Gemeenteblad van Soest
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Soest | Gemeenteblad 2025, 105839 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Soest | Gemeenteblad 2025, 105839 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Soest
gelezen de tekstinhoud van 'Omgevingsprogramma Groen & Landschap' d.d. 11 februari 2025
Besluit:
In te stemmen met het ontwerp 'Omgevingsprogramma Groen & Landschap' en deze vrij te geven voor inspraak
zoals is aangegeven in Bijlage A.
Aldus besloten in collegevergadering van 11 februari 2025.
L. Vermond - gemeentesecretaris
R. Metz - burgemeester
Stap voor stap naar een nog mooier Soest
In 2021 waren we een van de eerste gemeenten in Nederland die een Omgevingsvisie vaststelden: Stap voor stap ver komen. Dit was een ambitieus plan en vroeg om lef. Met datzelfde lef hebben we nu vijf Omgevingsprogramma’s opgesteld: Wonen, Werken, Mobiliteit, Groen & Landschap, en Water. Samen vormen ze de basis voor een toekomstbestendig Soest.
Onze Omgevingsvisie staat sterk op hoofdlijnen. Het maken van de omgevingsprogramma’s heeft ons ook laten zien hoe we het nog sterker kunnen maken. Bijvoorbeeld door duidelijker te prioriteren of strategische keuzes te maken op gebiedsniveau. Dit past bij onze pragmatische werkwijze als middelgrote gemeente: leren door te doen. Iedere stap die we zetten, brengt ons dichter bij wat werkt voor Soest. Juist die praktische aanpak heeft ons geholpen om samen met onze inwoners en partners deze programma’s op te stellen.
We omarmen deze lessen en zien ze als kansen. Kansen om onze visie te herzien en verder te aan te scherpen. Kansen om nog beter aan te sluiten bij de nieuwe provinciale visie en de grote uitdagingen van onze tijd, zoals het bieden van voldoende woningen, het tegengaan van klimaatverandering en het opvangen van vluchtelingen. In 2025 starten we het proces op voor de herijking.
We realiseren ons dat onze doelen verder reiken dan deze collegeperiode. Daarom is het niet nodig – en vaak niet mogelijk – om alle acties in 2025 direct op te starten. De nieuwe visie helpt ons om prioriteiten te stellen en faseringen te maken, zodat we gericht kunnen blijven werken aan een toekomstbestendig Soest. Tegelijkertijd bieden de huidige programma’s een stevige basis waarmee we nu al aan de slag kunnen op weg naar 2040.
Met deze aanpak blijven we trouw aan de gedachte van de Omgevingswet: leren, reflecteren en bijsturen. We weten dat de maatschappelijke opgaven groot zijn en de beschikbare ruimte schaars. Daarom blijven we stap voor stap werken aan oplossingen die recht doen aan onze ambities én de haalbaarheid.
We zijn er trots op dat we deze stappen hebben gezet. Dat doen we voor onze inwoners, ondernemers en iedereen die Soest een warm hart toedraagt. Onze dank gaat daarom uit naar alle inwoners, ondernemers en partners die hebben meegedacht en input hebben gegeven. Jullie bijdrage is van grote waarde! Samen zorgen we voor een dorps, groen en vitaal Soest, stap voor stap.
Karin Scholten, Aukje Treep-van Hoeckel, Anne Sterenberg, Osman Suna
Elk Omgevingsprogramma bestaat uit vier delen. Het eerste deel is voor alle Omgevingsprogramma’s hetzelfde. De andere delen gaan in op de inhoud van de verschillende Omgevingsprogramma’s.
Deel A: dit is een overkoepelende inleiding waarin wij beschrijven hoe de Omgevingsprogramma’s met elkaar verbonden zijn.
Deel B: dit is het beleidsdeel. Hierin lichten wij de beleidsdoelen inhoudelijk toe en werken wij deze uit aan de hand van de beleidsuitgangspunten van de verschillende Omgevingsprogramma’s.
Deel C: dit is het uitvoeringsdeel, waarin wij de acties per doel uit het Omgevingsprogramma ordenen en prioriteren.
Deel D: in het laatste deel staan de bijlagen van de verschillende delen.
Een Omgevingsprogramma is één van de kerninstrumenten binnen de Omgevingswet, zie figuur 1. Er zijn verplichte en vrijwillige Omgevingsprogramma's. Onze Omgevingsprogramma's zijn vrijwillig. Er staan beleidsdoelen en beleidsuitgangspunten in waarmee we onze leefomgeving beter kunnen beschermen, benutten, gebruiken en ontwikkelen. Een Omgevingsprogramma is een belangrijke schakel tussen de strategische doelen van de Omgevingsvisie en de regels van het Omgevingsplan. Het Omgevingsplan bepaalt welke ontwikkelingen zijn toegestaan en is de basis voor omgevingsvergunningen. Het Omgevingsprogramma biedt daarvoor het toetsingskader en onderbouwt nieuwe initiatieven die (nog) niet passen in het Omgevingsplan. Met deze vier kerninstrumenten kunnen we sturen op onze doelen.
Figuur 1

In 2021 hebben wij de Omgevingsvisie ‘Stap voor stap ver komen’ gemaakt. Deze vindt u hier. In de Omgevingsvisie beschrijven wij hoe wij willen dat Soest en Soesterberg er in 2040 uitzien. De Omgevingsprogramma’s gaan in op hoe we dat willen bereiken. Er zijn vijf Omgevingsprogramma’s die samen de meeste ruimte in onze gemeente vragen: Wonen, Werken, Mobiliteit, Groen & Landschap en Water.
De Omgevingsprogramma’s vervangen voor een gedeelte bestaand beleid. In Deel B van elk Omgevingsprogramma staat een overzicht van beleid dat wij nieuw hebben opgenomen en beleid dat blijft gelden.
Met de vijf Omgevingsprogramma’s realiseren wij samen ons centrale doel: ‘Zorgen voor een prettige en natuurlijke leefomgeving’. Er zijn drie kernwaarden die onze leefomgeving kenmerken:
‘Dorps’: We omarmen ons kleinschalige en rustige karakter. We zijn een veerkrachtige gemeente met veel saamhorigheid waar we voor elkaar zorgen.
‘Groen’: We zijn een gezonde gemeente te midden van verschillende robuuste en open landschappen die goed met elkaar verbonden zijn.
‘Vitaal’: We zijn een ondernemende, toekomstgerichte gemeente met volop levendige ontmoetingsplekken.
Door de vijf Omgevingsprogramma’s tegelijkertijd op te stellen, kiezen we voor een integrale basis voor het Omgevingsplan. De Omgevingsprogramma’s laten zien hoe we de doelen uit de visie gaan realiseren. Ze bieden een toetsingskader voor de ontwikkeling van Soest. Nu en in de komende decennia.
De Omgevingsprogramma’s staan niet op zichzelf. Ze zijn opgesteld in een context die voortdurend in beweging is. Hieronder beschrijven wij een paar relevante kaders en ontwikkelingen die belangrijk zijn voor de uitvoering van alle Omgevingsprogramma’s. Deze kaders en ontwikkelingen kunnen aanleiding zijn om onze Omgevingsvisie of de programma's aan te passen. In Deel B van alle Omgevingsprogramma’s beschrijven wij de verdere context die specifiek impact heeft op de Omgevingsprogramma’s.
1.1.2.1 Kaders en Ontwikkelingen
Omgevingsvisie Soest binnen provinciale en nationale kaders
Onze Omgevingsvisie is afgestemd op de Provinciale Omgevingsvisie (POVI, 2021) en de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, 2020). De doelen en visies worden op deze verschillende niveaus uitgewerkt in Omgevingsprogramma’s en projecten. Onderling beïnvloeden ze elkaar en zijn ze soms afhankelijk van elkaar. Soest werkt samen met de provincie Utrecht en de regio. Bijvoorbeeld aan een gezamenlijke Woondeal met het Rijk tot 2030, de Regionale Energiestrategie (RES), een handelingsperspectief op het buitengebied en een Mobiliteitsagenda.
Ontwikkelbeeld ‘Regio Amersfoort Centraal!’
In 2021 hebben we in de Regio Amersfoort een zogenaamd ‘gedeeld regionaal beeld’ vastgesteld. Hierin staat dat groei in de regio wordt samengebracht in de centrale steden met goed openbaar vervoer. Dat zijn de metropoolpoorten Amersfoort CS-Schothorst en de regiopoorten Barneveld en Nijkerk. In de U10 is Zeist-Noord, vlak bij Soesterberg, aangewezen als regiopoort. Soest blijft een dorps en groen karakter houden, met inzet op vitaliteit. Dit staat ook in onze Omgevingsvisie.
NOVEX-gebied Utrecht-Amersfoort
Amersfoort is samen met Utrecht aangewezen als één van de zeventien zogenaamde ‘grootschalige verstedelijkingslocaties’ in Nederland. Verstedelijking en de ontwikkeling van het landelijk gebied zijn hierin grote opgaven. Alle NOVEX-gebieden stellen een Ontwikkelperspectief, Uitvoeringsagenda en Investeringsagenda op. Het Ontwikkelperspectief 2040 van het NOVEX-gebied Utrecht-Amersfoort streeft naar 165.000 woningen en 110.000 extra banen. Om dit op een duurzame manier te bereiken, zijn investeringen nodig op verschillende gebieden. Denk aan klimaatrobuuste inrichting, energie-infrastructuur en bereikbaarheid.
Gebiedsgericht onderzoek Amersfoort
Bij het uitwerken van het NOVEX-gebied Utrecht-Amersfoort wordt samen met het Rijk de verstedelijking in Amersfoort verder onderzocht. Dit is inclusief de impact van de verstedelijking op de Heuvelrugzone. Dankzij dit onderzoek kan Soest proactief inspelen op ontwikkelingen. Denk hierbij aan de recreatiedruk op het buitengebied en aan mobiliteitsvraagstukken, aangezien regiopoort Zeist-Noord in de buurt ligt.
Nota Ruimte
In de Nota Ruimte staan de kaders voor de ruimtelijke ordening in Nederland. Daarnaast legt de Nota Ruimte de basis voor een verantwoorde inrichting van het land. De nota richt zich op de verdeling van ruimte voor woningbouw, natuur, infrastructuur en recreatie. De nadruk ligt hierbij op duurzaamheid. Voor Soest en de Regio Amersfoort betekent dit dat bij de ruimtelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met verschillende onderwerpen. Denk hierbij aan verstedelijking, maar ook aan het behouden van belangrijke natuurgebieden, zoals de Heuvelrugzone. Een ander voorbeeld is het opnemen van infrastructuurprojecten die de regio beter bereikbaar maken.
Klimaatakkoord
In het Klimaatakkoord staat de ambitie om de komende decennia de CO2-uitstoot sterk te laten verminderen. Dit versnelt de energietransitie in Nederland. Soest en de Regio Amersfoort spelen een actieve rol in het halen van de klimaatdoelen. Bijvoorbeeld door te investeren in duurzame energie, het verduurzamen van de gebouwde omgeving en het verbeteren van groene mobiliteit. Dit draagt niet alleen bij aan de klimaatdoelen van Nederland, maar biedt ook kansen voor economische groei en het verbeteren van de leefkwaliteit in Soest.
Water- en bodemsturend
Het principe van 'Water- en bodemsturend' benadrukt hoe belangrijk de integratie van waterbeheer en bodembescherming is in ruimtelijke plannen. Voor Soest betekent dit dat bij nieuwe ontwikkelingen en infrastructuurprojecten, zoals het bouwen van woningen of de aanleg van wegen, altijd rekening gehouden moet worden met het effect op de waterhuishouding en de kwaliteit van de bodem. Dit is heel belangrijk voor het behouden van de ecologische waarde van het gebied. Vooral in gebieden zoals de Heuvelrug en het buitengebied van Soest, waar de natuurlijke balans kwetsbaar is.
Soest circulair in 2050
Het creëren van een circulaire economie is een enorme opgave die steeds belangrijker wordt en ook steeds meer prioriteit krijgt. In 2050 willen we circulair zijn. Dit betekent dat tegen die tijd afval niet meer bestaat. Tot 2030 richten we ons vooral op onze eigen organisatie, door ‘circulair denken’ steeds meer onderdeel te laten zijn van alles wat we doen. Aan de ene kant om onze eigen directe en indirecte uitstoot te verminderen, en aan de andere kant om met onze inkoop, beleid en projecten zo veel mogelijk circulaire impact te maken in Soest. Op dit gebied is circulariteit dus vooral belangrijk in de uitvoering van ons werk.
Netcongestie
Het elektriciteitsnet verbindt alles aan elkaar, maar is overvol. Dit heet ‘netcongestie’. De gevolgen van netcongestie zijn groot. Het raakt bijna al onze ambities. Vanuit het Energieprogramma coördineren wij dit. Dit betekent bijvoorbeeld dat concrete oplossingen om bijvoorbeeld de ontwikkeling van woningbouw mogelijk te maken, binnen de bouwprojecten gezocht moeten worden. Tegelijkertijd is meewerken en meedenken, het leren en toepassen van andere aanpakken, het benutten van financieringsstromen en het beïnvloeden van besluitvorming in ons voordeel onderdeel van die coördinerende rol.
In 2024 hebben wij het Ruimtelijk Afwegingskader Soest vastgesteld. Dit afwegingskader verbindt de Omgevingsvisie en de Omgevingsprogramma’s. Het afwegingskader maakt op een duidelijke en herleidbare manier een integrale afweging tussen grote, strategische vragers van ruimte mogelijk. Op basis hiervan maken wij een afweging bij belangrijke keuzes over thema’s die gebruik willen maken van dezelfde ruimte. Ook helpt het afwegingskader bij het vinden van koppelkansen.
Het afwegingskader bestaat uit drie delen:
Waardenkader: De kern van het Waardenkader bestaat uit onze drie kernwaarden, die uiteenvallen in twaalf ruimtelijke aspecten. Deze aspecten zijn tijdloos en weergeven de hele fysieke leefomgeving. De doelen van de Omgevingsvisie en andere documenten die kaders stellen, hebben wij aan de twaalf ruimtelijke aspecten gekoppeld.
Waardenkaarten: Elke kernwaarde is uitgewerkt op een kaart, om de belangrijkste waarden vast te leggen die we aan plekken in de gemeente hebben toegekend. De kaarten helpen, net als de doelen, bij het maken van een afweging.
Leidraad: Wij hebben een handleiding opgesteld voor het gesprek over grote ruimtelijke vraagstukken, zodat dit gezamenlijk en gestructureerd verloopt. De leidraad geeft daarbij een denkrichting als conclusie.
Het hele afwegingskader vindt u hier.
De Omgevingsprogramma's geven richting aan hoe we onze doelen gaan bereiken. Daarin maken we ook ruimtelijke keuzes die we in de verschillende Omgevingsprogramma's uitwerken. Tegelijkertijd zijn er ook ruimtelijke vraagstukken die we alleen gezamenlijk kunnen aanpakken. Gemaakte keuzes door één specifiek beleidsveld helpen in die gevallen niet bij het bereiken van de doelen. Het afwegingskader geeft houvast bij het als geheel en gezamenlijk in beeld brengen van deze vraagstukken.
Hieronder werken wij een aantal vraagstukken integraal uit. Zo wegen wij bijvoorbeeld mee welke koppelkansen mogelijk zijn bij het vraagstuk. De conclusie van het vraagstuk is betrokken bij de uitwerking van het desbetreffende Omgevingsprogramma. Deze lijst is niet volledig. Sommige vraagstukken vragen een verdere uitwerking. Andere vraagstukken zullen pas in de toekomst relevant worden.
Een complete uitwerking van de vraagstukken vindt u in 4.1 Bijlage 1 - Ruimtelijke vraagstukken Groen & Landschap.
Wonen
1: Is het wenselijk om nabij voorzieningen prioriteit te geven aan nultredenwoningen en zorggeschikte woningen voor ouderen en zorgdoelgroepen?
Doel: Langer zelfstandig wonen mogelijk maken en druk op intramurale zorg verlagen.
Koppelkansen: Bevorderen doorstroming, efficiënt gebruik van voorzieningen en mogelijkheid tot wonen boven winkels.
Risico’s: Concentratie van ouderen, financiële haalbaarheid voor projectontwikkelaars en mogelijke daling van vraag naar zorgwoningen in de toekomst.
Conclusie: Woonzorgzones kunnen zonder belemmeringen worden ingevoerd en bieden koppelkansen met andere functies.
Werken
2: Zetten we in op één bedrijventerrein in Soesterberg, of verdelen we de ruimte over twee locaties: Soest en Soesterberg?
Doel: Bestaande bedrijventerreinen intensiever benutten zonder oppervlakte te vergroten.
Koppelkansen: Verbeterde ontsluiting, HOV in Soesterberg, vergroening en ruimtelijke spreiding van zwaar vrachtverkeer.
Risico’s: Beperkte toewijzing van ruimte door de provincie en negatieve impact van bedrijven met zwaar verkeer binnen Soest.
Conclusie: Spreiding van bedrijventerreinen over twee locaties wordt aanbevolen.
3: Willen we een regionaal bedrijventerrein al dan niet binnen de gemeentegrenzen?
Doel: Bestaande terreinen intensiever benutten zonder uitbreiding van het totaal oppervlak.
Koppelkansen: Mogelijkheid om ruimte-extensieve bedrijven te verplaatsen naar een regionaal terrein en HOV verbeteren.
Risico’s: Beperkte bijdrage aan lokale economische behoeften en meer autoverkeer van buiten de regio.
Conclusie: Inzetten op een regionaal bedrijventerrein buiten de gemeentegrenzen.
4: Welke locaties zijn realistisch als zoekgebied voor een toekomstig bedrijventerrein?
4a: Locatie: Randen bestaande bedrijventerreinen (met name Soestdijkse Grachten)
Doel: Intensivering en verduurzaming van bedrijventerreinen met behoud van omvang.
