Gemeenteblad van Waalwijk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Waalwijk | Gemeenteblad 2025, 231320 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Waalwijk | Gemeenteblad 2025, 231320 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening jeugdhulp Waalwijk 2025
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Plan van Aanpak: een plan waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren betreffende de uitvoering van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering;
overige voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen niet vallend onder de Jeugdwet of wel vallend onder de Jeugdwet maar rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders;
eigen kracht: het in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, (pleeg)ouder(s) is/zijn beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden, het bieden van hulp door (pleeg)ouders levert geen overbelasting op, het gezinsinkomen is ook zonder pgb toereikend voor de betaling van vaste lasten en (pleeg)ouder(s) van de jeugdige hoeft/hoeven geen gedwongen keuze te maken tussen het verlenen van noodzakelijke hulp aan cliënt of het verwerven van een inkomen en het gezin is (zonder pgb) in balans.
formele hulp: Zorg en ondersteuning die geleverd wordt door een voor de betreffende taken gekwalificeerde hulpverlener die:
a. beroepsmatig of bedrijfsmatig werkzaam is in een relevante sector blijkende uit:
i. de inschrijving bij de Kamer van Koophandel van hemzelf of van de organisatie waarvoor hij werkzaam is; en
ii.een inschrijving in een register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of een inschrijving in het register van de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ-register) en/of een HKZ-certificering.
b. geen bloed- of aanverwante in de 1e of 2e graad van cliënt is;
Professionele zorgverlener: Een onderneming bedoeld in artikel 5, onderdelen a,b,c,d, of e van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving van het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van jeugdhulp die meerdere personeelsleden in dienst heeft of die toebehoort aan een zelfstandige zonder personeel.
Hoofdstuk 2 - Vormen van jeugdhulp
De volgende individuele voorzieningen zijn (in ieder geval) beschikbaar:
Als er sprake is van een aanvraag voor een individuele voorziening voor een jeugdige van zestien jaar of ouder moet er door Team WijZ, de gecertificeerde instelling, medisch domein en jeugdhulpaanbieder in de aanvraag of het Plan van Aanpak expliciet worden vermeld hoe lang de ondersteuning nodig is. Indien naar verwachting ook na het achttiende jaar nog hulp nodig is wordt nagedacht op welke wijze en via welke financieringsstroom dit vorm krijgt (Wmo, Zvw, Wlz). Input voor het Plan van Aanpak wordt mede geleverd door jeugdhulpaanbieders via het perspectiefplan 18+. Uiterlijk bij de leeftijd van zeventien en een half jaar moet duidelijk zijn of en welke ondersteuning er nodig is vanaf het achttiende levensjaar en hoe dit geregeld gaat worden c.q. binnen welk wettelijk kader deze ondersteuning dient te vallen.
Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling van de vergoeding, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening dan wel vergoeding. Hierbij hanteert het college het principe van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate individuele voorziening.
Artikel 2.5 - Zorg in onderwijs
Een deel van de jeugdigen, die tevens scholier zijn op de scholen Onderwijscentrum Leijpark in Tilburg of De Bodde in Tilburg, kunnen voor zorg in onderwijs gebruik maken van een, binnen de school georganiseerde, overige voorziening. Omdat door een jeugdige gebruik gemaakt kan worden van deze overige voorziening, vervalt de aanspraak op een individuele voorziening jeugdhulp voor zorg in onderwijs op één van de twee genoemde scholen.
Tijdens het contact stelt de gemeente samen met de jeugdige en/of ouders vast of er sprake is van een hulpvraagprocedure of een aanvraagprocedure.
Het uitgangspunt van de hulpvraagprocedure is dat er altijd eerst activerende ondersteuning wordt geboden vanuit het Stevig Lokaal Team dat aansluit bij de hulpvraag van de jeugdige en/of ouders. De gemeente Waalwijk bezit hiervoor een ruim en groeiend aanbod van gekwalificeerde professionals die basishulp bieden bij een breed scala aan problematieken binnen de Jeugdwet. Ook inwoners die eerder een maatwerkvoorziening hebben ontvangen, kunnen in aanmerking komen voor deze hulpvraagroute.
