Gemeenteblad van Lansingerland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lansingerland | Gemeenteblad 2024, 550345 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lansingerland | Gemeenteblad 2024, 550345 | beleidsregel |
In artikel 13, lid 1 van de Financiële verordening gemeente Lansingerland 2024 is bepaald, dat het college ten minste eenmaal in de vier jaar een (bijgestelde) Nota Activabeleid aanbiedt aan de raad. Deze nota geeft de kaders weer voor het activeren van uitgaven als vaste activa en de waardering en afschrijving hiervan.
Doel van deze nota is het verschaffen van inzicht in de richtlijnen van het “Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten” (BBV) met betrekking tot activering en waardering. Daarnaast heeft deze nota tot doel het actualiseren en waar nodig formuleren van beleid en het vastleggen van uniforme regels voor het waarderen, activeren en afschrijven van vaste activa.
Een duidelijk activabeleid draagt bij aan een goed inzicht in de vermogenspositie en de financiële resultaten van de gemeente.
De Nota Activabeleid 2024 is gebaseerd op het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV), aangevuld met het gestelde in de “Notitie Materiële vaste activa” van januari 2020 en de vragen en antwoorden op de site van de commissie BBV, welke een dwingend karakter hebben en daarmee een nadere toelichting geven op de invulling en reikwijdte van het BBV.
De Nota Activabeleid 2024 is van toepassing op nieuw te activeren investeringen vanaf 2024. Daarnaast gelden de hernieuwde inzichten inzake de afschrijvingstermijnen voor alle activa van de gemeente. De financiële consequenties hiervan moeten echter al in de Begroting 2025-2029 worden verwerkt. Vaststelling van de Nota Activabeleid 2024 zal derhalve door de gemeenteraad voorafgaand aan de begrotingsvaststelling moeten plaatsvinden. Ten minste eenmaal in de vier jaar wordt deze nota beoordeeld op actualiteit en toepasbaarheid, of zoveel vaker als gewijzigde wet- en regelgeving of omstandigheden dit vereisen.
Er kunnen zich omstandigheden voordoen, die een gegronde reden vormen om af te wijken van de Nota Activabeleid 2024, bijvoorbeeld omdat voldaan moet worden aan bepaalde Rijksvoorschriften.
Indien het voornemen bestaat om af te wijken van de in deze nota vermelde richtlijnen wordt dit in het betreffende raadsvoorstel gemotiveerd toegelicht. Hierbij dient vanzelfsprekend rekening te worden gehouden met de (on)mogelijkheden die het BBV en overige relevante wet- en regelgeving bieden.
Investeringen zijn uitgaven voor (productie)middelen, kapitaalgoederen of gebruiksgoederen waarvan het gebruiksnut zich uitstrekt over meerdere jaren. Om die reden dienen de lasten ervan ook over meerdere jaren (verwachte gebruiksduur) te worden gespreid door middel van activeren en afschrijven.
Bij activering draait het dus om de vraag of uitgaven meerjarig nut hebben en in welke gevallen dergelijke uitgaven volgens de verslaggevingsrichtlijnen moeten (of mogen) worden geactiveerd en daarmee dus als vaste activa worden beschouwd.
3.2 Kapitaallasten (afschrijvingen en rentelasten)
Afschrijven op investeringen is het zichtbaar maken van de waardevermindering van kapitaalgoederen. Afschrijven heeft tot doel:
Op grond van artikel 64 BBV moeten bij afschrijvingen de volgende algemene regels in acht worden genomen:
In artikel 65 BBV worden de voorwaarden opgesomd wanneer er extra, resultaatonafhankelijk, moet worden afgeschreven:
Ook is in het BBV bepaald dat niet wordt afgeschreven op gronden en terreinen, omdat dergelijke activa geen beperkte gebruiksduur hebben en niet aan slijtage onderhevig zijn.
Naast afschrijvingen worden ook rentelasten ten laste gebracht van de exploitatie. Door het toerekenen van rentelasten aan investeringen wordt inzicht gegeven welke lasten de financiering van het actief met zich meebrengt. Tezamen met de afschrijvingslasten vormen zij de kapitaallasten die uit een investering van een actief voortvloeien.
4.1 Indeling van activa op de balans
Uitgaven voor zaken die een meerjarig economisch of maatschappelijk nut hebben dienen in beginsel te worden geactiveerd en in de uiteenzetting van de financiële positie (de programmabegroting) en op de balans (jaarrekening) tot uitdrukking gebracht te worden.