Koppelkansen: Duurzaamheid en verplaatsing van bedrijven biedt ruimte voor nieuwe functies op oude locaties.
Risico’s: Afstemming met provincie nodig en mogelijke toename verkeersbewegingen.
Conclusie: Inzetten op de uitbreiding van ca 10 ha (maximaal 15 ha) bedrijventerrein aansluitend aan bestaande bedrijventerreinen.
4b: Locatie: Defensieterrein Soesterberg en eventueel aanliggende gronden
Doel: Intensiever gebruik van terreinen en versterking van werkgelegenheid.
Koppelkansen: Duurzaamheid, verplaatsing van bedrijven en extra ruimte voor woningbouw in Soesterberg-Noord.
Risico’s: Afhankelijk van toestemming van de provincie en betrokken partijen zoals Defensie.
Conclusie: Inzetten op het realiseren van ca. 15 ha bruto bedrijventerrein op terrein van Defensie en aanliggende gronden.
5: Hoe kansrijk is het om een bestaand bedrijventerrein te transformeren naar wonen?
Doel: Evenwichtige werkgelegenheid en behoud van werkplekken per hectare.
Koppelkansen: Kleinschalige bedrijven dichtbij woningen verhogen leefbaarheid.
Risico’s: Onzekerheid over beschikbare ruimte voor bedrijventerreinen en afhankelijkheid van provinciale goedkeuring.
Conclusie: Geen transformatie naar wonen, wel kansen voor intensivering en gemengd gebruik.
6: Hoe belangrijk vinden we het behoud van de historische linten als gemengd milieu met behoud van werkgelegenheid?
Doel: Een heldere ruimtelijke structuur behouden met functiemenging (wonen, werken, voorzieningen) langs de historische linten.
Koppelkansen: Meer ruimte voor kleinschalige kantoren, maatschappelijke voorzieningen en woonzorgfuncties.
Risico’s: Parkeerdruk moet op eigen terrein worden opgelost; afwentelen op de omgeving is niet mogelijk.
Conclusie: Behoud van werkgelegenheid en functiemenging is essentieel; transformatie zonder behoud van werkgelegenheid wordt afgeraden.
7: Hoe gaan we om met de diverse (gewenste) functies in de polder? Welke functies prevaleren?
Doel: Balans vinden tussen natuurbehoud, landbouw en recreatie om een prettige leefomgeving te creëren met voldoende recreatiemogelijkheden.
Koppelkansen: Nieuwe verdienmodellen voor agrarische ondernemers, zoals kleinschalige horeca, kamperen bij de boer en agrarisch natuurbeheer.
Risico’s: Meer recreatie kan leiden tot druk op natuurwaarden en meer autoverkeer in de polder.
Conclusie: Een integrale aanpak is nodig om een goed evenwicht te vinden tussen natuur, landbouw en recreatie, waarbij keuzes per gebied gemaakt worden.
Mobiliteit
8: Hoe wenselijk is het om hoofdwegen binnen Soest als 30 km/uur-zone in te richten?
Doel: Verkeersveiligheid verbeteren en nul ernstige verkeersslachtoffers nastreven.
Koppelkansen: Groene herinrichting en vermindering van geluidsoverlast.
Risico’s: Hoge kosten en gefaseerde uitvoering noodzakelijk.
Conclusie: Hoofdwegen behouden hun ontsluitingsfunctie; waar nodig concessies aan bereikbaarheid voor verkeersveiligheid.
9: Hoe gaan we om met de vraag naar parkeergelegenheid in relatie tot andere functies en straatinrichting?
Doel: Balans tussen vraag en aanbod van parkeerplaatsen behouden.
Koppelkansen: Combinatie met groot onderhoud om budget efficiënt te benutten.
Risico’s: Beperkte parkeervoorzieningen voor tweede en derde auto's.
Conclusie: Parkeeruitbreiding koppelen aan groot onderhoud en herinrichting.
Groen & Landschap
10: Waar is ruimte voor natuurlijke bossen zoals agroforestry of voedselbossen?
Doel: Duurzame natuurontwikkeling en verbeterde waterkwaliteit.
Koppelkansen: Recreatie, toerisme en het versterken van lokale biodiversiteit.
Risico’s: Verlies van open landschap en kwetsbare waterkwaliteit rond de Wieksloot.
Conclusie: Potentie voor voedselbossen is aanwezig, maar impact op landschap en waterkwaliteit moet worden onderzocht.
11: Is er ruimte voor grootschalige horeca in de polder van Soest?
Doel: Versterken van recreatieve functie en verblijfsduur verlengen.
Koppelkansen: Verbinden van horeca aan waterspeelplaatsen en waterberging.
Risico’s: Drukte en verkeer leggen extra belasting op natuur en infrastructuur.
Conclusie: Alleen kleinschalige horeca voor wandelaars en fietsers is passend.
12: Waar vangen we recreanten op en waar geven we natuur de voorrang?
Doel: Inrichten van recreatie- en stiltegebieden om drukte te reguleren.
Koppelkansen: Aanleggen van parkeerplaatsen aan de rand van drukke gebieden en spreiding door zonering.
Risico’s: Grotere parkeerlocaties kunnen leiden tot extra drukte.
Conclusie: Zonering voor recreatie en natuurbehoud toepassen met specifieke keuzes per gebied.
13: Hoe gaan we om met nieuwe transformatorstations en hoe zorgen we voor een groene inpassing?
Doel: Zorgen voor een prettige leefomgeving en het waarborgen van een betrouwbaar energienetwerk.
Koppelkansen: Groene inrichting rond transformatorstations verhoogt de acceptatie en draagt bij aan de leefbaarheid.
Risico’s: Het niet plaatsen van transformatorstations kan leiden tot netcongestie en vertraging van ruimtelijke ontwikkelingen.
Conclusie: Transformatorstations zijn essentieel, maar groene inpassing is belangrijk om de impact op de omgeving te beperken.
Water
14: Hoever willen we gaan in het verplichten tot afkoppelen van hemelwaterafvoer?
Doel: Ontlasting van het riool en behoud van de zoetwatervoorraad.
Koppelkansen: Gescheiden rioolsystemen koppelen aan integrale buurtontwikkelingen.
Risico’s: Weerstand en juridische complicaties bij verplichting voor particulieren.
Conclusie: Afkoppeling stimuleren waar mogelijk; verplichting wordt pas overwogen bij onvoldoende voortgang.
15: Willen we hemelwater overal laten infiltreren?
Doel: Voorkomen van overbelasting van het riool en behoud van grondwater.
Koppelkansen: Combineren met vergroening en behoud van cultuurhistorische waterstructuren.
Risico’s: Risico op wateroverlast en verontreiniging van grondwater.
Conclusie: Maatwerk per locatie vereist; effecten van infiltratie monitoren voor verdere beleidskeuzes.
16: Willen we een actievere rol spelen in de bescherming van de zoetwaterbel onder de Heuvelrug?
Doel: Beschermen van de nationale grondwaterreserve als toekomstige drinkwaterbron.
Koppelkansen: Bewustwordingscampagnes koppelen aan andere acties zoals vergroening.
Risico’s: Extra maatregelen buiten wettelijke verplichtingen vragen om draagvlak en samenwerking.
Conclusie: Gemeente neemt een actieve rol in de bescherming van de zoetwaterbel.
17: Hoe sturend zijn water en bodem bij ruimtelijke ontwikkelingen in Soest?
Doel: Behouden van het historische karakter en klimaatbestendige inrichting.
Koppelkansen: Combineren met natuur- en landschapsdoelen.
Risico’s: Politieke en maatschappelijke weerstand tegen beperkende voorwaarden voor nieuwe bouw.
Conclusie: Water en bodem worden leidend in ruimtelijke plannen.
18: Hoe hoog prioriteren we de ruimtevraag van klimaatadaptieve maatregelen?
Doel: Klimaatbestendige leefomgeving met ruimte voor waterbuffers, schaduwrijke zones en evacuatieroutes.
Koppelkansen: Combineren met doelen voor vergroening en duurzame infrastructuur.
Risico’s: Lange termijn investeringen versus directe kosten en baten.
Conclusie: Hoge prioriteit voor klimaatadaptatie met kosten-batenanalyse en monitoring van maatregelen.
De Omgevingsprogramma's als fundament voor een toekomstbestendig Soest
De Omgevingsprogramma’s van Soest vormen samen het fundament van onze fysieke leefomgeving. Vanuit de kernwaarden ‘groen’, ‘dorps’ en ‘vitaal’ werken we aan een duurzame toekomst waarin natuur, gemeenschap en economie in balans zijn. Deze ambitie bereiken we niet alleen binnen de Omgevingsprogramma’s, maar vraagt brede samenwerking binnen de gemeente. Denk hierbij bijvoorbeeld aan samenwerking met Sociaal Domein, het Energieprogramma en het team Realisatie, die allemaal onmisbaar zijn voor het bereiken van onze doelen uit de Omgevingsvisie. Tegelijkertijd dragen we met de Omgevingsprogramma's bij aan de Sustainable Development Goals (SDG’s). Hieruit komen onze doelen voort. Door onze krachten te bundelen, ontstaan oplossingen die het welzijn van inwoners direct verbeteren en tegelijkertijd bijdragen aan een duurzaam Soest. Hieronder beschrijven wij hoe de vijf Omgevingsprogramma’s samenkomen rond vijf thema’s:
Klimaatbestendigheid en duurzaamheid
Sociale cohesie en leefkwaliteit
Duurzame mobiliteit en toegankelijkheid
Economische vitaliteit
Biodiversiteit en natuurinclusiviteit
Elk thema toont hoe deze samenwerking de kernwaarden van Soest versterkt. Zo leggen we samen de basis voor een leefomgeving die functioneel, gezond en aantrekkelijk is. In tabel 1staat hoe de verschillende doelen van de Omgevingsprogramma’s bijdragen aan de SDG’s en aan elkaar.
Thema 1: Klimaatbestendigheid en duurzaamheid
Klimaatverandering vraagt om een concrete en daadkrachtige aanpak. Water en bodem zijn voor ons daarbij zo veel mogelijk sturend in onze ruimtelijke ordening. In wijken zoals Smitsveen en Klaarwater hebben wij bijvoorbeeld wadi’s (Water Afvoer Drainage en Infiltratie) en waterdoorlatende bestrating aangelegd om wateroverlast tegen te gaan. Deze maatregelen verminderen niet alleen de druk op het rioolstelsel, maar verbeteren ook de grondwaterstand en dragen bij aan de biodiversiteit in de wijk. Daarnaast maken deze ingrepen de openbare ruimte groener en aantrekkelijker voor bewoners.
Het Omgevingsprogramma Wonen speelt hierin een heel belangrijke rol. Bij nieuwbouwprojecten wordt standaard rekening gehouden met klimaatadaptieve maatregelen. Dit zijn maatregelen die rekening houden met klimaatverandering en bijdragen aan het tegengaan daarvan. Zo worden er systemen om het regenwater op te vangen geïnstalleerd en wordt gebruikgemaakt van groene daken en gevels die bijdragen aan isolatie en het vasthouden van water. Samen met het Energieprogramma stimuleren we het gebruik van duurzame energiebronnen, zoals zonnepanelen en warmtepompen. Hierdoor worden woningen niet alleen comfortabeler, maar ook energiezuiniger. Deze samenwerking tussen het Omgevingsprogramma Wonen en het Energieprogramma zorgt ervoor dat nieuwe projecten duurzaam en betaalbaar blijven.
Op bedrijventerreinen wordt ook gewerkt aan duurzaamheid. Niet alleen van de panden en bedrijfsprocessen, maar ook bijvoorbeeld door aandacht te hebben voor groene buffers die hittestress verminderen, door een aangename werkomgeving te creëren en door bij te dragen aan de waterhuishouding. Wij stimuleren het gebruik van duurzame en energieoplossingen die niet het elektriciteitsnet op hoeven. Ook stimuleren wij het gebruik van circulaire materialen. Door natuurvriendelijke zones aan te leggen, worden bedrijventerreinen aantrekkelijk voor mensen, dieren en planten. We zorgen voor plekken voor laadpalen en voldoende fiets- en voetgangersroutes. Bermen en bomenrijen met veel schaduw zorgen niet alleen voor verkoeling, maar versterken ook de groene uitstraling van de omgeving. Daarnaast zijn ze ook ‘snelwegen’ voor flora en fauna. Het team Realisatie zorgt ervoor dat deze voorzieningen door regelmatig onderhoud effectief blijven functioneren.
Thema 2: Sociale cohesie en leefkwaliteit
De kern van ons dorpse karakter is een hechte gemeenschap. We willen dat de fysieke leefomgeving een gezonde levensstijl mogelijk maakt en stimuleert. Daarom werken we aan plekken om elkaar te ontmoeten. Dit zijn plekken waar buurtbewoners samenkomen om te spelen, sporten, ontspannen of om gewoon te genieten van de omgeving. Deze plekken zorgen niet alleen voor meer verbinding, maar geven ook ruimte aan groen en water. Hierdoor helpen deze plekken ook tegen zogenaamde ‘hittestress’. Denk hierbij aan vijvers met natuurvriendelijke oevers die ruimte bieden voor rust, waterberging en biodiversiteit.
Het Omgevingsprogramma Mobiliteit draagt bij door voetgangersgebieden beter te verbinden met deze plekken, zodat ze voor iedereen makkelijk bereikbaar zijn. Het Omgevingsprogramma Groen & Landschap speelt hierin een belangrijke rol, omdat dit Omgevingsprogramma groene zones en plekken die uitnodigen tot ontmoeting aanlegt.
Vanuit het Omgevingsprogramma Wonen versterken we de leefkwaliteit door te investeren in diverse en toegankelijke woningen. De aanwezigheid van voldoende voorzieningen op de juiste plek heeft de aandacht vanuit de Omgevingsprogramma’s Wonen, Werken en het team Sociaal Domein. Tegelijkertijd draagt het Omgevingsprogramma Water bij aan de leefbaarheid, door natuurlijke infiltratiegebieden te creëren. De wadi’s zijn hier een voorbeeld van. Deze voorzieningen verminderen wateroverlast en zorgen voor een groene, aantrekkelijke omgeving. Deze groene plekken maken wijken niet alleen functioneel, maar geven hun ook een unieke uitstraling.
Vanuit het team Sociaal Domein stimuleren we buurtinitiatieven zoals bijvoorbeeld buurtfeesten. Deze initiatieven versterken de band tussen inwoners onderling en de band met hun leefomgeving. Zo zorgen de initiatieven voor een inclusieve samenleving. Het team Realisatie zorgt voor het onderhoud van deze gebieden, zodat zij veilig, schoon en heel blijven voor dagelijks gebruik. Zo werken we samen aan het sociale en fysieke netwerk dat Soest kenmerkt.
Thema 3: Duurzame Mobiliteit en toegankelijkheid
Een vitale gemeenschap heeft behoefte aan duurzame en toegankelijke mobiliteit. Wij hebben nu een kans om duurzaamheid en de leefkwaliteit in Soest te verbeteren. Daarom zetten wij in Soest in op het STOMP-principe, dat mobiliteit in volgorde van voorkeur aangeeft: Stappen, Trappen, Openbaar vervoer, Mobiliteit als dienst en Privéauto. Dit betekent dat wij lopen en fietsen stimuleren boven het gebruik van de auto. Een voorbeeld hiervan is de aanleg van meer wandel- en fietspaden. We investeren in veilige oversteekplaatsen en duidelijke bewegwijzering, zodat iedereen, van jong tot oud, zich lopend en op de fiets makkelijk kan verplaatsen. Deze aanpak maakt het reizen niet alleen praktisch, maar ook plezierig.
Natuurlijk blijven we ook werken aan goed openbaar vervoer en een sterke laadinfrastructuur voor elektrische mobiliteit. Wij verduurzamen de infrastructuur onder andere door waterinfiltratie te combineren met onze infrastructuur. Bijvoorbeeld via waterdoorlatende verharding. Dit zorgt ervoor dat het regenwater op een natuurlijke manier in de grond kan trekken. Dit is belangrijk is wanneer er langere tijd droogte is. Ook voorkomen we zo wateroverlast. Beplanting langs wegen en paden draagt bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving, en dus aan de beleving van ons groene karakter. Het team Realisatie zorgt voor goed onderhouden wegen en paden. Hierdoor is mobiliteit niet alleen duurzaam, maar ook comfortabel. Door deze samenwerking worden infrastructuur en natuur aan elkaar verbonden.
Thema 4: Economische vitaliteit
Een sterke economie is onmisbaar voor een vitale gemeente. Het aantal werkplekken moet meegroeien met het aantal inwoners. Alleen zo kunnen we voorkomen dat we vergrijzen of een 'slaapdorp’ worden waarin iedereen overdag ergens anders is. Dat vraagt aandacht. Daarom richt het Omgevingsprogramma Werken zich onder meer op het verdichten van de bedrijventerreinen. Op hetzelfde oppervlakte kunnen dan meer mensen werken. Bedrijven die zich bezighouden met duurzaamheid en technologie trekken andere bedrijven aan en creëren tegelijkertijd ook banen voor inwoners. Dit stimuleert niet alleen de lokale economie, maar maakt Soest ook aantrekkelijk voor ondernemers die duurzaamheid belangrijk vinden. Wij stimuleren duurzame mobiliteit door te zorgen voor goede verbindingen tussen woon- en werkgebieden. Bijvoorbeeld door het aanleggen van veilige fietsroutes.
Onze bedrijventerreinen moeten aansluiten op de behoeften van ondernemers én die van het klimaat. Dit zorgt voor een prettige werkomgeving en vermindert de negatieve gevolgen van hitte en zware regenval. Groene buffers en waterdoorlatende bestrating dragen bij aan een betere waterhuishouding en een gezondere werkomgeving. Samen met het Energieprogramma ondersteunen wij bedrijven bij het verduurzamen van hun processen, oplossingen tegen netcongestie en het overstappen op schone energiebronnen. Ook gaan we aan de slag met de ontwikkeling naar een circulaire economie.
