Gemeenteblad van Oldenzaal
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Oldenzaal | Gemeenteblad 2025, 100211 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Oldenzaal | Gemeenteblad 2025, 100211 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening uitvoering Jeugdwet gemeente Oldenzaal 2025
De raad van de gemeente Oldenzaal;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 januari 2025, nr. 3/10, reg.nr. INTB-24-6664
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12, 8.1.1. vierde lid en 12.4 tweede lid van de Jeugdwet; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;
de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;
het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, de wijze van afstemming met andere voorzieningen, de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, de bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor levering van jeugdhulp en de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;
vast te stellen de Verordening uitvoering Jeugdwet gemeente Oldenzaal 2025
Hoofdstuk 2: Algemene voorzieningen
Artikel 2. Toegang algemene voorziening
Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of zijn gezinssysteem.
Hoofdstuk 5: Procedure melding, onderzoek, aanvraag en beschikking
Artikel 10. Onderzoek (Stappenplan)
Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouder(s) zo spoedig mogelijk de noodzaak voor het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp: Het college doet dit middels het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep:
stap 3: wanneer het college de problemen en stoornissen heeft vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
stap 4: nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, wordt onderzocht of en in hoeverre de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van de ouder en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. In artikel 11 is het onderzoek naar eigen kracht en het probleemoplossend vermogen nader uitgewerkt;
stap 6: slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, verleent het college een voorziening van jeugdhulp. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De hiervoor bedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college zorgt ervoor dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.
Artikel 11. Afwegingskader eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht)
Een individuele voorziening voor jeugdhulp wordt niet verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige en/of de ouders (eventueel met behulp van het sociaal netwerk) op eigen kracht kunnen voorzien in of bijdragen aan het oplossen van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen.
Bij het beoordelen van de eigen kracht heeft het college, gelet op het bepaalde in artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, als uitgangspunt dat de ouders en andere verzorgers en opvoeders te allen tijde verantwoordelijk zijn voor het verzorgen en opvoeden van de jeugdige en het houden van toezicht. Van hen wordt verwacht dat zij alles doen wat binnen hun mogelijkheden past om ervoor te zorgen dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Deze verantwoordelijkheid geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft.
Indien de noodzakelijke hulp specialistische zorg betreft, dan wordt dit niet belegd bij ouders of het sociaal netwerk, omwille van de objectiviteit, onafhankelijkheid en deskundigheid die vereist is. Onder specialistische hulp wordt verstaan alle vormen van jeugdhulp met uitzondering van begeleiding individueel (zoals vermeld in artikel 4 lid 2 sub a onder 1 van deze Verordening).
Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien:
het een melding of een aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden;
Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige die de leeftijd van 12 maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt, dan behoeft de aanvraag de instemming van zowel de minderjarige als de wettelijke vertegenwoordiger. Weigert de wettelijke vertegenwoordiger in te stemmen met de aanvraag, dan kan het college toch een besluit nemen als de jeugdhulp voor de minderjarige kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de minderjarige te voorkomen, alsmede indien de minderjarige ook na de weigering van de toestemming de jeugdhulp weloverwogen blijft wensen.
Artikel 14. Criteria voor een individuele voorziening
Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet zelf kan verminderen of wegnemen.
Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt o.a. aangesloten bij de richtlijnen van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) en de richtlijnen van Hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz.
Hoofdstuk 6: Regels voor persoonsgebonden budget
Als een jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking komt voor een individuele voorziening en deze ondersteuning zelf in wil kopen door middel van een pgb, dan dient men dit verzoek in door middel van een door het college vastgesteld format voor het budgetplan. In dit budgetplan is opgenomen:
de wijze waarop het pgb beheerd en georganiseerd gaat worden door de budgethouder en/of vertegenwoordiger, waarbij rekening gehouden wordt met de kennis en vaardigheden die een budgethouder en/of vertegenwoordiger moet bezitten om een pgb te kunnen beheren. Alle vaardigheden zijn omschreven in deze verordening.
Artikel 17. Formele hulp (professional)
Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen:
personen die werkzaam zijn bij een organisatie die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast staan deze personen ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of
Het college kan ouders en/of het sociaal netwerk een pgb voor informele hulp toekennen voor continue 24 uur zorg in de nabijheid en toezicht als bedoeld in artikel 11 lid 3 van deze verordening. De noodzaak van het continue toezicht op het kind wordt door een onafhankelijk arts vastgesteld. Verder geldt dat een Wlz-indicatie nog niet is verkregen.
