Gemeenteblad van Neder-Betuwe
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Neder-Betuwe | Gemeenteblad 2025, 149701 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Neder-Betuwe | Gemeenteblad 2025, 149701 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Neder-Betuwe
gelezen de tekstinhoud van ”Programma Buitengebied gemeente Neder-Betuwe” d.d. 25 maart 2025
Overwegende dat:
Besluit;
Het ontwerp "Programma Buitengebied gemeente Neder-Betuwe" opgenomen in Bijlage A wordt vastgesteld.
Het ontwerp "Programma Buitengebied gemeente Neder-Betuwe", zoals opgenomen in Bijlage A, betreft een initiële publicatie.
Aldus vastgesteld door Gemeente Neder-Betuwe, 25 maart 2025
Het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe
In 2022 heeft de gemeente Neder-Betuwe een omgevingsvisie vastgesteld voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie geeft richting hoe we willen dat de gemeente er in de toekomst uitziet, volgens de gemeente, inwoners, ondernemers en organisaties. Het gaat over de toekomst van de ruimte in de dorpen, bedrijventerreinen en het buitengebied. Het Programma Buitengebied is een nadere uitwerking van de Omgevingsvisie voor het buitengebied.
In Nederland en ook in Neder-Betuwe is de ruimte beperkt. We moeten keuzes maken bij het inrichten van de beschikbare ruimte. We zoeken ruimte voor de vele functies die zich in het buitengebied willen ontwikkelen. Denk daarbij aan de agrarische sector (laanboom- en fruitteelt, melkveehouderij, en dergelijke), woningbouw, bedrijven, duurzaamheid en klimaatadaptatie. Maar we willen ook een mooi landschap met ruimte voor natuur, sport en recreatie, zodat het buitengebied aantrekkelijk blijft. Hoe willen we het buitengebied in de toekomst inrichten?
Om te begrijpen waarom de gemeente een Programma Buitengebied opstelt, wordt eerst uitgelegd hoe de verschillende instrumenten van de Omgevingswet zich tot elkaar verhouden.
Samenhang tussen de instrumenten
De omgevingsvisie beschrijft op hoofdlijnen het volgende voor de dorpen en het buitengebied van Neder-Betuwe:
de speerpunten waarop gericht worden in Neder-Betuwe voor de toekomst;
de ontwikkelrichtingen voor Neder-Betuwe;
de waarden waarmee rekening moet worden gehouden bij ontwikkelingen;
de afwegingen die gemaakt worden bij de keuzes.
In een programma kan de gemeente het beleid van de omgevingsvisie verder uitwerken. Dat kan zowel voor specifieke onderwerpen als voor bepaalde gebieden. Om tot uitvoering van het (uitgewerkte) beleid te komen, kan het programma ook concrete maatregelen voorstellen. Uitwerking en maatregelen dragen bij aan het bereiken van de gewenste omgevingskwaliteit. Voor meer informatie zie bijlage 1.
Het omgevingsplan vertaalt de doelen uit de omgevingsvisie en de uitwerkingen van het programma naar juridische regels. In het omgevingsplan wordt beschreven welke activiteiten (functies) zijn toegestaan en welke voorwaarden daarvoor gelden. Ook leggen die regels vast of je mag bouwen en hoeveel.

Waarover gaat het Programma Buitengebied?
De omgevingsvisie van Neder-Betuwe heeft doelen en ambities geformuleerd voor onder andere het buitengebied. Dit is gebeurd op hoofdlijnen met een hoog abstractieniveau en nog weinig concreet. Er bestond daarom behoefte het beleid voor het buitengebied verder uit te werken. Dat doet de gemeente in het Programma Buitengebied. In dat programma worden ook uitspraken gedaan die later weer uitgewerkt worden in regels van het omgevingsplan.
Wat hoort nu allemaal tot Locatie buitengebied en wat niet? Simpel gezegd is het buitengebied het gebied buiten de dorpen en de bedrijventerreinen. Op onderstaande kaart is het grondgebied van de gemeente Neder-Betuwe weergegeven. De geel (dorpen) en paars (bedrijventerreinen) omlijnde gebieden behoren niet tot het buitengebied.

Het Programma Buitengebied richt zich vooral op het binnendijks gebied, omdat daar de grootste dynamiek plaatsvindt. De uiterwaarden komen wel aan bod, maar minder nadrukkelijk. Niet alleen door de lagere dynamiek, maar ook omdat er veel beleid voor de uiterwaarden door het Rijk (onder andere Ruimte voor de rivier) en de provincie (onder andere Gelders Natuur Netwerk) is vastgelegd. Hetzelfde geldt voor de hoofdinfrastructuur (A15, Betuweroute, spoorlijn Tiel-Arnhem, de Waal en de Neder-Rijn) die dwars door het buitengebied loopt.
Waar gaat het Programma Buitengebied niet over?
Het Programma Buitengebied doet geen uitspraken over mogelijke uitbreidingslocaties voor o.a. woningbouw en bedrijventerreinen. Dit vergt een aparte studie die te zijner tijd zal worden opgepakt. Bovendien behoren deze gebieden niet meer tot het buitengebied als ze eenmaal gerealiseerd zijn.
Er lopen diverse ontwikkelingen in het buitengebied, zoals de herontwikkeling van de Gouverneurspolder of de aanleg van een rondweg Opheusden. Het Programma Buitengebied is niet van toepassing op dergelijke lopende ontwikkelingen.
Het Programma Buitengebied doet verschillende dingen:
Het uitgewerkte beleid uit de omgevingsvisie geeft een duidelijker kader voor het afwegen van nieuwe ontwikkelingen: wat kan wel en wat kan niet in het buitengebied? Het is daarmee een afwegingskader.
Het programma benoemt ook een aantal maatregelen, die onze doelen en ambities een stap dichterbij zetten. Soms zijn maatregelen concreet en direct toepasbaar, soms betreft het maatregelen die zelf ook weer om uitwerking vragen, bijvoorbeeld in het omgevingsplan.
Het programma geeft ook een koers weer. De koers die uitgezet werd door de omgevingsvisie is voor een aantal onderwerpen uitgewerkt. Hierdoor wordt meer richting gegeven aan waar de gemeente in de toekomst wilt staan. Dit geeft meer duidelijkheid aan de bewoners, ondernemers en andere gebruikers van het buitengebied.
Om tot het Programma Buitengebied te komen zijn 3 processtappen gevolgd:
Stap 1: Bepalen van de uitgangspositie
We begonnen niet blanco met het opstellen van het programma. Er was al bestaand beleid (van Rijk, provincie en gemeente) en een bestaande situatie. Ook is geïnventariseerd wat verschillende doelgroepen belangrijk vinden. De opbrengsten zijn beschreven in de Uitgangspuntennotitie Programma Buitengebied.
Stap 2: Participatie- en keuzefase
Tijdens deze fase werd duidelijk dat vele partijen aanspraak willen maken op de schaarse ruimte. Dat betekent keuzes maken. In het Programma Buitengebied zijn keuzes gemaakt over inrichting van de ruimte en waar wat mag komen.
Hoe wordt de natuur en het landschap beschermd, zodat Neder-Betuwe een mooie groene gemeente blijft? Waar mogen bedrijven uitbreiden? Welk gebied is voor de laanboomteelt? Wat kan waar en onder welke voorwaarden? Daarover zijn zowel binnen de gemeente als met bewoners en gebruikers van het buitengebied gesprekken gevoerd. Op basis van die gesprekken is de Keuzenotitie Programma Buitengebied opgesteld.
Stap 3: Uitwerking en vaststelling programma
In de Keuzenotitie Programma Buitengebied zijn de keuzes op hoofdlijnen benoemd. Deze zijn verder uitgewerkt in dit Programma Buitengebied. In deze fase is de tijd genomen om de concepten met diverse doelgroepen te bespreken. Daarna heeft het programma de formele procedure doorlopen en is het programma ter inzage gelegd. Na de ter inzagelegging van het Ontwerpprogramma Buitengebied, is het Programma Buitengebied door het college definitief vastgesteld. Daarbij hebben zij rekening gehouden met ingediende zienswijzen.
Participatie
Bij het opstellen van het Programma Buitengebied zijn inwoners, ondernemers, organisaties en andere belanghebbenden via participatie betrokken. Door de participatie haalt de gemeente informatie, meningen en ideeën op en krijgen ze betere plannen voor de fysieke leefomgeving. In elke fase heeft participatie plaatsgevonden. In fase 1 is informatie opgehaald via een enquête (respons 450 deelnemers). In fase 2 zijn met verschillende doelgroepen (bewoners van Neder-Betuwe, inwoners van het buitengebied, belangenorganisaties, agrarische ondernemers) in verschillende bijeenkomsten gesproken over de te maken keuzes. De resultaten ervan zijn weergegeven bij de verschillende onderwerpen in hoofdstuk 4. In fase 3 is het resultaat nogmaals teruggelegd bij genoemde doelgroepen. Ook bij de uitvoering van het programma wordt de participatie voortgezet. Er wordt samengewerkt met inwoners, ondernemers, ketenpartners (Avri, omgevingsdienst) en andere overheden (waterschap, provincie).
Wilt u meer lezen over hoe het buitengebied eruit ziet en welke kwaliteiten zich in het buitengebied bevinden, lees dan hoofdstuk 2. Trends en ontwikkelingen en het overheidsbeleid leest u in hoofdstuk 3. Wilt u snel naar de beleidskeuzes, lees dan hoofdstuk 4. Voor de belangrijkste beleidsonderwerpen in het buitengebied zijn hier telkens de context, de participatie, de visie en de te nemen maatregelen geschetst. Hoe de gemeente het beleid van het programma gaat uitvoeren en monitoren, leest u in hoofdstuk 5 en 6.
