Artikel I
De Algemene Plaatselijke Verordening 2015 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd vastgesteld:
Artikel 1:1 Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
- a.
Awb: Algemene wet bestuursrecht;
- b.
bebouwde kom: de bebouwde kom weergegeven op de kaart in bijlage 8 van het integrale aanwijzingsbesluit APV behorende bij deze verordening;
- c.
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
- d.
bestuursorgaan: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht;
- e.
betoging: een aantal personen die openlijk en in groepsverband optreden, al dan niet in beweging, en erop uit zijn een mening uit te dragen;
- f.
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
- g.
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
- h.
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
- i.
college: het college van burgemeester en wethouders;
- j.
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
- k.
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
- l.
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
- m.
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
- n.
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
- o.
parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
- p.
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
- q.
samenscholing: het groepsgewijs bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen, kwade bedoelingen hebben of bedreigend overkomen.
- r.
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;
- s.
weg:
- 1.
de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
- 2.
de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;
- 3.
de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;
- 4.
andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.
- t.
woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd;
B
Artikel 2:25 wordt als volgt gewijzigd vastgesteld:
Artikel 2:25 Evenement
- 1.
Het is verboden zonder vergunning of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
- 2.
- a.
De organisator c.q. vergunning aanvrager van door de burgemeester aan te wijzen categorieën vergunningplichtige vechtsportwedstrijden of -gala’s, is niet van slecht levensgedrag.
- b.
De burgemeester weigert de vergunning als de organisator c.q. vergunning aanvrager van een evenement als bedoeld in het tweede lid, onder a, van slecht levensgedrag is, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en het genoemde in het derde lid.
- 3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien:
- a.
de inhoud of uitstraling van het evenement niet past binnen de kwaliteit, zoals het gebruik en uiterlijk aanzien, van de (woon)omgeving;
- b.
tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke sanctie is genomen.
- 4.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op eendaagse evenementen, indien een evenement voldoet aan alle onderstaande voorwaarden:
- a.
het een kleinschalig evenement in de openlucht betreft met uitzondering van de door het college aangewezen wegen, straten en pleinen;
- b.
het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 50 personen;
- c.
in de bebouwde kom het evenement tussen 09.00 en 23.30 plaatsvindt;
- d.
in het buitengebied het evenement tussen 09.00 uur en zonsondergang plaatsvindt;
- e.
in de bebouwde kom niet langer dan tot 23.30 uur (live-)muziek ten gehore wordt gebracht;
- f.
in het buitengebied niet langer dan tot zonsondergang (live-)muziek ten gehore wordt gebracht;
- g.
op zondagen het produceren van geluid dat op een afstand van meer dan 200 meter vanaf de bron hoorbaar is alleen vanaf 13.00 uur plaatsvindt;
- h.
de hulpdiensten te allen tijde doorgang wordt verleend, ook in het geval dat het evenement plaats vindt op de openbare weg;
- i.
slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object. Voor springkussens geldt een oppervlakte van 20 m2;
- j.
- k.
de organisator tenminste 7 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan een melding heeft gedaan aan de burgemeester;
- l.
de wegafzetting, indien van toepassing, te allen tijde duidelijk zichtbaar is.
- 5.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
- 6.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
- 7.
Het college stelt een maximum aan het aantal evenementen dat in een bepaalde periode op een bepaalde locatie mag plaatsvinden en kan locaties aanwijzen waar bepaalde evenementen niet mogen plaatsvinden. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden afwijken van deze normen.
- 8.
De burgemeester kan besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het vierde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
C
Artikel 2:30A wordt als volgt toegevoegd:
Artikel 2:30A Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf
- 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.
- 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
- 3.
De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.
- 4.
Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
- 5.
Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.
- 6.
De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
D
Artikel 2:34 wordt als volgt gewijzigd vastgesteld:
Artikel 2:34 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
- 1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
- a.
Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
- b.
Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;
- c.
Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
- 2.
De burgemeester kan een gebied of gebouw aanwijzen waarin het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester bepaalde categorieën bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen die naar zijn oordeel de openbare orde of veiligheid verstoren, ondermijning veroorzaken of de spanning waaraan de leefbaarheid ter plaatse reeds bloot staat op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloeden.
