Besluit nadere regels Maatschappelijke Ondersteuning Renswoude 2025

Inleiding

In de Verordening maatschappelijke ondersteuning geeft de gemeente de juridische kaders voor invulling van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in Renswoude aan. Deze verordening is door de gemeenteraad vastgesteld vanuit haar kaderstellende bevoegdheid. Daarnaast biedt de verordening op diverse onderdelen de mogelijkheid aan het college om nadere regels te stellen. Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften die een verdere uitwerking zijn van de verordening.

In het besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning Renswoude 2025 zijn de rechten en plichten bij de uitvoering van de Wmo verder ingevuld. Onderdelen van de wet die in de verordening voldoende zijn beschreven, komen niet terug in de nadere regels.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen  

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • 1.

    CAK: het CAK int de eigen bijdragen voor de Wmo en de Wlz.

  • 2.

    calamiteit: een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid.

  • 3.

    dienst: ondersteuning die door een persoon wordt gegeven en dus niet materieel is.

  • 4.

    Dorpsteam: het (sociale) wijkteam van de gemeente Renswoude. Hier kunnen inwoners terecht voor vragen of problemen rondom met name ondersteuning, zorg, opvoeden en opgroeien.

  • 5.

    leefeenheid: alle bewoners van één adres die duurzaam een gezamenlijk huishouden voeren.

  • 6.

    mantelzorg: onbetaalde en vaak langdurige en/of intensieve zorg of ondersteuning voor iemand uit de directe omgeving.

  • 7.

    normenkader: normering die wordt gebruikt voor het indiceren van huishoudelijke ondersteuning of individuele begeleiding. Het kader is gebaseerd op onafhankelijk en objectief onderzoek.

  • 8.

    ondersteuningsplan: dit document wordt, in afstemming met de cliënt, opgesteld door Wmo-aanbieders die begeleiding bieden. In het plan wordt omgeschreven welke activiteiten worden uitgevoerd en met welke beoogde resultaten.

  • 9.

    respijtzorg: tijdelijk vervangende mantelzorg, als vorm van mantelzorgondersteuning.

  • 10.

    SVB: de Sociale Verzekeringsbank voert de sociale verzekeringen uit, zoals het AOW, kinderbijslag en het Pgb.

  • 11

    verordening: Verordening wet maatschappelijke ondersteuning Renswoude 2025.

  • 12

    Wlz: Wet langdurige zorg.

  • 13

    woningbedrijf: Woningbedrijf gemeente Renswoude.

 

Artikel 2. Algemeen gebruikelijke voorziening

Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn hulpmiddelen die ondersteuning bieden bij dagelijkse activiteiten. Voorbeelden zijn: douchekrukjes, beugels, relaxstoelen, rollators en fietsen met een lage instap. Deze zijn doorgaans bij de reguliere winkels te koop. Bij de beoordeling of een voorziening financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau, wordt meegewogen dat voor een noodzakelijke voorziening kan worden gespaard, of de kosten in termijnen betaald kunnen worden.

 

1. Een algemeen gebruikelijke voorziening moet aan onderstaande criteria voldoen.

De voorziening:

a. is niet speciaal bedoeld voor mensen met een beperking;

b. is daadwerkelijk beschikbaar;

c. levert een passende bijdrage aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie;

d. kan financieel gedragen worden met een inkomen op minimumniveau.

 

  • 2.

    Voor het criterium ‘financieel gedragen op minimumniveau’ hanteert het college de geldende bijstandsnorm x 5% x 36 maanden.

     

  • 3.

    Als de cliënt de voorziening niet kan dragen en dit naar oordeel van het college voldoende kan onderbouwen door inzicht te geven in zijn financiële situatie, kan het college in een individueel geval besluiten dat de voorziening niet algemeen gebruikelijk is. Als dat het geval is, kan de voorziening alsnog toegekend worden.

     

  • 4.

