Gemeenteblad van Zundert
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zundert | Gemeenteblad 2025, 211327 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zundert | Gemeenteblad 2025, 211327 | beleidsregel |
Beleidsregels tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek 2025, 2026 en 2027 gemeente Zundert
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert;
gelezen het bepaalde in art. 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht; titel 4.3 van de Algemene wet Bestuursrecht; en artikel 78gg van de Participatiewet;
Overwegende dat het gewenst is een beleidsregel vast te stellen om huishoudens, in het kader van de alleenverdienersproblematiek, in de jaren 2025, 2026 en 2027 een vaste forfaitaire tegemoetkoming te verstrekken.
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Alleenverdiener: het huishouden dat:
vergeleken met een vergelijkbaar huishouden, waarvoor het inkomen uit enkel een uitkering op grond van artikel 19 Participatiewet bestaat, een lager bedrag aan tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen ontvangt, als gevolg van de verschillende afbouwpaden van de dubbele algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 37, tweede lid, Participatiewet en in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en;
een netto-inkomen en tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen ontvangt dat in totaal lager ligt dan bij een vergelijkbaar huishouden waarvoor het inkomen uit een uitkering enkel bestaat uit een uitkering op grond van artikel 19 Participatiewet, vanwege hetgeen genoemd is onder sub ii;
Artikel 2. Doelgroep tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek
Er bestaat geen recht op de vaste tegemoetkoming als het vermogen van het huishouden hoger is dan de vermogensgrens van de zorgtoeslag zoals die geldt voor het kalenderjaar waarover de tegemoetkoming wordt aangevraagd. Het peilmoment van het vermogen is 1 januari 00:00 uur van het kalenderjaar waarover de vaste tegemoetkoming wordt aangevraagd.
Artikel 3. Hoogte vaste tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek en wijze van uitbetaling
Artikel 4. Ambtshalve toekenning
Artikel 5. Aanvraag zelfmelder
Een huishouden dat niet voor ambtshalve toekenning op grond van artikel 4 in aanmerking komt kan een aanvraag voor de vaste tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek indienen bij het Werkplein Hart van West-Brabant. Hiervoor moeten zij het daarvoor beschikbaar gestelde aanvraagformulier op de website van het Werkplein Hart van West-Brabant gebruiken. In afwijking van deze digitale aanvraag is een schriftelijke aanvraag mogelijk indien naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur bijzondere omstandigheden in het individuele geval hiertoe aanleiding geven.
Het Dagelijks Bestuur beoordeelt of de meestverdienende partner in het huishouden op de datum van aanvraag inwoner van één van de zes Werkpleingemeenten is en het huishouden voor het betreffende jaar nog geen vaste tegemoetkoming heeft ontvangen. Als niet aan deze voorwaarden wordt voldoet, wordt de gevraagde vaste tegemoetkoming afgewezen.
Bij de vaststelling van het vermogen hanteert het Dagelijks Bestuur de vermogensgrens van de zorgtoeslag zoals die geldt voor het kalenderjaar waarover de vaste tegemoetkoming wordt aangevraagd. Het peilmoment van het vermogen is 1 januari 00:00 van het kalenderjaar waarover de vaste tegemoetkoming wordt aangevraagd.
Als in het kalenderjaar waarop de aanvraag als bedoeld in lid 1 sprake was van fiscaal partnerschap maar door verbreking van die relatie bestaat dat fiscaal partnerschap op het moment van aanvraag niet meer, dan moeten beide partners ieder voor zich de aanvraag voor de vaste tegemoetkoming voor dat betreffende kalenderjaar indienen.
Aldus besloten in de vergadering van 6 mei 2025
Burgemeester en wethouders van Zundert,
secretaris,
G.A.A. van Rijswijk
de burgemeester,
J.G.P. Vermue
Toelichting Beleidsregels tijdelijke regeling tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek
Iedereen in Nederland heeft recht op een besteedbaar inkomen op het bestaansminimum. Dit bedrag is afhankelijk van leeftijd en leefsituatie. Mensen met lage inkomens krijgen extra ondersteuning door middel van toeslagen. Een groep huishoudens ontvangt door een ongelukkige samenloop van wet- en regelgeving te weinig toeslagen. Dit heeft nadelige gevolgen voor het netto-inkomen van deze huishoudens. Zij ontvangen een netto-inkomen dat lager is dan een vergelijkbaar (echt)paar met bijstand en maximale toeslagen. Daarmee komen zij netto uit onder het bestaansminimum. Deze omstandigheden noemen we de Alleenverdienersproblematiek.
