Gemeenteblad van Wijk bij Duurstede
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Wijk bij Duurstede | Gemeenteblad 2025, 138049 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Wijk bij Duurstede | Gemeenteblad 2025, 138049 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Jeugdhulp en Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2025 gemeente Wijk bij Duurstede
De gemeente heeft taken en verantwoordelijkheden om inwoners te helpen zelfstandig mee te kunnen doen in de maatschappij. Dat is geregeld in verschillende wetten. In deze verordening hebben we beschreven hoe we de Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uitvoeren.
In de verordening verwijzen we op enkele plekken naar de inwoner met de term ‘hij’. Dat is gedaan om de tekst makkelijk leesbaar te houden. Waar ‘hij’ staat, wordt in feite verwezen naar mannen, vrouwen, non-binaire personen, intersekse personen en transgenders.
Voor verduidelijking van de begrippen die we gebruiken, wijzen we u op de begrippenlijst in het eerste hoofdstuk van deze verordening.
De Jeugdwet en Wmo zijn onderdeel van het sociaal domein. In de Maatschappelijke Agenda 2023 – 2027 zijn de ambitie en kaders voor het sociaal domein vastgesteld. De kernboodschap van de Maatschappelijke Agenda 2023 – 2027 is:
Van zorgen voor naar zorgen dat
Het leven heeft goede en slechte momenten. Het is belangrijk dat iedereen, van jong tot oud, zich gewaardeerd voelt, kan meedoen en samen kan zijn met bekende mensen in een fijne en veilige omgeving. Dit helpt mensen meer verantwoordelijkheid te nemen voor zichzelf en voor elkaar. Zo houden ze regie over hun eigen leven en doen ze minder een beroep op hulp en ondersteuning.
Toelichting op de kernboodschap
We geloven in wat mensen zelf kunnen en zorgen ervoor dat ze dat zoveel mogelijk benutten. Belangrijk is om het gewone leven als uitgangspunt te nemen en niet alleen te focussen op problemen en hulpverlening. We helpen mensen om zelf hun problemen op te lossen, in plaats van het voor hen op te lossen. Niet iedereen heeft hulp of ondersteuning nodig. De verantwoordelijkheid blijft de bij de inwoner zelf liggen, en wanneer het een jeugdige betreft ook bij de ouder(s).
We steunen initiatieven die sociale verbondenheid, zorg voor elkaar en zingeving bevorderen. Hierdoor zijn mensen beter in staat met moeilijke momenten in het leven om te gaan. Een goed aanbod van voorzieningen, zoals sport en welzijn, helpt hierbij. We voorkomen problemen, het liefst door mensen te laten nadenken over hun gezondheid en toekomst.
De focus ligt hierbij op het versterken van de eigen verantwoordelijkheid van inwoners, meer preventie, het versterken van weerbaarheid, het inzetten op de acties van gezinnen en hun netwerk, en het benutten van beschermende factoren (i.c. sociale binding, kansen voor betrokkenheid, pro-sociale normen, erkenning en waardering voor positief gedrag, steun van belangrijke volwassenen in de omgeving, constructieve tijdbesteding, competenties, cognitieve vaardigheden, schoolmotivatie en positieve identiteit) voor jeugdigen.
Bovenstaande punten vormen de uitgangspunten van de Verordening. Daarnaast is deze Verordening een aanvulling van de wettelijke regels.
Binnen deze context stimuleren we dat kinderen en ouders veerkrachtig zijn en elkaar ondersteunen om oplossingen te vinden voor opvoed- en opgroeivragen. Dit gebeurt binnen een sterke pedagogische basis, waar kinderen en ouders hun relaties, contacten en hulpbronnen in hun directe omgeving zoveel mogelijk benutten. Goede samenwerking met onderwijsinstellingen is hierbij essentieel. Als er extra hulp nodig is, wordt deze tijdig aangeboden door partners in de pedagogische basis, het jongerenwerk en het sociaal team van Binding, aanvullende hulp en jeugdbescherming. Samenwerking tussen deze partners zorgt ervoor dat onveiligheid in gezinnen vroegtijdig wordt herkend, en passende hulp wordt ingezet om de veiligheid te verbeteren.