    Bij het bepalen van het bedrag houdt het college ook rekening met kwalitatief goede tweedehandsvoorzieningen.

Artikel 3. Gebruikelijke hulp  

Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten binnen een leefeenheid.

 

  • 1.

    De ondersteuning door huisgenoten in een leefeenheid wordt in principe altijd als gebruikelijke hulp beschouwd als er sprake is van kortdurende situaties. Over het algemeen zijn dit situaties waarbij uitzicht is op herstel dusdanig is en waarbij het gaat om een periode van maximaal 6 maanden.

  • 2.

    Bij langdurige situaties wordt de volgende ondersteuning als gebruikelijke hulp beschouwd:

    • a.

      begeleiding bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de levenssfeer van cliënt, zoals in elk geval het bezoeken van vrienden/ familie;

    • b.

      begeleiding op het gebied van maatschappelijke deelname, zoals bezoeken van een arts, brengen en halen van kinderen naar school, dagbesteding, sport of andere vrije tijdbesteding;

    • c.

      het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals de administratie, het schoonmaken van het huis etc.;

    • d.

      het leren omgaan van derden (familie/vrienden/leerkracht etc.) met cliënt;

    • e.

      het ouderlijk toezicht op kinderen. De aard en mate hiervan is afhankelijk van de leeftijd van het kind.

  • 3.

    De cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorzieningen als de tot de leefeenheid behorende personen geen gebruikelijke hulp kunnen bieden of de gebruikelijke hulp niet voldoende is. Hierbij wordt ook de inzet van het verdere sociale netwerk meegenomen. Ter beoordeling van de gebruikelijke hulp wordt rekening houden met:

    • a.

      de aard, complexiteit en de omvang van de ondersteuningsbehoefte;

    • b.

      de aard en de relatie van de personen binnen de leefeenheid;

    • c.

      de mate waarin gebruikelijk hulp algemeen aanvaardbaar is, ten opzichte van de sociale relatie;

    • d.

      de leeftijd en de ontwikkelingsfase van de inwonende kinderen;

    • e.

      de leerbaarheid van de cliënt;

    • f.

      de draagkracht en eventuele medische beperkingen van de personen van wie gebruikelijke hulp wordt gevraagd en de eventuele (dreigende) overbelasting van deze personen.

  • 4.

    Als er sprake is van kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot de leefeenheid gerekend, tenzij er sprake is van het voeren van een gezamenlijk huishouden. Dit geldt ook voor situaties waarin meerdere personen vanwege hun zorg- of ondersteuningsbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen.

Artikel 4. Langdurig noodzakelijk

 

  • 1.

    Een maatwerkvoorziening wordt in principe niet toegekend als deze slechts korte tijd (minder dan zes maanden) nodig is. In dergelijke gevallen zijn er vaak andere oplossingen voorhanden, zoals inzet vanuit het eigen netwerk van de cliënt.

  • 2.

    Onder langdurig verstaan we langer dan zes maanden. Ook kan bij langdurig noodzakelijk sprake zijn van een voortschrijdende aandoening, een terminale fase of een blijvende situatie.

  • 3.

    In individuele gevallen kunnen diensten zoals hulp bij het huishouden, begeleiding of mantelzorgondersteuning ook ingezet worden als deze niet langdurig noodzakelijk is. Bijvoorbeeld in het geval van een zwaar behandelcircuit bij ernstige ziekte. Kortdurende ondersteuning wordt alleen ingezet als er onvoldoende gebruikelijke hulp beschikbaar is of de persoon die gebruikelijke hulp levert overbelast dreigt te raken.

Hoofdstuk 2. Maatwerkvoorziening in de vorm van diensten

Artikel 5. Hulp bij het huishouden  

 

  • 1.

    Voor eenvoudige ondersteuning op huishoudelijk gebied kan een maatwerkvoorziening hulp bij huishouden worden toegekend.