Thema 5: Biodiversiteit en natuurinclusiviteit
Onze kernwaarde ‘groen’ komt het sterkst tot uiting in onze inzet voor biodiversiteit en natuurinclusiviteit. Natuur staat namelijk niet op zichzelf, maar is verbonden aan de leefomgeving. Ecologische corridors, zoals de routes tussen de Soester Duinen en omliggende natuurgebieden, geven flora en fauna de ruimte om zich vrij te bewegen. Dit draagt direct bij aan het vergroten van de biodiversiteit. Tegelijkertijd bieden deze routes mogelijkheden om te recreëren voor wandelaars en fietsers. Ze versterken zo niet alleen de natuur, maar ook de beleving van het landschap door inwoners en bezoekers.
Water speelt een onmisbare rol in het versterken van de biodiversiteit. Water met een goede waterkwaliteit zorgt bijvoorbeeld voor leefgebieden voor watervogels, vissen en amfibieën. Het Omgevingsprogramma Wonen ondersteunt deze visie door natuurinclusieve bouwprincipes te stimuleren. Bijvriendelijke gevels en groene daken zijn charmante voorbeelden die passen bij onze kernwaarde ‘groen’. Wandel- en fietsroutes die de groene gebieden met elkaar verbinden, zijn aantrekkelijk voor recreatie. Daarnaast zorgen zij voor meer bewustzijn van de natuur bij inwoners en bezoekers. Goed beheer van de natuur door het team Realisatie zorgt voor duurzaam beheer en behoud van de natuur. Zo blijven deze groene structuren bijdragen aan de biodiversiteit en het welzijn van alle inwoners.
Conclusie
Dankzij intensieve samenwerking tussen de Omgevingsprogramma’s met externe partners, geven wij vorm aan een Soest dat klaar is voor de toekomst. Onze kernwaarden ‘groen’, ‘dorps’ en ‘vitaal’ zijn de basis van alles wat we doen. Wij werken integraal aan oplossingen die elkaar versterken. Of het nu gaat om klimaatadaptatie, sociale cohesie, duurzame mobiliteit, economische groei of biodiversiteit. Met deze integrale aanpak versterken we niet alleen onze leefomgeving, maar bouwen we ook aan een veerkrachtig en toekomstbestendig Soest. Samen bouwen we aan een gemeente waar het prettig wonen, werken en recreëren is. Voor onze generatie en voor de generaties die nog komen.
Tabel 1 laat in één oogopslag zien wat de raakvlakken zijn tussen de Omgevingsprogramma's en aan welke SDG's zij bijdragen.
Wij hebben de Omgevingsprogramma’s opgesteld na een zorgvuldig proces, waarin inwoners, adviescommissies en andere belanghebbenden input hebben geleverd. Nu wij de Omgevingsprogramma’s hebben vastgesteld, beginnen we met de uitvoering. Hieronder gaan wij hier iets dieper op in. Alle Omgevingsprogramma’s hebben daarnaast een uitvoeringsdeel (Deel C), dat dieper ingaat op de uitvoering.
We werken aan een groen, dorps en vitaal Soest en Soesterberg voor onze inwoners. Daarom vinden wij het belangrijk dat inwoners, ondernemers en partners nu en in de toekomst blijven meedenken over Soest en Soesterberg. Voor de Omgevingsvisie en de Omgevingsprogramma’s hebben we daarom een participatietraject uitgevoerd. De opgehaalde input is verwerkt in de verschillende Omgevingsprogramma’s.
Participatietraject Omgevingsvisie
Tussen 2019 en 2021 vond een uitgebreid participatietraject plaats. Het doel was om zo vroeg mogelijk een diverse groep inwoners te betrekken bij de vraag: ‘Wat voor Soest en Soesterberg willen we zijn in 2040?’ De resultaten hiervan vormden de basis voor de Omgevingsvisie en hebben wij doorvertaald naar de Omgevingsprogramma’s.
Brede betrokkenheid van inwoners en belanghebbenden
In 2023 hebben we inwoners en belanghebbenden in bijeenkomsten verdiepende vragen gesteld over het uitvoeren van de visie. Deze input is verwerkt in de Omgevingsprogramma’s, waarin wij aangeven wat wij met de input hebben gedaan. Wij hebben inwoners gevraagd via het inwonerpanel, met bijna 1700 deelnemers, en de app Swipocratie, ingevuld door zo’n 1400 mensen. Hieronder bevonden zich veel jongeren. Via Denkmeeover.nl kwamen bijna 700 reacties binnen. In een camper bij (super)markten werden driehonderd straatinterviews afgenomen. Dit alles heeft ons goede inzichten gegeven, die wij hebben meegenomen in de Omgevingsprogramma’s.
Hier vindt u volledige resultaten van de participatie. In de verschillende Omgevingsprogramma’s werken wij uit wat de participatie voor dat Omgevingsprogramma heeft betekend.
De adviescommissies Milieu en Ruimte (CMR) en Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) hebben de concept-Omgevingsprogramma’s ontvangen. Beide commissies hebben hierop hun opmerkingen gegeven. Deze hebben wij verwerkt. Tijdens de inzageperiode kunnen beide commissies, als zij dat willen, nog een keer een reactie geven.
De Omgevingsprogramma's blijken na een beoordeling van de RUD niet plan MER-plichtig te zijn. De beschreven activiteit vallen niet onder de criteria die een plan-MER vereisen.
De Omgevingsprogramma’s bieden inzicht in de beleidsregels en uitvoering, om uiteindelijk de Omgevingsvisie te realiseren. Voor het dekken van de kosten gelden onderstaande aandachtspunten.
Planning & Control-cyclus
Alle Omgevingsprogramma’s hebben een uitvoeringsdeel (Deel C), waarin wij de acties beschrijven. Wij prioriteren deze acties, waardoor er een stevige basis voor de komende jaren is. Deze prioriteiten zijn ook de basis om via de gebruikelijke route van de kadernota en de dekking van de begroting aan te vragen. Wij kunnen activiteiten dan integraal afwegen en monitoren.
Subsidies
Er is in 2024 een analyse gemaakt van de subsidiemogelijkheden per Omgevingsprogramma. Deze analyse geeft een momentopname van de mogelijkheden, waarvan een deel de komende jaren waarschijnlijk beschikbaar zal blijven. De grootste kansen liggen bij Omgevingsprogramma's die de leefomgeving groener en duurzamer maken, al kunnen subsidies verschillen in beschikbaarheid.
Kostenverhaal
De gemeente heeft een wettelijke plicht om kosten te verhalen die zij volgens het Omgevingsplan maakt voor bouwplannen. De voorkeur gaat uit naar privaatrechtelijke afspraken (dit heet een ‘anterieure overeenkomst’). Het kostenverhaal in Soest staat in de Nota Kostenverhaal en kan zowel vrijwillig als afdwingbaar worden ingezet.
Naast projectkosten wordt ook de plankostenscan toegepast om bouwplannen mogelijk te maken. Er wordt geen kostenverhaal toegepast als de kosten onder de tienduizend euro liggen, er geen kosten voor openbare werken zijn, of als het alleen gaat om aansluitingen op openbare ruimte/nutsvoorzieningen.
Tabel 1: Doelen, SDG’s en raakvlakken





Natuurlijke systemen en biodiversiteit vormen de basis van ons bestaan, maar gaan achteruit. Verdere achteruitgang moeten we voorkomen. Daarom zetten we bij de gemeente Soest stevig in op het behouden, versterken en verstevigen van onze groene leefomgeving.
In dit Omgevingsprogramma kijken we tot 2040, maar ook verder. Net als in de Omgevingsvisie. We onderzoeken hoe we het groen in de stad en het landschap daaromheen – met bossen, heide, polder en veenweidegebieden – duurzaam kunnen behouden. Dit doen we met aandacht voor ruimtelijke ontwikkelingen en veranderingen in het klimaat. Daarnaast kijken we hoe we de bestaande natuur en gebieden met mogelijkheden voor natuur verder kunnen ontwikkelen. We zorgen daarbij voor verbinding tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Ook bekijken we hoe groen kan bijdragen aan een gezonde leefomgeving voor onze inwoners. Hierbij maken we verbindende, gezamenlijke keuzes tussen wonen, werken, mobiliteit, energietransitie, water en groen. Ons doel is een goede balans tussen groen en water, terwijl wij rekening houden met alle andere vraagstukken, zoals de woningbouwopgave en de energietransitie.
In 4.2 Bijlage 2 - Begrippenlijst vindt u een begrippenlijst voor specifieke termen die wij in dit Omgevingsprogramma gebruiken.
De beleidskaders van het Rijk en de provincie vormen een belangrijke basis voor dit Omgevingsprogramma. De reden hiervoor is dat de grotere natuurlijke systemen waar wij onderdeel van uitmaken, natuurlijk geen rekening houden met onze gemeentegrenzen. De beleidskaders van het Rijk en de provincie geven richting en gezamenlijkheid om de doelen op het gebied van natuur, landschap en duurzaamheid te bereiken.
Het landelijke beleid wordt onder andere gestuurd door de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI schetst de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling en duurzaamheid in Nederland. Onder deze visie vallen ook verschillende programma’s, zoals de Bossenstrategie en de Natuurdoelstellingen van het voorgaande Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Deze programma’s richten zich op meer bosontwikkeling en de versterking van natuurgebieden. Deze landelijke richtlijnen helpen om de ontwikkeling van de natuur lokaal en regionaal vorm te geven.
Het kabinet Schoof heeft in 2024 besloten om het NPLG los te laten. Wel wil de provincie Utrecht doorgaan met het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG). Dit programma vertaalt landelijke opgaven voor water, natuur en klimaat naar regionale prioriteiten. Hierbij is extra focus op het bieden van toekomstperspectief voor de landbouw (een van de vier thema’s).
Daarnaast speelt het programma Groen Groeit Mee (GGM) een hele belangrijke rol. Dit programma zorgt ervoor dat groen in balans blijft met de verstedelijking rondom steden en dorpen. In de Provinciale Omgevingsverordening staan bovendien concrete eisen waar we ons aan moeten houden.
Het Handelingsperspectief Buitengebied (HPB) regio Amersfoort, opgesteld in samenwerking met de provincie en gemeenten, geeft richting aan het duurzaam ontwikkelen van buitengebieden. Daarnaast richten de waterschappen zich op het vergroten van de waterbergingscapaciteit, het verbeteren van de ecologische waterkwaliteit en het realiseren van natuurvriendelijke oevers.
In 4.3 Bijlage 3 - Relevante beleidskaders vindt u een overzicht van alle relevante beleidskaders.
Handelingsperspectief Buitengebied (HPB) Regio Amersfoort en UPLG
We werken binnen de bestuur regio Amersfoort, in het deelgebied Eemvallei, samen met de gemeenten Eemnes, Bunschoten, Baarn, Amersfoort en Leusden aan oplossingen voor het landelijk gebied. Samen met de provincie Utrecht, het waterschap Vallei en Veluwe en verschillende gebiedspartijen hebben zij gewerkt aan het Handelingsperspectief Buitengebied (HPB), dat in 2023 is verschenen. In dit HPB zijn opgaven voor het landelijk gebied vertaald naar mogelijke ontwikkelingsrichtingen voor de regio. Het HPB is door de gemeenteraden vastgesteld als vertrekpunt voor de Gebiedsgerichte Aanpak van het UPLG en andere relevante programma's. Het brengt bijvoorbeeld nationale opgaven, zoals de RES, woningbouw, internationale opgaven voor water en de Europese natuurherstelwet, samen met provinciale en regionale opgaven. Denk hierbij aan de UPLG, recreatie en mobiliteit. Daarnaast beschrijft het HPB welke opgaven waar een plek kunnen krijgen.
Het UPLG is een doorvertaling van landelijke opgaven door de provincie op het gebied van internationale doelen voor water, natuur en klimaat. De provincie Utrecht heeft hier een vierde thema aan toegevoegd: perspectief voor de landbouw. Het UPLG is een programma onder de Omgevingswet. De gemeente Soest zal de doelen van de provincie op de vier thema’s zoveel mogelijk proberen te vertalen naar wat de gemeente kan bijdragen aan de doelen van onder andere de Kaderrichtlijn Water (KRW), Natuurnetwerk Nederland (NNN), vogel- en habitatrichtlijnen (VHR), bos, groen-blauwe dooradering (GBDA) en stikstof. Wij zullen hierbij een actieve gebiedspartner zijn in de gebiedsprocessen Eemvallei en Utrechtse Heuvelrug, om zo tot uitgewerkte UPLG-Gebiedsagenda’s te komen.
Het HPB is hele belangrijke input en is een vertrekpunt voor de gebiedsgerichte aanpak van het UPLG, en daarmee de Gebiedsagenda. De ontwikkelrichtingen voor het landelijk gebied uit het HPB geven richting aan provinciale en landelijke opgaven. Het HPB heeft daarmee een bredere kijk en legt de basis voor het herkennen van kansen (meekoppelen) en bedreigingen voor het realiseren van doelen van de UPLG. Een voorbeeld van bedreigingen is wanneer meerdere partijen behoefte hebben aan dezelfde ruimte.
Kansen Gebiedsagenda Eemvallei
Op dit moment loopt er al een project voor de gemeente Soest die onder het provinciale programma Groen Groeit Mee (GGM) valt: De Zuidelijke Eemvallei. Dit project is in samenwerking met de gemeenten Amersfoort en Baarn. Er is afstemming tussen de gemeenten Soest, Amersfoort, Baarn en de provincie Utrecht. Deze partijen proberen zo te komen tot een eerste stap in het proces, inclusief een samenwerkingsovereenkomst (SOK). In dit project wordt specifiek ingezet op het bereiken van de doelen van de provincie op het gebied van natuur, water en klimaat.
Kansen Gebiedsagenda Utrechtse Heuvelrug
Voor de Gebiedsagenda van de Utrechtse Heuvelrug is de gemeente Soest wel aangesloten, maar op een iets grotere afstand. Samen met de regio Amersfoort kijken wij welke rol wij kunnen spelen, aangezien het gebied het meest heeft aan een aanpak die rekening houdt met de hele Utrechtse Heuvelrug. Dus inclusief het deel dat niet bij de gemeente Soest hoort. Daar waar kansen liggen binnen de gemeente Soest, onderzoeken wij hoe we deze kunnen pakken.
Vraag om ruimte om te bouwen legt druk op het groen
De komende jaren blijft de woningbouwopgave groot. We verwachten honderdvijfentwintig tot tweehonderd woningen per jaar te bouwen. Het deel van onze aanpak van de woningbouwopgave tot 2030 is al bekend. Voor de periode na 2030 zoeken we nog naar nieuwe locaties. Daarnaast is er vanuit het Omgevingsprogramma Werken behoefte aan nieuwe ruimte voor bedrijventerreinen. Het bouwen van meer woningen en ruimte voor werken zal ook leiden tot een uitbreiding van ons wegennet. Daarnaast krijgen we te maken met steeds meer vraag naar recreatie in het buitengebied vanuit de regio.
Het kan niet anders dan dat een deel van de ruimte voor deze nieuwe woon- en werklocaties gezocht gaat worden in het groen. Dit kan zowel binnen- als buitenstedelijk zijn. En dat terwijl groen juist bijdraagt aan onder meer het woongenot, gezondheid, gezonde luchtkwaliteit, biodiversiteit, klimaatadaptatie en mogelijkheden tot recreatie. Dit laat zien hoe groot de druk op het groen is.
Klimaatverandering vraagt om forse ingrepen
De klimaatverandering waar wij nu mee te maken hebben, hebben al negatieve effecten op het groen. Denk hierbij aan langdurige perioden zonder regen, plotselinge wateroverlast en langdurige hitte. Zo weten we bijvoorbeeld dat de oude beuken het erg moeilijk hebben door de toegenomen droogte en hete zomers, omdat de grondwaterstand hierdoor daalt.
Klimaatverandering vraagt om een andere kijk op het aanleggen en beheren van het groen. Ook de fauna, zoals zoogdieren en vogels, merken de gevolgen van veranderingen in het klimaat, omdat zij afhankelijk zijn van een gezonde bodem en het groen. Bijvoorbeeld om zich in te nestelen, in te schuilen en om voedsel in te zoeken. Daarom moeten we ook in het groen maatregelen nemen, zoals meer klimaatadaptatie in het groen. Groen is vaak een logische oplossing voor veel van deze uitdagingen.
Nieuw energiesysteem van de toekomst
Onze energieinfrastructuur gaat stevig op de schop. Hiermee gaan we netcongestie tegen en maken we het energiesysteem van de toekomst mogelijk. Er komen bijvoorbeeld extra transformatorstations, kabels en leidingen bij. Hier is veel ruimte voor nodig en heeft impact op groen boven én onder de grond. Meer ondergrondse ruimte voor kabels en leidingen kan bijvoorbeeld ten koste gaan van ruimte die wortels van planten nodig hebben. Ook kunnen kabels en leidingen ten koste gaan van de kwaliteit van de bodem, terwijl de bodem een voedingsbasis is voor bomen. Deze thema’s spelen vooral binnen de bebouwde omgeving en binnen de warmtetransitie, maar kunnen ook in het buitengebied spelen. Hier moeten namelijk ook nieuwe onderstations komen.
Rekenkamerrapport Klimaatadaptatie
De Rekenkamer Soest heeft onderzocht welke klimaatadaptieve maatregelen we de afgelopen vijf jaar als gemeente Soest hebben genomen. De belangrijkste conclusie van dit onderzoek was dat hitte en droogte minder aandacht kregen. Dit vermindert de mogelijkheden om oplossingen te vinden die meerdere problemen, zoals hitte, droogte en wateroverlast, tegelijkertijd aanpakken. Ook vindt de Rekenkamer dat de communicatie vanuit de gemeente tekortschiet. Hierdoor worden inwoners, bedrijven en instellingen onvoldoende betrokken bij klimaatadaptieve maatregelen op het gebied van bijvoorbeeld de inrichting van ruimtes van particulieren.
