Gemeenteblad van Veenendaal
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Veenendaal | Gemeenteblad 2025, 185010 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Veenendaal | Gemeenteblad 2025, 185010 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het COLLEGE van BURGEMEESTER EN WETHOUDERS van gemeente Veenendaal:
gelet op de artikelen 2.4, 2.8, 4.1 en 4.2 van de Omgevingswet;
besluit:
Voor te stellen het omgevingsplan gemeente Veenendaal te wijzigen zoals is weergegeven in Bijlage A.
Dit ontwerpbesluit voor de '3e wijziging Omgevingsplan, deel 1’ inclusief bijbehorende stukken ter inzage te leggen vanaf 28 april 2025 tot en met 10 juni 2025.
Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders, in de vergadering van dinsdag 22 april 2025.
A
Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Begripsbepalingen die, op de dag van de
inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn
opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het
Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit
bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit
leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de
Omgevingsregeling, zijn van toepassing op
Hoofdstuk 22 van
dit omgevingsplan.
Bijlage I Begripsbepalingen bij dit omgevingsplan bevat
begripsbepalingen voor de toepassing van
Hoofdstuk 22 van
dit omgevingsplan.
B
Afdeling 4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het Gemeentegebied van de gemeente Veenendaal bestaat uit meerdere gebiedstypen die nog nader worden uitgewerkt.
C
Artikel 4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een gemeentelijk monument, opgenomen in Bijlage III Gemeentelijk monument, op een locatie met de functie-aanduiding 'gemeentelijk monument' is aangewezen als gemeentelijk monument.
Er zijn Gemeentelijke monumenten, waar de regels gelden van Paragraaf 5.6.2en de regels uit Subparagraaf 22.2.7.2 en Subparagraaf 22.2.7.3.
Op een locatie met de functie-aanduiding 'gemeentelijk monument' gelden de regels van paragraaf 5.6.2 en de regels uit subparagraaf 22.2.7.2 en subparagraaf 22.2.7.3.
D
Artikel 4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een beeldbepalend pand, opgenomen in Bijlage IV Beeldbepalend pand, op een locatie met de functie-aanduiding 'beeldbepalend pand' is aangewezen als beeldbepalend pand.
Er zijn Beeldbepalende panden, waar de regels gelden van Paragraaf 5.6.3.
Op een locatie met de functie-aanduiding 'beeldbepalend pand' gelden de regels van paragraaf 5.6.3 en de regels uit subparagraaf 22.2.7.2 en subparagraaf 22.2.7.3
E
Het opschrift van artikel 4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
F
Het opschrift van artikel 4.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
G
Het opschrift van artikel 4.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Het opschrift van artikel 4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Het opschrift van artikel 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Artikel 5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Artikel 5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen over
de artikelen
regels over activiteiten in dit
hoofdstuk of vergunningvoorschriften verbinden aan een
omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk, met
uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
Met maatwerkvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders de artikelen in dit hoofstuk aanvullen, nader invullen of ervan afwijken.
Met maatwerkvoorschriften en vergunningsvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de regels of nadere invulling geven aan de regels voor activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij dit in strijd is met:
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een
voorschrift
vergunningvoorschrift aan een
omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden
verbonden.
L
Artikel 5.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op:
Voor zover in deze paragraaf wordt gesproken over milieubelastende activiteiten, wordt niet bedoeld:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement:
dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
waarover geluidregels zijn gesteld in Subparagraaf 5.4.2.2 of Subparagraaf 5.4.2.3;
waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening;
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
M
Artikel 5.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als
bedoeld in Artikel 5.20, worden de volgende gegevens verstrekt:
de gewenste datum van uitvoering;
de ligging van het aan te sluiten perceel:
voor zover het lozing van afvalwater van een locatie betreft waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, de aard en de hoeveelheid van de af te voeren vloeistoffen, waarbij wordt aangegeven of niet verontreinigd water, zoals regen- of koelwater, of verontreinigd water, zoals huishoudelijk of bedrijfsafvalwater, zal worden afgevoerd;
of het enkel lozing van huishoudelijk afvalwater betreft, of dat er daarnaast hemelwater zal worden afgevoerd; en
van het aan te sluiten of te wijzigen particulier riool ten minste de volgende gegevens:
N
Artikel 5.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.20 kan alleen worden verleend voor:
de afvoer van afvalwater inclusief hemelwater als ter plaatse een gemengd rioolstelsel aanwezig is, met dien verstande dat het afvalwater en hemelwater tot aan de ontstoppingsput gescheiden wordt aangeboden;
de afvoer van huishoudelijk afvalwater of bedrijfsafvalwater naar het vuilwaterriool als ter plaatse een gescheiden rioolstelsel aanwezig is;
de afvoer van hemelwater naar het hemelwaterriool als ter plaatse een gescheiden rioolstelsel aanwezig is; of
de afvoer van huishoudelijk afvalwater of bedrijfsafvalwater als ter plaatse een drukriool aanwezig is.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.20 wordt verleend als de aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische of milieuhygiënische redenen niet bezwaarlijk is.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.20 wordt niet verleend als:
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
de hoogteligging van het particulier riool ter plaatse van het aansluitpunt afwijkt van de bij voorschrift
als bedoeld in Artikel 5.24 bepaalde hoogte;
de bovenzijde van een lozingstoestel lager is gelegen dan 150 mm boven de kruin van de straat, tenzij maatregelen worden getroffen om terugvloeien van het water in een lozingstoestel te voorkomen;
door de aansluiting gemeenschappelijke lozing zou plaatsvinden van afvalwater, bronneringswater of hemelwater op een gescheiden rioolstelsel;
het openbaar riool ter plaatse van de aansluitleiding niet over voldoende capaciteit beschikt om de hoeveelheid te lozen vloeistoffen te kunnen afvoeren;
de aansluiting wordt gebruikt voor lozing van drainagewater;
de gevraagde aansluiting een afvoerleiding voor niet verontreinigd bronneringswater betreft, die zonder bezwaar op het oppervlaktewater kan worden aangesloten of via retourbemaling kan worden afgevoerd;
de aansluiting op een vrijverval riool niet onder vrijverval plaatsvindt;
verontreinigd hemelwater in geval van een gescheiden stelsel niet wordt afgevoerd via het vuilwaterriool;
het af te voeren debiet van verontreinigd hemelwater in geval van een gescheiden stelsel groter is dan 5 l/sec/ha;
de afvoer van hemelwater vanuit laadkuilen niet op het buizenstelsel bestemd voor afvoer van afvalwater wordt aangesloten of wanneer de afvoer groter is dan 5 l/sec/ha;
het afvalwater dat naar het drukriool wordt afgevoerd hemelwater bevat;
lozingsvoorzieningen zoals een septic-tank of beerput onderdeel uitmaken van een aansluitleiding; of
vanuit een nieuwe woning regenwater en afvalwater niet gescheiden worden gehouden tot aan de ontstoppingsput.
O
Artikel 5.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.20 kan worden ingetrokken of worden gewijzigd als:
de bepalingen van dit omgevingsplan of de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften niet zijn of worden nagekomen;
het gebruik van een aansluiting waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, wordt beëindigd;
het gebruik van de aansluiting niet overeenkomstig de bij de verkrijging van de omgevingsvergunning verstrekte gegevens is; of
er wijzigingen optreden in de aard en het type water (afvalwater,
hemelwater, bronneringswater) dat wordt
afgevoerd; of
.
de rechthebbende binnen een jaar na verlening van de omgevingsvergunning nog geen verzoek heeft ingediend de aansluiting of wijziging van de aansluiting te realiseren.
P
Subparagraaf 5.4.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het ten gehore brengen van onversterkte muziek .
Voor zover in deze paragraaf wordt gesproken over milieubelastende activiteiten, wordt niet bedoeld:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement:
dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
waarover geluidregels zijn gesteld in Paragraaf 5.5.10 of Subparagraaf 5.4.2.3;
waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening;
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek op een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, is in afwijking van Artikel 22.63, het geluid niet hoger dan de waarde in tabel 5.4.1 en geldt bij het toepassen van tabel 5.4.1 dat:
de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidsgevoelige terreinen op de grens van het terrein;
de waarden in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; en
de beoordeling plaatsvindt aan de hand van paragraaf 6.2.1
van de
Omgevingsregeling;
.
7.00 – 19.00 uur | 19.00 – 23.00 uur | 23.00 – 7.00 uur | |
LAr,LT 1op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen | 55 dB(A) | 50 dB(A) | 40 dB(A) |
LAr,LT in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen | 35 dB(A) | 30 dB(A) | 25 dB(A) |
| |||
Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek.
Q
Subparagraaf 5.4.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op geluidhinder en lichthinder bij collectieve festiviteiten.
Onder een collectieve festiviteit wordt bedoeld een festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal locaties waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, is verbonden.
Als een milieubelastende activiteit als bedoeld
in lid 2
Voor zover in deze paragraaf wordt gesproken over
milieubelastende activiteiten, wordt niet
bedoeld:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement:
dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
waarover geluidregels zijn gesteld in Subparagraaf 5.4.2.2 of Subparagraaf 5.4.2.3;
waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening;
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
Burgemeester en wethouders maken een aanwijzing van collectieve festiviteiten ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
De geluidsnormen, bedoeld in subparagraaf 22.3.4.2, en de regels over verlichting voor sportuitoefening, bedoeld in paragraaf 22.3.22, gelden niet tijdens de viering van de volgende collectieve festiviteiten:
Burgemeester en wethouders kunnen, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit onmiddelijk als collectieve festiviteit aanwijzen. Tijdens deze aangewezen collectieve festiviteit gelden de geluidsnormen, bedoeld in subparagraaf 22.3.4.2, en de regels over verlichting voor sportuitoefening, bedoeld in paragraaf 22.3.22, ook niet.
Tijdens een door burgemeester en wethouders aangewezen collectieve festiviteit, gelden de geluidsnormen, bedoeld in Subparagraaf 22.3.4.2, en de regels over verlichting voor sportuitoefening, bedoeld in Paragraaf 22.3.22, niet.
R
Artikel 5.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op geluidhinder bij incidentele festiviteiten.
Onder een incidentele festiviteit wordt bedoeld een festiviteit die verbonden is aan één of een klein aantal locaties waar een milieubelastende activiteit is toegestaan.
Voor zover in deze paragraaf wordt gesproken over milieubelastende activiteiten, wordt niet bedoeld:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement:
dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
waarover geluidregels zijn gesteld in Subparagraaf 5.4.2.2 of Subparagraaf 5.4.2.3;
waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening;
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
S
Artikel 5.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van Subparagraaf 22.3.4.2 is het is toegestaan om bij het houden van incidentele festiviteiten op een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, voor maximaal vier dagen of dagdelen per kalenderjaar een andere geluidsnorm toe te passen, als het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de festiviteit op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 20 dB(A) hoger zijn dan de reguliere geluidsnorm.
De geluidsnorm, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan en niet voor de buitenruimte.
Tijdens een incidentele festiviteit wordt het ten gehore brengen van muziek van zondag tot en met donderdag om uiterlijk 23.00 uur en op vrijdag en zaterdag om uiterlijk 24.00 uur beëindigd.
Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, met uitzondering van voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
In afwijking van Paragraaf 22.3.22 is het voor maximaal 4 dagen of dagdelen per kalenderjaar toegestaan om bij het houden van incidentele festiviteiten op een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan de verlichting langer aan te houden voor sportactiviteiten.
T
Artikel 5.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
het behoeden van de staat en werking van de
openbare weg
weg, de
openbare weg
en het openbaar water voor nadelige gevolgen van activiteiten
op of rond die weg of dat water;
het waarborgen en bevorderen van de toegankelijkheid van openbaar toegankelijk gebied;
het beperken van hinder;
het beschermen van het openbaar groen;
het verdelen van schaarse ruimte;
de parkeerregulatie in het centrum en de ring daarbuiten;
het waarborgen en bevorderen van de verkeersveiligheid;
de natuurbescherming;
het beschermen van het milieu; en
het beschermen van het uiterlijk aanzien van openbaar toegankelijk gebied.
U
Artikel 5.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze subparagraaf gaat over:
het verspreiden van reclame;
het plaatsen van mobiele billboards voor een
tijdelijke periode;
het beplakken van plakzuilen met handelsreclame
voor een tijdelijke
periode;
het plaatsen van aankondigingsborden voor een
tijdlelijke periode;
het plaatsen van driekhoeksborden/sandwichborden
voor een tijdelijke periode
spandoeken;
het plaatsen van spandoeken voor een tijdelijke
periode;
verwijsbordjes; en
het plaatsen van verwijsbordjes voor een tijdelijke periode; en
het plaatsen van tijdelijke reclame op of aan de openbare weg in beheer bij de gemeente.
V
Artikel 5.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Mobiele billboards zijn alleen toegestaan binnen
het gebied
de locatie
Mobiele billboards en worden alleen gebruikt voor:
De
Mobiele billboards
mobiele billboards worden
uiterlijk binnen twee weken na de verkiezingsdatum verwijderd.
W
Het opschrift van artikel 5.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
X
Artikel 5.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als
bedoeld in Artikel 5.41 worden de volgende gegevens
verstrekt:
het gewenste aantal aankondiginigsborden;
een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie, lengte, breedte en hoogte van het object of de objecten;
de voorgenomen tijdsduur van het plaatsen van het object of de objecten;
een omschrijving van de gewenste typen reclame of aankondigingen; en
een verkeersplan, als het fietspad, voetpad of de rijbaan geheel of gedeeltelijk wordt geblokkeerd.
Y
Artikel 5.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.41 wordt verleend als:
de aanvraag niet meer dan 5 aankondigingsborden betreft;
de afmetingen van de aankondigingsborden niet meer dan 1,22 meter bij 2,44 meter bedragen;
de termijn van plaatsing niet langer is dan 14 dagen;
de aankondigingsborden op een locatie worden
geplaatst binnen het
gebied
de locatie
Aankondigings- en spanborden
worden geplaatst en deze
locatie gedurende de aangevraagde
termijn ook beschikbaar is;
de aankondigingsborden geen belemmering vormen voor de doorstroming van het fiets-, voet- en gemotoriseerde verkeer; en
het gaat om een van de volgende type reclame of aankondigingen:
Z
Artikel 5.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als
bedoeld in Artikel 5.44 worden de volgende gegevens
verstrekt:
een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie, lengte, breedte en hoogte van het object of de objecten;
de voorgenomen tijdsduur van het plaatsen van het object of de objecten;
een omschrijving van de gewenste typen reclame of aankondigingen; en
een verkeersplan, als het fietspad, voetpad of de rijbaan geheel of gedeeltelijk wordt geblokkeerd.
AA
Artikel 5.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.44 wordt verleend als:
de spandoeken op een locatie worden geplaatst
binnen het
gebied
de locatie
Spandoeken
worden geplaatst en deze
locatie gedurende de aangevraagde
termijn ook beschikbaar is;
de termijn van de plaatsing niet langer is dan
28
14 dagen;
de aanvraag afkomstig is van een ideële instelling;
de spandoeken geen belemmering vormen voor de doorstroming van het fiets-, voet- en gemotoriseerde verkeer; en
er geen sprake is van commerciële aanduidingen of handelsreclame.
BB
Artikel 5.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als
bedoeld in Artikel 5.47 worden de volgende gegevens
verstrekt:
een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie, lengte, breedte en hoogte van het object of de objecten;
de voorgenomen tijdsduur van het plaatsen van het object of de objecten;
een omschrijving van de gewenste typen reclame of aankondigingen; en
een verkeersplan, als het fietspad, voetpad of de rijbaan geheel of gedeeltelijk wordt geblokkeerd.
CC
Artikel 5.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie te gebruiken zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden.
Het is verboden om drie aaneengesloten dagen een weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden, als de weg of een weggedeelte ligt binnen Veenendaal uitgezonderd ontsluitingswegen en hoofdfietsroute.
Het verbod, bedoeld in het
eerste lid, geldt
is niet
voor
van toepassing
als:
een evenement; en
de activiteit in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam wordt verricht;
een standplaats.
het gaat om een evenement als bedoeld in artikel 2:24 Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal;
het gaat om een vergunde standplaats als bedoeld in artikel 5.90; of
het gaat om een uitstalling als bedoeld in artikel 5.53.
Een melding bevat:
DD
Na artikel 5.55 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning objecten te plaatsen op:
een hoofdfietsroute van het fietsnetwerk
een wijkontsluitingsweg; of
Het is verboden zonder omgevingsvergunning objecten te plaatsen op een weg of een weggedeelte voor meer dan drie aaneengesloten dagen, als de weg of een weg gedeelte ligt binnen Veenendaal uitgezonderd ontsluitingswegen en hoofdfietsroute.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of een weg gedeelte te gebruiken als bouwveiligheidszone en/of hijszone, als de weg of een weg gedeelte een onderdeel is van:
een hoofdfietsroute van het fietsnetwerk
een wijkontsluitingsweg; of
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of een weggedeelte te gebruiken als bouwveiligheidszone en/of hijszone voor meer dan drie aaneengesloten dagen, als de weg of een weg gedeelte ligt binnen Veenendaal uitgezonderd ontsluitingswegen en hoofdfietsroute.
Het verbod in het eerste lid tot en met het vierde lid is niet van toepassing als:
de activiteit in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam wordt verricht;
het gaat om een evenement als bedoeld in artikel 2:24 Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal;
het gaat om een vergunde standplaats als bedoeld in artikel 5.90; of
het gaat om een uitstalling als bedoeld in artikel 5.53.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.56 worden de volgende gegevens verstrekt:
het tijdstip en de duur van de activiteit;
een situatietekening van de tijdelijke toestand;
de omvang van de opslag van de roerende zaken;
de aard van de roerende zaken;
indien van toepassing een tekening van de inrichting met de bouwveiligheidszone en/ of hijszone zoals omschreven in de Landelijke richtlijn Bouw- en sloopveiligheid;
indien van toepassing een omleidingstekening; en
indien van toepassing een bebordingstekening.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.56 kan alleen worden verleend als:
de plaatsing van een object niet het zicht ontneemt voor de weggebruiker;
andere weggebruikers veilig de weg kunnen gebruiken, als dat niet mogelijk is, een duidelijk alternatief wordt aangeboden;
de manier waarop de activiteit wordt uitgevoerd de minste invloed heeft op de omgeving en er voor zorgt dat de continuïteit van het dagelijks leven zo min mogelijk wordt beïnvloed; en
het achterliggende gebied bereikbaar blijft voor minimaal hulpdiensten.
EE
Paragraaf 5.5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf gaat:
over het parkeren van motorvoertuigen en aanhangwagens op de openbare weg in beheer bij de gemeente; en
over het parkeren en het plaatsen of hebben van motorvoertuigen aanhangwagens op de openbare weg; en
de weg
openbare weg
als werkplaats voor motorvoertuigen of
aanhangwagens te gebruiken.
Het is verboden een motorvoertuig of aanhangwagen waarmee als gevolg van andere dan
eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
langer dan drie achtereenvolgende dagen op de
weg
openbare weg
te parkeren
of op de openbare weg te plaatsen of te
hebben.
Het is verboden een motorvoertuig of aanhangwagen dat of die rijtechnisch in onvoldoende
staat van onderhoud en in een kennelijk verwaarloosde toestand
verkeert op de weg
openbare weg
te parkeren
of op de openbare weg te plaatsen of te
hebben.
Het is verboden een motorvoertuig of aanhangwagen dat of die, met inbegrip van lading, een
lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
meter, op de weg
openbare weg
te parkeren
of op de openbare weg te plaatsen of te hebben.
bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik
bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van
bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt
belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt
aangedaan.
Het derde lid is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het motorvoertuig of de aanhangwagen ter plaatse noodzakelijk is.
Het is verboden een motorvoertuig of aanhangwagen dat of die is voorzien van een aanduiding
van handelsreclame, op de
weg
openbare weg
te parkeren
of op de openbare weg te plaatsen of te hebben
met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
Het is verboden een motorvoertuig of aanhangwagen dat of die voor recreatie of anderszins
voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan drie
achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de
weg
openbare weg
te
parkeren
plaatsen of te hebben.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor campers.
Het is verboden voor degene die er zijn bedrijf,
nevenenbedrijf
nevenbedrijf of gewoonte van maakt
voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te
verhandelen om zonder omgevingsvergunning:
drie of meer motorvoertuigen of aanhangwagens die hem
toebehoren of zijn toevertrouwd, op de
weg
openbare weg
te parkeren
of op de openbare weg te plaatsen of te
hebben binnen een cirkel met een straal van
35 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; of
de weg
openbare weg
als werkplaats voor motorvoertuigen of
aanhangwagens te gebruiken.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:
motorvoertuigen of aanhangwagens waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of
motorvoertuigen of aanhangwagens voor persoonlijk gebruik van de houder van een motorvoertuig.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 5.60
5.63
worden de volgende gegevens verstrekt:
de locatie van de motorvoertuigen of aanhangwagens aangegeven op een luchtfoto;
de startdatum en de voorgenomen tijdsduur van het
parkeren of plaatsen
van de
motorvoertuigen
motorvoertuigen of
aanhangwagens;
een omschrijving van een dringende reden om de motorvoertuigen
of aanhangwagens op de weg
openbare weg
te parkeren of te plaatsen of
de weg
openbare weg
als werkplaats te gebruiken;
het type motorvoertuigen of
motorvoertuigen
aanhangwagen
; en
kentekens van de motorvoertuigen of
motorvoertuigen
aanhangwagen
.