Het college weigert een pgb voor behandeling door een persoon die geschaard kan worden onder informele hulp. Onder behandeling wordt verstaan: diagnostiek of een aanpak van een stoornis en bijbehorende problemen op verschillende levensgebieden. De ouder of een ander persoon uit het sociaal netwerk kan door zijn persoonlijke relatie met de jeugdige niet volledig objectief en onafhankelijk handelen.
Als het op basis van het vierde lid vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen, en deze ondersteuning niet wordt aangeboden door het gecontracteerde aanbod van jeugdhulp, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht.
De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het bruto minimumuurloon dat op 1 januari van het betrekking hebbende kalenderjaar geldt én verhoogd wordt met € 1,00, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek.
Hoofdstuk 8: Verhouding prijs en kwaliteit
Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met de algemene en specifieke kwaliteitseisen en voorwaarden opgenomen in de inkoopbestekken van het regionale samenwerkingsverband OZJT/Samen 14.
Hoofdstuk 9: Vertrouwenspersoon, klachten en medezeggenschap
Artikel 23. Vertrouwenspersoon
Het college wijst cliënten erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
Het college behandelt klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de op dat moment geldende procedure van behandeling van klachten binnen de gemeente Oldenzaal.
Artikel 25. Inspraak en medezeggenschap
Ter uitvoering van lid 1 stelt het college de adviescommissie Participatie vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Vastgesteld in de openbare vergadering van 24 februari 2025,
de plaatsvervangend griffier,
W. Knobben
de voorzitter,
P. Welman
Toelichting op de Verordening uitvoering Jeugdwet
Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn na de decentralisatie vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.
De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:
worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
Artikel 2.9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt derhalve ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet nog andere regels te stellen. In deze verordening is dat onder meer gebeurd door op onderdelen een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van burgers en de gemeente. Maar ook door regels te stellen over de vereiste toestemming van ouders dan wel wettelijk vertegenwoordigers van minderjarigen bij het indienen van een aanvraag (artikel 11).
Artikel 8.1.1 lid 4 van de Jeugdwet geeft de gemeenteraad daarnaast nog de bevoegdheid in de verordening vast te leggen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.
Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.
De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten:
Vrij toegankelijke en individuele voorzieningen
In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.
Toegang jeugdhulp via de gemeente
Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt tot stand in overleg met die jeugdige en zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan geeft het college (althans een deskundige namens het college) een besluit af en schakelt de noodzakelijke jeugdhulp in.
Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist
De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar een van de jeugd-hulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn neergelegd in deze verordening (over het vrij toegankelijke en niet vrij toegankelijke deel van de voorzieningen).
Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting
Jeugdhulp kan ook worden ingezet op initiatief van een gecertificeerde instelling. Gecertificeerde instellingen voeren de kinderbeschermingsmaatregelen (voogdij en ondertoezichtstelling) en jeugdreclassering uit (artikel 3.2 Jeugdwet). In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 Jeugdwet). Bij jeugdreclassering is het niet alleen de gecertificeerde instelling die deze bevoegdheid heeft, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI.
De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die de gecertificeerde instelling nodig acht ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Ook in het kader van de jeugdreclassering moet de gemeente ervoor zorgen dat de jeugdhulp wordt ingezet die de rechter, het openbaar ministerie, de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting of de gecertificeerd instelling nodig acht. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b Jeugdwet). Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking aan welke gecertificeerde instelling de maatregel gaat uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming geeft in zijn verzoekschrift een concreet advies over welke gecertificeerde instelling dat moet zijn. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen.
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
Lid 1 onderdeel a. algemene voorziening:
Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is (althans met een beperkte toegangstoets) voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. De wet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van 'overige voorziening'. In de Memorie van Toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever echter over een algemene of vrij toegankelijke voorziening. Ook de praktijk spreekt over algemene dan wel vrij toegankelijke voorzieningen. Omdat dit de meest gangbare term is, is deze overgenomen in de verordening.
Lid 1 onderdeel b. andere voorziening:
Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet, bijvoorbeeld de Wmo, de Zorgverzekeringswet (Zvw), of de Wet langdurige zorg (Wllz).
Lid 1 onderdeel c. besluit: deze bepaling spreekt voor zich.
