Gemeenteblad van Barendrecht
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Barendrecht | Gemeenteblad 2025, 189636 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Barendrecht | Gemeenteblad 2025, 189636 | beleidsregel |
Beleidsregels leerlingenvervoer Barendrecht 2025
Het college van de gemeente Barendrecht overwegende,dat het college heeft besloten tot enkele beleidswijzigingen gericht op samenredzaamheid en op het optimaal benutten van schaarse vervoerscapaciteit vanwege aanhoudende chauffeurstekorten, dat de raad op 15 april 2025 besluit over een voorstel tot wijziging van de Verordening leerlingenvervoer met dezelfde doelen, waarbij bepaalde artikelen een nadere uitwerking in beleidsregels verlangen,
vast te stellen de hierna volgende Beleidsregels leerlingenvervoer Barendrecht 2025,
dit onder voorbehoud van instemming van de raad met wijziging van de Verordening leerlingenvervoer Barendrecht 2025.
De gemeenteraad is wettelijke verplicht om een regeling vast te stellen voor het leerlingenvervoer. Deze regeling is vastgelegd in de Verordening leerlingenvervoer Barendrecht 2025.
In de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra (artikelen 4) is bepaald dat het vervoer passend moet zijn voor de leerling. Ook is bepaald dat rekening wordt gehouden met de redelijkerwijs te vergen inzet van ouders.
De Verordening leerlingenvervoer sluit hierbij aan. Uitgegaan wordt van de mogelijkheden van ouder en leerling. Dit houdt onder andere in dat wanneer een leerling in staat is om met de fiets of het openbaar vervoer naar school te reizen, een voorziening voor aangepast vervoer niet aan de orde is.
Om een bruikbaar toetsingskader te creëren voor aanvragen voor leerlingenvervoer stelt het college de volgende Beleidsregels vast:
Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure
Artikel 2. Indienen aanvraagformulier (uitwerking artikel 3 van de Verordening)
De aanvraag voor het volgende schooljaar dient uiterlijk 8 weken voor de start van de zomervakantie te worden ingediend. Hierbij wordt aangesloten bij de schoolgids. Dit geeft het college de tijd om voor het begin van het nieuwe schooljaar op de aanvraag te beslissen. Daarnaast geeft dit de vervoerder de gelegenheid om alle ritten in te plannen en voor te bereiden. Wanneer een aanvraag later wordt ingediend kan niet worden gegarandeerd dat tijdens de eerste twee weken van het nieuwe schooljaar gebruik kan worden gemaakt van het aangepast vervoer. Aanvragen die tijdens het schooljaar binnenkomen, worden binnen 8 weken behandeld.
Met ouders/verzorgers van kinderen die nieuw in het leerlingenvervoer komen, wordt voor de beoordeling van de aanvraag een gesprek gevoerd. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden. Tijdens dit gesprek wordt uitgelegd wat leerlingenvervoer is. Ook wordt gekeken naar de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en het gezin en de vervoersmogelijkheden van de leerling (bijvoorbeeld of de leerling met het openbaar vervoer kan reizen, eventueel met hulp). Ook ouders/verzorgers van kinderen die in het schooljaar negen jaar worden of veranderen van school, worden uitgenodigd voor een gesprek. Met hen worden onder andere de mogelijkheden van zelfstandig fietsen en het openbaar vervoer besproken.
Wanneer de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, kan het college indien gewenst in overleg met de ouders van de leerling een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen. Hierin worden de mogelijkheden van de leerling beschreven en de weg naar zelfstandig reizen naar school. Bij het opstellen van het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan is er aandacht voor:
Artikel 4. Nieuwe aanmeldingen en wijzigingen
Wanneer een wijziging plaatsvindt en er geen of juist extra gebruik wordt gemaakt van aangepast vervoer, moet dit ruim van tevoren worden doorgegeven. Het college verstrekt de informatie uiterlijk om 17:00 uur op de dag voorafgaand aan de dag waarop de wijziging betrekking heeft aan de vervoerder. Wanneer ouders deze wijzigingen niet op tijd doorgeven, zijn zij zelf verantwoordelijk voor het vervoer van de leerling.