Een omgevingsvergunning bedoeld in Artikel 5.60 wordt verleend als de aanvrager kan aantonen dat er een dringende reden is om de motorvoertuigen of aanhangwagens, bedoeld in het eerste lid, op de weg te parkeren of de weg als werkplaats te gebruiken.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.63 wordt verleend als:
de aanvrager kan aantonen dat er een dringende reden is om de motorvoertuigen of aanhangwagens, bedoeld in het eerste lid, op de openbare weg te parkeren of op de openbare weg te plaatsen of te hebben; of
de aanvrager kan aantonen dat er een dringende reden is om de openbare weg als werkplaats te gebruiken.
FF
Het opschrift van artikel 5.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
Artikel 5.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder of in afwijking van
een omgevingsvergunning een weg aan te leggen, de
verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten,
aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins
verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
HH
Artikel 5.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als
bedoeld in Artikel 5.64
5.67
worden de volgende gegevens verstrekt:
II
Artikel 5.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.64
5.67
wordt verleend als:
Van het ten koste gaan van de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake als de aanleg van de weg voorafgaand aan het aanleggen van openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting, plaatsvindt.
JJ
Het opschrift van artikel 5.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KK
Artikel 5.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LL
Artikel 5.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitrit aan te leggen naar de openbare weg of een bestaande uitrit naar de openbare weg te veranderen.
Het eerste lid geldt niet als:
het geen uitrit betreft aan de ontsluitingswegen, als bedoeld in artikel 5.71;
het om een eerste uitrit gaat;
er geen wijziging van openbaar toegankelijk gebied nodig is, anders dan het aanbrengen of het aanpassen van de verharding die nodig is voor het aanleggen van de uitrit;
er voor de aanleg van de uitrit geen bomen op particuliere
grond worden verplaatst of verwijderd waarvoor een
omgevingsvergunning voor kappen als bedoeld in
Artikel 5.120
artikel 5.116
nodig is;
de uitrit niet wordt aangelegd ter
plaatse
ten koste gaat van een openbare
parkeerplaats of een object in openbaar toegankelijk
gebied;
er geen voet- of fietspad tussen de uitrit en de openbare weg ligt;
de afstand van de uitrit tot een
kruising
het tangent van de bocht of
bocht
kruising op de openbare weg ten minste 5 meter is; en
de ruimte om de uitrit aan te leggen op het perceel ten minste 5 meter lang, in diepte gemeten vanaf de openbare weg, en ten minste 2,5 meter breed is.
als er een opstelruimte voor voertuigen op het perceel is van ten minste 2,5 meter breed en 5 meter diep, gemeten vanaf de erfgrens aangrenzend aan de openbare weg.
MM
Artikel 5.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als
bedoeld in Artikel 5.69
5.72
worden de volgende gegevens verstrekt:
een tekening met daarop de gewenste ligging van de uitrit en de locatie van de uitrit aan het voor-, zij- of achtererf, door middel van de maatvoering;
een tekening of foto van de bestaande situatie;
de afmeting van de nieuwe uitrit of de te veranderen bestaande uitrit en de beoogde verandering daarvan; en
de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitrit.
een tekening van de gewenste uitrit inclusief afmetingen van de uitrit en het opstelvak op eigen terrein
NN
Artikel 5.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.69
5.72
wordt verleend als:
de uitrit niet is gelegen aan de wegen genoemd in Artikel 5.68;
door de uitrit geen onaanvaardbare verkeersonveilige situatie kan ontstaan;
de aanleg van de uitrit niet ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
er geen onaanvaardbare wijziging van openbaar toegankelijk gebied nodig is;
het perceel niet al door een andere uitrit wordt ontsloten, en de aanleg van de tweede uitrit niet ten koste gaat van het openbaar groen;
als het gaat om de aanleg van een tweede uitrit bij een woning en dit niet ten koste gaat van openbaar groen;
de afstand van de uitrit tot een kruising of bocht op de openbare weg niet minder is dan 5 meter;
de ruimte om de uitrit aan te leggen op het perceel niet minder dan 5 meter lang, in diepte gemeten vanaf de openbare weg, of niet minder dan 2,5 meter breed is; en
als er een opstelruimte voor voertuigen op het perceel is van ten minste 2,5 meter breed en 5 meter diep, gemeten vanaf de erfgrens aangrenzend aan de openbare weg; en
er voor de aanleg van de uitrit één of meerdere bomen verplaatst
of verwijderd moeten worden en hiervoor een benodigde
omgevingsvergunning voor kappen als bedoeld in
Artikel 5.120
artikel 5.116
is verleend.
OO
Artikel 5.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten die betrekking hebben op openbaar toegankelijk gebied:
het plaatsen of wijzigen van
reclameobjecten
objecten op of aan onroerende
zaken; en
het maken van handelsreclame op of aan onroerende
zaken;
.
het gebruik van winkelwagens; en
het treffen van voorzieningen voor verkeer en openbare verlichting.
PP
Artikel 5.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt in ieder geval in dat:
winkelwagens na gebruik niet onbeheerd in openbaar toegankelijk gebied worden achter gelaten;
beplanting of een voorwerp niet wordt aangebracht op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat;
beplanting of een voorwerp niet wordt behouden op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat; en
een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening niet worden geopend, onzichtbaar worden gemaakt of worden afgedekt door een persoon die daartoe niet bevoegd is; en
degene die handelsreclame op of aan een onroerende zaak maakt of heeft door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding, zorg draagt voor het voorkomen van het in gevaar brengen van het verkeer of het ontstaan van ernstige hinder voor de omgeving.
Artikel 5.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
RR
Het opschrift van artikel 5.75 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SS
Artikel 5.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als
bedoeld in Artikel 5.75
5.77
worden de volgende gegevens verstrekt:
TT
Artikel 5.77 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als
bedoeld in Artikel 5.75
5.77
wordt verleend als:
Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
UU
Het opschrift van artikel 5.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VV
Het opschrift van artikel 5.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WW
Het opschrift van artikel 5.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XX
Paragraaf 5.5.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het rijden, parkeren of zich bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een snorfiets, een fiets of een paard binnen publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen, groenstroken en grasperken, of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen.
Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen, groenstroken of grasperken, of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden, zich te bevinden of te parkeren met een motorvoertuig, een bromfiets, een snorfiets, een fiets of een paard.
Het tweede lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, snorfietsen, fietsen en paarden:
ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;
die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als bedoeld in het tweede lid;
die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen, bedoeld in het tweede lid; en
voor het verkeer voor bezoek en de verzorging van de onder d bedoelde personen.
Het tweede lid is ook niet van toepassing:
op wegen die gelegen zijn binnen de in het tweede lid bedoelde gebieden of terreinen;
op motorvoertuigen en aanhangwagens waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
Het is verboden op enig terrein of gebied, anders dan een weg, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd of, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden of daaraan deel te nemen, of met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband.
YY
Artikel 5.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZ
Artikel 5.85 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die zich met een hond in openbaar toegankelijk gebied begeeft, is verplicht:
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond, sociale hulphond of gezelschapshond laat begeleiden en niet in staat is de middelen te hanteren om uitwerpselen van de hond te verwijderen en af te voeren; of
die vanwege een blessure niet in staat is de middelen te hanteren om uitwerpselen van de hond te verwijderen en af te voeren.
Het eerste lid is niet van toepassing in hondenlosloopgebieden.
[Vervallen]
AAA
Het opschrift van artikel 5.89 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBB
Artikel 5.86 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing in hondenlosloopgebieden .
Het eerste lid is ook niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:
[Vervallen]
CCC
Artikel 5.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 5.89
5.84
worden de volgende gegevens verstrekt:
het woonadres van de aanvrager; of
als het woondadres buiten het gebied hondenverbod is gelegen en ook niet aan het gebied hondenverbod grenst, een omschrijving van een dringende reden om met een hond in het gebied hondenverbod aanwezig te zijn.
DDD
Artikel 5.87 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
EEE
Artikel 5.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.89
5.84
wordt verleend als;
:
de woning van de aanvrager aan het gebied hondenverbod grenst; of
de aanvrager kan aantonen dat er een dringende reden is om zich met de hond in het gebied hondenverbod te begeven.
FFF
Artikel 5.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om:
binnen het gebied fietsparkeerverbodzone een fiets, snorfiets of bromfiets buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan;
fietsen, snorfietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeren, in openbaar toegankelijk gebied te laten staan; en
binnen het gebied onbeheerd achterlaten fiets een fiets, snorfiets of bromfiets langer dan vier weken onbeheerd in een fietsenstalling achter te laten.
[Vervallen]
GGG
Artikel 5.92 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het innemen of hebben van een standplaats.
In deze paragraaf wordt onder standplaats niet verstaan een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en een vaste plaats op een evenement.
In deze paragraaf wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
bioscoop- en theatervoorstellingen;
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef onder g van de Gemeentewet;
kansspelen als bedoeld in de Wet op kansspelen;
het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
vertoningen op openbare plaatsen;
speelgelegenheden; en
sportwedstrijden.
HHH
Het opschrift van artikel 5.93 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
III
Het opschrift van artikel 5.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJ
Het opschrift van artikel 5.95 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKK
Artikel 5.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als
bedoeld in Artikel 5.95
5.90
worden de volgende gegevens verstrekt:
een omschrijving van de activiteit en de diensten en goederen die aangeboden worden;
het kvk-nummer;
de duur van de activiteit en op welke dagen de activiteit plaatsvindt;
een opstellingsplan en plattegrondtekening op schaal voor de gewenste locatie;
afmetingen van de mobiele verkoopinrichting;
informatie over de benodigde stroomvoorziening; en
een foto van de mobiele verkoopinrichting.
LLL
Artikel 5.97 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.95
5.90
wordt verleend als:
er geen strijdigheid bestaat met de gebruiksregels in het omgevingsplan;
de verkoopinrichting in goede staat van onderhoud verkeert;
de verkoopinrichting wordt gebruikt voor reclamedoeleinden die passend zijn bij de aard van de activiteit;
de verkopende partij ingeschreven staat bij de Kamer voor Koophandel;
er geen sprake is van een kwantitatieve of territoriale beperking
in de gemeente of een deel van de gemeente als gevolg van
bijzondere omstandigheden en het
niet
welke noodzakelijk is in verband met een
dwingende reden van algemeen belang; en
de standsplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving voldoet aan redelijke eisen van welstand.
als de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit.
MMM
Het opschrift van artikel 5.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNN
Het opschrift van artikel 5.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOO
Het opschrift van artikel 5.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPP
Subparagraaf 5.6.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gemeentelijke monumenten:
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:
de uitvoering van normaal onderhoud van een monument, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigt; of
de uitvoering van normaal onderhoud van een monument, voor zover de aangelegde tuin, het aangelegde park of andere aanleg niet wijzigt; of
inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.
Bij een
de aanvraag om een omgevingsvergunning
als bedoeld in Artikel
5.101
5.96
, voor een activiteit die betrekking
heeft op een gemeentelijk monument als bedoeld in Artikel
5.101
5.96
worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument;
de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en
de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
Bij een aanvraag die betrekking heeft op het slopen van een monument, worden in aanvulling op het eerste lid de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
de volgende tekeningen:
een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
Bij een aanvraag die betrekking heeft op het slopen van een monument, kan in aanvulling op het eerste en tweede lid op verzoek van burgemeester en wethouders worden verzocht om de volgende gegevens en bescheiden te verstrekken:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.
Bij een aanvraag die betrekking heeft op het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, worden in aanvulling op het eerste lid de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
de volgende tekeningen:
een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en
als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
Bij een aanvraag die betrekking heeft op het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, kan in aanvulling op het eerste en vierde lid op verzoek van burgemeester en wethouders worden verzocht de volgende gegevens en bescheiden te verstrekken:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;
als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of
een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
Bij een aanvraag die betrekking heeft op het wijzigen of herstellen van een monument, worden in aanvulling op het eerste lid de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
de volgende tekeningen:
een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;
opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag
als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en
een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
Bij een aanvraag die betrekking heeft op het wijzigen of herstellen van een monument, kan in aanvulling op het eerste en zesde lid op verzoek van burgemeester en wethouders worden verzocht de volgende gegevens en bescheiden te verstrekken:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;
voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of
als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.
Bij een aanvraag die betrekking heeft op het slopen van een monument, op het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument of op het wijzigen of herstellen van een monument gelden de volgende eisen voor tekeningen:
tekeningen hebben een schaal die niet kleiner is dan:
een detailtekening heet een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering;
uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen; en
een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:
balklagen:
geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.
Bij een aanvraag die betrekking heeft op het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, wordt een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.101 wordt verleend als de monumentale waarde van het gemeentelijke monument, zoals omschreven in de redengevende beschrijving die hoort bij het aanwijzingsbesluit van het monument, niet onevenredig wordt geschaad.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.96 wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:
het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten;
het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; en
het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden.
Artikel 5.102 is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.
QQQ
Het opschrift van artikel 5.105 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRR
Het opschrift van artikel 5.106 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSS
Het opschrift van artikel 5.107 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTT
Artikel 5.108 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het gebied
Op de locatie
Beeldbepalende panden is het verboden zonder
omgevingsvergunning:
Het eerste lid is
, onder a en b, zijn alleen van toepassing
op activiteiten waarvoor ook een omgevingsvergunning voor bouwen van
bouwwerken of afwijken van het omgevingsplan nodig is.
UUU
Artikel 5.109 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als
bedoeld in Artikel 5.108
5.102
, eerste lid, onder a en b, wordt in ieder geval
een onderbouwing verstrekt waaruit blijkt hoe wordt omgegaan met de
karakteristieke kenmerken van het beeldbepalende pand.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.108
5.102
, eerste lid, onder c, wordt in ieder geval
verstrekt:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.102, eerste lid worden indien nodig overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een benodigde toetsing aan dit omgevingsplan verstrekt.
VVV
Artikel 5.110 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.108 wordt verleend als door de activiteit geen blijvende afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke kenmerken van het beeldbepalende pand zoals opgenomen in de welstandsnota of diens rechtsopvolgers of hieraan door het stellen van vergunningvoorschriften voldoende tegemoet kan worden gekomen.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.102 wordt verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van de karakteristieke kenmerken van het beeldbepalend pand
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het volgende beginsel:
WWW
Het opschrift van artikel 5.111 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXX
Artikel 5.112 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt in ieder geval in dat bij
aanpassingen in openbaar toegankelijk gebied en aan of bij gebouwen en
bouwwerken geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de
cultuurhistorische waarden behorende bij integrale ensembles, zoals opgenomen in de
welstandsnota
beleidsregel op grond van artikel 4.19 van de
Omgevingswet of de welstandsnota of
diens rechtsopvolgers.
YYY
Het opschrift van artikel 5.113 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZ
Artikel 5.114 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt in ieder geval in dat bij
aanpassingen in openbaar toegankelijk gebied en aan of bij gebouwen en
bouwwerken geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de
cultuurhistorische waarden behorende bij stedenbouwkundige ensembles, zoals opgenomen in de
welstandsnota
beleidsregel op grond van artikel 4.19 van de
Omgevingswet of de welstandsnota of
diens rechtsopvolgers.
AAAA
Het opschrift van artikel 5.115 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBB
Paragraaf 5.7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op:
Voor zover in deze paragraaf wordt gesproken over milieubelastende activiteiten, wordt niet bedoeld:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
waarover geluidregels zijn gesteld in Subparagraaf 5.4.2.2 of Subparagraaf 5.4.2.3;
waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening;
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
De zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt in ieder geval in dat:
de rechthebbende op duiven en bijen zorg draagt voor het voorkomen van overlast voor zijn omgeving;
de rechthebbende op landbouwhuisdieren dat zich bevindt in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een veekering of andere afrastering, zorg draagt voor het treffen van zodanige maatregelen dat landbouwhuisdieren de weg niet kunnen bereiken.
binnen de bebouwde kom en buiten een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, dragen rechthebbenden van landbouw- of huisdieren zorg voor het voorkomen van overlast of schade aan de gezondheid. Dit houdt in ieder geval in dat:
dagelijks zorg wordt gedragen voor het opruimen van uitwerpselen, voedselresten en schadelijke overlastgevende geuren of stoffen en indien mogelijk worden deze voorkomen; en
dieren binnen worden gehouden, geplaatst worden in een geluidswerende ruimte of geplaatst worden in een nachthok tussen 22.00 uur en 08.00 uur indien door burgemeester en wethouders schriftelijk bekend is gemaakt aan de rechthebbende van het dier dat er klachten zijn over de geluidsproductie van het dier gedurende die tijden.
De zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt in ieder geval in dat:
de rechthebbende op duiven en bijen zorg draagt voor het voorkomen van overlast voor zijn omgeving;
de rechthebbende op landbouwhuisdieren dat zich bevindt in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een veekering of andere afrastering, zorg draagt voor het treffen van zodanige maatregelen dat landbouwhuisdieren de weg niet kunnen bereiken.
De zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt in ieder geval in dat:
Met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 5.6 kan in ieder geval worden bepaald dat binnen de bebouwde kom en buiten een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, landbouw- of huisdieren binnen worden gehouden, geplaatst worden in een geluidswerende ruimte of geplaatst worden in een nachthok tussen 22.00 uur en 08.00 uur.
Het is verboden bijen te houden:
Het eerste lid is niet van toepassing indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.
CCCC
Het opschrift van artikel 5.118 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDD
Het opschrift van artikel 5.119 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEE
Artikel 5.120 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom te kappen of een
houtopstand te vellen, als:
het om een gemeentelijke houtopstand gaat.
het om een gemeentelijke houtopstand gaat; of
het om een houtopstand gaat die is aangewezen binnen het gebied waardevolle bomen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom te kappen of een
houtopstand te vellen in
, als het om een boom of houtopstand gaat
binnen de volgende
gebieden:
locatie Waardevolle bomen.
Het tweede lid geldt niet voor
fruitbomen.
is verboden zonder omgevingsvergunning een boom te kappen
of een houtopstand te vellen binnen de volgende
locaties:
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het kappen van een boom of het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.
Het derde lid is niet van toepassing op fruitbomen.
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op bomen die moeten worden gekapt op grond van de Plantgezondheidswet of vanwege een op grond van artikel 172, tweede lid, van de Gemeentewet of artikel 4, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio's gegeven bevel.
FFFF
Artikel 5.121 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.120
5.116
worden de volgende gegevens verstrekt:
een kaart, foto of tekening waar iedere te kappen boom of te vellen houtopstand is geïdentificeerd met een nummer en de locatie op het perceel;
de reden voor het kappen van iedere boom of houtopstand;
de soort boom of houtopstand; en
een toelichting op de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten over te gaan, met daarbij het aantal en soorten vermeld.
GGGG
Artikel 5.122 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.120
5.116
wordt verleend als:
In aanvulling op het eerste lid wordt, wanneer het gaat om het kappen
van een boom of het vellen van een houtopstand
als
, bedoeld in artikel 11.111, tweede lid,
van het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsvergunning
verleend vanwege een individueel of maatschappelijk belang, dat
zwaarder moet wegen dan het beschermen van:
Bij vergunningvoorschrift kan een herbeplantingsplicht worden opgelegd.
HHHH
Na artikel 5.122 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen of het vellen van houtopstanden die is verleend met toepassing van artikel 5.116 kan in ieder geval als voorschrift een herbeplantingsplicht worden verbonden.
IIII
Het opschrift van artikel 5.123 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJ
Het opschrift van artikel 5.124 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKK
Het opschrift van artikel 5.125 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLL
Artikel 5.126 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMM
Het opschrift van artikel 5.127 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNN
Het opschrift van artikel 5.128 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOO
Artikel 5.129 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende regels gelden voor het gebruik van de door de gemeente verstrekte inzamelmiddelen:
de door de gemeente verstrekte inzamelmiddelen behoren bij het perceel;
het maximum aantal minicontainers per afvalstroom is twee minicontainers (kliko's), ongeacht het volume van de minicontainer;
de gebruiker went zich tot de inzameldienst indien bij een verhuizing naar een perceel geen of een kapot door de gemeente verstrekt inzamelmiddel wordt aangetroffen.
de gebruiker went zich tot de inzameldienst bij verdwijning, vermissing of beschadiging van een door de gemeente verstrekt inzamelmiddel;
de inzamelmiddelen blijven eigendom van de gemeente en worden bij normale slijtage voor haar rekening technisch onderhouden;
de gebruiker is verantwoordelijk voor het gebruik en het onderhoud van de in bruikleen ontvangen inzamelmiddelen als ware deze zijn eigendom; en
de inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen worden zodanig gebruikt dat deze geen overlast voor derden veroorzaken.