In de verordening wordt gesproken over "cliënten". Dit betreffen de jeugdige en hun ouders. Zowel het begrip jeugdige als het begrip ouder is gedefinieerd in artikel 1.1 Jeugdwet. Bij de ouder gaat het om de gezaghebbende ouder, de adoptiefouder, de stiefouder of een ander die de jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. Een pleegouder is geen ouder in de zin van de Jeugdwet.
De hulpvraag is de behoefte aan jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet. Als iemand die behoefte heeft aan jeugdhulp zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 10 van deze verordening is noodzakelijk.
Lid 1 onderdeel g. individuele voorziening:
Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp.
Deze voorziening is niet vrij toegankelijk, er is toekenning en ook een verleningsbeschikking nodig.
Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Dit zou overbodig zijn en bovendien voor verwarring kunnen zorgen als er bijvoorbeeld door een latere wetswijziging een verschil zou ontstaan tussen de omschrijving in de verordening en de wettelijke omschrijving. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als 'jeugdhulp', 'jeugdige', 'ouder' (zie artikel 1.1 van de wet). Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).
Hoofdstuk 2: Algemene voorzieningen
In dit hoofdstuk is beschreven welke algemene voorziening rechtstreeks beschikbaar zijn voor jeugdigen en/of ouders zonder dat hiervoor een indicatie vereist is.
Hoofdstuk 3: Individuele voorzieningen
In dit hoofdstuk is beschreven welke individuele voorzieningen beschikbaar zijn en met welk doel deze ingezet worden.
Dit is een nadere uitwerking van artikel 2.9, onderdeel a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (algemene) voorzieningen. Uit de Memorie van Toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Dit artikel moet daarom een zo compleet mogelijk overzicht bieden van alle algemene en individuele voorzieningen die het college ter beschikking staan.
Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp (zie artikel 1.1 van de wet). Een voorziening kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. De te treffen voorziening kan zowel een algemene (vrij toegankelijke) voorziening zijn als een individuele (niet vrij toegankelijke) voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben.
Er worden lokaal, regionaal en landelijk voorzieningen getroffen en (inkoop)afspraken gemaakt en/of contracten afgesloten door gemeenten. Als basis daarvoor dienen het Regionale en het Landelijke Transitie Arrangement. Op landelijke schaal wordt onder meer de inkoop van de onafhankelijke vertrouwenspersoon, de uitwerking van een declaratiesysteem voor Jeugd GGZ, landelijke doventolk voorziening, landelijke kindertelefoon e.d. georganiseerd. Daarnaast wordt op regionaal niveau (Samen 14) samenwerking gezocht in het OZJT (Organisatie voor Zorg en Jeugdhulp in Twente), de crisisinterventie etc.
Hoofdstuk 4: Toegang tot jeugdhulp
Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de wet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp bestaat. Dit laatste geldt zowel voor de algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen als de individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de cliënt daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze jeugdhulpaanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2).
Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de cliënt.
Artikel 6. Toegang jeugdhulp via gecertificeerde instellingen, rechter, OM of JJI
Jeugdhulp kan ook worden ingezet op initiatief van een gecertificeerde instelling, in het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (zie artikel 3.5 lid 1 Jeugdwet). Bij jeugdreclassering is het niet alleen de gecertificeerde instelling die deze bevoegdheid heeft, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze partijen nodig achten. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b Jeugdwet).
De leveringsplicht van het college op dit punt volgt rechtstreeks uit de wet. Desondanks is deze leveringsplicht in de verordening weergegeven, zodat voor de burger inzichtelijk is hoe de toegang kan verlopen.
Artikel 7. Toegang jeugdhulp via gemeente
Dit artikel regelt de toegang van jeugdhulp via de gemeente.
Lid 1 regelt dat een individuele voorziening altijd wordt toegekend op basis van een beschikking. Deze verleningsbeschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de hulpvraag van cliënten en de ingediende aanvraag (lid 2).
Lid 3 gaat over toeleiding bij crisissituaties.
Lid 4 bepaalt dat de jeugdige en/of zijn ouders die een beroep willen doen op een algemene voorziening hier direct naartoe kunnen. Ze hoeven hiervoor geen aanvraag in te dienen.
