Gemeenteblad van Rhenen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rhenen | Gemeenteblad 2025, 15029 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rhenen | Gemeenteblad 2025, 15029 | ander besluit van algemene strekking |
Nadere regels jeugdhulp gemeente Rhenen 2025
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen;
gelet op de Verordening jeugdhulp gemeente Rhenen 2022;
1. de Nadere regels jeugdhulp gemeente Rhenen 2025 vast te stellen;
De nadere regels Jeugdhulp gemeente Rhenen 2025 (hierna te noemen nadere regels) zijn een uitwerking van de Verordening Jeugdhulp Gemeente Rhenen 2022 en een verder nuitwerking van de nieuw vast te stellen verordening jeugdhulp gemeente Rhenen 2025 en de Jeugdwet. De Jeugdwet legt de nadruk op de eigen kracht, zelfredzaamheid en samenredzaamheid.
Om opvoed- opgroei- of ontwikkelingsproblematiek te voorkomen óf op te lossen vindt bij elke cliënt een onderzoek plaats naar de persoonskenmerken en die van het gezinssysteem, de behoeften en de voorkeuren van de cliënt. Daarnaast onderzoeken we de mogelijkheden om op eigen kracht, mantelzorg of hulp van personen uit het eigen netwerk óf door gebruik te maken van algemene voorzieningen, tot een (gedeeltelijke) oplossing te komen. Ieder individu is anders en per cliënt kijken we naar de goedkoopst adequate oplossing.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Alle begrippen die in deze Nadere regels worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als de begrippen in de verordening, de Jeugdwet, Algemene Verordening Gegevensbescherming(AVG) en/of de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
a. Centrale Raad van Beroep: De Centrale Raad van Beroep is het hoogste rechterlijk college in Nederland in een deel van de bestuursrechtelijke geschillen en spreekt recht in een deel van de zaken waarop de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.
b. Geobjectiveerde beperking: een vastgestelde ziekte, aandoening of handicap door een daartoe gemachtigd orgaan;
c. Mantelzorg: zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie.
d. Zorgplicht: ouders dienen te zorgen voor opvoeding van hun kinderen, het geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid
Hoofdstuk 2. Vormen van jeugdhulp
In dit hoofdstuk worden de verschillende vormen van jeugdhulp toegelicht. Hierbij geldt de richtlijn dat de oplossing eerst wordt gezocht binnen de de categorie ‘andere voorzieningen’, vervolgens in algemene (voorliggende) voorzieningen en als laatste optie een individuele voorziening.
Een andere voorziening is een voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Deze zijn niet specifiek genoemd in hoofdstuk 2 van de verordening, maar zijn wel essentieel in het onderzoek. Hieronder staan de belangrijkste andere voorzieningen.
Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen, zowel bij gezondheid als ziekte. Zij moeten zorgen voor opvoeding van hun kinderen, het geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. Bij uitval van één van de ouders, moet de ander ouder de zorg voor de kinderen over nemen. Hierbij moeten zij zelf naar oplossingen voor problemen in de zorg zoeken. Zorgverlof, mantelzorg of andere voorzieningen als kinderopvang en BSO(+), kunnen een oplossing bieden. In kortdurende situaties verwachten we van ouders dat zij hun kind alle persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleegkundige handelingen geven.
Ouderlijke zorgplicht bij scheiding
Bij scheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gezamenlijke zorgplicht voor het huishouden en de onderlinge persoonlijke verzorging van partners. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moeten we onderzoeken naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder. Dit doen we door te kijken naar de vastgelegde afspraken tussen de ex-partners. Als deze afspraken er niet zijn, dienen deze eerst door ouders gemaakt te worden ten behoeve van het verdere onderzoek. Mocht uit het onderzoek blijken dat de niet thuiswonende ouder en diens netwerk ook geen oplossing kunnen bieden, kan er een indicatie (voor opvang) nodig zijn.
