Gemeenteblad van Helmond
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Helmond | Gemeenteblad 2025, 182417 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Helmond | Gemeenteblad 2025, 182417 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Helmond 2025
De raad van de gemeente Helmond;
Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 maart 2025;
Gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
Gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 derde lid van de Jeugdwet
Hoofdstuk 1 Uitgangspunten en begrippen
Waarom deze regels? We vinden het belangrijk dat:
De wetgever heeft wetten – onder meer de Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet – gemaakt om dit te bereiken. In die wetten is geregeld dat het de taak is van de gemeente om inwoners hierbij te helpen en hier regels over te maken. De gemeente heeft hierin een zorgplicht naar inwoners en jeugdigen.
We bieden inwoners hulp bij het meedoen, rondkomen en vooruitkomen. Sociale Teams Helmond levert hiervoor vrij toegankelijke laagdrempelige ondersteuning, zonder indicatie. Als het nodig is, kan via Sociale Teams Helmond ook een indicatie voor Wmo of Jeugdhulp worden gevraagd.
Deze verordening geeft de gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen:
De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal beloftes aan onze inwoners (vastgelegd in de Kadernota sociaal domein Helmond):
De regels in deze verordening vullen de wettelijke (landelijke) regels aan. Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten, het vastgestelde beleid en de beloftes aan onze inwoners. De gemeente zorgt ervoor dat het effect van een besluit past bij die doelen. Dit betekent dat gedaan wordt wat nodig is en dat er gewerkt wordt vanuit de bedoeling. Regels zijn helpend en volgend.
In deze verordening wordt verstaan onder:
Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat vrij toegankelijk is. Een onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruiker is niet noodzakelijk om toegang te krijgen tot de algemene voorziening. Het aanbod is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp;
Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is, niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten en voor de inwoner ook daadwerkelijk beschikbaar is, financieel gedragen kan worden en adequate compensatie biedt;
Beschermd thuis: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een inwoner afgestemd geheel van diensten en activiteiten in het kader van intensieve ambulante (woon-) begeleiding. Beschermd thuis kan zowel begeleiding groep als begeleiding individueel omvatten. In geval van begeleiding individueel is er bij beschermd thuis sprake van 24-uurs bereikbaarheid van de begeleiding en deels planbare en deels onplanbare begeleiding;
Eigen kracht: het vermogen van de inwoner en de personen die tot zijn sociale omgeving behoren om zelf tot verbetering van zijn situatie te komen als het gaat om gezond en veilig opgroeien, groeien naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing te komen voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
Hoofdstuk 3 Regels voor maatschappelijke ondersteuning
PARAGRAAF 1 – RESULTATEN EN TOEGANGSCRITERIA
Artikel 3.1 Resultaten van maatschappelijke ondersteuning
Artikel 3.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning
Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening:
als voor de ervaren beperkingen al eerder een voorziening aan de inwoner is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet is verstreken. Een uitzondering geldt als de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen. Of als de inwoner de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan, geheel of gedeeltelijk vergoedt;
Het college verstrekt geen woonvoorziening:
als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Het college kan in zo'n situatie wel een voorziening voor verhuizing en inrichting verstrekken;
PARAGRAAF 2 – PERSOONSGEBONDEN BUDGET
Artikel 3.10 Hoogte pgb voor woningaanpassing
De hoogte van het pgb voor een woningaanpassing wordt vastgesteld aan de hand van de door het college geaccepteerde offerte. Alleen de volgende kosten maken deel uit van het pgb en komen dus voor vergoeding in aanmerking:
PARAGRAAF 3 - FINANCIËLE TEGEMOETKOMING
Artikel 3.16 Tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten
Als het verhuisprimaat wordt toegepast en de inwoner niet wenst te verhuizen, biedt het college de inwoner de mogelijkheid een tegemoetkoming te ontvangen tot maximaal € 10.000,- voor de noodzakelijke woonvoorziening(en). Hierbij geldt de voorwaarde dat de woonvoorziening wordt uitgevoerd conform het door het college vastgestelde programma van eisen.