De Rekenkamer adviseert de gemeente Soest om klimaatadaptatie integraal aan te pakken en de thema’s hitte, droogte en wateroverlast dus te verbinden. Daarnaast adviseert de Rekenkamer de gemeente om inwoners en bedrijven meer te stimuleren om zelf maatregelen te nemen. Dit draagt bij aan een inrichting van Soest die beter bestand is tegen klimaatverandering. De uitkomsten van het rapport van de Rekenkamer hebben wij waar mogelijk meegenomen in dit Omgevingsprogramma.
Participatie
Uit de straatinterviews, het inwonerspanel en de swipocratie blijkt dat inwoners bereid zijn om verder te gaan met het vergroenen van hun buurt. Door bomen te plaatsen voor gebouwen, willen zij iets doen aan de hitte die deze gebouwen afgeven. Bij hoogbouw zien zij graag veel groen in de directe omgeving, zodat het uitzicht groen is en niet grijs. Daarnaast zijn veel inwoners ook bereid hun auto verder van hun huis te parkeren, als dit betekent dat hun straat groener wordt. Tot slot plaatsen zij natuur boven recreatie. Kortom: inwoners willen meer plekken voor natuur. Dit is ook terug te zien in de inwonersinitiatieven, waarbij over het algemeen meer natuur in de directe woonomgeving wordt toegevoegd.
Tegelijkertijd kan dit in de praktijk ook spanning geven. Het is onvermijdelijk dat niet alle inwoners het hiermee eens zijn. Daarom vraagt vergroening van de woonomgeving om maatwerk van de gemeente.
Groen en blauw (bedoeld: water) kunnen samen worden ingezet om verschillende doelen te bereiken. Zo dragen zogenaamde ‘groen-blauwe netwerken’ bij aan het versterken van de leefbaarheid en het stimuleren van mentale gezondheid, omdat zij de beleving van groen verbeteren. Daarnaast stimuleren ze ook de fysieke gezondheid van inwoners, omdat zij bewegen en recreëren bevorderen. Dit kan worden gerealiseerd door routes voor fietsen en wandelaars te koppelen aan de groen-blauwe netwerken, zodat er een interessante en prettige omgeving ontstaat die mensen uitnodigt om in beweging te komen.
Ook op het gebied van klimaatadaptatie spelen groen en blauw een belangrijke rol. Ze helpen bij het verminderen van hittestress en dragen bij aan het voorkomen van wateroverlast en droogte. Tot slot leggen groen-blauwe netwerken de basis voor natuurkwaliteit en biodiversiteit, omdat zij een divers, kenmerkend en sterk ecologisch systeem creëren en in stand houden.
Het combineren van de verschillende functies van groen is voor een groot deel te bereiken in de ruimtelijke ordening. Zo kunnen we meerdere voordelen met één ingreep realiseren. Denk aan een wadi (Water Afvoer Drainage en Infiltratie), die het regenwater kan opvangen en bergen, terwijl een wadi er tegelijkertijd ook voor kan zorgen dart het straatbeeld groener wordt.
We komen tot betere oplossingen, wanneer het bewustzijn toeneemt dat we deze doelen met een integrale aanpak van de groenopgave kunnen bereiken. De werking wordt nog eens versterkt wanneer wij groen-blauwe plekken zowel binnen de stad als met het omliggende landschap met elkaar verbinden.
Naast de integrale benadering vanuit de verschillende groene doelstellingen, vraagt de opgave ook om een zogenaamde ‘systeembenadering’ (Bron: Handreiking Groen in en om de Stad (GioS); (2024 linkt is opgenomen in bijlage 8). De reden hiervoor is dat de invulling van het groen op verschillende niveaus verschillende functies heeft. Op buurtniveau gaat het bijvoorbeeld om het zicht op groen, prettig leven, lokale biodiversiteit en het opvangen van water. Op stads- of regioniveau gaat het meer om de recreatieve behoefte. Op alle schaalniveaus spelen uiteenlopende ontwikkelingen. Daarom is het werken door de verschillende niveaus heen een belangrijk uitgangspunt bij de ontwikkeling van de borgingssystematiek.
In 4.4 Bijlage 4 - Handreiking Groen in en om de stad vindt u ook een overzicht (afbeelding) van de verschillende schaalniveaus van groen.
Hierboven beschrijven wij hoe we een integrale benadering vanuit de verschillende groene doelstellingen toepassen. Hier staat ook dat dit vraagt om een systeembenadering. Binnen het doel ‘Verbeteren en vergroten van diversiteit in flora en fauna’ zijn Basiskwaliteit Natuur (BKN) en de zogenaamde ‘natuurwaardenkaart’ belangrijke onderdelen binnen deze systeembenadering.
Mensen en dieren zijn afhankelijk van een goed functionerend ecosysteem. Hoe meer soorten en leefgebieden er zijn, hoe sterker en veerkrachtiger de ecosystemen. Om de ecosystemen sterk te houden, zijn veel verschillende diensten nodig. Zie onderstaande afbeelding (afbeelding 1) voor een aantal voorbeelden van ecosysteemdiensten in Nederland.

Afbeelding 1: Voorbeelden van ecosysteemdiensten in Nederland
Indicator
De ‘nectarindex’ van Floron. De nectarindex is een handige methode om te bepalen hoeveel een berm of grasland bijdraagt aan het behoud van insecten, vlinders en inheemse planten. Door de aanwezige bloemen te tellen en een score te geven aan hun nectarwaarde, zie je in één oogopslag welke waarde het stukje land heeft voor bestuiving en biodiversiteit.
Basiskwaliteit Natuur (BKN)
De gezondheid van onze leefomgeving gaat achteruit. Algemene plant- en diersoorten verdwijnen uit onze leefomgeving, wat zorgt voor de afname van de biodiversiteit. Voor een veerkrachtige en gezonde leefomgeving is het belangrijk dat de basiskwaliteit van de natuur zowel in het buitengebied als het stedelijk gebied wordt op niveau komt en verder wordt versterkt.
Wij zorgen voor meer ecologische verbinding, doordat wij het ‘stedelijk ecologisch netwerk’ met kerngebieden, stapstenen en verbindingszones versterken. Het ontwikkelen van een groen-blauwe infrastructuur door de gemeente is heel belangrijk om verschillende populaties van planten en dieren met elkaar te verbinden. Dit zorgt voor meer uitwisseling tussen gebieden en versterkt natuurwaarden in de bodem, in het water en langs de oevers.
De BKN is een systematiek die inzicht en richting geeft om algemene soorten te beschermen en te verbeteren. Dit zijn soorten die niet al beschermd zijn.
We gebruiken onder andere deze systematiek om ons te richten op gezonde bodems, water en nutriënten (abiotiek), op de verbinding tussen leefomgevingen en groen-blauwe structuren (inrichting), en op natuurinclusief beheer van openbare ruimte. Deze balans voorkomt een vermindering van de (kwaliteit van de) natuur en vergroot de kansen om biodiversiteit te behouden. Algemene soorten hebben dit nodig om algemeen te blijven of te worden.
De BKN is een aanvulling op de bestaande beleidsdoelen voor natuur, zoals de Habitatrichtlijn en/of de Vogelrichtlijn. Deze twee richtlijnen richten zich vanuit de EU-wetgeving vooral op bedreigde soorten en/of leefomgevingen.
Bovenstaande vertaalt zich in het volgende beleidsuitgangspunt:
Tien Soester natuurtypen
We hebben tien zogenaamde ‘ambassadeurssoorten’ gekozen. Deze tien soorten vertegenwoordigen de hoeveelheid aan verschillende natuurtypen en leefgebieden op het grondgebied van Soest. Hiermee maken we onze ambities op het gebied van biodiversiteit toegankelijker en geven wij deze meer betekenis. De tien ambassadeurs zijn op basis van de aanwezige natuurtypen van de Natuurwaardenkaart (4.5 Bijlage 5 - Natuurwaardenkaart en tien factsheets) en waarnemingen in deze gebieden aangewezen.

Afbeelding 2: Natuurwaardenkaart
In de Natuurwaardenkaart-factsheets wordt toegelicht waar de verschillende ambassadeurssoorten voorkomen, wat ze kenmerkend voor het gebied maken en wat zij nodig hebben om de soort te behouden en te ontwikkelen. Door betere en meer verschillende leefgebieden te ontwikkelen en deze leefgebieden beter aan te laten sluiten op de 10 ambassadeurssoorten, wordt de biodiversiteit vergroot.
De 10 ambassadeursoorten in Soest zijn:
In de Natuurwaardenkaart leggen we een directe relatie met de BKN. Op deze manier kunnen we leefgebieden beter beschermen en versterken voor zowel zeldzame als algemene soorten.
De Natuurwaardenkaart is ook een bouwsteen voor de evaluatie en herziening van het Landschapsontwikkelingsplan (LOP).
Bovenstaande vertaalt zich naar de volgende beleidsuitgangspunten:
We gebruiken de Natuurwaardenkaart en bijbehorende factsheets om bestaande en potentiële natuurwaarden in Soest te behouden en te versterken.
We streven naar het in stand houden en verbeteren van leefgebieden van de 10 ambassadeursoorten in Soest.
We zorgen voor ecologische verbinding van het stedelijk ecologisch netwerk met kerngebieden, stapstenen en verbindingszones.
Bescherming van soorten
De Omgevingswet beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De gemeente Soest werkt bij de uitvoering van werkzaamheden in en aan het groen met verschillende gedragscodes (soortenbescherming oa bosbeheer, soortenbescherming gemeenten), om kwetsbare soorten die daar aanwezig zijn te beschermen.
Daarnaast gebruiken we bij isolatiewerkzaamheden aan bestaande gebouwen het Soortenmanagementplan (SMP), dat helpt bij het beschermen van beschermde gebouwgebonden soorten. Denk hierbij aan de huismus, de gierzwaluw en aan een paar soorten vleermuizen. Op moment van schrijven wordt er gewerkt aan het SMP. Het SMP voorziet in een gebiedsgerichte ontheffing waarna er natuurvriendelijk (na)geïsoleerd kan worden.
Tot slot worden inheemse plant- en diersoorten soms verdrongen door uitheemse plant- en diersoorten (zoals de Aziatische duizendknoop, reuze springbalsemien of de reuze berenklauw). Om dit te voorkomen, bestrijdt de gemeente invasieve soorten waar nodig. De gemeente probeert hierbij mogelijke schadelijke effecten van de bestrijding zo klein mogelijk te houden.
Bovenstaande vertaalt zich in het volgende beleidsuitgangspunt:
Bodemkwaliteit
De bodem levert onmisbare ecosysteemdiensten, zoals wateropslag, koolstofopslag, voedselproductie en stabiele grond. Het behouden en verbeteren van bodemkwaliteit is daarom heel belangrijk. Maar de bodem staat onder druk. Bijvoorbeeld door stikstofdepositie, extreme neerslag, droogte, zware machines en uitputting van landbouwgrond. Daarom zet de gemeente in op verbetering van bodemkwaliteit en bescherming van de bodem bij uitvoering van werkzaamheden.
Externe invloeden veroorzaken verzuring en verdroging van onze natuurgebieden. We kunnen binnen de gemeente inzetten op het zoveel mogelijk beperken van de gevolgen van deze externe invloeden. Bijvoorbeeld door te zorgen voor een robuuste vegetatie die tegen droogte kan, of door samen met het waterschap grondwaterstanden aan te passen om bodemdaling te beperken.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
Lokaal behouden we het vermogen van de bodem om water vast te houden en gaan we bodemverzuring en –degradatie tegen, door met licht materiaal werkzaamheden uit te voeren en met groen-blauwe oplossingen negatieve effecten tegen te gaan.
Niet-vervuilde, bodemeigen grond zonder wortelonkruiden zoveel mogelijk behouden en binnen het gebied hergebruiken.
Bij aanplantwerkzaamheden op gedegradeerde bodems kiezen voor soorten die de bodemontwikkeling stimuleren. Denk hierbij aan (inheemse) soorten in bosplantsoen of rijkstrooiselsoorten in de bossen.
Kansen voor nieuwe natuur
We zien kansen om de ontwikkeling van nieuwe natuur die de biodiversiteit versterkt en de leefomgeving aantrekkelijk maakt mogelijk te maken.
Onderstaande gebieden zijn kansrijk:
De bossen en natuurgebieden op de Utrechtse Heuvelrug, zoals de Lange en Korte Duinen, vallen onder het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Deze gebieden zijn verbonden met de natuur van omliggende gemeentes. Ons beheer richt zich hier op biodiversiteit, rust en recreatie.
In de polder langs de Eem, met zijn open slagenlandschap, streven we naar meer natuur in samenwerking met agrariërs. Hierbij sluiten we aan bij regionale en provinciale natuurdoelen en het Handelingsperspectief Buitengebied.
De Soester Eng, een cultuurhistorisch landbouwgebied midden in Soest, biedt ook mogelijkheden voor nieuwe natuur. We onderzoeken verschillende opties, zoals bloemrijke bermen en struiken langs de randen, waarbij de Eng wel open blijft. Samen met betrokken partijen, zoals agrariërs en de Stichting Vrienden van de Soester Eng, werken we aan deze ontwikkeling van de natuur.
Bovenstaande vertaalt zich in het volgende uitgangspunt:
Om het dorpse, vitale en groene karakter van Soest te behouden, moet de ruimtelijke samenhang in balans blijven. Denk hierbij aan een goede verdeling tussen bebouwde en onbebouwde ruimtes. Bij de thema's wonen en werken richten we ons op het versterken van de kwaliteit van ruimte. Wij doen dit door water en groen toe te voegen en de kwaliteit ervan te verbeteren. In het landelijk gebied versterken structuren niet alleen de herkenbaarheid, maar ook de cultuurhistorische waarden van het landschap.
Groen en water zijn onmisbaar om de doelen van alle Omgevingsprogramma's te bereiken. Ze helpen de kernwaarden van Soest te behouden en versterken, terwijl ze tegelijkertijd ook bijdragen aan de verschillende ruimtelijke en maatschappelijke opgaven.
Indicator
Het totaal aan oppervlakte aan groen dat de gemeente in eigendom heeft. Dit is opgenomen in het beheerssysteem ‘Greenpoint’. Hiermee kunnen we monitoren of het gebied toe- of afneemt. Denk aan het aantal bomen, totale bermoppervlakte, heestervakken en wadi’s.
Groenstructuren
Wij beheren en versterken de groenstructuren in de gemeente Soest. Zo proberen wij het unieke en diverse landschap te behouden. Buiten de bebouwde kom richten we ons op de landschapsstructuren en natuurgebieden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische elementen zoals houtwallen, singels, lanen en bossen. Deze structuren verbinden het open polderlandschap in het noorden met de stuifzanden en bosgebieden zoals de Lange Duinen. Het herstel van deze elementen versterkt de biodiversiteit en cultuurhistorische waarden. Daarnaast bieden deze elementen voedsel, schuilplekken en verbindingsroutes voor dieren. In de polder werken we aan herstel van minder grote landschapselementen, zoals houtwallen en akkerranden. Deze zijn de afgelopen jaren verloren gegaan door schaalvergroting in de landbouw.
Binnen de bebouwde kom vormt de hoofdgroenstructuur ‘het groene geraamte’ van Soest. Denk hierbij aan parken, bermen, groene oevers en bomenrijen, maar ook aan volkstuinen en speeltuinen. Deze hoofdgroenstructuur is een soort snelweg voor flora en fauna. Zo kunnen zij zich in en tussen gebieden verplaatsen. Dit draagt bij aan de biodiversiteit, het leefklimaat en recreatie voor inwoners. Maar door verstedelijking staan deze structuren onder druk. Bij het weghalen van bomen is compensatie hiervan verplicht, en moet zowel op het gebied van hoeveelheid als kwaliteit gelijkwaardig zijn aan het groen dat is weggehaald.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
We behouden en versterken bestaande groenstructuren op stad-, wijk- en buurtniveau, zoals omschreven staat in de handreiking GioS.
In 2040 is de hoofdgroenstructuur intact en vitaal.
Het totale oppervlak en kwaliteit van groenstructuren blijft op wijkniveau gelijk of is toegenomen.
Compensatie van het verlies van groen vooraf is verplicht, bij voorkeur op stadsniveau. Op dit niveau versterken wij de hoofdgroenstructuur en wordt deze waar nodig aangevuld, zoals omschreven staat in de handreiking Gios.
We herstellen en verstevigen groene landschapsstructuren op basis van landschapstypen (obv de natuurwaardekaart). Waar mogelijk herstellen we historische landschapselementen.
We streven naar het vergroten van biodiversiteit, vitaliteit en toekomstbestendigheid van onze bossen.
Groen-blauwe dooradering
Wij versterken de groen-blauwe structuren waarin groen en water samenkomen. Deze structuren vormen belangrijke verbindingen tussen stedelijk en landelijk gebied. Zie hiervoor ook afbeelding 3. De groen-blauwe structuren zijn onmisbaar voor veel plant- en diersoorten die deze routes gebruiken voor voedsel en om zich te verplaatsen. Wij gebruiken groenstroken en waterpartijen om overtollig hemelwater op te vangen, te infiltreren en te geleiden. Met minder verharding, een betere bodemstructuur en slim ingerichte vergroening zorgen we ook voor verkoeling in woonwijken en een betere infiltratie van hemelwater.

Afbeelding 3: Groenblauwe dooradering landschap (Bron: Mooi NL)
Waar mogelijk creëren we natuurlijke oevers, die voedsel en schuilplekken bieden voor veel soorten. Wij zorgen hier voor geleidelijke overgangen van nat naar droog. Deze oeverzones versterken de biodiversiteit en brengen bodem- en watersystemen in balans. Daarnaast breiden wij overgangszones tussen land en water en tussen open en gesloten landschappen uit. Dit vergroot de variatie in vegetatie en biedt meer leefruimte voor meer flora en fauna. Bij de randen tussen bebouwing, bossen en open gebieden benutten we kansen voor bredere en geleidelijke overgangen.
