Beleidsregels bijzondere bijstand Gooise Meren 2024

Burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren

gelet op artikel 35 van de Participatiewet

 

b e s l u i t e n:

 

tot het vaststellen van de

Beleidsregels bijzondere bijstand Gooise Meren 2024

 

Algemeen

Deze beleidsregels gaan over wat de gemeente kan doen als inwoners bepaalde noodzakelijke kosten niet kunnen betalen. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf aan zet als er financiële problemen zijn. Als het inwoners niet lukt om zelf hun kosten te betalen, kan de gemeente hulp bieden. Die hulp heet bijzondere bijstand, en is bedoeld om inwoners te helpen onverwachte noodzakelijke kosten te betalen als ze dat zelf niet meer kunnen. Hoe en wanneer die hulp gegeven kan worden, leggen we in deze beleidsregels uit. Het zijn regels op hoofdlijnen. Per situatie onderzoekt de gemeente wat de beste oplossing is voor het probleem van de inwoner. Dat noemen we maatwerk.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      AZC: Asielzoekerscentrum;

    • b.

      belanghebbende: degene die bijzondere bijstand aanvraagt;

    • c.

      de gemeente: het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren;

    • d.

      draagkracht: de middelen waar de belanghebbende over beschikt of redelijkerwijs kan beschikken om in de kosten te voldoen. Draagkracht in relatie tot bijzondere bijstand wordt uitgedrukt in een percentage van de voor de bijzondere bijstand in aanmerking te nemen middelen;

    • e.

      de wet: de Participatiewet;

    • f.

      Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • g.

      Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • h.

      Nibud prijzengids: de meest recente prijzengids van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting;

    • i.

      Pgb: persoonsgebonden budget;

    • j.

      rekenhuur: kale huur vermeerderd met de servicekosten;

    • k.

      vermogen: vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet;

    • l.

      Wht: Wet op de huurtoeslag;

    • m.

      Wlz: Wet langdurige zorg;

    • n.

      Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • o.

      Wrb: Wet op de rechtsbijstand;

    • p.

      WSF: Wet studiefinanciering 2000;

    • q.

      Wsnp: Wet schuldsanering natuurlijke personen;

    • r.

      Zvw: Zorgverzekeringswet.

Artikel 2: Moment van aanvraag en bijzondere bijstand met terugwerkende kracht

Een aanvraag bijzondere bijstand moet worden ingediend binnen 3 maanden nadat de kosten zijn ontstaan, waarbij het niet uitmaakt of de kosten al zijn betaald.

Artikel 3: Aanvraag en bewijsstukken

  • 1.

    Een aanvraag om bijzondere bijstand kan het beste via een schriftelijk of digitaal aanvraagformulier van de gemeente worden ingediend.

  • 2.

    Belanghebbende moet bij zijn aanvraag in ieder geval de volgende stukken te overleggen:

    • a.

      bewijsstukken van de kosten.

    • b.

      bewijsstukken van inkomen en vermogen als belanghebbende geen bijstandsuitkering van de gemeente ontvangt.

  • 3.

    De gemeente kan, als zij dit voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk vindt, aanvullende gegevens vragen.

Artikel 4: Vaststellen van het inkomen

  • 1.

    Bij het vaststellen van het inkomen wordt uitgegaan van de in aanmerking te nemen middelen, zoals vastgesteld in artikel 32 en 33 van de wet.

  • 2.

    Het inkomen van de belanghebbende die geen bijstandsuitkering voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan ontvangt, wordt vastgesteld aan de hand van de inkomensspecificatie van de maand voorafgaand aan de aanvraagdatum.

  • 3.

    Heeft belanghebbende een wisselend inkomen dan wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen ontvangen in de drie maanden voorafgaand aan de aanvraagdatum.

  • 4.

    Is de belanghebbende zelfstandige, dan wordt uitgegaan van het inkomen op de meest recente (voorlopige) aanslag inkomstenbelasting.

  • 5.

    Het inkomen wordt vastgesteld exclusief vakantietoeslag.

  • 6.

    In de volgende situaties wordt bij de bepaling van het inkomen uitgegaan van het feitelijk besteedbaar inkomen:

    • a.

      Wettelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen;

    • b.

      Aflossing schuldsaneringskrediet bij de Kredietbank of een andere organisatie;

    • c.

      Executoriaal beslag of derdenbeslag;

  • 7.