Het uitgangspunt van de aanvraagprocedure is dat er geen voorliggende voorziening beschikbaar is of de basishulp niet voldoende effect heeft gehad, of dat er hulpverlening betrokken is vanuit een externe zorgaanbieder middels een maatwerkvoorziening en er vervolgondersteuning nodig is van deze zorgaanbieder. Het college wijst voor het doen van een aanvraag op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5. van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4. van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning.
In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening of vraagt het college, indien noodzakelijk, een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp aan ( zie Procesreglement Civiel jeugdrecht van de rechtbanken inzake een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp). Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 4 weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.
Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via het medisch domein
Ter waarborging van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening door een jeugdhulpaanbieder, kan het college bij een aanvraag door een jeugdhulpaanbieder als bedoeld in dit artikel op basis van signalen of steekproefsgewijs een toets uitvoeren.
Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Hiermee wordt bedoeld de maatregel die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig vinden bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig vindt bij de uitvoering van de jeugdreclassering.
Hoofdstuk 4 – Hulpvraagprocedure Toegang
Het doel van het eerste gesprek is om een goed beeld te krijgen van de situatie:
a. De hulpvraag van de jeugdige en/of ouders
b. Welke krachten en belemmeringen worden ervaren?
c. De persoonlijke situatie van de jeugdige en/of ouders: op welke manier is de situatie van invloed op de ervaren belemmeringen? (financiën , huisvesting, netwerk, fysieke klachten)
d. Wat is er al geprobeerd? Wat werkt(e) wel en wat niet?
e. Op welke manier kan de jeugdige en/of ouders zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem?
f. De omgeving van de jeugdige en/of ouders: welke hulp kan het sociaal netwerk of kunnen (voorliggende) organisaties bieden?
De analyse wordt in een ondersteuningsplan weergegeven waarbij er in samenspraak resultaten op kortere en langere termijn zijn geformuleerd waar de jeugdige en/of ouders met ondersteuning van een jeugdhulpwerker aan gaan werken. De ondersteuning richt zich in de eerste plaats op veiligheid en stabiliteit wanneer daar zorgen over bestaan.
Indien de inschatting door de jeugdhulpwerker wordt gemaakt dat de ondersteuning niet (volledig) een oplossing kan bieden voor de ervaren belemmeringen;
a. verwijst de professional de jeugdige en/of ouders naar de overige voorzieningen die hierbij kunnen ondersteunen, en/of
b. betrekt de professional een collega met de nodige deskundigheid bij de ondersteuning, en/of
c. stelt de professional met het gezin een Plan van Aanpak op waarmee zij een aanvraag kunnen doen bij de gemeente voor een maatwerkvoorziening door een externe zorgaanbieder. De professional ondersteunt hierbij.
Hoofdstuk 5 - Aanvraagprocedure Toegang
De aanvraag kan door belanghebbende(n) middels een aanvraagformulier (familiegroepsplan) van de gemeente worden ingediend via email of digitaal via de waalwijzer.nl en deze bevat tenminste:
a. De naam, het adres en contactgegevens (NAW gegevens) van de jeugdige en/of wettelijk vertegenwoordiger;
c. Een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd;
d. De jeugdige en/of ouders verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen:
i Omschrijving van de ondervonden beperkingen
ii Omschrijving van de hulpvraag
iv Indien aanwezig een evaluatie en rapportage van eerdere zorg
v Eventueel een medische rapportage bij een complexe situatie of Multi problematiek
Aanvraag Persoonsgebonden Budget (PGB)
i Omschrijving van de ondervonden beperkingen
ii Omschrijving van de hulpvraag
iv Indien aanwezig een evaluatie en rapportage van eerdere zorg
v Eventueel een medische rapportage bij een complexe situatie of Multi problematiek
vi Een volledig ingevuld Persoonlijk Plan voor PGB inclusief budgetoverzicht en weergave van de PGB-beheerder
Het college kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
a. de jeugdige en/of ouders niet voldaan hebben aan hetgeen is voorgeschreven in artikel 5.1 lid 1a tot en met 1d;
b. de aanvraag niet elektronisch is ingediend op de wijze die door het bestuursorgaan is voorgeschreven;
c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking.
Indien de jeugdige en de ouders de hulpvraag zelf kunnen oplossen als bedoeld in het eerste lid, sub c van deze verordening, of er is mogelijkheid om gebruik te maken van een andere of overige voorziening als bedoeld in het eerste lid, sub e en het eerste lid, sub f, wordt een individuele voorziening niet toegekend.