  • 2.

    Hulp bij het huishouden betreft in de basis het schoon en leefbaar houden van de belangrijkste ruimtes van een huis die regelmatig gebruikt worden. Wanneer nodig betekent dit ook het verzorgen van schone kleding en textiel (wasverzorging).

  • 3.

    Het overnemen van strijken wordt in principe niet toegekend. Strijkvrije kleding, beddengoed en dergelijke wordt gezien als een algemeen gebruikelijke voorziening. Mocht er een duidelijke noodzaak zijn voor het strijken, bijvoorbeeld in het geval van werkkleding waarbij representatie van groot belang is, kan hierop een uitzondering worden gemaakt.

  • 4.

    Een huis is schoon en leefbaar als het huis normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen:

    a. schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen;

    b. leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen;

    c. een schoon en leefbaar huis betekent dat er gebruik gemaakt moet kunnen worden van onder andere een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), keuken, sanitaire ruimte(s) en gang/trap.

  • 5.

    Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (buitenkant ramen, tuin, balkon, etc.) maakt geen onderdeel uit van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden.

  • 6.

    Voor de normering van het aantal minuten per week wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 van bureau HHM.

  • 7.

    Bij hulp bij het huishouden kan het ook gaan om het aanleren van vaardigheden aan de cliënt, zodat deze voor zover mogelijk zelfredzaam wordt.

  • 8.

    Als kindzorg noodzakelijk is, dan worden hiervoor de volgende richtlijnen aangehouden:

    • a.

      de notitie Opgroeien en Opvoeden, normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en hun ouders’ van het Nederlands Jeugdinstituut uit 2020;

    • b.

      de Wmo richtlijn Indicatieadvisering voor Hulp bij het huishouden van Centrum Indicatiestelling Zorg uit 2006.

      9. Wanneer de cliënt komt te overlijden kan hulp bij het huishouden maximaal 8 weken worden voortgezet voor de nabestaande(n) binnen de leefeenheid van de cliënt.

Artikel 6. Vormen van begeleiding

Een voorziening voor begeleiding kan verstrekt worden in de vorm van:

  • a.

    individuele begeleiding, in de categorieën regulier, specialistisch of specialistisch persoonsgericht maatwerk;

  • b.

    dagbesteding, in de categorieën langer thuis en perspectief;

  • c.

    kortdurend verblijf.

Artikel 7. Individuele begeleiding

  • 1.

    De inzet van individuele begeleiding leidt tot één of meer resultaten op de volgende ondersteuningsgebieden:

    • a.

      het aanleren van (praktische) vaardigheden, het aanbrengen van structuur of het uitvoeren van regie;

    • b.

      het vergroten of behouden van zelfredzaamheid, participatie en het voorkomen van isolement;

    • c.

      het aanleren van (praktische) vaardigheden voor financiën, waaronder budgetcoaching.

  • 2.

    Individuele begeleiding kent de volgende vormen:

    • a.

      individuele begeleiding regulier als het ziektebeeld van de cliënt niet dermate complex is dat een hoge graad van deskundigheid nodig is in de omgang met cliënt of om escalaties te voorkomen;

    • b.

      individuele begeleiding specialistisch als het ziektebeeld van de cliënt dermate complex is dat een hoge graad van deskundigheid nodig is in de omgang met cliënt of om escalaties te voorkomen;

    • c.

      specialistisch persoonsgericht maatwerk als het ziektebeeld van de cliënt zeer complex is, er sprake is van een persoonsgerichte aanpak en er sprake is van zorgen rondom veiligheid of maatschappelijke onrust.

  • 3.

    Er wordt verwacht van de begeleider dat hij:

    • a.

      methodisch kan handelen en kennis heeft van de doelgroep;

    • b.

      doelgericht kan werken aan het beschrijven en behalen van een resultaat op basis van de gestelde doelen;

    • c.

      initiatief neemt en tijdig aan de bel trekt als omstandigheden veranderen of doelen niet gehaald dreigen te worden.