De volgende regels gelden voor de plaats en de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen worden aangeboden:
inzamelmiddelen en inzamelvoorziening:
inzamelmiddelen worden netjes op een rij op het voetpad geplaatst, zo dicht mogelijk bij de rijweg, of, bij het ontbreken van een voetpad, aan de kant van de openbare weg of op een inzamel- of clusterplaats, zodanig dat het voetgangers- en overige verkeer niet wordt gehinderd of in de doorgang wordt belemmerd en gevaar of schade wordt voorkomen en waarbij aanwijzingen van de inzameldienst worden opgevolgd;
inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen worden goed gesloten;
uit het inzamelmiddel en de inzamelvoorziening mag geen huishoudelijk afval steken;
afvalstoffen die ten onrechte of op een onjuiste wijze zijn aangeboden en die na inzameling daardoor in het inzamelmiddel zijn achtergebleven, worden onverwijld door de gebruiker uit het inzamelmiddel verwijderd;
het gewicht van de hoeveelheid afvalstoffen en het eigen gewicht van de ter lediging aangeboden inzamelmiddel is in zijn totaliteit niet zwaarder dan 50 kilogram;
afvalstoffen worden niet naast de inzamelvoorziening geplaatst; en
er worden geen wijzigingen aan de inzamelmiddelen gebracht, waaronder het aanbrengen van een containerslot of het verwijderen van de chip, anders dan ter verfraaiing;
elektrische en elektronische apparatuur, hout, grof tuinafval, grof huishoudelijk afval:
de gebruiker neemt vóór de vastgestelde inzameldag,
telefonisch of mondeling contact op met de inzameldienst
of een inzamelaar als bedoeld in Bijlage
III Huishoudelijk
V Huishoudelijke afvalstoffen
onder
onderdeel 3 om door te geven
welke afvalstoffen hij zal aanbieden;
de afvalstoffen worden zoveel mogelijk in één of meer handzame bundels, gedemonteerd, samengevoegd, samengedrukt en samengebonden aangeboden;
de afvalstoffen hebben per inzameling in totaal geen grotere omvang dan 2 m³ en zijn per bundel afval niet zwaarder dan 30 kilogram;
de afvalstoffen worden zodanig aangeboden dat zij geen hinder of gevaar voor weggebruikers opleveren;
grof tuinafval heeft bij het aanbieden geen grotere afmeting dan 2 meter;
de afvalstoffen worden aangeboden op de plaats, die is aangewezen voor het ter inzameling aanbieden van inzamelmiddelen of bij de geplaatste inzamelvoorziening; en
elektrische - en elektronische apparatuur en herbruikbare
componenten uit het grof huishoudelijk afval die worden
meegegeven aan een inzamelaar als bedoeld in Bijlage
III Huishoudelijk
V Huishoudelijke afvalstoffen
onder
onderdeel 3 worden op het eigen
perceel en droog aangeboden.
Voor het brengen van afvalstoffen naar een afvalbrengstation gelden de volgende regels:
het afvalbrengstation van de inzameldienst is het brengdepot
waar de afvalstoffen, bedoeld in Artikel
5.130
5.127
, kunnen worden achtergelaten;
de afvalstoffen worden in de daartoe op het brengdepot aangewezen container of op de daartoe aangewezen plaats achtergelaten;
de aanwijzingen van de medewerkers van de inzameldienst worden te allen tijde opgevolgd;
een ieder legitimeert zich op verzoek van de medewerkers van de inzameldienst of een toezichthouder die burgemeester en wethouders hebben aangewezen; en
bij het brengdepot kan maximaal 2 m3 aan afvalstoffen per inzameling worden achtergelaten.
PPPP
Het opschrift van artikel 5.130 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQ
Artikel 5.131 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen:
ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst
of een inzamelaar als bedoeld in Artikel
5.126
5.123
, tweede lid onder b;
over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in
Artikel
5.126
5.123
, tweede lid;
achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats,
bedoeld in Artikel
5.129
5.126
, tweede lid; en
ter inzameling aan te bieden anders dan de in Artikel
5.128
5.125
genoemde dagen en tijden.
Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen,
bedoeld in Artikel 5.130
5.127
, anders dan afzonderlijk:
ter inzameling aan te bieden; of
achter te laten op een inzamelplaats, als bedoeld in Artikel
5.129
5.126
, tweede lid onder b.
Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in Artikel 5.131
5.128
. eerste lid onder d, buiten een perceel te
laten staan.
Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, omver te werpen of deze anderszins te behandelen.
RRRR
Het opschrift van artikel 5.132 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSS
Het opschrift van artikel 5.133 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTT
Het opschrift van artikel 5.134 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUU
Artikel 5.135 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bedrijven, maatschappelijke organisaties en scholen die volgens Artikel 5.134
5.131
bedrijfsafvalstoffen aanbieden, bieden deze aan overeenkomstig
de in Paragraaf 5.8.2 gestelde regels.
VVVV
Artikel 5.136 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan de
inzameldienst, over te dragen aan de inzameldienst of bij de
inzamelplaats, bedoeld in Artikel 5.129
5.126
, derde lid, achter te laten, tenzij Artikel 5.134
5.131
van toepassing is.
WWWW
Artikel 5.137 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op:
Voor zover in deze paragraaf wordt gesproken over milieubelastende activiteiten, wordt niet bedoeld:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement:
dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
waarover geluidregels zijn gesteld in Subparagraaf 5.4.2.2 of Subparagraaf 5.4.2.3;
waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening;
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
XXXX
Het opschrift van artikel 5.138 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYY
Artikel 5.139 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4 houdt in ieder geval in dat
een weg als bedoeld in artikel 1 van de
Wegenverkeerswet 1994, niet verontreinigd wordt
door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te
vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten.
Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of diens opdrachtgever zorgt direct na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.
ZZZZ
Artikel 5.140 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden buiten een locatie waar een
milieubelastende activiteit is toegestaan hinder
of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een
afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te
storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te
plaatsen.
Het tweede
eerste lid is niet van toepassing
op een locatie waar een milieubelastende activiteit
wordt verricht, die is toegestaan op basis van dit omgevingsplan en
het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1,
onder a, van de Omgevingswet of een omgevingsvergunning, als het
gaat om de volgende gevallen:
het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met dit omgevingsplan;
het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; en
het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip
van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen,
stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in
artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
openbare weg
.
Indien de overtreder van het tweede lid onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit lid.
AAAAA
Het opschrift van artikel 5.141 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBB
Het opschrift van artikel 5.142 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCC
Afdeling 6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op woningen in de gemeente Veenendaal.
[Red: Artikel 6.2 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 6.2.1 naar paragraaf 6.1.1. ]
[Red: Artikel 6.3 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 6.2.1 naar paragraaf 6.1.1. ]
Aan de artikelen in deze paragraaf wordt voldaan door de eigenaar van de woning.
[Red: Artikel 6.4 verplaatst van paragraaf 6.2.1 naar paragraaf 6.1.1. ]
De doelgroep voor sociale huurwoningen zijn huishoudens - 1 met een inkomen dat niet hoger is dan het rekeninkomen zoals genoemd in artikel 14, derde lid, van de Wet op de huurtoeslag.
Een sociale huurwoning heeft een huurprijs tot de maximale huurgrens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag.
Sociale huurwoningen blijven gedurende een termijn van ten minste 25 jaar na eerste ingebruikname als sociale huurwoning beschikbaar.
[Red: Artikel 6.5 verplaatst van paragraaf 6.2.1 naar paragraaf 6.1.1. ]
De doelgroep voor sociale koopwoningen zijn huishoudens - 1 met een inkomen van niet meer dan € 55.000,-.
De doelgroep voor sociale koopwoningen type goedkoop betaalbare koopwoning zijn huishoudens - 1 met een inkomen van maximaal €65.000,- en waarbij de eerste toewijzing van de sociale koopwoning type goedkoop betaalbare koopwoning gaat op de wijze zoals is bepaald in de Beleidsregel sociale koopwoningen gemeente Veenendaal of diens rechtsopvolgers.
Een sociale koopwoning kent de volgende maximale koopsommen:
De koopprijs vrij op naam voor sociale koopwoningen type goedkoop betaalbare koopwoning bedraagt maximaal 270.795,-
Voor indexatie van de bedragen in het tweede lid wordt het in Veenendaal-oost gehanteerde percentage aangehouden.
Voor indexatie van de maximale koopprijs voor sociale koopwoningen type goedkoop betaalbare koopwoning, wordt jaarlijks de landelijke gehanteerde Consumentenprijsindex gebruikt.
Sociale koopwoningen type goedkoop betaalbare koopwoning, blijven gedurende een termijn van tenminste en ten hoogste 10 jaar na eerste ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar, zoals bepaald in de Beleidsregel sociale koopwoningen gemeente Veenendaal of diens rechtsopvolgers.
[Red: Artikel 6.6 verplaatst van paragraaf 6.2.1 naar paragraaf 6.1.1. ]
De doelgroep voor middenhuurwoningen zijn huishoudens - 1 met een inkomen van niet meer dan € 55.000,-.
Een middenhuurwoning heeft een huurpijs vanaf de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag tot maximaal € 1000,- per maand.
Middenhuurwoningen blijven gedurende een termijn van tenminste 10 jaar na eerste ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar.
[Red: Artikel 6.7 verplaatst van paragraaf 6.2.1 naar paragraaf 6.1.1. ]
Het is verboden af te wijken van de instandhoudingstermijnen,
bedoeld in Artikel 6.4, derde lid, Artikel 6.5, vierde lid en Artikel 6.6, derde lid,
danwel
dan wel woningen te onttrekken aan de
doelgroep.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen of voorzieningen ten behoeve van de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
DDDDD
Afdeling 6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
EEEEE
Afdeling 8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens dit omgevingsplan onherroepelijk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan de functie cultureel ergoed is toebedeeld.
Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.
Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente aan te wijzen als gemeentelijk monument.
Een monument of archeologisch monument kan worden aangewezen als gemeentelijk monument op basis van de volgende criteria:
Naast de criteria, bedoeld in het tweede lid, zijn de Veenendaalse criteria medebepalend om als gemeentelijk monument aangewezen te kunnen worden. Deze criteria geven specifiek uiting aan de Veenendaalse historie. Tot de Veenendaalse criteria behoren:
religie: elementen die uitdrukking geven aan de geestelijke ontwikkeling o.a. (verenigings) gebouwen diespecifiek bij een kerk(genootschap) behoorden;
agrarische en ontginningsgeschiedenis: elementen die uitdrukking geven aan de landschappelijke ontwikkeling;
militair erfgoed: elementen of patronen die uitdrukking geven aan de verdediging van Veenendaal en omstreken;
industrieel erfgoed: elementen die uitdrukking geven aan de sociaal-economische ontwikkeling;
herinneringswaarde: elementen die uitdrukking geven aan bepaalde gebeurtenissen of personen; en
lokale architecten: ontwerpen die uiting geven aan een bepaald tijdsbeeld.
Dit artikel is niet van toepassing op:
Een voornemen om een gemeentelijk monument aan te wijzen, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
Op een aanvraag om aanwijzing van een gemeentelijk monument wordt besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.
De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk monument.
De aanwijzing van het gemeentelijk monument wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.
Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is Paragraaf 8.1.1 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciale omgevingsverordening. Het vervallen van de aanwijzing wordt direct verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.
Een pand kan worden aangewezen als beeldbepalend pand op basis van de volgende criteria:
Naast de criteria, bedoeld in het eerste lid, zijn de Veenendaalse criteria medebepalend om als beeldbepalend aangewezen te kunnen worden. Deze criteria geven specifiek uiting aan de Veenendaalse historie. Tot de Veenendaalse criteria behoren:
religie: elementen die uitdrukking geven aan de geestelijke ontwikkeling o.a. (verenigings) gebouwen die specifiek bij een kerk(genootschap) behoorden;
agrarische en ontginningsgeschiedenis: elementen die uitdrukking geven aan de landschappelijke ontwikkeling;
militair erfgoed: elementen of patronen die uitdrukking geven aan de verdediging van Veenendaal en omstreken;
industrieel erfgoed: elementen die uitdrukking geven aan de sociaal-economische ontwikkeling;
herinneringswaarde: elementen die uitdrukking geven aan bepaalde gebeurtenissen of personen; en
lokale architecten: ontwerpen die uiting geven aan een bepaald tijdsbeeld.
Een voornemen om een beeldbepalend pand aan te wijzen, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
Op een aanvraag om aanwijzing van een beeldbepalend pand wordt besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.
De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het beeldbepalende pand, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het beeldbepalende pand.
De aanwijzing van het beeldbepalend pand wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
FFFFF
Afdeling 8.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het college van burgemeester en wethouders vraagt advies aan de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet genaamd de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Veenendaal, voordat wordt beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor:
voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 5.96; en
voor een activiteit die betrekking heeft op een beeldbepalend pand als bedoeld in artikel 5.102.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als burgemeester en wethouders op verzoek van een ander bevoegd gezag adviseren over een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
GGGGG
Afdeling 8.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.96 betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument welke een kerkelijk monument is, neemt het bevoegd gezag pas een beslissing op de aanvraag na overleg met de eigenaar.
Voor zover het gaat om een beslissing waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat gemeentelijk monument welke een kerkelijk monument is in het geding zijn, beslist het bevoegd gezag alleen in overeenstemming met de eigenaar.
HHHHH
Artikel 11.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:
Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit ter inzage is gelegd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing:
Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor
dat moment voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven
aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is
bekendgemaakt, blijft het oude recht van
toepassing:als tegen het besluit beroep
openstaat
toepassing:
IIIII
Artikel 22.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de beleidsregel op grond van artikel 4.19 van de Omgevingswet of de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold:
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in Artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
JJJJJ
Artikel 22.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[vervallen]
[vervallen]
[vervallen]
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald:
als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;
als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en
of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
[vervallen]
KKKKK
Artikel 22.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van Paragraaf 22.2.4;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de beleidsregel op grond van artikel 4.19 van de Omgevingswet of de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
LLLLL
Artikel 22.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;
de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;
gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld;
voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;
als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 22.30, wordt
overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken
dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt
getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen
in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de
toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 22.30, redelijkerwijs is
uit te sluiten; en
overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel
benodigde toetsing aan dit
omgevingsplan.
; en
een plattegrondtekening van de nieuwe toestand met daarop:
MMMMM
Artikel 22.124 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in Artikel 22.122, tweede lid, en Artikel 22.123, is de waarde van de geur op een geurgevoelig object als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig object, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in Artikel 22.122, eerste lid, niet worden overschreden.
NNNNN
Artikel 22.186 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.185 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
OOOOO
Artikel 22.232 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[vervallen]
[vervallen]
Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000 .
[vervallen]
PPPPP
Artikel 22.236 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQ
Artikel 22.279 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Voor zover in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten, kan de omgevingsvergunning in ieder geval worden verleend als het naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
RRRRR
Artikel 22.291 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Bij de aanvraag, bedoeld in Artikel 22.287 , worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
de volgende tekeningen:
een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en
als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;
als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of
een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
SSSSS
Artikel 22.293 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Bij een aanvraag als bedoeld in Artikel 22.287 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
TTTTT
Artikel 22.294 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Bij een aanvraag als bedoeld in Artikel 22.290 tot en met Artikel 22.292 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:
balklagen:
geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.
UUUUU
Artikel 22.295 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Artikel 22.287 tot en met Artikel 22.294 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.
VVVVV
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
ISO 11423-1: 1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
NEN 5725: 2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740: 2009/A1: 2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090: 2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578: 2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589: 2005/C1: 2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1: 2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965: 2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrome- trie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966: 2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1: 2006;
NEN-EN 12566-1: 2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties = 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673: 1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693: 2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN 1825-1: 2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1: 2006;
NEN-EN 1825-2: 2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 858-1: 2002/A1: 2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2: 2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nomi- nale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872: 2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN-ISO 10301: 1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523: 2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885: 2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846: 2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaireabsorptiespectrometrie met en zonder concentra- tie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1: 2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2: 2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1: 2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2: 2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680: 2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682: 2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913: 2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2: 2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852: 2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993: 2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-EN-ISO 2813: 2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3: 2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1: 2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2: 2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;
NEN-EN-ISO 9377-2: 2000: Water – Bepaling van de mineraleolie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gaschromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562: 2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-ISO 15705: 2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1: 2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
het particulier riool, de ontstoppingsput en de
perceelaansluitleiding
tezamen.
;
1. bij gemengde en gescheiden rioolstelsels: het punt, waar
de perceelaansluitleiding is aangesloten op de
ontstoppingsput, tenzij het gaat om buizen met een andere
diameter dan ø125 of ø160 voor hemelwaterafvoer; 2. bij
buizen met een andere diameter dan ø125 of ø160 voor
hemelwaterafvoer: het punt gelegen op of binnen 0, 5 meter
afstand van de kadastrale eigendomsgrens van het aan te
sluiten perceel, waar het particulier riool op de
perceelaansluitleiding wordt aangesloten; 3. bij een
drukriool: het punt waar het particulier riool wordt
aangesloten op de
pompput.
;
Categorieën of soorten afval binnen de gehele afvalstroom
die gescheiden kunnen worden ingezameld en
verwerkt.
;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
een persoon die blijkens de Basisregistratie Personen
ingeschreven staat in de gemeente
Veenendaal.
;
grondwater, onttrokken ten behoeve van tijdelijke verlaging
van de grondwaterstand.
;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
het openbaar riool, voor de afvoer van afvalwater waarbij
het transport door het riool plaats vindt door middel van met
pompinstallaties veroorzaakte
druk.
;
In dit hoofdstuk wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a. bioscoop- en theatervoorstellingen;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef onder g van de Gemeentewet;
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op kansspelen;
d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoedl in de Wet openbare manifestaties;
f. vertoningen op openbare plaatsen;
g. speelgelegenheden; en
h. sportwedstrijden.
het openbaar riool voor de gezamenlijke afvoer van afvalwater en hemelwater;
het openbaar riool voor de
gezamenlijke
gescheiden afvoer van afvalwater
en hemelwater.
;
het openbaar riool voor de gescheiden afvoer van afvalwater en hemelwater.
een woning die zich bevindt in een woongebouw dat bestaat uit twee of meer boven- of nagenoeg boven- elkaar gesitueerde woningen;
een woning die zich bevindt in een woongebouw dat bestaat uit twee of meer boven- of nagenoeg boven- elkaar gesitueerde woningen.
a. gebouw
1. dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
2.dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of men selijk verblijf; en
3. dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
b. geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
a. gebouw
1. dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
2.dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of men selijk verblijf; en
3. dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
b. geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.
het gedeelte van het openbaar riool bestemd voor de afvoer van hemelwater;
het gedeelte van het openbaar riool bestemd voor de afvoer van hemelwater.
degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens of degene die door middel van een leaseovereenkomst of een verklaring van de werkgever kan aantonen dat hij de bezitter is van het motorvoertuig dat tijdens het parkeren op naam van de leasemaatschappij respectievelijk de werkgever in het hiervoor bedoelde register was ingeschreven;
degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens of degene die door middel van een leaseovereenkomst of een verklaring van de werkgever kan aantonen dat hij de bezitter is van het motorvoertuig dat tijdens het parkeren op naam van de leasemaatschappij respectievelijk de werkgever in het hiervoor bedoelde register was ingeschreven.
een huishouden, bestaande uit een natuurlijk persoon en zijn niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerd partner, of degene die met hem een gezamenlijke huishouding voert of zal gaan voeren in de te huren of aan te kopen woning, niet zijnde kinderen of pleegkinderen. Er kunnen niet meer dan twee personen tot het aldus gedefinieerde huishouden behoren;
een huishouden, bestaande uit een natuurlijk persoon en zijn niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerd partner, of degene die met hem een gezamenlijke huishouding voert of zal gaan voeren in de te huren of aan te kopen woning, niet zijnde kinderen of pleegkinderen. Er kunnen niet meer dan twee personen tot het aldus gedefinieerde huishouden behoren.
afvalwater afkomstig van terreinen die voor bedrijfsactiviteiten worden gebruikt. Het gaat hier niet om huishoudelijk afvalwater of afvloeiend hemelwater;
afvalwater afkomstig van terreinen die voor bedrijfsactiviteiten worden gebruikt. Het gaat hier niet om huishoudelijk afvalwater of afvloeiend hemelwater.
een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel die bij een perceel hoort;
een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel die bij een perceel hoort.
een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats voor een perceel ter plaatse van de bouwaanduiding 'gestapeld' of een groep van percelen;
een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats voor een perceel ter plaatse van de bouwaanduiding 'gestapeld' of een groep van percelen.
de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast;
de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast.