De jeugdige en/of gezaghebbende (ouder(s)) ondertekenen het Plan van Aanpak of familiegroepsplan voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen tien werkdagen wordt geretourneerd. Per leeftijdscategorie of situatie gelden daarbij de regels als genoemd in artikel 7.3.4 van de wet.
Bij het verstrekken van een individuele voorziening worden in de beschikking tevens de met de jeugdige of zijn ouders gemaakte afspraken vastgelegd, wie de jeugdhulp gaat bieden, wat het te behalen resultaat is, aard en omvang van de in te zetten hulp en welke “andere voorzieningen” relevant zijn of kunnen zijn.
Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). Het college houdt hierbij rekening met:
Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de verantwoordelijkheid over. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
Bij de beoordeling van het vijfde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:
Het college stelt vast of de ouder(s) of diens vertegenwoordiger voldoende regievaardig is voor het uitvoeren van de taken die behoren bij het pgb. Indien de ouder(s) en / of de vertegenwoordiger voldoende regievaardig is kan de (gecontracteerde) partij gevraagd worden om een expertadvies voor de bepaling van de aard en omvang van de individuele voorziening voor (hoog specialistische) jeugdhulp.
De volgende voorwaarden zijn van toepassing op de berekening en de hoogte van het pgb:
a. De hoogte van het pgb wordt bepaald aan de hand van de in het Plan van Aanpak beschreven resultaten en het budgetplan wat door de jeugdige en/of zijn ouders is opgesteld over hoe zij het pgb gaan besteden.
b. De hoogte van het pgb is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede jeugdhulp in te kopen.
c. De hoogte van het pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate individuele voorziening in natura.
d. Het college houdt bij de vaststelling van de hoogte van het pgb rekening met het feit of er sprake is van formele hulp of informele hulp.
e. Bij de differentiatie van tarieven zoals genoemd in het zevende lid wordt onderscheid gemaakt tussen reguliere jeugdhulpaanbieders die aan de kwaliteitseisen voldoen en jeugdhulp leveren (formele hulpverleners) enerzijds en hulpverleners uit het sociale netwerk van jeugdige en ouders (informele zorgverleners) anderzijds.
De jeugdhulp geboden vanuit het sociaal netwerk van jeugdige en ouders is gebaseerd op 125% van de Wet minimumloon. Wij indexeren deze bedragen jaarlijks uitgaande van het indexeringspercentage van de Wet Minimum Loon van 1 juli van het voorafgaande jaar. Voor een individuele voorziening die start voor 2023 en doorloopt in 2023 en verder geldt het volgende voor de indexering van de tarieven pgb:
- De tarieven per kilometer of op basis van kostprijs worden gedeclareerd, maar worden niet geïndexeerd.
De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk:
a. Voor persoonlijke verzorging en begeleiding.
b. Deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt.
c. Bij de inzet van een persoon uit het sociale netwerk kan door het collegeadvies opgevraagd worden bij derde over de passendheid van deze inzet en de informeel zorgverlener.
Als de gezaghebbende ouder(s) en of jeugdige een pgb vertegenwoordiger heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, dan mag om belangenverstrengeling te voorkomen, deze vertegenwoordiging niet de jeugdhulpaanbieder, als professioneel zorgaanbieder of zzp ‘er zijn van de diensten die met het pgb worden ingekocht. Voor zorgverleners uit het sociale netwerk van de jeugdige of ouders, geldt dat deze wel vertegenwoordiger én jeugdhulpaanbieder van de zorg mogen zijn.
De aanvraag voor een pgb omvat in ieder geval:
a. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is,
b. de te treffen individuele voorziening en het beoogde resultaat,
c. de voorgenomen uitvoering daarvan inclusief jeugdhulpaanbieder en kosten vastgelegd in het budgetplan,
d. de kwalificaties van de jeugdhulpaanbieder,
e. de verklaring van een vertegenwoordiger, vastgelegd in het budgetplan.
De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb:
b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers
c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie
d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb
e. kosten voor reizen en kostprijs voor reistijd van de hulpverlener.
