Gemeenteblad van Nieuwkoop
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nieuwkoop | Gemeenteblad 2025, 234029 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nieuwkoop | Gemeenteblad 2025, 234029 | beleidsregel |
Uitvoeringsprogramma Uitwegen Gemeente Nieuwkoop 2025
Het huidige uitwegenbeleid van de gemeente Nieuwkoop is vastgesteld in 2017. In de praktijk blijkt dat dit beleid niet altijd genoeg handvatten biedt om transparant en consequent een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een uitweg te toetsen.
In het huidige uitwegenbeleid is een maximum breedte van een uitweg bij woningen vastgesteld op 4,00 meter. In de praktijk blijkt dat de rijbaan smal is dat een uitweg van 4,00 meter ook vaak te smal is. Wegens beperkte manoeuvreerruimte kan met een personenauto niet direct de uitweg worden in- of uitgereden. Dit kan leiden tot bermschades en ook kunnen personenauto’s niet altijd naast elkaar geparkeerd worden op eigen terrein
In dit nieuwe beleidsstuk wordt de breedte van de uitweg vergroot naar maximaal 5,00 meter. Daarnaast zijn taken en verantwoordelijkheden van het beheer en onderhoud van uitwegen uitvoerig beschreven.
Het is verplicht om in het bezit te zijn van een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van (het gebruik van) een uitweg. Aan de gemeente Nieuwkoop wordt regelmatig verzocht een dergelijke vergunning te verlenen, zodat percelen ontsloten kunnen worden via de openbare weg.
Bij dergelijke aanvragen maakt de gemeente een afweging op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). In de APV staan weigeringsgronden waarop de aanvragen van een vergunning worden getoetst. Het uitwegenbeleid vormt een concreet toetsingskader voor het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning. Op deze manier kunnen de aanvragen op consequente en transparante wijze beoordeeld worden.
Wanneer uit de toetsing van de aanvraag blijkt dat één of meerdere weigeringsgronden uit de APV van toepassing zijn, wordt de aangevraagde vergunning geweigerd. Als er geen sprake is van een weigeringsgrond, wordt de omgevingsvergunning voor een uitweg verleend.
Na een korte begrippenlijst in hoofdstuk 3 wordt in hoofdstuk 4 een beeld gegeven van het wettelijk kader waarbinnen het toetsen van aanvragen voor aanleg of verandering van uitwegen valt. In hoofdstuk 5 volgt een toelichting op het aantal uitwegen per perceel dat toegestaan wordt. Hoofdstuk 6 geeft weer wat de toetsingscriteria zijn op basis van de APV. Alle aspecten over het aanleggen van een uitweg staan uitgelegd in hoofdstuk 7. Daarnaast worden er nog uitzonderingen besproken in hoofdstuk 8. In hoofdstuk 9 wordt afgesloten met de slotbepalingen.
Dit hoofdstuk is een uiteenzetting van de kaders waarbinnen dit beleid valt en de aspecten waar rekening gehouden moet worden. Allereerst wordt in paragraaf 2.1 het wettelijk kader geschetst, waar wordt ingegaan op de Omgevingswet, APV en overige wettelijke bepalingen. Vervolgens komt in paragraaf 2.2 het beleidskader aan de orde met daarin de landelijke richtlijnen, het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan, het groenbeheerplan en de geldende bestemmingsplannen.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de komst van de Omgevingswet is een groot aantal vergunningen samengevoegd tot één omgevingsvergunning.
Een uitwegactiviteit is een omgevingsactiviteit die bij volledige werking van de Omgevingswet wordt geregeld in het nieuwe omgevingsplan. Door de activiteit op te nemen in het nieuwe omgevingsplan ontstaan mogelijkheden voor meer samenhang en maatwerk. Hierbij hoort ook de vaststelling hoeveel en welke regels het meest geschikt zijn. Naast de vergunningsplicht en meldingsplicht kan de gemeente kiezen voor algemene regels, specifieke zorgplicht of het vrijstellen van regels.
2.1.2 Algemene Plaatselijke Verordening (APV)
De weigeringsgronden ten aanzien van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van (het gebruik van) een uitweg zijn opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening Nieuwkoop (APV). De inhoud van het desbetreffende artikel is weergegeven hieronder.
Bij een aanvraag voor het verplaatsen / vergroten / verkleinen van een bestaande uitweg gelden dezelfde voorwaarden als bij een aanvraag voor het verkrijgen van een eerste uitweg.
