Overwegende,
dat zich in de woonplaats Nijmegen aan de oostzijde van station Nijmegen (Nijmegen Centraal) het Stationsplein bevindt;
dat er aan het Stationsplein een fietsenstalling ligt waarvan veel gebruik wordt gemaakt;
dat er tegenover de fietsenstalling aan de zijde van het station 4 algemene gehandicaptenparkeerplaatsen zijn aangewezen;
dat er een verzoek is binnengekomen om in de nabijheid van het station een plek aan te wijzen waar ook fietsen van mindervalide weggebruikers kunnen worden gestald;
dat het in dit geval gaat om fietsen die wat meer ruimte nodig hebben om ze te kunnen stallen;
dat er meerdere locaties zijn onderzocht, maar dat als meest geschikte plek 2 (van de 4) algemene gehandicaptenparkeerplaatsen aan de westzijde van de fietsenstalling naar voren zijn gekomen;
dat deze locatie zich dicht bij de in- en uitgang van het station bevindt;
dat is vastgesteld dat de gehandicaptenparkeerplaatsen weinig worden gebruikt door de categorie voertuigen waarvoor ze zijn aangewezen;
dat het in verband daarmee mogelijk wordt geacht om 2 van de 4 gehandicaptenpaarkeerplaatsen om te zetten in stallingsplaatsen voor fietsen van mindervalide weggebruikers;
dat dit betekent dat er 4 van dergelijke stallingsplekken kunnen worden aangewezen;
dat hiermee 2 parkeerplaatsen beschikbaar blijven als algemene gehandicaptenparkeerplaats;
dat de werking van de maatregel wordt gemonitord en indien blijkt dat deze niet het beoogde effect heeft, de maatregel kan worden aangepast of ingetrokken;
dat met het aanwijzen van de stallingsplekken aan mindervalide weggebruikers met aangepaste fietsen de mogelijkheid wordt geboden hun fiets neer te zetten nabij een plek waar verschillende vormen van vervoer samenkomen;
dat hiermee wordt bijgedragen aan het stimuleren van actieve mobiliteit;
dat in dit geval een groter belang wordt toegekend aan goede stallingsmogelijkheden voor fietsen van mindervalide weggebruikers dan aan het handhaven van alle 4 de gehandicaptenparkeerplekken bij de fietsenstalling naast het station;
dat de bovenvermelde maatregel wordt genomen op basis van artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 om de veiligheid op de weg te verzekeren, om weggebruikers en passagiers te beschermen en om de bruikbaarheid van de weg te waarborgen;
dat het treffen van een verkeersmaatregel een normale maatschappelijke ontwikkeling is waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van betrokkenen behoren te blijven;
dat terzake overleg met de verkeersadviseur en tevens de gemachtigde van de korpschef van de politie-eenheid Oost-Nederland heeft plaatsgevonden;
dat, gelet op het bepaalde in het Mandaatbesluit gemeente Nijmegen 2019, onderdeel mandaatregister Stadsbeheer, aan de concernmanager afdeling Stadsbeheer en aan de manager bureau Dienstverlening, (onder voorwaarden) mandaat is verleend tot het nemen van tijdelijke en definitieve verkeersbesluiten op basis van de Wegenverkeerswet 1994
gelet op de artikelen 15 en 18 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 12 van het Besluit Administratieve Bepalingen inzake het Wegverkeer;