  • 4.

    Voor de normering van het aantal minuten individuele begeleiding (regulier of specialistisch) per week maakt het college gebruik van het Normenkader Individuele Begeleiding 2024 (versie 2.0) van Factum en HHM.

Artikel 8. Dagbesteding

  • 1.

    Dagbesteding langer thuis is gericht op:

    • a.

      het aangaan van contacten en een betekenisvolle invulling van de dag;

    • b.

      het bieden van activiteiten met als doel het aanbrengen van structuur, sociale participatie, zoveel mogelijk handhaven van de zelfredzaamheid en cognitieve capaciteiten en vaardigheden;

    • c.

      In situaties waar maatschappelijke participatie buiten de dagbesteding niet of onvoldoende mogelijk of gewenst is;

    • d.

      het voorkomen van sociaal isolement en het ontlasten van mantelzorgers.

  • 2.

    Dagbesteding perspectief is gericht op:

    • a.

      het structureren van de dag, op praktische begeleiding en op het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen;

    • b.

      een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel en methodische aanpak, waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die de cliënt zingeving verleent;

    • c.

      het toewerken naar een passende vorm van maatschappelijke participatie, waar mogelijk naar (betaalde) arbeid of een re-integratietraject;

    • d.

      cliënten in de leeftijd tussen 18 jaar en 67 jaar, waarbij sprake is van een (definitieve) arbeidsbeperking.

    • 3.

      Er wordt van de begeleider verwacht dat hij:

      • a.

        methodisch kan handelen en kennis heeft van de doelgroep;

      • b.

        doelgericht kan werken aan het beschrijven en behalen van een resultaat op basis van de gestelde doelen;

      • c.

        initiatief neemt en tijdig aan de bel trekt als omstandigheden veranderen of doelen niet gehaald dreigen te worden.

Artikel 9. Respijtzorg

  • 1.

    Bij respijtzorg is het uitgangspunt dat de mantelzorger tijdelijk wordt ontlast van dagelijkse ondersteuning. Dit is vooral preventief bedoeld ter ontlasting en ter voorkoming van overbelasting van de mantelzorger.

  • 2.

    Respijtzorg:

    • *

      is gericht op de mantelzorger van cliënt;

    • *

      kan thuis of buitenshuis plaatsvinden;

    • *

      kan verleend worden door professionals (formele ondersteuning) of door niet-professionals (informele ondersteuning).

  • 3.

    Als het in de persoonlijke situatie noodzakelijk is dat de cliënt tijdelijk buiten zijn woon- en leefomgeving moet verblijven, kan een indicatie voor kortdurend verblijf worden toegekend. Dit heeft als doel dat de mantelzorger beter en op langere termijn in staat blijft om de zorg en ondersteuning te bieden, om de druk voor de cliënt te verlichten, rust te creëren en/of een crisis af te wenden, zodat terugkeer naar de eigen woning mogelijk is.

Hoofdstuk 3. Vervoer

Afdeling 10. Vervoer naar en van dagbesteding

  • 1.

    Als een cliënt met een indicatie voor dagbesteding niet in staat is zelf, met behulp van algemene voorzieningen of het sociale netwerk naar de dagbesteding kan komen, kan een indicatie voor vervoer dagbesteding worden toegekend.

  • 2.

    Zorgaanbieders die gecontracteerd zijn voor dagbesteding dragen zorg voor het vervoer naar en van de dagbesteding. De randvoorwaarden hiervoor zijn geregeld in de contracten met de zorgaanbieders van dagbesteding.

Artikel 11. Vervoersvoorziening Valleihopper

  • 1.

    De kosten voor het reizen met een kortingspas van de Valleihopper bedragen, op basis van prijspeil 2025:

    • a.

      de aanschafkosten voor de pas, ter hoogte van € 7,50;

    • b.

      het opstaptarief ter hoogte van € 1,12 en daarnaast een bedrag van € 0,20 per kilometer.

