Wijzigingsbesluit Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Eindhoven 1e halfjaar 2025

Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,

mede gelet op het bepaalde in artikel 231 Gemeentewet, artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht en de Invorderingswet 1990

 

besluit:

Artikel I

De geldende Leidraad invordering gemeentelijke belastingen, wordt als volgt gewijzigd:

 

A

De eerste zin van artikel 8.2 wordt vervangen door ‘De wijze van bekendmaking van de belastingaanslag, bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wet, is ter beoordeling van de ontvanger.’.

 

B

De tweede zin van de eerste alinea van artikel 19.1.6 vervalt.

 

C

In artikel 24.6.1 wordt ‘artikel 24, vierde lid, van de wet’ vervangen door ‘artikel 24, derde lid, van de wet’.

 

D

De eerste zin van artikel 25.1.15 wordt vervangen door ‘De ontvanger houdt de invordering aan als een verzoekschrift is ingediend bij de raad, het college of de (gemeentelijke) ombudsman tot op dat verzoekschrift is beslist.’.

 

E

Artikel 25.5.6a vervalt.

 

F

Artikel 25.5.7 komt te luiden:

25.5.7

(vervallen)

 

G

Artikel 25.7.5 komt te luiden:

25.7.5. Administratief beroep of nieuw verzoek om uitstel van betaling bij de ontvanger

De ontvanger merkt een door de belastingschuldige gemaakt bezwaar tegen de beslissing op het verzoek om uitstel van betaling aan als een administratief beroep dat is gericht aan het college. Dit geldt ook als de belastingschuldige een nieuw verzoek om uitstel van betaling indient voor dezelfde belastingschuld waarvoor de ontvanger eerder een verzoek om uitstel van betaling geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen en daarbij geen andere feiten of veranderde omstandigheden vermeldt.

In de hiervoor genoemde situaties geeft de ontvanger een nieuwe voor administratief beroep vatbare beschikking af als hij aanleiding ziet om een voor de belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen.

Als de belastingschuldige een nieuw verzoek om uitstel van betaling doet voor dezelfde belastingschuld en hij vermeldt hierin andere feiten of veranderde omstandigheden, dan beslist de ontvanger op dat verzoek bij voor administratief beroep vatbare beschikking. Bij deze beslissing houdt

hij rekening met deze andere feiten of veranderde omstandigheden. Dit geldt ook als het een belastingschuld betreft waarvoor het college al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist.

Als de belastingschuldige opnieuw verzoekt om uitstel van betaling ter zake van een belastingschuld waarvoor het college al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist zonder daarbij andere feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, wijst de ontvanger dit verzoek af onder verwijzing naar de uitspraak van het college bij voor administratief beroep vatbare beschikking.

 

H

De eerste zin van artikel 26.1.11 wordt vervangen door ‘De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij het college, de raad of de (gemeentelijke) ombudsman tot op dat verzoekschrift is beslist.’.

 

I

De vierde alinea in artikel 26.2.10 beginnende met ‘Bij het vaststellen’ en eindigend met ‘met € 37,72.’ vervalt.

 

J

In artikel 26.2.12 wordt ‘€ 86’ vervangen door ‘€ 77’ en wordt ‘€ 66’ vervangen door ‘€ 68’.

 

K

In artikel 26.2.19 wordt ‘€ 42’ vervangen door ‘€ 45’ en wordt ‘€ 95’ vervangen door ‘€ 101’.

 

L

Artikel 26.4.2 komt te luiden:

26.4.2. Administratief beroep of nieuw verzoek om kwijtschelding bij de ontvanger

De ontvanger merkt een door de belastingschuldige gemaakt bezwaar tegen de beslissing op het verzoek om kwijtschelding aan als een administratief beroep dat is gericht aan het college. Dit geldt ook als de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding indient voor dezelfde belastingschuld waarvoor de ontvanger eerder een verzoek om kwijtschelding geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen en daarbij geen andere feiten of veranderde omstandigheden vermeldt.

In de hiervoor genoemde situaties geeft de ontvanger een nieuwe voor administratief beroep vatbare beschikking af als hij aanleiding ziet om een voor de belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen.

Als de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding doet voor dezelfde belastingschuld en hij vermeldt hierin andere feiten of veranderde omstandigheden, dan beslist de ontvanger op dat verzoek bij voor administratief beroep vatbare beschikking. Bij deze beslissing houdt hij rekening met deze andere feiten of veranderde omstandigheden. Dit geldt ook als het een belastingschuld betreft waarvoor het college al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist.

Als de belastingschuldige opnieuw verzoekt om kwijtschelding ter zake van een belastingschuld waarvoor het college al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist zonder daarbij andere feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, wijst de ontvanger dit verzoek af onder verwijzing naar de uitspraak van het college bij voor administratief beroep vatbare beschikking.