Wij verbeteren de verbinding met de Eem. Wij doen dit om de waterkwaliteit te verhogen en om verplaatsingen van soorten die in het water leven te bevorderen. Dit versterkt het watersysteem van dorp, polder, bos en natuur. Tegelijk verbinden we verschillende recreatiemogelijkheden en vergroten we de groenbeleving. Zo zorgen we bijvoorbeeld dat je al in de wijk het gevoel krijgt dat je in de polder bent. Of dat je vanuit het bos geleidelijk een woonwijk binnenloopt, zonder dat het groene gevoel verdwijnt.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
We versterken groen-blauwe verbindingen voor het versterken van biodiversiteit, het brengen van balans in bodem- en watersystemen en voor recreatiemogelijkheden.
Verkeersstructuren
De hoofdgroenstructuren, zoals bomenrijen en bermen, liggen langs wegen en hebben een belangrijke rol in klimaatadaptatie en biodiversiteit. Het zijn vaak de onmisbare routes voor vleermuizen, vogels en insecten en andere soorten fauna. Daarom stemmen we bij de aanleg of herinrichting van wegen groen en mobiliteit goed op elkaar af. Zo beperken we groenverlies en benutten we kansen voor vergroening. Al bestaand groen proberen we hier zo veel mogelijk in te passen.
Bermen zijn belangrijke verbindingen voor planten en dieren. Parkeren in bermen die ecologisch waardevol zijn, heeft grote negatieve gevolgen voor de biodiversiteit. Het gewicht van de auto’s zorgt ervoor dat de bodem ‘verdicht’ en dat de aanwezige planten en diersoorten worden platgereden. Daarom zet de gemeente in op gedragsverandering van mensen. De gemeente ontmoedigt parkeren in bermen actief door de bermen bijvoorbeeld te versterken met kruidenrijke randen of lage struiken. Zo beschermen we belangrijke verbindingen.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
We voorkomen zo veel mogelijk verlies van groen bij de aanleg of herinrichting van infrastructuur. Daarnaast benutten wij kansen voor vergroening.
Vergroening van wegen biedt koppelkansen voor het verbeteren van leefgebied van vogels, vleermuizen en insecten.
We creëren ruimte voor bomen bij de (her)inrichting van wegen. Alleen bij voldoende ruimte plaatsen we bomen. Wanneer er onvoldoende ruimte is voor bomen, plaatsen wij ander groen.
Bij onveilige situaties die worden veroorzaakt door groen, kijken wij eerst naar het aanpassen van de verkeerssituatie. Daarna passen wij pas eventueel het groen aan.
We ontmoedigen en waar mogelijk verbieden parkeren in bermen met hoge ecologische waarde.
Cultuurhistorie
Het dorpse karakter van Soest wordt versterkt door cultuurhistorische elementen. Binnen de bebouwde kom zijn de Noordelijke en Zuidelijke Eng, historische wegen zoals de Lange Brinkweg, Dorpsstreek, de Wegh der Weegen en de Birkstraat, en verbindingen zoals de Dorresteinweg en Eigendomsweg, hier goede voorbeelden van. Deze wegen verbinden het dorp met omliggende landschappen en vormen ook belangrijke routes voor bijvoorbeeld vogels en vleermuizen. Zo vervaagt de grens van de bebouwde kom. Buiten de bebouwde kom staan historische landgoederen, zoals Hees en De Paltz, en oude lanen, grafheuvels en verdwenen elementen. Denk hierbij aan houtsingels in de Eempolder. Deze landschapselementen willen we herstellen.
Bovenstaande vertaalt zich naar de volgende beleidsuitgangspunten:
We benutten stedenbouwkundige cultuurhistorische elementen en historische wegen, zoals verbindingswegen voor flora en fauna.
We behouden en versterken jonge en oude cultuurhistorische waarden met behulp van de cultuurhistorische waardekaart.
We geven de cultuurhistorie meer aandacht in de buitenruimte, waardoor deze meer en beter beleefd kan worden.
We werken aan een geleidelijke overgang van stedelijk naar landelijk gebied, zonder dat dit ten koste gaat van bestaande natuur.
We moeten ons voorbereiden op het veranderende klimaat. Groen en blauw gaan in deze voorbereiding hand in hand. Klimaatadaptatie en het verzachten van negatieve gevolgen van klimaatverandering zijn nu belangrijker dan ooit in onze samenleving. Samen moeten we hieraan werken. Meer groen is belangrijk om de dorpen koel te houden en draagt bij aan het voorkomen van wateroverlast. Als gemeente kunnen we met het planten van groene elementen in het landschap ook zorgen voor CO2-opslag. Elk soort groen heeft met zijn unieke eigenschappen de mogelijkheid om een positieve bijdrage te leveren aan klimaatverandering.
Indicator
De klimaatstresstesten van onder andere het Waterschap Vallei en Veluwe en de gegevens uit de klimaateffectatlas van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Hiermee kunnen we monitoren of we ons doel halen en waar we mogelijk verder bij moeten sturen op het gebied van bijvoorbeeld wateroverlast en de hoeveelheid hitte-eilanden in Soest.
Klimaatbestendig en robuust groen
Statige bomen sieren pleinen, terwijl wij bermen langs fietspaden inrichten om zoveel mogelijk biodiversiteit mogelijk te maken. Welke keuzes wij hierbij maken, hangt af van de rol, de natuurwaarde en de beheerbaarheid van het groen. Gelaagdheid in de opbouw en diversiteit van de beplanting is een belangrijke voorwaarde voor hoe robuust de beplanting is. Binnen de bebouwde kom houden we rekening met een aantal negatieve omstandigheden, zoals weinig ruimte om te groeien, een lagere bodemkwaliteit en andere negatieve omgevingsfactoren, zoals uitlaatgassen en strooizout bij vorst.
Daarom zorgen we bij nieuwe aanplantingen voor voldoende ruimte, zodat bomen en struiken goed kunnen groeien. Waar nodig verbeteren we de bodem om wateroverlast tegen te gaan en koppelen we groenstroken aan andere functies, zoals waterberging. Het is daarbij belangrijk om zo veel mogelijk regenwater op een zo natuurlijk mogelijke manier vast te houden. We gebruiken hierbij een gevarieerde vegetatie die beter bestand is tegen hitte, droogte en ziekten. Dit doen we door verschillende soorten vegetatie en type beheer te combineren in bermen, groenstroken en bossen. Onze aanpak helpt tegen droogte, hitte en wateroverlast. Ook vergroot het de veerkracht van het ecosysteem, draagt het bij aan biodiversiteit en een gezonde bodem. Tot slot verbetert onze aanpak de waterhuishouding.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
We maken bewuste keuzes voor beplanting op basis van de locatie en functie.
We vergroten de veerkracht van gebieden door passende en klimaatbestendige vegetatie te plaatsen.
We kiezen voor biologische en inheemse planten, maar wegen bij die keuze wel de beschikbare kwaliteit en de kosten voor aanschaf en beheer af.
We houden water zo natuurlijk mogelijk vast in de bodem en zorgen dat de wortels van bomen bi het grondwater kunnen.
We creëren natuurlijke oevers zodat het waterpeil kan toe- en afnemen.
We leggen verschillend, gelaagd en opgaand groen aan.
In het Convenant Toekomstbestendig Bouwen zijn klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit belangrijke thema's, waar wij naar moeten handelen. CTB is door de gemeente Soest ondertekend.
Waterberging
In de kernen Soest en Soesterberg is weinig tot geen oppervlaktewater (de wijk Overhees na). Daarom is het belangrijk om regenwater op een zo natuurlijk mogelijke manier vast te houden. Vooral om hittestress, droogte en wateroverlast tegen te gaan. Om de negatieve effecten van extreme neerslag zo klein mogelijk te maken, sluiten we aan op het principe ‘besparen-benutten-vasthouden-bergen-afvoeren’. Groen kan water opnemen en vasthouden in de bodem. In het Omgevingsprogramma Water werken wij het thema waterberging verder uit. Hier staan ook de beleidsuitgangspunten voor waterberging en klimaatadaptief bouwen.
Hittestress
Dankzij klimaatverandering krijgen we vaker te maken met langdurige hitte, vooral in stedelijke gebieden. Dit komt doordat gebouwen en verhardingen, zoals pleinen en wegen, warmte vasthouden. Dit zorgt voor een temperatuur die gemiddeld zo’n zeven graden hoger is dan in het buitengebied. Deze plekken noemen wij zogenaamde ‘hitte-eilanden’. Hitte-eilanden hebben negatieve effecten op dieren en de omgeving, maar ook op mensen. Denk hierbij aan gezondheidsrisico’s, minder goed slapen en een lagere productiviteit.
Waar bebouwing en verharding hitte vooral afstoten, neemt groen warmte juist op. Groene daken en gevels, volle bomen en veel lage struiken en planten helpen om warmte op te nemen. Het verwijderen van overbodige verharding en het toevoegen van water helpen de omgeving verder te verkoelen. De schaduw van bomen en ander hoog groen heeft een groot effect. Ze verlagen de gevoelstemperatuur met gemiddeld zeven tot vijftien graden.
Naast de gevoelstemperatuur speelt ook de temperatuur van het oppervlak in de gebouwde omgeving een grote rol. De schaduw van bomen en ander hoog groen zorgen ervoor dat de oppervlaktetemperatuur op straat met negentien graden vermindert. De impact wordt nog groter wanneer wij bomen in clusters planten en soorten kiezen die goed tegen droogte kunnen. Hoe hoger de dichtheid van de takken en blaadjes van bomen, hoe meer schaduw op straat. Maar doordat de schaduw van bomen voor een lagere temperatuur zorgt, hebben de bomen zelf ook te maken met de droogte en hittestress. Daarom is het belangrijk om de juiste boom op de juiste plaats te planten. Daar waar bomen niet passen, kiezen we voor hoog opgaande beplanting. Zo worden ook wandel- en fietsroutes koeler en aangenamer.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
Wij nemen groene maatregelen om hittestress te verminderen. Denk hierbij aan gevarieerd hoog groen langs wandel- en fietspaden en clusters van bomen.
We richten dertig procent van wandel- en fietspaden in stedelijk gebied in met groenstructuren met veel schaduw.
Impact energietransitie
Zonne-energie is onmisbaar in de strijd tegen klimaatverandering. Toch blijft de bestaande groenstructuur leidend, ook als dit zorgt voor meer schaduw voor zonnepanelen. Bij bestaande woningen houden woningeigenaren rekening met de bestaande bomen. Bij herinrichting van de openbare ruimte houden we zoveel mogelijk rekening met bestaande bomen en compenseren we het eventuele weghalen van bomen met het planten van nieuwe bomen. We kappen (en snoeien) geen bestaande bomen om een hogere opbrengst van zonnepanelen mogelijk te maken. Bij nieuwbouw van woonhuizen (en bedrijven) plaatsen we zonnepanelen op daken en kiezen we voor het planten van boomsoorten die niet zorgen voor extra schaduw bij de zonnepanelen. Toch blijft de groenstructuur prioriteit houden. Soms kan dit ertoe leiden dat daken niet geschikt zijn om zonnepanelen op te plaatsen.
De uitbreiding van het elektriciteitsnet brengt veel uitdagingen met zich mee voor zowel de boven- als ondergrondse (groei)ruimte van bomen. Wanneer uitbreiding van het elektriciteitsnet ten koste gaat van de hoofdgroenstructuur, wordt dit altijd gecompenseerd. Ook moet er (groene) ruimte worden ingeleverd voor het plaatsen van de transformatorhuisjes. Bij de keuze voor deze locaties zullen wij een integrale afweging maken. Om de biodiversiteit en het straatbeeld te verbeteren, richten wij de transformatorhuisjes zo veel mogelijk natuurinclusief in.
Voor energieopwekking op grote schaal volgen we het provinciaal uitnodigingskader. Hierin staan voorwaarden voor windturbines en zonnevelden. Tegelijkertijd stimuleren we zon op dak, zodat we deze zo min mogelijk in de buitengebieden hoeven te plaatsen. Zo beschermen wij het buitengebied en de landschappelijke waarden.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
Bij het leggen van kabels en leidingen beschermen we boomwortels, om zo schade en verschraling van boombestand te voorkomen. Daar waar kan worden kabels en leiding zo diep mogelijk gelegd (in het grondwater) zodat boomstructuren intact blijven.
Groenstructuren hebben altijd voorrang boven een optimale ligging van zonnepanelen.
We kappen en snoeien geen bestaande bomen om een hogere energieopbrengst van zonnepanelen mogelijk te maken.
Transformatorhuizen worden zo veel mogelijk natuurinclusief.
Groen zorgt voor een belangrijk deel voor het tegengaan van hittestress en wateroverlast in de directe leefomgeving. Goede voorbeelden hiervan zijn:
Inzetten van groene daken en gevels
Tijdelijk opslaan van water
Verwijderen van onnodige verhardingen
Inrichten van natuurlijke oevers
Aanleggen van groene tuinen
Daarnaast heeft ook de aanleg van voldoende koele verblijfplaatsen, met de mogelijkheid om langere tijd te verblijven, een belangrijke bijdrage aan verbetering van de leefomgeving.
Indicator
Voor dit doel kiezen we als indicator de klachten en meldingen die gedaan worden over de leefomgeving. In het klachten- en meldingensysteem van de gemeente Soest worden deze klachten opgenomen, gecategoriseerd en bewaard. Wij kunnen hier jaarlijks de klachten en meldingen uithalen en analyseren. Op basis van deze analyse kunnen wij bijsturen.
Balans tussen groen, water en bebouwing
Er zijn veel verschillende belangen in Soest, die allemaal een beroep doen op de beschikbare fysieke ruimte. Denk hierbij aan uitbreiding van bebouwing en infrastructuur, wat ten koste kan gaan van groen en water. Maar de groen-blauwe openbare ruimte speelt een hele belangrijke rol in het welzijn van mens, dier en natuur. Het biedt namelijk veel kansen voor biodiversiteit, gezondheid en leefbaarheid.
Gemiddeld gezien liggen Soest en Soesterberg dicht bij het streefgetal van 75 m² openbaar groen per inwoner, maar toch verschilt dit tussen wijken en dorpen. Sommige gebieden vragen dus om extra aandacht voor vergroening. Om de balans tussen groen en grijs in woonwijken en op bedrijventerreinen te behouden, is een wijk- en buurtgerichte aanpak nodig. Wij zien kansen voor het vergroenen van tuinen, gevels en daken van woningeigenaren. Dit kan op een manier die past bij de stedenbouwkundige opzet van woonwijken en bedrijventerreinen. Hierdoor zal de leefbaarheid, biodiversiteit en klimaatadaptatie verbeteren.
Groen kan bijdragen aan een positieve ervaring van geluid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan bomen die ruisen, of aan vogels die zingen. Een prettig groen uitzicht kan bovendien bijvoorbeeld ervoor zorgen dat geluidshinder minder aandacht krijgt en dus minder hinderlijk is. Kortom, groen is veelzijdig en kan op veel verschillende gebieden positieve effecten hebben.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
We willen dat er een balans is tussen groen en grijs en bebouwd en onbebouwd.
We streven naar de groennorm per soort wijk vanuit het GioS.
Op basis van het soort wijk realiseren we aan de hand van de Klimaatatlas een bijpassend percentage groen en ruimte voor spelen en bewegen.
In het Omgevingsprogramma Werken beschrijven wij het beleid dat ingaat op de balans tussen groen en grijs op bedrijventerreinen.
We stimuleren proactief het vergroenen van grond die in particulier bezit is. Dit gaat niet alleen over tuinen van woningeigenaren, maar ook over bijvoorbeeld bedrijventerreinen.
We streven ernaar om in 2030, ten opzichte van 2024, in de hele gemeente geen nettoverlies aan groene ruimte te hebben.
Bij de ontwikkeling van nieuwe woonwijken passen wij waar mogelijk de zogenaamde ‘3‑30‑300-regel’1 toe.
Bij ontwikkelingen binnen bestaande wijken passen wij waar mogelijk de ‘3‑30‑300-regel’ toe.
We zetten in op innovatief toepassen van groen, door middel van verticaal groene (vb groene gevels). Horizontaal groen en groene daken. Vooral in gebieden waar op maaiveld weinig ruimte voor groen is.
Groene en natuurlijke oplossingen hebben de voorkeur boven technische oplossingen.
Waar mogelijk voegen we bomen toe die we de ruimte geven om monumentaal te kunnen uitgroeien.
1 Elk huis heeft zicht op 3 bomen, 30% openbare ruimte bedekt met boomkronen en 300 meter tot dichtstbijzijnde park of natuurgebied van minimaal 1 hectare.
Hieronder beschrijven wij een aantal belangrijke uitgangspunten op het gebied van bomen. De overige uitgangspunten hebben wij opgenomen in 4.6 Bijlage 6 - Bomen en omgeving.
Het oppervlak dat met bomen (binnenstedelijk) bedekt wordt, neemt tot 2030 toe ten opzichte van 2024.
Voor elke gekapte boom wordt er minimaal één (waar mogelijk) teruggeplant, maar liever meer.
Bij het planten van bomen in de openbare ruimte zijn de normen van het Handboek Bomen leidend.
Bomen worden op voldoende afstand van gebouwen geplaatst (eindkroon plus tweeënhalve meter).
Groeiplaatsen van bomen en struiken zijn klimaatadaptief (juiste grond).
Waar mogelijk vermijden we verharding rondom bomen.
Het behouden en versterken van de ecologische kwaliteit is onderdeel van beheer- en uitvoeringsplannen.
We benutten groen als barrière tegen geluid bij nieuwbouwwoningen. Waar mogelijk doen we dit ook bij herinrichting van de openbare ruimte.