2.2.1 Landelijke richtlijnen (CROW)
Bij de aanleg van wegen binnen de gemeente Nieuwkoop wordt altijd nagestreefd waar mogelijk de landelijke richtlijnen, zoals door de CROW opgesteld, te volgen. Hierin zijn onder andere maten opgenomen voor ontwerpvoertuigen, dus hoe breed een uitweg zou moeten zijn voor het direct in- en uitrijden hiervan. Ook over de locatie van uitwegen zijn richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen vormen een handvat bij het toetsen of de aanleg van een uitweg gevolgen heeft voor de bruikbaarheid van de weg en het veilig en doelmatig gebruik van de weg.
2.2.2 Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (GVVP)
In 2020 is het GVVP van de gemeente Nieuwkoop geactualiseerd. Hierin is de wegencategorisering opgenomen. Dit is de basis voor de verkeersveilige inrichting van wegen waarbij verkeer, leefbaarheid en omgeving op elkaar zijn afgestemd, zodat personen en goederen vlot, veilig en efficiënt verplaatst kunnen worden. Wegen zijn onderverdeeld in erftoegangswegen, gebiedsontsluitingswegen en stroomwegen. Erftoegangswegen en gebiedsontsluitingswegen zijn binnen en buiten de bebouwde kom te vinden, stroomwegen alleen buiten de bebouwde kom. In de gemeente Nieuwkoop kennen we alleen erftoegangswegen en gebiedsontsluitingswegen.
De wegencategorisering is belangrijk, omdat bij erftoegangswegen verblijven centraal staat en bij gebiedsontsluitingswegen de doorstroming. Binnen een verblijfsgebied vindt uitwisseling van verkeersstromen plaats en is er dus een samenloop van diverse manoeuvres. Dit maakt dat de aanwezigheid van een uitweg met bijbehorende verkeersbewegingen beter past in een verblijfsgebied. Op een gebiedsontsluitingsweg is het belangrijk dat de doorstroming zo veel mogelijk gewaarborgd wordt. De aanwezigheid van een uitweg doorbreekt de doorstroming en is daarom langs gebiedsontsluitingswegen minder wenselijk dan bij erftoegangswegen en soms zelfs helemaal niet wenselijk. Een weggebruiker verwacht op een gebiedsontsluitingsweg geen onderbrekingen op zijn route en kan een uitweg leiden tot onveilige verkeerssituaties.
De wegencategorisering is daarom een belangrijk onderdeel in de toetsing van de aanvraag voor de bruikbaarheid van de weg en het veilig en doelmatig gebruik van de weg.
In de gemeente Nieuwkoop is een groenbeheerplan vastgesteld en zijn beschermwaardige houtopstanden aangewezen. Beide zijn van invloed bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een uitweg. Wanneer voor de aanleg van een uitweg het belang van het behoud van groen(structuur) in het geding komt of een beschermwaardige houtopstand zou moeten verdwijnen, kan de aanvraag worden geweigerd vanwege de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente Nieuwkoop.
3 Uitgangspunten aantal uitwegen
Elke uitweg die dient als ontsluiting van een perceel heeft invloed op de openbare ruimte. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan beïnvloeding van de verkeersveiligheid en doorstroming op de weg, verlies van (openbare) parkeergelegenheid en verlies van openbaar groen. Gesteld kan worden dat over het algemeen de aanleg van een nieuwe uitweg de openbare ruimte verstoort en niet wenselijk is, daarom is het in eerste instantie ook verboden via de APV.
Wanneer een uitweg toch nodig blijkt te zijn met bijvoorbeeld het oog op bedrijfsvoering of wanneer uitwegen leiden naar parkeergelegenheid op eigen terrein, worden uitwegen daar waar mogelijk toegestaan. Echter dient dit in een beperkte mate te gebeuren. Meerdere uitwegen per perceel leiden tot meer verstoring van de openbare ruimte.
Aan de hand van de wegencategorisering wordt in de volgende paragrafen beschreven wanneer een uitweg kan worden toegestaan en welke regels gelden voor meerdere uitwegen per perceel. Naast erftoegangswegen en gebiedsontsluitingswegen wordt een derde categorie toegevoegd: de erven. In de gemeente Nieuwkoop komen veel woonerven voor, waar een speciaal verkeersregime geldt en waar andere uitgangspunten voor uitwegen gehanteerd worden.
