Wijzigingsbesluit Nadere regels bij de Re-integratieverordening Participatiewet (Banen in het jongerenwerk 2025-2026)

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

 

gelet op artikel 1.5, achtste lid, van de Re-integratieverordening Participatiewet;

 

overwegende dat met de aanpak ‘Vakkundig Jongerenwerk: een sterke basis voor Amsterdamse jongeren’ beoogd wordt het vak van jongerenwerker te versterken, zodat jongerenwerkers jongeren beter kunnen bereiken en ondersteunen. Dit gebeurt onder andere door het in huis halen van meer ervaringsdeskundige jongerenwerkers en het beter samenwerken met organisaties die jongeren kunnen helpen met bijvoorbeeld werk of een opleiding;

 

besluit:

Artikel I  

Hoofdstuk 11 komt te luiden als volgt:

 

Hoofdstuk 11 – Banen in het jongerenwerk

 

Artikel 11.1 - Baan in het jongerenwerk

  • 1.

    Het college kan een werkgever in staat stellen in aanvulling op diens reguliere formatie een arbeidsovereenkomst aan te gaan in het kader van een baan in het jongerenwerk met een jongere, die voor zijn of haar arbeidsinschakeling is aangewezen op ondersteuning door het college.

  • 2.

    Een baan in het jongerenwerk betreft een combinatie van werk en scholing, in de vorm van een tijdelijk gesubsidieerd dienstverband dat door een werkgever wordt aangegaan met een jongere met als doel het versterken van het jongerenwerk en het ontwikkelen van de competenties van de jongere om door te stroom naar regulier werk of een opleiding.

Artikel 11.2 - Eisen aan de werkgever

  • 1.

    Onder een werkgever zoals genoemd in artikel 11.1 wordt verstaan een stichting of organisatie, die als doelstelling heeft het aanbieden van jongerenwerk in Amsterdam en een reeds bestaande subsidierelatie heeft met de gemeente Amsterdam op grond van de Subsidieverordening sociale basis Amsterdam 2025-2030.

  • 2.

    De werkgever is voldoende toegerust op het begeleiden van de jongere en het aanleren van competenties.

Artikel 11.3 - Nadere voorwaarden baan in het jongerenwerk.

  • 1.

    De arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, kan voor onbepaalde tijd of bepaalde tijd langer dan 12 maanden worden aangegaan, mits de subsidie vanuit de regeling beperkt blijft tot maximaal 12 maanden.

  • 2.

    De werkgever betaalt het rechtens geldende loon.

  • 3.

    In de arbeidsovereenkomst mag geen beperking worden gesteld aan het aanvaarden van en dienstverband bij een nieuwe werkgever.

  • 4.

    De arbeidsplaats waarop de jongere werkzaam wordt, dient bovenformatief te zijn en mag niet leiden tot verdringing van regulier personeel.

  • 5.

    Wanneer de werkgever zoals bedoeld in artikel 11.1, de jongere waarmee deze een dienstverband is aangegaan wil detacheren, is hieraan voorafgaand toestemming van het college nodig. Op de inlener is artikel 11.2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11.4 – Vergoeding werkgever

  • 1.

    Vanaf de start van het dienstverband tot en met uiterlijk de twaalfde maand daarvan maakt de werkgever aanspraak op een vergoeding bestaande uit de volgende onderdelen, die betrekking hebben op het in dienst hebben van de jongere en het begeleiden bij de ontwikkeling van competenties van de jongere:

    • a.

      voor de duur van het dienstverband, met een maximum van een jaar, een maandelijks bedrag, ter hoogte van het geldend cao-loon, inclusief vakantietoeslag, voor de salariskosten van de deelnemer;

    • b.

      de onder a. behorende werkgeverslasten;

    • c.

      een begeleidingsvergoeding ter hoogte van € 6.000 per deelnemer per jaar.

  • 2.

    Bij een deeltijddienstverband wordt de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, naar rato vastgesteld.

Artikel 11.5 – Maximumaantal plekken per jaargang

  • 1.

    Een aanvraag voor toepassing van artikel 11.1 voor de jaargang 2025 kan uiterlijk op 30 juni 2025 worden gedaan.

  • 2.