We benadrukken dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen primair bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt. Ouders worden geacht hun jeugdige(n) de dagelijkse hulp en ondersteuning te bieden, ook wanneer er sprake is van een ziekte, aandoening of beperking. Het gaat hierbij om meer dan individuele oplossingen: er wordt zoveel als mogelijk ingezet op groepsgerichte ondersteuning en het benutten van voorliggende voorzieningen.
De gemeente zet in op de versterking van het gewone leven, met aandacht voor de ups en downs die daarbij horen, met inachtneming van de wettelijke taken. De aanpak richt zich op een integrale, preventieve benadering, waarbij de samenwerking tussen verschillende betrokkenen cruciaal is om gezinnen en jeugdigen op tijd en op maat te ondersteunen.
Gelet op het voorgaande en overwegende artikel 2.1.2 Wet maatschappelijke ondersteuning en artikel 2.9 Jeugdwet:
Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen
Gesprek: het contact door of namens het College na een melding of aanvraag en onderdeel van het onderzoek, waarin met degene die Maatschappelijke ondersteuning en/of Jeugdhulp zoekt zijn/haar gehele situatie wordt geïnventariseerd en vraagverheldering plaatsvindt om duidelijk te krijgen wat een inwoner nodig heeft om het gewenste resultaat van de ondersteuning te bereiken, overeenkomstig de vereisten van het onderzoek in de Wmo en/of de Jeugdwet.
Hulp- of ondersteuningsvraag: Behoefte aan Maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid, van de Wmo dan wel behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan Jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet.
Informele zorg: zorg en/of ondersteuning die wordt geleverd door iemand uit het sociale netwerk van de cliënt/inwoner of geleverd wordt vanuit vrijwillige inzet ten behoeve van de cliënt/Inwoner. Hieronder valt ook een zorgverlener die niet werkt bij een formele organisatie, niet is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, niet beschikt over een AGB-code, niet beschikt over de bij de zorgverlening behorende registratie ((bij voorbeeld SKJ /BIG bij Jeugdhulp).
Loket : Centrale plek waar mensen terecht kunnen voor informatie over voorzieningen op het terrein van wonen, welzijn en zorg en voor ondersteuning op grond van de Wmo en de Jeugdwet, en waar ook de toegang tot maatwerkvoorzieningen (Wmo) of Individuele voorzieningen (Jeugdwet) geregeld is vanuit het Mandaat. In Wijk bij Duurstede: Binding.
Onderzoek: De periode van 6 weken waarin onderzocht wordt hoe de Cliënt bij zijn vraag en behoefte aan Maatschappelijke ondersteuning of Jeugdhulp zo goed mogelijk kan worden geholpen en wel overeenkomstig de vereisten van de Wmo en de Jeugdwet. Bij de Jeugdwet: de periode van 6 weken na melding waarbinnen samen met de inwoner vraagverheldering plaatsvindt en een ondersteuningsplan wordt opgesteld.
Persoonlijk plan (Wmo): Plan waarin door een cliënt en/of ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de cliënt behoren, de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3. beschreven zijn en waarin aangegeven wordt welke Maatschappelijke ondersteuning naar de eigen mening het meest is aangewezen.
Primaat van verhuizen Wmo: Beoordeling op een aanvraag van een cliënt voor een Woonvoorziening in het kader van de Wmo, waarbij het College bepaalt dat de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een op een eenvoudige wijze of tegen lagere kosten geschikt te maken woning, welke verhuizing kan leiden tot het verminderen of verhelpen van de ervaren belemmeringen in de zelfredzaamheid of participatie.
Voorziening: Een aanbod van diensten of activiteiten waarvan de Cliënt gebruik kan maken. De volgende soorten Voorzieningen zijn beschikbaar:
Algemeen gebruikelijke voorziening (Wmo): Een dienst, hulpmiddel woningaanpassing of andere maatregel die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of participatie van een cliënt en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Dit laatste is het geval als voldaan wordt aan de criteria voor verlening van bijzondere bijstand bij aanvragen voor duurzame gebruiksgoederen: als binnen een termijn van 36 maanden kan worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm kan de voorziening gedragen worden met een inkomen op minimum niveau.
Collectieve voorziening: Een algemene voorziening die specifiek gericht is op een bepaalde doelgroep en gedefinieerd is als dienst of activiteit, gericht op het versterken van zelfredzaamheid, participatie of opvang, en die zonder voorafgaand onderzoek toegankelijk is en waarvoor geen beschikking nodig is.