Erven, in de volksmond vaak woonerven genoemd, zijn gebieden die een verblijfsfunctie hebben en waar alleen verkeer komt dat in het gebied zijn herkomst of bestemming heeft.
Voor woonerven zijn alleen bestaande woonwijken van belang, omdat erven niet meer worden toegepast bij nieuwe woonwijken.
In een erf ligt de maximumsnelheid van het verkeer op 15 km/uur (stapvoets rijden). Voetgangers en fietsers maken hier gezamenlijk gebruik van de rijbaan.
In een erf is vaak een beperkt aantal openbare parkeerplaatsen aanwezig en is het uitgangspunt dat er veel op eigen terrein in de voortuin wordt geparkeerd. Soms worden er twee auto’s naast elkaar geparkeerd, waardoor uitwegen vaak wat breder zijn om het in- en uitrijden van het eigen terrein goed mogelijk te maken.
In onderstaande tabel is voor erven weergegeven hoeveel uitwegen onder welke voorwaarden worden toegestaan.
Er kan een eerste uitweg worden toegestaan als deze voldoet aan de toetsingscriteria. Een tweede uitweg wordt toegestaan bij bedrijven mits hier noodzaak toe is in verband met bedrijfsvoering of wanneer het een maatschappelijke voorziening betreft. Meer uitwegen dan twee worden niet toegestaan.
Voor het hebben van smalle looppaden, tuinpaden en dergelijke, die uitsluitend bestemd zijn voor beperkt gebruik door voetgangers en die vanaf een particulier erf rechtstreeks aansluiting geven op een openbaar trottoir, dus niet uitmonden in een berm of plantsoen, is in het algemeen geen uitwegvergunning vereist. Dit laat onverlet dat een pad mogelijk niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan.
Op erftoegangswegen vindt uitwisseling van verkeer plaats, op zowel wegvakken als kruispunten. Deze wegen zijn zo ingericht dat de verblijfsfunctie centraal staat. Locaties waar veel oversteekbewegingen plaatsvinden zijn extra herkenbaar ingericht. Erftoegangswegen kennen binnen de bebouwde kom een maximum snelheid van 30 km/uur en buiten de bebouwde kom een maximumsnelheid van 60 km/uur.
Door de inrichting van erftoegangswegen zijn deze wegen geschikt voor verschillende verkeersstromen. Weggebruikers zijn zich ervan bewust dat er vanuit diverse richtingen verkeer kan komen. Dit maakt dat de ontsluiting van percelen ook in het verwachtingspatroon van een weggebruiker zit, mits deze uitweg duidelijk zichtbaar en herkenbaar is. Echter is het wel zo dat door de aanleg van uitwegen langs erftoegangswegen vaak groen of parkeerruimte vervalt, of de mogelijkheid om dat aan te leggen. Ook ontstaan er door aanleg van meerdere uitwegen per perceel meer potentiële conflictpunten wat gevolgen kan hebben voor de verkeersveiligheid op deze wegen. Er dient daarom zeer terughoudend omgegaan te worden met het toewijzen van meer dan één uitweg per perceel. Eventuele uitzondering hierop is wanneer een tweede uitweg nodig is met het oog op bedrijfsvoering. De aanvrager van de omgevingsvergunning dient deze noodzaak te onderbouwen.
In onderstaande tabel is voor erftoegangswegen weergegeven hoeveel uitwegen onder welke voorwaarden kunnen worden toegestaan.
Er kan een eerste uitweg worden toegestaan als deze voldoet aan alle toetsingscriteria. Bij bedrijven kan een tweede uitweg worden toegestaan mits hier de noodzaak toe van bedrijfsvoering kan worden aangetoond of wanneer het een maatschappelijke voorziening betreft. Meer dan twee uitwegen worden niet toegestaan.
Gebiedsontsluitingswegen zijn wegen die een doorgaande functie hebben waarbij doorstroming van het verkeer van belang is. Op deze wegen geldt binnen de bebouwde kom een maximumsnelheid van 50 km/uur en buiten de bebouwde kom een maximum snelheid van 80 km/uur.
Bij het opstellen van dit uitvoeringsprogramma is een nieuw type gebiedsontsluitingsweg geïntroduceerd. Dit is een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 30 km/uur (GOW30). GOW30-wegen zijn wegen die zowel een verblijfsfunctie als een verkeersfunctie vervullen en het niet altijd mogelijk is om zo’n GOW veilig als 50 km/h-weg in te richten.