    Een Wajong- of AOW-uitkering wordt voor de berekening van de draagkracht gelijkgesteld met de bijstandsnorm die voor belanghebbende geldt.

Artikel 5: Vaststellen van het vermogen

  • 1.

    Bij het vaststellen van het vermogen wordt uitgegaan van de in aanmerking te nemen middelen, zoals vastgesteld in artikel 34 van de wet.

  • 2.

    De peildatum voor de vaststelling van de hoogte van het vermogen is de aanvraagdatum.

  • 3.

    Als belanghebbende een motorvoertuig bezit wordt de waarde hiervan tot maximaal € 3500 niet in aanmerking genomen.

  • 4.

    Het vermogen in de door belanghebbende zelf bewoonde eigen woning wordt niet in aanmerking genomen.

  • 5.

    Op het vermogen wordt éénmaal de maandelijkse bijstandsnorm in mindering worden gebracht.

Artikel 6: Berekening hoogte draagkracht

  • 1.

    Er is geen sprake van draagkracht uit inkomen als het inkomen minder is dan 120 procent van de bijstandsnorm.

  • 2.

    Van het inkomen tussen 120 procent en 140 procent van de bijstandsnorm geldt een draagkracht van 25 procent.

  • 3.

    Van het inkomen tussen 140 procent en 200 procent van de bijstandsnorm geldt een draagkracht van 50 procent.

  • 4.

    Van het inkomen boven 200 procent van de bijstandsnorm geldt een draagkracht van 100 procent.

  • 5.

    Voor de volgende kosten geldt, in afwijking van het eerste, tweede en derde lid, een draagkrachtpercentage van 100% van het inkomen boven de bijstandsnorm:

    • a.

      woonkostentoeslag;

    • b.

      inrichtingskosten;

    • c.

      duurzame gebruiksgoederen;

    • d.

      uitvaartkosten;

    • e.

      kosten van beschermingsbewind, curatele en mentorschap;

  • 6.

    Bij de bepaling van de draagkracht wordt de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet buiten beschouwing gelaten.

  • 7.

    Er is geen sprake van draagkracht uit vermogen wanneer het vastgestelde vermogen lager is dan de van toepassing zijnde grens als bedoeld in artikel 34 Participatiewet. Het vermogen boven deze grens wordt volledig in aanmerking genomen als draagkracht.

  • 8.

    In afwijking van lid zeven wordt bij de volgende kostensoorten al het vermogen tot de draagkracht gerekend:

    • a.

      woonkostentoeslag;

    • b.

      inrichtingskosten;

    • c.

      duurzame gebruiksgoederen;

    • d.

      uitvaartkosten.

  • 9.

    Bij periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht maandelijks verrekend. Bij incidentele bijzondere bijstand wordt dit in één keer verrekend met de bijzondere bijstand.

Artikel 7: Draagkrachtperiode

  • 1.

    De draagkracht wordt voor een periode van twaalf maanden vastgesteld, en gaat in op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere bijstand is toegekend.

  • 2.

    Als er geen sprake is van draagkracht uit inkomen en/of vermogen, wordt in afwijking van lid 1 de draagkracht vastgesteld voor een periode van drie jaar voor belanghebbenden die uitsluitend een bijstandsuitkering, AOW, WAO, WIA of een Wajonguitkering ontvangen.

Artikel 8: Bijstand in de vorm van een lening

  • 1.

    Bij duurzame gebruiksgoederen en in situaties zoals bedoeld in artikel 48, tweede lid onderdelen a en b van de wet wordt de bijzondere bijstand verleend in de vorm van een renteloze geldlening.

  • 2.

    De geldlening moet terug worden betaald door maandelijkse aflossing.

  • 3.

    De aflossing bedraagt 5% van de geldende bijstandsnorm.

  • 4.

    Als er sprake is van een minnelijke schuldregeling of Wsnp wordt de bijstand in afwijking van lid twee verstrekt als een lening met uitgestelde aflossing, die wordt omgezet in bijstand om niet als de schuldregeling positief is doorlopen en afgerond.

Artikel 9: Hoogte van de bijzondere bijstand

  • 1.

    Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de meest goedkope en adequate voorziening waarbij maximaal de normbedragen uit de Nibud prijzengids worden gehanteerd.

  • 2.

    Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt rekening gehouden met de noodzakelijke kosten die worden uitgespaard.

Artikel 10: Bijzondere bijstand voor jongeren van 18-21 jaar

  • 1.