Hoofdstuk 5: Procedure melding, onderzoek, aanvraag en beschikking
Ten aanzien van de aanvraagprocedure wordt aansluiting gezocht bij de procedure zoals deze in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo) is geregeld. Deze procedure begint met een melding. Vervolgens start het college een onderzoek, waarvan de uitkomsten worden teruggekoppeld naar de jeugdige en/of (ouder(s). Tot slot kan een aanvraag ingediend worden. Op grond van de Awb zal een belanghebbende echter te allen tijde in staat gesteld moeten worden om een aanvraag in te dienen. Voor de praktijk betekent dit dat als een belanghebbende bij zijn melding direct een aanvraag in wil dienen, dat dit altijd mogelijk moet zijn. Hiervoor is dan het door het college vastgesteld formulier beschikbaar.
Een hulpvraag kan door of namens de jeugdige gemeld worden. Van deze melding wordt een ontvangstbevestiging verstuurd.
De verplichting om een cliëntondersteuner te bieden is neergelegd in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Met name het wijzen op de beschikbare cliëntondersteuning zal een specifieke plek gaan innemen in de procedure. Cliëntondersteuning is gedefinieerd in artikel 1.1.1. van de Wmo, en moet gratis zijn.
Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Er wordt van uit gegaan dat persoonlijk (mondeling) contact tussen de gemeente en de cliënt plaatsvindt.
Voor het onderzoek wordt het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep gevolgd. Deze stappen volgen grotendeels uit de uitspraak van de CRvB 01-05-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477. Een onderzoek moet voldoen aan de zorgvuldigheidseisen die de CRvB in deze uitspraak noemt (CRvB 2-3-2022, ECLI:NL:CRVB:2022:510). Deze zijn beschreven in lid 1.
In lid 4 is bepaald dat de uitkomsten van het onderzoek door middel van een plan aan client teruggekoppeld wordt. In dit plan wordt ook aangegeven of een voorziening noodzakelijk geacht wordt en hoe men deze aan kan vragen.
Artikel 11. Afwegingskader eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
In artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet is de jeugdhulpplicht opgenomen. Het college verstrekt een individuele voorziening aan een jeugdige of een ouder als zij hulp nodig hebben in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Anders gezegd: het college moet beoordelen in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouders met behulp van hun sociale netwerk toereikend zijn om de problemen zelf het hoofd te bieden.
De beoordeling hiervan is onderdeel van het onderzoek dat het college doet nadat er een aanvraag voor jeugdhulp is ingediend. Bij het onderzoek hanteert het college het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep. Het college onderzoekt bij welke hulp naar aard en omvang nodig is. En vervolgens of er sprake is van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen om zelf de benodigde hulp en ondersteuning te bieden. Kunnen de jeugdige en ouders dit eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden, dan hoeft het college niet een individuele voorziening te treffen. Uit de Memorie van Toelichting bij de Jeugdwet volgt dat hierbij een actieve rol van de ouders en de jeugdige past om in eerste instantie te trachten hun problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136). Dat betekent dat het college een individuele voorziening kan weigeren als de jeugdige en ouders, eventueel met behulp van hun sociale netwerk of andere instellingen, kunnen voorzien in of bijdragen aan het oplossen van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Dit alles lijkt voldoende om een individuele voorziening te kunnen weigeren. Maar voldoende is dat niet: de verordening moet dit – om rechtszekerheid te bieden – wel vermelden (CRvB 1 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, 1096 en 1097).
In de aanhef en artikel 2.1 van de Jeugdwet komt naar voren dat het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Er moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, de ouders en het sociale netwerk. Deze verplichting voor ouders komt ook terug in de artikelen 1:82 en 1:247 Burgerlijk Wetboek. Ouders zijn ervoor verantwoordelijk om hun minderjarige kind te verzorgen, op te voeden en toezicht op het kind te houden. Dat geldt ook wanneer het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Het moet voor ouders en professionals dan ook vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 128 en 135-136). Het college neemt de verantwoordelijkheid van de jeugdige en de ouders zelf als uitgangspunt bij het beoordelen van de eigen kracht.
In tegenstelling tot lid 1 en 2 kan specialistische jeugdhulp nooit gevraagd worden van de ouder(s) of het sociaal netwerk. Onder specialistische jeugdhulp wordt hulp verstaan waarvoor specifieke deskundigheid is vereist. Deze hulp vereist dat de hulpverlener objectief en onafhankelijk is, hetgeen een ouder of iemand uit het sociaal netwerk niet is. Onder specialistische hulp worden alle vormen van jeugdhulp verstaan met uitzondering van individuele begeleiding.