Voor die perioden dat de kinderen bij de verzorgende uitgevallen ouder zijn, kan er dan een indicatie voor opvang nodig zijn. Als de niet-verzorgende ouder de zorgplicht niet nakomt, beschouwen we de situatie als een eenoudergezin.
Het sociaal netwerk is het netwerk uit iemands sociale omgeving waar iemand op kan terugvallen.
Zorg vanuit het sociaal netwerk is zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving.
Mantelzorg is zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie. Bij mantelzorg wordt de normale zorg in zwaarte en duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Mantelzorg gebeurt op basis van vrijwilligheid. Mantelzorg is niet afdwingbaar, waardoor voor de zorg die de mantelzorger biedt ook aanspraak op grond van de Jeugdwet en Wmo 2015 kan bestaan. Dit is het geval wanneer de mantelzorger de zorg (tijdelijk) niet meer kan verlenen.
Eigen kracht en zorgplicht is de normale, dagelijkse hulp, zorg of begeleiding die partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten geacht worden elkaar te bieden. Deze zorg valt niet onder de Jeugdwet. In principe spreken we van eigen kracht bij een leefeenheid die gemeenschappelijk een woning bewoont.
Eigen kracht en zorgplicht heeft, anders dan mantelzorg, een verplichtend karakter en hierbij maken we geen onderscheid op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden/lange werkweken, studie of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. De aanwezigheid hiervan betekent dan ook dat er geen reden is om voor dat deel van de ondersteuning individuele voorziening toe te kennen. Redenen als “niet gewend zijn om” of geen huishoudelijk werk willen en/of kunnen verrichten” leiden niet tot aanspraak op hulp.
De omvang en de inhoud van de eigen kracht is afhankelijk van de leefeenheid van de cliënt, de draagkracht en draaglast. Hoe intiemer een relatie binnen de leefeenheid, hoe meer hulp verwacht mag worden. We onderzoeken dus de mogelijkheden en beperkingen van de betreffende personen.
Bij de beoordeling van eigen kracht moeten we altijd kijken of partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten deze hulp ook daadwerkelijk kunnen leveren.
Als er sprake is van een verplichte afwezigheid gedurende enkele aaneengesloten dagen , kan dit een reden zijn af te zien van toepassing van eigen kracht en de toekenning van een individuele voorziening. Hierbij kan men denken aan internationale vrachtwagenchauffeurs, beroepsmilitairen door uitzendingen en scheepvaart. Als de verzorgende huisgenoot overbelast dreigt te worden, houden we hier rekening mee. We bieden in deze gevallen maatwerk en houden rekening met de ontwikkelingsfase van kinderen.
- Bij geobjectiveerde beperkingen en/of het missen van kennis en/of vaardigheden die niet kunnen worden aangeleerd, verwachten we van partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten (hierna: huisgenoten) geen bijdrage.
- Bij (dreigende) overbelasting van huisgenoten verwachten we geen persoonlijke verzorging en/of begeleiding van meer dan 6 maanden aaneengesloten, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. We geven in deze situatie in eerste instantie enkel een kortdurende indicatie af. Hierbij geldt:
a) Wanneer er voor de huisgenoten eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, moeten deze hiertoe worden aangewend.
b) Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van persoonlijke verzorging en/of begeleiding voor op die maatschappelijke activiteiten.
c) Als er sprake is van (dreigende) overbelasting -door het zelf leveren van geïndiceerde ondersteuning/zorg- moet men die overbelasting opheffen door deze ondersteuning/zorg door (andere) zorgverleners uit te laten voeren/in te kopen;
d) Wanneer een nieuwe en/of herhaalde zorgtoewijzing wordt aangevraagd, wordt gekeken of en welke (aantoonbare) inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen. Ook hier houden we bij de zorgtoewijzing rekening mee.
