Gemeenteblad van Voorschoten
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Voorschoten | Gemeenteblad 2025, 197254 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Voorschoten | Gemeenteblad 2025, 197254 | beleidsregel |
Beleidsregels jeugdhulp gemeente Voorschoten 2025
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorschoten.
overwegende dat het gewenst is beleidsregels vast te stellen over de wijze waarop het college omgaat met de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van zijn bevoegdheden in het kader van de Jeugdwet.
gelet op de Jeugdwet, de Verordening jeugdhulp gemeente Voorschoten 2015 en artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht.
Vast te stellen de navolgende:
Alle definities die in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de hierop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, uitvoeringsbesluiten en de Verordening jeugdhulp gemeente Voorschoten 2015.
In deze beleidsregels wordt verder verstaan onder:
(Boven)gebruikelijke zorg: Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouder(s) zorgen voor de opvoeding van hun kinderen, dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling. Gebruikelijke zorg is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouders. Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of verzorger conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Van ouders/verzorgers wordt verwacht maximaal te zoeken naar eigen oplossingen. Dit geldt ook bij uitval van de ouder in een éénoudergezin- of als beide ouders beperkingen ondervinden in de opvang en verzorging van de kinderen. Bovengebruikelijke zorg is alle zorg die de gebruikelijke zorg per dag overstijgt. Dit is onder meer afhankelijk van de leeftijd en de ontwikkeling van het kind, maar ook van de eigen kracht van de ouder(s). Bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouder(s)/verzorger(s) worden verwacht.
Gecertificeerde instelling: Het kan nodig zijn om bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering of in het kader van een sanctie reguliere jeugdhulp in te zetten. De gecertificeerde instelling is in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering bevoegd om deze maatregelen uit te voeren en om te bepalen dat een jeugdige jeugdhulp nodig heeft.
Hoofdstuk 2 Procedure individuele voorziening jeugdhulp via de gemeente
Artikel 2.1. Toegang tot niet vrij toegankelijke jeugdhulp
Het college verwijst niet door in die gevallen waarin het college tot het oordeel komt, al dan niet daarbij ondersteund door een deskundige of specialist, dat het aanbod van de vrij toegankelijke jeugdhulp en / of (algemene) voorzieningen voldoende inspeelt op de vragen en problemen van de jeugdige en / of zijn ouder(s).
Artikel 2.2. Melding hulpvraag
Indien er van de mogelijkheid van een familiegroepsplan gebruik wordt gemaakt, vormt het familiegroepsplan de basis voor het ondersteuningsplan. Het college rapporteert in het ondersteuningsplan dat aan ouders de mogelijkheid is geboden om een familiegroepsplan op te stellen en of zij hier wel of geen gebruik van hebben gemaakt.
Meent het college, dan wel de door de gemeente ingezette deskundige dat (onderdelen uit) dit familiegroepsplan geen passende jeugdhulp vormen gelet op de hulpvraag, of dat deze niet te realiseren zijn, dan stelt het college de jeugdige en zijn gezin hiervan binnen vijf werkdagen gemotiveerd op de hoogte en wordt er door het college met de jeugdige en zijn gezin een ondersteuningsplan opgesteld. Hierbij wordt het gehele gezinssysteem betrokken.
Artikel 2.4. Gesprek/onderzoek/ondersteuningsplan
Na de melding en het vooronderzoek wordt het onderzoek vervolgd door een gesprek met de jeugdige en/ of de ouders. In dit gesprek stelt het college vast of er sprake is van opvoed -of opgroeiproblemen en welke hulp noodzakelijk is (de zogenaamde triage). In het onderzoek doorloopt de deskundige namens het college samen met de jeugdige en / of de ouders de volgende stappen:
Op basis van het onderzoek stelt het college samen met de jeugdige en/ of de ouders een ondersteuningsplan op. Het ondersteuningsplan vermeldt de uitkomsten van het onderzoek (artikel 2.4.1, lid a t/m j) en de naar aanleiding daarvan in te zetten zorg en ondersteuning met gebruikmaking van eigen kracht en netwerk. Hierin zal ook beschreven zijn van welke vrij toegankelijke individuele voorzieningen jeugdhulp de jeugdige en/of de ouders gebruik gaan maken en/of voor welke individuele voorzieningen jeugdhulp de jeugdige en/of de ouders een aanvraag indienen bij het college. Tevens wordt vastgelegd wie welke verantwoordelijkheden heeft ten aanzien van de regie op de hulp die ingezet wordt.
Artikel 2.6. Behandeling aanvraag en afwegingsfactoren
Een jeugdige en/of zijn ouders komen in aanmerking voor een individuele voorziening jeugdhulp indien:
De jeugdige op eigen kracht, of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving, geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden. Bij de beoordeling of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders, eventueel met steun van het sociaal netwerk, toereikend zijn om zelf de gevraagde jeugdhulp te bieden, wordt rekening gehouden met:
Voordat het college beslist over de verlening van een individuele voorziening jeugdhulp, zoals bedoeld in de Verordening in artikel 2 lid 2 onder a. tot en met l., kan het college advies inroepen in van een door het college aan te wijzen adviseur. In hoofdstuk 2 van de Toelichting op deze beleidsregels wordt deze procedure beschreven.
Artikel 2.7. Afbakening Jeugdwet
Voor de overgang van 18- naar 18+ geldt dat:
Als het om een vorm van jeugdhulp gaat die voor meerderjarigen niet op grond van een andere wet kan worden voortgezet (met name jeugd- en opvoedhulp, niet zijnde jeugd-GGZ of jeugd-LVG), dan blijft de gemeente wèl verantwoordelijk voor het voortzetten van de jeugdhulp tot 23 jaar.
Behoudens artikel 1.1, lid 3 Jeugdwet is doorloop van jeugdhulp vanaf de 18e verjaardag noodzakelijk, is de noodzaak van jeugdhulp bepaald vóórdat de jeugdige 18 jaar is dan wel wordt de noodzakelijke jeugdhulp hervat binnen zes maanden na het beëindigen ervan voordat de jeugdige de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
Zorg in de (aanvullende) ziektekostenverzekering is een uitsluitingsgrond, hieronder vallen de vaktherapieën. Dit geldt voor zowel pgb als zorg in natura (ZIN). Er kan geen individuele voorziening jeugdhulp worden verstrekt voor vaktherapie, tenzij:
Er sprake is van een chronische verstandelijke, psychische of lichamelijke beperking die de ontwikkeling en het functioneren langdurig zal blijven beperken en er behandeling en herstel niet meer mogelijk lijkt en de regiebehandelaar van de betrokken GGZ organisatie uit het ZIN aanbod de vaktherapie adviseert en inzet.