Deze problematiek ontstond in 2009 toen de overdraagbaarheid van de Algemene Heffingskorting gefaseerd werd afgebouwd (volledige afbouw in 2023), en daarbij een andere afbouw volgde dan de bijstandsuitkering (volledige afbouw in 2039). Het wegnemen van deze ongewenste situatie wordt in 3 fasen gecorrigeerd waarbij het rijk gemeenten heeft verzocht hierbij te ondersteunen in fase 1 en 2.
Fase 1: Gemeenten helpen het rijk in 2023 en 2024 met een oplossing via individuele bijzondere bijstand. Hiervoor is een handelingsperspectief geboden. Voor de uitvoering van deze fase heeft de gemeente in de 2e helft 2024 al beleid vastgesteld. De uitvoering van fase 1 door het Werkplein loopt van september 2024 tot april 2025.
De “Beleidsregels tijdelijke regeling tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek” hebben betrekking op fase 2, de “Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek” (Wtrap). Deze tijdelijke wet is op 1 januari 2025 in werking getreden. De wet is een aparte regeling binnen de Participatiewet. De Wtrap biedt de wettelijke grondslag om de bij de Belastingdienst bekende huishoudens met alleen-verdienersproblematiek over de jaren 2025, 2026 en 2027 ambtshalve een vaste tegemoetkoming te betalen. De vaste tegemoetkoming wordt jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Voor het kalenderjaar 2025 is de tegemoetkoming vastgesteld op € 1.000,- per huishouden.
Het Inlichtingenbureau heeft eind januari 2025 de bij de Belastingdienst bekende Burgerservicenummers (BSN) van de meestverdienende partner van de betrokken huishoudens met het Werkplein Hart van West-Brabant gedeeld. Hierna heeft het Werkplein aan de gemeenten gevraagd om de ontvangen BSN te screenen via de Basisregistratie Personen (BRP). Screening betreft: wonen de huishoudens nog steeds in de gemeente en hebben zij nog een partner.
De in januari 2025 van de Belastingdienst ontvangen BSN’s zijn immers gebaseerd op de definitieve inkomsten -en vermogensgegevens over het belastingjaar 2023 [=belastingjaar T-2].
Inwoners waarvan het Werkplein de BSN heeft gekregen en die door de gemeentelijke BRP-screening komen, hebben recht op de tegemoetkoming in het jaar 2025. Het kan zijn dat dit recht op grond van actuele inkomens- en vermogensgegevens over 2025 er voor 2025 eigenlijk niet is. Het is bekend dat dit voor een deel van de inwoners gaat gelden. Toch heeft het Rijk (Ministerie SZW) bepaald dat aan alle inwoners waarvan de Belastingdienst de BSN verstrekt en die door de BRP-screening komen ambtshalve de tegemoetkoming mag worden toegekend. Wanneer een inwoner niet op de lijst met verstrekte BSN staat (en dus in 2023 geen recht op tegemoetkoming had), maar nu wel tot de doelgroep behoort, dan kan deze inwoner zelf een aanvraag voor deze regeling indienen. Als bij de boordeling van de aanvraag (=inkomen en vermogen van beide fiscaal-toeslagpartners) blijkt dat de inwoner tot de doelgroep behoort en recht heeft op een tegemoetkoming, dan wordt het voor dat betreffende jaar vastgestelde forfaitaire bedrag toegekend.
Voor meer details: zie Toelichting artikelsgewijs.
Voor de begripsbepalingen wordt uitgegaan van de begrippen zoals vermeld in: de Participatiewet (Pw) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tenzij in deze regeling anders is bepaald.
In lid 2 onder c is het begrip alleenverdiener gedefinieerd. Dit begrip is van belang om te kunnen beoordelen of de inwoner met zijn/haar partner tot de doelgroep van deze regeling behoort.