In het vierde lid is een aantal afwegingsfactoren opgenomen die de beoordeling van de eigen kracht concretiseren. Samen met de voorgaande bepalingen vormt dit de invulling die de gemeenteraad geeft aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen in de Jeugdwet. De factoren a tot en met d sluiten aan bij de uitspraak van 17 juli 2019 van de CRvB (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).
Naast de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige en de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en duur spelen onder meer ook leeftijd, problematiek, beperkingen of stoornissen van de jeugdige een rol. Het kan dan gaan om hoeveel hulp de jeugdige nodig heeft, maar ook om de vraag hoe die hulp in de tijd is verdeeld. Het kan gaan om hulp die direct of op wisselende tijdstippen moet worden geboden.
Bij sub b over de mogelijkheden van de ouders wordt meegewogen in hoeverre de ouders voorafgaand aan de aanvraag de hulp al boden en of zij deze hulp kunnen voortzetten. Een andere vraag kan zijn of de aard van de hulp het toelaat dat deze door de ouders wordt geboden (zie ook lid 3). Of dat ouders vanwege het ontbreken van bepaalde deskundigheid of eigen problematiek de hulp niet kunnen bieden. Is er sprake van (dreigende) overbelasting van de ouders, dan wordt eerst onderzocht wat de ouders zelf kunnen doen om de (dreigende) overbelasting op te heffen.
Bij sub c over de samenstelling van het gezin en de woonsituatie spelen verschillende factoren een rol om te bepalen wat redelijkerwijs van de jeugdige en de ouders kan worden verwacht. Zijn er bijvoorbeeld meerdere kinderen in het gezin, wat is de leeftijd van de kinderen, hebben meerdere kinderen hulp nodig, wat is de aard en omvang van die hulp en op welke tijden is er hulp nodig?
Bij sub d over het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen heeft de CRvB op 26 mei 2021 een uitspraak gedaan (CRvB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1327). Daaruit volgt dat de maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouders, zoals bedoeld in artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet, geen ruimte bieden voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen. Een dergelijke vergaande interpretatie vindt volgens de CRvB geen steun in de tekst en ook niet in de geschiedenis van de totstandkoming van de Jeugdwet. Dat betekent dat het college bij het beoordelen van het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen geen financiële draagkrachtmeting uitvoert.
Het college doet op basis van sub e ook onderzoek naar de mogelijkheden van het sociale netwerk. Dit wordt expliciet genoemd in de parlementaire geschiedenis bij de Jeugdwet en jurisprudentie van de CRvB (CRvB 14 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Een relevante vraag is dan ook wat de betrokkenheid van het sociale netwerk was voordat de melding of aanvraag werd ingediend. En kan het sociale netwerk de noodzakelijke hulp bieden of is hiervoor bepaalde deskundigheid vereist?
Bij het beoordelen van de eigen kracht speelt ook een rol in hoeverre er gebruik kan worden gemaakt van overige (wettelijke) voorzieningen. Het college onderzoekt of er bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van algemene voorzieningen of overige voorzieningen. Daarnaast wordt onderzocht of een beroep kan worden gedaan op een voorliggende wettelijke voorziening. Denk hierbij aan hulp of zorg vanuit de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg of via onderwijswetgeving. Als er sprake is van zorg op grond van de Zorgverzekeringswet wordt ook onderzocht of een beroep kan worden gedaan op een aanvullende verzekering (Rechtbank Oost-Brabant 10 november 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:5828).
In sub f wordt meegewogen in hoeverre de eigen mogelijkheden tot een duurzaam effect leiden. Er zal een afweging gemaakt moeten worden of het oplossen in eigen kracht leidt tot een mogelijk groter nadelige gevolgen, of dat de hulpvraag adequaat opgelost wordt.
Tot slot is in sub f. opgenomen dat ook andere omstandigheden een rol kunnen spelen bij het beoordelen van de eigen kracht. Het is niet mogelijk alle denkbare omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de eigen kracht, in regels te vatten. Daarom is onder f. in algemene zin verwezen naar overige relevante omstandigheden van de jeugdige en de ouders. De term ‘relevante’ vraagt om een inhoudelijke beoordeling van de omstandigheden door het college.
In dit artikel is bepaald dat het college bevoegd is om degene door of namens wie een hulpvraag is gemeld, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een voorziening.
Met het oog op het correct en weloverwogen vaststellen van de benodigde voorziening is het tevens mogelijk om een aanbieder te consulteren of diagnostiek te laten verrichten.
Deze bepaling bevat nadere regels over het indienen van de aanvraag.