Het buitengebied kenmerkt zich door een prachtig rivieren- en dijkenlandschap. De rivieren Neder-Rijn, Waal en Linge hebben het gebied gevormd. De opeenvolging van rivieren met uiterwaarden, hoge oeverwallen en laag gelegen kommen is karakteristiek voor het gebied. Deze landschappelijke structuur wordt doorkruist door wegen (A15) en spoorlijnen (Arnhem-Tiel en de Betuweroute).
De hoger gelegen oeverwallen kenmerken zich door een concentratie van dorpen, akkers en boomgaarden. De bodem in deze gebieden is zeer vruchtbaar. Door de hogere ligging zijn de eerste nederzettingen hier ontstaan.
Op de oeverwallen vinden we de langgerekte oostwest lintbebouwing met de typisch Betuwse T-boerderijen en landbouwgronden. De landbouwgronden worden hoofdzakelijk gebruikt voor de laanboomteelt en de fruitteelt. Loodsen markeren de bedrijven die in deze bedrijfstak werkzaam zijn. Met name ten westen van Dodewaard, rondom Kesteren en Opheusden liggen veel laanboomteeltbedrijven. Verspreid over het gebied komen ook melkveehouderijen voor. Deze zijn vaak gevestigd op de oeverwallen maar hebben ook gronden in de open kommen (zie hierna).

De kommen in het gebied zijn, anders dan in andere delen van het rivierengebied, kort en smal, omdat de Waal en de Neder-Rijn relatief dicht bij elkaar liggen. De laaggelegen komgebieden kenmerken zich door een uitgebreid net van sloten en weteringen. Deze gebieden zijn van oudsher de natste gebieden en daardoor uitsluitend geschikt als wei- en hooiland. De percelen zijn regelmatig van vorm en bestaan meestal uit stroken. De komgronden worden vooral door melkveehouders gebruikt die er hun vee laten grazen en veevoer (gras) produceren.
Tussen de Linge en de Bonegraafseweg en ten noorden van de Saneringsweg bij Ochten zijn de kommen het duidelijkst zichtbaar. De openheid van dit landschap is karakteristiek en heel anders dan de oeverwallen die
kleinschaliger zijn met bebouwing, akkerbouw en fruit- en laanboomteelt.
Door de ligging van de bovenregionale infrastructuur (A15, Betuweroute en spoorweg Arnhem-Tiel) met bedrijventerreinen in het midden van het kommengebied is het open karakter niet overal meer herkenbaar. Door verdere ontwatering verandert het gebruik naar akkerland, fruit- en laanboomteelt. Daarnaast wordt er meer gebouwd in de kommen.
In het midden van het kommengebied vinden we ook de rivier de Linge terug. Deze rivier kent niet de structuur van de Neder-Rijn en de Waal met uiterwaarden en dijken en is daardoor veel minder duidelijk aanwezig in het landschap.

De uiterwaarden zijn de buitendijkse gebieden tussen de dijk en de rivier, dit zijn vrijwel uitsluitend Natura 2000- gebieden. Natuurgebieden en agrarische gronden wisselen elkaar af. Oude rivierlopen, klei- en zandwinningen geven het gebied haar karakter. Bij de Neder-Rijn en de Waal staan steenfabrieken en zijn er enkele klei- en zandwinningsputten. De uiterwaarden bestaan hoofdzakelijk uit grasland, kleine bospartijen en wat akkerbouw. Er is weinig bebouwing aanwezig.


Er ligt veel druk op het buitengebied vanwege de verschillende ruimtevragen en de schaarse grond. Daarnaast zijn er trends en ontwikkelingen in het buitengebied te onderscheiden en zijn er opgaven die vanuit hogere overheden worden bepaald en ook van invloed zijn op het buitengebied. De gronddruk, de trends en ontwikkelingen en het hoger overheidsbeleid vraagt om keuzes in het buitengebied. Om hier meer zicht op te krijgen, worden de belangrijkste trends en ontwikkelingen en relevant beleid van de gemeente en hogere overheden benoemd.
Multifunctioneel buitengebied
Van oudsher was het buitengebied het domein van de agrarische sector, samen met natuurgebieden en ruimte voor recreatie. Met name door de schaalvergroting van de landbouw is dit sterk veranderd. Het aantal agrarische bedrijven nam af. Agrariërs die stopten bleven in het buitengebied wonen, begonnen een ander bedrijf of verkochten hun boerderij. Het gevolg was dat er een keur aan nieuwe functies in het buitengebied ontstond. Ook in Neder-Betuwe heeft dat proces plaatsgevonden met als resultaat vele niet-agrarische bedrijven en woningen in het buitengebied.
Klimaat
Het veranderende klimaat heeft grote gevolgen voor het buitengebied. Stijgende temperaturen, veranderende neerslagpatronen en extremere weersomstandigheden leiden tot droogte, schade aan gewassen (fruitteelt) en (laan)bomen en verminderde opbrengsten. De agrarische sector kan zich aanpassen door te investeren in een bedrijfsvoering waarin bodem en water meer sturend zijn en in een meer natuurinclusief beheer. Dit kan leiden tot nieuwe producten die meer klimaatbestendig zijn (bijvoorbeeld specifieke boomsoorten). Op termijn kan de biodiversiteit wijzigen door bepaalde soorten die verdwijnen en nieuwe soorten die zich vestigen en beter bij het veranderende klimaat passen.
Transitie landelijk gebied
In de agrarische sector vindt al jaren innovatie en intensivering van de bedrijfsvoering plaats. Aanleiding is dat er steeds hogere eisen worden gesteld aan agrarische producten, moeten stijgende productiekosten worden terugverdiend en brengen eisen met betrekking tot milieu en dierenwelzijn extra kosten met zich mee. Innovatie en intensivering gaan vaak gepaard met uitbreiding van productiegrond, bedrijfsbebouwing en intensiever gebruik van gronden (denk bijvoorbeeld aan pottenteelt).Het gevolg is dat de kwaliteit van bodem en water niet meer voldoen aan verschillende Europese normen (stikstof, fosfaat). Ook is de biodiversiteit enorm achteruitgegaan en is het oorspronkelijke landschap sterk verdicht. Vanuit Europa en de Rijksoverheid worden maatregelen voorgesteld om de landbouw toekomstbestendiger te maken. De huidige landbouw kan niet op dezelfde manier verder gaan. Daarom wordt er een transitie van het landelijk gebied ingezet. Hoe dat er precies zal uitzien is nu nog niet duidelijk.
Toekomstbestendige voedselproductie
Deze transitie van de landbouw moet onder meer leiden tot een toekomstbestendige voedselproductie en teelt van andere producten, waaronder laanboomteelt. Hiervoor worden steeds strengere eisen gesteld aan het duurzaam produceren in de landbouw, zoals:
Minder gebruik van voedingsstoffen, meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen;
hogere eisen met betrekking tot dierenwelzijn;
hogere eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van bodem en water.
Deze vormen van verduurzaming vragen vaak ook meer ruimte in het buitengebied, bijvoorbeeld door het vergroten van stallen voor het dierenwelzijn of voor extensivering, waarmee dezelfde productie wordt behaald op meer grond.
Energietransitie
Om onze CO2 uitstoot drastisch te verminderen en zo de opwarming van de aarde tegen te gaan, moeten we meer gebruik maken van duurzaam opgewekte energie. Het buitengebied biedt goede mogelijkheden voor het opwekken van met name zonne- en windenergie. Gemeenten hebben hier in regionaal verband afspraken over gemaakt in de Regionale Energie Strategie (RES). Overigens heeft het Rijk het gebruik van goede landbouwproductiegrond voor zonneparken aan banden gelegd.
Teruggang van de biodiversiteit
Het is algemeen bekend dat de biodiversiteit de laatste decennia sterk is afgenomen. De overheid wil maatregelen treffen om dit verlies aan diversiteit van flora en fauna een halt toe te roepen. In het buitengebied worden extensivering van de agrarische bedrijfsvoering en de aanplant van landschapselementen als mogelijke oplossingen gezien.
Groei van wonen en werken
Nederland heeft een groot tekort aan woonruimte voor diverse doelgroepen. Hetzelfde geldt voor werkgebieden. Het Rijk heeft aangegeven dat er tot 2030 900.000 woningen gebouwd moeten worden en dat er grote behoefte is aan uitbreiding van bedrijventerreinen. Verdichting van het stedelijk gebied lost dit probleem niet alleen op. Er zal ook uitbreiding van het woongebied plaats moeten vinden. De enige plek die daarvoor in aanmerking komt is het buitengebied. Dit speelt ook in Neder-Betuwe. Op termijn zullen delen van het buitengebied worden omgezet naar gebied voor wonen en werken.
Programma Economie gemeente Neder-Betuwe
Het Programma Buitengebied hangt samen met onder andere het Programma Economie. In het Programma Economie staat de economische koers beschreven, ook voor de agrarische sector en voor niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. De ruimtelijke afweging wordt gemaakt in dit Programma Buitengebied.
Erfgoedbeleid
In februari 2022 is het Erfgoedbeleid van de gemeente vastgesteld door de gemeenteraad. In dit beleid is beschreven welke gebieden en elementen cultuurhistorische waardevol zijn en die we willen behouden en/of beschermen.
Landschapsontwikkelingsplan
Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) is in september 2022 door de gemeenteraad vastgesteld. Het landelijke karakter is een van de sterke punten van de gemeente. Dit wil de gemeente graag behouden. Daarom is het belangrijk dat er aandacht is voor de gevolgen voor het landschap bij (ruimtelijke) ontwikkelingen in het buitengebied. In het LOP zijn de bestaande kwaliteiten en potenties van het landschap beschreven. Daarnaast zijn stimuleringsmaatregelen benoemd om bij de gewenste ontwikkelingen te komen tot een mooi, veilig en functioneel landschap in de toekomst.