Het BBV schrijft voor (artikel 33) dat de vaste activa worden onderscheiden in:
Het onderscheid is bepalend voor de vraag of bepaalde uitgaven moeten of mogen worden geactiveerd en op welke wijze deze in de financiële verslaggeving dienen te worden opgenomen.
4.1.1 Immateriële vaste activa
In de programmabegroting en de jaarrekening dienen onder de immateriële vaste activa, conform artikel 34 BBV, afzonderlijk te worden opgenomen:
Volgens artikel 35 BBV moeten onder de materiële vaste activa afzonderlijk worden opgenomen:
Indien van toepassing dient per activum aangegeven te worden dat deze in erfpacht zijn uitgegeven
In artikel 63 lid 1 BBV is bepaald dat in beginsel één waarderingsgrondslag wordt gehanteerd, namelijk de historische kostprijs (de verkrijgingprijs of de vervaardigingprijs). Dat is als volgt omschreven:
De vervaardigingprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van dat actief kan worden toegerekend (art. 63 lid 3).
Activering dient bruto plaats te vinden. Dit houdt in dat ingezette reserves enkel ter dekking mogen dienen van de kapitaallasten, maar niet als vermindering op de investering mogen worden verantwoord. Enkel bijdragen van derden, welke specifiek worden verstrekt voor de ontwikkeling van een actief mogen in mindering worden gebracht.
Het activeren van relatief veel kleine investeringen is vanuit bedrijfseconomisch oogpunt niet wenselijk. Door een ondergrens af te spreken kunnen kleine investeringen buiten de activering blijven en meteen in het betreffende jaar ten laste van het resultaat worden gebracht. Gronden en terreinen worden uitgezonderd van dit uitgangspunt, aangezien de gemeente altijd een actuele en volledige registratie wil hebben van de gronden in haar bezit. In het BBV is bepaald dat het instellen van een grens raadzaam is. Enige restrictie die hieraan is verbonden dat de grens niet dermate hoog mag zijn dat als gevolg van de gestelde grens activa categorieën bij voorbaat worden uitgesloten van activeren.
5.3 In erfpacht uitgegeven gronden
Volgens artikel 63 lid 4 BBV geldt voor in erfpacht uitgegeven gronden de uitgifteprijs van eerste uitgifte als verkrijgingprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde.
In Lansingerland wordt op dit moment geen grond in erfpacht uitgegeven.
De componentenbenadering houdt in dat de verschillende onderdelen van een actief afzonderlijk worden geactiveerd en dat op deze onderdelen wordt afgeschreven op basis van de voor dat onderdeel geldende gebruiksduur. Als voorbeeld kan worden genoemd de bouw van een gemeentehuis of een zwembad, waarbij verschillende afschrijvingstermijnen worden gehanteerd voor de opstallen en voor technische installaties (liften, luchtbehandeling, e.d.). In Lansingerland passen wij de componentenbenadering onder andere toe op het gemeentehuis. Indien de componentenmethode wordt toegepast, wordt dit expliciet in het raadsbesluit voor de investering opgenomen.
5.5 Toerekening van VAT-kosten
Het BBV schrijft voor dat alle directe kosten in relatie tot de ontwikkeling van een actief (investering) dienen te worden toegerekend. Het gaat hier om de kosten van voorbereiding, administratie en toezicht (VAT-kosten). Om eenduidigheid te verkrijgen in de verkrijgingsprijs van een actief kiezen wij ervoor om zowel de kosten van intern personeel als van extern personeel toe te rekenen aan de investering. De kosten van zowel intern- als extern personeel worden verhoogd met een vast bedrag per toegerekend uur voor overhead. Het overhead bedrag wordt jaarlijks bij de begroting bepaald. Deze verwerkingswijze is gelijk aan de wijze waarop wij de kosten toerekenen aan onze grondexploitaties. Hierdoor ontstaat vanaf nu een eenduidige wijze van activeren van kosten op investeringen en grondexploitaties.
De toerekeningen van deze personeelskosten, inclusief overhead zal leiden tot een beter inzicht in de werkelijke kosten die drukken op onze exploitatie en de kosten die voortvloeien uit investeringsprojecten die worden uitgevoerd. Nadeel van deze methode is dat bij achterblijvende uitvoering van investeringen de toe te rekenen uren en overhead weer ten laste van de exploitatiebegroting in dat jaar komen. Om dit risico te ondervangen monitoren wij de voortgang van de uitvoering van investeringen gedurende het jaar en nemen actie waar dat nodig is (terugbrengen capaciteit bij achterblijvende investeringen). De nu gekozen methodiek in het Meerjaren Investeringsplan (MIP) van het realistisch en integraal plannen van investeringen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de beschikbare uitvoeringcapaciteit, verkleint het genoemde risico.