Hoofdstuk 2 Toegang, melding en onderzoek
Artikel 4. Persoonlijk plan en Familiegroepsplan
Het College informeert de cliënt en zijn ouders over de mogelijkheid tot het indienen van een Familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1. Jeugdwet en stelt hem gedurende zeven werkdagen na de melding in de gelegenheid dit plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, draagt het College zorg voor ondersteuning bij het opstellen van het Familiegroepsplan.
Artikel 6. Gesprek en Vraagverheldering
Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd door Binding met de Cliënt, desgewenst in het bijzijn van haar/zijn vertegenwoordiger/cliëntondersteuner en zoveel mogelijk in het bijzijn van zijn/haar mantelzorger en/of desgewenst zijn/haar familie/ouder. De aanbieder sluit daar alleen bij aan als daar een goede reden voor is, ter beoordeling aan het College.
Het College onderzoekt in het gesprek de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening (Wmo) of een Individuele voorziening (Jeugdwet) te verstrekken, dan wel de mogelijkheid om de ondersteuningsvraag op een andere wijze op te lossen, een en ander in het belang van behoud en versterking van de draagkracht van de cliënt.
Het College onderzoekt in het gesprek hoe de gewenste samenhang in de versterking van de draagkracht en beperking van de draaglast tot stand kan komen door mede te kijken naar mogelijkheden die lokale voorzieningen bieden op het terrein van welzijn, sport en bewegen, cultuur, onderwijs, vrijwilligerswerk etc.
Ingeval het gesprek betrekking heeft op de uitvoering van de Wmo zijn de bepalingen als volgt:
Het College onderzoekt in het gesprek overeenkomstig artikel 2.3.2, 4e lid van de Wmo:
de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp/zorg of met een algemeen gebruikelijke voorziening, een collectieve voorziening, een wettelijk voorliggende voorziening of met een algemene voorziening zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang;
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemd ondersteuningsplan om te voorzien in een oplossing voor de ondersteuningsvraag die bijdraagt aan versterking van de draagkracht of beperking van de draaglast van de cliënt.
de mate waarin cliënt of iemand uit zijn sociale netwerk in staat is om eventueel een maatwerkvoorziening of individuele voorziening in de vorm van een Persoonsgebonden budget te beheren en de benodigde ondersteuning of zorg zelf in te kopen waarbij in begrijpelijke woorden wordt toegelicht wat de voorwaarden daarvoor zijn en wat de gevolgen zijn.
Artikel 7. Toegang tot jeugdhulp: Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.
Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1 van de Jeugdwet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Het college kan nadere regels over de beoordeling hiervan vaststellen.
Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en waar beschikbaar er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie.
In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.
Artikel 8. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen jeugd
Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).
Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:
Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:
Het College kan een door het College daartoe aangewezen deskundige adviesinstantie om advies vragen indien:
het een melding of aanvraag betreft van een persoon aan wie eerder een maatwerkvoorziening of individuele voorziening is verstrekt of met wie eerder een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 is gevoerd, maar waarvan de medische of psychosociale omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden aard of omvang van een maatwerkvoorziening of individuele voorziening kunnen beïnvloeden.
Het College treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.
Hoofdstuk 3 Voorzieningen in natura en via een Persoonsgebonden budget
Artikel 15. Maatwerkvoorziening of Individuele voorziening in natura
Het College kan nadere regels stellen met betrekking tot de verstrekking van maatwerkvoorzieningen zoals het ‘Indicatieprotocol huishoudelijke ondersteuning gemeente Wijk bij Duurstede 2023’, de ‘PGB-beleidsregels Jeugdhulp en Wmo 2022’, de ‘Nadere regels Wmo 2024’, ‘Nadere regels Jeugdhulp 2024’ of de sindsdien door het College vastgestelde nadere regels of richtlijnen.