Wij voorkomen dat bomen te dicht op elkaar staan in lanen, zodat de luchtcirculatie niet stagneert en warmte niet blijft hangen.
‘Groen Groeit Mee’-pact
Groen en water spelen een hele belangrijke rol in het hoog houden van de leefbaarheid en duurzaamheid van onze regio. Toch is er nog geen concrete ruimtevraag voor geformuleerd. Bij wonen, energie en mobiliteit is dit wel gebeurd. Om dit te veranderen, hebben de overheden in de Utrechtse regio het programma Groen Groeit Mee (GGM) opgesteld (zie 4.8 Bijlage 8 - Links naar websites voor de link). GGM investeert in groen, water en landschap, zodat zij goed kunnen meegroeien met de toenemende verstedelijking. GGM richt zich op het versterken van bestaande natuur en groen dat is bedoeld voor recreatie, het realiseren van nieuwe groene structuren en het bevorderen van een gezonde leefomgeving. De aanpak combineert het verbeteren van zogenaamd ‘woongroen’ binnen woonwijken met het ontwikkelen van regionaal groen. Hierbij staan kwaliteit en fysieke verbindingen centraal.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
We willen groen evenwichtig laten meegroeien met de verstedelijking van Soest.
We sluiten ons volledig aan bij het Groen Groeit Mee-pact.
De ruimtelijke ontwikkeling van meer dan vijftig woningen heeft vijfenzeventig vierkante meter groen per woning en vijfhonderd vierkante meter recreatief groen binnen een straal van vijf kilometer.
Convenant Toekomstbestendig Bouwen
We willen graag toekomstbestendig bouwen. Dit betekent dat natuurlijke processen en biodiversiteit centraal staan in het ontwerp, beleid, uitvoering en beheer van bouwprojecten. Met het ondertekenen van het Convenant Toekomstbestendig Bouwen (zie 4.8 Bijlage 8 - links naar websites voor de link) werkt de gemeente Soest samen met publieke en private partners aan richtlijnen voor onder andere de thema’s ‘klimaatadaptatie’, ‘natuurinclusiviteit’, ‘biodiversiteit’ en ‘gezonde leefomgeving’. Natuurinclusief ontwikkelen is een vorm van toekomstbestendig bouwen, waarbij het bouwwerk en de omliggende private en openbare ruimte bijdragen aan de lokale biodiversiteit en algemene natuurwaarden. Toekomstgericht bouwen is op die manier gericht op het behouden, verbeteren en uitbreiden van de biodiversiteit in de gebouwde omgeving. Veiligheid, voedsel en voortplanting van en voor de soorten spelen hierbij een grote rol. Bijvoorbeeld via het creëren van een geschikte leefomgeving voor soorten aan de hand van benaderingen gericht op ecosystemen.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
Biodiversiteit en verbondenheid met de natuur is onderdeel van ons denken en doen. We werken samen met de natuur.
We sluiten ons volledig aan bij de uitgangspunten van het Convenant Toekomstbestendig Bouwen.
We zorgen voor ‘de 3 V’s’ (veiligheid, voedsel en voortplanting) bij bouwontwikkelingen.
Elke ruimtelijke ontwikkeling is natuurinclusief. Klein of groot, bestaand of nieuw.
Overlast van groen
Bomen en ander groen vergroten de kwaliteit van de leefomgeving. Toch kan het zo zijn dat inwoners op bepaalde locaties overlast van groen ervaren. Denk hierbij aan:
Schade van overhangende takken
Verlies van licht (‘lichtderving’)
Allergieën
De aanwezigheid van vogels, insecten en roetdauw
Ziektes en plagen, zoals essentaksterfte of de eikenprocessierups
Blad- en vruchtval
Angst voor het afbreken of omvallen bij storm of ziekte
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
Waar nodig zal de gemeente bij bestaande bomen extra ingrijpen door bijvoorbeeld te snoeien.
Wij toetsen ontwerpen aan kwaliteit en functionaliteit.
Bij het aanplanten van groen zorgen we voor draagvlak bij onze inwoners.
Brandveiligheid
Door de toenemende droogte en hitte neemt de kans op natuurbranden in onze regio toe. Dit is vooral het geval in de droge natuurgebieden, zoals bossen en heide. Wij werken samen met de Veiligheidsregio Utrecht (VRU) en de brandweer aan maatregelen om de risico’s van natuurbranden te beperken. Hierbij hebben wij speciale aandacht voor de nabijheid van bebouwde gebieden. Wij verbeteren de infrastructuur, zoals het aanleggen van brandgangen en watervoorzieningen. Tegelijkertijd nemen we ook maatregelen op het gebied van natuurbeheer. Deze maatregelen vergroten de brandveiligheid en bieden kansen voor de ontwikkeling van de natuur en biodiversiteit.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
Een gezonde, uitdagende en beweegvriendelijke leefomgeving biedt voordelen voor zowel de fysieke als mentale gezondheid. Het verbetert de conditie, motorische vaardigheden en helpt bij het voorkomen van chronische ziekten als obesitas. Daarnaast bevordert het de ontwikkeling van kinderen en versterkt het de sociale cohesie. Daarom worden steeds meer parken, pleinen en natuurgebieden onderdeel van sport- en beweegroutes.
Indicatoren
Voor dit doel maken we gebruik van verschillende indicatoren. Het Centraal Bureau voor de Statistiek verzamelt gegevens over de hoeveelheid mensen die in de buitenruimte beweegt en sport, en de hoeveelheid aan recreatiemogelijkheden in de bossen en natuurgebieden. Met behulp van deze gegevens kunnen we bijhouden hoeveel er bewogen wordt in de buitenruimte van Soest.
Groen nodigt uit om te bewegen
De gemeente Soest richt haar openbare ruimte zo in dat deze bijdraagt aan een gezonde samenleving. Er is veel aandacht voor een zogenaamde ‘beweegvriendelijke leefomgeving’. Zo breiden we (waar mogelijk) het netwerk van wandelpaden in groene gebieden in de kernen uit, zodat inwoners meer ommetjes kunnen maken. Groene gebieden nodigen mensen uit om te wandelen, fietsen en spelen. Dit draagt bij aan een betere fysieke gezondheid, sociale cohesie en een schoner milieu. Het zorgt voor een veilige, gezonde omgeving voor jong en oud.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
Kansrijke vormen van recreatie voor Soest zijn: een compleet dekkend wandelroute- en fietsroutenetwerk in de provincie, ruimte voor loslopende honden, ruiter- en menroutes, mountainbikeroutes en toeristische opstappunten (TOP).
We behouden en versterken groene wandellinten door de dorpen en het buitengebied. Waar mogelijk breiden we deze uit.
We maken initiatieven om meer te bewegen en sporten in het groen mogelijk, zolang het gaat om breed toegankelijke wandel- en fietsrecreatie.
De landbouwsector in Nederland staat onder druk. Dit komt onder andere door strenge milieueisen en de noodzaak tot natuuruitbreiding. Deze ontwikkelingen vragen veel van agrariërs in heel Nederland. Ook in Soest, waar de meeste landbouwbedrijven in de Eempolder zijn gevestigd. Om een rendabele bedrijfsvoering te kunnen houden, moeten boeren inspelen op deze veranderingen. Het regionale Handelingsperspectief Buitengebied geven gemeenten en regio’s richting aan de ontwikkeling van de natuur en de landbouwtransitie op gebieden waar zij zelf invloed op hebben. Toch komen veel maatregelen vanuit het Rijk. Ook in het UPLG zijn afspraken gemaakt, die de komende tijd verder worden uitgewerkt. Daarnaast onderzoeken we samen met agrariërs kansen voor zogenaamde ‘multifunctionele landbouw’, waarbij zij landbouw kunnen combineren met bijvoorbeeld zorgopvang, kleinschalige verkoop van producten en/of kleinschalige recreatie.
Indicatoren
Voor dit doel nemen wij geen indicatoren op. Als gemeente hebben wij goede contacten met de agrariërs in onze gemeente. Door het houden van keukentafelgesprekken met deze agrariërs houden we goed in de gaten wat de ontwikkelingen zijn en waar zij behoefte aan hebben.
Kansen in de polder voor kleine landschapselementen en agroforestry
In de polders van Soest liggen verschillende kansen om het agrarisch natuurlandschap te versterken. Het aanleggen van kleine landschapselementen, zoals hagen en houtsingels langs de grenzen van percelen, kan de biodiversiteit versterken. Daarnaast tonen agrariërs interesse in agroforestry. Hierbij nemen agrariërs bomen en struiken met eetbare vruchten op in hun bedrijfsvoering.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
Het groen is er voor alle inwoners, recreanten en dieren in Soest en de regio. Daarom willen wij een beweegvriendelijke, toegankelijke, sportieve en speelse gemeente zijn. We moedigen een actieve en gezonde leefstijl in de openbare ruimte aan. We werken samen met inwoners om de openbare ruimte zo in te richten dat sporten, spelen, bewegen en ontmoeten gestimuleerd wordt en toegankelijk is voor iedereen. We streven ernaar om de fysieke leefomgeving beweegvriendelijk te maken. We leven in balans met de natuur.
Indicatoren
Voor dit doel nemen wij geen indicatoren op. We hebben voor dit doel een nauwe samenwerking met het team Sociaal Domein. We trekken samen op en monitoren de diversiteit en bruikbaarheid van de openbare ruimte.
Natuurbeleving en inclusiviteit
Het kunnen beleven van flora en fauna is belangrijk voor het waarderen van natuur. De gemeente Soest vindt het belangrijk dat iedereen toegang heeft tot groen, zowel dicht bij huis als in de omliggende natuurgebieden. Tijd doorbrengen in het groen draagt bij aan de mentale en fysieke gezondheid. Daarom zetten wij in op het vergroenen van woonwijken en openbare ruimten binnen bereikbare afstanden. Hierbij streven wij ernaar dat deze voor alle doelgroepen toegankelijk zijn.
De inrichting van de leefomgeving nodigt uit tot bewegen en ontmoeten. Ook stimuleren wij buurtinitiatieven op dit gebied, zodat inwoners actief bijdragen aan het vergroenen en onderhouden van hun wijk.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
Iedereen heeft toegang tot groen binnen bereikbare afstanden. Waar mogelijk passen wij de ‘3‑30‑300-regel’ toe bij bestaande bouw en steven hiernaar bij nieuwbouw (indien hier voldoende ruimte voor is).
We zorgen voor een beweegvriendelijke leefomgeving die het mogelijk maakt, stimuleert en uitdaagt om te bewegen, spelen, sporten en ontmoeten.
Er zijn voldoende groene speeltuinen zonder stenen en speelgroen in de buurt.
We maken het mogelijk, stimuleren en ondersteunen buurtinitiatieven die groen onderhouden of creëren, waar mensen elkaar kunnen ontmoeten.
Educatie
Natuur is belangrijk voor iedere inwoner, jong en oud. Betrokkenheid bij de natuur op jonge leeftijd heeft langdurige positieve effecten. Daarom willen wij jonge inwoners van Soest actief in contact brengen met de natuur. Bijvoorbeeld door samen met scholen en lokale groene partijen naar buiten te gaan voor educatieve natuurlessen. Hoe jonger de doelgroep, hoe groter de impact op de lange termijn. Voor oudere leeftijdsgroepen stimuleren we zogenaamde ‘wijk-safari's’. Hierin leren inwoners meer over de flora en fauna in hun eigen buurt en hoe zij zelf kunnen bijdragen aan het bevorderen van de natuur.
Bovenstaande uit zich in het volgende beleidsuitgangspunt:
Bij dit doel gaat het zowel om regionale recreanten in de kernen, als om regionale recreanten in de polder. De aantallen in 2040 zetten wij af tegen het huidige aantal recreanten. Daarnaast willen wij het verschil tussen drukke en rustige delen in de bossen en natuurgebieden vergroten. Wij willen het gemotoriseerd verkeer in de bossen verminderen. Een groter deel van dit verkeer wordt aan de randen van die bossen opgevangen. Tot slot streven wij naar recreatiemogelijkheden die uitdagen om te bewegen en die zo bijdragen aan de gezondheid van bezoekers.
Door de groei van omliggende steden zoals Amersfoort, verwachten we dat steeds meer recreanten naar de natuurgebieden in Soest komen. We richten ons vooral op wandelaars en fietsers en onderzoeken waar wij extra recreatiemogelijkheden in de polder kunnen creëren. Kleinschalige horeca die zich richt op deze doelgroepen kan hier ook een plek krijgen. De polder heeft op dit moment nog weinig voorzieningen, maar wel veel mogelijkheden om uit te breiden. Wij kijken bijvoorbeeld naar de integratie van de ontwikkeling van de natuur en andere duurzame initiatieven, zoals agroforestry. Hierdoor kunnen recreanten in deze gebieden in harmonie met de natuur recreëren.
Indicatoren
Samen met de provincie en de Stichting Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug doen wij regelmatig onderzoek naar de bezoekersaantallen van de recreatiegebieden in de provincie Utrecht. Op basis van dit onderzoek kunnen wij het aantal recreanten in de gebieden in de gemeente Soest monitoren.
Recreatie en natuur in balans
Onze natuurgebieden hebben niet alleen veel ecologische waarde, maar bieden ook volop kansen voor breed toegankelijke recreatie, zoals wandelen, fietsen en andere buitenactiviteiten. Door deze activiteiten aan te moedigen, dragen wij bij aan de gezondheid van onze inwoners. Maar de natuur is kwetsbaar. Om deze kwetsbare natuur te beschermen, is het belangrijk om een balans te vinden tussen natuurbehoud en recreatie. Zo blijft de natuur toegankelijk voor gezond recreëren, terwijl de natuurwaarden behouden blijven.
Bovenstaande vertaalt zich in de volgende beleidsuitgangspunten:
We hebben aandacht voor de balans tussen natuurwaarden, de ontwikkelpotentie van een gebied en de bezoekersaantallen van recreanten.
We willen het aantal recreanten meer spreiden over de daarvoor geschikte gebieden.
Horeca en andere ondernemingen die gericht zijn op recreatie mogen zich alleen vestigen in gebieden waar de natuurkwaliteit hoog genoeg is om de groter wordende recreatiedruk aan te kunnen.
De gemeente maakt waar mogelijk breed toegankelijke recreatie-initiatieven in de kernen van de gemeente Soest en in de polder mogelijk.
Onderstaande natuurtypen laten in het kort onze inzet zien om natuurbehoud, biodiversiteit en recreatie in harmonie te ontwikkelen, waarbij we de unieke kenmerken van elk gebied respecteren. Dit kan als input gebruikt worden als we gebiedsvisies of gebiedsprogramma’s willen opstellen.
Voor Soest beschrijven wij tien gebieden op basis van het natuurtype. Deze tien gebieden komen overeen met de onderdelen van de Natuurwaardenkaart (zie doel 1 en kaart in 4.5 Bijlage 5 - Natuurwaardenkaart en tien factsheets). Daarnaast zijn er zowel landelijk, provinciaal als lokaal gebieden benoemd en uitgewerkt.
1.
Heide
De heidevelden in Soest ontstonden aan het eind van de middeleeuwen. Deze werden gebruikt om de groter wordende bevolking te huisvesten en voeden. Bossen werden gekapt en grazende schapen en runderen zorgden er verder voor dat de oorspronkelijke graslandgebieden vol bomen veranderden in uitgestrekte heide- en stuifzandgebieden. De heidegebieden in Soest grenzen aan bosgebieden en stuifzanden. Dit zorgde voor een grote afwisseling van omstandigheden: de bossen waren vochtig en hadden veel schaduw, terwijl de heiden en stuifzandgebieden droger en zonniger waren. Dankzij allerlei variaties waarin deze twee natuurtypen in elkaar overgingen, is een grote diversiteit aan ecologische niches ontstaan, waarin veel verschillende soorten leven.
Droge heide
Droge heide is een natuurtype waar weinig voedsel te vinden is. Droge heide komt voor op arme, zure zandgronden. De bodem bevat weinig voedingsstoffen, wat de groei van gras- en struiksoorten juist bevordert. Zij zijn goed aangepast aan deze omstandigheden.
Bijzondere soorten
Struikheide, dophei en verschillende soorten mossen en korstmossen zijn voorbeelden van kenmerkende heideplanten die ook op de heideterreinen in de gemeente Soest worden gevonden. Binnen goed ontwikkelde heidevegetaties komt ook veel variatie in kruiden voor. Heidegebieden hebben vaak een open structuur, met veel lage begroeiing en af en toe een alleenstaande boom of boomgroep. Ook zijn heideterreinen het leefgebied voor bijzondere diersoorten, zoals de grauwe klauwier, de nachtzwaluw, de zandhagedis en diverse vlinders, zoals de heivlinder.
2.
Hoogveen
Hoogveen is een uniek ecosysteem. Het komt voor in gebieden waar plantenresten zich ophopen in vochtige omstandigheden met weinig zuurstof. Door de voortdurende ophoping van veen ontstaat een bijzonder ecosysteem dat het hele jaar door nat en zuur blijft. Dit unieke milieu is het leefgebied van veel verschillende gespecialiseerde plantensoorten. Zij doen het juist goed in deze zure en vochtige omstandigheden. Dit geldt ook voor verschillende insecten en specifieke amfibieën, zoals de ringslang. Het hoogveen speelt een belangrijke rol in het behoud van de biodiversiteit van dit soort natte leefomgevingen waar de flora en fauna zich hebben aangepast aan de extreme omstandigheden.
Kwetsbaar
Het Soesterveen is een uniek hoogveengebied aan de rand van Soest. Het vormt het laatste stukje van het uitgestrekte veengebied dat ooit de hele provincie Utrecht bedekte. In dit bijzondere natuurgebied leven zeldzame veenplanten, zoals de kleine zonnedauw, snavelbies en veenmos. Ook leven er bijzondere diersoorten, zoals de levendbarende hagedis en de ringslang. Het gebied staat bekend om zijn kwetsbare soorten, waardoor het niet toegankelijk is voor het publiek. In het gebied wordt hard gewerkt aan natuurherstel. Bijvoorbeeld door vrijwilligers die in de wintermaanden jonge bomen verwijderen, om zo het gebied open en vochtig te houden.