In het eerste tot en met het vierde lid is vastgelegd wie een aanvraag kan indienen; hoe men een aanvraag in kan dienen en wie daarmee moet instemmen. Deze bepalingen zijn afgeleid van zowel het huidige artikel 7 van de Wet op de jeugdzorg als paragraaf 7.3 van de Jeugdwet dat ziet op de vereiste toestemming bij het daadwerkelijk verlenen van jeugdhulp.
Achtergrond van deze bepalingen is dat cliënten niet altijd uit zichzelf om hulp vragen, terwijl hulp toch hard nodig kan zijn. Tevens is het college de bevoegdheid gegeven om in een aantal genoemde gevallen zonder (volledige) aanvraag een besluit te nemen (vierde lid).
Een aanvraag kan worden gedaan door iedere cliënt. Dit betekent dat de jeugdige, zijn (stief)ouders of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden een aanvraag kunnen doen zowel voor henzelf als voor hun kind. Anderzijds, maar dat is vooral theoretisch, kan een jeugdige ook een aanvraag doen voor hulp aan zijn ouders.
In het tweede t/m het vierde lid is bepaald in welke gevallen de aanvraag instemming behoeft van degene op wie de jeugdhulp betrekking heeft als de aanvraag door een ander is ingediend en wanneer hier zo nodig van kan worden afgeweken. Wanneer de aanvraag betrekking heeft op zorg voor een andere cliënt dan de aanvrager, behoeft de aanvraag instemming van de cliënt. Zo kan bijvoorbeeld een vader een aanvraag doen voor opvoedingsondersteuning voor hem en zijn vrouw, om hen te ondersteunen bij de opvoeding van hun kinderen. Aangezien dit hulp is die ook moeder betreft, is haar instemming noodzakelijk. Wanneer de aanvraag wordt gedaan voor een minderjarige ouder dan twaalf jaren is diens instemming vereist, tenzij hij niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
Als de aanvraag wordt gedaan door een minderjarige, die ouder is dan twaalf, maar jonger dan zestien jaren, behoeft de aanvraag instemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger. Wanneer de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, is het voldoende als één ouder instemt met de aanvraag, tenzij de andere ouder er blijk van geeft de instemming te weigeren. In uitzonderingssituaties kan het college op aanvraag van de minderjarige, die ouder is dan twaalf jaren, zonder de instemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger een indicatiebesluit nemen. Dit is mogelijk als de minderjarige de zorg weloverwogen blijft wensen. Te denken valt aan weggelopen minderjarigen waarbij de ouders weigeren in te stemmen met de aanvraag, maar ook aan situaties waarbij tussen de minderjarige en zijn ouder of verzorger verschil van inzicht bestaat over zorg die noodzakelijk is. Deze bepaling is opgenomen om de rechtspositie van de minderjarige te versterken.
Lid 6 regelt tot slot dat het college in het besluit nadere regels zal vastleggen over de aanvraagprocedure. Daarbij moet onder meer gedacht worden aan hoe de aanvraag precies moet worden ingediend en wanneer een aanvraag als compleet wordt beschouwd.
Artikel 14. Criteria voor een individuele voorziening
In artikel 2.9 onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting alvast een kader gegeven.
Belangrijk is dat bij het beoordelen van de problematiek allereerst gekeken wordt in hoeverre het eigen sociale netwerk van de betrokkene ondersteuning kan bieden (lid 1 onderdeel a). Dit is een van de belangrijkste uitgangspunten van de jeugdwet: het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn omgeving (artikel
2.1 onderdeel d Jeugdwet). Hieronder wordt ook verstaan het aanspreken van een vergoeding van een aanvullende (zorg)verzekering die een oplossing kan bieden, dan wel het afsluiten van een deze verzekering in de toekomst. Pas als blijkt dat cliënten er zelf, met hulp van de omgeving, niet of slechts gedeeltelijk uitkomen, moet het college een voorziening treffen.
In lid 1 onderdeel b is vastgelegd dat een algemene (vrij toegankelijke) voorziening voorrang heeft boven een individuele voorziening. Met andere woorden: is er een algemene voorziening beschikbaar die tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de cliënt, dan hoeft het college geen individuele voorziening te treffen.