Ook is het begrip huishouden gedefinieerd. Dit begrip bepaalt dat voor de beoordeling van het recht op de tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek alleen wordt gekeken naar de aanvrager en de fiscaal toeslagpartner. Dit is een afwijking van de Fase 1-regeling waarbij ook de inwoning van kinderen en medebewoners relevant was.
Artikel 2. Doelgroep tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek
Het per 1 januari 2025 ingevoerde artikel 78gg Pw in combinatie met het begrip: alleenverdiener in artikel 1 lid 2 onder c bepalen wie tot de doelgroep van deze regeling behoort.
Een voorwaarde om tot de doelgroep van de alleenverdienersproblematiek te horen is dat het hoofd-inkomen van het huishouden moet bestaan uit een loondervingsuitkering van UWV of van een particuliere verzekeringsmaatschappij, of een Wajong-uitkering.
In het tweede lid is hier nog aan toegevoegd dat de persoon op: ontvangst van de BSN-lijst van de Belastingdienst, of de aanvraagdatum, daadwerkelijk nog woonachtig moet zijn in de gemeente.
Zoals vermeld in de Toelichting algemeen komen de BSN’s van de Belastingdienst uit het bestand van een belastingjaar wat vaak 2 jaar voor het actuele (toetsings)jaar ligt (=T-2).
In die tussentijd is de inwoner mogelijk verhuisd naar een andere gemeente, of misschien zelfs wel overleden. In die gevallen kan/mag er niet tot ambtshalve toekenning worden overgegaan.
Het derde lid bepaalt dat er geen recht op de tegemoetkoming bestaat als de inwoner en zijn/haar fiscaal toeslagpartner een vermogen heeft wat hoger is dan de vermogensvrijlating voor de zorgtoeslag. De vermogensvrijlating zorgtoeslag voor 2025 bedraagt € 179.429 als men een toeslagpartner heeft.
Artikel 3. Hoogte vaste tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek en wijze van uitbetaling
De Minister van SZW bepaalt jaarlijks de hoogte van de vaste tegemoetkoming. Voor het jaar 2025 is die vastgesteld op € 1.000.
Het tweede en derde lid regelen dat de te verstrekken tegemoetkoming als één bedrag voor een heel kalenderjaar wordt berekend en uitbetaald. Als een gezin vervolgens in de loop van een jaar verhuist naar een andere gemeente verandert dat niets aan de eerdere toekenning en uitbetaling.
Het 4e lid voorziet in de situatie dat er sprake is van ex-fiscaal partners. In zo’n situatie wordt het aan de voormalige “leefeenheid” toe te kennen recht met bijbehorende uitbetaling gesplitst. Iedere partner krijgt in dat geval de helft van de tegemoetkoming over dat betreffende jaar.
Artikel 4. Ambtshalve toekenning
Het eerste en tweede lid regelen de ambtshalve toekenning van de vaste tegemoetkoming aan huishoudens waarvan de Belastingdienst de BSN’s heeft verstrekt aan het Werkplein. Ambtshalve toekenning is ook mogelijk als het Werkplein aan een huishouden in het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft al eerder de alleenverdienerscompensatie heeft verstrekt. Voorwaarde is wel dat er zich nadien geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan in de situatie van het huishouden.
Om voor de ambtshalve toekenning in aanmerking te komen geldt wel de voorwaarde dat op het moment waarop het Werkplein de BSN-lijst van de Belastingdienst ontvangt men woonplaats moet hebben in één van de zes Werkplein-gemeenten. Dit is geregeld in artikel 2 lid 2.
In het derde lid staat beschreven welke informatie de inwoner nog moet aanleveren voordat het Werkplein tot ambtshalve toekenning kan overgaan. Voor inwoners die op de BSN-lijst van de Belastingdienst staan is dit alleen het bankrekeningnummer waarop het Werkplein de tegemoetkoming moet uitbetalen. Om AVG-technische redenen staan op de BSN-lijst van de Belastingdienst geen bankrekeningnummers. Daarom moet het Werkplein die ontbrekende informatie dan ook eerst tussentijds bij de inwoner opvragen voordat er ambtshalve kan worden toegekend.