Ontsluitingen van percelen op deze wegen verstoren de doorstroming en vallen niet binnen het verwachtingspatroon van de weggebruiker. Een uitweg is een potentieel conflictpunt en kan langs een gebiedsontsluitingsweg een verhoging van de verkeersonveiligheid betekenen. Sommige gebiedsontsluitingswegen kennen een wat minder sterke verkeersfunctie, waardoor een uitweg minder grote gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid. De verkeersfunctie heeft te maken met de hoeveelheid verkeer die gebruik maakt van een weg en in hoeverre de weg van belang is voor het wegennet. Een snelweg heeft een sterkere verkeersfunctie dan een gemeentelijke weg.
Voor gemeente Nieuwkoop kan gesteld worden dat de gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom een relatief lage verkeersfunctie hebben en gebiedsontsluitingswegen buiten de bebouwde kom een hoge verkeersfunctie. Bovendien is bij gebiedsontsluitingswegen buiten de bebouwde kom de snelheid van het verkeer zo hoog dat het veilig uitrijden van een uitweg zeer bemoeilijkt wordt en kan leiden tot conflicten met ernstige afloop. Dit raakt de weigeringsgrond in de APV, namelijk “het veilig en doelmatig gebruik van de weg” komt in het geding. Toch komt het voor dat er voor een perceel geen enkele andere mogelijkheid is om te ontsluiten op een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom. Dan kan de gemeente ervoor kiezen een uitzondering te maken om maximaal één uitweg toe te staan. Het is mogelijk dat de gemeente hierbij extra verkeersmaatregelen eist om de verkeersveiligheid te waarborgen, zoals waarschuwingsborden.
Binnen de bebouwde kom kan een eerste uitweg worden toegestaan als deze voldoet aan de toetsingscriteria. Een tweede uitweg wordt toegestaan bij bedrijven mits hier noodzaak toe is in verband met bedrijfsvoering of wanneer het een maatschappelijke voorziening betreft. Meer uitwegen dan twee worden niet toegestaan.
Buiten de bebouwde kom worden aanvragen voor aanleg van een uitweg geweigerd, tenzij er geen andere mogelijkheid is om een perceel te ontsluiten en de aanvraag voldoet aan de toetsingscriteria. Er wordt dan niet meer dan één uitweg toegestaan.
In onderstaande tabellen zijn per soort gebiedsontsluitingswegen weergegeven hoeveel uitwegen onder welke voorwaarden kunnen worden toegestaan.
Aantal uitwegen per perceel bij gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom
Aantal uitwegen per perceel bij gebiedsontsluitingswegen buiten de bebouwde kom
3.4 Particuliere ontsluitingspaden
Voor smalle looppaden, tuinpaden en dergelijke die vanaf een particulier erf rechtstreeks aansluiting geven op een openbaar trottoir, dus niet uitmonden in een berm of plantsoen, is in het algemeen geen uitwegvergunning vereist. Dit laat onverlet dat een pad mogelijk niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan.
Ontsluitingspaden door openbaar groen zijn niet toegestaan.
Afhankelijk van de stedenbouwkundige opzet van een woonwijk hebben een aantal woningen met achtertuinen geen achterpad, maar grenzen aan openbaar groen. De reden hiervoor is dat bij de bouw, de berging aan de voorzijde van de woning is gesitueerd. Na verloop van tijd wordt de ruimtebehoefte van de bewoners groter en wordt gekeken naar uitbreidingsmogelijkheden. Zonder te verhuizen is uitbouw of het betrekken van de berging bij de woning een mogelijkheid. Bij een tuin van redelijk grote afmetingen ligt een schuur of tuinhuisje als (extra) berging voor de hand.
Aangezien het niet altijd wenselijk is om met spullen uit de berging door de woning te gaan en dus is bereikbaarheid van de achtertuin vanaf de openbare weg gewenst.
Als de bergruimte is gerealiseerd doen sommige inwoners het verzoek aan de gemeente om een ontsluitingspad aan te leggen om de bereikbaarheid van de achtertuin te verbeteren. Tot op heden worden aanvragen voor een achterpad, zonder dat sprake is van medische noodzaak, op grond van het bestemmingsplan of van art. 2.10a van de A.P.V. afgewezen. “Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan”. De achteruitgang (poort) is en blijft aanwezig waardoor ontsluiting nog steeds plaatsvindt, enkel dan onverhard.