Lokale adaptatie strategie (Beleidskader Klimaatadaptatie Neder-Betuwe 2022-2027)
Het beleidskader voor klimaatadaptatie in Neder-Betuwe maakt een duidelijke verbinding met het buitengebied. Met name door aandacht te besteden aan de agrarische sector en de specifieke uitdagingen van klimaatverandering, zoals waterbeheer, droogte en hitte. Het beleid moedigt samenwerking aan tussen de gemeente en agrariërs, zoals boomkwekers, om te anticiperen op de gevolgen van het veranderende klimaat. Er wordt gewerkt aan kennisdeling.
Nationaal Programma Landelijk gebied (NPLG) / Vitaal Landelijk Gebied Gelderland (VLGG)
De natuur en kwaliteit van water staan onder druk en het klimaat verandert. Het Nationaal Programma Landelijk gebied was een gebiedsgerichte aanpak om de doelen voor natuur, stikstof, landbouw, water, bodem en klimaat te behalen. Een gebiedsgerichte aanpak is nodig omdat elk gebied anders is en de opgaven per gebied verschillen. Het Rijk heeft in 2024 besloten om te stoppen met het opstellen van het NPLG. Met dit besluit van het Rijk heeft ook de provincie besloten om niet verder te gaan met het opstellen van het Programma Vitaal Landelijk Gebied Gelderland. Het was de bedoeling om de opgaven uit de NPLG uit te werken in het uitgewerkt in VLGG.
Het NPLG had een gebiedsgerichte aanpak om de doelen voor natuur, stikstof, landbouw, water, bodem en klimaat te behalen. Een gebiedsgerichte aanpak is nodig omdat elk gebied anders is en de opgaven per gebied verschillen. Het was aan de provincies om het NLPG verder uit te werken in gebiedsprogramma’s. Per regio zijn opgaven benoemd. Zo ook voor de Regio Rivierenland en daarmee indirect ook voor de gemeente. Het gaat onder andere om het realiseren van extra natuurgebieden, het aanplanten van bomen, het realiseren van een groenblauw raamwerk en ruimte voor waterberging. De opgaven uit het NPLG en het VLGG zijn er nog steeds. Het is op dit moment van schrijven niet duidelijk hoe nu verder gaat met deze opgaven.
Regioarrangement Fruitdelta Rivierenland
Ook Gelderland heeft veel ambities, onder andere op het gebied van wonen en werken. De ruimte is beperkt, daarom moeten keuzes gemaakt worden hoe om te gaan met deze schaarse ruimte. Belangrijk daarbij is om toekomstgerichte keuzes te maken en opgaven niet door te schuiven naar volgende generaties. Per regio is er een regioarrangement opgesteld. In het Regioarrangement Fruitdelta Rivierenland zijn de gezamenlijke ambities, doelen en opgaven benoemd voor de ruimte buiten en de omgeving waar we wonen en leven, gebaseerd op bestaand beleid. De gemeenten in de regio en de waterschappen hebben meegeholpen bij het opstellen van het regioarrangement. De regioarrangementen worden nader uitgewerkt in gebiedsprogramma’s. Ook de opgaven genoemd in het regioarrangement moeten een plek krijgen in de gemeente Neder-Betuwe. De verdeling hiervan wordt in regionaal verband verder uitgewerkt.
Gebiedsprogramma’s
Het Regioarrangement Fruitdelta Rivierenland wordt uitgewerkt in gebiedsprogramma’s. Dit geldt ook voor de opgaven uit de Gelderse Energie Infrastructuur (GEIS), de RES (Regionale energie Strategie) en de RAS (Regionale Adaptatie Strategie).
Actualisatie Kadernota Agrifood
In de Kadernota Agrifood 2021-2030 ‘Toekomst voor de Gelderse boer’ beschrijft de provincie hoe ze werkt aan de toekomst van de land- en tuinbouw in Gelderland. De land- en tuinbouw is belangrijk voor de Gelderse identiteit en economie. Ze zorgen voor voedsel, bloemen, bomen en planten, een aantrekkelijk landschap, een gezonde leefomgeving en leefbaarheid op het platteland. Maar ook zij staan voor grote opgaven zoals emissiereductie, energietransitie, klimaatverandering en meer biodiversiteit. De kadernota Agrifood wordt geactualiseerd. Het Programma Buitengebied wordt voor zover mogelijk afgestemd met de Kadernota Agrifood.
De gemeente Neder-Betuwe heeft een prachtig uitgestrekt buitengebied. Kenmerkend voor Neder-Betuwe is de laan- en fruitboomteelt. Samen met het landschap van het rivierengebied vormt dat een belangrijk onderdeel van onze identiteit. En daar is de gemeente trots op!
Laanboomteelt
De ligging van de rivieren en de opbouw van het landschap zorgen onder meer voor een gevarieerd aanbod aan vruchtbare gronden, een belangrijke kwaliteit waar de landbouw optimaal gebruik van maakt. Een deel van de vruchtbare grond is uniek in Nederland en zeer geschikt voor de laanboomteelt. Ook de centrale ligging van de gemeente Neder-Betuwe in Nederland en de aanwezige infrastructuur zorgen voor een uitstekende bereikbaarheid. Dit draagt bij aan het succes van de laanboomteelt. Hierdoor is onze regio goed verbonden met de afzetgebieden. Door dit succes is er behoefte aan ontwikkeling en uitbreiding bij de agrariërs.
Recreatie
Het kleinschalige landschap, de uiterwaarden en de verbinding door wandel- en fietspaden naar andere voorzieningen voor (verblijfs-)recreatie geven het buitengebied een belangrijke recreatieve kwaliteit, zowel voor eigen inwoners als voor recreanten/toeristen. Behoud van voorzieningen voor recreatief gebruik zijn belangrijk voor de leefbaarheid van de gemeente en moeten behouden blijven.
Integrale ensembles
Ook onze rijke cultuurhistorie met het kenmerkende landschap en de vele monumenten maken onze gemeente aantrekkelijk. Met name in de integrale ensembles komt dit het beste tot z’n recht. Integrale ensembles zijn gebieden met een hoge cultuurhistorische waarde en zijn in de omgevingsvisie aangeduid. Op deze plekken komen cultuurhistorie en landschap bij elkaar. Bij nieuwe ontwikkelingen weegt het behoud van cultuurhistorische kwaliteiten extra zwaar mee in de belangenafweging.
Behoud kwaliteit natuurwaarden
Neder-Betuwe kent een hoge kwaliteit aan natuurwaarden, met name in de uiterwaarden. Maar ook binnendijks komen belangrijke natuurkwaliteiten voor, zoals het Eldikse Veld, het Dodewaardse Veld en de oevers van de Linge. Deze kwaliteiten mogen niet ten koste gaan van nieuwe ontwikkelingen in bijvoorbeeld de landbouw.
De vraag om ruimte in het buitengebied lijkt steeds groter, terwijl de beschikbare ruimte niet groter wordt. Integendeel, de ruimte in het buitengebied neemt af door uitbreidingsbehoefte van de kernen en bedrijventerreinen en de aanleg van de nodige infrastructuur. De belangrijkste ruimteclaims in het buitengebied zijn:
De behoefte aan meer productiegebied voor de agrarisch sector, met name bij de laanboomteelt;
Uitbreidingsbehoefte bij niet-agrarische bedrijven in het buitengebied ;
Terughoudend zijn met ontwikkelingen in het buitengebied om zo kwaliteiten van natuur, landschap en cultuurhistorie te behouden en te versterken;
Ruimte voor het opwekken van duurzame energie en waterberging.
Keuzes maken per onderwerp
Het moge duidelijk zijn: er is meer vraag naar ruimte dan dat er beschikbaar is. Niet alles kan overal. Er moeten keuzes maken binnen de kernopgaven voor het buitengebied.
In dit hoofdstuk worden voor de volgende onderwerpen nadere keuzes gemaakt:
De agrarische sector is van groot belang voor de gemeente Neder-Betuwe. Aan de hand van zes deelonderwerpen gaan we in op de agrarische sector:
Uitbreiding van productiegrond
Bouw- en gebruiksmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven
Nieuwe agrarische bouwpercelen
Stoppende agrarische bedrijven en functieverandering
Teelt ondersteunende voorzieningen
Gewasbescherming
Gezien de ontwikkelingen binnen de agrarische sector in Neder-Betuwe is er behoefte aan meer productiegrond, vooral in de laanboomsector. In de praktijk neemt de beschikbare productiegrond echter steeds verder af. Dit komt onder meer door uitbreiding van woningbouw en bedrijventerreinen en de aanleg van infrastructuur. Daarnaast is er de wens vanuit de samenleving om gebieden vanuit landschappelijke overwegingen open te houden, waarbij met name weide als grondgebruik gewenst wordt. De enige mogelijkheid om aan extra agrarisch grond te komen, is aankoop van grond van andere agrarische bedrijven, bijvoorbeeld als een agrariër stopt met zijn bedrijfsvoering. Omdat het aanbod veel lager is dan de vraag, is de druk op de grondmarkt hoog. Dit komt mede door het succes van de laanboomteelt.
Participatie
Vanuit de samenleving is aangeven dat verdere uitbreiding van productiegrond niet wenselijk is binnen onze gemeente. Slechts een aantal agrarische bedrijven moet de mogelijkheid krijgen met grond uit te breiden onder strikte voorwaarden. Deze voorwaarden moeten zich richten op biodiversiteit, openheid van het landschap, infrastructuur, verkeersveiligheid en economische belangen van zowel de omgeving, als van de agrariër. De agrariërs vinden juist dat alle agrarische sectoren moeten kunnen uitbreiden: boomkwekers, fruittelers, veehouderijen en andere agrarische sectoren hebben grond nodig om zich te ontwikkelen . Zij vinden het ongewenst om gebieden aan te wijzen waar bepaalde bedrijfstakken (laanboomteelt, melkveehouderij, fruitteelt) niet zijn toegestaan (zonering).
Visie
Om als centrum van de laanboomteelt in Europa te kunnen blijven functioneren, wil de gemeente flexibiliteit blijven bieden aan de agrarische sector. Op deze manier krijgen agrariërs voldoende ruimte om te innoveren en te verduurzamen.
