Gemeenteblad van Rotterdam
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rotterdam | Gemeenteblad 2025, 113072 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rotterdam | Gemeenteblad 2025, 113072 | beleidsregel |
Beleidsregels bestuurlijke boeten gemeentelijke belastingen Rotterdam
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,
gelezen het voorstel van de concerndirecteur van het cluster dienstverlening van 11 maart 2025, registratienummer: M2410-2980;
gelet op hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 231, eerste lid en tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
overwegende, dat het wenselijk is Beleidsregels bestuurlijke boeten gemeentelijke belastingen vast te stellen en deze zo toepasselijk mogelijk te maken voor de praktijk van de huidige organisatie;
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Deze beleidsregels zijn van toepassing op het opleggen van bestuurlijke boeten bij de heffing van gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten waarop Hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is.
Artikel 2 Begrip belanghebbende
Onder belanghebbende wordt in deze beleidsregels verstaan degene aan wie, op grond van artikel 5:1, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 67o, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in de hoedanigheid van pleger, medepleger, doen pleger, uitlokker, medeplichtige, feitelijk leidinggever of opdrachtgever een bestuurlijke boete is of kan worden opgelegd.
Artikel 4 Pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld
In geval van een pleitbaar standpunt of bij afwezigheid van alle schuld legt de heffingsambtenaar geen boete op. Indien in de bezwaarfase blijkt dat sprake is van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld, vernietigt de heffingsambtenaar de boete. Bij afwezigheid van alle schuld wordt de belanghebbende geacht niet in verzuim te zijn geweest.
Artikel 5 Vrijwillige verbetering
Onder vrijwillige verbetering wordt verstaan: belanghebbende maakt vóórdat hij weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de heffingsambtenaar bekend is of zal worden met het feit dat belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt uitdrukkelijk kenbaar aan de heffingsambtenaar dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald.
Bij het in aanmerking nemen van individuele omstandigheden vindt een afweging plaats tussen zowel strafverminderende feiten en omstandigheden als strafverzwarende feiten en omstandigheden. Het resultaat van de afweging leidt tot een boete die passend is te achten bij de geconstateerde beboetbare gedraging.
Bij het opleggen van een boete, vermeldt de mededeling de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de boete. Indien sprake is van een vergrijpboete, bevat de kennisgeving tevens de feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is van opzet of grove schuld. In voorkomende gevallen dient de mededeling tevens te vermelden de bijzondere omstandigheden die tot een matiging dan wel verhoging van de boete hebben geleid.
Artikel 10 Kennisgeving en hoorplicht bij vergrijpboete
Het opleggen van de vergrijpboete moet achterwege blijven indien het verweer van belanghebbende tot de gevolgtrekking leidt dat de in de kennisgeving genoemde gronden onvoldoende aanknopingspunten voor het vaststellen van opzet of grove schuld opleveren. In een dergelijke situatie kan de heffingsambtenaar nog wel overgaan tot het opleggen van een verzuimboete. Het una-viabeginsel staat daaraan niet in de weg. De betwisting van de kennisgeving kan tot een lagere boete leiden indien de opzet of grove schuld wel bewijsbaar is, maar de betwisting aanleiding geeft de boete op een lager bedrag vast te stellen.
Artikel 12 Keuze tussen verzuimboete, vergrijpboete of strafvervolging
Een eenmaal opgelegde verzuimboete sluit het opleggen van een vergrijpboete voor hetzelfde feit uit (artikel 5:43 van de Awb). Indien na het opleggen van een verzuimboete wordt geconstateerd dat sprake is van opzet of grove schuld, kan geen vergrijpboete ter zake van dezelfde gedraging worden opgelegd.
Het opleggen van een vergrijpboete sluit het nadien opleggen van een verzuimboete voor hetzelfde feit uit (artikel 5:43 van de Awb). Een opgelegde vergrijpboete kan niet worden omgezet in een verzuimboete. De heffingsambtenaar dient de mogelijkheid van deze uitkomst mee te wegen bij zijn keuze tussen een verzuim- of vergrijpboete.
Samenloop kan zich ook tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties voordoen. Artikel 5:44, eerste lid, van de Awb sluit het opleggen van een bestuurlijke boete uit in gevallen waarin ter zake van hetzelfde feit tegen belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het WvSr , ingevolge artikel 37 van de WED .
Artikel 13 Aangifteverzuimboete aanslagbelasting artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
Bij het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen is alleen sprake van een verzuim, indien belanghebbende de aangifte niet binnen een door de heffingsambtenaar gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de heffingsambtenaar.