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
a. varkens, kippen, schapen of geiten; en
b. als deze worden gehouden voor de vleesproductie:
1. rundvee tot 24 maanden;
2. kalkoenen;
3. eenden; of
4. parelhoenders;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling
een
geen emissiefactor voor geur is
vastgesteld en die vallen binnen
een
, met uitzondering van
de volgende
diercategorieën:
pelsdieren;
a. varkens, kippen, schapen of geiten; en
b. als deze worden gehouden voor de vleesproductie:
1. rundvee tot 24 maanden;
2. kalkoenen;
3. eenden; of
4. parelhoenders
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c lid 1 onder c van het Besluit kwaliteit leefomgeving of diens rechtsopvolgers;
huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c lid 1 onder c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van de monumentale waarde van een gemeentelijk monument;
motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
een door de gemeente ter hoogte van de erfgrens op particulier terrein te plaatsen put in de aansluitleiding, waarin de werking van de rioolaansluiting onderzocht kan worden;
noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van de monumentale waarde van een gemeentelijk monument.
muziek die niet elektronisch is versterkt;
een door de gemeente ter hoogte van de erfgrens op particulier terrein te plaatsen put in de aansluitleiding, waarin de werking van de rioolaansluiting onderzocht kan worden.
het gedeelte van het riool dat bij de gemeente in eigendom en beheer is en dat wordt gebruikt voor inzameling en transport van afvalwater, hemelwater of drainagewater, met inbegrip van de daartoe behorende putten, rioolgemalen, persleidingen en werken en installaties van overeenkomstige aard;
muziek die niet elektronisch is versterkt.
wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
het gedeelte van het riool dat bij de gemeente in eigendom en beheer is en dat wordt gebruikt voor inzameling en transport van afvalwater, hemelwater of drainagewater, met inbegrip van de daartoe behorende putten, rioolgemalen, persleidingen en werken en installaties van overeenkomstige aard.
parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn.
de rioolleidingen binnens- en buitenshuis binnen de kadastrale grenzen van het perceel waarop het aan te sluiten gebouw staat. Het betreft de leidingen en alle bijbehorende voorzieningen - zoals een ontstoppingsput - tot aan het aansluitpunt;
parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
het riool en de voorzieningen die daarvan deel uit maken, tussen het openbaar riool en het aansluitpunt. De perceelaansluitleiding wordt ook wel “uitlegger” genoemd;
de rioolleidingen binnens- en buitenshuis binnen de kadastrale grenzen van het perceel waarop het aan te sluiten gebouw staat. Het betreft de leidingen en alle bijbehorende voorzieningen - zoals een ontstoppingsput - tot aan het aansluitpunt.
degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
het riool en de voorzieningen die daarvan deel uit maken, tussen het openbaar riool en het aansluitpunt. De perceelaansluitleiding wordt ook wel “uitlegger” genoemd.
huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c lid 1 onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving of diens rechtsopvolgers;
degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht.
koopwoning als bedoeld in de instructieregel voor aanwijzing woningbouwcategorieën in artikel 5.161c lid 1 onder b van het Besluit kwaliteit leefomgeving of diens rechtsopvolgers, nader te onderscheiden in:
a. type goedkoop betaalbare koopwoning: een koopwoning met een koopprijs vrij op naam als bedoeld in Artikel 6.5, tweede lid van het Omgevingsplan gemeente Veenendaal;
register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet.
het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel;
huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c lid 1 onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
woning als bedoeld in artikel 5.161c lid 1 onder b van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
een los voorwerp, geplaatst op openbare ruimte voor een gevel van een pand waarin een winkel is gevestigd, dat een onmiskenbare relatie heeft met de bedrijfsactiviteiten van de in dat pand gevestigde winkel, waaronder tevens wordt verstaan:
1. voorwerpen en stoffen die behoren tot het reguliere assortiment van een winkel;
2. uitstallingsmaterialen;
3. speelattracties;
het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen;
a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
een gebiedsontsluitingsweg is een type ontsluitingsweg met een bepaalde functie zoals beschreven in het Omgevingsprogramma Openbare Ruimte 2022-2025 en diens rechtsopvolgers;
een los voorwerp, geplaatst op openbare ruimte voor een gevel van een pand waarin een winkel is gevestigd, dat een onmiskenbare relatie heeft met de bedrijfsactiviteiten van de in dat pand gevestigde winkel, waaronder tevens wordt verstaan:
1. voorwerpen en stoffen die behoren tot het reguliere assortiment van een winkel;
2. uitstallingsmaterialen;
3. speelattracties.
een wijkontsluitingsweg is een type ontsluitingsweg met een bepaalde functie zoals beschreven in het Omgevingsprogramma Openbare Ruimte 2022-2025 en diens rechtsopvolgers;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
een buurtontsluitingsweg is een type ontsluitingsweg met een bepaalde functie zoals beschreven in het Omgevingsprogramma Openbare Ruimte 2022-2025 en diens rechtsopvolgers;
het fietsnetwerk bestaat uit verschillende hoofdfietsroutes zoals opgenomen in het Omgevingsprogramma Openbare Ruimte 2022-2025 en diens rechtsopvolgers;
de bouwveiligheidszone als bedoeld in de Landelijke richtlijn bouw- en sloopveiligheid;
de hijszone als bedoeld in de Landelijke richtlijn bouw- en sloopveiligheid;
openbare weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994;
aanhangwagen als bedoeld in artikel 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990);
monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging.
WWWWW
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm0345/2025/Gemeentelijkemonumenten/nld@2025‑04‑22;2
/join/id/regdata/gm0345/2025/Buurtontsluitingsweg/nld@2025‑04‑22;2
/join/id/regdata/gm0345/2025/Gebiedsontsluitingsweg/nld@2025‑04‑22;2
/join/id/regdata/gm0345/2025/Wijkontsluitingsweg/nld@2025‑04‑22;2
/join/id/regdata/gm0345/2025/Aangepastambtsgebied/nld@2025‑04‑22;2
XXXXX
Na bijlage II worden drie bijlagen ingevoegd, luidende:
Adres | Soort monument | Naam monument | Beschrijving monument | Perceelnummer | Datum aanwijzing monument | Nadere info over monument |
Achterkerkstraat 25 en 27 | boerderij | Onder de Boompjes | Voormalige boerderij tevens herberg | D 7787 en D 7172 | 12‑7‑1990 | Delen van het interieur zijn beschermd |
Adriaen van Ostadelaan 56 | kerk, basiliek | R.K. St.-Salvatorkerk | kerkgebouw en beschreven interieuronderdelen | B 8322 | 12‑7‑1990 | |
Adriaen van Ostadelaan 78 | kerk | Sionskerk | kerkgebouw inclusief vergaderruimte en klokkentoren | B 4991 | 19‑5‑2009 | |
Beatrixstraat 46 | woonhuis | woonhuis , exclusief de garage | D 3350 | 9‑9‑2008 | ||
Beatrixstraat 63 | kerk | Kerk der Gereformeerde Gemeente Nederland | kerkgebouw, oorspronkelijke structuur en constructieve delen | D2497 | 12‑7‑1990 | |
Bergweg 47 | woonhuis (pastorie) | Uiterham | woonhuis en garage (voormalige pastorie) | B 7711 | 9‑9‑2008 | |
Bergweg 51 | villa | Villa Calluna | vrijstaand woonhuis, inclusief interieurdelen | B 3663 | 17‑1‑2023 | |
Bernard van Kreelpoort ong. | woonhuis | Rijkoompje | woonhuis, exterieur en kap | D 9427 | 12‑7‑1990 | voorheen Hoofdstraat 74 en 76 |
Bronmos 2 en 4 | dubbel woonhuis | dubbel woonhuis, | F 2221 en 1117 | 4‑9‑2003 | ||
Da Costaplein 1 t/m 7 en 2 t/m 12 | dubbele woonhuizen | dubbele woonhuizen, onderdeel van complex sociale woningbouwwoningen | B 8330, B 8565, B 6839 | 12‑7‑1990 | ||
Da Costastraat 1, 3 en 5 | woningblok | voormalig stalgebouw marechausseekazerne | B 8285 | 12‑7‑1990 | ||
De Sterke Arm 2 | school | school achter Kerkewijk 53 (voormalige ULO) | C 3362 | 4‑9‑2003 | ||
De Sterke Arm 2A | wandkunstwerk | wandkunstwerk aan de basisschool | C 3385 en 3386 | 17‑1‑2023 | ||
Dijkstraat 173 en 173A | zaalkerk | tot woonhuis verbouwd kerkgebouw | B 6793 en B 6792 | 9‑9‑2008 | ||
Dr. de Visserstraat 36A | transformatorhuisje | transformatorhuisje | B 4236 | 17‑1‑2023 | ||
Dr. Kuyperstraat 1 t/m 23 en 2 t/m 24 | woningbouwcomplex | woningbouwcomplex sociale woningbouwwoningen | B 8330 | 12‑7‑1990 | ||
Eikenlaan 3 (en 5 en 7) | zaalkerk | Sola Fide | zaalkerk | D 3119 | 9‑9‑2008 | |
Fluitersstraat 13A t/m 13I | arbeiderswoningen | rij arbeiderswoningen | D 9069 t/m 9077 | 12‑7‑1990 | ||
Frans Halslaan 26 | winkelstrip | winkelstrip | B 6033 | 17‑1‑2023 | ||
Gelders Benedeneind 14A | hooiberg | hooiberg, exclusief wanden en afdak | K 5162 | 29‑8‑2023 | ||
Grebbeweg 35 | boerderij | langhuisboerderij met bakhuisje | E 1458 en 1420 | 9‑9‑2008 | ||
Hoofdstraat 2 | winkel-woonhuis | winkel-woonhuis exclusief winkelpui | D 4208 | 12‑7‑1990 | ||
Hoofdstraat 2 (voorheen 4) | winkel-woonhuis | winkel-woonhuis | D 4209 | 9‑9‑2008 | Was nr. 4 maar is samengevoegd met nr. 2 | |
Hoofdstraat 6 | winkel-woonhuis | winkel-woonhuis | D 9329 en 9328 | 9‑9‑2008 | ||
Hoofdstraat 8 | winkel-woonhuis | winkel-woonhuis met voormalige bakkerij, exclusief winkelpui | D 4211 | 4‑9‑2003 | ||
Hoofdstraat 10 | winkel-woonhuis | winkel-woonhuis | D 8986 | 9‑9‑2008 | ||
Hoofdstraat 14 | winkel-woonhuis | winkel-woonhuis | D 4686 | 9‑9‑2008 | ||
Hoofdstraat 18 en Tuinstraat 73 | winkel-woonhuis | winkel-woonhuis | D 5215 | 9‑9‑2008 | ||
Hoofdstraat 20 en 22 | dubbel winkel-woonhuis | dubbel winkel-woonhuis | D 9320 en D 7158 (en D 9319?) | 9‑9‑2008 | ||
Hoofdstraat 46 en 46Bis | winkel-woonhuis | winkel-woonhuis | D 4229 | 9‑9‑2008 | ||
Hoofdstraat 55-57(A) | winkel-woonhuis | winkel-woonhuis | D 4172 en4173 | 15‑6‑2009 | ||
Hoofdstraat 60 en Tuinstraat 113A | winkel-woonhuis | woon-winkelhuis met voormalige werkplaats (drukkerij) exclusief winkelpui | D 4235 en8892 (1 en 2) | 4‑9‑2003 | ||
Hoofdstraat 62 en 64(A) | winkel-woonhuis | winkel-woonhuis | D 7166 en D 7167 | 9‑9‑2008 | ||
Hoofdstraat 77 (A, B en C) | winkel-woonhuis | winkel-woonhuis | D 9200 | 9‑9‑2008 | ||
Hoofdstraat 90 en 90Bis | winkelpand | winkelpand met voormalige werkplaats exclusief winkelpui | D 4246 | 12‑7‑1990 | ||
Hoofdstraat 91, 93, 93A en Fluitersstraat 70A | dubbel winkel-woonhuis | dubbel winkel-woonhuis | D 4406 en D 8869 | 9‑9‑2008 | ||
Hoofdstraat 95 en 95 Bis | dubbel winkel-woonhuis | dubbel winkel-woonhuis | D 8867 | 4‑6‑1992 | ||
Hoofdstraat 97-99Bis | winkel-woonhuis | dubbel winkpand met voormalige werkplaats en drie bovenwoningen (exclusief winkelpui) | D 4859 en D 5131 | 12‑7‑1990 | ||
Hoofdstraat 101 | winkel-woonhuis | winkel-woonhuis | D 8494 | 4‑9‑2003 | ||
Hoofdstraat 103 | winkel-woonhuis | winkel-woonhuis | D 8493 | 9‑9‑2008 | ||
Hoofdstraat 107 | winkel-woonhuis | woon-winkelhuis met voormalig slachthuis en stal exclusief winkelpui | D 4188 | 4‑9‑2003 | ||
Hoofdstraat 108 en Hoogstraat 2A | woon-winkelhuis | woonhuis met winkel (en hoektorentje) | D 4636 en D 4257, 4254 en9919 | 12‑7‑1990 | Voorheen ook Hoofdstraat 110 | |
Hoogstraat 5, 5A en 7 | woon-winkelhuis | woon-winkelhuis | D 4270 | 12‑7‑1990 | ||
Kanaalweg 1 | kerkelijk centrum met woonhuis | Pro Rege | kerkelijk centrum (catechesatiegebouw) en kosterswoning | D 8930 | 9‑9‑2008 | |
Kanaalweg 2 en 3 | dubbel woonhuis | De Iemkorf | dubbel woonhuis | D 4057 en D 5723 | 9‑9‑2008 | |
Kanaalweg 5 | dubbel woonhuis | dubbel woonhuis | D 4054 | 12‑7‑1990 | ||
Kanaalweg 6 | dubbel woonhuis | dubbel woonhuis | D 4053 | 12‑7‑1990 | ||
Kanaalweg 7 | woningblok | woonhuis (drie woonhuizen onder één kap) | D 8207 | 12‑7‑1990 | ||
Kanaalweg 8 | woningblok | woonhuis (drie woonhuizen onder één kap) | D 8206 | 12‑7‑1990 | ||
Kanaalweg 9 | woningblok | woonhuis (drie woonhuizen onder één kap) | D 7092 | 12‑7‑1990 | ||
Kerkewijk 18 | kerk | Brugkerk | zaalkerk | D 7232 | 12‑7‑1990 | |
Kerkewijk 32 | woonhuis | woonhuis met erfafscheiding langs voortuin | D 8394 | 4‑9‑2003 | ||
Kerkewijk 34 | woonhuis | woonhuis | D 8468 | 4‑9‑2003 | ||
Kerkewijk 39 | woonhuis | woonhuis | D 3755 | 12‑7‑1990 | ||
Kerkewijk 40 | woonhuis | De Staete | woonhuis | D 2842 | 4‑9‑2003 | |
Kerkewijk 41 en 41 Bis | woonhuis | woonhuis | D 3756 | 12‑7‑1990 | ||
Kerkewijk 42 | woonhuis | Villa de Leeuwenhoek | woonhuis met aangebouwde garage, omlopende terrassen en muurtjes | D 2841 | 4‑9‑2003 | |
Kerkewijk 43 | woonhuis | woonhuis | D 8805 | 4‑9‑2003 | ||
Kerkewijk 44 | dubbel woonhuis | dubbel woon-winkelpand met voormalige smederij | D 2840 | 26‑10‑2021 | ||
Kerkewijk 45 | woonhuis | woonhuis | D 8222 | 4‑9‑2003 | ||
Kerkewijk 46 en 46A | dubbel woonhuis | dubbel woon-winkelpand met voormalige werkplaats en poort | D 2839 | 26‑10‑2021 | ||
Kerkewijk 48 en 48 A | woningblok | uitsluitend de hoofdvorm, kapvorm, dakbedekking, voorgevel en linkerzijgevel van 48 t/m 54 zijn beschermd | D 9609 | 26‑10‑2021 | ||
Kerkewijk 50 | woningblok | uitsluitend de hoofdvorm, kapvorm, dakbedekking, voorgevel en linkerzijgevel van 48 t/m 54 zijn beschermd | D 3003 en 3004 | 26‑10‑2021 | ||
Kerkewijk 52 | woningblok | uitsluitend de hoofdvorm, kapvorm, dakbedekking, voorgevel en linkerzijgevel van 48 t/m 54 zijn beschermd | D 2835 | 26‑10‑2021 | ||
Kerkewijk 53 | school | ULO school | voormalige ULO school | C 3361 | 4‑9‑2003 | |
Kerkewijk 54 en 54BIS | woningblok | uitsluitend de hoofdvorm, kapvorm, dakbedekking, voorgevel en linkerzijgevel van 48 t/m 54 zijn beschermd | D 3006 | 26‑10‑2021 | ||
Kerkewijk 55 en 55 A | woonhuis | voormalige onderwijzerswoning | C 1251 | 9‑9‑2008 | ||
Kerkewijk 63 en 63 A | woonhuis | voormalige directeurswoning | C 3123 | 12‑7‑1990 | ||
Kerkewijk 65 | fabriek | Ritmeester Sigarenfabriek | voormalige tabaks- en sigarenfabriek | C 3122 | 12‑7‑1990 | |
Kerkewijk achter 65 | uitbreiding fabriek | Ritmeester Sigarenfabriek | uitbreidingen fabriek gebouwd tot en met 1933 | C 4314. 4315, 4325, 4326, 4327, 4328, 4329, en 1031 | 19‑9‑2023 | hal uit 1957/1958 niet aangewezen - voorbeschermd op 7‑12‑2021 |
Kerkewijk 67 | kantoorpand | Middelwyck | voormalige directeurswoning van tabaks- en sigarenfabriek | C 3121 | 12‑7‑1990 | |
Kerkewijk 69 | kantoorpand | Teekenschool | voormalige tekenschool | C 1826 | 12‑7‑1990 | |
Kerkewijk 71 en 73 (BIS) | kantoorpand | Gruno | voormalig woonhuis | C 2000 en C 2001 | 9‑9‑2008 | |
Kerkewijk 113 | woonhuis | voormalige directeurswoning van naastgelegen voormalige fabriek | C 3031 | 12‑7‑1990 | ||
Kerkewijk 116 t/m 112 | woningblok | voormalige dienstwoningen marechausseekazerne | B 8285 | 12‑7‑1990 | ||
Kerkewijk 125 | kerk | Vredeskerk | basilicale kruiskerk | C 1118 | 9‑9‑2008 | |
Kerkewijk 135/ Dennenlaan 5 | kerk | Petrakerk | zaalkerk excl. verenigingsgebouw Het Trefpunt | C 3132 | 26‑9‑2023 | |
Kerkewijk 139 | woonhuis | Panta Rei | woonhuis | C 3827 | 12‑7‑1990 | |
Kerkewijk 143 | woonhuis | Oase | woonhuis/ villa | C 970 | 9‑9‑2008 | |
Kerkewijk 145 en 147 | dubbel woonhuis | dubbel woonhuis met terrassen en erfafscheiding | C 2479 en 3471 | 12‑7‑1990 | ||
Kerkewijk 156 | woonhuis | Huize de Tol | woonhuis/ villa | B 7061 | 12‑7‑1990 | |
Kerkewijk 169 en 171 | dubbel woonhuis | Ora et Labora | dubbel woonhuis | C 3015 en 3016 | 12‑7‑1990 | |
Kerkewijk 175 | woonhuis | Ten Anker | woonhuis | C 1632 | 12‑7‑1990 | |
Kerkewijk 187 | woonhuis | De Spijker | vrijstaand woonhuis/ landhuis | F 2824 | 9‑9‑2008 | |
Kerkewijk 197 | woonhuis | De Berk | woonhuis (incl. aan het huis gemetselde onderdelen) met garage en pergola | F 629 | 4‑9‑2003 | |
Kerkewijk 256 | woonhuis | De Bergrand | vrijstaand woonhuis/ villa excl. bijgebouw noordzijde en vrijst. garage zuidzijde | B 6683 en B 6682 | 25‑4‑2023 | |
Keucheniusstraat 1 t/m 43 en 2 t/m 44 | woningbouwcomplex | 80 sociale woningbouwwoningen inclusief stedenbouwkundige aanleg | B 8565 en 6839 | 12‑7‑1990 | ||
Lindenlaan 1 | woonhuis | villa met kantoor en garage | D 9272 | 17‑1‑2023 | ||
Lindenlaan 2 t/m 44 | woningbouwcomplex | 3 woningbouwblokken met 22 woningwetwoningen | D 5090 | 9‑9‑2008 | ||
Markt 5 en 5A | woonhuis | woonhuis | D 855 | 12‑7‑1990 | ||
Markt 6 | woonhuis | woonhuis | D 6201 | 12‑7‑1990 | ||
Markt 10 | herenhuis (museum) | Het Kleine Veenlo | voormalige pastorie | D 6265 | 12‑7‑1990 | |
Middelbuurtseweg 35 | boerderij en bakhuisje | langhuisboerderij met bakhuisje | E 672 | 9‑9‑2008 | ||
Middelbuurtseweg 36 | bakhuisje | bakhuisje | E 1609 | 9‑9‑2008 | ||
Middelbuurtseweg 44 | bakhuisje | bakhuisje bij voormalige langhuisboerderij | E 1527 | 9‑9‑2008 | Alleen het bakhuisje; woning is vervangen en niet meer beschermd | |
Molenstraat ong. (t.h.v. nr. 45) | gedenksteen | gedenksteen (onderdeel van het niet-monumentale gedenkmonument) | D 9746 | 12‑7‑1990 | ||
Mulderslaan 3A | schuur | schuur bij rijksmonument de Nieuwe Molen | H 2423 | 12‑7‑1990 | Molen en schuur sinds 1990 gem. monument. Molen nu rijksmonument. | |
Munnikenweg bij 4 | algemene begraafplaats (oude gedeelte) | Gemeentelijke begraafplaats | de aanleg van het oude gedeelte van de begraafplaats met graven langs paden in een aanleg met formeellandschappelijke opzet met originele padenstructuur inclusief de kindergraven 158 t/m 173 en 182 t/m 282 | G 2347 | 17‑1‑2023 | |
Munnikenweg 40 en 40A | dubbel woonhuis | Groot Schoonoord | dwarshuisboerderij met rondbooghek langs de voortuin | G 1290 en G 1291 | 12‑7‑1990 | |
Nieuweweg 2 en 2A | woonhuis | woonhuis en erfafscheiding, de voormalige wolopslagloods en de werkplaats van de technische dienst | H 3482 | 9‑9‑2008 | ||
Nieuweweg 37 (en Vendelseweg 2A, B en C) | winkel-woonhuis | woon-winkelpand | H 3521 en 2585 | 9‑9‑2008 | ||
Nieuweweg 41 | woonhuis | woonhuis | H 1611 | 4‑9‑2003 | ||
Nieuweweg 107 | dubbel woonhuis | dubbel woonhuis bij rijksmonument molen De Vriendschap | H 2080 en H 2081 | 9‑9‑2008 | ||
Nieuweweg-noord 251 | voormalige school | St. Willibrordusschool | voormalige school, inclusief vlaggenhouder met -mast | G 1015 | 12‑7‑1990 | |
Nieuweweg-noord 253 en 255 | voormalige kerk/ woonhuis | St. Willibrordus | voormalige kerk, de pastorie en het tussenlid | G 1509 | 12‑7‑1990 | |
Nieuweweg-noord ong. (achter 312D) | begraafplaats | Rooms Katholieke Begraafplaats | begraafplaats met aanleg, hek en baarhuisje | K 4494 | 12‑7‑1990 | |
Oranjestraat 2 t/m 11 | woningbouwcomplex | woningblok met 10 aaneengebouwde sociale woningbouwwoningen | D 7015 t/m D 7024 | 12‑7‑1990 | ||