Maatregelen
De gemeente treft geen maatregelen om de verdeling van productiegrond te reguleren en laat dit aan de markt over. Dit sluit aan op de huidige aanpak.
De agrarische sector blijft zich voortdurend ontwikkelen. De consument stelt steeds hogere eisen aan het product, ook worden eisen gesteld met betrekking tot een toekomstbestendige landbouw en de boer moet zich telkens voegen naar veranderende marktomstandigheden. Dat laatste gebeurt onder meer in het verbreden van de productietak (niet alleen telen van fruit, maar ook bewaren in koelcellen, verpakken, e.d.). Ook kan verbreding buiten de productietak plaatsvinden, door bijvoorbeeld op het gebied van recreatie of zorg extra diensten te verlenen. Hierdoor bestaat continue de noodzaak om de bedrijfsvoering aan te passen. Vaak gaat dat gepaard met behoefte aan meer bouwmogelijkheden en daardoor ruimere bouwvlakken. Dat kan weer ten koste gaan van natuur en landschap.
Participatie
Vanuit de samenleving is aangegeven dat bestaande agrarische bedrijven onder voorwaarden mogen uitbreiden. Een belangrijke voorwaarde is om de kwaliteiten van natuur en landschap mee te wegen bij vergunningverlening. Nieuwe bebouwing moet landschappelijk ingepast worden in de omgeving en waar sprake is van openheid moet die zoveel mogelijk gehandhaafd blijven. Bij een toename van verharding moet de mogelijkheid van halfopen verharding onderzocht worden, zodat water in de bodem kan zakken. Tot slot mogen bouwmogelijkheden niet ten koste gaan van monumenten en cultuurhistorische waardevolle gebieden (integrale ensembles) in het buitengebied. De agrariërs vinden dat alle agrarische sectoren moeten kunnen uitbreiden: boomkwekers, fruittelers, veehouderijen en andere agrarische sectoren. Zij hebben grond nodig om zich te ontwikkelen en uit te breiden.
Visie
In het omgevingsplan Neder-Betuwe is voldoende ruimte voor bouw- en gebruiksmogelijkheden op het agrarische bouwvlak. In uitzonderingssituaties kan maatwerk worden verleend door af te wijken van het omgevingsplan voor een groter agrarisch bouwvlak. Er moet dan een zorgvuldige integrale belangenafweging (natuur en landschap, cultuurhistorie, verkeer, milieu, gezondheid, recreatie, toerisme etc.) plaatsvinden. Dit geldt ook voor de integrale ensembles, waarbij de specifieke kwaliteiten van deze cultuurhistorische gebieden een belangrijke rol spelen bij de belangenafweging.
Voor de volgende situaties kan worden afgeweken van het omgevingsplan (met uitzondering van de uiterwaarden en het weidevogelgebied):
Voor de fruit- en laanboomteeltsector. Deze sectoren zijn speerpunt van beleid, waar het college zoveel mogelijk flexibiliteit wil bieden;
Voor de grondgebonden veehouderij, als daardoor wordt bijgedragen aan het open houden van het landschap In de open gebieden bevinden zich vaak grondgebonden veehouderijen, die behoefte hebben aan extra bouwmogelijkheden om te voldoen aan eisen van milieu- en dierenwelzijn.
Voor alle agrarische sectoren behalve de intensieve veehouderij voor het realiseren van nevenactiviteiten. Dit kan een aanvulling op de inkomsten betekenen, waardoor aan agrarische bedrijf kan blijven bestaan. Daarnaast kunnen nevenactiviteiten de aantrekkelijkheid van het buitengebied vergroten. Denk daarbij aan activiteiten op het gebied van recreatie, zorg, kleinschalige horeca of educatie (al of niet in diverse combinaties).
Voor al deze maatwerksituaties geldt naast een zorgvuldige belangenafweging, dat de betreffende agrariër zorgt voor een adequate landschappelijke inpassing of op een andere wijze een tegenprestaties levert.
Maatregelen
Een kader opstellen voor belangenafweging en maatwerk. De behoefte moet ontstaan vanuit nieuwe ontwikkelingen die samenhangen met duurzaamheid, innovatie en verandering van productieproces. Tegenover het bieden van extra ontwikkelingsmogelijkheden voor bebouwing (maatwerk) moet een tegenprestatie staan (extra landschappelijke inpassing, vergroting biodiversiteit, recreatieve routes, etc.). De gemeente heeft hiervoor nog geen kader beschikbaar. Kader opstellen waarbij zowel op de afweging als op de omvang van de tegenprestatie wordt ingegaan. Beiden staan overigens los van elkaar. Uit de afweging moet blijken of de ontwikkeling planologisch acceptabel is. Nadat de afweging is gemaakt, wordt bepaald welke tegenprestatie aan de orde is.
Al jaren is de landelijke trend in Nederland, dat het aantal agrarische bedrijven afneemt. In Neder-Betuwe is dat niet het geval. Met name vanuit de laanboomsector bestaat behoefte aan nieuwe agrarische bouwpercelen.
Participatie
Vanuit de samenleving is aangegeven dat er al genoeg agrarisch grondgebied is binnen de gemeente, er moet ook voldoende ruimte overblijven voor andere functies. Wel geeft de samenleving aan dat nieuwvestiging voor volwaardige agrarische bedrijven onder voorwaarden mogelijk moet zijn. Verplaatsing van een agrarisch bedrijf komt bijna niet voor. Alleen als het nodig is voor bijvoorbeeld de aanleg van een nieuwe woonwijk of een randweg. De agrarische sector wil mogelijkheden behouden voor nieuwe agrarische bouwpercelen.
Visie
De gemeente wil de laanboomsector faciliteren om het centrum van de laanboomteelt in Nederland, dan wel Europa te worden. Om die reden moet het mogelijk zijn een nieuw laanboomteeltbedrijf te starten in Neder-Betuwe. Wel wil de gemeente voorkomen dat het buitengebied te veel gaat verdichten en dat kwaliteiten van natuur, landschap en cultuurhistorie verder onder druk komen te staan. Daarom heeft het de voorkeur om nieuwvestiging van laanboomteeltbedrijven alleen op vrijkomende agrarische bedrijven toe te staan. In bijzondere gevallen kan worden meegewerkt aan het vestigen van nieuwe agrarische bouwpercelen voor de fruitteelt en de laanboomsector. Hiervoor wordt een kader uitgewerkt.
Nieuwe agrarische bouwpercelen voor andere agrarische sectoren is niet mogelijk. Dit is mede ingegeven op basis van het beleid van hogere overheden.
Maatregelen
Het kader ‘Criteria nieuwe agrarische percelen’ wordt geactualiseerd. Op basis van dit kader wordt een integrale afweging gemaakt. Uiteindelijk wordt dit kader vertaald in het omgevingsplan.
Om uiteenlopende redenen stoppen er in Nederland jaarlijks zo’n 2 tot 3% van het aantal agrarische bedrijven. In Neder-Betuwe ligt dat percentage lager, maar ook hier komt het voor dat agrariërs hun bedrijf beëindigen. In dergelijke gevallen kan het wenselijk zijn een andere functie toe te laten in de bestaande bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen. Vaak wordt er na bedrijfsbeëindiging nog gewoond. Ook lenen de vrijgekomen bedrijfsgebouwen zich voor diverse vervolgfuncties, zoals niet-agrarische bedrijven. Aan de andere kant zijn vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (VAB’s) aantrekkelijk voor allerlei ondermijnende activiteiten. Het buitengebied biedt hiervoor de mogelijkheid vanwege de beschikbare bebouwing, een goede bereikbaarheid en de vaak afgelegen plekken zonder ‘pottenkijkers’. Hierdoor is de pakkans kleiner. Lege schuren of boerderijen van agrarische stoppers zijn daar aantrekkelijk voor. Ook zijn dergelijke gebouwen aantrekkelijk voor de huisvesting van arbeidsmigranten, al dan niet legaal. De uitgestrektheid en de beperkte handhavingscapaciteit maakt het buitengebied dus aantrekkelijk voor illegale en criminele activiteiten. De vraag is hoe er efficiënter en effectiever omgegaan kan worden met de beschikbare middelen om de aanpak van ondermijnende criminaliteit in het buitengebied tegen te gaan.
Participatie
Vanuit de samenleving wordt aangegeven dat vrijkomende agrarische bebouwing gebruikt moet worden voor agrarisch bedrijven of aanverwante agrarische bedrijven. Dit liever niet omzetten naar woningbouw. Ook agrariërs zitten niet te wachten op nieuwe functies in vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing die hun eigen bedrijfsvoering in de weg zitten.
Visie
Vanuit landschappelijk- en duurzaamheidsoogpunt is het wenselijk als vrijgekomen agrarische bedrijven worden hergebruikt. Tegelijkertijd wil de gemeente voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen de vrijgekomen agrarische bebouwing het landschap verdicht. Hierbij worden de volgende mogelijkheden gehanteerd:
Nieuwe bijgebouwen of vergroting woning binnen bestaande woonbestemming. Als een VAB in gebruik is als woning en ook als zodanig is bestemd, kan er nog steeds behoefte bestaan aan nieuwbouw. Dit staan we alleen toe als een groot deel van de voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Tegenover de sloopverplichting kunnen nieuwe bouwmogelijkheden staan. Door een groot deel van de voormalige bedrijfsbebouwing te slopen, is er geen sprake van verdichting van het landschap.
Hergebruik ten behoeve van een agrarisch verwant of buitengebied gebonden bedrijf. Vrijgekomen agrarische bebouwing kan worden ingezet voor een agrarisch verwant of buitengebied gebonden bedrijf. Dit moet plaatsvinden in de bestaande bedrijfsbebouwing. Als toch nieuwe bebouwing wenselijk is, mag er nooit sprake zijn van een toename van het aantal m3 aan bedrijfsbebouwing. Ook wordt de omvang van het bestemmingsvlak afgestemd op de nieuwe functie en de bestaande of geprojecteerde bebouwing. Dit betekent vaak een kleiner bestemmingsvlak. Hierbij wordt landschappelijke inpassing vereist.