Artikel 15 Vergrijpboete aanslag artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
Artikel 16 Vergrijpboete navordering artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
Worden de feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend op of na het tijdstip dat is gelegen zes maanden voor het verstrijken van de navorderingstermijn, dan kan de heffingsambtenaar binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag nog een vergrijpboete opleggen. In dat geval deelt de heffingsambtenaar de belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag mee dat nog onderzoek plaatsvindt of het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 17 Overgangsbepalingen
Op beboetbare feiten die zijn begaan vóór de inwerkingtredingsdatum van deze beleidsregels blijven de Beleidsregels bestuurlijke boeten gemeentelijke belastingen 2010 van toepassing. Indien ten aanzien van deze feiten op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregels nog geen boete is opgelegd of de boetebeschikking nog niet onherroepelijk vaststaat, dan zijn deze beleidsregels van toepassing voor zover deze gunstiger zijn voor belanghebbende.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 11 maart 2025.
De secretaris,
G.J.D. Wigmans
De burgemeester,
C.J. Schouten
Artikel 3 Ambtshalve vermindering
Ambtshalve vermindering van een boete kan het gevolg zijn van vermindering of teruggaaf van de belasting, als de hoogte van de belastingaanslag mede bepalend is geweest voor de hoogte van de boete. De gemeentelijke beleidsregel ambtshalve vermindering van gemeentelijke belastingen die het college heeft vastgesteld, geldt ook voor boetebeschikkingen.
Artikel 5 Vrijwillige verbetering
De verbetering moet uitdrukkelijk kenbaar worden gemaakt en moet plaatsvinden vóórdat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de heffingsambtenaar bekend is of zal worden met de onjuistheid. Van uitdrukkelijk kenbaar maken is in ieder geval sprake als belastingplichtige met een schriftelijke opgave de eerdere aangifte herstelt waardoor de heffingsambtenaar zonder nader onderzoek een juiste aanslag kan opleggen. Belanghebbende kan bijvoorbeeld niet meer vrijwillig verbeteren nadat hem is medegedeeld dat een boekenonderzoek zal worden ingesteld.
Bij het in aanmerking nemen van individuele omstandigheden vindt een afweging plaats tussen zowel strafverminderende feiten en omstandigheden als strafverzwarende feiten en omstandigheden.
Onder strafverminderende feiten en omstandigheden wordt verstaan: feiten en omstandigheden die buiten de invloedssfeer van belanghebbende liggen. Voor de beoordeling of die omstandigheden tot matiging van de boete aanleiding kunnen geven, kan het van belang zijn of, dan wel in hoeverre, belanghebbende maatregelen heeft getroffen of had kunnen treffen om het verzuim of vergrijp te voorkomen. Tot de omstandigheden die aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde boete te matigen behoren ook de financiële omstandigheden van de belanghebbende
Onder strafverzwarende feiten en omstandigheden wordt verstaan: recidive, als het beboetbare feit samengaat met andere, niet-fiscale overtredingen of delicten.
Onder recidive wordt verstaan: aan belanghebbende is voor hetzelfde belastingmiddel reeds eerder een vergrijpboete opgelegd. Bij recidive kan de vergrijpboete maximaal worden verhoogd met:
Verhoging van de boete wegens recidive vindt uitsluitend plaats indien in de periode van vijf jaren voorafgaand aan de door de heffingsambtenaar op te leggen vergrijpboete reeds eerder een vergrijpboete is opgelegd, een transactie is voldaan, dan wel strafoplegging heeft plaatsgevonden.
Artikel 8 Lichte en zware procedure
In de Awb zijn twee procedures voor bestuurlijke boeten neergelegd: een eenvoudige voor de lichtere boeten (hierna: lichte procedure, artikelen 5:48 – 5:52 Awb) en een meer uitvoerige voor zwaardere boeten (hierna: zware procedure, artikel 5:53 Awb).
De lichte procedure wordt gevolgd bij het opleggen van een verzuimboete. De zware procedure wordt gevolgd als een vergrijpboete wordt overwogen. Voor de zware procedure gelden de volgende extra eisen:
Als er geen rapport is opgemaakt (kan enkel bij de lichte procedure) regelt de wet geen beslistermijn. In dat geval geldt de redelijke termijn. De beslistermijn is een termijn van orde. Overschrijding van deze termijn heeft dus niet tot gevolg dat de boetebevoegdheid komt te vervallen. De verwachting is dat de rechter hiermee wel rekening zal houden bij de bepaling van de hoogte van de boete. Houdt de beslissing van de heffingsambtenaar in dat hij geen boete zal opleggen, dan moet hij dat schriftelijk aan de belastingplichtige laten weten (artikel 5:50, tweede lid, onderdeel a, Awb). Na een dergelijke beslissing staat het de heffingsambtenaar niet meer vrij om voor hetzelfde feit alsnog een boete op te leggen (artikel 5:53 Awb). Ook strafrechtelijke vervolging is in beginsel uitgesloten (artikel 243, tweede lid, Sv).
In dit artikel worden de begrippen opzet en grove schuld geïntroduceerd.
Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid.
Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden dan wel niet of niet binnen de termijn betaald is.
Artikel 14 Vergrijpboete algemeen
Bij minder dan grove schuld wordt geen vergrijpboete opgelegd.
Dit gemeenteblad ligt ook ter inzage bij het Concern Informatiecentrum Rotterdam (CIC): 010-267 2514 of bir@rotterdam.nl
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-113072.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.