De persoon die een pgb ontvangt, danwel de vertegenwoordiger, mag met de jeugdhulpaanbieder geen afspraak maken op basis waarvan de SVB de jeugdhulpaanbieder middels een vast maandloon uitbetaalt zonder dat de persoon die een pgb ontvangt de factuur heeft geaccordeerd. Dit betekent dat de jeugdhulpaanbieder maandelijks een factuur met daadwerkelijk gerealiseerde uren aan de persoon die het pgb beheert ter accordering aanbiedt.
De hoogte van het persoonsgebonden budget voor professionele zorgverleners is gelijk aan de werkelijke kosten tot het maximum van het toepasselijke pgb bedrag. Aan deze pgb-tarieven liggen de tarieven zorg in natura ten grondslag. De pgb-tarieven zijn gebaseerd op 85% van de kostprijs van zorg in natura.
Jaarlijks worden de tarieven per 1 januari verhoogd met een indexering. Voor wat betreft het bepalen van het indexeringspercentage wordt aangesloten bij de indexering die de gemeenten in de regio Hart van Brabant betaalt aan de door haar gecontracteerde zorgaanbieder voor de betreffende voorziening in natura. Is in het contract geen indexering voorzien, dan wordt ook het pgb niet verhoogd. Jaarlijks publiceert het college de pgb bedragen, vermeerderd met indexering zoals die gelden voor professionele dienstverlening per 1 januari van het betreffende kalenderjaar.
De persoonsgebonden budgetten voor informele zorgverleners voor begeleiding en persoonlijke verzorging zijn gebaseerd op het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FGW 30) van de voor de betreffende periode geldende CAO vvt (Verpleeg en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. De persoonsgebonden budgetten worden geïndexeerd conform deze cao.
Hoofdstuk 6 - Toezicht en handhaving
Artikel 6.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Degene voor wie, volgens deze verordening, een individuele voorziening is verstrekt, doet op verzoek of uit eigen beweging, per direct, aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.
Als er sprake is van een individuele voorziening in pgb kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van de budgethouder een vermoeden is dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid.
Het college maakt afspraken met jeugdhulpaanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Het college kan aan het verstrekken van een voorziening voorwaarden verbinden, die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde voorziening.
Het college stelt nadere regels vast. Hierin neemt het nadere regels op over de uitvoering van deze verordening en over de omvang van de (financiële) verstrekkingen.
Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende besluit geldende bedragen indexeren.
De raad van de gemeente Waalwijk,
Namens deze,
De griffier, De voorzitter,
Jeroen Deneer, Sacha Ausems
Bijlage 1 Eisen ten aanzien van de professionele zorgverlening
Deze bijlage behoort bij artikel 5.10 van deze verordening en heeft betrekking op alle zorgverleners.
Naast bovenvermelde eisen moet ook aan de volgende eisen worden voldaan om in aanmerking te komen voor het tarief van de professionele zorgverlener:
Zorgverleners beschikken over ervaringen, kwalificaties en/of opleidingen die passend zijn bij de te verrichten activiteiten, complexiteit en aard van de problematiek ( en) van de jeugdige. Dit kan blijken uit :
- Registratie bij het registerplein voor een van de relevante beroepen, of als voldaan wordt aan de eisen die vanuit het beroepenregister gesteld worden aan opleiding en gedrag;
- Registratie in het SRVB register vaktherapeuten of het Kwaliteitsregister voor Hoogbegaafdheid;
- Een diploma van een relevante opleiding die is erkend door het Central Register Beroepsopleidingen (Crebo).
Een professionele zorgverlener die niet aan bovenvermelde eisen voldoet krijgt een tarief dat gelijk is aan het niveau van een informele zorgverlener. Dat geldt ook voor een professionele zorgverlener die behoort tot het sociale netwerk van de jeugdige en/of ouder.
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
a. Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz).
g. Het gesprek is het mondeling contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin het college - in de praktijk zal het college deze bevoegdheid mandateren aan deskundigen - met degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen en de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen.
m. De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.
p. Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex-) partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging etc.
Hoofdstuk 2 - Vormen van jeugdhulp
Artikel 2.1 Overige voorzieningen
Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen.
Artikel 2.2 Individuele voorzieningen
Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen.
Artikel 2.3 Voorwaarden individuele voorziening jeugdhulp
Dit artikel geeft aan dat het college bij nadere regels de beschikbare voorzieningen vaststelt.
Het vijfde lid waarborgt dat de jeugdhulpaanbieder - ook wanneer deze jeugdhulp biedt in het buitenland - binnen de kaders van het Nederlands recht en de Nederlandse inspecties dient te opereren.