Het College kan bij de toekenning van een Wmo-maatwerkvoorziening bepalen dat deze voor langere tijd wordt toegekend met een maximum van vijf jaar en wel wanneer sprake is van een blijvende beperking of aandoening waarbij niet aannemelijk is dat de ondersteuningsvraag wijzigt. Het College beoordeelt voor welke termijn de Voorziening verstrekt wordt. Dit is maatwerk en afhankelijk van de volgende factoren:
Artikel 16. Maatwerkvoorziening of Individuele voorziening in de vorm van een Persoonsgebonden budget (pgb)
Iedere persoon die een maatwerkvoorziening of individuele voorziening krijgt toegekend, heeft volgens de Wmo en de Jeugdwet de keuze tussen Zorg in natura en een pgb, mits de cliënt of verantwoordelijke de bijbehorende taken uit kan voeren, de cliënt kan aantonen waarom de zorg vanuit een pgb voldoet en hoe de kwaliteit gewaarborgd is. Bij Jeugdhulp dient men bij een niet-gecontracteerde aanbieder aan te tonen waarom het aanbod vanuit de gecontracteerde aanbieders Zorg in natura niet toereikend is.
De gemeente kent een pgb pas toe als zij vindt dat de Cliënt (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De Cliënt moet pgb bekwaam zijn. Dit wil zeggen dat hij de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kan uitvoeren. De pgb bekwaamheid wordt onder andere getoetst met behulp van de 10-punten pgb-vaardigheid zoals opgesteld door het ministerie van VWS.
Van een vertegenwoordiger wordt verwacht dat hij de taken die bij het beheren van een pgb horen op een verantwoorde manier uitvoert. Daarvoor is in ieder geval nodig dat:
hij niet de uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht en geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de Cliënt, de vorm van de ingekochte ondersteuning en de manier waarop de besteding van het pgb wordt verantwoord, volgens het College passend is;
De hoogte van het Persoonsgebonden budget:
wordt berekend op basis van een prijs of tarief:
waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in het derde lid gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de cliënt de mogelijkheid heeft om de betreffende diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, en
Het Persoonsgebonden budget dient door de cliënt bij voorkeur binnen 3 maanden maar in ieder geval binnen 6 maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. Indien dat niet gebeurt, vervalt de beschikking op de toegekende maatwerkvoorziening of Individuele Voorziening.
Alle in deze Verordening genoemde pgb’s zijn gebaseerd op prijspeil 2025. Het College kan besluiten de pgb-bedragen voor Wmo-maatwerkvoorzieningen (Wmo) en Individuele voorzieningen (Jeugdwet) te indexeren. Basis daarvoor is de wijze van indexering die is opgekomen in de contracten met Aanbieders die in de regio Zuidoost Utrecht Zorg in natura voor de desbetreffende maatwerkvoorziening of Individuele voorziening leveren.
De hoogte van een pgb voor Wmo-maatwerkvoorzieningen wordt vastgesteld voor:
Een zaak of hulpmiddel: op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak of hulpmiddel in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten. De kostprijs wordt aangepast bij verstrekking van een tweedehands voorziening.
Voor de volgende Wmo-maatwerkvoorzieningen wordt geen pgb verstrekt indien de ondersteuning verzorgd wordt door een niet daartoe opgeleid persoon die niet in dienst is bij een zorginstelling of door een persoon die afkomstig uit het sociale netwerk van de cliënt (Informele zorg): huishoudelijke ondersteuning, begeleiding individueel specialistisch, begeleiding groep en bemoeizorg.
De pgb’s voor de Wmo-maatwerkvoorziening Huishoudelijke ondersteuning zijn als volgt (prijspeil 2025):
Voor een niet daartoe opgeleid persoon die niet werkzaam is voor een instelling (bijvoorbeeld familie/kennissen van de aanvrager) (Informele zorg): € 20,99 per uur.
Voor een zelfstandige zonder personeel (zzp-er) of gelijkwaardige functie die de juiste opleiding heeft voltooid en die valt onder de definitie van Formele zorg: 60% van het tarief dat geldt in natura op basis van de door de gemeente afgesloten contracten.
Voor een daartoe opgeleid persoon werkzaam in dienst van een zorgaanbieder die niet gecontracteerd is (Formele zorg): 90% van het tarief dat geldt voor HO in natura.