 

M

Artikel 30 komt te luiden:

Artikel 30. Beschikking invorderingsrente

In aansluiting op artikel 30 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

– verzoek tot vermindering rente is bezwaar;

– invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie.

 

N

Artikel 30.1 vervalt onder vernummering van 30.2 en 30.3 tot 30.1 en 30.2.

 

O

Artikel 30.2 (nieuw) komt te luiden:

30.2. Invorderingsrente - (hoger) beroep en cassatie

Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

 

P

Artikel 30.4 vervalt.

 

Q

Artikel 30.5 vervalt.

 

R

In artikel 73.4.15 wordt ‘EG-insolventieverordening’ vervangen door ‘EU-insolventieverordening’.

 

S

In artikel 73.5.1 vervalt in de achtste alinea ‘(zoals belastingaanslagen motorrijtuigenbelasting)’.

 

Artikel II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025.

In afwijking van het eerste lid werken van artikel I de onderdelen A, B, D en H terug tot en met 1 juli 2024.

Dit besluit kan worden aangehaald als: Wijzigingsbesluit leidraad invordering gemeentelijke belastingen 1e halfjaar 2025.

 

 

 

 

 

 

Eindhoven, 11 februari 2025

Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,

, secretaris,

TOELICHTING

 

Artikel I, onderdeel A, betreft een redactionele wijziging waarmee artikel 8.2 in lijn wordt gebracht met de

tekst van artikel 8, tweede lid, van de Invorderingswet 1990. Hier is geen beleidswijziging mee beoogd.

 

Artikel I, onderdeel B, is een technische wijziging van artikel 19.1.6. De tweede zin van de eerste alinea uit

deze bepaling bevat geen andere regels dan wat al in de wet is vastgelegd en kan daarom vervallen. Er is

geen beleidswijziging beoogd.

 

Artikel I, onderdeel C is een technische wijziging van artikel 24.6.1. Met ingang van 1 januari 2024 is

artikel 24 van de Invorderingswet 1990 vernummerd.1 Gelijktijdige aanpassing van artikel 24.6.1 van deze

leidraad is toen abusievelijk achterwege gelaten, waardoor er in artikel 24.6.1 van deze leidraad werd

verwezen naar een onjuist artikellid. Deze wijziging herstelt dit. Er is geen beleidswijziging beoogd.

 

Artikel I, onderdelen D en H, betreffen redactionele wijzigingen van de artikelen 25.1.15 en 26.1.11.

Hiermee is beoogd het voor de ontvanger duidelijker te maken tot wanneer hij de invordering moet

aanhouden als een verzoekschrift is ingediend bij de raad, het college of de (gemeentelijke) ombudsman.

De ontvanger zal in de genoemde gevallen de invordering aanhouden vanaf het moment dat hij op de

hoogte is van het feit dat er een verzoekschrift is ingediend bij een van de in de artikelen genoemde

instanties en dit zal duren tot op het verzoekschrift is beslist. Met de wijziging is geen beleidswijziging

beoogd.

Omdat een verzoekschrift ook ingediend zou kunnen worden bij de Nationale ombudsman, is in de

artikelen 25.1.15 en 26.1.11. het woord gemeentelijke tussen haakjes geplaatst.

 

Artikel I, onderdelen E en I laten respectievelijk artikel 25.5.6a vervallen en artikel 26.2.10 wijzigen, in die

zin dat de vierde alinea van dit artikel vervalt. In artikel 25.5.6a en de vierde alinea van artikel 26.2.10

werd geregeld dat bij het vaststellen van de nettowoonlasten als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel

b van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, rekening werd gehouden met de verhoging van de

huurtoeslag van 1 januari 2024 waarmee betracht werd om de koopkracht van de laagste inkomens te

verbeteren.2 Per 1 januari 2025 is door een wijziging van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de

Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 rekening gehouden met dergelijke wijzigingen in de

huurtoeslag.3 Om die reden vervalt het belang van artikel 25.5.6a en de vierde alinea van artikel 26.2.10.

 

 

 

[1] Wet van 20 december 2023 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2024),

Stb. 2023, 499.

[2] Zie besluit van 26 april 2024, nr. 2024-233610.

[3] Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 19 december 2024 tot wijziging van onder meer enige

uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen (Eindejaarsregeling 2024), Artikel XXI, onderdeel

D.

 

 

Artikel I, onderdeel F laat artikel 25.5.7 vervallen. Per 1 januari 2025 is aan artikel 15, eerste lid, van de

Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 onderdeel h toegevoegd.4 Hierin is bepaald dat andere uitgaven

van de belastingschuldige dan al vermeld in dit artikel in aanmerking moeten worden genomen bij het

vaststellen van het netto-besteedbare inkomen indien deze uitgaven door de ontvanger noodzakelijk

worden geacht. Met deze toevoeging in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 is het belang van

artikel 25.5.7 van de leidraad vervallen.