In deze uitzonderingsgevallen kan de desbetreffende jeugdhulpaanbieder onder eigen regie vaktherapie inzetten. Indien ouders een aanvullende verzekering hebben die vaktherapie vergoedt, dan geldt dit als voorliggende voorziening die in plaats van jeugdhulp kan worden ingezet. Voor enkel vaktherapie kan geen individuele voorziening jeugdhulp worden verstrekt en wordt verwezen naar de (aanvullende) zorgverzekering.
Respijtzorg (zie toelichting op deze beleidsregels) biedt ouders de mogelijkheid hun zorgtaken voor hun kind tijdelijk aan een ander over te dragen. Hierdoor kunnen zij af en toe vrijaf nemen van de zorg voor hun kind waardoor zij de zorg voor hun kind beter kunnen volhouden. Respijtzorg kan eens of meermaals per kalenderjaar worden ingezet. Respijtzorg is een belangrijk middel om overbelasting van ouders te voorkomen. Respijtzorg kan alleen aangevraagd worden door middel van een individuele voorziening jeugdhulp indien dit in het kader van een voorliggende voorziening, zoals de Wlz, Zvw of vanuit de Participatiewet (zoals de Beleidsregel kinderopvang sociaal domein) niet mogelijk is. Respijtzorg in het kader van de Jeugdwet kan alleen ingezet worden als de jeugdige voor wie de zorg wordt aangevraagd is aangewezen is op permanent toezicht en begeleiding, persoonlijke verzorging of verpleging ontvangt.
Onder respijtzorg verstaan we niet jeugdhulp die bedoeld is voor naschoolse opvang of opvang tijdens de schoolvakanties. In zeer specifieke omstandigheden kunnen jeugdigen gebruik maken van een naschoolse opvang of vakantieopvang. Dit geldt voor jeugdigen die onder cluster 1 en 2 onderwijs volgen, jeugdigen die cluster 3 en 4 onderwijs volgen en jeugdigen die zeer agressief gedrag vertonen en voor wie een BSO-plus voorziening onvoldoende begeleiding kan bieden.
Vervoer van jeugdigen naar en van een locatie waar jeugdhulp geboden wordt, valt onder de Jeugdwet (artikel 2.3, lid 2, Jeugdwet). De verantwoordelijkheid van de gemeente voor vervoer op grond van de Jeugdwet geldt alleen voor vervoer van de jeugdige naar de jeugdhulplocatie en terug. Vervoer naar andere locaties of vervoer van de ouders van de jeugdige valt niet onder de jeugdhulpplicht. Bij het bepalen of een vervoersvoorziening naar een individuele voorziening jeugdhulp noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, hanteert het college het volgende afwegingskader:
Indien de inzet van het sociaal netwerk niet of onvoldoende mogelijk is, dan wordt nagegaan welke vervoersvoorziening het meest passend is. Hierbij wordt in eerste instantie gekeken naar voorliggend aanbod, vervolgens naar vervoer met het OV (al dan niet met begeleiding) en tenslotte naar aangepast vervoer. Combinaties van vervoersmogelijkheden zijn daarbij ook mogelijk.
Vervoer naar onderwijs-zorglocaties zal plaatsvinden met behulp van en volgens de regels van het leerlingenvervoer gedurende de lesweken. In de vakantieperiode kan dit vervoer in een andere vorm mogelijk gemaakt worden. Voor toetsing van de zelfredzaamheid conform lid 1 en 2 raadpleegt het college naast de jeugdige en diens ouders ook de betrokken zorgaanbieder.
De door de gemeente gecontracteerde vervoerder organiseert het vervoer. Slechts enkele door het college aangewezen jeugdhulpaanbieders van dagbesteding en dagbehandeling kunnen binnen de contractafspraken met het college zelf het vervoer organiseren voor vervoer van- en naar de locatie waar dagbehandeling of dagbesteding geboden wordt.
Artikel 2.9. Dagbesteding en dagbehandeling
Een jeugdige kan alleen in aanmerking komen voor dagbesteding of dagbehandeling indien hij staat ingeschreven op het onderwijs en er een ontwikkelperspectiefplan (OPP) is opgesteld door het onderwijs, waarin de gezamenlijke doelen zijn opgenomen ten behoeve van terugkeer van de jeugdige naar het onderwijs.
Artikel 2.10 Algemene weigeringsgronden jeugdhulp
Een jeugdige en/ of ouder(s) komen niet in aanmerking voor een individuele voorziening jeugdhulp als:
De jeugdige en/ of ouder(s) aanspraak maken op een voorliggende voorziening die voorziet in de ondersteuningsbehoefte, of de mogelijkheid bestaat dat zij aanspraak kunnen maken op een voorliggende voorziening die voorziet in de ondersteuningsbehoefte, maar zij hiervoor geen aanvraag wensen in te dienen. Voorziet de voorliggende voorziening gedeeltelijk in de ondersteuningsbehoefte dan kan aanvullend alsnog een individuele voorziening jeugdhulp worden afgegeven.
Hoofdstuk 3 Inzet individuele voorziening jeugdhulp door middel van een persoonsgebonden budget (pgb)
Artikel 3.1. Voorwaarden besluitvorming aanvraag pgb
In artikel 10 van de Verordening zijn de wettelijke voorwaarden voor het pgb neergelegd ter beoordeling aan het college. Om over te gaan tot beoordeling van een aanvraag voor verstrekking van een pgb ten behoeve van de inzet van jeugdhulp, moet het college zich ervan overtuigen dat voldaan wordt aan de in lid 3 genoemde voorwaarden. De cliënt verschaft de noodzakelijke inlichtingen of gegevens en verleent zijn medewerking aan het onderzoek. De voorwaarden zijn cumulatief.
Artikel 3.2. Jeugdhulp middels pgb
Als het college van oordeel is dat de zorg via een pgb kan worden ingekocht, dan zijn de volgende leden van toepassing:
Bij twijfel aan de bekwaamheid en/of de goede intenties van de budgethouder kan een VOG worden gevraagd, tenzij de budgethouder familie in de eerste lijn is. Mocht het college van oordeel zijn dat de budgethouder, al dan niet met hulp uit zijn sociaal netwerk of van zijn (wettelijk) vertegenwoordiger, niet bekwaam is voor het houden van een pgb, dan kan het college het pgb weigeren of intrekken.