3.
Halfopen landschap
Het halfopen landschap heeft als belangrijk kenmerk dat er veel verschillende structuren naast elkaar bestaan. Denk hierbij aan bomen, struiken, akkertjes, huizen, wegen, sloten en weilanden. Deze diversiteit aan elementen zorgt voor veel verschillende leefgebieden. Binnen elk leefgebied bestaat een groot aantal micro-leefgebieden, die allemaal gevormd worden door subtiele verschillen in bijvoorbeeld de hoeveelheid licht, vochtigheid en temperatuur. Hierdoor is het halfopen landschap een natuurtype met veel verschillende dieren en planten.
Diversiteit
In de gemeente Soest zijn vier gebieden met een halfopen landschapsstructuur. Deze liggen langs de randen van de bebouwde kom van Soest. Samen zijn ze ongeveer drie vierkante kilometer in oppervlakte. Al deze gebieden kennen veel diversiteit in structuren, ondanks dat ze onderling van elkaar verschillen in bijvoorbeeld de aanwezigheid van boerderijen of poelen, of hun ligging in de polder of juist aan de bosrand. Deze halfopen landschappen kennen voor veel verschillende soortgroepen veel verschillende schuilplaatsen, nestlocaties en voedselbronnen. Denk aan:
Struiken voor vogels
Open veld en bomenrijen voor zoogdieren
Waterpartijen in combinatie met beschutte omgeving voor amfibieën
Open zonnige plekjes en takkenhopen voor reptielen
Diverse flora voor insecten als bijen, vlinders en kevers
4.
Stuifzand
Extreme omstandigheden
Zandverstuivingen zijn unieke natuurgebieden die ontstaan door het stuiven van zand. Dit is vaak het gevolg van ontbossing of door intensieve begrazing. Stuifzanden hebben open, dynamische landschappen met een zanderige bodem en weinig begroeiing. Deze gebieden hebben uitzonderlijke groeiplaatsomstandigheden. Plant- en diersoorten die hier voorkomen, hebben zich aangepast aan de extreme omstandigheden. Dit geeft stuifzanden een bijzondere ecologische waarde.
De Lange en Korte Duinen
De Lange en Korte Duinen, samen bekend als de Soesterduinen, zijn door de provincie Utrecht aangewezen als aardkundig monument. Dit komt door de bijzondere aardkundige omstandigheden die het gebied vormgeven. De Soesterduinen is één van de laatste gebieden in Nederland met actief stuifzand, oftewel waar het zand nog vrij kan bewegen.
Het landschap kent een grote diversiteit aan duinvormen, zoals uitgestoven laagten, koepelduinen en randduinen langs oude akkers en bosranden. Daarnaast zijn er bijzondere zogenaamde ‘pioniersvegetaties’ te vinden, zoals buntgras en zandzegge. Zandzegge leggen het het bewegende zand vast, waarna korstmossen, grassen en uiteindelijk bomen, zoals eiken en vliegdennen, zich kunnen vestigen. Historische elementen, zoals eikenhakhoutbossen en grillige dennen, versterken de unieke uitstraling van het gebied.
5.
Open polderlandschap
Ontginning
Tussen het dorp Soest en de Eem ligt het open polderlandschap. Dit gebied is oorspronkelijk nat veengebied dat in de middeleeuwen is ontgonnen voor de landbouw. Destijds werden er lange sloten gegraven om het land te ontwateren en geschikt te maken voor akkerbouw. Door oxidatie (veenafbraak doordat er zuurstof bij het veen komt wanneer het waterpeil zakt) en inklinking van het veen werd het gebied te nat voor akkerbouw. Toen is men overgegaan op veeteelt. Het open polderlandschap kent ook nu nog veel sloten voor de afvoer van water, die ook dienen als natuurlijke barrières voor vee. Deze slotenstructuur is goed zichtbaar op luchtfoto’s.
Kwelgebied
Waterhuishouding speelt een onmisbare rol in veenweidegebieden. De bodem moet voldoende vochtig blijven om oxidatie en daarmee samengaande bodemdaling te voorkomen. Het open polderlandschap in Soest is een zogenaamd ‘kwelgebied’, omdat het regenwater dat op de hoge zandgronden van de Heuvelrug valt, via het grondwater aan de oppervlakte in de lager gelegen Eempolder komt. Dit noemt men kwel. Het schone, mineraalrijke kwelwater maakt de Eem een geschikte leefomgeving voor zeldzame plantensoorten. Tegenwoordig worden deze zeldzame planten in dit gebied bedreigd door een verlaging van de grondwaterstand.
6.
Bebouwing
Stadsnatuur
De gemeente Soest telt bijna 48.000 inwoners, verdeeld over ongeveer 18.000 woningen. Daarnaast zijn er meer dan 6.000 bedrijven gevestigd in de gemeente. Een groot deel hiervan ligt binnen de bebouwde kom van Soest en Soesterberg. Maar ook binnen deze meer stedelijke omgeving is ruimte voor natuur. Dit noemen we ‘stadsnatuur’. Denk aan laanbomen, bermen, parken en volkstuinen. Deze stadsnatuur is allemaal onderdeel van de hoofdgroenstructuur van de gemeente. Ook de schuil- en nestmogelijkheden in gebouwen, zoals spouwmuren en ruimtes onder dakpannen en grote platte daken, bieden een divers leefgebied voor veel dier- en plantsoorten. Steeds meer soorten passen zich aan het leven in de stad aan. Een opmerkelijk voorbeeld hiervan is de merel.
7.
Vliegbasis Soesterberg
Militair natuurterrein
De voormalige Vliegbasis Soesterberg, een gebied van 380 hectare, is na de sluiting in 2008 getransformeerd tot een waardevol natuurgebied. Het terrein, dat vroeger werd gebruikt voor militaire doeleinden, heeft zich ontwikkeld tot een oase van biodiversiteit. Hier komen verschillende ecosystemen samen, zoals heidevelden, bossen, graslanden en poelen. Omdat deze ecosystemen nauwelijks verstoord worden door mensen, konden unieke natuurwaarden herstellen. Hierdoor is het gebied een belangrijke plek geworden waar veel verschillende plant- en diersoorten komen en zich vestigen. De diverse landschappen kennen zeldzame flora, zoals de kleine zonnedauw en het buntgras. Tegelijkertijd hebben er ook dieren zich gevestigd, zoals de tapuit, boomleeuwerik en verschillende insectensoorten. De vochtige delen van het terrein zijn een belangrijke broedplaats voor amfibieën, zoals de kamsalamander. De open graslanden zijn de leefomgeving voor veel verschillende soorten vlinders en andere insecten.
Naast de natuurwaarden biedt de voormalige Vliegbasis Soesterberg ook een historisch perspectief, met een militair museum dat de geschiedenis van de luchtmachtbasis laat zien. Zo kent het gebied een mooie balans tussen natuurbehoud en het herinneren van het militaire verleden. Het biedt zowel rust, recreatie als educatie op het gebied van de ecologische en historische betekenis van deze unieke locatie.
8.
Bos
De gemeente Soest is een bosrijke gemeente, dankzij ongeveer 1.300 hectare bos. Het overgrote deel van de bossen ligt op de droge zandgronden ten zuiden van Soest. Het gaat hier om veel naaldbos met grove den, douglasspar, fijnspar en lariks. Deze naaldbossen worden doorkruist door oude lanen van eiken of beuken. Ook zijn er loofbossen met eiken en beuken aanwezig. Een deel van de eikenbossen was ooit eikenhakhoutbos. Naar schatting zijn de eiken die na de hakhoutperiode zijn doorgegroeid, ongeveer vierhonderd jaar oud.
Natuur, recreatie en hout
De naaldbossen van de gemeente Soest zijn voor een groot gedeelte in 1885 aangeplant, om het stuivende dekzand tegen te houden en zo de bebouwing van Soest te beschermen. De aanplanting gebeurde eerst vooral met grove den, maar later ook met snelgroeiende soorten voor houtproductie, zoals douglasspar en lariks. De laatste jaren is er meer gestuurd op menging in het bos, door loofbomen de ruimte te geven. De bossen hebben een belangrijke functie voor zowel natuur als recreatie. Beheerders van de bossen proberen al deze functies zo goed mogelijk te combineren.
9.
Overgangslandschappen
Gevarieerde structuren
Tussen de verschillende landschapstypen in de gemeente Soest bevinden zich landschappen die niet helemaal passen binnen één landschapstype. Deze landschappen noemen we de ‘overgangslandschappen’. Overgangslandschappen hebben kenmerken van meerdere landschapstypen, waardoor er unieke structurenen leefgebieden ontstaan. Denk bijvoorbeeld aan weilanden met houtwallen, boomgaarden, bermen, heggen en struiken. Meer dan bij het halfopen landschap is bij overgangslandschappen bebouwing een belangrijk kenmerk.
Overgangslandschappen in Soest
De overgangslandschappen liggen rondom het dorp Soest. Het overgangslandschap langs de Birkstraat is een overgang van het open polderlandschap naar de bebouwing en het halfopen landschap dat daarachter ligt. Hier staan vooral boerderijen met woonhuizen, met erven met daartussen graslanden en bomenrijen. Aan de andere kant van het dorp bestaat het landschap uit een overgang van bebouwing naar halfopen landschap en de bossen van onder andere landgoed Pijnenburg en de Hees. Dit gebied bestaat uit vrijstaande woonhuizen, bosjes, lanen en weilanden.
10.
Akkerland
Akkerlanden kennen uitgestrekte velden en gewassen, die een belangrijke leefomgeving bieden voor verschillende flora en fauna. In deze gebieden kunnen veel verschillende plantensoorten en dieren leven. Van akkerflora, zoals korenbloemen en klaprozen, tot akkervogels, zoals de kwartel en de geelgors.
De Soestereng
De Soestereng (zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Engh) ligt in het hart van Soest. Dit is een historisch en agrarisch gebied dat een hele belangrijke rol speelt in het culturele erfgoed van de regio. Dit opvallend glooiende akkerbouwgebied ligt op een stuwwal die zo’n 150.000 jaar geleden werd gevormd door opgestuwde ijsmassa’s. De Eng heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot de elfde eeuw. De oorspronkelijke bewoners verrijkten de arme zandgronden door heideplaggen te mengen met schapenmest in hun stallen. Dit zorgde voor een vruchtbaar mengsel, dat elk jaar over de velden werd verspreid. Deze eeuwenoude landbouwpraktijken hebben bijgedragen aan het behoud van de agrarische identiteit van de Eng.
In dit deel beschrijven wij per doel de concrete acties van het Omgevingsprogramma Groen & Landschap. Deze acties voeren wij rolbewust uit, en plaatsen wij in de context van de Planning & Control-cyclus (P&C-cyclus) en de relevante beleidsfase. Zo kunnen we de voortgang van de acties monitoren.
Om onze acties efficiënt en effectief te kunnen uitvoeren, is het belangrijk om scherp te hebben op welk moment wij als gemeente welke rol hebben. Bij het beschrijven van onze rol als gemeente gaan we uit van de manier waarop de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) de overheid omschrijft. Volgens deze omschrijving zijn er vier rollen die een overheid kan hebben:
De samenwerkende overheid. De overheid werkt actief samen met partners om maatschappelijke vraagstukken aan te pakken.
De wetmatige overheid. De overheid zorgt voor rechtmatigheid en handelt volgens wet- en regelgeving.
De presterende overheid. De overheid richt zich op het halen van concrete resultaten en het leveren van meetbare prestaties.
De responsieve overheid. De overheid luistert naar de behoeften van de samenleving en speelt hier flexibel op in.
Samenwerkende overheid
We werken intensief samen met partners binnen en buiten de gemeente. Denk hierbij aan inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden. We voeren de Omgevingsprogramma’s Wonen, Werken, Mobiliteit, Groen & Landschap en Water in nauwe afstemming met het team Sociaal Domein en het Energieprogramma integraal uit. Omdat de verschillende fysieke en sociale domeinen samenwerken aan gezamenlijke doelen, versterken wij elkaar en bereiken we meer dan wanneer wij allemaal apart werken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan doelen op het gebied van klimaatadaptatie, sociale cohesie en een gezonde leefomgeving.
Wetmatige overheid
De gemeente zorgt voor rechtmatigheid en dat wet- en regelgeving wordt nageleefd. Denk aan de Omgevingswet en aan verschillende milieuwetgeving. Met alle Omgevingsprogramma’s zorgen we voor een veilige, toegankelijke en klimaatbestendige leefomgeving die voldoet aan de wettelijke kaders. Dit wordt ondersteund door de afdeling Realisatie en VTH. Met vergunningverlening en toezicht, duurzaam beheer en onderhoud, dragen zij bij aan de realisatie van de beleidsdoelen.
Presterende overheid
We streven naar concrete resultaten en meetbare impact. Door doelen te koppelen aan prestaties, zoals vergroening van werkplekken en veilige mobiliteitsnetwerken, zijn wij effectief in het halen van onze ambities. Innovatieve oplossingen, zoals het tegengaan van hittestress en het versterken van groen-blauwe netwerken, zorgen voor tastbare verbeteringen in de leefomgeving.
Responsieve overheid
Soest luistert naar inwoners en speelt in op hun behoeften en ideeën. Door participatie en co-creatie betrekken we de gemeenschap actief bij zowel het maken van beleid als de uitvoering daarvan. Met flexibele oplossingen en maatwerk reageren we op nieuwe uitdagingen als de energietransitie en klimaatverandering. Zo zorgen we dat Soest toekomstbestendig blijft.
In dit deel beschrijven wij de acties op hoofdlijnen. In het kader van de P&C-cyclus brengen de verschillende beleidsteams en afdelingen al hun activiteiten in beeld. In de P&C-cyclus maken we vervolgens voor alle activiteiten een integrale afweging voor de inzet van mensen en middelen.
Wij monitoren vervolgens de acties en de voortgang van de doelen. Dit doen wij aan de hand van de verschillende indicatoren die wij in Deel B beschrijven. Wanneer er onvoldoende voortgang is en de voortgang kan verbeteren met extra mensen en middelen, wordt deze extra inzet via de P&C-cyclus gevraagd.
Het monitoren van deze voortgang wordt gedaan door de verschillende beleidsteams. We kijken daarbij naar zowel kwantitatieve als kwalitatieve data. Zo kunnen wij acties datagedreven ontwikkelen en uitvoeren. Wij werken dus op basis van inzichten en feiten. Bij het prioriteren van acties in de uitvoering gebruiken we onderstaande criteria:
Oplossend vermogen: draagt de maatregel bij aan één of meerdere doelen van het Omgevingsprogramma?
Draagvlak: is er bij verschillende doelgroepen maatschappelijk en politiek draagvlak voor de maatregel? Oftewel: zijn direct betrokkenen bereid om aan de maatregel mee te werken?
Haalbaarheid: is de maatregel voldoende concreet? Zo nee, is aangegeven dat er een onderzoek nodig is, op basis waarvan we wél kunnen overgaan op het uitvoeren van de maatregel?
Uitvoerbaarheid: is de maatregel, gezien vanuit de gemeente, uitvoerbaar? Daarnaast zijn wij in de praktijk vaak van anderen afhankelijk. Vinden zij het ook uitvoerbaar?
Kosten: hoe duur is de maatregel en wie moet daarvoor betalen? Is het mogelijk dat de gemeente de maatregel financiert? En zijn de kosten van de maatregel redelijk ten opzichte van wat de maatregel oplevert? Oftewel: is de maatregel kosteneffectief? Hierbij nemen we ook de mogelijkheden voor subsidies mee.
Planning: op welke termijn is de maatregel uitvoerbaar?
In het actie-overzicht hieronder staat per doel welke acties wij voorzien. Daarnaast laat het zien welke prioriteit wij geven aan de verschillende acties, omdat wij de actie met de meeste prioriteit als eerste noemen. We onderscheiden daarbij acties om aan wettelijke taken te voldoen, acties die de basis op orde brengen en acties die bij onze ambities passen. We laten ook zien in welke beleidsfase de actie past. Hiervoor gebruiken we de zogenaamde ‘beleidscyclus’ uit de Omgevingswet. Deze cyclus vraagt in elke fase om actie. Er zijn vier fases:
Beleidsontwikkeling: wat willen we? Hier formuleren we onze visie en doelen.
Beleidsdoorwerking: hoe maken we het mogelijk? Hier stellen we de kaders, regels en afspraken op en werken deze uit, zie 4.7 Bijlage 7 - Doorwerking in (onderliggend) beleid.
Beleidsuitvoering: hoe voeren we het uit? De fase gaat over de praktische uitvoering en het beheer.
De vierde fase gaat over beleidsevaluatie. Dit volgt onder meer uit de monitoring. Daarom heeft deze fase geen specifieke plek in de geprioriteerde en geordende actie-overzichten. In de uitvoering heeft deze fase natuurlijk wel een plek.
Onderstaande geprioriteerde en geordende actie-overzichten maken het een stuk makkelijker om prioriteiten op hoofdlijnen te blijven stellen, de voortgang te monitoren en flexibel te reageren op ontwikkelingen. Uiteraard pakken we in de uitvoering waar mogelijk acties die elkaar versterken tegelijkertijd en/of gezamenlijk op.
Waar in het buitengebied ligt de meeste potentie om natuurlijk bos zoals agroforestrey / voedselbossen te ontwikkelen?