De pgb’s voor de Wmo-maatwerkvoorziening Kortdurend verblijf zijn als volgt:
Voor een zelfstandige zonder personeel (zzp-er) of gelijkwaardige functie die de juiste opleiding heeft voltooid: 75% van het tarief dat geldt voor zorg in natura (formele zorg): per etmaal:
Voor een daartoe opgeleid persoon werkzaam in dienst van een zorgaanbieder die niet gecontracteerd is (Formele zorg): 90% van het tarief dat geldt voor zorg in natura: per etmaal:
De pgb’s voor de Wmo-maatwerkvoorziening Vervoer (basis of rolstoelvervoer) naar- en van een geïndiceerde dagbestedingslocatie zijn als volgt:
Via inzet van een persoon die niet werkzaam is voor een instelling (bijvoorbeeld familie/kennissen van de aanvrager)
Voor een daartoe opgeleid persoon werkzaam in dienst van een zorgaanbieder die niet gecontracteerd is: 90% van het tarief dat geldt voor zorg in natura: per retourrit naar de dagbestedingslocatie, zowel regulier- als rolstoelvervoer.
De pgb’s voor de Wmo-maatwerkvoorziening Individuele begeleiding basis zijn als volgt:
Door een niet daartoe opgeleid persoon die niet werkzaam is voor een instelling (bijvoorbeeld familie/kennissen van de aanvrager) (Informele zorg): per uur (alleen begeleiding basis):
Door een zelfstandige zonder personeel of gelijkwaardige functie die daartoe de juiste opleiding heeft voltooid (Formele zorg): 75% van het tarief in natura zoals opgenomen in het desbetreffende contract tussen de Gemeente en zorgaanbieders die Begeleiding bieden: per uur begeleiding:
Door een daartoe opgeleid persoon, werkzaam bij een door de gemeente niet gecontracteerde instelling (Formele zorg): 90% van het tarief in natura zoals opgenomen in het contract tussen de Gemeente en aanbieders van de maatwerkvoorziening Begeleiding: per uur begeleiding:
De hoogte van een pgb voor Jeugdhulp wordt vastgesteld voor:
Zelfstandige zonder personeel: jeugdhulp door een zelfstandige zonder personeel met een passende AGB-code en erkenning (in het Algemeen Gegevens Beheer-register van zorgverleners): maximaal tarief 75% van het tarief in natura zoals opgenomen in de contracten met Aanbieders die zorg in natura voor de desbetreffende Individuele voorziening leveren.
De pgb’s voor de Jeugdhulp bedragen met verwijzing naar sub b en c (prijspeil 2025):
Artikel 17. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb jeugd
Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in. In het pgb-plan is opgenomen:
Het college verstrekt een pgb als:
naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 20 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
Artikel 19. Onderscheid formele en informele hulp jeugd
Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
Artikel 20. Kwaliteitseisen individuele voorziening jeugd in de vorm van een pgb
Artikel 21. Weigeringsgronden voor toekenning van een maatwerkvoorziening of Individuele voorziening in de vorm van een Persoonsgebonden budget (pgb)
Los van de voorwaarden opgenomen in de Wmo, artikel 2.3.6. en in de Jeugdwet, artikel 8.1.1. kan het College besluiten om geen pgb te vertrekken indien sprake is van de volgende omstandigheden:
als de kwaliteit van de Wmo-ondersteuning of de Jeugdhulp onvoldoende is geborgd/de beoogde zorgverlener niet de gewenste kwaliteit biedt, bij voorbeeld als een onhoudbare situatie dreigt waarin de veiligheid van de cliënt in het geding komt. Het College kan hiervoor aanvullende regels bepalen. En/of:
als sprake is van andere belemmerende omstandigheden naar het oordeel van het College.
Het College kan weigeren dat een bepaalde zorgaanbieder voor het leveren van pgb-zorg of ondersteuning wordt ingezet, als gebleken is dat de kwaliteit niet gegarandeerd is. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit het feit dat een aanbieder bij een inkooptraject geweigerd is omdat deze niet voldoet aan de gestelde kwaliteitsvereisten. Het College kan hierover nadere regels stellen.
Artikel 22. Beëindiging of terugvordering pgb’s
Het College kan het eerder toegekende pgb stopzetten en/of terugvorderen als blijkt dat:
Artikel 23. Opschorting betaling uit het pgb
Het College kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot gehele of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het Persoonsgebonden budget als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo of artikel 8.1.4.van de Jeugdwet.
Hoofdstuk 4 Maatschappelijke Ondersteuning
Artikel 25. Criteria voor toekenning maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo algemeen
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het hoofdstuk 2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie, tot versterking van zijn draagkracht en beperking van zijn draaglast en tot het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven, en sluit aan op de beperkingen en de mogelijkheden van de cliënt.