  • 2.

    De tarieven zoals genoemd in lid 1 kunnen gewijzigd worden. Als dit het geval is, zorgt het college voor de kenbaarheid van de geldende bedragen. De actuele tarieven worden in ieder geval gedeeld op de website van de Valleihopper.

  • 3.

    Als uit onderzoek blijkt dat de vervoersvoorziening Valleihopper onvoldoende in staat stelt tot zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, dan kan een andere voorziening worden toegekend zoals een scootmobiel, een aangepaste fiets of een handbike.

Artikel 12. Auto-aanpassing als financiele tegemoetkoming

  • 1.

    Als een cliënt zonder autoaanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en andere vervoersvoorzieningen niet voldoen, kunnen autoaanpassingen worden vergoed.

  • 2.

    Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen zijn.

  • 3.

    Er wordt uitgegaan van een levensduur van minimaal 10 jaar van de aanpassingen. Na deze termijn kunnen opnieuw aanpassingen worden verstrekt, waarbij rekening wordt gehouden met de persoonskenmerken van de cliënt op dat moment.

  • 4.

    De cliënt dient aan te tonen dat de aan te passen auto de investering nog waard is, dus naar verwachting nog minimaal 10 jaar mee kan. Dit wordt meegenomen in de beoordeling.

5. Het maximale bedrag dat verstrekt wordt is € 44.250,- voor een periode van 10 jaar.

Hoofdstuk 4. Woonvoorziening

Artikel 13. Vormen van een woonvoorziening

De volgende woonvoorzieningen zijn mogelijk:

  • 1.

    Niet-bouwkundige woonvoorzieningen, zoals douchehulpmiddelen en een traplift.

  • 2.

    Bouwkundige woningaanpassingen, zoals een verbouwing of aanbouw. Bij verbouwing of aanbouw gelden de volgende elementen:

  • a.

    de aanneemsom inclusief de loon- en materiaalkosten, voor het uitvoeren van de voorziening. Als de voorziening door de bewoner(s) zelf wordt gerealiseerd, dan vervallen de loonkosten en komen alleen materiaalkosten in aanmerking voor vergoeding;

  • b.

    het architectenhonorarium tot maximaal 10 procent van de aanneemsom (incl. btw), als het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing wordt ingeschakeld;

  • c.

    de leges voor de bouwvergunning, voor zover de bouwvergunning betrekking heeft op de voorziening;

  • d.

    kostenverhogingen die tijdens de begroting van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn en die schriftelijk goedgekeurd zijn door het college;

  • e.

    de kosten in verband met noodzakelijk en technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;

  • f.

    de kosten van (her)aansluiting op de openbare nutsvoorziening;

  • g.

    dit alles is op basis van individueel maatwerk, uitgaande van de individuele situatie.

  • 3.

    Op het moment dat de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling, kan een woonvoorziening toegekend worden. Hiervoor gelden de volgende afspraken:

    a. de vergoeding wordt toegekend voor de meerkosten van het bezoekbaar/logeerbaar maken van één woonruimte buiten de Wlz-instelling;

    b. dit geldt alleen voor een woning in Renswoude;

    c. het bedrag dat verstrekt wordt bij het bezoekbaar/logeerbaar maken van een woning voor een cliënt die in een instelling verblijft en die de indicatie voor langdurig verblijf heeft verzilverd betreft maximaal € 3.200,-;

    d. in de beoordeling wordt de frequentie van het bezoeken/logeren meegenomen.

     

Artikel 14. Verhuisverklaring (primaat van verhuizen)

Als het primaat van verhuizen wordt toegepast, betekent dat verhuizen voorrang heeft op andere woonvoorzieningen. Er wordt dan een verhuisverklaring afgegeven. De verhuisverklaring biedt personen met specifieke medische beperkingen voorrang bij het vinden van een geschikter huis.