Artikel 5. Meerjarenbeschikking
Soms is het mogelijk om voor een langere periode dan één schooljaar een vervoersvoorziening toe te kennen. Dit leidt tot betere dienstverlening. Indien een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan is vastgesteld, wordt deze bij de beoordeling betrokken. Een meerjarenbeschikking kan in de volgende gevallen worden gegeven:
Voor leerlingen waarvan de verwachting is dat zij vanwege hun lichamelijke of geestelijke situatie altijd zijn aangewezen op aangepast vervoer en dus aan de criteria blijven voldoen. De beschikking kan worden afgegeven tot het einde van de basisschool of tot het einde van de toelaatbaarheidsverklaring (TLV).
Voor leerlingen die aangepast vervoer ontvangen, omdat zij met het gebruik van het openbaar vervoer naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg zijn en de reistijd met aangepast vervoer tot 50 procent of minder kan worden teruggebracht en waarvan wordt verwacht dat dit niet zal wijzigen. De beschikking kan worden afgegeven voor een periode van ten hoogste drie jaar of tot het einde van de toelaatbaarheidsverklaring (TLV).
Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria
Artikel 6. Structurele beperking
Wanneer in de Verordening wordt gesproken over een beperking of handicap, wordt daarmee een structurele beperking of handicap bedoeld. Wanneer een leerling vanwege herstel of revalidatie langer dan drie maanden afhankelijk is van een rolstoel en/of krukken, kan een beroep worden gedaan op het leerlingenvervoer op grond van de hardheidsclausule. Het college kan dan een vervoersvoorziening verstrekken voor de duur van het herstel.
Wanneer door ouders wordt aangegeven dat een leerling gebruik moet maken van aangepast vervoer op grond van een handicap, moeten ouders ter onderbouwing een medische verklaring meesturen. Wanneer deze verklaring onvoldoende houvast biedt voor de beoordeling van de aanvraag, kan het college medisch advies vragen. De leerling kan in dit geval worden opgeroepen voor een medisch onderzoek.
Onderzocht wordt in principe (I) of de leerling zelfstandig of onder begeleiding gebruik kan maken van het openbaar vervoer, (II) of een leerling zelfstandig of onder begeleiding van een volwassene kan fietsen en (III) of de leerling voldoende leerbaar is om zelfstandig met of zonder begeleiding te reizen.
Ouders die gescheiden van elkaar wonen kunnen afspreken om hun kind of kinderen gezamenlijk te blijven verzorgen en opvoeden. Er is sprake van co-ouderschap wanneer beide ouders afwisselend en regelmatig de zorg voor hun kind of kinderen hebben. Wanneer sprake is van co-ouderschap kan er recht bestaan op bekostiging van het leerlingenvervoer voor de dagen dat de leerling bij de betreffende ouder verblijft. Ouders moeten afzonderlijk een aanvraag indienen voor de dagen dat het kind tijdens weekdagen bij hen verblijft.
Artikel 9. Verantwoordelijkheid ouders bij begeleiding kinderen
Ouders en/of verzorgers zijn verantwoordelijk voor het schoolbezoek en de begeleiding van hun kind of kinderen. Van ouders wordt verwacht dat zij – in redelijkheid – aanpassingen in hun leven maken, zodat zij de leerling naar school kunnen begeleiden of vervoeren. Te denken valt bijvoorbeeld aan aanpassing van de werktijden of de aanschaf van een vervoersmiddel.
De volgende belemmeringen kunnen maken dat begeleiding door ouders niet mogelijk is of tot ernstig nadeel voor het gezin leidt:
De ouder van een één-oudergezin kan aantonen dat hij of zij het werk of de inburgering niet langer kan uitoefenen wanneer hij of zij zorg moet dragen voor de begeleiding van en naar school van de leerling. Hiervoor moet een werkgeversverklaring worden overgelegd met een weekrooster en werktijden. Het volgen van een voltijdsopleiding wordt gelijkgesteld met werk of de inburgering. Hiervoor moeten het inschrijfbewijs en het lesrooster worden overgelegd.
De ouder van een één-oudergezin moet meerdere kinderen uit hetzelfde gezin, jonger dan 9 jaar, tegelijkertijd naar een andere school brengen. Het kind dat moet reizen naar het speciaal (basis)onderwijs kan in dit geval in aanmerking komen voor aangepast vervoer. Aannemelijk moet worden gemaakt dat een andere oplossing (zoals het inschakelen van buren of familie of voor- en naschoolse opvang) niet mogelijk is.