Hergebruik/functiewijziging ten behoeve van een niet-agrarisch bedrijf.Van belang is dat het bedrijf plaatsgebonden is en niet of niet doelmatig op een bedrijventerrein kan worden gevestigd. Het heeft de voorkeur om dit nabij een van de bestaande kernen te doen. Mochten niet-agrarische bedrijven zich vestigen in een vrijkomend agrarisch bedrijfsgebouw, dan is in de toekomst de wens tot uitbreiding niet uit te sluiten. Op dit moment mag maximaal 500 m2 van de bestaande bebouwing worden gebruikt voor een andere functie. Bij sloop- en nieuwbouw is dit maximaal 375 m2. In geval van functieverandering is het van belang dit te toetsen, zodat een goede afweging kan worden gemaakt met andere belangen die een rol spelen.
Functiewijziging naar wonen (na sloop) van voormalige bedrijfsgebouwen. Bij deze wijziging verdwijnen er agrarische bouwpercelen in het buitengebied. Wanneer hier gebruik van wordt gemaakt, moeten voormalige agrarische gebouwen worden gesloopt en moet het geheel ruimtelijk worden ingepast en voldoen aan de functie wonen. Ook moet worden aangetoond dat het perceel niet meer geschikt is als agrarisch bouwperceel, dan wel voor agrarische productie.
Maatregelen
Voor vrijkomende agrarische bebouwing moet het toetsingskader worden geactualiseerd als functieverandering bij hergebruik aan de orde is. Dit wordt te zijner tijd vertaald in het omgevingsplan.
Teelt ondersteunende voorzieningen zijn voorzieningen of constructies met als doel het gewas te beschermen, te forceren tot meer groei en/of de oogst te spreiden. Het gaat daarbij om zowel het vervroegen, als het verlaten van de normale open teelt en/of beschermen tegen weersinvloeden, ziekte en plagen wat leidt tot een betere kwaliteit van het product en een hogere opbrengst. Dit zijn bijvoorbeeld vogelnetten, betonplaten, tunnelkassen en overkappingen en teelt in potten en containers. In Neder-Betuwe worden teelt ondersteunende voorzieningen vooral gebruikt bij de laanboom- en fruitteeltbedrijven.
Teelt ondersteunende voorzieningen komen in veel vormen voor en zijn in meerdere of mindere mate zichtbaar. Ook verschilt de tijdsduur dat een teeltondersteunende voorziening nodig is; zo bestaan er permanente en tijdelijke teelt ondersteunende voorzieningen. De laatste worden gedurende een deel van het seizoen gebruikt.

Teelt ondersteunende voorzieningen zijn onlosmakelijk verbonden met de agrarische bedrijfsvoering en kunnen bijdragen aan een efficiënte, duurzame en concurrerende bedrijfsvoering.
Naast positieve effecten van teelt ondersteunende voorzieningen hebben deze voorzieningen ook negatieve effecten, bijvoorbeeld op natuur en landschap. De zichtbare TOV worden vaak ervaren als landschap ontsierend. Specifieke vormen van teelt ondersteunende voorzieningen, zoals betonplaten en folie voor pottenteelt, kunnen een nadelige invloed op de bodemkwaliteit en waterhuishouding hebben (infiltratiecapaciteit).
Participatie
De samenleving geeft aan dat teelt ondersteunende voorzieningen direct verbonden zijn aan de agrarische sector en niet weg te denken zijn in de moderne land- en tuinbouw. Vanuit landschappelijk oogpunt worden dergelijke voorzieningen niet altijd fraai gevonden. Gedacht wordt om voorwaarden te koppelen aan het gebruik van teelt ondersteunende voorzieningen, waarbij een kader gecreëerd kan worden om een goede belangenafweging te maken. De agrariërs geven aan dat TOV vanuit economisch oogpunt cruciaal zijn om de concurrentiepositie op de markt te behouden.
Visie
Teelt ondersteunende voorzieningen horen bij de agrarische sector, in het bijzonder bij de laanboom- en fruitteelt. Ook spelen teelt ondersteunende voorzieningen een rol bij de verduurzaming van de landbouw. Door gebruik te maken van TOV kan nauwkeuriger gestuurd worden op het gebruik van water, meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen.
De gemeente heeft echter ook oog voor de landschappelijke effecten en de effecten op bodem en water. Het aanleggen van verhardingen en folies staat een gezonde en natuurlijke bodem- en waterhuishouding in de weg (bodem- en water sturend). Tunnelkassen hebben effect op de openheid van het landschap. Om die reden is de gemeente terughoudend met het toelaten van teelt ondersteunende voorzieningen in de open gebieden. Deze gebieden zijn van nature minder geschikt voor laanboom- en fruitteelt, maar met gebruik van TOV kunnen ze hiervoor wellicht wel geschikter gemaakt worden. Door teelt ondersteunende voorzieningen te reguleren wil de gemeente kunnen sturen in de gebieden, die nu nog als open ervaren worden.
Dat geldt eveneens voor gebieden in het buitengebied die bijzondere kwaliteiten herbergen. Deze zijn in de omgevingsvisie aangeduid als integrale ensembles (cultuurhistorische waarden), beschermde dorpsgezichten en weidevogelgebied. Ook de uiterwaarden kennen vergelijkbare kwaliteiten.
Op de volgende kaart staan de waardevolle gebieden aangegeven waar, in verband met openheid, uiterwaarden, cultuurhistorie, beschermd dorpsgebied en weidevogels, gebieden worden uitgesloten of aanvullende voorwaarden benodigd zijn. Onder voorwaarden wil de gemeente ruimte bieden voor teelt ondersteunende voorzieningen binnen landschappen met een hoge beeldkwaliteit. Hier moet wel een tegenprestatie tegenover staan.

Maatregelen
De voorwaarden waaronder teelt ondersteunende voorzieningen worden toegelaten, worden nader uitgewerkt en vertaald in het omgevingsplan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen teelt ondersteunende voorzieningen in het algemeen en de teelt ondersteunende voorziening pottenveld. De uitwerking heeft betrekking op voorwaarden als hoogte, oppervlak, ruimtelijke kwaliteit, water en bodem, biodiversiteit, innovatie en het leveren van een tegenprestatie. Ook wordt een onderscheid gemaakt tussen tijdelijke en permanente teelt ondersteunende voorzieningen.
In de landbouw wordt veel onderzoek gedaan naar het verminderen van het gebruik van gewasbeschermings-middelen en wordt gezocht naar alternatieven. Vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen komt ten goede aan waterkwaliteit, gezondheid en biodiversiteit. Het is een langjarig traject dat nog veel onderzoek vergt. De fruitteeltsector maakt over gewasbeschermingsmiddelen wel afspraken met hun afnemers (meestal de supermarkten).
Participatie
Agrariërs geven aan dat zij bezig zijn te onderzoeken in hoeverre gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden verminderd. Op dit moment vraagt de markt om producten die alleen met behulp van gewasbeschermingsmiddelen geteeld kunnen worden.
Visie
Er is veel onderzoek gaande over de relatie tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en gezondheid en biodiversiteit en mogelijke alternatieven voor gewasbeschermingsmiddelen. Totdat er voldoende ervaring is opgedaan met alternatieven, blijven gewasbeschermingsmiddelen noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering in nagenoeg alle productietakken. De gemeente volgt vooralsnog de lijn vanuit de jurisprudentie en wil nu geen extra maatregelen nemen om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te reguleren. Bij het toestaan van nieuwe gevoelige functies in het buitengebied moet een afstand van 50 meter worden aangehouden ten opzichte van het agrarische perceel. Bij het wijzigen van het omgevingsplan onderzoekt de gemeente of de jurisprudentie op dat moment aanleiding geeft tot een andere afweging.
Maatregelen
De gemeente neemt op dit moment geen nieuwe maatregelen. Bij het wijzigen van het omgevingsplan voor het buitengebied wordt bezien of er andere normen moeten worden gehanteerd of niet. Daarnaast werkt de sector via innovaties aan verdere verduurzaming en vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen. Via onze deelname aan het Laanboompact sturen we hier als gemeente ook op aan en investeren ze in een positieve ontwikkeling op dit punt.
In de loop der jaren zijn vele niet-agrarische functies in het buitengebied ontstaan. Naast woningen zijn dat vaak bedrijven die weliswaar niet-agrarisch zijn, maar wel verwant zijn aan de agrarische sector. Veel van deze niet-agrarische bedrijven zijn ooit gestart op een agrarisch bouwvlak, waar de agrariër is gestopt. Op deze manier fungeerde het buitengebied als een broedplaats voor niet-agrarische bedrijven. Sommige bedrijven konden goed gebruik maken van bedrijfsgebouwen van voormalige agrarische bedrijven, terwijl anderen dat niet of in beperkte mate konden. In die gevallen zijn agrarische bedrijfsgebouwen vaak gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Ook bestond er voor een aantal bedrijven behoefte om verder uit te breiden. Op de bestaande bedrijventerreinen van Neder-Betuwe is echter nauwelijks nog ruimte voor nieuwvestiging. Bovendien is vestiging in een vrijgekomen agrarisch bedrijf vaak goedkoper voor de ondernemer. Beide argumenten versterken de behoefte van bedrijven om zich te vestigen op een vrijgekomen agrarisch bedrijf en daar ook uit te willen breiden.