Artikel 3.3. Functiecategorieën professionele pgb zorg
Het pgb voor professionele hulp kan slechts worden toegekend voor de volgende functiecategorieën:
Artikel 3.4. Pgb voor de inzet van het sociaal netwerk (informele pgb zorg)
Artikel 3.6. Besteding van het pgb
Na toekenning van een pgb controleert de gemeente bij de SVB of het budget is aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Wanneer dit niet het geval is, dan wordt er contact met de ouder(s) opgenomen en onderzocht waarom dit is, of het pgb alsnog besteed gaat worden en of er andere hulp noodzakelijk is.
Bij een verandering in de zorgvraag waardoor het budget anders ingezet moet worden, vragen ouder(s) en of budgethouder het college hiervoor vooraf toestemming en verstrekken de hiervoor benodigde informatie. Op basis van deze informatie beoordeelt het college of hiervoor toestemming verstrekt wordt. Als niet vooraf om toestemming wordt verzocht, dan kan het college dit beschouwen als onjuiste verstrekking van informatie. Het college heeft ook de mogelijkheid om het pgb te herzien bij een verandering in de zorgbehoefte.
Hoofdstuk 5: Procedure individuele voorziening jeugdhulp via huisarts, jeugdarts en medisch specialist
In het geval de jeugdige en/of diens ouders, betrokken netwerk of budgethouder een klacht hebben over:
Dan kan hij of zij een klacht indienen via de gemeentelijke website (www.voorschoten.nl/klacht-indienen)
Aldus vastgesteld in de vergadering van 04-03-2025,
het college van burgemeester en wethouders,
E.A. van Wattingen,
gemeentesecretaris
mw. drs. N. Stemerdink,
burgemeester
De beleidsregels Jeugdhulp zijn de uitwerking van de Verordening op het gebied van toegang en procedures, inhoud van de beschikking, het persoonsgebonden budget, inzet van het sociaal netwerk en de vertrouwenspersoon.
De beleidsregels geven aan op welke wijze het college van haar bevoegdheid gebruik maakt. Deze regels “binden” daarmee het college. Het wordt daarmee voor elke inwoner transparant op welke manier door het college invulling wordt gegeven aan de hulpvraag.
Het beleidsplan, de verordening, de nadere regels en de beleidsregels zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Eigen kracht, gebruikelijke hulp, draagkracht en draaglast
Om het probleemoplossend vermogen en eigen mogelijkheden van de ouders, ook wel de eigen kracht, te beoordelen, worden de volgende vragen onderzocht:
De beoordeling van verloopt verder als volgt:
Stap 1: weging eigen kracht: wat is gebruikelijke zorg?
Gebruikelijke zorg van ouders voor hun kinderen omvat:
Voorafgaande aan de vaststelling van de draagkracht en de draaglast wordt eerst met de jeugdige of zijn ouders besproken hoe zij dit zelf ervaren en wat zij nodig hebben om de zorg voor hun kind te kunnen voortzetten zonder risico op overbelasting. Hierbij wordt rekening gehouden met het feit dat de mate van noodzaak tot ondersteuning en de vorm waarin deze plaats vindt, kan fluctueren in de loop der tijd.
Chronische en niet-chronische situaties
Er is geen sprake van bovengebruikelijke hulp bij niet-chronische situaties. Bij niet-chronische situaties gaat het om kortdurende hulp waarbij er uitzicht is op herstel van de situatie van de jeugdige en de ouder(s) en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige en de ouder(s). Het gaat hierbij over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.
Wanneer de ouder(s) overbelast zijn of dreigen te raken, wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht, totdat deze (dreigende) overbelasting is opgeheven met de inzet van een individuele voorziening jeugdhulp, met dien verstande dat:
In de Jeugdwet en de Verordening is vastgelegd dat ouders/gezinnen de mogelijkheid krijgen om samen met familie, vrienden en anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren een familiegroepsplan op te stellen. Zij kunnen hierbij begeleid worden door MEE. In dat plan kunnen ouders aangeven hoe ze zelf de opvoed- en opgroeisituatie voor hun kind(eren) willen verbeteren. Wat kunnen zij zelf doen? Wat kunnen zij met behulp van mensen uit hun omgeving doen? En welke professionele hulp en ondersteuning denken zij daarbij nodig te hebben? En met welke te behalen concrete doelen?
Geven de ouders aan dat zij niet zelf een familiegroepsplan kunnen of willen maken, dan stelt het college samen met de jeugdige en de ouders een ondersteuningsplan op. Het familiegroepsplan kan, indien het college dit heeft goedgekeurd, ook gebruikt worden als ondersteuningsplan, en daarmee dus als aanvraag voor niet-vrij toegankelijke zorg.
De Jeugdwet geeft een aantal uitzonderingen waarin ouders en jeugdige geen gelegenheid krijgen om eerst een familiegroepsplan te maken, namelijk wanneer:
Een gecertificeerde instelling de voogdij uitoefent nadat het gezag van de ouders is beëindigd.
Reden: als het ouderlijk gezag is beëindigd, dan zijn de ouders uiteraard nog steeds de biologische ouders, maar ze kunnen daaraan geen rechten meer ontlenen, bijvoorbeeld om een familiegroepsplan te organiseren.
Het opstellen van een familiegroepsplan de belangen van de jeugdige schaadt, bijvoorbeeld door een concrete bedreiging van de veiligheid of ontwikkeling van het kind. Reden: als een professional ernstige onveiligheid (bijv. seksueel misbruik, ernstige verwaarlozing of mishandeling) constateert bij een kind, dan heeft het gezin blijkbaar zelf niet voldoende in die veiligheid kunnen voorzien. Veiligheid voor het kind is dan de eerste prioriteit.
Hoofdstuk 2. Procedure individuele voorziening jeugdhulp via de gemeente
Artikel 2.1 Toegang tot niet vrij toegankelijke jeugdhulp
Een ieder kan zich bij het college melden. Om te spreken van een melding wordt wel onderscheid gemaakt tussen een verzoek om informatie en advies en een verzoek om jeugdhulp. Dit is van belang omdat een melding van een hulpvraag leidt tot een gesprek, zie paragraaf 2.3 en volgende van de Verordening. In tegenstelling tot de Wmo 2015, wordt in de Jeugdwet niet gesproken over de melding als aparte processtap. Als een burger alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. De “melding” is in een aantal gevallen dus niet meer dan een signaal van de burger dat hij behoefte meent te hebben aan een vorm van jeugdhulp en die niet noodzaakt tot een uitgebreid onderzoek. Deze signalen worden dan ook niet als een melding in de zin van deze beleidsregels aangemerkt.