Ten aanzien van tijdelijke uitwegen wordt niet afgeweken van het beleid voor definitieve uitwegen tenzij dit gezien de uitvoering van de werkzaamheden aan de weg of andere zwaarwegende belangen, noodzakelijk of onvermijdelijk is. De aanwezigheid van een tijdelijke uitweg dient zo kort mogelijk te zijn met een verkeersveilige inpassing. Door het bevoegd gezag kan hiervan worden afgeweken indien er geen sprake is van gevaar voor de verkeersveiligheid. De beoordeling hiervan geschiedt door het bevoegd gezag.
In de tijdelijke omgevingsvergunning voor het hebben van een uitweg kunnen aanvullende voorschriften worden opgenomen, bijvoorbeeld het plaatsen van waarschuwingsborden.
Wanneer er een nieuwe uitweg gemaakt wordt vanaf een woning, bedrijf, maatschappelijke voorziening of landbouw, natuur- of waterbeheer naar de openbare weg, dan is er een omgevingsvergunning nodig.
Deze vergunning dient aangevraagd te worden via het Omgevingsloket
4.2 Uitweg bij nieuwbouwplannen
In een nieuwbouwplan of ander bouwplan dienen uitwegen meegenomen worden in de totale omgevingsvergunning bouwen. Uiteraard dient de activiteit ‘uitrit aanleggen’ dan wel aangevraagd en getoetst te worden. Op het moment dat de betrokkene de geplande uitweg wil aanpassen, of juist een extra uitweg wil, neemt hij/zij contact op met de gemeente en wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van het ontwerp van de straat en deze beleidsregels.
Aan de hand van de weigeringsgronden uit art. 2:12 APV Nieuwkoop zijn toetsingscriteria uitgewerkt. In dit hoofdstuk worden per weigeringsgrond de bijbehorende criteria weergegeven. Daar waar nodig wordt een toelichting gegeven.
De toetsingscriteria zijn van toepassing op aanvragen voor nieuw aan te leggen uitwegen en op aanvragen om bestaande uitwegen aan te passen.
Paragraaf 5.1 gaat in op het criterium bruikbaarheid van de weg, paragraaf 5.2 op veilig en doelmatig gebruik van de weg, paragraaf 5.3 op bescherming van groenvoorzieningen van de gemeente en wordt in paragraaf 5.4 ingegaan op aanvullende inrichtingseisen. Tot slot gaat paragraaf 0 in op het toetsen van uitwegen in nieuwbouwprojecten.
5.2 Veilig en doelmatig gebruik van de weg
Een uitwegvergunning wordt in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg geweigerd indien de uitweg komt te liggen:
Om te voorkomen dat los materiaal de weg op wordt gereden, mag de uitweg niet worden aangelegd met los materiaal, zoals grind/split/houtsnippers.
N.B. Bovenstaande vier toetsingscriteria (5.2 a t/m d) zijn uitsluitend van toepassing op nieuwe uitwegen en aan te passen bestaande uitwegen die in de nieuwe situatie aan een ander type weg komen te liggen.
Het uitgangspunt bij een woning is dat een uitweg maximaal 5 meter breed mag zijn. Wanneer er vleugels worden toegepast, dan moet dit onder een hoek zijn van 45 graden over 1 meter. De aansluiting op de openbare weg is dan maximaal 7 meter. Dit laatste is alleen van toepassing bij bruggen of duikers.
In de openbare ruimte is niet altijd voldoende ruimte om te draaien bij in- en uitrijden. Ook kunnen door een uitweg van 5 meter twee naast elkaar gelegen parkeerplaatsen onafhankelijk van elkaar gebruikt worden. Hierdoor zullen in de praktijk meer auto’s op eigen terrein gaan parkeren, dan wanneer twee parkeerplaatsen achter elkaar liggen. Om de auto te kunnen gebruiken die het dichtst bij de woning ligt, zal de voorste auto altijd verplaatst moeten worden. In de praktijk blijkt dat vaak een eerste auto op eigen terrein staat geparkeerd en de tweede auto in een openbaar parkeervak. De parkeerdruk in de openbare ruimte neemt dan toe.