Participatie
De deelnemers vinden dat agrarisch aanverwante bedrijven ook enigszins verbonden zijn met het buitengebied. Het is wel zaak duidelijk te beschrijven wat agrarisch aanverwante bedrijven zijn. Zij vinden dat agrarisch aanverwante bedrijven zich nieuw mogen vestigen in het buitengebied, maar dan wel in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. Er moet ruimte zijn voor (kleinschalig) ondernemerschap en startende bedrijven in onze gemeente. Uitbreiding moet beperkt zijn, passen in de omgeving en landschappelijk goed ingepast worden. Geen uitbreiding wenst men in de beschermde gebieden, zoals weidevogelgebied, uiterwaarden, integrale ensembles en beschermde dorpsgezichten. Niet-agrarische bedrijven moeten kleinschalig zijn en niet of nauwelijks overlast veroorzaken. Goede wegen en bereikbaarheid als voorwaarden stellen bij ontwikkelingen in het buitengebied.Bij uitbreidingsbehoefte van bestaande niet-agrarische bedrijven moet onderzocht worden of ze kunnen verhuizen naar een bedrijventerrein. Uitbreiding van nieuwe niet-agrarische bedrijven moet worden beperkt. Grote ruimtevragers horen niet in het buitengebied thuis.
Visie
Ruimte in het buitengebied is schaars. Om die reden zet de gemeente in op het faciliteren van de agrarische sector, waarbij het accent ligt op de laanboom- en fruitteelt. Dat betekent dat de gemeente terughoudend is in het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden van niet-agrarische bedrijven. Nieuw vestiging op onbebouwde grond is niet mogelijk. Toch blijft vestiging in een vrijkomend agrarisch bedrijf in de toekomst belangrijk, omdat vrijkomende agrarische bedrijven een belangrijke kraamkamerfunctie hebben voor nieuwe bedrijvigheid. Met uitbreiding van bedrijfsgebouwen is de gemeente zeer terughoudend. Slechts voor agrarisch aanverwante bedrijven, of bedrijven die voorzien in een maatschappelijke behoefte wil de gemeente meewerken. Dat betekent dat bij de afweging voor functieverandering (van agrarisch bedrijf naar niet-agrarisch bedrijf) de schaal van het te vestigen bedrijf, de mate van overlast en de verkeersaantrekkende werking belangrijke toetsingscriteria zijn. Ook kan een vervolgfunctie in een vrijkomend agrarisch bedrijf omliggende agrarische bedrijven belemmeren. Op het voorkomen daarvan zal eveneens worden getoetst. En het landschappelijk inpassen is een belangrijke voorwaarde voor vestiging. Behalve in de beschermde gebieden is een beperkte eenmalige uitbreiding onder voorwaarden mogelijk. Bij een grotere uitbreidingsbehoefte, moet het bedrijf verhuizen naar een bedrijventerrein.
Maatregelen
De gemeente realiseert zich dat vestigingsmogelijkheden op bestaande bedrijventerreinen beperkt zijn. De gemeente gaat onderzoeken of herstructurering van bestaande bedrijventerreinen meer ruimte op kan leveren. Met uitbreiding is de gemeente zeer terughoudend. In uitzonderingsgevallen kan een eenmalige uitbreidingsbehoefte worden gefaciliteerd. Naast strenge voorwaarden die bij de afweging worden toegepast, bedraagt de uitbreiding mogelijk maximaal 20% van de bestaande bebouwing tot een maximum van 100 m2. Dit zal nog verder worden uitgewerkt. Ook zal de uitbreiding ruimtelijk moeten worden ingepast. Een dergelijke uitzondering wordt alleen gemaakt voor agrarisch aanverwante bedrijven, of bedrijven die voorzien in een maatschappelijke behoefte.
Het landschap staat onder druk door de vraag naar ruimte in het buitengebied, of dat nu het plaatsen van windmolens is of het telen van laanbomen. Maatregelen tegen klimaatverandering zorgen er ook voor dat het landschap er anders uit komt te zien. Door de uitstoot van te veel stikstof verslechteren de natuurgebieden nog verder. We willen een mooi groen buitengebied. Dat betekent dat we de natuur en het landschap moeten beschermen. De kwaliteiten komen verspreid in het buitengebied voor, maar concentreren zich in de volgende gebieden:
Natuur
Natuurwaarden zijn veelal gebonden aan de uiterwaarden. Hier bevinden zich veel gebieden die tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) behoren. Ook dienen de uiterwaarden zoveel mogelijk gevrijwaard te blijven van obstakels, zodat er voldoende ruimte is voor waterberging in het kader van ‘Ruimte voor de rivier’. Ook zijn natuurwaarden gekoppeld aan enkele gebieden die binnendijks liggen, zoals het Eldikse Veld, het Dodewaardse Veld en de oevers van de Linge.
Landschap
Omdat de opbouw van het landschap nog goed zichtbaar is in het buitengebied, komen landschappelijke kwaliteiten verspreid door het hele buitengebied voor. Het is dus belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met die herkenbaarheid van het landschap. Daarnaast zijn er gebieden waar het open karakter als kwaliteit is benoemd (zie kaart 3).
Erfgoed
In de omgevingsvisie zijn destijds gebieden benoemd met bijzondere landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten: de integrale ensembles en de beschermde dorpsgezichten. In het Programma Buitengebied zijn deze gebieden aangevuld met open gebieden. Behoud en versterking van deze kwaliteiten staat hier voorop.
Participatie
De samenleving wil landschap, natuur en cultuurhistorische kwaliteiten beschermen. Zo moet openheid behouden blijven en wordt veel waarde gehecht aan de beschermde gebieden: uiterwaarden, weidevogelgebieden, oeverwallen, historische bebouwing, cultuurhistorisch waardevolle gebieden (integrale ensembles) en beschermd dorpsgezicht. De volgende gebieden worden specifiek genoemd in Neder-Betuwe: de Strang bij Hien, de Mars en omgeving en Boveneindsestraat. Door kwaliteiten van natuur, landschap en cultuurhistorie (erfgoed) beleefbaar te maken, worden deze meer gezien en daardoor meer beschermd. Fiets- en wandelpaden zijn daarbij belangrijk en moeten worden behouden. Nieuwe ontwikkelingen in samenhang bezien met het landschap en waar ruimte is. Ontwikkelingen moeten zo goed mogelijk landschappelijk worden ingepast. De leefbaarheid en het dorpse karakter behouden. Veel waarden (archeologie-, erfgoed-, cultuurhistorische waarden) zijn al wettelijk beschermd, dus daar hoeft niets aan toegevoegd te worden, aldus de samenleving. Ook agrariërs erkennen de kwaliteiten van natuur, landschap en cultuurhistorie in Neder-Betuwe. Bescherming van deze kwaliteiten mag niet onevenredig ten koste gaan van hun ontwikkelingsmogelijkheden. Zeker als het om verduurzaming van de bedrijfsvoering gaat.
Visie
In de bovengenoemde gebieden wil de gemeente op de volgende manieren sturing geven aan deze kwaliteiten:
In deze gebieden spelen de betreffende kwaliteiten een belangrijke rol bij afwegingen voor nieuwe (agrarische) ontwikkelingen.
In deze gebieden is de gemeente terughoudend met teelt ondersteunende voorzieningen;
Als bij maatwerk in het buitengebied een tegenprestatie verlangd wordt, komt deze ten goede aan de kwaliteiten van natuur, landschap en/of cultuurhistorie.
Maatregelen
De bescherming van genoemde kwaliteiten wordt te zijner tijd in het omgevingsplan opgenomen en er wordt een afwegingskader voor maatwerk ontwikkeld. Het leveren van een tegenprestatie maakt daar onderdeel vanuit.
Het buitengebied staat voor een belangrijke transitieopgave, waarbij duurzaamheidsdoelstellingen direct en indirect van invloed zijn. De energie- en warmtetransitie, klimaatadaptatie, landbouwtransitie, natuurherstel en de overgang naar een circulaire economie zullen invloed hebben op de keuzes in het buitengebied.
Energie en warmte
In 2050 moet alle energie die we gebruiken duurzaam worden opgewekt. Momenteel gebeurt dit vooral met windturbines en zonneparken. Dit legt druk op de schaarse ruimte en heeft gevolgen voor het landschap. In de Regionale Energiestrategie (RES) zijn zoekgebieden voor wind- en zonneparken aangewezen langs de A15. Deze zijn ook vastgelegd in de omgevingsvisie. Het rijks beleid staat momenteel geen zonne-energie toe op agrarische productiegronden, maar er is een gemeentelijk beleidskader opgesteld voor kleinschalige opwek van duurzame energie door bedrijven of particulieren. Het is wenselijk om innovatieve oplossingen voor het opwekken van duurzame energie te stimuleren die de impact op het landschap minimaliseren en tegelijkertijd de energiebehoeften dekken.
Klimaatadaptatie
Klimaatverandering leidt tot meer hitte, droogte, wateroverlast en overstromingsrisico’s. In Nederland worden de zomers heter en droger en er vallen vaker korte, stevige buien. Dit dwingt ons tot maatregelen om onze omgeving leefbaar en gezond te houden. Bij het toekomstig gebruik van het buitengebied moet rekening gehouden worden met extremen, zoals hitte (beschaduwing voor welzijn van mens en dier, grotere waterbehoefte, hitteresistente gewassen), droogte (droogteresistente gewassen, funderingsproblematiek) en vernatting (uitdagingen in afwatering en toegankelijkheid van lager gelegen gebieden). Innovatieve agrarische activiteiten en klimaatbestendige infrastructuur zijn belangrijk.
Landbouwtransitie
Het veranderende klimaat en de energietransitie, in combinatie met natuurherstel, vragen om flexibiliteit van de agrarische sector. Deze transitieopgaven zijn cruciaal voor de toekomstbestendigheid van de agrarische sector, waarbij traditionele bedrijfsvoering onder druk komt te staan. Dit kan leiden tot innovatieve vernieuwingen en aanpassingen in de bedrijfsvoering. Extensivering van landbouw en natuurinclusieve landbouw zullen daarbij dikwijls leiden tot een grotere vraag naar ruimte, maar zijn essentieel voor het bevorderen van biodiversiteit en duurzaamheid.