- 3.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebied of gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten.
- 4.
De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
- a.
In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
- b.
Indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
- c.
Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;
- d.
Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
- e.
Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het geldend planologisch regime;
- f.
Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
- 5.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 APV kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:
- a.
Door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of;
- b.
Door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of;
- c.
De voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of;
- d.
De exploitant of beheerder onder curatele staat of in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of;
- e.
De exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of;
- f.
Er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of;
- g.
Er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of;
- h.
De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of;
- i.
Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.
- 6.
De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd.
- 7.
Het is eenieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.
- 8.
De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
- 9.
Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
- 10.
Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.
- 11.
In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
- 12.
De burgemeester kan op grond van de belangen genoemd in het tweede lid gebouwen aanwijzen waar het verbod van het derde lid van toepassing is als in de afgelopen vijf jaar vergunningen op basis van dat artikel aan een betrokkene bij de exploitatie van die gebouwen zijn geweigerd of buiten behandeling zijn gesteld.
E
Artikel 2:48B komt als volgt te vervallen:
Artikel 2:48B Lachgasverbod
(Vervallen)
F
Artikel 2:50B komt als volgt te vervallen:
Artikel 2:50B Verblijfsontzegging
(vervallen)
G
Artikel 2:51A wordt als volgt gewijzigd vastgesteld:
Artikel 2:51A Gebruik van (verkeers)objecten
Het is verboden om objecten in de openbare ruimte of het openbaar water voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor deze zijn bestemd.
H
Artikel 2:71 wordt als volgt gewijzigd vastgesteld:
Artikel 2:71 Begripsbepaling
- 1.
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
- 2.
In deze afdeling wordt verstaan onder exploitant:
natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico het vuurwerkverkooppunt wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden
- 3.
In deze afdeling wordt verstaan onder beheerder:
natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in het vuurwerkverkooppunt
- 4.
In deze afdeling wordt verstaan onder carbidschieten:
het in een (melk)bus / container / opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen
I
Artikel 3:7 wordt als volgt gewijzigd vastgesteld:
Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting
- 1.
Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:
- a.
tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingstijden vaststellen;
- b.
van een afzonderlijk besloten prostitutiebedrijf of een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.
- 2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld in het eerste lid tevens bekend op de wijze genoemd in artikel 3:42 van de Awb.
J
Artikel 4:2 wordt als volgt gewijzigd vastgesteld:
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
- 1.
De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
- 2.
De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
- 3.
In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer aan te wijzen gebieden van de gemeente.
- 4.
Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
- 5.
Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
- 6.
Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting tijdens de collectieve festiviteit, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.
- 7.
Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de inrichting tijdens de collectieve activiteit, bedraagt niet meer dan 80 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.
- 8.
De geluidswaarde als bedoeld in het zesde en zevende lid is inclusief onversterkte muziek en stemgeluid en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege de correctie voor duidelijk herkenbaar muziekgeluid. Metingen worden uitgevoerd volgens de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai; daarbij wordt het volgende buiten beschouwing gelaten:
- a.
een bedrijfsduurcorrectie voor muziekgeluid (Cb);
- b.
- c.
de gebruikelijke meteoraamcondities.
- 9.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening te worden beëindigd op de hierna genoemde tijdstippen:
- •
Zondag tot met donderdag tot uiterlijk 23.30 uur
- •
Vrijdag en zaterdag tot uiterlijk 00.30 uur
- •
Feestdagen waarbij de volgende dag gewone werkdag is tot uiterlijk 23.30 uur
- •
Zondag en/of feestdagen waarbij de volgende dag geen werkdag is tot uiterlijk 00.30 uur.
K
Artikel 4:6 wordt als volgt gewijzigd vastgesteld:
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
- 1.
Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
- 2.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
- 3.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.
- 4.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.1.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
L
Artikel 5.31A wordt als volgt toegevoegd:
Artikel 5.31A Vaartuigwrakken
- 1.
Het is verboden een vaartuig dat technisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert in het openbaar water of daar vlak naast te plaatsen.
- 2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.