De beoordeling of hulp onder eigen kracht en zorgplicht valt, hangt mede af van de leeftijd van het kind. De meeste kinderen vanaf 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft. Ook bij andere ADL-activiteiten (algemene dagelijkse levensverrichting) heeft het ene kind meer en/of langer sturing en begeleiding nodig dan het andere. Als een kind van 10 jaar nog toezicht nodig heeft bij bijvoorbeeld het tandenpoetsen, is het de zorgplicht van de ouder dat de ouder dit toezicht biedt.
Van ouders verwachten we dat zij hun kind:
- begeleiden naar activiteiten zoals muziekles, zwemles en sport, ook wanneer deze zwemles niet in het dichtstbijzijnde zwembad is;
- begeleiden naar het ziekenhuis;
- ondersteunen bij het leren valt onder eigen kracht of onder onderwijs, maar niet onder jeugdhulp;
- begeleiden bij plannen en structureren van dagindeling, (huis)werk en vrijetijdsbesteding, ook wanneer deze begeleiding in vergelijking met leeftijdsgenoten meer tijd kost;
- vervoeren naar de locatie waar jeugdhulp geboden wordt (zie 2.3.2 vervoer voor meer informatie).
Het uitgangspunt bij het beoordelen van de noodzaak voor ondersteuning bij de zorgtaken is dat deze kunnen worden gecompenseerd als blijkt dat deze taken niet alleen structureel van aard zijn, maar ook bijdragen aan overbelasting van diegene die de zorgtaken uitvoert. Om overbelasting te beoordelen brengen we het volgende in kaart:
- andere taken en verantwoordelijkheden (bijvoorbeeld: werk, opleiding, huishouden, zorg voor andere familieleden, hobby’s en sport);
- de mate van belasting die wordt ervaren op basis van een 10-puntschaal (1= helemaal niet belast / 10 =overbelast). Klachten kunnen bij voorbeeld zijn: angst of gespannenheid, depressie, gedragsproblemen en lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen.
Als er sprake is van (dreigende) overbelasting, moeten betrokkene ter onderbouwing daarvan (medische) gegevens aanleveren. Als een herindicatie wordt aangevraagd, wordt gekeken of en welke (aantoonbare) inspanningen zijn gedaan om de eerder vastgestelde overbelasting terug te dringen. Ook hier houden we bij de toekenning rekening mee.
Algemene voorzieningen zijn diensten of activiteiten die, zonder uitgebreid voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk zijn en die gericht zijn op opgroeien en opvoeden. Van een algemene voorziening spreken we als de jeugdige en/of diens ouders er vrij, of met een lichte toegangstoets, gebruik van kan maken. De cliënt komt niet in aanmerking voor een individuele voorziening als er een algemene voorziening is die:
- daadwerkelijk beschikbaar is voor de cliënt en;
- financieel gedragen kan worden (bij te weinig draagkracht kan een financiële tegemoetkoming overwogen worden) en;
- passend en toereikend is voor de cliënt.
Wanneer de algemene voorziening niet voldoet, kunnen we een individuele voorziening overwegen.
We onderscheiden ten minste de volgende categorieën van algemene voorzieningen :
2. advies en informatie, onder meer over de toegang tot individuele voorzieningen;
3. lichte en kortdurende ambulante (opgroei- en opvoed)ondersteuning;
4. Veilig Thuis (advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling);
2.3. Individuele voorzieningen
Een individuele voorziening is een op de jeugdige en/of zijn ouders toegesneden voorziening van de Jeugdwet. Deze jeugdhulp zetten we in om ernstige opvoed-, opgroei- of ontwikkelingsproblematiek van de jeugdige en zijn omgeving te voorkomen of verminderen.
Wanneer een jeugdige of zijn ouder(s) zonder verwijzing door een wettelijk verwijzer op eigen gelegenheid gestart zijn met een jeugdhulptraject en hiervoor alsnog een aanvraag indienen, dient eerst een onderzoek plaats te vinden zoals beschreven in de verordening. Als hieruit blijkt dat er inderdaad sprake is van een noodzakelijke en passende voorziening, moet er een voorziening afgegeven worden. De startdatum van de voorziening, en daarmee ook de vergoeding, wordt gesteld op de datum waarop de aanvraag binnen is gekomen. Er kan dus niet met terugwerkende kracht een reeds lopende voorziening worden toegekend .
Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid wordt beoordeeld door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en -waar beschikbaar- er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie.
Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:
a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;
b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;
c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);
Er zijn binnen de jeugdwet verschillende vormen van ondersteuning beschikbaar. We stelden voor een aantal individuele voorzieningen een aanvullend/afwijkend afwegingskader op. Hieronder staan enkele voorbeelden. Let op: deze voorbeelden zijn niet uitputtend.
Voor de inzet van Ernstige Dyslexie (ED) zorg geldt een toelatingsprocedure die is afgestemd met onderwijs en gecontracteerde zorgaanbieders. ED-zorg is alleen mogelijk, indien de jeugdige aan de volgende eisen voldoet:
a) de jeugdige volgt primair onderwijs, en;
b) de jeugdige is 7 jaar of ouder, en;
c) de behandeling is voor het 13e levensjaar gestart en;
d) er is voldaan aan de toegangscriteria zoals beoordeeld door de poortwachter dyslexie.
De leerling wordt met toestemming van ouders door de school aangemeld bij de poortwachter dyslexie. De poortwachter doet onderzoek naar:
b) comorbiditeit (het tegelijk voorkomen van meer dan één aandoening)
c) extra leesinterventie door school.
De poortwachter stelt vast of een leerling aan de voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor diagnostiek van Ernstige Dyslexie. Na een positieve screening volgt een verwijzing voor diagnostiek naar een gecontracteerde zorgaanbieder. De backoffice stemt met ouders af welke gecontracteerde zorgaanbieder zij willen voor de ED zorg voor hun kind. De beschikking wordt dan door de backoffice in orde gemaakt en naar ouders verstuurd.
Hierbij geldt de stelregel: ‘Nee, tenzij…’. We gaan uit van eigen kracht en zelfredzaamheid van de jeugdige en ouders. Onderstaande tekst dient vanuit dit perspectief gelezen te worden.
Een individuele voorziening voor vervoer kan enkel toegekend worden aan een jeugdige die beschikt over een individuele voorziening voor jeugdhulp. Hierbij gelden de volgende aanvullende criteria:
a. Er is sprake van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid bij de jeugdige;
b. Het betreft vervoer van of naar een jeugdhulplocatie;
c. De aanbieder biedt geen eigen vervoersregeling aan;
d. Er bestaat geen recht op vervoer door middel van de voorliggende voorziening leerlingenvervoer voor (een deel van) het verover naar de jeugdhulplocatie;
e. De belemmering in de vervoerssituatie levert een risico op dat de jeugdige niet kan beschikken over de noodzakelijke hulp.
Als aan al de bovenstaande criteria is voldaan, dient onderstaand stappenplan gevolgd te worden.
1. Het college stelt de noodzaak voor vervoer van en naar de locatie waar jeugdhulp wordt geboden vast in onderstaande volgorde:
a. Jeugdige gaat zelfstandig (eventueel met begeleiding) te voet, te fiets of met het openbaar vervoer naar de zorgaanbieder.
b. Ouders en netwerk dragen zorg voor het vervoer.
c. De jeugdige/ouders/netwerk worden financieel gecompenseerd voor het vervoer. Voor gebruik van de eigen auto geldt een kilometervergoeding gelijk aan de maximale belastingvrije kilometervergoeding die de belastingdienst hanteert .
d. Het regiovervoer of leerlingenvervoer wordt ingezet.
e. Een regulier taxibedrijf voert de ritten uit.