 

Artikel I, onderdelen G en L, wijzigen de artikelen 25.7.5 en 26.4.2, met dien verstande dat de wijziging

van artikel 25.7.5 van alleen redactionele aard is om artikel 25.7.5 gelijk te trekken met de tekst van het

gewijzigde artikel 26.4.2.

Met de wijziging van artikel 26.4.2 wordt een uniforme werkwijze beoogd in het geval een

belastingschuldige voor dezelfde belastingschuld opnieuw om uitstel van betaling of kwijtschelding

verzoekt, nadat het eerdere verzoek door de ontvanger is afgewezen.

Uitgangspunt daarbij is dat de ontvanger toetst of de belastingschuldige in het herhaalde verzoek om

uitstel van betaling of kwijtschelding andere feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd

(artikel 4:6, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht). In die situatie beoordeelt de ontvanger het verzoek

inhoudelijk en neemt hij een nieuwe voor administratief beroep vatbare beschikking. Het gaat hierbij om

nieuw gemelde feiten of omstandigheden die bij de ontvanger niet bekend waren bij het nemen van de

eerdere beschikking. Het kan dus ook gaan om feiten of omstandigheden die al ten tijde van de eerste

beschikking aanwezig waren, maar niet door de ontvanger zijn meegewogen.

Als de belastingschuldige zich niet beroept op andere feiten of veranderde omstandigheden, toetst de

ontvanger eerst of hij alsnog een voor de belastingschuldige gunstigere beslissing kan nemen. Als hij die

mogelijkheid niet ziet, merkt hij het nieuwe verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding aan als een

beroepschrift.

In het geval een belastingschuldige voor dezelfde belastingschuld opnieuw om uitstel van betaling of

kwijtschelding verzoekt terwijl het college al op een beroepschrift tegen de beslissing van de ontvanger

heeft beslist, zonder dat daarbij andere feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld, kan de

ontvanger het verzoek afwijzen en daarbij verwijzen naar de beslissing van het college. De afwijzing is een

voor administratief beroep vatbare beslissing. Dit houdt in dat het college enkel zal beoordelen of de

ontvanger terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn

aangevoerd.

 

Artikel I, onderdeel J, wijzigt de in artikel 26.2.12 opgenomen forfaitaire bedragen voor boeken en

leermiddelen naar de per 1 januari 2025 geldende bedragen.

 

Artikel I, onderdeel K, wijzigt de in artikel 26.2.19 genoemde bedragen die zien op de normpremie

zorgverzekering voor een alleenstaande of alleenstaande ouder, en de normpremie

ziektekostenverzekering voor echtgenoten, naar de per 1 januari 2025 geldende bedragen.

 

Artikel I, onderdelen M en O zijn technische wijzigingen van de artikelen 30 en 30.2 (nieuw). Artikel 30.2

regelt dat de ontvanger handelt overeenkomstig de voorschriften van het Besluit beroep in belastingzaken.

Dat besluit is niet van toepassing voor de gemeente. De onderdelen N, P en Q laten de artikelen 30.1, 30.4

en 30.5 vervallen. Deze artikelen waren al niet van toepassing voor de gemeente.

 

Artikel I, onderdeel R is een technische wijziging van artikel 73.4.15. De verwijzing naar de EG-

insolventieverordening5 is niet meer juist. Op 25 juni 2015 is de herschikte EU-Insolventieverordening in

werking getreden.6 Er is geen beleidswijziging beoogd.

 

[4] Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 19 december 2024 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen (Eindejaarsregeling 2024), Artikel XXI, onderdeel

D.

[5] Verordening EG nr. 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 2000 betreffende

insolventieprocedures, PbEG 2000 L 160/1.

[6] Verordening (EU) 2015/848 betreffende insolventieprocedures, PbEU 2015, L 141/19.

 

 

 

Artikel I, onderdeel S is een technische wijziging van artikel 73.5.1. Abusievelijk werden in deze leidraad

als voorbeeld genoemd belastingaanslagen motorrijtuigenbelasting. Motorrijtuigenbelasting is echter een

rijksbelasting. Overigens vervalt in de rijksleidraad de verwijzing naar aanslagen motorrijtuigenbelasting

ook omdat de ontvanger van de Belastingdienst per 1 januari 2025 onder de reguliere voorwaarden ook

kwijtschelding kan verlenen voor belastingaanslagen motorrijtuigenbelasting.

 

Artikel II regelt de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wijzigingen. Voor de onderdelen A, B, D

en H wordt deze datum met terugwerkende kracht gesteld op 1 juli 2024. Voor alle overige onderdelen van

artikel I wordt deze datum met terugwerkende kracht gesteld op 1 januari 2025.

Dit besluit is na de inwerkingtreding terstond uitgewerkt en bevat daarom geen vervalbepaling.

 

 

 

Naar boven