 

  • 1.

    Het proces is als volgt:

    • a.

      de verhuisverklaring wordt meegestuurd met de beschikking;

    • b.

      het college vraagt de cliënt om toestemming om de verhuisverklaring te delen met het Woningbedrijf gemeente Renswoude;

    • c.

      als hiervoor toestemming is gegeven, deelt de Wmo-afdeling de verhuisverklaring met het Woningbedrijf;

    • d.

      als de cliënt geen toestemming heeft gegeven, deelt de cliënt de verhuisverklaring zelf binnen 6 maanden met het Woningbedrijf;

    • e.

      het Woningbedrijf neemt contact op met de cliënt als een woning voldoet aan de gestelde eisen volgens de verhuisverklaring.

  • 2.

    Als een woning wordt afgewezen, die voldoet aan de gestelde eisen volgens de verhuisverklaring, vervalt de voorrangspositie en daarmee de verhuisverklaring.

3. In individuele gevallen kan maximaal één keer een uitzondering worden gemaakt op het gestelde in lid 2. Hiervoor dient, naar oordeel van het college, een heldere schriftelijke onderbouwing ingediend te worden.

 

Hoofdstuk 5. Overige maatwerkvoorzieningen en mantelzorgwaardering

Artikel 15. In bruikleen versterkte maatwerkvoorzieningen

 

  • 1.

    Als het college een voorziening in bruikleen verstrekt, wordt met de cliënt een bruikleenovereenkomst aangegaan en dient de cliënt zich te houden aan de overeenkomst.

  • 2.

    Het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening kan worden ingetrokken, als de bruikleenovereenkomst door toedoen van de cliënt niet wordt aangegaan.

  • 3.

    Als de cliënt verwijtbaar de verplichtingen uit de bruikleenovereenkomst niet nakomt en de bruikleenovereenkomst als gevolg daarvan eindigt, kan het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening worden herzien, ingetrokken of beëindigd.

Artikel 16. Sportvoorzieningen

Als uit onderzoek blijkt dat een persoon ondersteuning nodig heeft voor het sporten, kan een financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening toegekend worden. Dit kan een sportrolstoel of ander hulpmiddel zijn. Het verstrekken van een sportvoorziening is gericht op het kunnen deelnemen aan de maatschappij.

  • 1.

    De vergoeding:

    • a.

      bedraagt maximaal € 3.300,- voor een periode van 3 jaar;

    • b.

      is bedoeld als tegemoetkoming in de aanschaf, onderhoud, reparatie en verzekering van de sportvoorziening;

    • c.

      wordt niet vaker dan eens per 3 jaar verstrekt.

  • 2.

    Als de sportvoorziening duurder is dan het gestelde in lid 1, kan er een hogere financiële tegemoetkoming worden toegekend. De voorziening wordt dan voor een langere periode verstrekt, evenredig met het bedrag. Bijvoorbeeld € 5.500, - voor een periode van 5 jaar.

  •  

  • 3.

    Als de sportvoorziening via de contractafspraken van de gemeente wordt verstrekt, komt het maximale bedrag dat hiervoor beschikbaar wordt gesteld overeen met lid 1 of 2.

Artikel 17. Mantelzorgwaardering

Het college belegt de ondersteuning van mantelzorgers en de daarmee samenhangende waardering bij de welzijnsorganisatie. Met de welzijnsorganisatie wordt afgestemd hoe de waardering wordt vormgegeven.

Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden budget (pgb)

Artikel 18. Algemene verplichtingen pgb

  • 1.

    Het pgb wordt uitsluitend gebruikt voor betaling van de geïndiceerde maatwerkvoorziening. Hieronder kunnen ook de daarmee samenhangende kosten vallen, als hiervoor schriftelijk toestemming gegeven is.

  • 2.