    Een aanvraag voor toepassing van artikel 11.1 voor de jaargang 2026 kan worden ingediend vanaf 2 maart 2026 en uiterlijk op 1 juni 2026.

  • 3.

    De regeling Banen in het Jongerenwerk kent per jaargang een maximum van vijftien deelnemers.

Artikel 11.6 – Vaststelling en betaling van de vergoeding werkgever

  • 1.

    Nadat de werkgever de benodigde bewijsstukken heeft verstrekt, stelt het college het recht op de vergoeding werkgever binnen een maand vast.

  • 2.

    Het college betaalt de vergoeding binnen een maand na de vaststelling daarvan, onder aftrek van een eventueel betaald voorschot, als bedoeld in het derde lid.

  • 3.

    Het college kan vanaf een maand na aanvang van de arbeidsovereenkomst een voorschot betalen op de vergoeding.

Artikel 11.7 – Handhaving

  • 1.

    Bij onvoldoende naleving van voorwaarden door de werkgever waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan onderzoek naar de vervulling van de voorwaarden voor de vergoeding, kan het college de vergoeding aan de werkgever lager vaststellen of intrekken en latere aanspraken door de betrokken werkgever weigeren.

  • 2.

    Vergoedingen of voorschotten waarop de werkgever ten tijde van de verlening of naderhand geen recht had, kan het college terugvorderen, dan wel verrekenen met nog te betalen vergoedingen.

Artikel II  

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking.

  • 2.

    Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2028.

Artikel III  

Deze regeling wordt aangehaald als Wijzigingsbesluit Nadere regels bij de Re-integratieverordening Participatiewet (Banen in het jongerenwerk 2025-2026).

Aldus vastgesteld in de vergadering van 15 april 2025,

De burgemeester

Femke Halsema

De gemeentesecretaris

Peter Teesink

Toelichting  

Algemeen deel

De aanpak ‘Vakkundig Jongerenwerk: een sterke basis voor Amsterdamse jongeren’ zet zich in voor het versterken van het vak van jongerenwerker, zodat jongerenwerkers jongeren beter kunnen bereiken en ondersteunen. Dit gebeurt onder andere door het in huis halen van meer ervaringsdeskundige jongerenwerkers en het beter samenwerken met organisaties die jongeren kunnen helpen met bijvoorbeeld werk of een opleiding.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel I – Toevoeging nieuw hoofdstuk

Met de toevoeging van een nieuw hoofdstuk 11 aan de Nadere regels bij de Re-integratieverordening Participatiewet, worden kaders meegegeven voor banen voor jongeren in het jongerenwerk.

 

Artikel 11.1

Dit artikel maakt het mogelijk dat een jongere een dienstverband aan kan gaan bij een organisatie die actief is binnen het jongerenwerk binnen Amsterdam. Het gaat om jongeren met een grote afstand tot de arbeidsmarkt door bijvoorbeeld hun opleidingsachtergrond of persoonlijke omstandigheden.

 

Artikel 11.2

In dit artikel wordt de voorwaarde gesteld dat de werkgever al een subsidierelatie heeft met de gemeente Amsterdam. Organisaties die actief zijn binnen het jongerenwerk, ontvangen allemaal een subsidie op grond van de Subsidieverordening sociale basis Amsterdam 2025-2023 en daarmee de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023.

 

Een andere voorwaarde is dat de werkgever voldoende is toegerust om de jongere goed te begeleiden en beroepsvaardigheden aan te leren. Te denken valt bijvoorbeeld aan het in dienst hebben van meerdere werknemers zodat de jongere met directe collega’s in een gebruikelijke setting kan werken en ook zo beroepsvaardigheden aanleren. Daarnaast moeten de jongeren worden ingezet in aanvulling op de reguliere formatie, waardoor hun werkzaamheden niet ten koste gaan van bestaande banen.

 

Artikel 11.3

In dit artikel zijn nader voorwaarden opgenomen over de dienstbetrekking bij de werkgever. Het gaat o.a. om de maximale duur van het dienstverband. Er is geen minimale duur, om de jongere niet te hinderen als deze binnen dat jaar een reguliere baan vindt of weer een (volledige) opleiding gaat volgen. De arbeidsovereenkomst tussen de jongerenorganisatie en de jongere mag daarom ook niet dergelijke beperkende bepalingen bevatten. Ook is bepaald dat door de werkgever de jongere het rechtens geldende loon betaald wordt. Dit komt neer op het loon de werkgever verschuldigd is volgens de CAO geldend voor de werkgever, CAO Sociaal Werk.