Het begeleiden van een kind van en naar school duurt langer dan drie uur per dag. Dit komt neer op minimaal drie kwartier per enkele reisafstand. Is de totale reistijd langer dan drie uur en is er geen aantoonbare andere mogelijkheid om vervoer te combineren met andere leerlingen, dan kan de leerling in aanmerking komen voor aangepast vervoer.
Hoofdstuk 5. Vervoersvergoeding
Artikel 14. Vergoeding kosten eigen vervoer
De kilometervergoeding voor het gebruik van de eigen auto wordt in beginsel per schooldag viermaal toegekend (tweemaal per dag heen en terug rijden). Voor zover de leerling wordt gebracht en/of gehaald onderweg naar werk of opleiding wordt de kilometervergoeding slechts tweemaal of driemaal toegekend.
Artikel 15. Stimuleren carpoolen
Als een ouder, die een vergoeding voor het gebruik van het eigen vervoer ontvangt, één of meerdere andere Barendrechtse leerlingen vervoert, krijgt deze een hogere kilometervergoeding. De ouder krijgt per extra kind een kilometervergoeding van 50% van de belastingvrije vergoeding voor woon-werkverkeer. De leerlingen die worden vervoerd komen in aanmerking voor een vergoeding voor aangepast vervoer en/of eigen vervoer.
Artikel 16. Gewenningsjaar aangepast vervoer
Leerlingen die voor het eerst naar het voortgezet speciaal onderwijs gaan, kunnen nog een half jaar gebruikmaken van het aangepast vervoer. Hierdoor kunnen ze wennen aan de nieuwe situatie. Indien noodzakelijk kan een training worden ingezet door MEE op weg.
Als de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling, omdat er een wachtlijst bestaat, vindt bekostiging van het leerlingenvervoer plaats naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde toegankelijke school. De aanspraak op een vervoersvoorziening naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan:
Als de aanvraag voor leerlingenvervoer naar een verder weggelegen school wordt toegekend, wordt in de beschikking opgenomen dat het leerlingenvervoer naar deze school wordt bekostigd tot het moment dat de wachtlijst is opgelost, tenzij sprake is van de situatie als genoemd in het eerste lid onder b.
Artikel 18. Taalklas en Internationaal voortgezet onderwijs (ISK)
Een taalklas biedt basisonderwijs aan nieuwkomers. De nadruk ligt hierbij op het leren van de Nederlandse taal en cultuur. Een aanvraag voor leerlingenvervoer naar een taalklas wordt op dezelfde wijze behandeld als andere aanvragen voor leerlingenvervoer naar basisonderwijs, met inachtneming van de bijzonderheden in deze beleidsregel.
Een Internationale Schakelklas (ISK) biedt voortgezet onderwijs aan nieuwkomers. De nadruk ligt hierbij op het leren van de Nederlandse taal en cultuur. Leerlingenvervoer voortgezet onderwijs wordt in principe alleen toegekend wanneer sprake is van een gehandicapte leerling. Voor leerlingen van een ISK bestaat doorgaans geen recht op leerlingenvervoer.
De vervoersvoorziening wordt toegekend voor één jaar. De voorziening eindigt wanneer de leerling zelfstandig naar school kan fietsen of lopen. Wanneer de leerling taalonderwijs volgt, streven alle betrokken partijen (Stichting Vluchtelingenwerk, MEE op weg en de scholen) ernaar dat de leerling zo snel mogelijk zelfstandig kan reizen. Evaluatie vindt plaats na een half jaar. Het college neemt hiertoe het initiatief door tijdig contact op te nemen met de school.
Artikel 19. Hoogbegaafd onderwijs
Er bestaat geen recht op leerlingenvervoer naar een school waar onderwijs wordt geboden aan hoogbegaafde leerlingen wanneer deze school niet tevens de dichtstbijzijnde toegankelijke school is. Scholen ontvangen extra middelen van het Rijk om passend onderwijs te kunnen bieden aan hoogbegaafde leerlingen. Hoogbegaafde leerlingen kunnen met de juiste begeleiding en het juiste lesmateriaal passend onderwijs volgen. Er is daarom geen reden om leerlingenvervoer te vergoeden naar een school voor hoogbegaafde leerlingen die op grotere afstand ligt. Hoogbegaafdheid biedt geen toegang tot het speciaal onderwijs.