De gemeente zal zich na een melding van een hulpvraag wel een beeld moeten vormen van de behoefte van de cliënt. Het is daarbij van belang dat het college in dit stadium van contact met de cliënt een zorgvuldige inschatting maakt van diens problematiek en op zoek gaat naar de mogelijke vraag achter de vraag.
Iedere jeugdige en/of zijn ouder(s) die op grond van de Jeugdwet in de gemeente Voorschoten aanspraak wil of kan maken op jeugdhulp, kan zich rechtstreeks met een jeugdhulpvraag richten tot het college. Verder kan het college met aanbieders en partijen uit het maatschappelijk middenveld afspraken maken over het indienen van een melding namens cliënten. Het is logisch dat zij snel kunnen constateren dat de behoefte aan jeugdhulp van een cliënt toeneemt, of daar tenminste aanleiding voor is dat aan te nemen (signaleringsfunctie). Ook kan er natuurlijk sprake zijn van een afname van de behoefte aan jeugdhulp. Deze melding moet altijd gedaan worden met instemming van de cliënt. Het college doet in ieder geval onderzoek en er wordt zo nodig een gesprek gepland met de cliënt.
Op basis van het woonplaatsbeginsel wordt bepaald welke gemeente verantwoordelijk is voor het bieden van jeugdhulp aan de jeugdige en zijn ouders. De verantwoordelijke gemeente is de gemeente waar de ouder met gezag woont. Als een kind hulp nodig heeft moet daarom gekeken worden waar het gezag ligt. Daarna wordt vastgesteld wat het adres is. Zo wordt duidelijk welke gemeente verantwoordelijk is voor de desbetreffende inzet van jeugdhulp. Met dien verstande dat indien het gezag over een jeugdige wordt uitgeoefend door een voogdij instelling, niet de vestigingsplaats van de instelling maar de feitelijke verblijfplaats van de jeugdige bepalend is voor het vaststellen van de gemeente die verantwoordelijk is voor de jeugdhulp.
Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek.
De afspraak wordt in principe schriftelijk bevestigd, tenzij cliënt heeft aangegeven dit niet te wensen.
Artikel 2.4 Gesprek/onderzoek/ondersteuningsplan
Het ondersteuningsplan wordt samen met de jeugdige en/of de ouders en mogelijk andere betrokkenen opgesteld. Het gespreksverslag dat in artikel 7 van de Verordening wordt genoemd, is onderdeel van het ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan door alle partijen ondertekend. Het ondersteuningsplan gaat uit van de werkwijze één-gezin-één-plan-één-regisseur. Met één gezin wordt hiermee bedoeld de gezin(nen) rondom een kind, dat wil dus zeggen dat voor een kind waarvan de ouders gescheiden zijn, indien enigszins mogelijk de (gezinnen van) beide ouders worden betrokken in het ene plan. Binnen het sociale domein is het inmiddels heel gangbaar geworden om te spreken over één-gezin-eén-plan-één-regisseur (zie o.a. publicatie: E-boek “Aan de slag achter de voordeur” d.d. 18 mei 2011 (http:/www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/brochures/2011/05/18/e-boek-aan-de-slag).
In het plan staan de afspraken beschreven over wat de jeugdige en/ of zijn ouders en/of sociale netwerk zelf zullen oppakken. Daarnaast wordt beschreven welke vrij toegankelijke individuele voorzieningen jeugdhulp en welke individuele voorzieningen jeugdhulp nodig zijn en de verwachte tijdsduur van de inzet. Het ondersteuningsplan legt daarbij verbinding met ondersteuning uit andere voorzieningen bijvoorbeeld onderwijs, participatie en volwassenenzorg. Het ondersteuningsplan is geen statisch document. Er kunnen afspraken aan toegevoegd worden, wanneer dat naar inzicht van de jeugdige en/of de ouders of het college van belang is. Bovendien kan het zijn dat als er meerdere vragen/problemen in een gezin zijn, deze gefaseerd worden opgepakt.
Wanneer er een familiegroepsplan is opgesteld, wordt dit als uitgangspunt genomen voor het gesprek tussen de jeugdige en/of zijn ouders en de hulpverlener die belast is met het onderzoeken van de behoeften, wensen, (eigen) mogelijkheden en alternatieven.
Een aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een niet-vrij toegankelijk individuele voorziening jeugdhulp te verkrijgen. De Algemene wet bestuursrecht beschrijft aan welke eisen de aanvraag moet voldoen. Op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Zie voor verdere toelichting de verordening. Volgens de Algemene wet bestuursrecht moet er een besluit zijn, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag (4:13). Indien een besluit niet binnen acht weken kan worden gegeven, moet dit binnen die termijn aan de aanvrager worden medegedeeld en moet een redelijke termijn worden genoemd binnen welke het besluit tegemoet kan worden gezien (4:14). Hierbij moet altijd in ogenschouw genomen worden dat het uiteraard niet wenselijk is dat een aanvraag te lang blijft liggen.
Artikel 2.6 Behandeling aanvraag en afwegingsfactoren
In dit hoofdstuk wordt duidelijk gemaakt welke afwegingsfactoren het college hanteert bij toekenning van individuele voorzieningen jeugdhulp. Hierbij is het voor het college van belang om goed te beoordelen: de mate van ‘eigen kracht’ en het al of niet gedeeltelijk gebruik kunnen maken van overige of andere voorzieningen. Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag of het opstellen van het ondersteuningsplan nodig is. als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt versterkt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. Eigen afwegingen van het college zoals hierboven bedoeld zijn niet aan de orde indien een rechter de maatregel heeft vastgesteld dat een jeugdige is aangewezen op een individuele voorziening jeugdhulp en de gecertificeerde instelling deze maatregel zal uitvoeren.
Artikel 2.7 Afbakening Jeugdwet
Als een baby wordt geboren kan al direct duidelijk zijn dat het kind een ziekte of aandoening heeft. Bijvoorbeeld bij syndromen met uiterlijke kenmerken of zichtbare lichamelijke afwijkingen. Maar dit kan ook pas gedurende de ontwikkeling duidelijk worden, bijvoorbeeld als het consultatiebureau constateert dat het kind achterblijft in de ontwikkeling.
In de wet is vastgelegd wanneer iemand toegang heeft tot de Wlz (Art 3.2.1 Wlz): Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:
Er is geen recht op jeugdhulp, indien de jeugdige in aanmerking komt voor de Wet langdurige zorg. De verzorgers zijn verplicht om een aanvraag in te dienen voor de Wlz, indien de jeugdige voldoet aan de eisen die de Wlz stelt.