2. Het college kent maximaal de kosten van de goedkoopst mogelijk adequate vervoersvoorziening toe.
3. Als ouders een PGB verkiezen boven een gecontracteerde aanbieder met een gelijkwaardig zorgaanbod en daarbij een vervoersvoorziening nodig hebben, worden maximaal de vervoerskosten vergoed gelijk aan de afstand tot de gecontracteerde aanbieder.
4. Wanneer de jeugdige met gebruikmaking van het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie en terug meer dan anderhalf uur onderweg is én de reistijd met jeugdhulpvervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, kan jeugdhulpvervoer worden ingezet.
5. Zie bijlage 1 voor een uitgebreidere toelichting en het afwegingskader
Op grond van jurisprudentie over leerlingenvervoer mag een forse inspanning gevraagd worden van ouders. Dat ouders naar hun werk moeten, is dus geen reden om vervoer toe te kennen. Het college bepaalt zelf de leeftijd waarop jeugdigen zelfstandig kunnen reizen met het openbaar vervoer. Gebruikelijke norm is de leeftijd van 12 jaar.
Gemeenten betalen het persoonsgebonden budget (pgb) uit in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het PGB niet op de bankrekening van de budgethouder stort, maar op rekening van het servicecentrum PGB van de SVB. De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel hulp is geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling van de zorgverlener. De SVB verricht alleen betalingen als deze volgens de beschikking en de (door het college en SVB goedgekeurde) zorgovereenkomst zijn. De niet-bestede PGB-bedragen betaalt de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terug aan de gemeente.
In de processen en systemen van de SVB is een aantal waarborgen en controles ingebouwd. Zo kan de SVB geen uitbetaling doen zonder goedkeuring van de gemeente en controleert de SVB de contracten vanuit arbeidsrechtelijk oogpunt. De gemeente is verantwoordelijk voor een inhoudelijke controle op zorgovereenkomsten, bijvoorbeeld gericht op kwaliteit van ondersteuning en op de te behalen resultaten. De SVB heeft modelovereenkomsten waar budgethouders gebruik van moeten maken.
In de verordening is vastgelegd wat de regels zijn voor een persoonsgebonden budget (PGB). Hierin wordt gesproken over een budgetplan. In aanvulling op hetgeen in de verordening is aangegeven, moet het budgetplan minimaal de volgende elementen bevatten:
a. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is;
b. welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;
c. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;
d. op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;
e. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;
f. indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;
g. de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in paragraaf 3.2 van deze nadere regels, waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.
In aanvulling op hetgeen gesteld in de Verordening, verstrekt het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag:
a. fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;
b. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;
c. veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf;
d. op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder.
Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:
a. een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;
b. op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;
c. in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;
d. voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;
e. in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;
f. in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;
g. in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;
h. in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;
i. in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en
j. voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.
Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
b. ernstige verslavingsproblematiek;
c. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
d. een aanmerkelijke verstandelijke beperking;
e. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;
f. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;
g. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;
h. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.
Deze nadere regels treden in werking na publicatie van het besluit.
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van …………….
de gemeentesecretaris de burgemeester
Om te kunnen bepalen of vervoer noodzakelijk is, moet onderzocht worden wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn. Het gaat hierbij om noodzaak en niet om de meest wenselijke situatie. Op grond van de situatie van de jeugdige wordt gekeken naar de meest passende en goedkoopste adequate voorziening. Deze afweging maak je volgens onderstaande volgorde. In het kader van de eigen kracht en normaliseren, wordt gestuurd op optie 1 en 2. Optie 3 en 4 kunnen als uitzonderingen worden ingezet.
1. Jeugdige gaat zelfstandig (eventueel met begeleiding uit het netwerk) te voet, te fiets of met het openbaar vervoer naar de jeugdhulpaanbieder.
2. Ouders / netwerk dragen zorg voor het vervoer.
3. De jeugdige / ouders / netwerk worden financieel gecompenseerd voor het vervoer.
4. De jeugdige ontvangt vervoer in de vorm van een taxi vanuit de jeugdhulpaanbieder of taxivervoerder.
Optie 1: Jeugdige gaat zelfstandig (eventueel met begeleiding uit het netwerk) te voet, te fiets of met het openbaar vervoer naar de jeugdhulpaanbieder.