Gelinkt aan doel | Duurzame landbouwsector met toekomstperspectief |
Indicator | Geen. Samen met de provincie en de Stichting Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug doen wij regelmatig onderzoek naar de bezoekersaantallen van de recreatiegebieden in de provincie Utrecht. Op basis van dit onderzoek kunnen wij het aantal recreanten in de gebieden in de gemeente Soest monitoren. |
Consequenties voor andere programma’s | Werken, mobiliteit, water |
Koppelkansen | Meer natuurontwikkeling, verbeteren waterkwaliteit. Daarnaast kan het toevoegen van voedselbossen ook mogelijk als recreatieve trekpleister worden ontwikkeld. Ook het omvormen van naaldbos maar voedselbos heeft een positieve werking op de natuur. Loofbomen houden beter het water vast en zorgen voor een mooie strooisellaag |
Risico’s | Agrarische akkers verdwijnen, functie landschap gaat veranderen. Open landschap wordt gesloten. Er moet goed onderzocht worden waar geschikte locaties zijn. Rondom de Wieksloot is de waterkwaliteit kwetsbaar.De locaties die zijn aangewezen voor mogelijke woningbouw in de rafelranden rondom Soest kunnen (voorlopig) niet worden ingeplant met bos |
Conclusie | Er zijn voldoende locaties waar potentie is om natuurlijk bos in de vorm van agroforestrey en of voedselbossen te ontwikkelen. Er zijn goede combinaties te maken met natuurontwikkeling, recreatie en toerisme. De locaties moeten goed worden onderzocht qua impact op het landschap, woningbouwlocaties en waterkwaliteit. |
Is er ruimte voor (grootschalige) horeca in de polder van Soest?
Gelinkt aan doel | In 2040 zijn er meer regionale recreanten |
Indicator | geen |
Consequenties voor andere programma’s | Mobiliteit, werken, wonen |
Koppelkansen | Horeca in de polder versterkt de recreatieve functie van de polder. Het zorgt voor langere verblijfsduur en vergroot de aantrekkelijkheid. Ook kan de horeca gekoppeld worden met mogelijke waterspeelplaatsen en waterberging locaties. Het kan extra recreanten naar de polder trekken. |
Risico’s | Door toenemende drukte in de polder kan de aanwezige natuur onder druk komen te staan. Daarnaast is de wegenstructuur niet berust op toenemend verkeer, Het landbouwverkeer zal hier ook meer overlast van gaan ervaren.Daar waar in de rafelranden (in de polder) mogelijkheden zijn voor woningbouwlocaties zal er geen ruimte zijn voor (grootschalige)horeca, Dan gaat woningbouw voor. Dit zou mogelijk dan kunnen worden geïntegreerd |
Conclusie | Er is ruimte voor horeca mogelijk is in de polder, maar klein. Daarbij moet goed gelet worden op de locatie, de toegangswegen naar deze plek en de aanwezige natuurwaarden mogen niet achteruit gaan. |
In welke bossen en natuurgebieden willen we deze recreanten opvangen en waar willen we de natuur boven de recreant stellen. Welke bossen en natuurgebieden willen we tot stiltegebieden verheven en geven we de flora- en fauna voorrang?
Gelinkt aan doel | In 2040 zijn er meer regionale recreanten |
Indicator | Geen. |
Consequenties voor andere programma’s | Mobiliteit, werken, wonen |
Koppelkansen | Horeca in de polder versterkt de recreatieve functie van de polder. Het zorgt voor langere verblijfsduur en vergroot de aantrekkelijkheid. Ook kan de horeca gekoppeld worden met mogelijke waterspeelplaatsen en waterberging locaties. Het kan extra recreanten naar de polder trekken. |
Risico’s | Door toenemende drukte in de polder kan de aanwezige natuur onder druk komen te staan. Daarnaast is de wegenstructuur niet berust op toenemend verkeer, Het landbouwverkeer zal hier ook meer overlast van gaan ervaren.Daar waar in de rafelranden (in de polder) mogelijkheden zijn voor woningbouwlocaties zal er geen ruimte zijn voor (grootschalige)horeca, Dan gaat woningbouw voor. Dit zou mogelijk dan kunnen worden geïntegreerd. |
Conclusie | Gelet op de natuurwaarden in het poldergebied en de bestaande wegenstructuur is grootschalige (brasserie, restaurant) horeca niet gewenst. Kleinschalige horeca dat gericht is op wandelaars en fietsers in de polder kunnen wel een plek krijgen. Daarbij zoeken we de koppeling met de agrarische ondernemers in het gebied De Lange Duinen zijn nu al aangewezen als 'recreatiegebied'. De flora en fauna heeft zich hier al goed aangepast aan de drukte. De spreiding(zonering) in dit gebied om de drukte te verdelen kan worden bevorderd door het aanleggen / vergroten van de parkeerplaatsen aan de rand van het gebied. Daar waar we de drukte minder willen hebben, kunnen we het aantal parkeerplaatsen verkleinen. De Korte Duinen is al een relatief rustig recreatiegebied, waarbij de recreant te gast is in het natuurgebied. We sturen hier meer om de recreant te weren en de natuur voorrang te geven. Dit doen we door zo min mogelijk aandacht te geven aan het gebied. Daarnaast gaan we met het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug en de aangesloten gemeentes op de Heuvelrug ook kijken op welke manier we kunnen zoneren (waar willen we de recreant en de tops) en hoe we met bereikbaarheid-mobiliteit om kunnen gaan;- In het buitengebied (de polder, het agrarisch natuurlandschap) is recreatie wel mogelijk, waarbij we in lijn me de doelen van 'Groen groeit mee" gaan onderzoeken waar (nieuwe) natuur toegankelijk kan worden gemaakt en in welke vorm; |
Vinden we het belangrijk dat nieuwe transformatorstations ruimtelijk ingepast en daarnaast ook zo groen mogelijk worden ingepast?
Gelinkt aan doel | Verminderen gevolgen klimaatveranderingen, zoals CO2 uitstoot, wateroverlast, hittestress en droogte |
Indicator | De klimaatstresstesten van onder andere het Waterschap Vallei en Veluwe en de gegevens uit de klimaateffectatlas van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat |
Consequenties voor andere programma’s | Werken en wonen |
Koppelkansen | Een groene inrichting biedt kansen om deze kasten beter in te passen in zowel de wijken als in het landelijk gebied waardoor deze beter worden geaccepteerd. |
Risico’s | Het niet plaatsen van de trafo's leidt tot afname van de vitaliteit op lange termijn te waarborgen om netcongestie te voorkomen. Er moet energie geleverd worden voor zowel de inwoners als de ondernemers. |
Conclusie | Transformatorstations zijn essentieel om Soest te voorzien van voldoende energie en om te voorkomen dat de ontwikkelingen stil komen te liggen. De stations kunnen een positieve aan een prettige leefomgeving als ze groen worden ingepast |
Begrippenlijst en afkortingen ( bron: Handreiking ‘Groen in en om de stad’, tenzij anders aangegeven)
Agroforestry
| Bij agroforestry, ook wel boslandbouw, worden bomen en struiken bewust gecombineerd met akkerbouw en veeteelt. Daarmee wordt een natuurinclusief landbouwsysteem ontwikkeld met meerwaarde voor de boer, de bodem en voor de natuur. Agroforestry kent verschillende vormen, zoals voederhagen, strokenteelt en bomenweiden. Een voedselbos zien we ook als een vorm van agroforestry. Bij een voedselbos wordt met meerdere lagen een natuurlijke bosrand nagebootst, met een grote diversiteit van inheemse en eetbare bomen en struiken. (Bron: website Provincie Utrecht) |
Ambassadeurssoort
| Een zogenaamde 'ambassadeurssoort' is een doelsoort van wie het voorkomen een teken is van een compleet ecosysteem dat kenmerkend is voor een bepaald (stads-)landschapstype. Daarmee is de stad of het dorp dus ook voor andere soorten aantrekkelijk. Deze soorten zijn maatgevend voor de basiskwaliteit van de natuur in de stad of het dorp. (Bron: gemeente Soest) |
Basiskwaliteit natuur (BKN)
| Hieronder vallen condities (zoals abiotisch, inrichting en beheer) die ervoor zorgen dat algemene, kenmerkende soorten van een (stads-)landschapstype weer algemeen worden en/of blijven. BKN werkt alleen wanneer het complete ecosysteem in ogenschouw wordt genomen. Vanuit een gebiedsanalyse zijn kansen en bedreigingen én de bijbehorende maatregelen om BKN te bereiken helder. |
Biodivers groen
| Dit is groen dat bijdraagt aan een evenwichtige symbiose tussen de voor een gebied kenmerkende planten en dieren. Het groen voorziet in de voor de kenmerkende soorten benodigde condities en randvoorwaarden en ondersteunt ook de biodiversiteit in de ruimere omgeving. |
Biodiversiteit
| De graad van verscheidenheid aan levensvormen binnen bijvoorbeeld een gegeven ecosysteem, bioom of gehele planeet. |
Buurt
| Op basis van de CBS-Wijk- en Buurtkaart 2020 gedefinieerde eenheid binnen een gemeente. |
Doelsoort | Een soort waarvan het behoud, het herstel of de terugkeer als een doelstelling van het natuurbehoud wordt gezien. Vaak gaat het om bedreigde, achteruitgaande of zeldzame (VHR of rode lijst) soorten. |
Droogte
| Langere periode waarin minder regen valt dan normaal en veel water verdampt. Droogte wordt berekend uit de hoeveelheid regen die valt, verminderd met de verdamping. |
Gebiedsontwikkeling
| Onder deze definitie vallen in het kader van deze Handreiking zowel het realiseren van nieuwe woningen (inbreiding en uitbreiding) als projecten in de stad. Denk aan reconstructies, groot onderhoud en herinrichting. |
Gezondheid en welzijn | Een toestand van subjectief welbevinden op geestelijk, lichamelijk en maatschappelijk gebied. |
Groen | Natuurlijke elementen of plekken die op verschillende schaalniveaus voorkomen. Dit verschilt van straatniveau, zoals bomen en groenstroken, tot stedelijk en regionaal niveau, zoals parken en natuurgebieden. |
Groen-blauwe dooradering
| Het netwerk van aan elkaar verbonden landschapselementen noemen we groen-blauwe dooradering. Landschapselementen zijn de ‘bouwstenen’ die samen een divers, gezond en biodivers landschap vormen. Denk hierbij aan bomen, houtwallen, heggen, hagen, bermen, poelen, dijken en rivieren. De groen-blauwe dooradering draagt bij aan de realisatie van landelijke doelen voor natuur en water (verbeterde biodiversiteit en waterkwaliteit) en klimaat (meer bos en bomen). Ook draagt het bij aan de kwaliteit en beleving van de Utrechtse landschappen. (Bron: Provincie Utrecht) |
Groenvoorziening | Het geheel van de aanplant, het aanbrengen of voorzien van groen in een gebied. Bij zo'n gebied kan het bijvoorbeeld gaan om plantsoenen. |
Habitattype
| Ecosysteemtype op het land of in het water, met karakteristieke geografische en (a)biotische kenmerken die zowel geheel natuurlijk als halfnatuurlijk kunnen zijn. Habitattypen waarvoor gebieden worden aangewezen zijn opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn. In het Natura 2000-profielendocument wordt nadrukkelijk aangegeven welke vegetatietypen en begroeiingen in Nederland wel of niet onderdeel uitmaken van een habitattype. |
Hittestress | Gezondheidseffecten door warmte bij mens en dier. |
In de stad / dorp
| Het gebied binnen de bebouwde kom. |
Klimaatadaptatie | Aanpassen aan het veranderende klimaat. Verminderen van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering. |
Leefbaarheid | De mate waarin een stad, buurt of wijk aantrekkelijk en/of geschikt is om te wonen en/of te werken. |
Om de stad | Het gebied buiten de bebouwde kom. |
Verkoelende verblijfsplek | Een verkoelende verblijfsplek is een plek van minimaal 200 vierkante meter, voor minimaal tachtig procent groen en met minimaal veertig procent schaduw, inclusief schaduw bij zitgelegenheden. |
Vergroenen | Een maatregel om groene doelen te halen. Onder groene maatregelen vallen alle toevoegingen van groenelementen in de gebouwde omgeving en de maatregelen die zijn gericht op het vergroten van de natuurwaarde van groen en bebouwing. |
Wateroverlast | De situatie waarbij water op straat leidt tot hinder of schade in of aan bebouwing, groen of openbare infrastructuur, bijvoorbeeld tunnels. |
Wijk | Op basis van de CBS-Wijk- en Buurtkaart 2020 gedefinieerde eenheid binnen een gemeente. |
Wijktype | In de Klimaateffectatlas zijn woonwijken in Nederland op basis van homogene historische of stedenbouwkundige kenmerken ingedeeld in veertien wijktypen. |
Wijktypologie | Hoe de openbare ruimte is ingericht, is vaak typisch voor een bepaalde tijd. Elke tijdsperiode heeft een duidelijke eigen opzet en inrichting van de openbare ruimte en bebouwingstypologie. Hierdoor zijn bijvoorbeeld straten uit dezelfde tijdsperiode door heel het land herkenbaar. Op basis van deze typische kenmerken kun je wijken indelen in verschillende typologieën. |
Overzicht verschillende schaalniveaus van groen:

Voor meer informatie over de handreiking, klik op bijgevoegde link:
handreiking Groen in en om de Stad
https://experience.arcgis.com/experience/cc2c93c26c974397b30bd04b38e7da19





















In het Omgevingsprogramma zeggen wij veel over bomen. Bomen zijn heel belangrijk voor de groene beleving van Soest. Hieronder geven wij een overzicht van de aanvullingen op de beleidsuitgangspunten. Dit gaat zowel over de groeiplaats boven- als ondergronds, de afstand tav gebouwen, de toekomstbestendigheid, deels kap en herplant ed. Het is een optelsom van beleidsuitgangspunten over bomen die in deze bijlage geclusterd zijn en voor veel doelen gelden.
Daarnaast werkt de gemeente Soest bij de uitvoering van bomen veel met de uitgangspunten die zijn opgenomen in het Handboek Bomen van het Normeninstituut Bomen. Zowel voor het aanplant als het werken rondom bomen. Deze uitgangspunten kunnen 1 op 1 worden overgenomen. Bij het maken van bouwplannen rondom bomen dient altijd een voor inventarisatie en daarna eventueel een BEA uitgevoerd te worden door een onafhankelijk, erkent bedrijf. De eisen waaraan dit moet voldoen staan opgenomen in het Handboek.
Handboek Bomen Normeninstituut
Aanplant en groeiplaats
Keuze en plaatsing:
Gebruik droogtetolerante en hittestressbestendige boomsoorten.
Zorg voor voldoende ondergrondse groeiruimte die is afgestemd op omliggende infrastructuur
Houd bij plaatsing langs gebouwen minimaal de eindkroonafstand plus tweeënhalve meter aan
Bodem en water:
Verbeter de bodemkwaliteit waar nodig en zorg voor voldoende ondergrondse waterberging
Vermijd verharding rondom bomen en kies voor doordringbare opties
Klimaatrobuuste inrichting:
Beleid bij kap en herplant
Kapregels:
Herplantplicht:
Voor elke gekapte boom moet minimaal één boom worden teruggeplant, maar bij voorkeur meer bomen
Bij herinrichting wordt herplanting afgestemd op het behoud van de groenstructuur
Klimaatadaptatie
Bijdrage aan verkoeling:
Schaduw van bomen verlaagt de gevoelstemperatuur met zeven tot vijftien graden en de oppervlaktetemperatuur van bestrating met negentien graden Celsius
Verminderen van CO₂-uitstoot
Het aanplanten van voldoende bomen om CO₂-uitstoot te verminderen, is in stedelijke gebieden onhaalbaar vanwege ruimtegebrek. Ter indicatie: 86.000 nieuwe bomen levert één procent minder CO₂-uitstoot op, terwijl in het stedelijk gebied van de kernen nu 18.000 bomen staan.
Ruimtelijke inrichting
Verkeersstructuren
Bij nieuwe wegen plaatsen we bomen op voldoende afstand om wortelopdruk te voorkomen
Zorg voor groenstructuren met veel schaduw langs dertig procent van de fiets- en wandelroutes
Landschapsstructuren
Behouden en versterken van aanwezige landschapsstructuren, zoals houtwallen en opzichzelfstaande bomen
Overlast van bomen
Typen overlast:
Voorkomen van overlast:
Bijzondere regels en streefdoelen
3‑30‑300-regel:
Elk huis heeft waar mogelijk zicht op 3 bomen, 30% van de openbare ruimte is bedekt door boomkronen, en elk huis staat waar mogelijk op 300 meter afstand van een groene verblijfsplek.
Natuurinclusief bouwen:
Alle ruimtelijke ontwikkelingen moeten vergroening als uitgangspunt hebben, volgens het Convenant toekomstbestendig Bouwen
Bomen langs infrastructuur:
Onderhoud en Veiligheid
Inspecties:
Bij het vaststellen van het Omgevingsprogramma Werken vervalt een aantal nu geldende beleidsnota’s. Het gaat hierbij om:
De beleidsnota ‘De groene kernkwaliteit van Soest)’
Het visie deel van het Landschaps- en Natuurontwikkelingsplan (LOP)
Los van het Omgevingsprogramma werken wij apart aan:
In het Omgevingsprogramma is voorzien:
Andere beleidsstukken blijven voorlopig ongewijzigd. Het gaat hierbij om:
In deze bijlage vindt u de links naar websites genoemd in deel B van het Omgevingsprogramma Groen en Landschap.
Groen Groeit Mee Pact:
Ondertekend door gemeente Soest in februari 2022
Groen Groeit Mee Pact
Convenant Toekomstbestendig Bouwen:
Ondertekend door gemeente Soest in september 2022
Laatste versie is versie 2.0 (oktober 2024)
Documenten - Toekomstbestendig Bouwen
Handreiking Groen in en om de Stad: systematiek en richtlijnen voor de borging van Groen in en om de Stad (mei 2024)
Handreiking Groen in en om de Stad | Rapport | Rijksoverheid.nl
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-105839.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.