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het hoofdstuk 2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan begeleiding, beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Het in dit lid bepaalde heeft betrekking op een cliënt met chronische en ernstige psychische- of psychosociale problemen en/of een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.
27. Criteria huishoudelijke ondersteuning
28. Criteria maatwerkvoorziening Begeleiding
Deze maatwerkvoorziening is in de regel gericht op Cliënten met (ernstige en chronische) psychische- en psychosociale aandoeningen, niet-aangeboren-hersenletsel, een psychiatrische aandoening of beperking, een psychogeriatrische aandoening of beperking, een verstandelijke beperking, lichamelijke- of zintuiglijke beperking of een combinatie daarvan.
Na afloop van de periode van begeleiding kan het College besluiten nog Waakvlamzorg in te zetten. De maximale omvang daarvan bedraagt 10 uur binnen een looptijd van maximaal een jaar, aansluitend op de afloop van de eerder verstrekte maatwerkvoorziening begeleiding. De ondersteuning of zorg wordt flexibel en op afroep verstrekt.
29. Criteria begeleiding groep/dagbesteding
Deze maatwerkvoorziening is in de regel gericht op Cliënten met (ernstige en chronische) psychische- en psychosociale aandoeningen, niet-aangeboren-hersenletsel, een psychiatrische aandoening of beperking, een psychogeriatrische aandoening of beperking, een verstandelijke beperking, lichamelijke- of zintuiglijke beperking of een combinatie daarvan.
Begeleiding groep/dagbesteding wordt verstrekt tot een maximum van 5 dagdelen per week. Dit geldt voor nieuwe aanvragen en/of wanneer er een ophoging van het huidige aantal dagdelen wordt gevraagd. Indien meer nodig is, vindt onderzoek naar toeleiding naar indicatiestelling voor de Wet langdurige zorg plaats.
34. Criteria Woonvoorzieningen specifiek
De aanvraag voor een Woonvoorziening kan in ieder geval worden geweigerd indien:
de noodzaak tot het verstrekken van de maatwerkvoorziening het gevolg is van een verhuizing waarbij de cliënt niet is verhuisd naar de, gelet op de (te verwachten) beperkingen, op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het College;
Het College verstrekt geen Woonvoorziening als de cliënt woonachtig is in een wooncomplex bestemd voor bewoners met een functiebeperking en/of een woongebouw dat specifiek gelabeld is voor een bepaalde doelgroep en waarvan verwacht mag worden dat de benodigde woningaanpassingen reeds zijn getroffen.
38. Criteria financiële tegemoetkoming
Het College kan op aanvraag aan een Cliënt met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een financiële tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie of ter versterking van hun draagkracht of verlaging van hun draaglast, indien er geen andere oplossingen voorhanden zijn in de situatie van de cliënt, of andersoortige Voorzieningen of mogelijkheden vanuit het sociale netwerk geen oplossing bieden. Vergoeding vindt dan plaats op basis van het principe ‘goedkoopst adequaat’.
Verhuiskosten: de vergoeding bedraagt maximaal € 3.167 éénmalig waarbij het daadwerkelijk verstrekte budget afhankelijk is van de persoonlijke situatie, de mate van mogelijke inzet vanuit het eigen sociale netwerk van de cliënt of inzet van vrijwilligers en zo nodig de offerte van een verhuisbedrijf.
De vergoedingen voor sportvoorzieningen zijn als volgt: sportvoorzieningen/sportrolstoel: het laagste tarief voor een sportvoorziening in natura, opgenomen in het door de gemeente gesloten contract met een leverancier van hulpmiddelen tot maximaal € 2.850 per drie jaar. Voor een andere voorziening dan een sportrolstoel worden alleen de meerkosten in verband met de handicap verstrekt tot maximaal € 2.850 per drie jaar en op voorwaarde dat de toekennen van de Voorziening noodzakelijk geacht wordt voor de participatie van de cliënt en er geen voorliggende oplossingen vanuit andere wetten mogelijk zijn.
Niet voor vergoeding voor Domotica komen in aanmerking: technische- en digitale hulp- en ondersteuningsmiddelen die bedoeld zijn voor medische zorg, toegangsverlening voor medische zorg of hulpmiddelen ter bevordering van de eigen gezondheid, persoonlijke verzorging of in het kader van leefstijlmonitoring en dergelijke. Hetzelfde geldt voor Domotica die onder de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet (inclusief aanvullend pakket) (kunnen) vallen.
