en/of vernietiging van belastingaanslagen;
- -
als er achteraf bezien al voor het in rekening brengen van de kosten om beleidsmatige redenen aanleiding is geweest om de invordering op te schorten.
- -
Bij kwijtschelding van de belastingaanslag
(…).
|
|
|
|