Artikel 3.19 Tegemoetkoming voor een sportvoorziening
Voor de looptijd van de tegemoetkoming wordt aansluiting gezocht bij de afschrijvingstermijn die gangbaar is voor de voorziening. Als de sportvoorziening na het verstrijken van de afschrijvingsduur nog adequaat is, kan een tegemoetkoming voor onderhoud van de voorziening worden verstrekt in plaats van een nieuwe tegemoetkoming.
PARAGRAAF 4 - BIJDRAGE IN DE KOSTEN
Artikel 3.22 Hoogte bijdrage in de kosten
De hoogte van de bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor collectief vervoer is per rit gelijk aan het in de regio voor het reguliere openbaar vervoer geldende opstaptarief plus het kilometertarief vermenigvuldigd met het aantal gereisde kilometers. Dit kilometertarief geldt voor de eerste 25 kilometer per rit. Daarboven geldt een commerciële ritprijs.
PARAGRAAF 5 – BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK
Artikel 3.26 Voorkomen van oneigenlijk gebruik of misbruik
Het college informeert inwoners over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
PARAGRAAF 6 – KWALITEIT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING
Artikel 3.30 Kwaliteitseisen aanbieders maatschappelijke ondersteuning
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de in dit artikel gestelde eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.
Artikel 3.32 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
Hoofdstuk 4 Regels voor jeugdhulp
PARAGRAAF 2 – RESULTATEN EN TOEGANGSCRITERIA
Artikel 4.3 Criteria voor een maatwerkvoorziening jeugdhulp
Inwoners kunnen in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Hieronder wordt in ieder geval, ter aanvulling op het beoordelingskader eigen kracht in bijlage 3, verstaan:
PARAGRAAF 3 – TOEGANG VIA MEDISCH DOMEIN EN JUSTITIEEL KADER
Artikel 4.4 Verwijzing door huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Als de huisarts, medisch specialist of jeugdarts verwijst naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, is de jeugdhulpaanbieder verplicht direct, vóór de start van de hulp, contact op te nemen met de gemeente. Indien geen contract zorg in natura tot stand komt, kan geen opdracht tot verlenen zorg tot stand komen.
Artikel 4.6 Verwijzing via justitieel kader
Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig vinden bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig vindt bij de uitvoering van de jeugdreclassering.
Uitgangspunt bij toegang tot jeugdhulp via het justitieel kader is verwijzing naar een door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als in dit kader wordt verwezen naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, vindt er vóór de start van de hulp, overleg plaats met het college over de zorginzet.
PARAGRAAF 4 – PERSOONSGEBONDEN BUDGET
Artikel 4.7 Regels voor een pgb
Het college verstrekt geen pgb als:
De inwoner het beheer van het pgb overlaat aan iemand die de beheerstaken niet met voldoende afstand en kritisch kan vervullen. Een uitzondering geldt voor de situatie dat familieleden in de eerste of tweede graad (een deel van) de jeugdhulp verlenen. Het pgb-beheer mag in dat geval door die zorgverlener (het familielid) worden uitgevoerd.
PARAGRAAF 5 – BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK EN TOEZICHT
Artikel 4.12 Voorkomen van oneigenlijk gebruik of misbruik
Het college informeert inwoners over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
PARAGRAAF 6 – KWALITEIT JEUGDHULP
Artikel 4.16 Kwaliteitseisen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen
Gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen zijn bovendien gehouden tot naleving van aanvullende kwaliteitseisen zoals neergelegd in de gesloten overeenkomst met de gemeente. Aan jeugdhulpaanbieders die op basis van een pgb jeugdhulp verlenen worden deze aanvullende kwaliteitseisen niet opgelegd, maar wel meegewogen in de beoordeling of sprake is van kwalitatief goede en passende dienstverlening.
Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 8 april 2025
De raad van de gemeente Helmond,
de voorzitter,
de griffier,
Bijlage 1 Richtlijn Gebruikelijke Hulp Wmo
1. Definitie gebruikelijke hulp
Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt dus bepaald door wat op dat moment normaal is en kan in de loop van de tijd veranderen. In deze beleidsregels werken we daarom uit wat we op dit moment onder gebruikelijke hulp verstaan. Hierbij houden we rekening met recente rechtspraak.