Ga eerst na of de jeugdige zelf naar de jeugdhulpaanbieder kan reizen. Dit kan te voet, met de fiets of het OV. Houd er bij het kiezen voor een jeugdhulpaanbieder rekening mee dat deze zich op loop- of fietsafstand van de jeugdige bevindt en wat de OV-mogelijkheden zijn.
Optie 2: Ouders / netwerk dragen zorg voor het vervoer.
Wanneer het de jeugdige niet lukt om zelfstandig (met eventueel begeleiding uit het netwerk) naar de jeugdhulpaanbieder te reizen, verwachten we dat ouders/het netwerk het vervoer regelen. Het vervoer van en naar een jeugdhulpaanbieder is altijd de verantwoordelijkheid van ouders.
Optie 3: De jeugdige / ouders / netwerk worden financieel gecompenseerd voor het vervoer.
Er is vastgesteld dat de jeugdige/ouders/het netwerk het vervoer kunnen organiseren, maar dat de noodzakelijke financiële middelen hiervoor ontbreken. We hanteren voor het bepalen van een financiële compensatie voor vervoer de volgende richtlijn:
De toegangsprofessional brengt in kaart wat de kosten van het vervoer zijn. Op grond van de situatie van de jeugdige wordt de meest passende en goedkoopst adequate voorziening toegekend. Hiervoor zijn 2 opties:
Optie 3.1: vergoeding kosten openbaar vervoer
• jeugdige kan niet lopend of met de fiets naar de jeugdhulpaanbieder
• zelfredzaamheid van de jeugdige is voldoende om zelfstandig van en naar de jeugdhulpaanbieder te reizen
• ouders lukt het niet om de kosten van het vervoer te betalen
Als er sprake is van al deze voorwaarden, dan is een tegemoetkoming in de kosten voor openbaar vervoer mogelijk. De tegemoetkoming wordt gefinancierd vanuit een financiële tegemoetkoming of PGB.
Optie 3.2: kilometervergoeding
Als de ouders of iemand uit het sociale netwerk wel voor vervoer kan zorgen, maar de financiële middelen hiervoor zijn niet toereikend, dan is een kilometervergoeding mogelijk. De kilometervergoeding wordt gefinancierd vanuit een financiële tegemoetkoming of PGB
Optie 4: De jeugdige ontvangt taxivervoer
Als de bovenstaande stappen zijn doorlopen en deze oplossingen zijn niet toereikend of passend gebleken, dan kan er gebruikt worden gemaakt van een vervoersvoorziening in de vorm van taxivervoer met een gecontracteerde vervoerder.
Afwegingskader voor vervoer jeugd
Vervoer is in eerste instantie altijd de verantwoordelijkheid van ouder(s)/verzorger(s).
Om te kunnen bepalen of vervoer noodzakelijk is, moet onderzocht worden wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn. Het gaat hierbij echt om noodzaak en niet om een wenselijke situatie. We houden rekening met de afstand tussen het woonadres en de jeugdhulpaanbieder. Op grond van de situatie van de jeugdige en ouders wordt gekeken naar de meest passende en goedkoopste adequate voorziening.
Het jeugdvervoer is ingericht op collectief vervoer. Dit houdt in dat men zoveel mogelijk ritten probeert te combineren om zo de kosten te drukken en capaciteit te sparen. Een jeugdige zal maximaal met zeven andere jeugdigen vervoerd worden. In de praktijk ligt dit aantal een stuk lager. Er wordt wel eens aangegeven dat een jeugdige individueel vervoerd moet worden. Hier wordt verschillend mee omgegaan. We willen dat hier kritischer naar gekeken wordt, ook in verband met de huidige capaciteiten.
Graag invullen wanneer groepsvervoer niet mogelijk is.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-15029.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.