    Personen van 18, 19 en 20 jaar kunnen bijzondere bijstand aanvragen voor zover de middelen van de ouders niet toereikend zijn. Daarbij moet rekening worden gehouden met de draagkracht van zowel de ouders als de belanghebbende.

  • 2.

    Ouders zijn onderhoudsplichtig voor hun meerderjarige kind tot 21 jaar, tenzij het kind hiervoor redelijkerwijs geen beroep kan doen op de ouders.

Hoofdstuk 2 Bijzondere bijstand voor medische kosten

Artikel 11: Algemene bepalingen

Voor medische kosten worden de Zvw, de Wlz, de WMO 2015 en de Jeugdwet gezien als een voorliggende voorziening.

Artikel 12: Brillen en contactlenzen

  • 1.

    Voor de kosten van de aanschaf van een bril (montuur en/of glazen) of contactlenzen kan eenmaal per drie jaar bijzondere bijstand worden verleend tot een bedrag van maximaal € 300,00.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan binnen de periode van drie jaar bijzondere bijstand worden verstrekt wanneer sprake is van:

    • een wijziging van de sterkte van de ogen van minimaal +1 of -1 vanaf datum aanschaf eerdere bril en/of lenzen;

    • een noodzakelijke vervanging van de gehele bril of lenzen als een vergoeding vanuit de zorgverzekeraar niet mogelijk is.

Artikel 13: Hoortoestel

  • 1.

    Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor de eigen bijdrage van het hoortoestel, batterijen en/of accu’s minus de vergoeding uit de aanvullende zorgverzekering.

  • 2.

    Accessoires komen niet voor vergoeding uit bijzondere bijstand in aanmerking.

Artikel 14: Tandartskosten

Voor tandartskosten wordt bijzondere bijstand verstrekt tot een maximumbedrag van € 300,- per persoon per kalenderjaar.

Artikel 15: Orthodontiekosten

  • 1.

    Voor personen van achttien jaar of ouder wordt bijzondere bijstand verstrekt tot een maximumbedrag van € 250,- per persoon.

  • 2.

    Voor personen jonger dan achttien jaar wordt bijzondere bijstand verstrekt tot een maximumbedrag van € 1000,- per persoon.

Hoofdstuk 3 Overige kosten

Artikel 16: Reiskosten

  • 1.

    Reiskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waar belanghebbende in beginsel zelf in moet voorzien.

  • 2.

    Voor de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de goedkoopste manier van reizen met het openbaar vervoer.

  • 3.

    Reiskosten bij bezoek aan gezinsleden in een instelling komen in aanmerking voor bijzondere bijstand met een maximum van 4 keer per maand.

Artikel 17: Uitvaartkosten

  • 1.

    Uitvaartkosten behoren tot de bijzondere, noodzakelijke kosten van het bestaan. In deze kosten kan worden voorzien door de nalatenschap van de overledene en/of een uitvaartverzekering. De wettelijke of per testament bepaalde erfgenamen zijn aansprakelijk voor de kosten van de uitvaart.

  • 2.

    Als de erfgenaam (zijn of haar deel van) de kosten niet kan betalen, kan er bijzondere bijstand worden verleend.

  • 3.

    De maximale vergoeding voor uitvaartkosten is €5.000,- (naar rato verdeeld over het aantal erfgenamen).

Artikel 18: Beschermingsbewind, curatele en mentorschap

  • 1.

    Voor de kosten van beschermingsbewind, curatele en mentorschap wordt bijzondere bijstand verleend, als de noodzaak blijkt uit een beschikking van de rechtbank.

  • 2.

    Bijzondere bijstand wordt verleend voor de in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren genoemde kosten en de kosten van griffierecht.

  • 3.

    Voor de beheerskosten van een Pgb wordt geen bijzondere bijstand verleend, als er sprake is geweest van een specifiek, concreet keuzemoment waarin de belanghebbende heeft gekozen voor zorg via een Pgb, terwijl zorg in natura ook mogelijk was.

Artikel 19: Budgetbeheer

  • 1.

    Voor de kosten van budgetbeheer kan bijzondere bijstand worden verleend, als aan alle voorwaarden uit dit artikel wordt voldaan.

  • 2.

    De noodzaak tot budgetbeheer en de looptijd van dit traject dient te blijken uit een beoordeling van de afdeling schuldhulpverlening van de gemeente.

  • 3.

    De hoogte van de maandelijkse vergoeding bedraagt maximaal 60% van de kosten van bewind genoemd in artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

  • 4.