Het college hoeft evenmin een voorziening te verstrekken als cliënten gebruik kunnen maken van een andere (voorliggende) voorziening (lid 1 onderdeel c). Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijv. Wmo of Wlz). Dit vloeit overigens reeds voort uit artikel 1.2 Jeugdwet, maar is voor de volledigheid ook hier opgenomen.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat wanneer slechts een gedeelte van de hulpvraag opgelost kan worden door bijv. het eigen netwerk of een andere voorliggende voorziening, het college nog steeds een voorziening zal moeten treffen voor de resterende ondersteuningsbehoefte. Dat volgt uit het gebruik van de zinsnede "voor zover" in de aanhef van deze bepaling.
In lid 2 en 3 is bepaald dat er slechts een voorziening voor reeds gemaakte kosten verstrekt kan worden áls op moment van melding of aanvraag nog steeds sprake is van de problematiek en de noodzaak en passendheid van de voorziening alsnog te beoordelen is. Indien het een niet gecontracteerde aanbieder betreft, wordt beoordeeld óf er een passende ZIN-aanbieder beschikbaar is die de hulp kan bieden. Door de ouders ingezette niet gecontracteerde hulp wordt dan tot uiterlijk voortgezet tot de datum waarop de gecontracteerde aanbieder de hulp over kan nemen.
In het vierde lid worden een aantal weigeringsgronden genoemd voor het niet verstrekken van een voorziening.
Indien de cliënt een aanvraag bij het college indient of als overeenkomstig artikel 3 lid 2 verwijzing door de arts heeft plaatsgevonden, moet het college een schriftelijke beschikking opstellen. Hiertegen kan de cliënt bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Uitzonderingen zijn onder meer beschikkingen die inhouden dat gesloten jeugdhulp nodig is of een door de gecertificeerde instelling genomen besluit tot verlening van jeugdhulp op grond van artikel 3.5 lid 1 van de wet (artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb wordt hiertoe aangepast).
De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.
Hoofdstuk 6: Regels voor persoonsgebonden budget
Als de client om een pgb verzoekt, dan moet dit verzoek onderbouwen (en indienen) door middel van het door het college vastgestelde format van budgetplan. In dit plan zijn alle relevante beoordelings-aspecten opgenomen.
Het college kan op grond van artikel 8.1.1 van de wet een pgb verstrekken als voldaan is aan de gestelde voorwaarden.
Lid 2 is een uitwerking van artikel 8.1.1 lid 3 van de wet dat de gemeenteraad de bevoegdheid geeft te bepalen onder welke voorwaarden de pgb-houder de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
Artikel 17. Formele hulp (professional)
In dit artikel zijn de voorwaarden genoemd om aangemerkt te worden als een professional c.q. formele hulp.
In dit artikel zijn de bepalingen opgenomen wanneer er een pgb voor informele hulp verstrekt kan worden en waar dit aan moet voldoen.
In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. De maximale hoogte van een pgb is begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte individuele voorziening in natura (lid 1).
Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening in natura (artikel 8.1.1, vierde lid, onderdeel a, van de wet). De situatie waarin het door de jeugdige of zijn ouders beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. De cliënt kan zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen individuele voorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb.
In het derde lid is bepaald dat het budget binnen 6 maanden na toekenning gebruikt moet worden voor het doel waarvoor het is verstrekt. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de situatie waarin het recht oneindig open zou moeten staan.
In het zesde lid is de hoogte van het pgb opgenomen die geldt voor zorgverleners uit het sociale netwerk (informele hulp). Deze is gelijk aan het bruto minimumuurloon + € 1,00 die op 1 januari geldt van het betrekking hebbende kalender jaar. Het wettelijk minimumuurloon wordt met € 1,00 verhoogd, zodat het maximum uurtarief altijd hoger is dan het wettelijk minimumloon. Ook als er in het jaar tussentijds een indexeringsverhoging doorgevoerd is.
