Gemeenteblad van Rheden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rheden | Gemeenteblad 2025, 221338 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rheden | Gemeenteblad 2025, 221338 | beleidsregel |
Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz (2004))
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden;
gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 18a, 54, 58 , 59, 60 en artikel 60c van de Participatiewet, de artikelen 17, 18a, 20a, 25, 26, 28 en 29a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de artikelen 12, 20, 24, 39 en 41 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz (2004));
vast te stellen: de Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004))
Hoofdstuk 1 Algemeen terug- en invordering
Alle begrippen in deze beleidsregels die niet verder worden uitgelegd hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz (2004)) en de Algemene wet bestuursrecht.
Inlichtingenplicht: de verplichting om informatie te geven volgend uit artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en artikel 13, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de Participatiewet en de uitkering in het kader van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).
Artikel 2 Algemene bepaling met betrekking tot de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering en brutering
De gemeente maakt gebruik van in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Bbz toekomende bevoegdheden:
De gemeente vraagt geld terug. Dit heet een terugvordering en staat in artikel 58 eerste en tweede lid, artikel 59 en 60 van de Participatiewet, in artikel 25 eerste, tweede en derde lid, artikel 26 en 28 van de IOAW en IOAZ en in artikel 12 lid 2, onderdeel c, artikel 39 lid 1, onderdeel a onder 3, artikel 39 lid 2 en artikel 41 lid 4 en 5 van de Bbz 2004.
De gemeente verrekent inkomsten. Dit staat in artikel 58, vierde lid van de Participatiewet en in artikel 25, vierde lid van de IOAW en IOAZ. Ook verrekent het college algemene bijstand of uitkering. Dit staat in artikel 60 derde lid van de Participatiewet en in artikel 28 derde lid van de IOAW en IOAZ.
Artikel 3 Uitzonderingen door uitspraken van de rechter
De gemeente past een uitkering op korte termijn (binnen 6 maanden) aan na ontvangst van een signaal van de inwoner. Uit het signaal van de inwoner blijkt dat de uitkering verlaagd of gestopt moet worden. Als de gemeente dit niet heeft gedaan, wordt de uitkering die na die 6 maanden wordt verstrekt niet teruggevorderd.
De inwoner betaalt alleen het te veel ontvangen bedrag terug. Als blijkt dat een inwoner tijdens de uitkering eigen middelen had en dat niet tijdig heeft vermeld, betaalt de inwoner alleen het te veel ontvangen bedrag terug. Dit betekent dat de inwoner alleen dat deel van de uitkering terugbetaalt dat de inwoner niet had gekregen als de inwoner de eigen middelen tijdig had gemeld.
Het college ziet af van het in rekening brengen van extra kosten (brutering) als; de gemeente een inwoner te laat heeft geïnformeerd en de inwoner de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. De inwoner heeft de terugvordering hierdoor niet binnen het kalenderjaar kunnen terugbetalen. Ook wanneer wel sprake is van een schending van de inlichtingenplicht wordt de handelswijze van de gemeente meegewogen bij het besluit een vordering wel of niet te bruteren.
Wanneer een inwoner de inlichtingenplicht niet heeft geschonden dan past de gemeente bij het nemen van een terugvorderingsbesluit het evenredigheidsbeginsel toe. Dit betekent dat de gemeente beoordeelt of de nadelige gevolgen voor de inwoner in verhouding staan tot de met het terugvorderen te dienen doel. Het doel van terugvorderen is de goede besteding van gemeenschapsgeld.
Hoofdstuk 2 Geheel of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering
Artikel 4 Afzien van terugvordering vanwege dringende redenen
De gemeente kan besluiten om (een deel van) een uitkering niet terug te vorderen. Hiervoor moeten er dringende redenen aanwezig zijn. Dit staat in artikel 59, lid 8 van de Participatiewet en in artikel 25, lid 7 van de IOAW/IOAZ.
Paragraaf 2.1 Kwijtschelding in verband met het gedurende een bepaalde periode voldoen aan de betalingsverplichtingen
Artikel 5 Afzien van (verdere) terugvordering na het voldoen aan de betalingsverplichting
Het op basis van artikel 5 genomen besluit tot (gedeeltelijk) afzien van terugvordering wordt ingetrokken, als op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
Artikel 8 Geheel of gedeeltelijk afzien van invordering bij schulden
De gemeente werkt niet mee aan een schuldregeling als:
de vordering van de gemeente betrekking heeft op bijstand die in de vorm van een lening is verstrekt, omdat de inwoner zich te weinig bewust is geweest van zijn eigen verantwoordelijkheid om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien (artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet); of
Het besluit tot kwijtschelding, bedoeld in artikel 18a lid 13 Participatiewet of artikel 20a lid 12 IOAW/IOAZ, wordt ingetrokken, of ten nadele van degene aan wie die bestuurlijke boete is opgelegd herzien, indien binnen 5 jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan (artikel 18a lid 14, Artikel 20a lid 13 IOAW/IOAZ).