Artikel 2.4 Vervoersvoorzieningen
Dit artikel gaat in op de voorwaarden voor een vervoersvoorziening.
Het eerste lid geeft aan dat in eerste instantie ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van de jeugdige naar de jeugdhulpaanbieder.
In het tweede lid staan twee criteria waaronder het college een vervoersvoorziening toekent naar dagbehandeling of dagbegeleiding. Met betrekking tot de beoordeling van de zelfredzaamheid is de financiële situatie van ouders niet de enige grondslag om een vervoersvoorziening toe te kennen (lid 3). In lid vier staat dat een vervoersvoorziening altijd tijdelijk is en in lid zes staat dat het college onder meer de uitbetaling van de vergoeding alsmede de tijdsduur van de vervoersvoorziening danwel de hoogte vergoeding bepaalt.
Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via de gemeente
Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige voorziening, geldt de in hoofdstuk 3 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een aangemelde hulpvraag zal, in een gesprek met de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden bekeken en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening.
Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via het medisch domein
In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige zich rechtstreeks melden bij de jeugdhulpaanbieder. Dit is niet van toepassing als de hulpvraag hoog specialistische hulp vereist. In die gevallen dient de huisarts, medisch specialist en jeugdarts de jeugdige naar de Toegang te verwijzen. De Toegang zorgt voor verwijzing naar het samenwerkingsverband dat is gecontracteerd voor hoog specialistische hulp. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zijn die na de verwijzing in overleg met de jeugdige en zijn ouders beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is en in welke vorm, omvang en duur deze geboden dient te worden Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen.
De huisarts, medisch specialist en jeugdarts kunnen niet verwijzen naar jeugdhulp in pgb; om een individuele voorziening in pgb te verstrekken zijn handelingen nodig zoals het opstellen van een budgetplan en voorlichting geven over de SVB, die doorgaans geen onderdeel zijn van een dergelijke verwijzing. Daarnaast is conform de Memorie van Toelichting op de Jeugdwet jeugdhulp alleen direct toegankelijk als deze verwijzing naar een jeugdhulpaanbieder wordt gedaan waar het college een subsidie- of contractrelatie mee heeft.
In artikel 3.2, lid 2 staat het college op verzoek van de jeugdige of zijn ouders een beschikking af dient te geven. De jeugdige of zijn ouders kunnen dit verzoek, gericht aan het college, doen bij de afdeling Dienstverlening - team Maatschappelijke Ondersteuning van de gemeente Waalwijk.
De toets als bedoeld in het tweede en derde lid is bedoeld om een deskundige toeleiding naar de juiste jeugdhulp te ondersteunen. In de Memorie van toelichting op de Jeugdwet wordt deze bevoegdheid als volgt omschreven: 'De gemeente kan in haar verordening niet alleen aangeven welke vormen van jeugdhulp alleen na een besluit van de gemeente of een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts toegankelijk zijn, maar ook de voorwaarden waaronder deze vormen van ondersteuning, hulp en zorg verkregen kunnen worden. Met andere woorden, de jeugdhulpaanbieder is bij de bepaling welke vorm van jeugdhulp, met welke frequentie en voor hoe lang gebonden aan hetgeen de gemeente hierover in de verordening heeft opgenomen.' Door deze voorwaarde in de verordening op te nemen zijn de jeugdhulpaanbieders gebonden aan het oordeel van het college na toetsing van de aanvraag.
In het tweede lid wordt gesproken over een toets op basis van signalen en steekproeven. Met signalen wordt bedoeld alle zaken die over aanbieders, vormen van jeugdhulp en producten worden gesignaleerd. De signalen kunnen op verschillende manieren worden opgemerkt. Bijvoorbeeld vanuit materiële controle, relatiebeheer met aanbieders, data-analyse waaronder het maken van algemene prognoses en begrotingen. Signalen dient hier dus breed te worden opgevat.
De steekproeven die worden bedoeld in lid 2 kunnen alle mogelijke delen zijn van de totale populatie aan jeugdhulp zoals aangevraagd als bedoeld in artikel 3.2. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in zorgsoort, aanbieder, periode van controle, etc. Een steekproef kan daarmee voor een bepaalde periode ook behelzen dat alle aanvragen worden gecontroleerd.