In het achtste lid is een extra tegemoetkoming opgenomen voor ouders (en of het netwerk) die langdurig 24 uur per dag zorg in de nabijheid en toezicht moeten verlenen aan de jeugdige vanaf 8 jaar 8. Dit betreffen voornamelijk jeugdigen die naar verwachting in aanmerking komen voor een indicatie Wlz, maar deze indicatie nog niet hebben gekregen. Bijvoorbeeld omdat de blijvende zorgbehoefte nog niet duidelijk is en/of er nog een ontwikkeling mogelijk is. In aanleg wordt alles van de ouder verwacht om de jeugdige gezond en veilig op te laten groeien, ook als er sprake is van een ziekte, stoornis of beperking. Op basis van het afwegingskader eigen kracht kan hier in principe geen voorziening voor verstrekt worden. Voor deze doelgroep wordt echter toch een begunstigende bepaling opgenomen in de vorm van een tegemoetkoming waarmee het gezin zichzelf beschikbaar kan maken en houden door het budget ook te benutten om zichzelf te ontlasten zodat de draagkracht en draaglast in balans blijft. De reden hiervoor is dat deze ouders minder keuzevrijheid hebben en veel meer (bovengebruikelijke)zorg moeten verlenen in relatie tot andere gezinnen. Om dit onevenredige verschil enigszins te beteugelen; én de doorloop naar de Wlz al in gang te zetten, wordt een tegemoetkoming verstrekt als de noodzaak voor de 24-uurs zorg in de nabijheid en toezicht door een onafhankelijk arts is vastgesteld én een Wlz-indicatie nog niet is verkregen.
De tegemoetkoming is gemaximeerd tot 9 uur per week x het tarief van het zesde lid. De achterliggende gedachte hiervan is dat (een van de) ouders met kinderen gemiddeld drie dagen per week werken (bron CBS). Daarnaast heeft een jeugdige van 8 jaar of ouder doorgaans een daginvulling op school of een onderwijsalternatief. De tijd tussen terugkomst van school tot fictieve einde werkdag is 3 uur per dag, en dat maakt dat de bovenwettelijke begunstigende bepaling vastgesteld wordt op 3x3= 9 uur per week.
Voor overige voorzieningen is geen informeel tarief vastgesteld, omdat dit gespecialiseerde jeugdhulp betreft dat niet bij het sociaal netwerk belegd wordt (zie artikel 11 lid 3 van deze verordening).
Hoofdstuk 7: Herziening, Intrekking, terugvordering en controle
Artikel 20. Herziening, intrekking en terugvordering
Lid 1 regelt in welke gevallen het college een besluit tot het verlenen van een individuele voorziening kan intrekken of herzien. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Deze bepaling in de verordening breidt dit uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een ‘kan’- bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking.
Intrekking of herziening van een jeugdhulp-voorziening kan leiden tot de conclusie dat ten onrechte of teveel hulp is verstrekt. Lid 2 regelt dat het college in dat geval bevoegd is de geldswaarde van de teveel of ten onrechte verstrekte voorziening en/of pgb terug te vorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang deze bepaling op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.
Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de wet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Essentieel is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet.
Hoofdstuk 8: Verhouding prijs en kwaliteit
Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.
De inkoop van zorg vindt voor de gemeente Oldenzaal plaats binnen het regionaal samenwerkingsverband OZJT/Samen14. In de inkoopbestekken die OZJT/Samen14 hanteert zijn specifieke kwaliteitseisen en criteria opgenomen die ook zien op de borging van een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit. In deze bepaling wordt dan ook verwezen naar de eisen die op dit vlak zijn opgenomen in de inkoopbestekken.
Hoofdstuk 9: Vertrouwenspersoon, klachten en medezeggenschap
Artikel 23. Vertrouwenspersoon
In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie.
De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. In het landelijke Uitvoeringsbesluit Jeugdwet (AmvB) wordt een nadere uitwerking gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon.
Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. In deze verordening is daartoe een algemene bepaling opgenomen om te voorkomen dat als de verordening over klachten wijzigt deze verordening ook aangepast moet worden.
Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten cliënten zich richten tot de instelling die de hulpverlening biedt. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.
Artikel 25. Inspraak en medezeggenschap
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid.
Lid 1 verwijst naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugdbeleid als op andere terreinen. De gemeente Oldenzaal wijst in deze verordening de adviescommissie Participatie aan als adviesorgaan dat betrokken wordt bij de voorbereiding en ontwikkeling van het jeugdbeleid.
In lid 4 wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
Artikel 26. Nadere regels en hardheidsclausule
Lid 1 biedt het college de mogelijkheid in alle niet voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken. Lid 3 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende kan afwijken van de bepalingen van deze verordening (en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of zijn ouders.
Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.
Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
In dit artikel is het overgangsrecht geregeld. In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Omdat dit voor de cliënt nadelige gevolgen kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als dit evident voordeliger is voor de cliënt. Dit moet voorkomen dat de cliënt gedupeerd is als zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is geweest en zijn rechtspositie door het tijdsverloop wordt aangetast. Dezelfde regeling is voor de bezwaarfase opgenomen in het zesde lid opgenomen.
Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel
Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-100211.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.