 

Teneinde verdringing te voorkomen is ook bepaald dat de persoon niet wordt aangenomen op een functie waarvoor de werkgever in een periode drie maanden voorafgaand een ander dienstverband heeft beëindigd. Mocht de jongere bij een andere organisatie in het jongerenwerk gedetacheerd worden, zal de inlenende partij eveneens in staat moeten zijn om de begeleiding te bieden aan de deelnemer. Voor de duur van de dienstbetrekking maken het college, de jongere en de werkgever afspraken over de begeleiding en de ontwikkeling richting een reguliere baan en leggen deze vast in een document. Hierin staat o.a. wie waarvoor verantwoordelijk is en wat de partijen van elkaar kunnen verwachten.

 

Artikel 11.4

In dit artikel is beschreven uit welke onderdelen de vergoeding bestaat waarop de werkgever aanspraak kan maken bij het in dienst nemen van een persoon die gebruik maakt van de voorziening Banen in het Jongerenwerk. Ten eerste ontvangt de werkgever voor maximaal twaalf maanden een maandelijks bedrag ter hoogte van het geldend cao-loon, inclusief vakantietoeslag, zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Daarnaast komen de werkgeverslasten voor vergoeding in aanmerking (het eerste lid, onderdeel b). Deze lasten hebben betrekking op de verschuldigde premies en overige aan loongerelateerde werkgeverskosten. Voor de vaststelling van de werkgeverslasten wordt een percentage van 40% gehanteerd. Tot slot maakt de werkgever aanspraak op een begeleidingsvergoeding van € 6.000 per deelnemer per jaar (het eerste lid, onderdeel c). Deze vergoeding is bedoeld als tegemoetkoming voor de inspanningen die de werkgever levert bij de begeleiding van de jongere en de ontwikkeling van diens competenties.

 

Het tweede lid regelt dat, indien de werkgever in een daaropvolgende jaargang opnieuw een jongere uit de doelgroep in dienst neemt, de werkgever opnieuw recht heeft op de hierboven genoemde vergoedingen voor maximaal twaalf maanden.

 

Het derde lid bepaalt dat de vergoeding aan de werkgever naar rato wordt vastgesteld als de jongere minder uren werkt dan een fulltime dienstverband. De hoogte van de vergoeding neemt dan evenredig af, in overeenstemming met het aantal uren dat de jongere in dienst is.

 

Artikel 11.5

Het eerste lid stelt vast dat aanvragen voor de jaargang 2025 uiterlijk op 30 juni 2025 moeten worden ingediend. Dit geeft betrokken partijen voldoende tijd om hun aanvraag voor te bereiden en in te dienen. Het tweede lid bepaalt dat aanvragen voor de jaargang 2026 kunnen worden ingediend vanaf 2 maart 2026 tot en met 1 juni 2026. Het derde lid legt vast dat de regeling Banen in het Jongerenwerk per jaargang een maximum kent van vijftien deelnemers.

 

Tot slot merken wij op dat een arbeidsovereenkomst in de jaargang 2026 niet kan worden afgesloten met een jongere die reeds heeft deelgenomen aan de jaargang 2025. Deze bepaling waarborgt dat de regeling gericht blijft op het bereiken van nieuwe jongeren en voorkomt opeenvolgende deelname van dezelfde persoon.

 

Artikel 11.6

Met dit artikel wordt bepaald dat de vergoeding wordt vastgesteld en betaald nadat bewijsstukken zijn gecontroleerd. Als bewijsstukken worden in ieder geval beschouwd de arbeidsovereenkomst, waaruit het dienstverband blijkt, en het ontwikkelplan, waarin is vastgelegd wat de leerdoelen van de deelnemer zijn en hoe deze bereikt worden. Daarnaast moet de werkgever gegevens overleggen waaruit de duur en de omvang van het dienstverband blijken.

 

Artikel 11.7

Dit handhavingsartikel geeft de mogelijkheid om de vergoeding van de werkgever terug te vorderen, indien mocht blijken dat niet aan de voorwaarden is voldaan.

Naar boven