Artikel 21. Wisselende schooltijden en afwijken van het schoolrooster
Leerlingenvervoer is alleen bedoeld voor het vervoer van en naar school volgende de tijden in de schoolgids. Ouders zijn verantwoordelijk voor het vervoer bij wisselende of afwijkende schooltijden, niet het college. Bij lesuitval aan het begin of eind van de schooldag worden geen extra taxiritten ingezet.
Als een leerling door een crisissituatie tijdelijk in Barendrecht woont, kan het college tijdelijk vervoer regelen naar de oorspronkelijke school voor maximaal zes weken. In deze periode probeert het college met de oorspronkelijke gemeente een financiële bijdrage af te spreken voor de leerling van hun gemeente. Er moet sprake zijn van een onverwachte uithuisplaatsing en het onderwijs op de oorspronkelijke school moet gewenst en haalbaar zijn.
Artikel 26. Begeleiding leerling van/naar opstapplaats
Voor zover door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen van en naar de opstapplaats onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is, kan het college bepalen dat de leerling thuis wordt opgehaald en/of teruggebracht.
Artikel 28. Vervoer naar een opvangadres
Het college is niet verantwoordelijk voor het vervoer naar naschoolse activiteiten, een incidenteel oppasadres, medische of paramedische behandeling, een behandellocatie, medisch kinderdagverblijf, schoolreisjes of sportdagen, naar schoolgebouwen onderling, tussen school en zwembad of gymnastieklokaal etc.
Artikel 29. Dagcentrum: twee woningen
Het uitgangspunt van de Verordening is, dat slechts het vervoer van de woning naar de onderwijsinstelling en andersom wordt bekostigd. In het geval een leerling vanuit een ouderlijke woning een school bezoekt en vanuit die school, omwille van een medische of sociale indicatie, naar een dagcentrum reist, is het college niet verplicht het vervoer van school naar het dagcentrum te bekostigen.
Als het dagcentrum als structureel feitelijk (eventueel tweede) verblijf kan worden aangemerkt, kan het college ervan uitgaan dat het kind twee woningen in de zin van de Verordening heeft, te weten: de ouderlijke woning en het dagcentrum. In een dergelijke situatie kan het college toch besluiten het vervoer te bekostigen, wanneer het dagcentrum zich binnen de gemeente bevindt. Het college bekostigt dan het vervoer van huis naar school en van school naar het dagcentrum. Het dagcentrum wordt dan aangemerkt als tweede woning. Het vervoer van het dagcentrum naar huis valt dan niet onder het leerlingenvervoer.
Artikel 30. Medische behandeling en zorg in combinatie met onderwijs: Orthopedagogisch didactisch centrum (OPDC) en onderwijs/zorg locaties
Als een kind onderwijs krijgt dichtbij een zorglocatie, kunnen ouders een (gedeeltelijke) tegemoetkoming aanvragen. Dit geldt voor onderwijs op een school volgens de onderwijswetgeving. Het college zorgt voor vervoer dat aansluit op de schooltijden, zoals vermeld in de schoolgids. Dit is ook van toepassing als kinderen zorg of behandeling krijgen voor, tijdens of na schooltijd.
Als op een locatie zowel onderwijs als zorg wordt verstrekt, kan recht op leerlingenvervoer bestaan als het onderwijsdeel meer dan 50% van de tijd in beslag neemt. Ouders moeten dit aantonen met een ontwikkelingsperspectief (OPP) en de beschikking voor het zorgdeel. Aan de overige voorwaarden van de Verordening dient ook te worden voldaan.
Artikel 31. Wangedrag binnen het vervoer
Als een leerling zich misdraagt in het aangepast vervoer, maken we gebruik van een “stoplichtmodel” met maatregelen die steeds strenger worden:
Blijft het probleem bestaan? Dan krijgen ouders een laatste schriftelijke waarschuwing. Als het gedrag van de leerling niet verbetert en het gedrag verwijtbaar is, kan het college besluit het aangepast vervoer te beëindigen. Dit geldt ook wanneer er een medische oorzaak is voor het gedrag en dit met begeleiding onder controle te houden is. In alle gevallen zijn ouders verantwoordelijk voor de begeleiding van de leerling.