In bijzondere gevallen kan in overleg met de wegbeheerder een bredere uitweg worden toegestaan. Hierbij dient de noodzaak aangetoond te worden, bijvoorbeeld de beperkte breedte van de openbare weg waardoor de uitweg niet direct in- en uitgereden kan worden. 18
Als twee uitwegen van twee aan elkaar grenzende woonpercelen nagenoeg naast elkaar liggen, worden deze twee uitwegen uitgevoerd als één uitweg. De breedte van deze uitweg is afhankelijk van de ligging ten opzichte van de percelen in verband met het in- en uitrijden van beide percelen.
Maximaal wordt een breedte van 8 meter (2 x 4 meter) toegestaan, dit is inclusief kantopsluiting.
De opstelruimte bij een woning dient minimaal 5 meter lang en 2,5 meter breed te zijn, zodat een voertuig niet over het trottoir kan uitsteken.
5.5.2 Maatschappelijke voorzieningen en bedrijven
Bij een uitweg bij een maatschappelijke voorziening of een bedrijf wordt in eerste instantie uitgegaan van een maximum breedte van 5 meter waarbij geen vrachtverkeer op eigen terrein afgewikkeld wordt.
Bij uitwegen waarbij vrachtverkeer op eigen terrein afgewikkeld wordt mag de uitrit maximaal 8,0 meter breed zijn bij één uitweg en bij een gecombineerde uitweg maximaal 12 meter (2 x 6,0 meter).
De afmeting van de uitweg wordt bepaald door de breedte van de weg, de aard van het gebruik van de uitweg en de intensiteit waarmee de uitweg wordt gebruikt. Het keren, manoeuvreren en rangeren met voertuigen dient op eigen terrein te geschieden en niet ter plaatse van de uitweg of op de openbare weg.
Wanneer er vleugels worden toegepast bij een uitweg, dan moet dit onder een hoek zijn van 45 graden over 2 meter. De aansluiting op de openbare weg is dan maximaal 12 meter.
5.5.3 Percelen landbouw, natuur- en waterbeheer
De breedte van een uitweg bij een perceel van landbouw, natuur- of waterperceel is maximaal 5 meter. Ook hier kan het voorkomen dat er maatwerk en er een breder uitweg toegepast moet worden. De noodzaak voor een bredere uitweg zal dan aangetoond moeten worden.
Wanneer er vleugels worden toegepast, dan moet dit onder een hoek zijn van 45 graden over 2 meter. De aansluiting op de openbare weg is dan maximaal 9 meter.
Bij nieuwbouwprojecten waar de openbare ruimte wordt ingericht of opnieuw wordt ingericht, wordt het tevoren een inrichtingsplan opgesteld. Het inrichtingsplan wordt beoordeeld door de afdeling Beheer Openbare Ruimte van de gemeente Nieuwkoop.
Van de nieuwe woningen, waarvoor geldt dat op eigen terrein wordt geparkeerd, wordt bij deze beoordeling de ligging van de uitwegen in de openbare ruimte getoetst. Hierdoor hoeft er na aankoop van een nieuwbouwwoning binnen een dergelijk project geen extra vergunning voor een uitweg te worden aangevraagd.
Dit geldt niet voor woningen gelegen op vrije kavels, waarvoor geldt dat op het moment van het maken en beoordelen van het inrichtingsplan de ligging van de woning en parkeergelegenheid (garage) nog niet bekend is.
Voor het daadwerkelijk aanleggen van de uitweg gelden een aantal regels. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd wat hoe de uitweg eruit moet komen te zien en wie de uitweg mag aanleggen. Ook komen leges en kosten van aanvraag van een vergunning en aanleg van de uitweg aan bod.
De uitweg mag niet door, dan wel namens de aanvrager, worden aangelegd. De uitweg wordt voor rekening van de aanvrager door de gemeente aangelegd.
De aanvrager betaalt de werkelijke kosten voor het aanleggen van de uitweg. Bij de vergunning ontvangt aanvrager een offerte voor het realiseren van een uitweg. In deze offerte zitten ook de aanpassingen aan de openbare ruimte. Nadat de gemeente een akkoordverklaring op de offerte van de aanvrager heeft ontvangen, wordt de uitweg door de gemeente aangelegd. De aanvrager ontvangt na aanleg de factuur voor de werkelijke kosten.
Bij nieuwbouwprojecten is de vergunning doorgaans geregeld in de omgevingsvergunning.