Gaat een jeugdige met psychische klachten naar de huisarts en kan de (praktijkondersteuner van de) huisarts deze klachten afdoende behandelen, dan is dit verzekerde zorg die onder de Zvw valt. Als de jeugdige is aangewezen op meer specialistische zorg en begeleiding, dan valt de geestelijke gezondheidszorg aan jeugdigen tot 18 jaar onder de Jeugdwet.
Intensieve Kind Zorg (IKZ) onder de Zvw
Jeugdigen die in aanmerking komen voor Intensieve Kind Zorg, zijn jeugdigen:
met lichtere complexe problematiek, waarbij 24-uur zorg per dag in de nabijheid nodig is in combinatie met specifieke verpleegkundige handelingen zoals intraveneuze medicatietoediening. Zorg aan minderjarigen met ernstige medische problematiek die onder de verantwoordelijkheid staan van een medisch specialist of kinderarts.
Voor intensieve kindzorg geldt dat naast verpleging en daarmee samenhangende verzorging ook begeleiding thuis, verblijf in een kinderhospice, verzorging en begeleiding op school, kortdurend verblijf en opvang in een verpleegkundig kinderdagverblijf inclusief het vervoer van en naar dit dagverblijf onder de Zvw-aanspraak vallen.
Indien er geen sprake is van IKZ, maar wel van verpleging valt ook dit onder de Zvw. Als verpleging en daarmee samenhangende persoonlijke verzorging samen worden aangeboden, vallen beiden onder de Zvw. Als verpleging wordt aangeboden met begeleiding, komt de zorg uit twee wetten: verpleging valt onder de Zvw en de begeleiding valt onder de Jeugdwet.
Onder de Jeugdwet valt de persoonlijke verzorging bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). Bedoeld wordt de zorg die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Bijvoorbeeld zorg bij: wassen, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, reguliere huidverzorging, mond- en gebitsverzorging en hand- en voetverzorging.
Onder de Zvw valt de persoonlijke verzorging die nodig is in verband met een 'behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop'. Bedoeld wordt de verpleging en verzorging die verpleegkundigen bieden. Dit wordt ook wel wijkverpleging genoemd. Voor jeugdigen tot 18 jaar beoordeelt een kinderverpleegkundige of er sprake is van 'behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop'. Als dat zo is, geeft de kinderverpleegkundige een indicatie af voor persoonlijke verzorging op grond van de Zvw. De kinderverpleegkundige bepaalt dus óf en zo ja welke persoonlijke verzorging onder de Zvw valt.
Alle leerlingen die extra onderwijsondersteuning nodig hebben, zowel als er sprake is van een lichte als van een zware (onderwijs) ondersteuningsbehoefte, komen in aanmerking voor Passend onderwijs. Passend onderwijs houdt in dat scholen extra onderwijsondersteuning bieden. Het gaat dan om didactische en pedagogische ondersteuning die nodig is om de onderwijsdoelen te bereiken. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan ondersteuning van de leraar of een (tijdelijke) plaats voor de leerling in een bovenschoolse voorziening, het speciaal basisonderwijs of het (voortgezet) speciaal onderwijs. In het (voortgezet) speciaal onderwijs is expertise beschikbaar voor de specifieke doelgroep van de school.
Respijtzorg biedt ouders de mogelijkheid hun zorgtaken voor hun kind tijdelijk aan een ander over te dragen. Hierdoor kunnen zij af en toe vrijaf nemen van de zorg voor hun kind en kunnen zij de zorg voor hun kind beter volhouden. Respijtzorg is een belangrijk middel om overbelasting van ouders te voorkomen. Respijtzorg kan ook aangevraagd worden door middel van een pgb. Vormen van respijtzorg of kortdurend verblijf De benodigde vorm van hulp moet ouders ontlasten in de gebruikelijke zorg of mantelzorg die zij hun kind bieden. Een overkoepelende term hiervoor is respijtzorg. Een specifiekere term is kortdurend verblijf, waarvan sprake is als de jeugdige korte tijd buiten de thuissituatie verblijft. Bijvoorbeeld logeeropvang of dag- of weekendopvang. Maar respijtzorg hoeft niet altijd te betekenen dat de jeugdige uit de thuissituatie weggaat. Het kan bijvoorbeeld ook door de ouders een weekend weg te laten gaan of de inzet van informele zorg thuis. Echter, bij dreigende overbelasting van de persoon die thuis de zorg levert - zoals ouder(s), partner of huisgenoten - kan kortdurend verblijf wel een goede oplossing zijn.
De plicht van het college een voorziening te treffen ter ontlasting van de ouders/verzorgers geldt alleen voor ouders in de zin van de Jeugdwet. Hiermee wordt bedoeld de ouder(s) met gezag, de stiefouder, de adoptiefouder of een ander die de jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. Een pleegouder is geen ouder in de zin van de Jeugdwet. Een pleegouder kan dus niet voor een dergelijke voorziening in aanmerking komen
Voor de gesloten jeugdzorg is het onderstaande niet van toepassing: daarvoor is in de Jeugdwet een aparte bepaling (art. 6.3.5 Jeugdwet) opgenomen waarbij het beveiligde vervoer geregeld wordt via de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DVO).
Vervoer binnen de Jeugdwet is alleen voor de jeugdige, en waar nodig zijn begeleider, van en naar de locatie waar jeugdhulp wordt geboden en de jeugdige niet zelfstandig kan reizen naar de jeugdhulplocatie door een medische noodzaak of een gebrek aan zelfredzaamheid. Vervoer van ouders om hun kind te bezoeken valt hier niet onder.
Het inzetten van een vervoersvoorziening is beperkt tot het vervoer naar de meest dichtstbijzijnde aanbieder welke, naar redelijkheid, de meest minimaal noodzakelijke en passende zorg zou kunnen bieden. Dit is ter beoordeling van het college. De inhoud van de zorg is hierbij leidend. Een uitzondering hierop wordt gevormd door jeugdhulp met verblijf, indien er een langere wachttijd is dan 8 weken.
Voor vervoer naar jeugdhulpaanbieders die verder zijn gelegen dan 20 kilometer buiten de regiogrens geldt dat alleen kosten op basis van openbaar vervoer, of in uitzonderlijk geval eigen vervoer kan worden vergoed.