    De dienst, hulpmiddel en/of woningaanpassing die de cliënt inkoopt met het pgb is adequaat, veilig, cliëntgericht en kwalitatief verantwoord.

  • 3.

    De cliënt levert een budgetplan aan waarin omschreven staat:

    • a.

      het soort hulpmiddel, de (woning)aanpassing of de ondersteuning die ingekocht gaat worden;

    • b.

      de reden waarom een hulpmiddel, (woning)aanpassing of ondersteuning door een gecontracteerde aanbieder niet voldoet;

    • c.

      welk resultaat met het hulpmiddel, de (woning)aanpassing of de ondersteuning moet worden behaald en op welke wijze;

    • d.

      wie de ondersteuning gaat uitvoeren of waar het hulpmiddel dan wel aanpassing gekocht wordt;

    • e.

      hoe de adequaatheid, veiligheid, cliëntgerichtheid en kwaliteit van het hulpmiddel, de (woning)aanpassing of de ondersteuning is gewaarborgd;

    • f.

      het tarief dat betaald moet worden aan de aanbieder/leverancier.

       

  • 4.

    Bij een pgb voor hulpmiddelen en (woning)aanpassingen geldt dat een onderbouwing voor de kosten gegeven moet worden. De eigenaar van de woning vraagt:

    • a.

      één offerte op bij bedragen tot € 2.000,- (incl. btw);

    • b.

      twee offertes op bij bedragen vanaf € 2.000,- (incl. btw).

  • 5.

    Als de cliënt zelf het hulpmiddel, de (woning)aanpassing of ondersteuning inkoopt, is hij verantwoordelijk voor de kwaliteit hiervan. Het college kan wel kwaliteitseisen stellen voor de besteding van het pgb. Deze eisen worden in de beschikking opgenomen. De cliënt levert de documenten aan nodig zijn om te beoordelen of er wordt voldaan aan de gestelde (kwaliteits-)criteria.

  • 6.

    De budgethouder die een pgb aanvraagt voor diensten, vult de Zorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in:

    • a.

      de Zorgovereenkomst SVB wordt geüpload in het SVB-portaal, met als doel deze inhoudelijk te controleren en te accorderen;

    • b.

      de cliënt informeert het college over de gewijzigde omstandigheden die aanleiding zijn voor een wijzigingsverzoek van de Zorgovereenkomst aan de SVB, zodat dit gecontroleerd kan worden;

    • c.

      het college toetst of de pgb-aanvrager op verantwoorde wijze in staat is om, op eigen kracht of met de hulp van zijn vertegenwoordiger, als budgethouder op te treden en de eigen belangen tegenover de dienstverlener te kunnen behartigen;

    • d.

      in de Zorgovereenkomst SVB mag bij de vergoeding niet gekozen worden voor een vast maandbedrag.

      • 7.

        Als het pgb voor formele ondersteuning wordt toekend, dient de pgb-houder ondersteuningsplan in bij het college. Hieraan zijn de volgende afspraken verbonden:

        • a.

          het ondersteuningsplan sluit aan op de indicatie die is afgegeven door het college en het budgetplan;

        • b.

          het ondersteuningsplan geeft inzicht in de wijze waarop er gewerkt wordt aan de gestelde doelen en hoe wordt voldaan aan de gestelde kwaliteitseisen.

        • c.

          de zorgverlener heeft het ondersteuningsplan ondertekend;

        • d.

          het ondersteuningsplan wordt uiterlijk zes weken na de beschikkingsdatum ingediend. Voldoet de pgb-houder niet aan de gestelde termijn van zes weken, dan kan het college haar besluit voor de indicatie met pgb-bekostigingsvorm intrekken en de ondersteuning laten leveren door een gecontracteerde aanbieder.

Artikel 19. Verantwoording pgb

  • 1.