Natuurherstel
Zoals in 3.1 is beschreven, stellen Europa en de Rijksoverheid steeds vaker eisen aan een toekomstbestendige landbouw. Natuurherstel door het treffen van maatregelen die de stikstofemissie vermindert, oog voor de waterkwaliteit om te kunnen voldoen aan de Europese normen en herstel van biodiversiteit worden nagestreefd. Dit kan niet door op bedrijfsniveau maatregelen te treffen. Hiervoor is een transitie van het landelijk gebied nodig. Hoe deze transitie er precies uit gaat zien, wordt nu op Rijksniveau verder uitgewerkt. Om dit proces op termijn uit te voeren, zullen naar verwachting de provincies hier ook een belangrijke rol in spelen. Uiteindelijk vindt de transitie van het buitengebied ook zijn weg naar gemeenten.
Circulaire economie
De overgang naar een circulaire economie, waarin afval wordt geminimaliseerd en materialen (of grondstoffen) worden hergebruikt, is essentieel. Dit kan door het bevorderen van compostering en recycling, en door innovatieve bedrijfsmodellen die duurzaamheid centraal stellen. Lokale initiatieven en samenwerkingen kunnen bijdragen aan een veerkrachtige en circulaire agrarische economie in het buitengebied.
Participatie
De meningen zijn verdeeld over duurzaamheid. Sommige inwoners willen alleen maar zonnepanelen op daken en niet op de grond en ook geen kleine windmolens. Anderen willen duurzame opwek van energie op bepaalde locaties onder voorwaarden toestaan. Zonnepanelen en kleine windmolens wil men mogelijk maken, bij voorkeur op het eigen erf. De voorkeur gaat uit naar zonnepanelen: maximaal 20 zonnepanelen en liever niet op agrarische grond, maar op daken en tegen muren. Geen kleine projectjes, liever zonnepanelen via collectieve (grotere) projecten. Dit om verrommeling tegen te gaan. Kleine windmolens tot 25 meter hoog op het eigen erf wil men wel toestaan, maar niet te dicht bij de buren in verband met slagschaduw en geluidsoverlast. Niet iedereen heeft de mogelijkheid om zelf energie op te wekken. Zoek naar mogelijkheden voor collectieve projecten, die voor iedereen toegankelijk zijn. Ook moet rekening worden gehouden met de capaciteit van het energienetwerk, zodat de stroom niet uitvalt in het buitengebied. Agrariërs vinden het opwekken van duurzame energie door kleine windmolens bij het eigen bedrijf wenselijk, als aanvulling op zonnepanelen (op daken).
Visie
De uitdagingen voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied benadrukken de noodzaak van integrale en innovatieve benaderingen. Door samen te werken aan energie- en klimaatoplossingen, landbouwtransities, natuurherstel en een circulaire economie, kan een toekomstbestendig buitengebied gecreëerd worden dat zowel ecologisch als economisch duurzaam is. Door gezamenlijk de uitdagingen aan te gaan, wordt gewerkt aan een gezonde en veerkrachtige leefomgeving voor toekomstige generaties.
Maatregelen
Eventuele maatregelen worden in samenhang met het duurzaamheidsbeleid genomen en worden daarin eventueel nader uitgewerkt.
Neder-Betuwe is een gemeente met een gevarieerd aanbod voor recreatie en toerisme. Enerzijds leent het afwisselende landschap zich uitstekend voor recreatief medegebruik, zoals wandelen en fietsen. De landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten dragen hier aan bij. Daarnaast kent Neder-Betuwe een beperkt aanbod aan verblijfsrecreatieve mogelijkheden. Er zijn enkele verblijfsrecreatieve bedrijven (campings, chalets en vakantiehuisjes) waarbij de schaal klein tot middelgroot is. Daarnaast zijn er een aantal kleinschalige hotels en bed & breakfasts waar de toerist kan verblijven. Deze accommodaties worden aangevuld door verspreid door de gemeente gelegen horeca instellingen. Met betrekking tot recreatie heeft Neder-Betuwe een aantal sportaccommodaties en andere faciliteiten voor wandelen en fietsen.
Visie
De gemeente Neder-Betuwe streeft naar een evenwichtige ontwikkeling van recreatie en toerisme, waarbij de unieke kwaliteiten van het landschap centraal staan. De focus ligt op het versterken van extensieve vormen van recreatie, die niet alleen de natuurlijke omgeving respecteren, maar ook de lokale cultuur en historie zichtbaar maken. Dit sluit aan bij de wens om toerisme en recreatie te laten bijdragen aan de economische groei van de gemeente, terwijl het karakter van de regio behouden blijft. Recreatie betekent ook beweging, ontspanning en ontmoeting voor bezoekers en inwoners. De gemeente streeft naar een infrastructuur van fiets- en wandelpaden, ontmoetings- en speelplekken en stille zones. Het buitengebied moet voor inwoners een welkome afwisseling bieden van de bebouwde omgeving in de kernen. Zo’n ontmoetings-/beweegvriendelijke buitenruimte draagt daarmee bij aan de algehele leefbaarheid van de gemeente. Daarnaast dient het buitengebied ook als landelijke verbindingsroute tussen de kernen in; goede ontsluitingen bevorderen sociale verbinding tussen inwoners in de gemeente
Een belangrijk speerpunt is beleving van de rivier. De rivieren in Neder-Betuwe vormen een wezenlijk onderdeel van het landschap en bieden tal van mogelijkheden voor wandelen en fietsen. Deze activiteiten geven bezoekers de kans om de rivieren vanaf de dijken, maar ook in de uiterwaarden te beleven. Tegelijkertijd biedt dit kansen voor ondernemers om op een duurzame manier diensten en producten aan te bieden die inspelen op de vraag naar natuurbeleving. Agrotoerisme is een andere pijler waar de gemeente sterk op inzet. De agrarische sector speelt een belangrijke rol in Neder-Betuwe en door toerisme te verbinden met landbouw kunnen bezoekers kennismaken met de oorsprong van hun voedsel en het leven op het platteland. Activiteiten op het boerenbedrijf, fruitstalletjes en overnachtingen zijn slechts enkele voorbeelden van hoe agrotoerisme kan bijdragen aan een duurzame en educatieve vorm van recreatie.
Het aanbod van dag- en verblijfsrecreatie moet zorgvuldig worden afgestemd op de aard en omvang van de gemeente. Hierbij is er een sterke focus op het aanbieden van hoogwaardige en unieke ervaringen, die passen bij de identiteit van de regio. Neder-Betuwe richt zich op kleinschalige, bijzondere locaties waar kwaliteit en authenticiteit voorop staan. Dit kunnen bijvoorbeeld luxe accommodaties zijn in een landelijke setting of unieke overnachtingsmogelijkheden, zoals glamping en kleinschalige B&B ’s. Recreatieve routes zijn een essentieel onderdeel van het toeristische aanbod en dragen bij aan de beleving van het landschap. De gemeente werkt aan het ontwikkelen en onderhouden van wandel- en fietsroutes en heeft de wens om vrij liggende fietspaden aan te leggen tussen de verschillende dorpen. Deze routes zijn niet alleen aantrekkelijk voor toeristen, maar worden ook door de eigen inwoners gewaardeerd en gebruikt. Het netwerk van recreatieve routes verbindt dorpen, natuurgebieden en bezienswaardigheden met elkaar, waardoor het buitengebied op een toegankelijke en uitnodigende manier wordt ontsloten. Door een strategische en duurzame benadering van recreatie en toerisme, zet Neder-Betuwe in op een toekomst waarin economische ontwikkeling hand in hand gaat met het behoud van de natuurlijke en culturele rijkdommen van de regio. Dit vraagt om voortdurende samenwerking tussen de gemeente, ondernemers en inwoners om ervoor te zorgen dat het toeristische aanbod niet alleen aantrekkelijk is voor bezoekers, maar ook de leefbaarheid en het landschap van Neder-Betuwe versterkt.
Maatregelen
De gemeente heeft geen specifieke maatregelen voor ogen op het gebied van recreatie, maar wordt meegewogen in de eerder genoemde te ontwikkelen toetsingskaders.
Uiterwaarden
In het rivierengebied is de opeenvolging van grote rivieren met uiterwaarden, oeverwallen en kommen karakteristiek. De uiterwaarden, met uitzondering van enkele hoogwatervrije terreinen, behoren tot Natura 2000-gebied, waardoor de leefgebieden van bepaalde planten- en diersoorten beschermd worden. Voor de uiterwaarden geldt, naast de omgevingsvisie, onder andere beleid vanuit Ruimte voor de rivier en het Gelders Natuurnetwerk. Tegelijkertijd is er behoefte aan recreatiemogelijkheden, waar de uiterwaarden een rol in kunnen spelen. Openstellen van de uiterwaarden voor wandelen en fietsen, het creëren van rustplekken waar het verhaal van de rivieren en uiterwaarden beleefd kan worden, aangevuld met mogelijkheden voor horeca, zijn daar enkele voorbeelden van. Wat betekent dat voor ontwikkelingsmogelijkheden in de uiterwaarden? Uitgangspunt is het behouden en versterken van landschappelijke kwaliteiten. Voor waardevolle openheid geldt dat deze niet mag worden aangetast door ruimtelijke veranderingen. De uiterwaarden blijven beschikbaar voor agrarisch gebruik, maar blijven gevrijwaard van nieuwe bebouwing. Bestaande watergebonden bedrijven kunnen blijven voortbestaan. Uitbreiding van die bedrijven is omwille van ruimte voor de rivier en waarden van natuur en landschap in principe niet mogelijk. Uitbreiding van deze bedrijving alleen mogelijk via maatwerk. Een maatschappelijke / landschappelijke tegenprestatie is één van de voorwaarden. Een herontwikkeling in de uiterwaarden ten behoeve van ontgronding is mogelijk, mits er sprake is van een maatschappelijke / landschappelijke tegenprestatie en de aanwezige waarden niet onevenredig wordt aangetast / verwijderd.