Oranjestraat 12 en 13 | dubbel woonhuis | dubbel woonhuis | D 7025 en D 7026 | 4‑6‑1992 | ||
Parallelweg 14 t/m 22 | woningblok | woningbouwblok met negen aaneengebouwde arbeiderswoningen | C 3109 | 12‑7‑1990 | ||
Parallelweg 66 | begraafplaats | Joodse begraafplaats | begraafplaats met aanleg, het metaheerhuisje, de grafstenen en het hek | C 3992, C 3991 en C 3966 | 12‑7‑1990 | |
Paulus Potterstraat 24 | transformatorhuisje | transformatorhuisje | B 4519 | 17‑1‑2023 | ||
Prins Bernhardlaan 26 | kerk | Julianakerk | kerkgebouw | K 2592 | 12‑7‑1990 | |
Ronde Erf 2 | wandkunst | wandkunstwerk aan de basisschool | K 2471 | 17‑1‑2023 | ||
Ruisseveen 9 | boerderij met bakhuisje | Oud Ruisseveen | dwarshuisboerderij met bakhuisje | D 5787 | 12‑7‑1990 | |
Stationsplein / Kerkewijk | herdenkingsmonument | Monument voor de Gevallenen | gedenkteken, bestaande uit een beeldengroep en een gedenksteen | D 8660 | 17‑1‑2023 | |
Stationssingel ong. (hoek 't Goeie Spoor - Kerkewijk) | gedenkmonument | Watersnoodgedenkteken | natuurstenen, vierkante zuil met het wapen van Veenendaal | D 5424 | 12‑7‑1990 | |
Stationsstraat 61 | boerderij | langhuisboerderij | K 5318 | 9‑9‑2008 | ||
Talmaplein 20 en 22 | dubbel woonhuis | dubbel woonhuis, onderdeel van 80 sociale woningbouwwoningen inclusief stedenbouwkundige aanleg | B 6847 | 12‑7‑1990 | ||
Uiverstraat t.h.v. 122 langs Industrielaan | beeldouwwerk | Betogende Arbeiders | beeldhouwwerk | C 4020/ C 4022 | 17‑1‑2023 | |
Valleistraat ong. (achter nummer 188) | kazemat | kazemat/ verdedigingswerk | D 8926 | 12‑7‑1990 | ||
Valleistraat 109 | woonhuis | woonhuis (voormalige arbeiderswoningen) | K 8983 | 12‑7‑1990 | ||
Van Veldekelaan 5 | boerderij | Hertestein | voormalige langhuisboerderij | B 7216 | 12‑7‑1990 | |
Vendelseweg 67 en 69 | boerderij en 2 schuren | De Vendel | voormalige boerderij met aangebouwde schuren | D 9257 en 9256 | 12‑7‑1990 | Voorheen bekend als Dijkstraat 136 |
Verlaat 18 | fabriek met schoorsteen | Hollandia Wolfabriek | voorgevel voormalige fabriek en de schoorsteen | D 9155, 9158, 9159, 9161, 9162, 9163, 9164, 9165, 9168, 9175, 9177, 9178,9180, 9182, 9183, 9184, 9189, 9191 en 9192 | 4‑9‑2003 | |
Vondellaan 57 | boerderij met bakhuisje | Berkenstein | voormalige langhuisboerderij met bakhuisje | B 8579 | 4‑9‑2003 | |
Wageningselaan 2 | portierswoning | SKF | portierswoning met portiersloge en toegangshek | E 1178 en E 1241 | 25‑6‑2006 | |
Wageningselaan 2A, 2-01 en 2C en Groeneveldselaan 19 t/m 37 | kantoorgebouw met magazijn en fabriek | SKF | kantorgebouw SKF uit 1954 met eerste uitbreiding oostzijde uit 1964, het beschreven interieur, het magazijn en de fabriek uit 1953 met de nadruk op de contouren van het gebouw, de daken en de inwendige betonconstructie. | E 1241 en E 1178 | 25‑6‑2006 | |
Weverij/ Kostverloren ong. | begraafplaats | begraafplaats met aanleg, hekpijlers en grafmonumenten | D 6644 | 12‑7‑1990 | ||
Weverij 1 t/m 155 t.h.v. entree/ Kalanderij tussen 67 en 91 | gedenksteen en toegangspoort | Gedenkmonument VSW | gedenksteen Weverij en element van de toegangspoort (Kalanderij) | D 9060 | 12‑7‑1990 | |
Wilhelminastraat 43 | bedrijfspand + woning | werkplaats met bovenwoning | D 8533 | 12‑7‑1990 | ||
Zandheuvelweg 1 | boerderij + bijgebouwen | langhuisboerderij met bakhuis, stal en bergplaats | B 9185 en 9186 | 12‑7‑1990 | op 17‑1‑2023 zijn de stal en bergplaats aangewezen als monument | |
Zandstraat 11(A) | woonhuis + winkel | woonhuis met winkel | D 4541 | 9‑9‑2008 | ||
Zandstraat 35 | woonhuis | vrijstaand herenhuis | D 4545 | 12‑7‑1990 | ||
Zandstraat achter 39 | kerk | Eben-Haezer | voormalige zaalkerk | D 9935 | 9‑9‑2008 |
Locatie beeldbepalend pand | Perceel | Functie van beeldbepalen pand |
Beatrixstraat 1 | D 3333 | Arbeiderswoning |
Beatrixstraat 55 | D8724 | Vrijstaande middenstandswoning |
Beatrixstraat 8 - 14 en 16 - 22 | Blok geschakelde arbeiderswoningen, onderdeel van reeks | |
Bergweg 35 | B 3807 | Vrijstaand woonhuis |
Boslaan 32A | C 2486 | |
Buurtlaan West 113 | H 1517 | Vrijstaand woonhuis |
Buurtlaan West 127 | H 1478 | Vrijstaande middenstandswoning |
D.S. van Schuppenstraat 2 | D 2762 | Vrijstaande middenstandswoning |
De Balk 3 | K 4963 | Dubbel woonhuis |
De Balk 5 | K 3453 | Dubbel woonhuis |
De Savornin Lohmanstraat 74 t/m 156 | Onderdeel complex dubbele woningen met dwars- of langskappen | |
De Sterke Arm 2A | C 3386 | Wandkunst aan buitenzijde van de school |
Dennenlaan 26 - 34 | C1360 | Complex met zogeheten duplex- of portiekwoningen: beneden- en bovenwoningen |
Eenvoudlaan 10 -26a | Complex duplexwoningen | |
Eenvoudlaan6/ 6a | K8409 | Bedrijfspand |
Fluitersstraat 19 | D 9078 | Zaalkerk |
Goudvink 2 | D 6415 | Zaalkerk |
Hofstede 27A | K98 | |
Jan Steenlaan 36 | ||
Kamgras 46 - 60 en 62 - 72 | Rij geschakelde patiowoningen | |
Kanaalweg 11 | D 8208 | Middenstandswoning bij bedrijf |
Kerkewijk 82 | B 6851 | Vrijstaand woonhuis |
Kerkewijk 88 | B 4300 | Vrijstaand woonhuis |
Kerkewijk 94 | B 4297 | Helft dubbel woonhuis |
Kerkewijk 96 | B 8365 | Helft dubbel woonhuis |
Kerkewijk 163 | C 3830 | Vrijstaand woonhuis |
Kerkewijk 165 | C 1628 | Vrijstaand woonhuis |
Kerkewijk 168 | B 7703 | Vrijstaand woonhuis |
Kerkewijk 172 | B 7701 | Vrijstaand woonhuis |
Kerkewijk 189 | F 626 | Helft dubbel woonhuis |
Kerkewijk 191 | F 627 | Helft dubbel woonhuis |
Kerkewijk 193 | F 958 | Helft dubbel woonhuis |
Kerkewijk 195 | F 959 | Helft dubbel woonhuis |
Kerkewijk 204 | B 5525 | Helft dubbel woonhuis |
Kerkewijk 206 | B 5354 | Helft dubbel woonhuis |
Nieuweweg 40 | H 2497 | Vrijstaand woonhuis |
Patrimoniumlaan 28 | B 8646 | Voormalig bankgebouw nu kantoor |
Prins Bernhardlaan 24 | K 1114 | Woonhuis (tegen ander pand) |
Prins Willem Alexanderpark 22 | D 3304 | Vrijstaand woonhuis |
Rembrandtlaan 1 - 15 | B 5176 | Portiekflat |
Rembrandtlaan 29 - 39 en 41 - 51 | Geschakelde drive-in woningen | |
Rembrandtpark 1 | B 4494 | |
Stationsstraat 81 | K6530 | |
Tuinstraat 25 | D 3772 | |
Uiverstraat 2 - 96 en 98 - 122 | Christelijke scholengemeenschap | |
Verlaat 63 | K 4508 | |
Wandmozaïk Halberstma | ||
Zandstraat 3(Bis) en 5(Bis) | 3: D 3999, 8632(1) en 8632 (2) 5: D 4539, 8848(1) en 8848 (2) | Twee-onder-een-kap met winkels en bovenwoningen |
Zuivelstraat 21A | C 1511 |
Als andere inzamelaars voor huishoudelijk afval worden aangewezen:
1. Voor het inzamelen van huishoudelijk oud papier en karton:
a. alle verenigen van eigenaren van wooncomplexen in Veenendaal;
b. alle bewonerscommissies van wooncomplexen in Veenendaal;
c. de volgende verenigingen, stichtingen, scholen en kerken:
Bethelkerk;
Buurthuis Turfke;
CBS De Burcht;
CBS De Ceder;
CBS De Grondtoon Componistensingel;
CBS De Grondtoon Langelaar;
CBS De Schakel;
CBS Het Baken I 't Kofschip;
CBS Het Baken II De Reede;
CBS Het Erf;
Christelijk Gereformeerd Pniëlkoor;
Christelijke Basisschool Tamim;
De Goede Reede;
De Hoeksteen;
De Schutse;
Dr. C. Steenblokschool;
Engelenburgschool;
G.V.V.V.;
Hersteld Hervormde gemeente;
Hersteld Hervormde gemeente;
Hervormde Gemeente Veenendaal Sionskerk;
Interieurfonds Sola Fide;
Islamitische Stichting Nederland;
Johannes Calvijnschool Duivenwal;
Johannes Calvijnschool Geerseweg;
Juliana van Stolbergschool;
Juliana van Stolbergschool;
Juliana van Stolbergschool;
Julianakerk;
KBS de Vuurvlinder;
Korfbalvereniging SKF;
Les Sabots;
MAC Veenendaal;
Oude Kerk;
Ouderraad WereldKidz Mozaiek;
Petrakerk-Trefpunt;
Pnielkerk;
Prinses Beatrixschool;
Reinaerde;
Ritmeester-Veenzangers Mannenkoor;
Rode Kruis;
S.V. Unitas '48;
School Alex;
Scoutinggroep De Zwervers;
Stichting Moskee Nasser Veenendaal;
Stichting Philadelphia Zorg;
Stichting Rembrandt College;
Toertocht Veenendaal;
V.H.C. Blue Socks;
V.M.H.C. Spitsbergen;
V.V. Dovo;
Veenendaalse Harmonie Caecilia;
Veenendaal Fonds i.o.;
Voetbalvereniging V.R.C.;
Voetbalvereniging Veenendaal;
Vredeskerk;
WereldKidz Achtbaan;
Westerkerk.
2. Voor het inzamelen van frituurvet en plantaardige olie: Supermarkten en verenigingen in de gemeente Veenendaal.
3. Voor het inzamelen van elektrische en elektronische apparatuur, met uitzondering van textiel en herbruikbare componenten uit het grof huishoudelijk restafval: Restore Veenendaal
YYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Openbaar toegankelijk gebied
Voor het begrip openbaar toegankelijk gebied is aangehaakt bij het begrip uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit begrip wordt omschreven als wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, en pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen alleen bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.
Parkeren
Voor het begrip 'parkeren' is aangehaakt bij de definitie van artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990: 'het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen'. De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die door deze paragraaf niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf stilstaan om benzine te tanken; ook in dit geval is er geen sprake van parkeren.
Weg
Verschillende bepalingen in deze afdeling zien op de 'weg'. Daarbij wordt aangehaakt bij de definitie ervan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de WVW 1994. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Hiertoe behoren ook trottoirs, voetpaden, voetgangersgebieden, rijwielpaden en parkeerplaatsen of -terreinen.
Uit de definitie van 'openbare ruimte' blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt.
CCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2a van de WVW 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16‑12‑1975, NJ 1976, 204).
Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg.
Vanwege de fysieke component van deze regels is besloten deze in het omgevingsplan op te nemen.
[Vervallen]
DDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen
Sinds de inwerkingtreding van de WVW 1994 kunnen verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer (zie artikel 2, tweede lid, van de WVW 1994).
Op initiatief van de VNG is artikel 2a in de WVW 1994 ingevoegd. Dit artikel luidt als volgt:
"Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen."
Artikel 2a van de WVW 1994 geeft aan dat gemeenten bevoegd zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149 van de Gemeentewet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet streeft de gemeente Veenendaal er naar dat alle regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen in het omgevingsplan, zo ook deze regels (zie noot 30 blz. 27 van de handreiking VNG).
Begrippen 'weg', 'voertuig' en 'parkeren'
Het begrip 'parkeren' is in artikel 1.1 omschreven. Voor alle andere gebruikte begrippen wordt aansluiting gezocht bij de in de wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Uit de verschillende bepalingen in deze paragraaf blijkt, of zij al dan niet slechts betrekking hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994).
Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van deze paragraaf zich ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (bijvoorbeeld de eigenaar, huurder en opdrachtgever) zodat de zinsnede "het laten stilstaan" een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving van de (parkeer)verboden in deze paragraaf.
Begrip 'parkeerexces'
In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens
aangegeven wat het begrip 'parkeerexces' precies inhoudt.
Uit de jurisprudentie blijkt dat onder het begrip
'parkeerexces' ieder excessief parkeren op de weg kan worden begrepen,
dus:
a. wanneer het parkeren op de weg betreft dat buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte voor andere weggebruikers die gelegenheid om te parkeren behoeven, en daarom niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke aanvulling);
b. wanneer het gebruik van de weg als parkeerplaats op zichzelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen;
c. wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke aanvulling).
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg, strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn, volgens de zienswijze van de Hoge Raad, in de eerste plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien van bepaalde (categorieën van) voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij mag het niet te diep ingrijpen in het 'normale' verkeer, en dus ook niet in het 'normale' parkeren. In het 'normale' verkeer voorziet de geldende wettelijke verkeersregeling exclusief, volgens de Hoge Raad.
Daarnaast is volgens de Hoge Raad sprake van een parkeerexces als het parkeren op de weg gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente, beneming van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van personen. Al deze vormen van excessief, hinderlijk en ontsierend gebruik van de weg kunnen door de gemeentelijke wetgever aan regels worden gebonden. Zie bijvoorbeeld de beide Dordtse arresten van de Hoge Raad: HR 15‑06‑1971, NJ 1971, 432 en 25‑04‑1972, NJ 1972, 296.
Plaatsing en rubricering parkeerexcesbepalingen
Gezien de ruime uitleg van het begrip 'parkeerexces' is het niet nodig om een onderscheid te maken tussen twee soorten van excessief gebruik van de weg: gevallen die excessief zijn op grond van een verkeersmotief en die als 'parkeerexcessen' moeten worden gekwalificeerd en gevallen waarin een ander motief (in hoofdzaak) aan het stellen van regels ten grondslag ligt. Daarom zijn de bepalingen over parkeerexessen ondergebracht in Afdeling 5.5 Activiteiten in openbaar toegankelijk gebied.
Met het onder één noemer - die van het parkeerexces - brengen van de bepalingen blijken de aan de bepalingen ten grondslag liggende motieven niet steeds uit de tekst van de bepalingen. Het is daarom verstandig, dat in de toelichting op de bepalingen deze motieven tot uitdrukking worden gebracht Zie ook: ABRvS 21‑09‑2011, ECLI: NL: RVS: 2011: BT2119. Een van de voordelen van deze aanpak is dat artikelen die eenzelfde gedraging verbieden, doch op grond van verschillende motieven, in één artikel kunnen worden samengebracht.
Paragraaf 5.5.3 Parkeerexcessen motorvoertuigen en aanhangwagens, is ook een onderwerp opgenomen, die niet kan worden aangeduid als 'parkeerexces in eigenlijke zin', waarvan gesproken kan worden als het gaat om gedragingen op de weg in de zin van de WVW 1994. Daar dit voorschrift door het publiek wel als zodanig wordt ervaren, is er de voorkeur aan gegeven ook dit onderwerp in deze paragraaf te regelen. Artikel 5.57, derde lid, - strekt zich ook uit tot gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. Beperking van de hierin neergelegde verbodsbepaling tot 'op de weg' ligt niet voor de hand, wanneer men let op het motief dat aan deze bepaling ten grondslag ligt. Deze bepaling strekt niet (mede) ter bescherming van verkeersbelangen. Ook Artikel 5.82, tweede lid heeft betrekking op gedragingen buiten de weg ('aantasten van groenvoorzieningen').
Indien aan een bepaling uitsluitend verkeersmotieven ten grondslag liggen, is de werkingssfeer van die bepaling uiteraard beperkt tot de weg (in de zin van de WVW 1994). Zie bijvoorbeeld Artikel 5.60, eerste lid.
Aan de meeste bepalingen liggen behalve verkeersmotieven ook andere motieven ten grondslag.
Vervangende parkeergelegenheid
Complementair aan de vaststelling van parkeerexcesbepalingen zal voor bepaalde categorieën voertuigen - in het bijzonder voor vrachtwagens - de aanwezigheid van vervangende parkeergelegenheid moeten worden bezien.
Uitgangspunt is dat de desbetreffende ondernemingen in principe zelf hiervoor behoren te zorgen.
Parkeerplaatsen zouden kunnen worden aangeduid met een bord model E4 van bijlage 1 van het RVV 1990 (vierkant blauw bord met witte P).
De aanduiding van parkeerplaatsen voor vrachtwagens in het kader van de voorkoming van parkeerexcessen moet gebeuren op basis van de betreffende bepalingen uit het omgevingsplan en niet op basis van verkeersborden die gebaseerd zijn op de wegenverkeerswetgeving.
Overleg met vervoerders(organisaties)
Het behoeft geen nader betoog dat het wenselijk is overleg te plegen met de betrokken chauffeurs en bedrijven betreffende de vaststelling of uitvoering van parkeerregelingen voor vrachtwagens en dergelijke.
EEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk biedt ruimte om onderhoud- en instandingsverplichtingen op te nemen en ook eventuele gedoogplichten die in gemeentelijke verordeningen voorkomen.
Dit hoofdstuk biedt ruimte om verplichtingen op te nemen die eerder in gemeentelijke verordeningen stonden en nu passend zijn voor borging via het omgevingsplan.
FFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Algemeen
Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse overheden opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en rijkskanalen de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de overige wateren is verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen c.a.
De centrale wetgever heeft voor het gebruik van het openbaar (vaar)water diverse regelingen vastgesteld. Daarbij is een splitsing aangebracht tussen regelingen die uitsluitend van toepassing zijn op de bij het Rijk in beheer zijnde (vaar)wateren en regelingen die voor het gebruik van alle openbare (vaar)wateren gelden.
Bij het Rijk in beheer zijnde vaarwateren
Voor bij het Rijk in beheer zijnde vaarwateren geldt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Voor de provinciale en gemeentelijke overheden en de waterschappen resteert, voor zover daaraan hetzelfde motief als aan de Wet beheer rijkswaterstaatswerken ten grondslag ligt, slechts voor de overblijvende vaarwateren regelgevende bevoegdheid. Deze bevoegdheid wordt eveneens gerelateerd aan het onder beheer hebben van die vaarwateren. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet regelt de provincie dat in een Omgevingsverordening en het waterschap in een Waterschapsverordening.
De gemeentelijke overheid kan krachtens artikel 149 van de Gemeentewet regels stellen met betrekking tot het bij haar in beheer zijnde openbare (vaar)water.
Deze regelingen van de lagere overheden mogen niet in strijd komen met hogere regelingen. In grote lijnen betekent dit dat de overheden slechts een regelgevende bevoegdheid toekomt ten aanzien van bij hen in beheer zijnde openbare (vaar)wateren.
[Vervallen]
GGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is relevant voor zover het besluiten betreft waarvoor
dat niet al in de Omgevingswet
de procedure is bepaald. In dit hoofdstuk zijn nu
procedureregels opgenomen over het gemeentelijk erfgoed.