    De budgetbeheerder dient aangesloten te zijn bij de brancheorganisatie NVVK.

Artikel 20: Rechtsbijstand en griffierechten

  • 1.

    Voor de kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierechten kan bijzondere bijstand worden verleend als een toevoeging hiervoor is afgegeven door de Raad voor Rechtsbijstand.

  • 2.

    Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt altijd rekening gehouden met de toepasselijke korting van het Juridische Loket.

  • 3.

    Kosten die via de gerechtelijke procedure aan belanghebbende worden vergoed moeten worden terugbetaald, wanneer hiervoor bijzondere bijstand is verstrekt.

Artikel 21: Bijzondere bijstand voor noodzakelijke bestaanskosten van jongeren van 18-21 jaar

  • 1.

    Voor kosten levensonderhoud van zelfstandig wonende jongeren van 18 tot 21 jaar kan bijzondere bijstand worden verleend, wanneer men geen beroep kan doen op eigen middelen en de onderhoudsplicht.

  • 2.

    De jongere als bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken als:

    • a.

      de ouder(s) is/zijn overleden of in het buitenland woont/wonen en deze onbereikbaar is/zijn;

    • b.

      de jongere in het kader van de Wet op de jeugdzorg/Jeugdwet destijds buiten het gezin is geplaatst;

    • c.

      de jongere op de ingangsdatum van de bijstandsverlening twaalf maanden of langer zelfstandig woont;

    • d.

      er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de minderjarige zelf geen verandering kan worden gebracht.

  • 3.

    De bijzondere bijstand voor levensonderhoud vult het aanwezige inkomen aan tot de bijstandsnorm die voor belanghebbende zou gelden als hij 21 jaar is.

Artikel 22: Inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    Inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen behoren tot de algemene kosten van bestaan, waarvoor geen bijzondere bijstand mogelijk is. Deze kosten kunnen worden voldaan uit het inkomen of door gespreide betaling achteraf, bijvoorbeeld door een geldlening van de Kredietbank.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is bijzondere bijstand mogelijk als er sprake is van een noodzakelijke verhuizing die op geen enkele manier voorzienbaar is.

Artikel 23: Inrichtingskosten, duurzame gebruiksgoederen en eerste huur nieuwkomers

  • 1.

    Als er sprake is van een eerste vestiging na het verlaten van het AZC komen inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen in aanmerking voor vergoeding vanuit bijzondere bijstand.

  • 2.

    Voor nieuwkomers geldt dat zij een totale lening bij de Kredietbank kunnen aanvragen. De gemeente geeft een borgstelling voor de lening af en verstrekt suppletie voor de aflossing.

  • 3.

    Als de aanvraag betrekking heeft op de volledige inrichting van een woning, bedraagt de renteloze lening maximaal het normbedrag van de Kredietbank. Dit normbedrag is afhankelijk van de gezinssamenstelling van de belanghebbende.

  • 4.

    Bij samenloop van een lening bij de Kredietbank en een geldlening voor bijzondere bijstand moet eerst de lening van de Kredietbank te worden afgelost.

  • 5.

    Als er sprake is van een eerste vestiging na het verlaten van het AZC komt de eerste verhuurnota in aanmerking voor bijzondere bijstand.

Artikel 24: Verhuiskosten en eerste huur

  • 1.

    Kosten in verband met verhuizing (transportkosten, dubbele huur, administratiekosten) behoren tot de algemene kosten van bestaan, waarvoor geen bijzondere bijstand mogelijk is. Deze kosten kunnen worden voldaan uit het inkomen of door gespreide betaling achteraf, bijvoorbeeld door een geldlening van de Kredietbank.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid van dit artikel is bijzondere bijstand mogelijk als:

    • a.

      er sprake is van een noodzakelijke verhuizing die op geen enkele manier voorzienbaar is;

    • b.

      er sprake is van een eerste vestiging na het verlaten van het AZC.

Artikel 25: Woonkostentoeslag bij een huurwoning

  • 1.

    Bijzondere bijstand kan worden verleend als belanghebbende door een onverwachte terugval in de inkomens- en/of vermogenssituatie niet in staat is de huur volledig te betalen en geen beroep kan doen op de Wht.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het bedrag dat volgens de berekening van de Wht per maand zou worden toegekend, wanneer hier wel volledig recht op zou bestaan.

  • 3.

    De kosten van huur die boven de maximale huurgrens uitkomen worden tot maximaal vijftig procent van de huurtoeslaggrens vergoed.