De Jeugdwet gaat uit van de eigen kracht van ouders. Jeugdhulp is pas van toepassing voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Dit is ook van toepassing op vervoer. Eerst dient te worden onderzocht of ouders het vervoer zelf kunnen organiseren. Bij het wegen van eigen kracht worden verschillende factoren onderzocht, waaronder (zie ook hoofdstuk 1 en bijlage 1 van de toelichting):
Hierbij geldt dat er in de volgende situaties sprake is van gebruikelijke zorg die van ouders mag worden verwacht:
Hoofdstuk 3. Inzet individuele voorziening jeugdhulp door middel van een persoonsgebonden budget (pgb)
Het budgetplan is onderdeel van het familiegroepsplan/ ondersteuningsplan. Hierin geven de jeugdige en/of zijn ouders (budgethouder) aan op welke wijze zij het persoonsgebonden budget gaat inzetten.
Voorwaarden voor toewijzing van een persoonsgebonden budget
Door periodiek het plan te gebruiken om vast te stellen wat de jeugdhulp heeft opgeleverd, wordt ook de kwaliteit en doelmatigheid van de verleende jeugdhulp inzichtelijk gemaakt. Het persoonsgebonden budget kan onderdeel uitmaken van een totaalarrangement, waarbij onderdelen van jeugdhulp in natura (vrij toegankelijke individuele voorziening jeugdhulp of individuele voorziening jeugdhulp) worden ingezet en waarbij voor onderdelen een persoonsgebonden budget wordt ingezet.
De Jeugdwet stelt dat, om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget, de aanvrager zich gemotiveerd op het standpunt moet stellen dat het door de gemeente gecontracteerde aanbod niet passend is in zijn situatie. Het kan hierbij gaan om de aard van de hulpvraag (de benodigde ondersteuning aan jeugdhulp is bijvoorbeeld vooraf niet goed in te plannen of de jeugdhulp moet op verschillende locaties worden geleverd), of om levensbeschouwelijke, culturele of godsdienstige overwegingen.
Pgb vaardigheid en belangenafweging
Wettelijk is bepaald dat een persoonsgebonden budget alleen wordt verstrekt, als de jeugdige (voor jeugdigen onder 16 jaar geldt hier de ouders, vanaf 16 jaar en ouder mag de jeugdige zelf zijn belangen behartigen) naar het oordeel van het college op eigen kracht:
de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze kan uitvoeren. Het gaat hierbij onder andere om kiezen van een zorgverlener, het aangaan van een contract en het aansturen van de zorgverlener. De jeugdige en/of zijn ouders mogen hierbij ondersteund worden door mensen uit zijn sociale netwerk, dan wel door een curator, een bewindvoerder, een mentor of een gemachtigde.
Het gaat niet om het beheren van het budget, dat doet de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Heeft de budgethouder een arbeidsovereenkomst afgesloten met een zorgverlener die vier of meer dagen per week werkt, dan is de budgethouder werkgever. Hij is dan verplicht om een salarisadministratie bij te houden en afdrachten te betalen aan de belastingdienst. Daarom is een budgethouder, die voor vier of meer dagen per week jeugdhulp inkoopt, een werkgever, met de werkgeversplichten die daarbij horen. Denk hierbij onder meer aan het overeenkomen van een redelijk uurloon, het doorbetalen van loon bij ziekte en het hanteren van een redelijke opzegtermijn. De bekwaamheid voor het hebben van een persoonsgebonden budget wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, maar het oordeel van het college is leidend. Indien de gemeente van mening is dat de aanvrager niet bekwaam is, dan kan het college het persoonsgebonden budget weigeren.
De belangrijkste kwaliteitstoets zit in het gesprek en de beoordeling van het plan. Hieruit moet blijken dat de doelen, het beoogd resultaat en de voorgestelde inzet passen bij de hulpvraag. Vanaf het moment dat de jeugdhulp geleverd wordt, is de budgethouder in de rol van opdrachtgever primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geleverde zorg, samen met de jeugdhulpaanbieder.
In hoofdstuk 4 van de Jeugdwet zijn kwaliteitseisen opgenomen, die worden gesteld aan alle professionele jeugdhulpaanbieders:
In de Verordening is bepaald dat het persoonsgebonden budget niet besteed mag worden aan tussenpersonen en belangenbehartigers. Hieronder vallen tevens (administratieve) bemiddelingsbureaus.
Spoedeisende hulp niet ten laste van pgb.
De uitsluiting van het persoonsgebonden budget voor spoedeisende hulp vloeit logischerwijs voort uit het feit dat er in het geval van crisis direct hulp moet worden ingezet en een aanvraag voor een persoonsgebonden budget niet mogelijk is. Spoedeisende hulp betreft hulp, waarbij levering plaatsvindt voordat een indicatie is afgegeven of waarbij een versnelde procedure plaatsvindt voor indicatiestelling.
Bepaald is dat het persoonsgebonden budget slechts met toestemming van het college maximaal 13 weken per kalenderjaar mag worden ingezet voor het inkopen van zorg in het buitenland. Deze regel is conform de huidige beleidsregel, die het Zorgkantoor thans hanteert.
Besteding van het persoonsgebonden budget
Uitgangspunt is dat de jeugdige en/of zijn ouders zijn persoonsgebonden budget aanwenden voor de inzet van de jeugdhulp zoals is opgenomen en goedgekeurd in het ondersteuningsplan en budgetplan. Wel hebben de jeugdige en/of zijn ouders bestedingsvrijheid met betrekking tot het aantal uren dat wordt ingekocht en bij welke zorgverlener dit wordt ingekocht, mits wordt voldaan aan de overige eisen, waaronder de gestelde kwaliteitseisen.Wanneer de jeugdige en/of zijn ouders verschillende vormen van jeugdhulp nodig hebben, kunnen zij ervoor kiezen om een deel van de hulp in natura af te nemen en een deel zelf in te kopen met een persoonsgebonden budget. Per ondersteuningsvorm is echter maar één verstrekkingsvorm mogelijk. Ook is het niet mogelijk om te schuiven met budgetten tussen verschillende ondersteuningsvormen, omdat per ondersteuningsvorm de doelen bepaald worden.