Daarnaast kan dit hoofdstuk ook regels bevatten die
vorm en inhoud geven aan de participatie of het verkrijgen van
maatschappelijk draagvlak bij activiteiten.
IIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In REF(Bijlage I
Begripsbepalingen,LABEL EN
NUMMER,UPPER_CASE) bij artikel 1.1 van dit
omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet,
de AMvB's en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen
opgenomen die nog nodig zijn.
Deze
Bepaalde begrippen die zijn
toegevoegd i.v.m. Hoofdstuk 22 worden hieronder
toegelicht.
Activiteitenbesluit-bedrijventerrein
Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor ge-voelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.
Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
concentratiegebied geurhinder en veehouderij
Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in deparagraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.
Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
distributienet voor warmte
Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
geurgevoelig object
Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.
Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.
gezoneerd industrieterrein
Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds - als omgevingswaarde - vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.
De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.
straatpeil
Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.
warmteplan
Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.
Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.
In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.
De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden - als onderdeel van het omgevingsplan - geen specifieke inhoudelijke vereisten.
Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».
LLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften te stellen.
Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de
mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen in aanvulling op,
ter invulling van of in afwijking van het gestelde in hoofdstuk 5.
Een maatwerkvoorschrift geldt voor een individueel
geval en staat in een apart maatwerkbesluit. Burgemeester en
wethouders kunnen een maatwerkvoorschrift bijvoorbeeld gebruiken
voor:
onvoorziene situaties;
bijzondere gevallen;
lokale omstandigheden;
het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Voor maatwerkbesluiten geldt de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht.
Burgemeester en wethouders kunnen een maatwerkvoorschrift uit eigen beweging opstellen of op verzoek.
PPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
QQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel worden een aantal
eisen
zorgplichten opgenomen over de kwaliteit
van het op het openbaar riool te lozen afvalwater. Deze hebben
betrekking op bijvoorbeeld het aantasten van het materiaal van de
riolering, het lozen van versneden stoffen, het veroorzaken van
verstoppingen van of beschadigingen aan het rioolstelsel en de werking
van de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Daarnaast zijn bepalingen
opgenomen over de zorg die
betracht
getroffen moet worden bij de werkzaamheden
die schade kunnen veroorzaken aan het openbaar riool.
RRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
SSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is vastgelegd wanneer een verstrekte omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd. Burgemeester en wethouders kunnen hiertoe overgaan wanneer bijvoorbeeld opgenomen bepalingen niet worden nagekomen of wanneer er sprake is van onjuist gebruik.
Met het indienen van de omgevingsvergunning dient de rechthebbende ook een verzoek in aan burgemeester en wethouders om de aansluiting tot stand te brengen en om hiervoor een prijsopgave aan de rechthebbende uit te brengen. Om te voorkomen dat de gemeente omgevingsvergunningen verleent voor percelen waar uiteindelijk geen aansluiting tot stand wordt gebracht, wordt onder e geregeld dat burgemeester en wethouders de omgevingsvergunning kunnen intrekken indien een jaar na de vergunningverlening de aansluiting nog niet is gerealiseerd. Omdat net als een vergunningverlening de intrekking is aan te merken als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, dient de rechthebbende in de gelegenheid te worden gesteld toe te lichten waarom de aansluiting nog niet is gerealiseerd en moet de intrekking worden voorzien van een deugdelijke motivering.
WWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste lid
Dit artikel sluit aan op de voormalige artikelen 2.17, 2.17a, 2.18, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit locaties waar een milieubelastende activiteit is toegestaan en niet buiten deze locaties. Of er sprake is van een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, wordt bepaald door de Omgevingswet, omgevingsvergunningen en het Omgevingsplan in combinatie met het toepassingsbereik van deze subparagraaf.
In het Activiteitenbesluit was onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus. Gemeenten hadden, in artikel 2.18, eerste lid, onder f, juncto vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de APV.
In de instructieregels van het Bkl wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen versterkte en onversterkte muziek, wat betekent dat onder het Bkl, anders dan onder het oude recht, onversterkte muziek wél onder de standaardwaarden voor geluid valt. Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om af te wijken van de standaardwaarden, mits voldaan wordt aan de grenswaarden (paragraaf 5.1.4.2.2). Deze grenswaarden zijn voor geluid inpandig lager dan de waarden die voorheen in de APV werden gehanteerd. In de APV werd uitgegaan van 40, 35 en 25 dB(A). De grenswaarden in het Bkl zijn 35, 30 en 25 dB(A). Om die reden zijn in afwijking van de geldende regeling in de APV de maximale geluidswaarden verlaagd naar de grenswaarden uit het Bkl.
De genoemde geluidsniveaus in het eerste lid (tabel) zijn niet van toepassing op het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden.
Tweede lid
Voor versterkte muziek geldt artikel 22.63. Voor versterkte muziek is in het Besluit kwaliteit leefomgeving geen mogelijkheid opgenomen tot afwijken van de grenswaarden.
YYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Geluid
De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit het voormalige artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel voorzag erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele, sport- en recreatieve manifestaties.
Met Artikel 5.31 wordt burgemeester en
wethouders de mogelijkheid geboden om te bepalen welke feesten als
collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het verdient aanbeveling
dat burgemeester en wethouders jaarlijks - in samenspraak met het
plaatselijke bedrijfsleven - vaststelt op welke data de betreffende
voorschriften
eisen uit,
Subparagraaf
subparagraaf 22.3.4.2
22.3.4.2 en
Paragraaf
paragraaf 22.3.22
22.3.20 niet van toepassing
zijn.
Artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de flexibiliteitsbepaling op grond waarvan de gemeente mag afwijken van de geluidnormen.
Licht
Volgens Artikel
artikel 22.239
22.239 moet de verlichting bij
sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn
uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud
wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen
niet gelden bij collectieve festiviteiten staat ook
in Artikel
22.239
dit artikel. Dit
voorschrift
Deze regeling is met name bedoeld voor
sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden
en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een
voorbeeld van een collectieve festiviteit is een sportieve
manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. Ook hier
verdient het aanbeveling burgemeester en wethouders - in samenspraak
met de plaatselijke sportverenigingen - vast te laten stellen op welke
data de betreffende beperkingen niet van toepassing zijn.
Voor lichthinder zijn geen rijksregels opgenomen, waardoor de gemeente de vrijheid heeft af te wijken van bovengenoemde regels.
AAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In 2016 is er, onder meer met het kenniscentrum Infomil, gesproken over de betekenis van het woordje 'in' in artikel 2:21, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit. Conclusie is dat de wetgever daarmee niet heeft bedoeld dat het hier alleen over de binnenruimte van een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan gaat, maar dat het dus ook kan slaan op bijvoorbeeld een bij een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan behorend terras in de open lucht. Dat betekent dat de bepaling in het tweede lid van dit artikel, die de incidentele activiteiten wel beperkt tot de binnenruimte, niet bindend is voor de raad. De raad kan dus dit artikel aanpassen en zodoende bepalen dat de incidentele activiteit ook in de buitenruimte van de inrichting mag plaatsvinden.
Artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving gaat niet enkel over geluid betreffende de binnenruimte van een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan gaat. Dat betekent dat de bepaling in het tweede lid van dit artikel, die de incidentele activiteiten wel beperkt tot de binnenruimte, niet bindend is voor de raad. De raad kan dus dit artikel aanpassen en zodoende bepalen dat de incidentele activiteit ook in de buitenruimte van de inrichting mag plaatsvinden.
Er zijn redenen om incidentele festiviteiten te beperken tot de
binnenruimte. Geluid vanuit de binnenruimte is eenvoudiger
beheersbaar. Gekozen is daarom deze bepaling
ongewijzigd te laten. Het tegenargument daarbij is dat het voor de
doelstelling van dit artikel niet bepalend is waar het geluid wordt
geproduceerd, zolang de normen maar niet worden overschreden. Zoals
hiervoor al genoemd: de wet laat de raad de ruimte om deze bepaling
zo te herschrijven dat incidentele activiteiten ook kunnen
plaatsvinden in de buitenruimte van een locatie waar een
milieubelastende activiteit is toegestaan.
In het tweede en derde lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan. Gebouwen hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Daarbij is het zo dat de regeling geldt voor diverse locaties waar milieubelastende activiteiten mogen plaatsvinden, wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kan dit in de omgevingsvergunning voor een evenement worden geregeld.
BBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste lid
De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal dagen of dagdelen
in verband met de viering van incidentele festiviteiten op locaties
waar een milieubelastende activiteit is toegestaan in een
gemeentelijke verordening stond in artikel 2.21 van het
Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens artikel 2.21, eerste lid,
onder b, kan de raad bij verordening het aantal dagen of dagdelen
aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele
festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen.
Deze bepalingen zijn nu opgenomen
in Subparagraaf 22.3.4.2
en in dit artikel. Een incidentele
festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal
inrichtingen gebonden is. Dit is
bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een
jubileum, een personeels- of straatfeest of een 'vroege
vogels'-toernooi. Meerdaagse festiviteiten zijn denkbaar. In
Subparagraaf 22.3.4.2 is bepaald
dat het maximum aantal dagen
waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal twaalf dagen of
dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft
de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke
omstandigheden, in dit artikel het aantal te verlagen. In het
onderhavige artikel heeft de raad bepaalt dat op
maximaal 4 dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele
festiviteiten op een locatie waar een milieubelastende activiteit is
toegestaan, zijn toegestaan in de gemeente.
Tweede lid
Volgens het voormalige artikel 3.148, eerste lid, van het
Activiteitenbesluit milieubeheer moet bij inrichtingen de verlichting
voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur
zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud
wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3.148 kon
hiervan worden afgeweken. Deze bepalingen zijn nu opgenomen in
Artikel
artikel 22.239
22.199
en in dit artikel. Dit kan bijvoorbeeld als
sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve
wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun
lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een
'vroege vogels'-toernooi. Volgens Artikel 22.199 is
het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de
verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar.
Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum
verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste
lid.
Uiteraard blijft ook bij gebruik van Artikel
22.199, de algemene zorgplicht met betrekking
tot lichthinder en duisternis voor de sportinrichtingen gelden, al is
enige mate van hinder bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De
beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van
de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag.
CCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
DDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De zorgplicht in Artikel 5.38 is erop gericht dat situaties
die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn,
worden voorkomen. De verantwoordelijkheid wordt daarbij bij een ieder
gelegd die flyert of die een object op of boven de openbare weg
plaatst. De zorgplicht ziet daarbij op zowel vergunningplichtige
activiteiten als activiteiten die niet vergunningplichtig
zijn. In lid 2 wordt toegelicht wat onder de
zorgplicht wordt verstaan voor uitstallingen.
EEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
FFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.21 bepaalt welke gegevens er, naast de standaard aanvraagvereisten, moeten worden aangeleverd bij een aanvraag omgevingsvergunning.
[Vervallen]
GGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
HHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIII
Sectie 'Artikel 5.59 Algemeen verbod parkeren voertuig anders dan verkeersdoeleinden' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.52 Specifieke zorgplicht gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met de zinsnede "of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt" is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet 'dagelijks' worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.
Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie en dergelijke worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens en dergelijke op de weg. Door de bestanddelen "te plaatsen of te hebben" (in plaats van "te parkeren") is de handhaving van deze bepaling eenvoudiger. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje en dergelijke op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Campers zijn van dit verbod op grond van het vierde lid uitgezonderd.
Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare weg - vaak juist ook in woonwijken - is ervoor gekozen om deze bepaling direct voor de gehele gemeente van toepassing te verklaren, door te bepalen dat het verboden is de hier bedoelde voertuigen langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben.
JJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
KKKKKKK
Sectie 'Artikel 5.57 Algemene regels verboden' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.59 Algemeen verbod parkeren voertuig anders dan verkeersdoeleinden'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste lid
Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig, moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking krijgen.
Tweede lid
Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Zie bijvoorbeeld ABRvS 21‑09‑2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2119.
Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling.
Derde lid
Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van vrachtwagens en dergelijke bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
Door opneming van de bestanddelen "of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan" zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bijvoorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.
Zoals opgemerkt in de toelichting bij paragraaf
5.5.4 wordt het
Het begrip 'parkeren' wordt
zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet
alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere
belanghebbenden bij het voertuig.
Vierde lid
De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bijvoorbeeld op (het parkeren van) hoogwerkers, meetwagens en dergelijke. Een vergunningmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde parkeren.
LLLLLLL
Sectie 'Artikel 5.58 Algemeen verbod parkeren voertuig met handelsreclame' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.57 Algemene regels verboden'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruikt "met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken", maar vooral als vervoersmiddel.
Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente.
In deze bepaling gaat het om een 'eigenlijk' parkeerexces, hetwelk veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg in de zin van de WVW 1994.
Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame (commerciële reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen. Voor wat betreft de relatie met de artikelen 10 van het EVRM en 19 van het IVBPR wordt verwezen naar ABRvS 23‑12‑1994, ECLI:NL:RVS:1994:AN4127.
MMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verlenen van een vergunning op grond van Artikel 5.60 zal in het algemeen op zijn plaats zijn als redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de houder/ exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto's op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren, dan wel daarover op andere wijze de beschikking te krijgen. Aan de vergunning kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden, onder meer over de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, als ook over het aantal voertuigen dat ter plaatse door de vergunninghouder mag worden geparkeerd.
Eerste lid
Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto's die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Bij het opstellen van deze bepaling is ernaar gestreefd de delictomschrijving zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene "zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte" van de hier bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen "hem toebehoren of zijn toevertrouwd", onder omstandigheden problemen opleveren. De woorden "drie of meer voertuigen" zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto('s) van de exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk (zie het tweede lid, onder b).
Deze bepaling heeft slechts betrekking op 'eigenlijke' parkeerexcessen, dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg in de zin van de WVW 1994. Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen buiten de weg.
De gemeente bepaalt zelf het aantal meters. Op basis van de bepaling mogen binnen de cirkel met een straal van 35 meter maximaal twee, dus geen drie, voertuigen staan. Eén van de op de weg geparkeerde voertuigen geldt als middelpunt van de cirkel. Voor eventuele volgende voertuigen die buiten deze cirkel staan, geldt opnieuw dat er maximaal twee voertuigen binnen een cirkel met een straal van 35 meter mogen staan. En zo verder. Overigens lijkt de Afdeling de bepaling anders, en strikter, uit te leggen. Zie hiervoor ABRvS 06‑02‑2019, ECLI:NL:RVS:2019:358 (Den Haag), waarin naar aanleiding van een gelijkluidende APV-bepaling is beoordeeld of de voertuigen waren geparkeerd in een straal van 25 meter rond de onderneming. Dat is echter niet wat in het voormalige artikel 5.2 van de APV staat.
Eerste lid, onder b
Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid.
Tweede lid
Het woord 'vergen' is opgenomen in plaats van 'duren' om zoveel mogelijk twijfel uit te sluiten over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is. Bij het gebruik van de term 'vergen' beschikt men over een meer objectieve maatstaf.
OOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Omdat voor de toepassing van dit artikel onder andere het begrip 'weg' uit de WVW 1994 gebruikt wordt, is een omgevingsvergunning vereist voor bijvoorbeeld de aanleg en verandering van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningplicht ook geldt voor de zogenaamde 'eigen wegen' die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance en dergelijke voorschriften gesteld kunnen worden over bijvoorbeeld de wijze van verharding en breedte.
Aan Artikel 5.64
5.67
ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg,
beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met
het oog op de bruikbaarheid van die weg.
Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.
Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Burgemeester en wethouders kunnen in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.
QQQQQQQ
Na sectie 'Artikel 5.64 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Het verlenen van de vergunning zal in het algemeen op zijn plaats zijn als redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de houder/ exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto's op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren, dan wel daarover op andere wijze de beschikking te krijgen. Aan de vergunning kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden, onder meer over de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, als ook over het aantal voertuigen dat ter plaatse door de vergunninghouder mag worden geparkeerd.
RRRRRRR
Sectie 'Artikel 5.69 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten uitrit aanleggen of veranderen' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.65 Beoordelingsregels omgevingsvergunning meer dan drie voertuigen parkeren of als werkplaats gebruiken'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.69
5.72
beoogt de aanleg van uitritten zoveel mogelijk vrij te
laten, maar te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties
voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten
koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitrit
feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse
parkeerruimte.
Uit de jurisprudentie over artikel 14 van de Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in het omgevingsplan (voorheen een verordening) mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.
Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door een privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Burgemeester en wethouders kunnen in dat geval de aanvrager om een omgevingsvergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.
SSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTT
Sectie 'Artikel 5.68 Algemene regel verbod' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.69 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten uitrit aanleggen of veranderen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 5.68
5.71
zijn de
'ontsluitingswegen'
opgenomen waarbij het vanwege verkeersveiligheid onmogelijk is een een
bestaande uitrit te veranderen of een nieuwe uitrit aan te
leggen.
UUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De indiener van de melding moet bij zijn melding een
situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande
situatie ter plaatse voegen (eerste lid, onder a, variant 1).
Aan de hand van deze gegevens kunnen burgemeester
en wethouders sneller de afweging maken of de gewenste uitweg al of
niet kan worden toegestaan en eventueel onder oplegging van welke
voorschriften.
VVVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Sub a en b
Zie de toelichting op Artikel 5.74.
Sub b
Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat
de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kunnen burgemeester en
wethouders op basis van zijn bevoegdheid om
bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 van de Gemeentewet,
een last opleggen om de bomen of beplanting te
verwijderen of te snoeien.
Volgens deze bepaling is er een zorgplicht voor eenieder om beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht niet wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. 'Wegverkeer' kan daarbij breed worden gelezen. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk dat een gevaarlijke situatie ontstaat doordat overstekende voetgangers het zicht wordt belemmerd.
Sub d
c
Met deze bepaling wordt het door een zorgplicht voorkomen dat het
verkeer in gevaar wordt gebracht of hinder of overlast wordt
veroorzaakt voor omwonenden door
handelreclame
handelsreclame.
De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis doorgaans een omgevingsvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle reclames in stand te houden.
Deze bepaling is niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met zo veel woorden van de vrijheid van drukpers uitgezonderd.
Afleidende objecten langs snelwegen
Rijkswaterstaat heeft op 21 oktober 2011 het Beleidskader "Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegen" vastgesteld. De hoofdlijn voor objecten (waaronder reclame) is nu:
- bewegende objecten of beelden zijn niet toegestaan;
- de objecten of beelden mogen niet verblinden (moeten voldoen aan richtlijn lichthinder);
- de objecten of beelden moeten op voldoende afstand van de rijbaan zijn geplaatst.
De APV kan op dit soort objecten van toepassing zijn, namelijk als de grond langs de snelweg valt binnen het begrip 'weg' of binnen de definitie van 'openbare ruimte' als genoemd in artikel 1.1. In dat geval zal het rijksbeleidskader handvaten kunnen bieden om te bepalen of het object het verkeer in gevaar brengt.
YYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.80
5.82
heeft een aanvullend karakter op de hoger wet- en
regelgeving (Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartsverkeerswet, het
Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken
Omgevingswet, de Waterwet,
de Provinciale
vaarwegenverordening
Omgevingsverordening provincie Utrecht, de
Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
Telecommunicatieverordening). De veiligheid op het water heeft reeds
een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het WvSr,
te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het BPR (zie
bijvoorbeeld artikel 1.15 van dit reglement).
Deregulering
Met de melding legt de overheid nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de burger. In eerste instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en onderhoud vormt. Omdat het hierbij gaat om permanent bedoelde zaken, is aan dit artikel wel een meldingsplicht verbonden. Op die manier kan de gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers niet in het geding is. Zo kan worden voorkomen dat een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle financiële gevolgen van dien.
BBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
CCCCCCCC
Sectie 'Artikel 5.90 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning hond in gebied honderverbod' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.80 Meldingsplicht openbaar water'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor het begeven met je
hond in het gebied 'hondenverbod', moet de aanvrager woonachtig zijn
in of grensend
grenzend aan dat gebied, of een dringende
reden hebben dat hij of zij zich met een hond in dat gebied wil
begeven. Bij de aanvraag omgevingsvergunning moet deze reden worden
aangetoond.
DDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
EEEEEEEE
Sectie 'Artikel 5.89 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten hond in gebied honderverbod' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.90 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning hond in gebied honderverbod'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
GGGGGGGG
Sectie 'Artikel 5.95 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten standplaatsen' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.89 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten hond in gebied honderverbod'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De VNG acht een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig ook, noodzakelijk en evenredig. De omgevingsvergunning dient om overlast tegen te gaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De omgevingsvergunning is persoonsgebonden. Op het vergunningstelsel is de Dienstenrichtlijn van toepassing. Dat geldt ook als de standplaats wordt gebruikt voor de verkoop van goederen. Die activiteit vormt voor de toepassing van de Dienstenrichtlijn namelijk een 'dienst'.
Er kan sprake zijn van een schaarse vergunning, waardoor de omgevingsvergunning niet voor onbepaalde tijd kan worden verleend en de selectie- en vergunningprocedure aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen (zie daarvoor 'VNG Handreiking voor gemeenten 'Schaarse vergunningen', november 2018').
Vrijheid van meningsuiting
Voor het aanbieden van gedrukte stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard kan geen vergunning worden geëist in verband met artikel 7 van de Grondwet. Het aanbieden van zodanige gedrukte stukken wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een omgevingsvergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden aangeboden. Deze omgevingsvergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen.
HHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
IIIIIIII
Sectie 'Artikel 5.91 Beoordelingsregels omgevingsvergunning hond in gebied honderverbod' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.95 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten standplaatsen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJ
Sectie 'Artikel 5.92 Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.91 Beoordelingsregels omgevingsvergunning hond in gebied honderverbod'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het gaat bij een standplaats om het te koop aanbieden van goederen of diensten vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen of diensten. Bij het venten met goederen of diensten wordt er immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen of diensten vanaf een andere plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder niet.
Het innemen van een standplaats op een markt, ingesteld op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet, valt niet onder het begrip standplaats . Degene die op een dergelijke markt een standplaats wil innemen, zal zich moeten houden aan de regels die voor de markt gelden.
Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen omgevingsvergunning krachtens deze paragraaf nodig. Op een evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van de Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn.
KKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
LLLLLLLL
Sectie 'Artikel 5.97 Beoordelingsregels omgevingsvergunning standplaatsen' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.92 Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onder e
De Dienstenrichtlijn staat een redelijk voorzieningenniveau niet toe als weigeringsgrond voor standplaatsen, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten (artikel 14, punt 5, van de Dienstenrichtlijn). Op grond van de Dienstenrichtlijn mag wel een kwantitatieve of territoriale beperking worden gesteld, mits:
geen sprake is van discriminatie naar nationaliteit of statutaire zetel (discriminatieverbod);
er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid); en
de maatregelen zijn geschikt om het nagestreefde doel te bereiken en gaan niet verder dan nodig is en het doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt (evenredigheid) (artikel 15 Dienstenrichtlijn).
De formulering van onderdeel e is hierop afgestemd.
Het begrip 'dwingende reden van algemeen belang' omvat onder meer
de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en
volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het
Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde; bescherming van
het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van de stedelijke
en rurale ruimtelijke ordening.
Maximumstelsel
Op grond van de Europese Dienstenrichtlijn is een maximumstelsel toegestaan. Wel geldt op grond van artikel 9 juncto 10 van de Dienstenrichtlijn dat er een transparante en non-discriminatoire op objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn.
Bij het vaststellen van een maximum aantal omgevingsvergunningen, eventueel uitgesplitst naar plaats, tijdstip of branche, moet rekening gehouden worden met het aantal reeds afgegeven (omgevings)vergunningen.
Voorschriften omgevingsvergunning
Aan de omgevingsvergunning voor een standplaats kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen:
het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode geen standplaats is ingenomen;
de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden. Hierbij moet men wel het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen goederen voor de consument, anders zou er oneerlijke concurrentie kunnen zijn;
de grootte van de standplaats;
de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden;
het uiterlijk aanzien van de standplaats;
tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats;
eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid.
Overige regelgeving
Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van het omgevingsplan van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan de straathandel. Te noemen zijn de Winkeltijdenwet en de Warenwet
MMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
NNNNNNNN
Sectie 'Artikel 5.93 Specifieke zorgplicht' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.97 Beoordelingsregels omgevingsvergunning standplaatsen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOOO
Sectie 'Artikel 5.94 Algemene regels verboden' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.93 Specifieke zorgplicht'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning is verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder omgevingsvergunning een standplaats inneemt, maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder omgevingsvergunning toestaat.
PPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
QQQQQQQQ
Sectie 'Artikel 5.101 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten gemeentelijke monumenten' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.94 Algemene regels verboden'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Slopen
Onder slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen, zie de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van een monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen.
Verplaatsen
Bij het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, zal het bevoegd gezag rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument, dan zal het gelet op 127 artikel 5 van het verdrag van Granada voorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.
Wijzigen
Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. Denk hierbij ook aan het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem.
Herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht
Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn het met golfplaten repareren van een rieten dak, of het reinigen of herstellen van een interieurschildering, of gevel, waarbij een onvoldoende deskundige uitvoering in potentie grote gevolgen kan hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina).
Gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht
Voorbeelden van het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht: Bij het ontsieren kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het (tijdelijk) aanbrengen van reclames of op een andere manier aan het zicht onttrekken van een gevel of het dak. Bij het in gevaar brengen kan bijvoorbeeld aan het gebruiken van een monument als vuurwerkopslag of op een wijze die slecht verenigbaar is met een kwetsbaar interieur, zoals een disco in een zaal met een historische wandbespanning en parketvloer. Ook als het voorgenomen gebruik niet gepaard gaat met een fysieke wijziging van het monument moet de aanvrager aangeven welke maatregelen hij treft om ontsiering van het monument of de nadelige gevolgen van het in gevaar brengen van het monument te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Normaal onderhoud
Normaal onderhoud van een monument is
gedefineerd
gedefinieerd in artikel 1.1.
RRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
SSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTT
Na sectie 'Artikel 5.101 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten gemeentelijke monumenten' worden twee secties ingevoegd, luidende:
Eerste lid
Dit artikel bevat aanvraagvereisten die gelden voor iedere activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument.
Onderdeel a betreft informatie over het huidige en het beoogde gebruik na verlening van de omgevingsvergunning. Deze gegevens zijn nodig om nut en noodzaak van de activiteit en de gevolgen daarvan voor het gemeentelijk monument te kunnen beoordelen.
Onderdeel b dient enerzijds om inzicht te krijgen in de belangen van de aanvrager en de keuzes die ten grondslag liggen aan de aanvraag en anderzijds in de gevolgen voor (de monumentale waarde van) het gemeentelijk monument. Het aanvraagvereiste sluit ook aan op de specifieke zorgplicht. Overigens hoeft niet elk verlies van monumentale waarden tot weigering van de omgevingsvergunning te leiden. Bij de belangenafweging worden ook de belangen van de aanvrager betrokken. Dit volgt onder meer uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht.
Tweede lid
Onderdeel a. De foto's in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument of het te slopen onderdeel, zodat de noodzaak van de voorgenomen sloop voldoende wordt geïllustreerd. Het gaat er hierbij niet om dat het originele (digitale) foto's moeten zijn, maar het mogen geen onduidelijke kopieën zijn.
Onderdeel b. Situatietekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 1°, zijn nodig in geval van het gedeeltelijk afbreken van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt. Als de voorgenomen activiteit alleen bestaat uit inpandig slopen of als het monument geheel wordt gesloopt, geldt dit aanvraagvereiste dus niet. Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Afhankelijk van de aard, omvang en plaats van de voorgenomen sloop kan het gaan om plattegronden, doorsneden, gevelaanzichten en een dakaanzicht. Als alleen inpandige sloopwerkzaamheden plaatsvinden zullen die laatste twee soorten tekeningen niet nodig zijn. Uit slooptekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. Dit moet de omvang en de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. De opnametekeningen kunnen hiervoor als basis worden gebruikt.
Onderdeel c. Een omschrijving van de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal als bedoeld in onderdeel c is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.
Derde lid
Onderdeel a. De rapporten, bedoeld in onderdeel a, kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te slopen onderdelen (nader) te bepalen. Lang niet altijd zullen de actuele monumentale waarden al in voldoende mate in beeld zijn om de gevolgen van de voorgenomen sloopwerkzaamheden voor de aanwezige monumentale waarden te kunnen beoordelen.
Onderdeel b. Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem.
Onderdeel c en d. Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c is bijvoorbeeld nodig in geval van een voorgenomen sloop op grond van de technische staat van een monument of een onderdeel daarvan. Als deze beschrijving en de foto's niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d)
Vierde lid
De foto's in onderdeel b moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat van het monument (toestand) of het te verplaatsen onderdeel en van de ruimtelijke context van het monument (situatie) of het onderdeel in de huidige en in de nieuwe situatie en mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.
Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zullen minder tekeningen nodig zijn dan bij verplaatsing van het gehele monument.
Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.
Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de watertoe- en afvoer (bij een watermolen).
Vijfde lid
Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem.
Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.
Zesde lid
Onderdeel a. De foto's in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument, zodat de noodzaak van de voorgenomen activiteit voldoende wordt geïllustreerd. Het mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.
Onderdeel b. Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Welke soort tekeningen in een concreet geval nodig zijn, hangt af van de aard van de activiteit. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de activiteit ook impact heeft op het exterieur of het aangezicht van het monument, zullen ook geveltekeningen en in voorkomend geval een dakaanzicht nodig zijn. Gebrekentekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, zijn nodig als er gebreken worden hersteld. Het betreft feitelijk opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken adequaat zijn weergegeven. Plantekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 4°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na afloop van de voorgenomen activiteit) is weergeven. Op grond van onderdeel b, onder 5°, moet de aanvrager ook slooptekeningen overleggen, waaruit blijkt welke materialen of onderdelen verwijderd worden. De slooptekeningen moeten de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken.
Onderdeel c. Op grond van onderdeel c moet in het bestek of in de werkomschrijving de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal worden omschreven. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen.
Zevende lid
Onderdeel b. Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem.
Onderdeel c en d. Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto's niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.
Onderdeel e. Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel e kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na verrichting van de activiteit, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D visualisaties.
Onderdeel f. Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.
Onderdeel g. Onderdeel g is een visie op het beheer van een groenaanleg, gebaseerd op een analyse en een waardering op grond van (cultuur)historisch onderzoek en inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem, en wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers). De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode, bijvoorbeeld 12 tot 18 jaar, of langer. De visie kan ook worden weergegeven in streefbeelden.
Lid 1
Omdat de door het bevoegd gezag te maken afweging niet op alle aspecten van het cultureel erfgoed mag zien, is er in dit lid voor gekozen om dit belang te beperken tot het belang van de monumentenzorg. Hiermee wordt een al te ruime afweging voorkomen. Met het belang van de monumentenzorg wordt niet alleen het belang van het desbetreffende gemeentelijk monument bedoeld, maar ook het bredere belang van de monumentenzorg als geheel. Zo komt het voor dat er bij sloop van een gemeentelijk monument met vergunning onderdelen en materialen ter beschikking komen - bijvoorbeeld een gebeeldhouwde geveltop - die van nut kunnen zijn bij het restaureren van andere monumenten. Als aan de vergunning het voorschrift wordt verbonden dat afkomende onderdelen of materialen voor een restauratie van een ander monument ter beschikking moeten worden gesteld, is dit strikt genomen niet in overeenstemming met het belang van het gemeentelijk monument zelf.
Lid 2
In het tweede lid is aangeven met welke beginselen, die zien op het belang van de monumentenzorg bij de beoordeling van de aanvraag, rekening moet worden gehouden. De beginselen onder a tot en met c zijn ontleend aan de artikelen 4, tweede lid, 5 en 11 van het verdrag van Granada.
UUUUUUUU
Sectie 'Artikel 5.100 Specifieke zorgplicht' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.98 Beoordelingsregel omgevingsvergunning gemeentelijke monumenten'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
WWWWWWWW
Sectie 'Artikel 5.108 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten beeldbepalende panden' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.100 Specifieke zorgplicht'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel zijn de activiteiten opgesomd waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. In lid 2 worden de activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (artikel 22.26) of het afwijken van het omgevingsplan nodig is, uitgesloten van de vergunningplicht uit lid 1. De activiteiten die al vergunningsvrij zijn, blijven dus vergunningsvrij.
XXXXXXXX
Sectie 'Artikel 5.109 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning beeldbepalende panden' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.108 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten beeldbepalende panden'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZ
Sectie 'Artikel 5.110 Beoordelingsregel omgevingsvergunning beeldbepalende panden' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.109 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning beeldbepalende panden'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De beschrijvingen van de karakteristieke kenmerken van de
beeldbepalende panden zijn opgenomen in de welstandsnota van de
gemeente Veenendaal. De commissie ruimtelijke
kwaliteit beoordeelt of er wel
of niet blijvend afbreuk wordt gedaan aan
in de beleidsregel op grond van artikel 4.19
van de karakteristieke kenmerken
van het beeldbepalende pand
Omgevingswet.
AAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
BBBBBBBBB
Sectie 'Artikel 5.106 Voorrangsregel' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.110 Beoordelingsregel omgevingsvergunning beeldbepalende panden'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDD
Sectie 'Artikel 5.107 Specifieke zorgplicht' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.106 Voorrangsregel'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat een zorgplicht met het doel om beeldbepalende panden in stand te houden. Een zorgplicht is een verplichting om zorgvuldig om te gaan met de belangen van anderen. In dit geval gaat het om het belang van het in stand houden van cultureel erfgoed. Bij het niet naleven van de zorgplicht, kan handhavend worden opgetreden.
EEEEEEEEE
Sectie 'Artikel 5.117 Specifieke zorgplicht hinderlijke of schadelijke dieren' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.107 Specifieke zorgplicht'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat een zorgplicht met het doel om overlast van de in dit artikel genoemde dieren te voorkomen. Een zorgplicht is een verplichting om zorgvuldig om te gaan met de belangen van anderen. In dit geval gaat het onder andere om het belang van de openbare gezondheid en het voorkomen en tegengaan van overlast. Omdat de begrippen overlast en schade aan de openbare gezondheid tamelijk subjectief van aard zijn, wordt in deze toelichting omschreven wat in ieder geval onder 'overlast' en 'schade aan de openbare gezondheid' wordt verstaan.
Overlast
Om te bepalen of sprake is van overlast wordt gekeken naar
het soort dier (denk hierbij ook aan verschillende rassen);
de aard, ernst en duur van de overlast; en
het aantal dieren.
Met overlast wordt hier in ieder geval bedoeld geluidsoverlast en geuroverlast. Andere vormen van overlast zijn ook denkbaar (denk hierbij aan stof- of lichtoverlast).
Geluidsoverlast
Om aan te nemen dat sprake is van geluidsoverlast moet naar bovengenoemde factoren worden gekeken. Indien bijvoorbeeld meerdere dieren aanwezig zijn, is het sneller aannemelijk dat sprake is van overlast. Daarnaast wordt sneller aangenomen dat dieren met een waaks karakter (bijvoorbeeld herdershonden) eerder voor overlast kunnen zorgen (zie ook ECLI:NL:RBROE:2007:BB8806). Voor wat betreft aard, ernst en duur wordt gekeken naar bijvoorbeeld het tijdstip waarop geluidsoverlast wordt veroorzaakt. Indien een dier tussen 22.00 en 08.00 geluiden veroorzaakt zal dit sneller tot overlast leiden dan wanneer een dier gedurende de dag geluid maakt. Een dier dat overdag frequent geluid maakt kan in bepaalde gevallen ook als overlastgevend worden aangemerkt. Het is dus afhankelijk van de omstandigheden in een concreet geval om te bepalen of sprake is van geluidsoverlast. Bovenstaande criteria geven houvast om te bepalen of sprake is van overlast.
Om de geluidsoverlast te objectiveren kan de gemeente ervoor kiezen om:
Een buurtonderzoek te organiseren waarbij een toezichthoudend ambtenaar of een opsporingsambtenaar de geluidsoverlast kan constateren. Hierbij gaat hij na bij buurtbewoners in welke mate sprake is van overlast. Men moet dan denken aan hoe vaak en wanneer het dier geluid maakt. (dit is voldoende objectief volgens ECLI:NL:RBOBR:2013:4431);
Het meten van geluidsoverlast met meetapparatuur (uitgaande van
de normen uit de 'handreiking industrielawaai') is niet vereist
maar kan wel gebruikt worden. Het belangrijkst is dat de
overlast vast komt te staan, niet de overschrijding van een
bepaald geluidsniveau (zie ook ECLI:NL:RBROE:2007:BB8806, uit
deze uitspraak blijkt dat verweerder in ieder geval vast moet
stellen dat de onderliggende wettelijke bepaling feitelijk is
overtreden. Aangezien het hier om een overlastbepaling gaat
staat het voorop dat sprake is van overlast). Metingen kunnen
ter ondersteuning van het aannemelijk maken van een overtreding
worden gebruikt. Een onderliggende klacht (of meerdere klachten)
in combinatie met buurtonderzoek is leidend om aan te nemen dat
sprake is van geluidsoverlast. Indien uiteindelijk ook gekozen
wordt voor het meten van geluidsoverlast kan het beste worden
uitgegaan van het langtijdgemiddelde en niet van de piekwaarden.
Indien een hond blaft komt dat zeer snel
boven de piekwaarden uit zoals genoemd in de handreiking
industrielawaai. Wanneer men van
piekwaarden uitgaat zou men moeten voorkomen dat het dier geluid
maakt. Het is redelijker om uit te gaan van een
langtijdgemiddelde (zie ook ECLI:NL:RVS:2011:BU3716);
Als een toezichthoudende ambtenaar of opsporingsambtenaar constateert dat sprake is van overlast kan men ervoor kiezen om handhavend op te treden.
Geuroverlast
Om aan te nemen dat sprake is van geuroverlast wordt weer gekeken naar de algemene criteria zoals genoemd onder het kopje 'overlast'. Aangezien er momenteel niet veel jurisprudentie bestaat over het objectiveren van geuroverlast, wordt aangehaakt bij de methode die wordt gehanteerd bij geluidsoverlast. Het houden van een buurtonderzoek, het constateren van de overlast door een opsporingsambtenaar/toezichthoudend ambtenaar en het inventariseren van klachten is afdoende om geuroverlast te objectiveren.
Schade aan de openbare gezondheid
Schade aan de openbare gezondheid wordt aangenomen als men lichamelijke of psychische problemen ondervindt door de overlast. Men kan hierbij denken aan aandoeningen die worden veroorzaakt door de geur/stoffen afkomstig van het dier of die samenhangen met het houden van het dier. Ook kan men denken aan slaapproblemen die te wijten zijn aan de door het dier veroorzaakte overlast.
Sub a
Het vliegen van bijen en duiven kan kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst zijn en op zodanige wijze dat de 'aanvliegbanen' hiervan over de weg lopen, gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren.
Dit gevaar kan meestal met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, worden teruggebracht.
Sub b
Deze zorgplicht dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk
gebeuren er verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander
dier uit het weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De
verplichting dit zoveel mogelijk te voorkomen is daarom op haar
plaats. Een verbod tot het los laten lopen van
honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in
artikel 5.107.
Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 van het WvSr. Daarin wordt het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.
Sub c
In sub c van dit artikel is aangegeven waar minimaal zorg voor moet
worden gedragen om aan de zorgplicht te voldoen. In sub c onder 1 gaat
het om het dagelijks opruimen van uitwerpselen en voedselresten en het
opruimen of voorkomen van overlast gevende geuren en
stoffen. Sub c onder 2 ziet op het voorkomen van
geluidsoverlast. Deze regel is slechts van toepassing indien uit
klachten of een buurtonderzoek is gebleken dat sprake is van
overlast. Wanneer er sprake is van overlast, worden de dieren
tussen 22.00 uur en 08.00 uur binnengehouden in een geluidwerende
ruimte of een nachthok. Hierdoor kan de nachtrust voor omwonenden
veilig worden gesteld. Met nachthok wordt hier bedoeld het
nachtverblijf dat bedoeld is voor een haan. Een nachthok voldoet
ten minste aan de volgende eisen:
Met binnen houden dan wel plaatsen in een geluidswerende ruimte wordt bedoeld dat het dier geplaatst wordt in een gebouw. Onder gebouw wordt verstaan elk bouwwerk dat een voor menselijke toegankelijke, overdekte geheel met wanden omsloten ruimte vormt. Eventuele aanwezige ramen en deuren blijven zoveel als mogelijk gesloten. Een hondenhok wordt in dit verband niet als gebouw gezien.
Indien geluidsoverlast wordt ondervonden anders dan tussen 22.00 uur en 08.00 uur kan dat ook op grond van sub c worden aangepakt. De eigenaar/houder van een dier vindt zelf een manier waardoor de overlast wordt opgeheven of kan worden voorkomen. Denk hierbij aan het uit eigen initiatief binnenhouden van het dier of het laten dragen van 'blafbanden' bij overlast gevende honden. Burgemeester en wethouders schrijven hier niet voor welke maatregelen een eigenaar/houder van een dier moet nemen. Op andere vormen van overlast kan tevens op grond van het derde lid handhavend opgetreden worden.
FFFFFFFFF
Sectie 'Artikel 5.112 Specifieke zorgplicht' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.117 Specifieke zorgplicht hinderlijke of schadelijke dieren'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat een zorgplicht met het doel om onevenredige aantasting van integrale ensembles te voorkomen. Een zorgplicht is een verplichting om zorgvuldig om te gaan met de belangen van anderen. In dit geval gaat het om het belang van het in stand houden van cultureel erfgoed. Bij het niet naleven van de zorgplicht, kan handhavend worden opgetreden.
GGGGGGGGG
Na sectie 'Artikel 5.112 Specifieke zorgplicht' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Wanneer er sprake is van overlast, worden de dieren tussen 22.00 uur en 08.00 uur binnengehouden in een geluidwerende ruimte of een nachthok. Hierdoor kan de nachtrust voor omwonenden veilig worden gesteld. Met nachthok wordt hier bedoeld het nachtverblijf dat bedoeld is voor een haan. Een nachthok voldoet ten minste aan de volgende eisen:
dubbelwandig met isolatie tussen de wanden;
volkomen afgesloten voor het doordringen van daglicht.
Met binnen houden dan wel plaatsen in een geluidswerende ruimte wordt bedoeld dat het dier geplaatst wordt in een gebouw. Onder gebouw wordt verstaan elk bouwwerk dat een voor menselijke toegankelijke, overdekte geheel met wanden omsloten ruimte vormt. Eventuele aanwezige ramen en deuren blijven zoveel als mogelijk gesloten. Een hondenhok wordt in dit verband niet als gebouw gezien.