  • 4.

    Wanneer bij de berekening van het inkomen voor de vaststelling van de huurtoeslag rekening is gehouden met de inkomens van medebewoners en daardoor de huurtoeslag is verlaagd of afgewezen, kan daarvoor geen bijzondere bijstand ter compensatie worden toegekend.

  • 5.

    De woonkostentoeslag wordt voor zes maanden toegekend. Aan het verstrekken van de woonkostentoeslag wordt een verhuisverplichting verbonden om te zoeken naar een huurwoning met een huur lager dan de huurtoeslaggrens.

  • 6.

    De periode als bedoeld in lid vijf kan met maximaal zes maanden worden verlengd als belanghebbende buiten zijn schuld nog geen woning heeft kunnen krijgen waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag. Dit houdt in ieder geval in dat belanghebbende heeft aangetoond:

    • a.

      in de afgelopen zes maanden actief naar goedkopere woonruimte te hebben gezocht en ook buiten de regio Gooi en Vechtstreek heeft gezocht. Met goedkopere woonruimte wordt bedoeld woonruimte met een huur lager dan de huurtoeslaggrens;

    • b.

      in de afgelopen zes maanden ingeschreven te hebben gestaan als woningzoekende bij Woningnet;

    • c.

      consequent en adequaat te hebben gereageerd op elke (aangeboden) woning met een huur lager dan de huurtoeslaggrens, ongeacht de aard of ligging van de woning;

    • d.

      geen passende woonruimte te hebben geweigerd;

    • e.

      alles in het werk te hebben gesteld om goedkopere woonruimte te verkrijgen.

Artikel 26: Woonkostentoeslag bij een koopwoning

  • 1.

    Woonkostentoeslag kan alleen worden verleend als belanghebbende de woning bezit en bewoont, er sprake is van een onverwachte terugval in de inkomens- en/of vermogenssituatie en de belanghebbende niet in staat is de woonkosten te betalen.

  • 2.

    De woonkostentoeslag wordt berekend volgens de systematiek van de Wht, waarbij alleen de volgende woonkosten voor woonkostentoeslag in aanmerking komen:

    • a.

      de kosten van hypotheekrente per maand, na aftrek van de hiermee verband houdende belastingteruggaaf;

    • b.

      de zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, zoals de rioolrechten, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten, het erfpachtcanon, de premies van verzekeringen tegen brand- en stormschade en het eigenaarsgedeelte onroerende zaakbelasting per maand.

  • 3.

    De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die belanghebbende op grond van de Wht, gelet op zijn financiële situatie, voor de woonkosten per maand zou ontvangen.

  • 4.

    De woonkosten die boven de maximale huurgrens uitkomen worden tot maximaal vijftig procent van de huurtoeslaggrens vergoed.

  • 5.

    De woonkostentoeslag wordt voor een jaar toegekend. Aan de verlening van de woonkostentoeslag wordt de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting waarvoor recht bestaat op huurtoeslag.

  • 6.

    De periode als bedoeld in lid vijf kan worden verlengd als belanghebbende buiten zijn schuld nog geen huurwoning met een huur lager dan de huurtoeslaggrens heeft kunnen krijgen. Dit houdt in ieder geval in dat belanghebbende:

    • a.

      Een jaar actief naar goedkopere woonruimte heeft gezocht waarvoor recht bestaat op huurtoeslag, ook buiten de regio Gooi en Vechtstreek. Dit betekent dat belanghebbende aantoonbaar consequent en adequaat gereageerd heeft op elke aangeboden woning met een huur lager dan de huurtoeslaggrens, ongeacht de aard of ligging van de woning;

    • b.

      alles in het werk zal stellen om de woning te verkopen als er uitzicht is op goedkopere woonruimte: schakelt een makelaar in, zet via een advertentie de woning te koop (krant, toegankelijke websites voor het aanbieden van de koopwoning);

    • c.

      geen passende woonruimte heeft geweigerd.

  • 7.

    Jaarlijks vindt er een herbeoordeling van de situatie plaats.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 27: Inwerkingtreding en overgangsrecht

Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2024, onder gelijktijdige intrekking van Beleidsregels bijzondere bijstand Gooise Meren 2019.

Artikel 28: Hardheidsclausule

De gemeente kan in bijzondere individuele gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze regeling als deze regeling tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 29: Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als ‘Beleidsregels bijzondere bijstand Gooise Meren 2024’.

Naar boven