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) voert de betalingen aan zorgverleners uit in opdracht van de jeugdige en/of zijn ouders. Zorgverleners worden maandelijks uitbetaald, op basis van een vast maandloon en als facturatie per uur of per dag(deel). Hiervoor moet met elke zorgverlener een zorgovereenkomst worden gesloten , die overgelegd wordt aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
Na zes maanden na toekenning van het persoonsgebonden budget wordt door het college getoetst of het persoonsgebonden budget daadwerkelijk is ingezet. Indien blijkt dat het persoonsgebonden budget niet wordt ingezet, kan het college besluiten het persoonsgebonden budget alsnog in te trekken. Het is tevens belangrijk om te kijken of er nog hulp nodig is en of het persoonsgebonden budget hiervoor de beste oplossing is of dat er andere hulp in gezet dient te worden.
Hoogte persoonsgebonden budget
De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald aan de hand van het ondersteuningsplan. Bepalend voor de hoogte is dus wat er feitelijk aan ondersteuning nodig is en is niet een vaststaand bedrag. De begroting (budgetplan) voor de ondersteuning die de jeugdige en/of ouders moet hierbij worden toevoegen. Het persoonsgeboden budget wordt op basis van deze begroting vastgesteld en is maximaal gelijk aan 80% van de goedkoopst compenserende oplossing in natura.
Onder het tarief vallen sowieso de volgende kosten: salaris, vervanging tijdens vakantie, werkgeverslasten, verzekeringen, reiskosten, arbeidsomstandigheden, administratie, regelkosten.
Wanneer er een persoonsgebonden budget voor niet-professionele jeugdhulpverleners wordt ingezet, dan kan dit alleen wanneer er een door de gemeente en de SVB goedgekeurde overeenkomst is gesloten.
Persoonsgebonden budget voor de inzet van het sociaal netwerk
Een persoonsgebonden budget wordt alleen toegekend voor bovengebruikelijke zorg: er is extra inzet nodig boven de zorg die in redelijkheid verwacht van het sociale netwerk verwacht mag worden. Dit vloeit logischerwijs voort uit het toekenningsproces: vóór verstrekking van een individuele voorziening jeugdhulp wordt eerst gekeken wat iemand op eigen kracht kan doen en welke zorg redelijkerwijs verwacht mag worden van de omgeving. Dit wordt o.a. bepaald aan de hand van de aard en omvang van de hulp, de duur en frequentie van de hulp en de mate van verplichting: kan degene die de hulp biedt een keer overslaan bij ziekte of vakantie. Dit laatste aspect wordt als zwaarwegend criterium beschouwd.
Het uitgangspunt is dat het persoonsgebonden budget voor niet-professionele zorgverleners aantoonbaar tot betere en effectievere jeugdhulp moet leiden. Het belang van de jeugdige en/of zijn ouders staat hierbij centraal. Het gaat om argumenten zoals:
De jeugdhulp moet passend, adequaat en veilig zijn. Als iemand vanuit het sociale netwerk de jeugdhulp gaat bieden, moet diegene over de juiste competenties en expertise beschikken:
Het is aan de professional, die de aanvraag behandelt, om dit te beoordelen. De jeugdige en/of zijn ouders (budgethouder) zijn zelf verantwoordelijk voor het bewaken van de kwaliteit van de jeugdhulp, die zij in het eigen sociaal netwerk betrekken. Voor de jeugdhulp uit het sociale netwerk worden niet in de wet en ook niet door de gemeente specifieke kwaliteitseisen gesteld.
Hoofdstuk 4. Procedure individuele voorziening jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
De Jeugdwet regelt dat de jeugdhulp, naast de toegang via de gemeente, ook toegankelijk is via rechtstreekse verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp precies nodig is. De jeugdhulpaanbieder stelt zelf, op basis van zijn professionele autonomie, na de verwijzing vast welke voorziening precies nodig is en de duur ervan. Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder te blijven binnen de grenzen van de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract relatie.
Hoofdstuk 5. Procedure individuele voorziening jeugdhulp via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting
Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. Deze toegang wordt in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder niet terug in de verordening en beleidsregels. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig vinden om een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering uit te voeren. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter doen omdat de Raad voor de Kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De Raad voor de Kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De Raad voor de Kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Afspraken hierover zijn neergelegd in het samenwerkingsprotocol met de Raad voor de Kinderbescherming.
Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang jeugdhulp. Deze toegang is via de Jeugdwet wettelijk in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verankerd en komt om deze reden verder niet terug in deze beleidsregels. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt wanneer nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.
Het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK) is de wettelijk term, die binnen de Jeugdwet en de Wmo 2015 wordt gehanteerd. In 2014 is landelijk besloten als naam van het AMHK “Veilig Thuis” te gebruiken.
Hoofdstuk 6 Vertrouwenspersoon
De functie van vertrouwenspersoon is vastgelegd in de Jeugdwet. Het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) is een onafhankelijke landelijke organisatie. Jongeren, kinderen, ouders en verzorgers kunnen hierop een beroep doen als zij vinden dat hun behandeling of bejegening beter kan en als zij een vraag hebben over hun rechtspositie in de jeugdhulp. Ook professionals kunnen voor informatie en advies een beroep op het AKJ doen. De kerntaken van het AKJ zijn. het beantwoorden van vragen, informeren van cliënten en professionals, het bevorderen van de communicatie tussen cliënt en hulpverlener, het ondersteunen bij klachten- en/of bezwaarprocedures, het signaleren van verbeterpunten alsmede het adviseren van jeugdhulpinstanties. De medewerkers houden zich aan de meldcode Kindermishandeling en Huiselijk geweld.
Bijlage 1: Afwegingskader voor gebruikelijke zorgtaken en individuele vervoersvoorzieningen
Onderstaande richtlijnen laten zien wat kinderen met een normale ontwikkeling nodig hebben van hun ouders in de verschillende leeftijdsfasen van het kind. Met gebruikelijke zorg wordt verstaan dat van ouders verwacht wordt dat zij de benodigde zorg in elke ontwikkelfase bieden. Gebruikelijke zorg valt niet onder de Jeugdwet.
Leeftijd 0-18 jaar: Een veilige woonomgeving = gebruikelijke zorg
Het door ouders bieden van een veilige thuis omgeving is gebruikelijke zorg.
Als een kind niet bij (een van) de ouder(s) kan wonen omdat de ouder(s) geen veilige woonomgeving kunnen bieden en/of vanwege opvoedingsonmacht van de ouder(s), is verblijf op grond van de Jeugdwet aan de orde.
Bijlage 2: Inzet onafhankelijk (medisch) deskundige besluitvorming jeugdhulp
Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en motivering te stellen eisen is het soms nodig om een onafhankelijk (medisch) onderzoek te doen bij een aanvraag voor jeugdhulp. Dit is in de Algemene wet bestuursrecht geregeld 1 , is vastgelegd in het Besluit jeugdwet2 en blijkt ook uit diverse recente uitspraken van rechters in het kader van de uitvoering van de Jeugdwet door gemeenten.