Paragraaf 3.1 De betalingsverplichting
De gemeente gaat meteen over tot verrekening van de vordering met een eventueel bijstandsuitkering, een uitkering op basis van de IOAW of IOAZ, een uitkering op basis van de Bbz 2004, een uitkering verstrekt door de Sociale verzekeringsbank of een uitkering verstrekt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 60, vierde lid en artikel 60a van de Participatiewet, artikel 28, tweede en vierde lid van de IOAW/IOAZ). Dit geldt ondanks de betalingstermijn die genoemd staat in artikel 9.
Bij verrekening met een lopende uitkering vindt er in beginsel geen maandelijkse verrekening plaats. Het vakantiegeld van de inwoner wordt gebruikt om jaarlijks te verrekenen met de openstaande vordering. Als de uitkering gedurende het jaar wordt beëindigd dan wordt bij beëindiging van de uitkering het opgebouwde vakantiegeld verrekend met de openstaande vordering.
Artikel 11 Uitstel van betaling
Wanneer de vordering ontstaan is vanwege een schending van de inlichtingenplicht dan wordt aan het verlenen van uitstel een extra voorwaarde verbonden. Als de inwoner vermogen heeft of in de toekomst vermogen krijgt dan moet dit vermogen gebruikt worden om de vordering af te lossen. De gemeente gaat ervanuit dat de inwoner al het vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens uit de Participatiewet kan gebruiken voor de aflossing.
Artikel 12 Bepalen van de aflossingscapaciteit bij inwoners met een uitkering
Als de inwoner een uitkering van de gemeente heeft, stelt de gemeente de betalingsverplichting van de inwoner vast op het deel van het inkomen boven de beslagvrije voet, op grond van artikel 475a tot en met artikel 475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deze aflossing geldt ook als de kostendelersnorm van toepassing is. De toepasselijke bijstandsnorm kan veranderen als de gezinssamenstelling verandert.
Artikel 13 Bepalen van de duur en de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de uitkering en voor inwoners die geen uitkering van de gemeente ontvangen
Na afloop van de zes maanden wordt de aflossing opnieuw bepaalt. De aflossingscapaciteit wordt dan bepaald op 5% van de uitkeringsnorm die van toepassing zou zijn inclusief vakantiegeld. Als het inkomen inclusief vakantiegeld hoger is dan de van toepassing zijnde uitkeringsnorm inclusief vakantiegeld, dan wordt de aflossingscapaciteit verhoogt met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld boven de uitkeringsnorm inclusief vakantiegeld uitkomt. De aflossingscapaciteit is nooit meer dan het bedrag dat volgens de wet in aanmerking zou komen voor beslag (zoals bepaalt in artikel 475d tot en met 475dc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
Als een inwoner tijdens het nemen van een terugvorderingsbesluit een ander inkomen heeft dan een uitkering op basis van de Participatiewet, IOAW of IOAZ, dan wordt de aflossingscapaciteit vastgesteld op 5% van de uitkeringsnorm die van toepassing zou zijn, inclusief vakantiegeld. Dit bedrag wordt verhoogt met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld boven de uitkeringsnorm inclusief vakantiegeld uitkomt. De aflossingscapaciteit is nooit meer dan het bedrag dat volgens de wet in aanmerking zou komen voor beslag (zoals bepaalt in artikel 475d tot en met 475dc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
Wanneer de terugvordering het gevolg is van een schending van de inlichtingenplicht wordt het percentage uit het tweede en derde lid verhoogd tot 50%. De aflossingscapaciteit is niet meer dan het bedrag dat volgens de wet in aanmerking zou komen voor beslag (zoals bepaalt in artikel 475d tot en met 475dc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
Paragraaf 3.2 Tussentijdse beoordeling van een lopende betalingsverplichting
Artikel 16 Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door belanghebbende
Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting of, tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting, omdat de belanghebbende meent de eerder vastgestelde periodieke aflossingsverplichting niet te kunnen voldoen.
Paragraaf 3.3 Gevolgen bij het niet (meer) voldoen aan de betalingsverplichting
Artikel 17 Niet of niet meer voldoen van de betalingsverplichting
Als een inwoner niet mee wil werken aan een betalingsregeling, of de afgesproken betalingsverplichting niet nakomt, dan gaat de gemeente over tot het leggen van executoriaal beslag. Dit gebeurt nadat de gemeente de inwoner gevraagd heeft te betalen en een betalingsregeling heeft verstuurd. De kosten van een dwangbevel zijn € 120,00 en komen voor rekening van de inwoner.
Op een verzoek tot kwijtschelding, een besluit tot terugvordering, herziening, of brutering die op grond van de vorige ‘Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ’ van 25 november 2017 is genomen en doorloopt na de inwerkingtreding van deze beleidsregels is de ‘Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ’ van 25 november 2017 van toepassing.
Een verzoek tot kwijtschelding die een inwoner heeft ingediend voor de ingangsdatum van deze beleidsregels waarover het college na ingangsdatum van deze beleidsregels een besluit neemt, handelt het college af volgens de ingetrokken ‘Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ’ van 25 november 2017.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-221338.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.