In zeer bijzondere gevallen kan het College een auto in bruikleen geven. De Bijdrage door Cliënt te betalen overeenkomstig artikel 16 (prijspeil 2025) is daarop van toepassing. Gebruik van de auto door (familie van) cliënt tot een maximum van 8.000 kilometer per auto per jaar valt onder de toegekende maatwerkvoorziening. Indien meerdere cliënten van de auto gebruikmaken, komt daar 2.000 kilometer per persoon per jaar bij. De auto wordt verstrekt voor gebruik binnen Nederland. Voor gebruik boven het aangegeven aantal kilometers en voor gebruik in het buitenland betaalt cliënt extra per kilometer en wel als volgt: € 0,39 per kilometer.
39. Criteria Beschermd wonen of Maatschappelijke opvang
Een cliënt kan in aanmerking komen voor deze maatwerkvoorziening wanneer hij zich door chronische- en ernstige psychische- of psychosociale problemen niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving waardoor er een risico ontstaat op:
Artikel 42. Criteria voor het verlenen van Wmo-ondersteuning aan cliënten door personen uit het eigen sociale netwerk
Artikel 43. Opleggen van Bijdragen bij toekenning van Voorzieningen.
Een cliënt kan een Bijdrage verschuldigd zijn in de kosten voor het gebruik van een Voorziening zoals bedoeld in artikel 1., lid 33, niet zijnde een Individuele Voorziening (Jeugdwet).
Artikel 44. Opleggen van Bijdragen bij toekenning van maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo
Een cliënt is een Bijdrage verschuldigd in de kosten voor een maatwerkvoorziening zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het Persoonsgebonden budget wordt verstrekt. De Bijdrage kan ook worden opgelegd voor kosten van onderhoud voor de in gebruik zijnde maatwerkvoorziening.
Indien door omstandigheden de maatwerkvoorziening niet uitgevoerd kan worden overeenkomstig de beschikking, wordt de betaling van de Bijdrage na een ononderbroken periode van twee maanden zonder (volledige) ondersteuning stopgezet. Noodgedwongen inzet van minder ondersteuning dan in de beschikking staat opgenomen, is geen reden om de Bijdrage te stoppen.
De Bijdrage wordt door het Centraal Administratie Kantoor (CAK) geïnd. Het College verstrekt aan het CAK de daarvoor benodigde gegevens zoals aantal en kostprijs van de verstrekte maatwerkvoorzieningen. Het CAK gaat bij een samenloop van meerdere voorzieningen uit van de voorziening met de hoogste kostprijs.
Artikel 45. Bijdragen voor maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo
De Bijdragen voor maatwerkvoorzieningen zijn als volgt:
maatwerkvoorziening hulpmiddelen en individueel vervoer (o.a. scootmobielen, driewielfietsen, sportrolstoelen): de Bijdrage is gebaseerd op de kostprijs van hetgeen als gebruikelijk uit het assortiment van de door de Gemeente gecontracteerde leverancier in rekening wordt gebracht aan de Gemeente, inclusief onderhoud: het landelijk vastgestelde bedrag (artikel 2.1.4 van de Wmo) totdat de kostprijs betaald is. Indien het een voorziening betreft die niet in het kernassortiment is opgenomen, is de kostprijs leidend. Als de voorziening afbetaald is, geldt de Bijdrage nog voor de kosten van het onderhoud.
maatwerkvoorziening Woonvoorziening (niet-bouwkundige of niet-woontechnische Woonvoorziening in de vorm van een losse of roerende woonvoorziening: het landelijk vastgestelde bedrag (artikel 2.1.4 van de Wmo) totdat de aanschafprijs betaald is, inclusief onderhoud. Als de voorziening afbetaald is, geldt de Bijdrage nog voor de kosten van het onderhoud.
De Wijkse Dienst Extra: De Cliënt betaalt aan De Wijkse Dienst een eigen bijdrage ter hoogte van de gebruikelijke kosten voor particulier vervoer bij de Wijkse Dienst. Dit is een bijdrage van € 1,50 per rit met een normale auto en € 3,00 per rit met de rolstoelauto binnen Wijk bij Duurstede, Cothen of Langbroek (prijspeil 2025). En van Wijk bij Duurstede naar Langbroek of Cothen (of in een andere volgorde) € 3,00 per rit met een normale auto en € 6,- per rit met de rolstoelauto (prijspeil 2025).