Artikel 3.3 Toegang jeugdhulp via justitieel kader
Een verzoek ten aanzien van een machtiging gesloten jeugdhulp wordt, conform artikel 6.1.8 eerste lid van de wet, door het college van de gemeente waar de jongere woont ingediend.
De uitzondering op deze regel wordt verwoord in het tweede lid van dat artikel. Als er sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel, dan is het de gecertificeerde instelling die het genoemde verzoek indient en niet het college. In de Memorie van Toelichting bij de Verzamelwet VWS 2016 (Kamerstukken II, 2014/15, 34 191, nr. 3) geeft de wetgever eveneens aan dat artikel 2.11 van de wet er toe strekt “de kwaliteit van de voorzieningen op grond van de Jeugdwet te waarborgen alsmede de goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit ervan”. Er wordt vervolgens duidelijk aangegeven dat er in “de parlementaire behandeling diverse malen is aangegeven dat het college de mogelijkheid heeft om jeugdhulpaanbieders te mandateren om namens het college te besluiten welke jeugdhulp jeugdigen of ouders nodig hebben.”
Door deze voorgenomen wijziging in de Jeugdwet is daarmee artikel 2.11 eerste lid Jeugdwet verduidelijkt; het college heeft, na inwerkingtreding van de Verzamelwet VWS 2016, de mogelijkheid om de vaststelling van rechten en plichten, als bedoeld in een verleningsbesluit, te mandateren.
Hoofdstuk 4 – Hulpaanvraagprocedure toegang
In dit artikel zijn verschillende procedure afspraken opgenomen die gelden bij de procedure toegang jeugdhulp via de gemeente. Deze hebben te maken met het besluit en de start zorg van een jeugdhulpaanbieder bij een afgegeven besluit.
Hoofdstuk 5. Aanvraagprocedure Toegang
Na ontvangst van de aanvraag start het (voor)onderzoek.
Het tweede lid dient ter voorbereiding van het gesprek. Hierbij worden voor het onderzoek belangrijke gegevens in kaart gebracht, zodat:
De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de aanvraag meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek.
In het derde lid kunnen bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het gesprek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tevens kan worden beoordeeld of sprake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze wet te treffen.
Ook is hierin een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien.
Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de aanvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen.
Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken.
In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet plaatsvinden.
In de onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de wet [en de verordening] vermelde uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken.
Het derde lid bevestigt de regeling van het familiegroepsplan, Plan van Aanpak in de wet (artikel 2.1, onder g, in samenhang met artikel 1.1). De wet vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven.
Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Het college verstrekt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. De schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek wordt ook gebruikt als een met de cliënt overeengekomen plan waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het herstellen van feitelijke onjuistheden is vormvrij (tweede lid).
Jeugdigen of ouders kunnen een aanvraag jeugdhulp mondeling, schriftelijk of telefonisch indienen. In de Jeugdwet zelf zijn geen termijnen opgenomen voor de periode van onderzoek of het nemen van een besluit op een aanvraag jeugdhulp. Dit betekent dat de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, daarbij geldt een redelijke termijn (dat wil zeggen: acht weken) voor het nemen van een besluit op een aanvraag. Deze termijn start bij het eerste contact over de aanvraag. De ervaring leert dat het onderzoek bij jeugd vaak meer tijd vraagt, zeker bij multi-problematiek. Dit wil overigens niet zeggen dat er in die periode geen ondersteuning kan worden geboden aan de jeugdige en/of ouders. Als er meer tijd nodig is voor het onderzoek, zal dit in goed overleg met de jeugdige en ouders gebeuren.
Alleen als uit het onderzoek blijkt dat er een noodzaak is voor hoog specialistische jeugdhulp wordt de jeugdige door de Team WijZ doorverwezen naar het samenwerkingsverband hoog specialistische jeugdhulp hoog specialistische hulp. Het samenwerkingsverband hoog specialistische jeugdhulp hoog specialistische jeugdhulp bepaalt de aard en omvang van de hoog specialistische jeugdhulp. In alle andere gevallen bepaalt de Team WijZ de aard en omvang van de jeugdzorg en stuurt de gemeente een beschikking met een Plan van Aanpak als bijlage. Samen kijken Team WijZ en gezaghebbende ouder(s) en/of de jeugdige welke aanbieder het beste bij de problematiek van de jeugdige past. De uitkomsten van het onderzoek worden vastgelegd in een Plan van Aanpak. In de Beleidsregels en het Besluit kan het college deze procedure nader uitwerken. Het is mogelijk (via de reguliere procedure) hier bezwaar tegen te maken. De afhandeling van bezwaarzaken wordt afgehandeld door de afdeling Juridische Zaken van de gemeente Waalwijk.