Artikel 32. Individueel vervoer
In beginsel bestaat er geen recht op individueel vervoer. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt een leerling individueel vervoerd. Er moeten dan medische of psychosociale redenen zijn dat de leerling niet samen met andere leerlingen kan worden vervoerd.
Artikel 33. Individuele reistijd
De reistijd per leerling is maximaal 90 minuten voor een enkele reis, tenzij het door de afstand niet mogelijk is om binnen 90 minuten te blijven. Wegens medische of psychosociale redenen kan hiervan worden afgeweken. Dit dient door ouders te worden aangetoond.
Artikel 34. Medische begeleiding
Als een leerling medische begeleiding nodig heeft, zijn ouders hiervoor verantwoordelijk. Vaak kan hiervoor een vergoeding worden gekregen vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Het college stelt een zitplaats beschikbaar in het voertuig.
Voor de stageplaats geldt hetzelfde afstandscriterium als voor de school. Er vindt geen vergoeding plaats als de stageplaats binnen een afstandsgrens van 6 kilometer staat, tenzij de leerling een handicap heeft. Om de zelfredzaamheid van de leerling te vergroten, wordt een zo zelfstandig mogelijke manier van reizen nagestreefd. Gekeken wordt naar de mogelijkheden om met de (brom-)fiets of het openbaar vervoer te reizen.
Artikel 37. Voogdijinstellingen
Voogdijinstellingen worden ook als ouder aangemerkt. Zij kunnen een aanvraag indienen als zij daadwerkelijke voor het kind zorgen. Voor voogdijinstellingen kan geen drempelbedrag worden vastgesteld. Voogdijinstellingen hebben geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting.
Hoofdstuk 11. HARDHEIDSCLAUSULE
De hardheidsclausule wordt niet toegepast voor ander vervoer dan het vervoer naar een school. Er bestaat geen recht op een vervoersvoorziening naar medische instellingen of behandellocaties. Voor dit soort vervoer kan eventueel een aanvraag worden ingediend op grond van de Jeugdwet (Jw), de Wet langdure zorg (Wlz) of de Zorgverzekeringswet (Zvw).
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht op 1 april 2025,
de secretaris,
L. van Zanten MSc
de burgemeester,
drs. R.E. Schneider
Artikelsgewijze toelichting op de Beleidsregels
Op enkele artikelen is toelichting nodig voor nadere duiding van het artikel. Hieronder wordt deze toelichting gegeven.
Ouders zijn verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun kind en de benodigde begeleiding. Het college verwacht van ouders dat zij, waar mogelijk, hun leven aanpassen zodat zij hun kind naar school kunnen brengen.
In elk geval wordt verwacht dat iedere ouder het kind minstens één dag per week of twee afzonderlijke ritten naar school brengt en haalt.
Om ouders te ondersteunen bij de begeleiding van hun kind, adviseren wij de volgende mogelijkheden:
De verantwoordelijkheid voor de begeleiding van het kind blijft bij de ouders. Zij kunnen hulp krijgen van organisaties zoals MEE, Stichting Vrijwilligerswerk of Centrum Jeugd en Gezin binnen de wijkteams om deze begeleiding te organiseren.
Het zelfstandig reizen kan worden gestimuleerd door gebruik te maken van MEE op weg. MEE op weg helpt met een maatje, de leerling ervaring op te doen in het openbaar vervoer. Begeleiding bij het reizen is in de toekomst dan vaak niet meer nodig.
Bij de beoordeling van de aanvragen voor bekostiging van vervoer binnen het leerlingenvervoer geldt een getrapte vervoerskostenvergoeding volgens de verordening. De vergoeding moet aansluiten bij de mogelijkheden van de leerling. De vervoerskostenvergoeding moet passend zijn. Dit betekent dat als een leerling zelf naar school kan fietsen, een vergoeding voor aangepast vervoer niet passend is. In dat geval is een fietsvergoeding geschikter. Dit geldt aook voor leerlingen die met een begeleider met het openbaar reizen. Pas als deze mogelijkheden niet passend zijn, is een vergoeding voor het aangepaste vervoer, meestal in taxibusjes, het best passend. Ouders moeten zelf zorgen voor eventuele begeleiding.