Artikel 47. Verhouding prijs – kwaliteit levering diensten door derden (Wmo)
Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie geaccrediteerde opleiding OF een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding heeft volbracht.
Artikel 51. Kinderopvang en buitenschoolse opvang
In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de Jeugdwet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.
Artikel 52. Voorliggende voorzieningen
Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:
naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of
Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen.
Artikel 53. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:
zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.
Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.
Artikel 54. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.
Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.
Hoofdstuk 6 Kwaliteit , klachten, medezeggenschap en inspraak
Artikel 59. Verklaring omtrent gedrag (Wmo en Jeugdhulp)
Een Aanbieder, die een maatwerkvoorziening Begeleiding vanuit de Wmo biedt of een Individuele voorziening vanuit de Jeugdwet, is in het bezit van een Verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor beroepskrachten en andere personen die beroepsmatig met zijn cliënten in contact kunnen komen. Deze verklaring is niet eerder afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkenen voor de aanbieder ging werken. In het geval een aanbieder een solistisch werkende natuurlijk persoon is, is hij in het bezit van een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, afgegeven op een tijdstip dat niet langer dan drie jaar is verstreken.
Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing voor beroepskrachten en andere personen die zijn aangesteld omdat zij ervaringsdeskundige zijn. Aanbieder dient dan op andere wijze aan te tonen dat de veiligheid en de kwaliteit van de dienstverlening geborgd is. Het College kan hierover nadere regels stellen.
Artikel 60. Klachtregeling (Wmo en Jeugdhulp)
Aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie subsidie is verleend, stellen een effectieve en laagdrempelige regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de Aanbieder jegens een cliënt en maken deze regeling bekend aan cliënten en mantelzorger(s).
Artikel 62. Betrekken van ingezetenen bij het beleid (Wmo en Jeugdhulp)
Het College stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffendemaatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Hoofdstuk 7 Toezicht, handhaving, voorkomen en bestrijden ten onrechte ontvangen voorzieningen
Artikel 65. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid van maatwerkvoorzieningen (Wmo), Individuele voorzieningen (Jeugdwet) en van pgb’s
Het College wijst ambtenaren aan die belast zijn met het houden van toezicht op- en bestrijding van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen (Wmo) en Individuele voorzieningen (Jeugdwet) of een pgb, alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Wmo of Jeugdwet, dan wel van deze Verordening.
Artikel 66. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen (Wmo) of Individuele voorzieningen (Jeugdwet) en misbruik of oneigenlijk gebruik
Het College informeert cliënten of hun vertegenwoordigers in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorzieningen, een Individuele Voorziening of Persoonsgebonden budget zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo, Jeugdwet of van deze Verordening.
Artikel 67. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Onverminderd artikel 2.3.8 van de Wmo of artikel 8.1.2. van de Jeugdwet doet een cliënt of zijn wettelijke vertegenwoordiger aan het College op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening of een Individuele voorziening.
Als het College de beschikking op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het College van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of Individuele Voorziening.
Artikel 68. Niet meewerken ouder(s)
Als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.
Artikel 69. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen en tegemoetkomingen voor mantelzorgers
Artikel 70. Waardering en ondersteuning van mantelzorgers
Jaarlijks ontvangen mantelzorgers een blijk van waardering in de vorm van een cadeaubon of een andere blijk van waardering. De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van 22 jaar en ouder heeft een waarde van maximaal € 75,- per jaar (prijspeil 2025). Voor Jonge mantelzorgers (jongeren t/m 21 jaar) is de blijk van waardering een cadeaubon van maximaal € 50,- en wordt er een activiteit georganiseerd in ‘De week van de Jonge mantelzorger’. Het College kan, gehoord de adviesraad sociaal domein en het lokale steunpunt Mantelzorg, een ander bedrag vaststellen als de begroting dit toelaat.
Hoofdstuk 9 Slotbepalingen en overgangsbepalingen
Artikel 72. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Wijk bij Duurstede 2024’ die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige verordening leidt tot een gunstiger uitkomst.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-138049.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.