De Jeugdwet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten. Doel is het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving. De jeugdhulpplicht geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de gemeente eerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of de ouders is. Hierna moeten de opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problematiek in kaart worden gebracht. Vervolgens moet worden vastgesteld welke problemen en stoornissen er zijn en bepaalt de gemeente welke hulp nodig is. Ten slotte gaat de gemeente na of die hulp bijvoorbeeld door de ouders kan worden geboden. Indien nodig moet de gemeente zich bij de besluitvorming laten adviseren door een specifieke (jeugdhulp)deskundige. Het formuleren van de onderzoeksvragen aan de deskundige vindt in afstemming plaats met de betrokken gedragswetenschappen of GZ psycholoog van het CJG.
Ad. 1. Het vaststellen van de jeugdhulpvraag gebeurt door middel van een gesprek met medewerker van het CJG. Dit kan een medewerker van één van de ketenpartners zijn of een jeugdconsulent van de gemeente. Het eerste gesprek staat in teken van het vaststellen van de jeugdhulpvraag en wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan. In deze fase is het in de meeste gevallen niet nodig om een onafhankelijk deskundige in te zetten. Als dat wel het geval is, dan kan het product Cliëntgebonden consult en advies ( productcode 54c05) worden ingezet, waarmee aanvullende specifieke kennis en ervaring wordt ingezet om tot een goede duiding van problematiek te komen.
Ad. 2. Bij het vaststellen en in voldoende mate in kaart brengen van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen kan gebruik worden gemaakt van reeds bestaande indicaties en/of rapporten. De medewerkers van het CJG hebben vanuit hun achtergrond, opleiding en moederorganisaties ook bepaalde specifieke expertise die kunnen bijdragen aan het vaststellen van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. 3 De gedragswetenschapper of GZ psycholoog van het CJG kan beoordelen of de bestaande indicaties en/of rapporten actueel en volledig genoeg zijn om te gebruiken voor de toeleiding naar professionele, passende jeugdhulp. Dit lukt echter niet altijd. Soms is het nodig om verder onderzoek te doen in deze fase.
Er zijn enkele belangrijke criteria die legitimeren om verder onderzoek te doen in deze fase, namelijk:
Centrale onderzoeksvragen voor de deskundige in deze fase zijn bijvoorbeeld zijn:
Het is bij het stellen van de onderzoeksvragen aan de deskundige van belang om in de combinatie van vragen rekening te houden met de zowel kind- als omgevingsfactoren. Het is niet aan te bevelen om slechts één kindgerichte, of omgevingsgerichte vraag aan de deskundige te stellen.
Ad. 3. Bij het bepalen van de aard en omvang van de jeugdhulp baseert de gemeente zich op de informatie bij stap 1 en stap 2. Op basis van de jeugdhulpvraag en de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen wordt bepaald welke jeugdhulp het meest geschikt is voor het kind. In deze fase wordt ook onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend wordt er een voorziening van jeugdhulp verleend. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. Dit geldt bijvoorbeeld in het geval van schooluitval, langdurige hulp dat op het eerste gezicht (te) weinig bijdraagt aan de jeugdhulpvragen, steeds verslechterde situatie, veiligheidsvraagstukken, de wens voor een PGB, meerdere kinderen in een gezin met dezelfde jeugdhulpvragen, specialistische zorg.
Centrale onderzoeksvragen in deze fase zijn bijvoorbeeld:
Worden de kinderen ook gezien door de onafhankelijke deskundige?
Ja, het uitgangspunt is dat kinderen zoveel mogelijk worden betrokken bij het onderzoek. Vanuit de zorgvuldigheidseis is het van belang om ook de kinderen te spreken en/of tenminste te zien. Dit is tenzij het medisch niet mogelijk en/of verantwoord is. Kinderen vanaf 12 jaar hebben het recht om inbreng te geven en vanaf 16 jaar het recht om (mee) te beslissen. Kinderen worden ook betrokken bij de afsluiting van het onderzoek. Aan hen wordt uitgelegd wat de uitkomsten precies betekenen en wat dit betekent voor het vervolgtraject.
Wat als de ouder niet mee wil werken aan de inzet van een onafhankelijk deskundige?
Wanneer ouders niet meewerken, dan zal de gemeente op basis van de wel beschikbare (aangeleverde) gegevens én het eigen onderzoek een besluit moeten nemen. Zelfs als de jeugdige en zijn ouders niet wensen mee te werken, ontslaat dit de gemeente dus niet van haar plicht om zélf een eigen onderzoek te verrichten. Uiteraard zal dit onderzoek in de praktijk wel minder uitvoerig (kunnen) zijn dan een onderzoek waaraan de jeugdige en zijn ouders wél zouden meewerken. Uiteindelijk is het altijd in het belang van het kind om wel mee te werken omdat er dan een zorgvuldig besluit genomen kan worden. Ook na het onderzoek hebben de ouders het recht om de rapportage van de deskundige tegen te houden na inzage en voordat het naar de gemeente verstuurd wordt.
Hoeveel tijd neemt het onderzoek in beslag?
Totaal is een deskundige gemiddeld 10 uur per kind kwijt aan het onderzoek. Hieronder vallen 2 of 3 gesprekken (waaronder 1 of 2 onderzoeksgesprekken en een afstemmings- en adviesgesprek over de resultaten van het onderzoek). De rest van de uren wordt besteed aan verslaglegging en afstemming met betrokken instanties.
Waar vindt het onderzoek plaats?
Dit verschilt per gezin en hangt af van de onderzoeksvragen en de wensen van de ouder(s) en het kind.
Bijlage 3: Vragenlijst ‘Is het PGB iets voor u?”
Wie kiest voor het pgb, neemt een aantal taken en verantwoordelijkheden op zich die normaal bij de zorgaanbieder liggen. Niet iedereen is daar geschikt voor of wil die verantwoordelijkheid dragen. Aan de hand van onderstaande vragenlijst kunnen medewerkers van de gemeente en vaststellen of het pgb een inkoopvorm is die past bij de persoon die ondersteuning aanvraagt vanuit Jeugdwet. Het is goed vooraf te bedenken wat de motivatie is om te kiezen voor het pgb.
Beantwoord de volgende vragen:
Weet u wie u als zorgverlener wilt hebben?
Bent u een goede werkgever of opdrachtgever?
Kunt u de financiën te beheren en overige zaken te regelen?
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-197254.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.