Indien geluidsoverlast wordt ondervonden anders dan tussen 22.00 uur en 08.00 uur kan dat op grond van de specifieke zorgplicht worden aangepakt. De eigenaar/houder van een dier vindt zelf een manier waardoor de overlast wordt opgeheven of kan worden voorkomen. Denk hierbij aan het uit eigen initiatief binnenhouden van het dier of het laten dragen van 'blafbanden' bij overlast gevende honden.
HHHHHHHHH
Sectie 'Artikel 5.114 Specifieke zorgplicht' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.112 Maatwerkvoorschriften hinderlijke of schadelijke dieren'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat een zorgplicht met het doel om onevenredige aantasting van stedenbouwkundige ensembles te voorkomen. Een zorgplicht is een verplichting om zorgvuldig om te gaan met de belangen van anderen. In dit geval gaat het om het belang van het in stand houden van cultureel erfgoed. Bij het niet naleven van de zorgplicht, kan handhavend worden opgetreden.
IIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJ
Sectie 'Artikel 5.118 Toepassingsbereik' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.114 Specifieke zorgplicht'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een algemeen kapverbod geeft de gemeente onnodig veel werk omdat er
in praktijk meer dan 90% van de aanvragen een kapvergunning wordt
verleend. Ook voor de burger is een algemeen kapverbod belastend. In
verband met deregulering is daarom in 2007 gekozen voor het
uitgangspunt dat in beginsel geen kapvergunning vereist is voor het
vellen van een boom, tenzij deze vermeld staat op
de door
boom is aangewezen binnen de
gemeente opgestelde en vastgestelde
bomenlijst
locatie waardevolle bomen.
Van belang is om bij de aanvrager onder de aandacht te brengen dat (ook) een vergunning nodig kan zijn op grond van het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet. Met name de vogels in de bomen dienen te worden beschermd.
Ten slotte: deze bepalingen zijn bedoeld om toe te zien op het onderhoud en bewaren van het (openbare) groen. Hoe dat eruit ziet en wat daarbij de meest geschikte methode is, kan zeer lokaal bepaald zijn en daarom per gemeente sterk verschillen. Dat blijkt ook in de praktijk: waar veel bepalingen uit de model-APV door de meeste gemeenten worden overgenomen, bestaat bij dit artikel een grote lokale diversiteit.
KKKKKKKKK
Sectie 'Artikel 5.115 Oogmerken' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.118 Toepassingsbereik'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.65 bepaalt welke gegevens er, naast de standaard aanvraagvereisten, moeten worden aangeleverd bij een aanvraag omgevingsvergunning.
[Vervallen]
MMMMMMMMM
Sectie 'Artikel 5.120 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten kappen van bomen en vellen van houtopstanden' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.115 Oogmerken'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze bepaling wordt het belangrijkste element geïntroduceerd: de bomenlijst.
Het vaststellen van een bomenlijst gebeurt door de raad in de vorm
van een werkingsgebied
locatie waardevolle
bomenlijst
bomen vast te stellen in het omgevingsplan.
Aanpassingen en wijzigingen kunnen door burgemeester en wethouders
worden vastgesteld op grond van het Delegatiebesluit
Omgevingsplan. Bespreekpunt daarbij zou voor de
raad wel kunnen zijn in hoeverre de raad nog betrokken kan blijven
bij het wijzigen van de lijst.
Uitgangspunten van deze lijst
zijn
de waardevolle bomen locatie is:
de verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenten zelf: dat wil zeggen voor het inventariseren en actualiseren van het gemeentelijk bomenbestand en het overnemen van de gemeentelijke monumentale bomen die vermeld staan op de landelijke lijst van de Bomenstichting in Utrecht.
duidelijk en inzichtelijk voor de burgers.
zoveel mogelijk de te beschermen bomen verankeren in het
omgevingsplan in een werkingsgebied of een
andere kaart.
De omgevingsvergunning voor het vellen van
houtopstanden is aangewezen in Artikel 5.120. Soms zal naast deze
omgevingsvergunning nog een omgevingsvergunning voor een flora- en
fauna-activiteit nodig zijn in verband met de bescherming van vogels
en hun nesten in de bomen (paragraaf 11.2.2 van het Besluit
activiteiten leefomgeving). De aanvrager kan zelf beslissen of deze
omgevingsvergunningen los van elkaar of gelijktijdig worden
aangevraagd. Bij een gecombineerde aanvraag is de gemeente bevoegd
gezag en heeft de provincie advies- en instemmingsrecht. Er wordt dan
dus één omgevingsvergunning verleend of geweigerd. Bij losse aanvragen
beslist de gemeente op de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor
het vellen van houtopstanden en de provincie op de aanvraag voor de
omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit.
Vierde lid
Door het vierde lid wordt bij onmiddellijk gevaar het kapverbod buiten werking gesteld.
NNNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
OOOOOOOOO
Sectie 'Artikel 5.119 Voorrangsregel' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.120 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten kappen van bomen en vellen van houtopstanden'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ook in de bestemmingsplannen, die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zijn regels opgenomen over het vellen van houtopstanden. Daar waar die regels samenvallen met de regels in deze paragraaf zijn alleen de regels van deze paragraaf van toepassing. De burger hoeft dus niet twee vergunningen voor eenzelfde boom aan te vragen.
PPPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In de Omgevingswet zijn indieningsvereisten voor de aanvraag van een
omgevingsvergunning opgenomen. Naast een aantal algemene
indieningsvereisten zijn er in Artikel 5.121
5.117
nog een aantal speciale indieningsvereisten voor het vellen
van houtopstanden opgenomen.
Let op: handelen zonder of in strijd met een omgevingsvergunning is een economisch delict op grond van artikel 1a van de WED. Als er sprake is van opzet kwalificeert dit delict als een misdrijf.
RRRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel omvat de aanwijzing van de onderneming die met de
inzameling van huishoudelijke afvalstoffen is belast. Lid 2 verwijst
naar Bijlage III Huishoudelijk
V Huishoudelijke afvalstoffen van het
omgevingsplan waarin is opgesomd welke andere inzamelaars zijn
aangewezen om huishoudelijke stoffen in te zamelen.
SSSSSSSSS
Sectie 'Artikel 5.131 Algemene regels verboden huishoudelijke afvalstoffen' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.126 Algemene regels inzameldienst en inzamelaars'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1 regelt dat het aanbieden, overdragen of achterlaten van
huishoudelijke afvalstoffen niet anders mag gebeuren via de kanalen
die daarvoor in Artikel 5.126
5.123
, Artikel 5.128
5.125
en Artikel 5.129
5.126
zijn aangewezen. Lid 2 regelt de keerzijde van Artikel 5.130
5.127
. Wat gescheiden moet worden ingezameld, moet ook gescheiden
worden aangeboden. Lid 3 bevat een vrijstelling van
het verbod in lid 2 voor personen die woonachtig zijn in een
gestapelde woning. Een gestapelde woning is in de begripsbepalingen
gedefinieerd als een woning die zich bevindt in een woongebouw dat
bestaat uit twee of meer boven- of nagenoeg boven- elkaar
gesitueerde woningen. Lid 4 bevat een verbod om een inzamelmiddel
na afloop van de tijden, bedoeld in Artikel 5.131, eerste lid, aanhef en onder d, buiten een
perceel te laten staan.
TTTTTTTTT
Sectie 'Artikel 5.129 Algemene regels gebruik en aanbieden inzamelmiddelen' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.131 Algemene regels verboden huishoudelijke afvalstoffen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er is een onderscheid tussen inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen. Inzamelmiddelen dienen het ter inzameling aanbieden door een huishouden, zoals een minicontainer, afvalemmer, plastic afvalzak. Inzamelvoorzieningen, dienen het collectief ter inzameling aanbieden door meerdere huishoudens, zoals een verzamelcontainer of een wijkcontainer, voor het inzamelen daarvan. Dit artikel bevat regels over de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen worden aangeboden.
UUUUUUUUU
Sectie 'Artikel 5.130 Algemene regels afvalscheiding' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.129 Algemene regels gebruik en aanbieden inzamelmiddelen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWWWW
Sectie 'Artikel 5.139 Specifieke zorgplicht afval en verontreiniging op de weg' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.130 Algemene regels afvalscheiding'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel gaat over het laden en lossen en bevat een zorgplicht om
na beëindiging van de werkzaamheden de weg opgeruimd achter te laten.
Degene die de weg verontreinigt
eeft
heeft de zorgplicht om na beëindiging van
de werkzaamheden de weg opgeruimd achter te laten. Het doel van het
artikel is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het
wegdek te verzekeren.
XXXXXXXXX
Sectie 'Artikel 5.134 Algemene regels inzameling bedrijfsafvalstoffen' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.139 Specifieke zorgplicht afval en verontreiniging op de weg'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze bepaling bestrijdt het 'zwerfkarrenprobleem' door winkelbedrijven te verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van het probleem is via een statiegeldsysteem op het gebruik van winkelwagentjes. De consument kan een wagentje pas gebruiken met bijvoorbeeld een munt van 50 eurocent. Dit leidt niet altijd tot het gewenste resultaat. Om die reden gaan sommige gemeenten er toe over om in deze bepaling een verbod jegens de burger op te nemen.
[Vervallen]
ZZZZZZZZZ
Sectie 'Artikel 5.136 Algemene regels verboden bedrijfsafvalstoffen' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.134 Algemene regels inzameling bedrijfsafvalstoffen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
BBBBBBBBBB
Sectie 'Artikel 5.138 Specifieke zorgplicht zwerfafval' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 5.136 Algemene regels verboden bedrijfsafvalstoffen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Sub a en b gaan over straatafval. Dat is afval dat onderweg ontstaat, buiten een perceel, dat niet als zwerfafval op straat of in het plantsoen terecht dient te komen en waarvoor afvalbakken of voorzieningen zijn om zich daarvan ter plekke te ontdoen (voor zover van zeer beperkte omvang en gewicht). Klein chemisch afval is uitdrukkelijk uitgesloten van de omschrijving. Dit afval dient in alle gevallen via de daartoe opgezette inzamelstructuur te worden verwijderd. Het gaat hier per definitie om afvalstoffen die "buiten een perceel ontstaan". Er bestaat een zorgplicht om een huishoudelijke afvalstof, ontstaan op of binnen het perceel, aan te bieden volgens de bepalingen uit Paragraaf 5.8.2.
Sub c en d bevatten een zorgplicht om geen zwerfafval achter te laten op locaties waar milieubelastende activiteiten zijn toegestaan.
CCCCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
DDDDDDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
FFFFFFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste lid
Natuurgebieden, parken en dergelijke worden steeds vaker door ruiters en fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent vaak ook schade aan flora en fauna.
Op grond van het tweede lid 2 geldt een algeheel verbod om zich met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een natuurgebied te bevinden. Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het Delegatiebesluit Omgevingsplan terreinen aanwijzen waar dit verbod niet geldt en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze terreinen.
Stiltegebieden
De Provinciale omgevingsverordening stelt regels over het gebruik van toestellen binnen stiltegebieden. Het is ook verboden om met een motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten.
Groenstroken en grasperken
Daarnaast is het helaas ook een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen.
Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken en dergelijke, die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.
Omdat in de WVW 1994 onder 'wegen' ook de bermen vallen, is het in dit artikel vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de WVW 1994).
Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet strafbaar, als dat geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit te stappen, dan wel voor het laden of lossen van goederen. Deze beperkingen zijn onwenselijk bij een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in groenvoorzieningen. Daarom is hier bewust gekozen om de bestanddelen 'te bevinden' te gebruiken naast 'te parkeren', omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid veroorzaakt.
Ten overvloede: gedragingen als de onderhavige brengen in sommige gevallen ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het WvSr met zich mee.
Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel deel uit van de 'wegen' in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een 'oneigenlijk' parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de 'weg' (in de zin van de WVW 1994) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook bijvoorbeeld het rijden over openbare beplantingen wordt verboden.
Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat bijvoorbeeld auto's en motoren op de rijbaan en op andere weggedeelten - met uitzondering van het trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad - mogen worden geparkeerd. Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als ongewenst moet worden aangemerkt, kunnen burgemeester en wethouders een parkeerverbod voor die berm worden instellen op basis van het Delegatiebesluit Omgevingsplan. Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is, bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de berm wel kan worden toegestaan. In dat geval is plaatsing van bord E1 van bijlage 1 van het RVV 1990 noodzakelijk.
Tweede en derde lid
Bij de onder lid 2 bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen in gebruik bij de politie, de brandweer of de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder b van het derde lid.
[Vervallen]
KKKKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto's, motoren, bromfietsen en dergelijke al dan niet met een wedstrijdkarakter, zijn verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.
Afbakening
Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet vervallen bepalingen van het omgevingsplan van rechtswege als in het onderwerp door een wet, AMvB of provinciale verordening wordt voorzien. De term 'onderwerp' in artikel 122 van de Gemeentewet betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. Hieronder wordt ingegaan op de afbakening van Artikel 5.85 ten opzichte van de Wegenverkeerswet 1994, de Omgevingswetgeving en de Zondagswet.
WVW 1994
Het verkeersrechtelijk regime is niet van toepassing wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Op de vraag wanneer sprake is van een zodanige weg wordt verwezen naar de definitie in Artikel 1.1.
Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen en dergelijke op de weg, als bedoeld in de WVW 1994, plaats vindt én een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen. Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de deelnemers aan de wedstrijd.
Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen dan op de weg in de zin van de WVW 1994, dan kan Artikel 5.85, eerste lid van toepassing zijn. Artikel 5.85, eerste lid ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het RVV 1990 in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door burgemeester en wethouders. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht wordt gesteld.
Evenementen
Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 3, 'Evenementen' van de Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal van toepassing (artikel 2:24 en verder). De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo'n evenement dan wel het evenement geheel verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten en dergelijke.
Besluit activiteiten leefomgeving
Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen en dergelijke buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst bedoelde terreinen vallen doorgaans onder paragraaf 3.9.1 van het Bal. Voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in Artikel 5.85, eerste lid en Artikel 5.85, tweede lid.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om op een aanvraag voor omgevingsvergunning voor een motorterrein als bedoeld in 3.305 Bal te beslissen.
Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de motieven die aan de wettelijke regeling ten grondslag liggen, zijnde de gevolgen voor de fysieke leefomgeving of de bescherming van de fysieke leefomgeving.
Omgevingsplan
De regeling in het omgevingsplan is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in paragraaf 3.9.1 Bal, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt.
In een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de werkingssfeer ten opzichte van de Omgevingswet in ieder geval moeten zijn afgebakend.
Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming van de milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of de deelnemers.
[Vervallen]
LLLLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Los daarvan staat het probleem al jaren hoog in de ranglijsten van ergernissen.
Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te pakken.
Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is daardoor deels preventief. Het is mogelijk om het bij zich hebben van 'opruimmiddelen' verplicht te stellen, wat uiteraard wel controleerbaar is. Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie.
In het tweede lid is een uitzondering gemaakt voor de eigenaar of houder van een geleidehond of sociale hulphond en voor de eigenaar of houder van een hond die vanwege een blessure niet in staat is de uitwerpselen van een hond te verwijderen en af te voeren.
[Vervallen]
NNNNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.86 beperkt het loslopen van honden, zonder dat de hond aangelijnd is, binnen bepaalde gebieden. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.
In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:
de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht;
het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;
het voorkomen van hinder voor voetgangers;
het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.);
het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan.
Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden. Voor deze categorie is in het derde lid een voorziening getroffen.
Het eerste lid, onder a, maakt het mogelijk om ook buiten de bebouwde kom plaatsen aan te wijzen waar honden moeten worden aangelijnd.
Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door burgemeester en wethouders aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.
Het BW geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente moet op basis van Boek 5, artikel 8, derde lid, van het BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging van het dier op zich nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vormgegeven door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken. De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist.
Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even verwijderd is van eigenaar of erf, is geen sprake van een 'gevonden dier'.
De regeling over het doden van dieren is uitputtend bedoeld. De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het geheel niet regelen.
[Vervallen]
OOOOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
PPPPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
QQQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
RRRRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
UUUUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
VVVVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
WWWWWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
AAAAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
BBBBBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
EEEEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
FFFFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
HHHHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In beginsel biedt de Belemmeringenwet Privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet Privaatrecht is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerende zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.
[Vervallen]
JJJJJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
KKKKKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument. Dit artikel bevat de criteria die de gemeente Veenendaal hanteert. Hierbij moet op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een belangenafweging worden gemaakt. Hoewel niet concreet genoemd, valt hieronder ook het belang van het gebruik van het monument.
[Vervallen]
LLLLLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.
[Vervallen]
MMMMMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
NNNNNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
OOOOOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ontvangst van de aanwijzing is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.
De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is alleen een administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Na registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk ergoedregister, wordt de locatie van het aangewezen gemeentelijk monument toegevoegd aan het werkingsgebied 'Gemeentelijke monumenten'.
[Vervallen]
PPPPPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister.
[Vervallen]
QQQQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
RRRRRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ontvangst van de aanwijzing is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.
[Vervallen]
SSSSSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ontvangst van de aanwijzing is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.
De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is alleen een administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.
Na registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk ergoedregister, wordt de locatie van het aangewezen beeldbepalend pand toegevoegd aan het werkingsgebied 'Beeldbepalende panden'.
[Vervallen]
TTTTTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.
In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder
geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de
Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met
uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in
REF(Bijlage I
Begripsbepalingen,LABEL EN
NUMMER,UPPER_CASE) bij dit omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in Artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.
UUUUUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.
[vervallen]
VVVVVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Artikel 22.279 is een beoordelingsregel opgenomen voor in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen verbodsbepalingen om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten. Onder «sloopactiviteit» moet op grond van de bijlage bij de Omgevingswet «het slopen van een bouwwerk» worden verstaan. Deze begripsbepaling is op grond van Artikel 1.1 van dit omgevingsplan ook van toepassing op Hoofdstuk 22 van dit plan. De vergunningenstelsels voor de hier bedoelde sloopactiviteiten konden op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening in onder meer bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen zijn opgenomen. In het nieuwe stelsel zijn deze regelingen onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De beoordelingsregel voor deze in ruimtelijke regelingen opgenomen sloopvergunningenstelsels was opgenomen in artikel 2.16 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ter vervanging van deze bepaling is in Artikel 22.279 in een gelijkluidende beoordelingsregel voorzien. In de nieuwe redactie is er echter rekening mee gehouden dat naast deze (vanuit artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overgehevelde) beoordelingsregel ook nog andere specifieke beoordelingsregels kunnen zijn gesteld in de vergunningenstelsels voor sloopactiviteiten in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de jurisprudentie is de mogelijkheid om in bijvoorbeeld een bestemmingsplan ook nog specifieke beoordelingsregels voor het slopen te stellen bevestigd (verwezen wordt naar ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:898, TBR 2014/61). Als dergelijke beoordelingsregels zijn gesteld, blijven deze onverminderd van toepassing en werkt de beoordelingsregel in Artikel 22.279 hierop aanvullend.
[vervallen]
WWWWWWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover
een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een
gemeentelijk monument bestaat uit het gedeeltelijk of volledig
verplaatsen van een monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een
kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten
houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat
verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden
voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan
ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot
het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van
het monument, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van
Granada
[vervallen]
3
voorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen
van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de
herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten
de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de
noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de
toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde
wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een
nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker
zijn.
Eerste lid
De foto's in onderdeel b moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat van het monument (toestand) of het te verplaatsen onderdeel en van de ruimtelijke context van het monument (situatie) of het onderdeel in de huidige en in de nieuwe situatie en mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.
Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zullen minder tekeningen nodig zijn dan bij verplaatsing van het gehele monument.
Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.
Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de watertoe -en afvoer (bij een watermolen).
Tweede lid
Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij Artikel 22.288.
Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.
Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel e moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.
XXXXXXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht. Bij het eerste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het (tijdelijk) aanbrengen van reclames of op een andere manier aan het zicht onttrekken van een gevel of het dak. Bij het laatste bijvoorbeeld aan het gebruiken van een monument als vuurwerkopslag of op een wijze die slecht verenigbaar is met een kwetsbaar interieur, zoals een disco in een zaal met een historische wandbespanning en parketvloer.
Ook als het voorgenomen gebruik niet gepaard gaat met een fysieke wijziging van het monument moet de aanvrager aangeven welke maatregelen hij treft om ontsiering van het monument of de nadelige gevolgen van het in gevaar brengen van het monument te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
[vervallen]
YYYYYYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in Artikel 22.290, Artikel 22.291 en Artikel 22.292. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.
[vervallen]
ZZZZZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is bepaald dat de aanvraagvereisten die op grond van Artikel 22.287 tot en met Artikel 22.294 voor gemeentelijke monumenten gelden, ook gelden voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten (als bedoeld in bijlage I bij het Bbl). Omwille van de leesbaarheid is voor een apart artikel gekozen in plaats van het opnemen in voornoemde artikelen zelf.
[vervallen]
Artikel 5: «Iedere Partij verplicht zich ertoe de verplaatsing van een beschermd monument of van een deel daarvan te verbieden, behalve indien zulks dringend is vereist voor het behoud van dit monument. In dat geval neemt de bevoegde autoriteit de nodige voorzorgsmaatregelen betreffende het demonteren, het overbrengen en het herbouwen van het monument op een geschikte plaats.» Voor rijksmonumenten is dit geregeld in artikel 8:82 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Terug naar link van noot.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-185010.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.