Artikel 5.6 Inhoud beschikking
Indien de jeugdige of zijn ouders een aanvraag bij het college indienen, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen zij bezwaar en beroep kunnen indienen. In de beschikking staat de informatie die voor de ouder(s) en of jeugdige nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen.
Artikel 5.7. Beoordelingscriteria zorgvraag: eigen kracht en probleemoplossend vermogen.
Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt in artikel 10 geconcretiseerd.
De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).
De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken.
Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.
Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt:
“(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).
Het eerste lid van artikel 10 geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.
Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek.
Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.
De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid.
Het vierde lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders. Deze factoren sluiten aan bij bestaande rechtspraak.
Het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt uitgevoerd op de in artikel 5, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze. Bezien wordt daarbij of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt en dat deze hulp in uitgangspunt ook geleverd kan worden. Uit onderzoek kan blijken dat dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van:
a. geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;
b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden;
c. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.
Op de in artikel 5, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden.Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil of opvattingen over de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.
Jeugdigen of hun ouders dienen zelf bij te betalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college te bieden individuele voorziening in natura. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan deze door het college te bieden individuele voorziening in natura.
Een Toegangsprofessional stelt vast of de ouder(s) (of diens vertegenwoordiger) voldoende regievaardig is voor het uitvoeren van de taken die behoren bij het pgb. Indien de ouder(s) of de vertegenwoordiger voldoende regievaardig is kan de gecontracteerde partij (het Consortium) gevraagd worden om een expertadvies voor de bepaling van de aard en omvang van de voorziening. In een Plan van Aanpak worden de te behalen resultaten, de aard en omvang van de benodigde zorg vastgelegd.
Het vijfde lid berust op artikel 2.9, onder c, van de wet. In deze wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld.
Bij het vijfde lid, sub e staat dat er voor reguliere en micro aanbieders andere tarieven gelden dan voor zorgverleners uit het sociale netwerk van de jeugdige en ouders (informele zorgverleners).
Voor informele zorgverleners geldt vanaf 1 januari 2022 een tarief van 125% van het wettelijk minimumloon. Wij indexeren deze bedragen jaarlijks uitgaande van het indexeringspercentage van de Wml van 1 juli van het voorafgaande jaar. In lid 10 staat dat jeugdhulp geleverd door bloed- of aanverwanten in de eerste, tweede of derde graad van de budgethouder, altijd wordt aangemerkt als informele hulp. Verwanten in de eerste graad zijn ouders of kinderen. Verwanten in de tweede graad zijn grootouders, kleinkinderen en broers en zussen. Familie in de derde graad zijn overgrootouders, ooms en tantes (broers of zussen van de ouders), neven en nichten (kinderen van broers of zussen). Jeugdhulp geleverd door een van de genoemde bloed- of aanverwanten wordt dus aangemerkt als informele jeugdhulp.
In lid 12 lid staat dat de voorziening die met pgb betaald wordt van goede kwaliteit is. Alvorens een pgb toe te kennen is het van belang dat het college toetst aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet (zie ook de toelichting bij lid 1). Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd.
Omtrent het 19e lid: Vanuit de SVB bestaat de mogelijkheid dat budgethouder en zorgaanbieder in de zorgovereenkomst een vast maandloon overeenkomen. Maandelijkse betaling aan de zorgaanbieder vindt dan automatisch plaats door SVB zonder vooraf ontvangen factuur of specificatie. Dergelijke afspraken zijn niet mogelijk, omdat zorg in de praktijk veelal fluctueert en een vast maandloon daar geen rekening mee houdt. Het is belangrijk dat de budgethouder per maand te zien krijgt welke zorg er is geleverd en wat de daarmee samenhangende kosten zijn.
Artikel 5.9 Tarieven persoonsgebonden budget
In artikel 5.9 is de tariefstelling van de persoonsgebonden budgetten geregeld.