Weidevogelgebied
De uiterwaarden en de komgronden (Eldiksche Veld en Dodewaardse Veld) zijn van belang voor weidevogels. Het zijn vogelrichtlijngebieden. Weidevogels komen voor in grootschalige graslandgebieden, bij voorkeur op percelen met een extensief gebruik en hoge voorjaarswaterstanden. De waarde als weidevogelgebied moet in samenhang worden gezien met de aanwezigheid van meerdere goede weidevogelgebieden in de directe omgeving. De gemeente kiest voor het behoud van (de openheid van) het weidevogel- en ganzengebied. Vanuit landschappelijk en ecologisch oogpunt is binnen dit gebied een uitbreiding van laanboomteelt, hoog opgaande beplanting of de realisatie van nieuwe bebouwing niet mogelijk. Dit is overeenkomstig het provinciaal beleid.
De Linge
De Linge is de langste rivier van Nederland. De rivier heeft in onze gemeente vooral een waterstaatkundige functie (aan- en afvoer van water), maar heeft mogelijk meer potentie. Denk aan de koppeling met waterberging, maar ook het versterken van de verschijningsvorm in het landschap, verbetering van de biodiversiteit en het beter benutten van de recreatieve potentie van de rivier. Hiervoor is de Visie Boven-Linge opgesteld samen met andere overheden en partners uit het veld. De gemeente wil de potentie van het stroomgebied van de Linge nader verkennen. Denk aan mogelijkheden voor waterberging, verbetering van de waterkwaliteit en daarmee ook van de biodiversiteit, recreatief medegebruik (inclusief varen) en het beleefbaar maken van de Linge. Op basis van deze verkenning kunnen te zijner tijd beleidskeuzes worden voorgelegd. Het is wenselijk om bij nieuwe ontwikkelingen langs de Linge rekening te houden met deze visie.

Een visie krijgt meerwaarde als wordt bedacht hoe de doelen en ambities uit de visie gerealiseerd kunnen worden. Dit kan door een doorkijk te geven naar de uitvoering. Daarbij is het van belang om te bezien welke rol de gemeente heeft in de uitvoering van het Programma Buitengebied en welke stakeholders hiervoor nog meer in beeld zijn. Daarom wordt eerst ingegaan op de rolbepaling in het buitengebied. Vervolgens wordt ingegaan op twee vormen van concretisering:
Uitwerking van de visie op het buitengebied, waaronder verschillende afwegingskaders die laten in het omgevingsplan verwerkt moeten worden;
Concrete maatregelen, op basis van het Programma Buitengebied.
Concrete uitvoering van maatregelen in het buitengebied is voorbehouden aan de beheerders van het buitengebied. Voor het overgrote deel zijn dat de agrarische ondernemers. Daarnaast zijn dat voor natuurgebieden de beherende instanties. Voor het beheer van de rivieren, dijken en een deel van de wegen zijn het waterschap en Rijkswaterstaat verantwoordelijk. Tot slot speelt de gemeente een rol in het beheer van de openbare ruimte van de gemeente. Dit betreft veelal wegen en direct aansluitende gebieden (zoals bermen, overhoeken en dergelijk).
De gemeente heeft wel invloed op het realiseren van doelen in het buitengebied door haar kaderstellende rol. De omgevingsvisie, programma’s en het omgevingsplan zijn kaders, waar de gemeente ontwikkelingen mee kan aansturen.
Van concrete inzet van (financiële) middelen is niet of nauwelijks sprake. De gemeente kan wel initiatieven faciliteren die passen binnen de gestelde doelen van de omgevingsvisie of het Programma Buitengebied. Belangrijk is dat de gemeente een omgeving creëert waarin verschillende partijen samenwerken aan de ontwikkeling van het buitengebied, waarbij ruimte geboden wordt aan economische ontwikkeling èn de kwaliteiten van het buitengebied behouden blijven en/of versterkt worden.
In het vorige hoofdstuk is een visie gegeven op verschillende (deel) onderwerpen. Bij die visie zijn ook maatregelen benoemd. Een aantal ervan betreffen uitwerking van beleid:
Tegenprestatie. Beleid voor het leveren van een tegenprestatie bij het mogelijk maken van ontwikkelingen, moeten nader worden uitgewerkt. In een dergelijke uitwerking dient aangegeven te worden:
in welke situaties een tegenprestatie wordt gevraagd;
in welke vorm de tegenprestatie wordt geleverd (fysiek, fondsvorming);
wat de tegenprestatie moet zijn of welke kwaliteit de tegenprestatie moet ondersteunen (landschap, natuur, etc.);
welke rol de gemeente aanneemt bij de tegenprestatie (toetser, beheerder en/of uitvoerder van een fonds);
proportionaliteit (staat de tegenprestatie in verhouding tot de ontwikkeling);
etc.
Afwegingskader ontwikkelen voor functieverandering bij vrijkomende agrarische bebouwing
De voorwaarden waaronder teelt ondersteunende voorzieningen worden toegelaten. De uitwerking heeft betrekking op voorwaarden als hoogte, oppervlak, ruimtelijke kwaliteit, water en bodem, biodiversiteit, innovatie en het leveren van een tegenprestatie.
Deze uitwerkingen worden in een later stadium vertaald naar het omgevingsplan
In hoofdstuk 4 is een aantal concrete maatregelen benoemd. Dit overzicht geeft een samenvatting van de te nemen maatregelen:
De gemeente zal in het kader van het beheer van haar gronden in het buitengebied nadrukkelijk rekening houden met de ambities zoals die in het Programma Buitengebied zijn neergelegd.
De gemeente start een verkenning naar de potenties van de Linge. Dit zal zij doen in overleg en in samenwerking met de andere Lingegemeenten.
In onderstaande tabel staat weergegeven wanneer de genoemde maatregelen in hoofdstuk 4 nader worden uitgewerkt.

De Omgevingswet biedt ruimte voor ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het bouwen van een nieuwe woonwijk of het aanleggen van een nieuw bedrijventerrein bestaat niet alleen uit de bouw van nieuwe woningen of nieuwe bedrijfsgebouwen. Om de woonwijk of bedrijventerrein te kunnen gebruiken moeten er diverse (openbare) voorzieningen worden aangelegd, zoals wegen, voetpaden, parkeerplaatsen, straatverlichting en openbaar groen. Als niet de initiatiefnemer, maar de gemeente deze voorzieningen aanlegt, dan is de gemeente verplicht om deze kosten te verhalen op de initiatiefnemer. Het verhalen van deze kosten wordt kostenverhaal genoemd. Daarnaast kent de Omgevingswet een regeling voor financiële bijdragen voor de ontwikkeling van het gebied. Een initiatiefnemer wordt verplicht om bij te dragen aan ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteiten van de leefomgeving. Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van een (regionaal) fietspad of het uitbreiden van een natuurnetwerk. In de Nota Kostenverhaal (deel A en deel B) heeft de gemeente beschreven hoe zij omgaat met ‘kostenverhaal en de financiële bijdragen voor de ontwikkeling van het gebied’. Dit betreft ook het buitengebied.
In hoofdstuk 4 is het beleid voor het buitengebied verder uitgewerkt en zijn in een aantal gevallen maatregelen voorgesteld die dat beleid helpen te realiseren. Het programma is daarmee gericht op zowel uitwerking als uitvoering van beleid. De Omgevingswet koppelt aan het instrument programma de plicht om het programma te monitoren met het oog op uitvoering en effectiviteit van het instrument.
In dit hoofdstuk wordt een eerste aanzet gegeven tot een monitoringsprogramma, dat vervolgens verder moet worden uitgewerkt, voordat het operationeel is. Daarom wordt in dit hoofdstuk tevens nader ingegaan op de uitgewerkte doelen en maatregelen en welke haakjes deze bieden voor monitoring. De monitoring is de basis voor het evalueren van beleid.
Beleidsevaluatie.
Beleidsevaluatie heeft als doel de effectiviteit van beleid te meten en op basis daarvan zo nodig maatregelen te nemen om uiteindelijk de gewenst effectiviteit te bereiken. Zo kan blijken dat onze ambities te hoog waren gesteld. Dat kan na evaluatie aanleiding zijn om beleid bij te stellen. Ook kan blijken dat wel de juiste ambities zijn geformuleerd, maar dat dit onvoldoende is vertaald in regelgeving. Dan ligt aanpassing van de regelgeving voor de hand. Ook kan blijken dat er wel vergunningen verlenen, maar dat die niet volgens de gestelde regels worden uitgevoerd. Dan kan het probleem bij vergunningverlening en handhaving liggen.
De monitoring volgt in principe de beleidsdoelen. Mochten deze onvoldoende worden gehaald, dan moeten alle instrumenten van de beleidscyclus worden bekeken om te zien aan welke knoppen we moeten draaien om het beleid beter te effectueren. Monitoring kan op verschillende manieren plaats vinden. Van belang daarbij is dat beleid en maatregelen meetbaar zijn. Zo is de landschappelijke openheid meetbaar, bijvoorbeeld door lichtfoto’s. Of er voldoende ontwikkelingsmogelijkheden zijn voor agrarische bedrijven is lastig aan de hand van beschikbare gegevens te monitoren. Hiervoor zou een enquête een geschikt middel kunnen zijn. Daarnaast moet voor monitoring en evaluatie capaciteit beschikbaar zijn. Wie deze werkzaamheden binnen de gemeentelijke organisatie oppakt, moet ook nog worden onderzocht. Omdat het monitoren van een programma door de Omgevingswet verplicht wordt gesteld, zal op korte termijn worden uitgewerkt hoe dat het beste kan plaats vinden en hoe dat binnen de gemeente wordt georganiseerd.
/join/id/regdata/gm1740/2025/b5f0292746fa42d3ad53092985298c1c/nld@2025‑04‑03;08492081
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-149701.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.