Voor het deel van de beperkingen dat met gebruikelijke hulp kan worden opgelost, is geen maatwerkvoorziening mogelijk. Dit is anders dan bij meer vrijblijvende vormen van hulp, zoals mantelzorg.
2. Uitgangspunt: gebruikelijke hulp, tenzij…
Gebruikelijke hulp is dé richtlijn bij een hulpvraag vanuit een huishouden of gezin. We verwachten in dit verband dat de volwassen huisgenoten, ouders en verzorgers onderling alle noodzakelijke hulp en ondersteuning bieden, en de inwonende kinderen naar vermogen. Een Wmo-indicatie voor een (tijdelijke of langdurige) inzet van een voorziening komt dan niet ter sprake, tenzij:
3. Van wie kan gebruikelijke hulp worden verwacht?
Gebruikelijke hulp kan worden verwacht van alle personen die deel uitmaken van de leefeenheid van de inwoner. Een inwoner en een huisgenoot behoren tot dezelfde leefeenheid (zijn huisgenoten) als ze hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De inschrijving in de Brp is niet altijd doorslaggevend. Hoofdverblijf moet worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Er is pas sprake van twee afzonderlijke woningen:
Onderdeel van de leefeenheid kunnen zijn:
Bij echtgenoten gaat het om (artikel 1.1.2 Wmo 2015):
Van een gezamenlijke huishouding is sprake als aan drie eisen is voldaan:
Van echtgenoten onderling mag verwacht worden dat ze elkaar waar mogelijk ondersteunen. Hieronder staan enkele voorbeelden:
Het gaat om gebruikelijke hulp van wettelijke, biologische, pleeg- en stiefouders aan kinderen die nog thuis wonen. Hieronder staan enkele voorbeelden van (gebruikelijke) hulp in deze situatie:
Het gaat hier om inwonende wettelijke, biologische, pleeg- en stiefkinderen. Wat van kinderen mag worden verwacht is afhankelijk van de leeftijd, en het individu. Het ene kind is het andere niet. Verder moet voorkomen worden dat een kind vanwege de zorg voor een ander gezinslid of het verrichten van taken in het huishouden, belemmerd wordt in zijn ontwikkeling. Dit betekent dat er altijd aandacht moet zijn voor de situatie waarin een kind opgroeit. In zijn algemeenheid kan echter het volgende vertrekpunt worden gehanteerd:
Hierbij gaat het om één of meer huisgenoten die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Een familieband is hierbij geen eis. Ook van deze “andere huisgenoten” wordt gebruikelijke hulp verwacht, volgens de afweging in onderdeel 2 van deze bijlage. Wat in de praktijk van een “andere huisgenoot” verwacht wordt, kan afhangen van specifieke individuele kenmerken. Bijvoorbeeld om wat voor soort hulp het gaat en wat de aard van de relatie is tussen de huisgenoten. Niet specialistische hulp kan ook van een andere huisgenoot meestal verwacht worden. Gaat het om ondersteuning met een meer vertrouwelijk karakter, zoals begeleiding bij persoonlijke verzorging, dan kan meespelen wat de aard van de relatie is tussen de huisgenoten.
4. Welk deel van de hulpvraag kan worden opgelost met gebruikelijke hulp?
Als van een persoon gebruikelijke hulp kan worden gevraagd, dan wordt verwacht dat deze persoon toereikende hulp biedt, tenzij sprake is van redenen/omstandigheden die dit belemmeren (zie hiervoor de richtlijnen in onderdeel 2 hierboven). Dit geldt ook voor de omvang van de gebruikelijke hulp die geboden wordt.