    Bij hulpmiddelen en (woning)aanpassingen wordt een pgb verstrekt op factuur- of declaratiebasis. De aanvrager dient daarvoor bewijsstukken voor te leggen aan het college. Hieronder kan ook een kwaliteitsbewijs vallen. Het college toetst deze stukken op inhoud

    2. Bij diensten toetst de SVB de door de budgethouder ingediende stukken op wettelijke en arbeidsrechtelijke aspecten. De SVB draagt zorg voor betaling van declaraties als deze voldoen aan de genoemde criteria.

Artikel 20. Periode pgb voor hulpmiddel of woningaanpassing

  • 1.

    Als er geen sprake is van vergelijkbare in natura verstrekte voorzieningen, is de budgetperiode van het pgb gelijk aan de economische afschrijvingstermijn.

  • 2.

    Na afloop van de budgetperiode beoordeelt het college de technische staat en de functionaliteit van het (aangepaste) hulpmiddel of de woningaanpassing. Voordat het onderhoud, de aanpassing of de vervanging wordt uitgevoerd na de budgetperiode, dient het college hiervoor schriftelijk toestemming te verlenen.

Hoofdstuk 7. Bestrijding misbruik en terugvordering

Artikel 21. Periodiek onderzoek

  • 1.

    Het college doet periodiek onderzoek naar:

    • a.

      het rechtmatig besteden van geld en het rechtmatig gebruik van voorzieningen;

    • b.

      de doelmatigheid van de verstrekte voorzieningen.

  • 2.

    Het college heeft het toezicht op de kwaliteit van gecontracteerde aanbieders gemandateerd aan de GGDrU. Daarmee hanteert het college het kader Toezicht Wmo zoals dat door de GGDrU is vastgesteld. Het geldende kader is te vinden op de website van de GGDrU.

  • 3.

    De GGDrU is het meldpunt voor calamiteiten. Aanbieders melden calamiteiten direct en uiterlijk binnen 3 dagen, volgens het Protocol Calamiteiten bij de GGDrU. Het protocol is te vinden op de website van de GGDrU.

Artikel 22. Terugvordering van de geldwaarde op de aanbieder

Het college maakt gebruik van de in de Zorgovereenkomst SVB opgenomen derdenbeding, wanneer sprake is van toerekenbaar tekortschieten van de PGB-zorgaanbieder, ook als de budgethouder niets te verwijten valt.

Artikel 23. Terugvordering pgb budget bij een tweedehands voorziening

  • 1.

    Als een cliënt een pgb ontvangt en met de middelen uit dit budget een tweedehands voorziening wil aanschaffen, maakt hij dit bij zijn aanvraag en/of in het budgetplan kenbaar.

  • 2.

    Als de cliënt een pgb ontvangt voor een nieuwe voorziening en met de middelen uit dit budget een tweedehands voorziening heeft gekocht zonder dit aan de gemeente kenbaar te hebben gemaakt, vordert de gemeente het verschil terug tussen het ontvangen pgb en de feitelijke kosten van de tweedehands voorziening.

Hoofdstuk 8. Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 24. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de cliënt afwijken van de

bepalingen van dit Besluit, als door toepassing ervan de cliënt duidelijk onrecht wordt

aangedaan.

 

Artikel 25. Intrekking oude besluit en overgangsrecht

 

  • 1.

    Het besluit maatschappelijke ondersteuning Renswoude die is vastgesteld op 18 mei 2021 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van het Besluit maatschappelijke ondersteuning Renswoude 2021, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder het Besluit maatschappelijke ondersteuning Renswoude 2021 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van dit Besluit, worden afgehandeld volgens het Besluit nadere regels Renswoude 2025.

  • 4.

    Een beslissing op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van het Besluit maatschappelijke ondersteuning Renswoude 2021, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

  • 5.

    Van lid 4 kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Dit Besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025.

  • 2.

    Dit Besluit wordt aangehaald als: Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning Renswoude 2025.

Naar boven