In lid 1 is het tarief vastgelegd voor professionele zorgverlening die moet voldoen aan alle kwaliteitseisen uit de jeugdwet en genoemde eisen in bijlage 2. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lager tarief. Conform de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ( CRvB d.d. 16 augustus 2023) is in lid 3 geregeld dat het tarief voor een pgb voor informele hulp overeenkomt met de cao Verpleeg- , Verzorgingshuizen en Thuiszorg ( VVT).
Artikel 5.10 Eisen ten aanzien van zorgverlening in de vorm van een pgb
De kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp dient naar het oordeel van het college geborgd te zijn. In dit artikel zijn de kwaliteitseisen opgenomen om een goede kwaliteit en deskundigheid van professionele zorgverleners te waarborgen. Het college ziet toe op de kwaliteit van jeugdhulpverleners door periodieke overleggen, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en indien nodig het controleren van de geleverde diensten.
Bij de wens om de hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordeelt het college of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren, De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd.
Dit artikel geeft aan dat het voor het college mogelijk is om een externe deskundige om advies te vragen in het onderzoek. De jeugdige en/of ouders worden hiervan op de hoogte gesteld.
Hoofdstuk 6 - Toezicht en handhaving
Artikel 6.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura wordt geëist dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.
De medewerkingsverplichting uit het derde lid van artikel 8.1.2 van de wet ziet toe op alle denkbare vormen van medewerking om toe te kunnen zien op een rechtmatige verstrekking van een individuele voorziening, zowel pgb als in natura.
Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is ‘herzien’, wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.
De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb's. Hoewel de Jeugdwet enkel spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is uit de toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld. Dat is daarom expliciet benoemd in deze bepaling. Verder breidt de verordening bepaling de herzienings- / intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking.
In de Jeugdwet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet).
Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.
Met ingang van 1 april 2017 is artikel 8b, tweede lid, onderdeel c, van de Regeling Jeugdwet van kracht. Het artikel bepaalt dat de voor budgethouders verplicht gestelde modelzorgovereenkomsten een zogenoemd derdenbeding bevatten, waarmee het college ten onrechte gedeclareerde ondersteuning kan verhalen op de ondersteuner die jeugdhulp levert.
Artikel 6.2 Voorkomen en bestrijding misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik
Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht.
Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden. Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen.
In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11).
Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Zowel gecontracteerde als pgb-jeugdhulpaanbieders vallen onder het kwaliteitstoezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IG&J). De gemeente heeft in het kader van contractering en monitoring een rol bij het toezien op en controleren van de kwaliteit. Voor zover de gemeente hierbij signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde jeugdhulp, stuurt de gemeente deze door naar de IG&J.
Het kwaliteitstoezicht op mogelijke aanvullende kwaliteitseisen is aan de gemeente zelf. Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder Jeugd ziet o.a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders, zowel in natura als pgb. De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb.
Deze bepaling ziet toe op het wettelijk mogen verwerken/gebruikmaken van (bijzondere) persoonsgegevens bij controle door de Toezichthouder Jeugdwet. Ook vormt dit de grondslag om (controlerende) interventies en passende maatregelen te kunnen toepassen.
Artikel 6.3 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door jeugdhulpaanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 va de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
Hoofdstuk 7 - Klachtregeling en vertrouwenspersoon
Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.
Artikel 7.2 Vertrouwenspersoon
In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie.
Artikel 8.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid
In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de jeugdhulpaanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 en verder van de wet. Met het tweede lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
Deze bepaling regelt de toepassing van een hardheidsclausule als instrument voor het college om onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden.
Artikel 9.3 Besluit en Beleidsregels
In dit artikel wordt bepaald dat er beleidsregels/nadere regels jeugdhulp gemeente Waalwijk worden vastgesteld. Deze documenten bevatten richtlijnen over de uitvoering van deze verordening. Deze omvatten ook de omvang van de diverse (financiële) verstrekkingen voor met name het pgb.
Artikel 9.5 Intrekkingen oude verordening
In het derde lid is als hoofdregel opgenomen dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Omdat dit nadelige gevolgen voor de cliënt kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als dit evident voordeliger is voor de cliënt. Dit ter voorkoming dat de cliënt gedupeerd is als zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is geweest en zijn rechtspositie door het tijdsverloop wordt aangetast.
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening en de wijze waarop deze wordt geciteerd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-231320.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.