5. De relatie tussen gebruikelijke hulp en pgb
Als de ondersteuningsbehoefte niet volledig kan worden ingevuld via gebruikelijke hulp of een andere eigen oplossing, dan kan er -binnen de gestelde kaders- een maatwerkvoorziening worden toegekend. Het uitgangspunt is dat met een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb geen hulp kan worden ingekocht bij een persoon binnen de leefeenheid. Immers, als er binnen de leefeenheid een persoon in staat is de benodigde ondersteuning te bieden, dan hoeft er geen maatwerkvoorziening te worden toegekend. En kan de leefeenheid de ondersteuning niet (volledig) bieden, dan is er ondersteuning van buiten de leefeenheid nodig. Bijvoorbeeld omdat de personen binnen de leefeenheid niet over de benodigde expertise beschikken of niet (altijd) beschikbaar zijn. Uitzonderingen hierop zijn alleen denkbaar in situaties waarbij een inwoner bij vrijwel alle ADL-activiteiten afhankelijk is van begeleiding en een persoon of personen uit de leefeenheid deze begeleiding het beste kunnen bieden, maar hierdoor bijvoorbeeld de keuze moeten maken niet meer/minder te gaan werken.
Bijlage 2 Eisen aan formele hulp Wmo op basis van een pgb
In deze bijlage worden criteria gesteld aan personen of aanbieders die op basis van een pgb professionele ondersteuning bieden op grond van de Wmo 2015. Dit noemen we formele hulp. Om te kunnen spreken van formele hulp, moet de persoon of aanbieder voldoen aan de eisen in deze bijlage. Als een aanbieder gebruikt maakt van een onderaannemer, moet ook de onderaannemer voldoen aan de eisen zoals beschreven in deze bijlage.
De door de aanbieder te leveren ondersteuning moet veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn. Dit betekent dat in ieder geval aan de volgende eisen wordt voldaan:
de aanbieder ziet er op toe dat zorgverleners tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard, zoals geldend in de branche. Dit betreft ook het toezien op het gebruik van werkmethoden die planmatig, transparant en controleerbaar zijn;
De aanbieder voert een personeelsbeleid dat aansluit bij de uitgangspunten van toegankelijkheid en effectiviteit van de ondersteuning voor alle doelgroepen. Dat betekent onder meer dat:
De organisatie zoekt naar een optimale balans tussen de inzet van professionals, leerlingen/stagiaires, ervaringsdeskundigen en vrijwilligers. Leerlingen, stagiaires, ervaringsdeskundigen en vrijwilligers kunnen onder begeleiding van een volleerd professional worden ingezet met inachtneming van de redelijke balans tussen volleerd en lerend personeel.
§ 2 Aanvullende criteria voor beschermd wonen en beschermd thuis
Voor aanbieders die beschermd wonen of beschermd thuis aanbieden, gelden aanvullend op paragraaf 1 de volgende eisen:
de aanbieder beschikt over een goed werkend kwaliteitssysteem. Dit blijkt uit een certificering in het kader van de HKZ (specifiek gericht op de doelgroep van begeleiding, beschermd wonen en beschermd thuis) of een daaraan vergelijkbaar keurmerk (gericht op de doelgroep van begeleiding, beschermd wonen en beschermd thuis).
de aanbieder voorziet in en geeft uitvoering aan de landelijke minimale eisen voor aanbieders met betrekking tot het waarborgen van veilige zorg. Dit betekent dat aanbieder in ieder geval beschikt over: een veiligheidsmanagementsysteem, een systeem ter waarborging van een veilig medicatiebeleid en een alarmeringssysteem bij calamiteiten;
§ 3 Beroepsbekwaamheidseisen en diploma-eisen per ondersteuningsvorm
In onderstaande tabel is opgenomen welke deskundigheidseisen gelden per ondersteuningsvorm.
§ 4 Eisen aan begeleidingsplan
Als het gaat om ondersteuning waarvoor een begeleidingsplan is vereist, moet het plan aan de volgende eisen voldoen:
Het plan moet perspectiefgericht zijn. Doelen zijn geformuleerd die duidelijk, concreet en haalbaar zijn en die niet alleen perspectief bieden op de langere termijn, maar zich ook richten op praktische, snelle resultaten. Activiteiten zijn geformuleerd gericht op het behalen van de korte- en lange termijn doelen met een duidelijke prioritering.
In het plan is een goede balans tussen formele en informele zorg opgenomen. Bovendien wordt in het plan goed beschreven hoe wordt samengewerkt met het sociale netwerk en hoe gebruik wordt gemaakt van algemene voorzieningen en informele voorzieningen in de samenleving (verenigingen en vrijwilligersorganisaties).