Bij de aansluiting van uitwegen op asfaltverhardingen moet de rand van de asfaltverharding worden gezaagd om een goede aansluiting van de uitweg op de verharding mogelijk te maken.
Het aansluiten door middel van koudasfalt, metselspecie of betonmortel is niet toegestaan. Uitsluitend elementenverharding is toegestaan.
Dit geldt ook voor uitwegen met bruggen.
Op het perceel en in de openbare ruimte moet de uitweg worden aangelegd met bestratingsmateriaal bestaande uit een elementverharding.
6.1.3 Uitrit vanaf brug tot aan rijbaan afstand van brug tot rijbaan maximaal 5 meter
(erftoegangsweg binnen en buiten de komgrens en gebiedsontsluitingsweg binnen de kom):
6.1.6 Uitritten zowel particulier als bedrijven op erftoegangswegen buiten de bebouwde kom:
Indien er vergunning afgegeven wordt voor het aanleggen en onderhouden van kabels en leidingen, en de inrit hiervoor moet worden opgebroken, dan is de houder van de vergunning verplicht deze werkzaamheden toe te staan. Met de kabel- en leiding beheerders worden door de vergunninghouder afspraken gemaakt over de herstelwerkzaamheden van deze inrit. De kabel- en leiding beheerder is verplicht deze werkzaamheden uit te voeren. Verantwoordelijkheid hiervan ligt bij de vergunninghouder.
De aansluiting van de inrit moet conform handboek openbare ruimte worden aangebracht. Hiervoor worden er twee details uitgewerkt voor uitvoering. Een week voorafgaand aan uitvoering moet de aansluiting van de inrit op de rijbaan worden afgestemd en gecontroleerd door de toezichthouder verhardingen van de afdeling beheer openbare ruimte.
6.2 Maatregelen parkeren voor een uitweg
Bij de aanleg van nieuwe uitwegen worden geen gele markeringen of markeringen ‚NP‘, antiparkeerpalen aangebracht.
Bij parkeerproblemen op of naast bestaande uitwegen zal eerst onderzocht worden naar de mate van parkeeroverlast. Hierbij zullen de boa’s situatie beoordelen. Uiterste redmiddel is fysieke maatregelen.
De procedure is dan als volgt:
Indien de gemeente voor de niet vergunde uitweg de aanvraag voor een vergunning goedkeurt, maar de uitweg niet volgens de beleidsregels en het programma van eisen openbare ruimte is ingericht, past de gemeente de uitweg aan met een juiste inrichting. De kosten die de gemeente hierdoor maakt, komen voor rekening van de aanvrager.
Voor het in behandeling nemen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een uitweg worden leges in rekening gebracht bij de aanvrager. De hoogte van het bedrag is te vinden in de geldende Legesverordening van de gemeente Nieuwkoop (https://lokaleregelgeving.overheid.nl)
De kosten voor het aanleggen, aanpassen of verwijderen van de uitweg zijn voor de aanvrager, evenals de eventuele aanleg of aanpassing van een kunstwerk. De aanvrager moet rekening houden met een kostenpost van circa €1.000 voor de aanpassing. Dit wordt vooraf bekend gemaakt. Dit bedrag is het gemiddelde op basis van eerder aangelegde in- en uitritten in de gemeente.
Ook worden er kosten in rekening gebracht bij de aanvrager voor aanpassingen aan de openbare ruimte ten behoeve van de aanleg, aanpassing of verwijdering van de uitweg. Deze werkzaamheden worden namens de gemeente Nieuwkoop uitgevoerd. Hierbij kan worden gedacht aan het volgende:
Mochten er naast de aanleg van de uitweg andere aanpassingen nodig zijn, dan zijn deze kosten ook voor de aanvrager.
Er worden geen kosten in rekening gebracht bij aanvrager als:
Volgens de Wegenwet heeft de gemeente de plicht om een openbare weg die in gemeentelijk beheer is, te onderhouden. Dit betekent dat de gemeente verplicht is om ook de uitwegen te beheren en te onderhouden voor zover deze zich in het openbare gebied bevinden. Dit houdt ook in dat de gemeente verantwoordelijk en aansprakelijk is voor schade die ontstaat als gevolg van slecht onderhoud van de uitweg.
De kosten van regulier beheer en onderhoud voor de uitweg komen ten laste van de gemeente Nieuwkoop voor het betreffende weggedeelte wat valt onder kadastraal eigendom van de gemeente. Ten zij er een overeenkomst / afspraken zijn gemaakt die in de wegenlegger zijn vastgelegd.