Wat passend vervoer precies inhoudt, beschrijft de wetgeving en de Verordening bekostiging leerlingenvervoer Barendrecht 2025 niet. Daarom moet per individu worden beoordeeld welke vervoersvoorziening het beste bij de leerling past. De vervoersvoorziening waarop een leerling recht op heeft, wordt bepaald door de mogelijkheden van de leerling en de infrastructuur tussen woning en school en vice versa. Dit omvat bijvoorbeeld de beschikbaarheid van openbaar vervoer, fietspaden en openbare wegen. Daarnaast wordt gekeken naar welke vervoerswijze het beste aansluit bij de eigen kracht van de leerling, en kan er advies worden gevraagd aan onafhankelijke (medisch) deskundigen. In zijn algemeenheid uitspraken doen over de capaciteit van een leerling is niet mogelijk. Dit is afhankelijk van veel factoren, zoals de ontwikkelingsleeftijd, medische gesteldheid, de mogelijkheden van het gezin, de reisroute, etc. Daarom is het toepassen van maatwerk belangrijk.
Voor zowel de taalklas als het internationaal voortgezet onderwijs geldt het afstandscriterium . Ouders van leerlingen die met het openbaar vervoer (OV) reizen, kunnen indien noodzakelijk een aanvraag voor bijzondere bijstand indienen. Oekraïense vluchtelingen kunnen geen bijzondere bijstand aanvragen, maar ontvangen leefgeld. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) adviseert om Oekraïense vluchtelingen in het leerlingenvervoer hetzelfde te behandelen als andere vluchtelingen. In tegenstelling tot andere vluchtelingen mogen Oekraïners wel werken in Nederland en sommigen hebben hun baan in Oekraïne behouden. Daarom vindt het college het redelijk om dezelfde regels toe te passen voor Oekraïense vluchtelingen ondanks dat zij geen bijzondere bijstand kunnen aanvragen.
Het komt vaak voor dat leerlingen halverwege de schooldag de school moeten verlaten, bijvoorbeeld vanwege ziekte of een doktersbezoek. Ook vragen scholen soms om aangepast vervoer op afwijkende tijden, bijvoorbeeld voor schoolreisjes, sportdagen of de laatste schooldag voor een vakantie. Het college is niet verantwoordelijk voor het organiseren van vervoer buiten de schooltijden zoals vermeld in de schoolgids.
Soms worden kinderen om verschillende redenen uit huis geplaatst. Een crisisplaatsing is een plotselinge uithuisplaatsing in een pleeggezin of gezinsvervangend tehuis. Deze plaatsing is tijdelijk en het doel is om de leerling zo snel mogelijk (bij voorkeur binnen 6 weken) terug te plaatsen in het ouderlijk huis of in een andere definitieve huisvesting onder te brengen. Als het kind door de crisisplaatsing tijdelijk in een andere gemeente verblijft, neemt het college van de gemeente Barendrecht de kosten voor het leerlingenvervoer gedurende de eerste 6 weken voor zijn rekening.
Stage is een onderdeel van het onderwijsprogramma. Het college heeft de ruimte om afspraken met scholen te maken, evenals met het bedrijfsleven. Hoe het college met stageplaatsen omgaat is beschreven in artikel 12 van de Verordening en artikel 35 van de Beleidsregels.
Volgens de Wet op het Primair Onderwijs (WPO) moet het inkomen voor bekostiging van vervoerskosten worden vastgesteld op basis van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de bekostiging wordt aangevraagd. Als het inkomen van de ouders in de periode tussen het peiljaar en het jaar van de aanvraag structureel is gedaald, is het redelijk om in hun voordeel een later peiljaar te kiezen. Dit kan gedaan worden met de afwijkingsmogelijkheid van artikel 21 van de verordening.
De Verordening leerlingenvervoer bevat een hardheidsclausule, artikel 24. Deze clausule stelt het college in staat om van alle bepalingen in de Verordening af te wijken en alsnog bekostiging van vervoer toe te kennen. De hardheidsclausule is bedoeld voor uitzonderlijke situaties die niet in de Verordening en Beleidsregels zijn opgenomen en die mogelijk nadelige gevolgen voor een gezin of leerling kunnen hebben.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-189636.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.