Bijlage 3 Beoordelingskader eigen kracht jeugdhulp
Voor een zorgvuldig onderzoek naar gevraagde jeugdhulp moet de gemeente het stappenplan zoals vastgesteld door de Centrale Raad van Beroep volgen. Tijdens stap 4 onderzoekt het college in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het gezin toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Onder eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt verstaan het vermogen van de jeugdige en diens ouder(s) om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het omringende sociale netwerk en/of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige. Dit wordt ook wel eigen kracht genoemd. In de jeugdwet (artikel 2.3 lid 1) staat dat het college geen jeugdhulp hoeft in te zetten voor zover er een oplossing op eigen kracht is.
Uitgangspunt: verantwoordelijkheid voor gezond en veilig opgroeien ligt bij jeugdige en ouders zelf
Ouders zijn primair zelf verantwoordelijk voor het opgroeien en opvoeden van hun kinderen. Deze verplichting voor ouders is vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (artikel 82 en 247 van Boek 1 van het BW). V. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden. Dit geldt ook als er sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. De overheid dient ervoor te waken zorgtaken van mensen en hun verbanden over te nemen. Ze komt pas in beeld als de ouders problemen ondervinden, als de opvoeding- en leefsituatie de ontwikkeling van kinderen bedreigt en de overheid de ouders dient te helpen om deze voorwaarden te vervullen (zie TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 128, evenals ECLI:NL:CRVB:2024:1095).
Dit uitgangspunt betekent dat de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk voorop staan. Een Jeugdhulp-indicatie voor een (tijdelijke of langdurige) inzet van een voorziening is niet aan de orde, tenzij:
Als sprake is van één van bovengenoemde situaties kan er aanvullend op de eigen kracht een individuele voorziening worden toegekend. De ondersteuning ingevolge de individuele voorziening wordt dan verricht door een derde (zorgaanbieder of persoon buiten de leefeenheid van de jeugdige).
Er kunnen diverse factoren van invloed zijn op de draagkracht en belastbaarheid van ouders en daarmee het risico op overbelasting. Denk bijvoorbeeld aan de samenstelling van het gezin, de woonsituatie, de gezondheid van gezinsleden en werkaspecten. Het is van belang om bij de beoordeling van de eigen kracht hiermee rekening te houden, omdat dit de mate van eigen kracht kan beïnvloeden. Hebben ouders bijvoorbeeld de zorg over meerdere kinderen met een Zorgvraag? Is er sprake van twee ouders/verzorgers of is één persoon verantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van de jeugdige(n)? Kunnen er taken worden herverdeeld waardoor b.v. de ouder die de zorg biedt hierin wordt ontlast? Hierbij mag ook worden gekeken naar de vraag wat van andere kinderen binnen het gezin mag worden verwacht. Dit is afhankelijk van de leeftijd en het individu.
Bij het onderzoek naar eigen kracht wordt vastgesteld welke mogelijkheden de ouder heeft om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperkt(en) en betaalde arbeid anders organise(ren)ert om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.
Bij een aanvraag voor verlenging van de indicatie wordt gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen. Bij de zorgtoewijzing wordt hier rekening mee gehouden.
De relatie tussen eigen kracht en pgb
Als de ondersteuningsbehoefte niet volledig op eigen kracht kan worden ingevuld, dan kan er -binnen de gestelde kaders- een maatwerkvoorziening worden toegekend. Het uitgangspunt is dat met een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb geen hulp kan worden ingekocht bij de ouder(s). Immers, als de ouder(s) in staat zijn de benodigde ondersteuning te bieden, dan hoeft er geen jeugdhulpvoorziening te worden toegekend. Een pgb is tenslotte niet bedoeld om verlies van inkomen op te vangen of inkomen aan te vullen. Jeugdhulp (al dan niet in de vorm van een pgb) is alleen aan de orde als de jeugdige de noodzakelijke ondersteuning anders niet zou kunnen krijgen. Ook is een pgb geen oplossing voor overbelasting, als er verder niets verandert in de situatie. Door een pgb wordt de zorgtaak niet minder. Kunnen ouders de ondersteuning niet (volledig) bieden, dan is er ondersteuning van buiten nodig. Bijvoorbeeld omdat ouder(s) niet over de benodigde kennis of vaardigheden beschikken of niet (altijd) beschikbaar zijn.