Inwoners die niet op de BSN-lijst van de Belastingdienst staan maar aan wie het Werkplein over het voorafgaande kalenderjaar wel de tegemoetkoming heeft verstrekt, moeten aangeven of er zich tussen de vorige toekenning en heden relevante wijzigingen in de woon -en leefsituatie van het huishouden hebben voorgedaan. Als daarvan sprake is kan dat een reden zijn dat men niet voor ambtshalve toekenning in aanmerking komt. Voorbeelden van relevante wijzigingen kunnen bijvoorbeeld zijn: relatie is verbroken, of het hoofdinkomen van het huishouden bestaat niet meer uit een loondervingsuitkering van UWV of van een particuliere verzekeringsmaatschappij, of een Wajong-uitkering. Dan behoort men immers niet meer tot de doelgroep van deze regeling.
Artikel 5. Aanvraag zelfmelder
Een huishouden dat tot de doelgroep behoort, maar niet op de jaarlijkse BSN-lijst van de Belastingdienst staat, kan aanspraak op deze regeling maken door zelf een aanvraag in te dienen bij het Werkplein Hart van West-Brabant.
In het 2e lid is bepaald dat men op de aanvraagdatum wel woonplaats moet hebben in één van de zes Werkplein-gemeenten. Dit is geregeld in het tweede en vierde lid.
Een voorwaarde voor toekenning van de tegemoetkoming is dat men moet voldoen aan de begripsbepaling: “alleenverdiener” als bedoeld in artikel 1 lid 2 onder c. Zie: derde lid.
Het vijfde lid bepaalt dat bij de beoordeling van het recht op tegemoetkoming alleen het inkomen en vermogen van beide fiscale - en toeslagpartners van belang is. Dit is een verruiming ten opzichte van de Fase 1-uitvoering. Bij Fase 1 werd ook gekeken of er kinderen en medebewoners inwoonden en hoe hoog hun inkomen en vermogen was.
De leden 6, 7 en 8 regelen de referteperiode voor de inkomenstoets bij ontvangen aanvragen van z.g. zelfmelders.
In het negende lid is bepaald dat voor de vermogenstoets aangesloten wordt bij de vermogensgrens die geldt voor het recht op zorgtoeslag.
Het tiende lid bepaalt tot wanneer er een aanvraag voor de tegemoetkoming alleenverdieners-problematiek ingediend kan worden. De uiterste aanvraagdatum is steeds 31 maart van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de aanvraag voor de vaste tegemoetkoming betrekking heeft.
Verwacht wordt dat het aantal aanvragen van inwoners die niet voor de ambtshalve toekenning in aanmerking komen heel beperkt zal zijn.
In het elfde lid is beschreven welke bewijsstukken de aanvrager bij een aanvraag, moet overleggen. Dit om te kunnen beoordelen of de aanvrager recht heeft op een tegemoetkoming op grond van deze regeling.
Het twaalfde lid voorziet in de situatie dat er in een kalenderjaar weliswaar sprake is van fiscaal-toeslagpartners, maar waarbij op het moment waarop de aanvraag wordt ingediend die relatie is verbroken. Er zijn dan twee werkwijzen mogelijk:
De tweede werkwijze geniet de voorkeur. Niet in alle gevallen gaan partners immers in goede verstandhouding uit elkaar. In dat geval kan een vrijwillige onderlinge verdeling van de tegemoetkoming problematisch worden.
Artikel 6. Inwerkingtreding en citeertitel
Op 1 januari 2025 is in de Participatiewet een nieuw artikel 78gg ingevoegd. Dit artikel regelt de tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek. Omdat in deze beleidsregels het lokale beleid voor de tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek is vastgelegd, moeten deze beleidsregels terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 2025.
Omdat inwoners nog tot en met het 1e kwartaal 2028 een aanvraag voor het kalenderjaar 2027 kunnen indienen, kan de regeling per 1 april 2028 worden ingetrokken.
De lokale beleidsregels blijven uiteraard nog wel gelden voor tijdig ingediende aanvragen als bedoeld in artikel 5 eerste lid waarop nog geen besluit is genomen op de dag dat deze beleidsregels worden ingetrokken. Dat geldt ook voor bezwaar -en beroepsschriften tegen besluiten op aanvragen voor de vaste tegemoetkoming over de toeslagenjaren: 2025, 2026 en/of 2027 waarop dan nog geen definitief besluit is genomen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-211327.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.