Verzoeken voor onderhoud van de uitweg, bijvoorbeeld door een verzakking kunnen ingediend worden via www.verbeterdebuurt.nl of bij de afdeling Beheer Openbare Ruimte. Zij bepaalt of onderhoud noodzakelijk is.
Bij uitwegen met een brug, dam met of zonder duiker is de vergunninghouder verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van dat bouwwerk.
De nieuwe en lopende meldingen voor een uitweg en aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een uitweg worden vanaf 1 januari 2025 getoetst aan het nieuwe uitvoeringsprogramma.
Bewoners die een omgevingsvergunning aanvragen voor een uitweg, kunnen geen rechten ontlenen aan de aanwezigheid van bestaande uitwegen op andere locaties. De gemeente toetst de meldingen en vergunningsaanvragen voor uitwegen aan de bepalingen die in deze beleidsregels beschreven staan. De uitvoering van de uitweg moet gaan volgens deze Beleidsregels Uitwegen en de CROW-publicaties.
APV: Algemene Plaatselijke Verordening, gemeente Nieuwkoop
ASVV 2021: Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom
CROW: Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw
GVVP: Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan
KLIC: Kabels en Leidingen Informatiecentrum
Alle percelen binnen de komgrenzen zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. De bebouwde kom wordt aangeduid met de borden volgens bijlage 1 van het RVV (Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990) borden H1 (inrijden) en H2 (uitrijden).’
Alle percelen buiten de komgrenzen zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.
Pand met woonbestemming, waarbij aan het wonen ondergeschikte bedrijvigheid is toegelaten. Deze panden vallen in het beleid onder de categorie woningen, met de voor woningen geldende regels.
Bijvoorbeeld assurantiekantoren, thuiskappers, huisartsen, fysiotherapeuten en ontwerpbureaus
Bedrijfswoning (niet op bedrijventerrein):
Pand met bedrijfsbestemming waar gewoond mag worden, waarbij de locatie anders is dan een bedrijventerrein zoals lintbebouwing. Deze panden vallen in het beleid onder de categorie woningen, met de voor woningen geldende regels.
Bedrijfswoning (op bedrijventerrein):
Pand met bedrijfsbestemming op een bedrijventerrein waarin bewoning is toegestaan. Deze panden vallen in dit beleid onder de categorie bedrijven, met de voor bedrijven geldende regels.
Uitweg, tevens ‘inrit’, ‘uitrit’ en ‘oprit’:
Onder een uitweg wordt de constructie verstaan om motorvoertuigen te ontsluiten van percelen ten behoeve van woningen, bedrijven of landbouw, natuur- of waterbeheer. Ontsluitingsmogelijkheid van één of meerdere percelen naar de rijbaan van de openbare weg. 26
De weg zoals gedefinieerd in artikel 1 sub b van de Wegenverkeerswet 1994.
Alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
In dit beleidsstuk gaat het alleen over wegen die in beheer en eigendom zijn van de gemeente.
Wegen die zijn gericht op het ontsluiten van erven, woningen en bedrijven. Kenmerkend voor een erftoegangsweg is dat in principe alle verkeerscategorieën van dezelfde rijbaan gebruik maken. Het gaat hier om alle manoeuvres die nodig zijn voor het bereiken van particuliere en openbare percelen, het in- en uitstappen en het laden en lossen van goederen. Op deze wegen is sprake van uitwisseling zowel op de wegvakken als op de kruispunten. Voor deze wegen geldt een maximale snelheid van 30 km/h. binnen de bebouwde kom, buiten de bebouwde kom geldt een maximale snelheid van 60 km/h.
Deze wegen faciliteren zowel het stromen als het uitwisselen van verkeer. Deze twee functies worden naar plaats gescheiden. Het stromen vindt plaats op wegvakken tussen de kruispunten, het uitwisselen op kruispunten. Voor gebiedsontsluitingswegen geldt een maximale snelheid van 50 km/h binnen de bebouwde kom, buiten de bebouwde kom geldt een maximale snelheid van 80 km/h.
Het afwerken van openbare delen van een bouwterrein voor uiteindelijk gebruik. Het betreft het aanbrengen van voorzieningen op of in het maaiveld. Woonrijp maken vindt plaats aan het einde of na afronding van de bouwactiviteiten.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-234029.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.