Een uitzondering op dit uitgangspunt is alleen mogelijk als er sprake is van de volgende combinatie van omstandigheden:
Uit het onderzoek blijkt dat inzet van een maatwerkvoorziening ter ontlasting van de ouders noodzakelijk is. Er zijn dus geen andere oplossingen voor de (dreigende) overbelasting, zoals aanpassingen in werk, nevenactiviteiten, inzet van (specialistische) kinderopvang (dagopvang en naschools), logeeropvang, inzet van netwerk etc. en;
Als in deze situaties een pgb wordt toegekend, gebeurt dit zo kort mogelijk, tot zich een andere oplossing voordoet. Het streven blijft immers om ouders te ontlasten van de zorg door inzet van een derde.
Het bepalen van de omvang van het pgb is hierbij maatwerk. De toegangsmedewerker gaat daarbij als volgt te werk:
De toegangsmedewerker beoordeelt vervolgens of de activiteiten inderdaad jeugdhulp zijn. Vervolgens wordt bepaald welke activiteiten onder de taken van elke ouder vallen en welke activiteiten specifiek samenhangen met de problematiek van de jeugdige. Ook zal de toegangsmedewerker voor elk van de activiteiten beoordelen of deze noodzakelijk zijn en welke tijd hiermee gemoeid is. De toegangsmedewerker zal daarbij oog hebben voor mogelijkheden om activiteiten op een meer praktische en tijdbesparende manier op te pakken. Het professionele oordeel van de toegangsmedewerker is daarbij altijd leidend.
Eigen kracht en vervoer naar jeugdhulp
Een maatwerkvoorziening omvat, als dat noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, ook het vervoer van de jeugdige van en naar de locatie waar jeugdhulp wordt geboden. Dat is geregeld in artikel 2.3 lid 2 Jeugdwet. Ook bij dit vervoer geldt het in uitgangspunt van eigen kracht, tenzij.. .
Ouders zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. Soms kunnen jeugdigen ook zelf er naartoe reizen. Het is normaal dat ouders hun kinderen brengen naar school, kinderopvang, ziekenhuis, sportclub en ook naar een jeugdhulpaanbieder, of dat er binnen het netwerk een oplossing gevonden wordt. Er wordt hiervoor geen kilometervergoeding verstrekt.
Er kunnen omstandigheden zijn waardoor ouders en netwerk niet in staat zijn het vervoer (volledig) te organiseren. Het college stelt vast of een vervoersbeschikking nodig is.
Bij de beoordeling spelen de volgende factoren een rol:
Als uit het onderzoek blijkt dat vervoer noodzakelijk is, wordt onderzocht of onderdeel van het behandel- of begeleidingsplan kan zijn om toe te werken naar zelfstandig vervoer door de jeugdige zelf of vervoer vanuit het eigen netwerk.
Als ouders en netwerk niet volledig kunnen zorgen voor het vervoer, is het ook mogelijk om gedeeltelijk vervoer toe te kennen. Dus bijvoorbeeld voor 2 dagdelen jeugdhulp wel vervoer en voor 2 dagdelen jeugdhulp geen vervoer.
Vervoer van en naar de locatie waar jeugdhulp wordt geboden is niet alleen mogelijk vanuit de woonlocatie van de jeugdige, maar bijvoorbeeld ook vanuit school of een dagbestedingslocatie.
Een verlenging van een toekenning is een nieuwe situatie, die wordt beoordeeld aan de hand van dit afwegingskader. Toch kunnen zich situaties voordoen waarin het niet behoorlijk is om ondersteuning (in natura of in de vorm van een pgb) ineens te beëindigen. Er is dan een periode nodig voor de jeugdige en/of het systeem om zich voor te bereiden op de nieuwe situatie waarin minder of geen ondersteuning vanuit de Jeugdwet wordt geboden (een gewenningsperiode).
Een gewenningsperiode is altijd maatwerk en afhankelijk van de impact van de afbouw van de ondersteuning op het gezin. Als stelregel geldt echter dat afbouw plaatsvindt binnen een periode van zes maanden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-182417.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.