De gemeente hanteert de lineaire methode als afschrijvingsmethode. Bij de lineaire methode blijven de afschrijvingskosten constant gedurende de gehele looptijd. De totale kapitaallasten dalen in de tijd omdat de rentecomponent jaarlijks afneemt (er wordt immers rente berekend over de resterende boekwaarde).
In bijlage 1 zijn de binnen de gemeente Lansingerland meest voorkomende investeringen met de daarbij behorende afschrijvingstermijnen opgenomen. Alle gehanteerde termijnen zijn opnieuw beoordeeld en eventueel aangepast naar de huidige inzichten in de verwachte technische levensduur. In de tabel is onderscheid gemaakt tussen investeringen met uitsluitend economisch nut en investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut. De afschrijvingstermijnen voor riolering zijn gebaseerd op het huidige Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP).
De afschrijvingstermijnen van activa welke zijn verkregen of vervaardigd voor 1 januari 2024 kunnen afwijken van de termijnen die in deze nota worden gehanteerd. Dit betreft soms objecten waarvoor de gebruiksduur wegens voortschrijdende inzichten is aangepast of activa die zijn ingebracht door een van de voormalige fusiegemeenten, waarbij andere uitgangspunten zijn gehanteerd. Deze objecten zijn in het verleden (bijvoorbeeld bij de fusie per 1 januari 2007) niet aangepast. Er is voor gekozen deze afschrijvingen volgens de oude termijn te laten aflopen. Deze werkwijze wordt gecontinueerd, waarbij de afschrijvingstabel in bijlage 1 geldt voor alle investeringen die worden voltooid na 1 januari 2024
6.3 Aanvang van het moment van afschrijven
De commissie BBV doet de aanbeveling om in de financiële verordening c.q. de Nota Activabeleid op te nemen wanneer wordt aangevangen met het afschrijven van een nieuw kapitaalgoed. Hierbij zijn de volgende keuzes mogelijk:
Wij kiezen ervoor om voor de start van de afschrijvingen mogelijkheid c) te gebruiken. Dit leidt ertoe dat afschrijvingen goed kunnen worden meegenomen in de begroting van de gemeente en niet leiden tot ongewenste fluctuaties.
Over de boekwaarde van investeringen wordt per 1 januari van elk jaar rente doorberekend welke als last op het betreffende beleidsveld/programma wordt opgenomen. Bij investeringen vindt geen bijschrijving van rente plaats. De rentevoet die wordt gehanteerd is het bij de begroting vast te stellen omslagrentepercentage conform de notitie rente van de Commissie BBV. Dit geldt alleen voor de investeringen die tijdens het opstellen van de begroting door de raad worden gevoteerd. Indien een investering op een ander moment middels een separaat raadsvoorstel, door de raad wordt goedgekeurd, geldt dat de integrale effecten op de begroting moeten worden gepresenteerd. Dit betekent dus dat naast het benodigde kredietbedrag ook wordt aangegeven wat het effect is op onze financieringsbehoefte en de hieraan gerelateerde rentelasten, waarbij de rentelasten worden berekend op basis van de dan geldende rente op de kapitaalmarkt. Mocht het werkelijke omslagpercentage op basis van de realisatie een afwijking hebben welke groter is dan 0,5%, of waarbij de toe te rekenen rentelasten meer dan 25% afwijken, wordt het werkelijke omslagpercentage gehanteerd voor de rentetoerekening.
De commissie BBV heeft de stellige uitspraak gedaan dat boekwinsten die worden gerealiseerd bij het afstoten van kapitaalgoederen als een incidentele baat in de exploitatie moeten worden verwerkt. Boekwinsten mogen dus niet worden verrekend met de boekwaarde van een actief dat ter vervanging wordt aangeschaft. Hetzelfde geldt voor eventuele boekverliezen die worden gerealiseerd bij het afstoten van activa.
Aan het einde van de afschrijfperiode kan hooguit een boekwaarde overblijven ter grootte van de geschatte restwaarde op basis van het prijspeil op het moment van ingebruikneming. Aangezien activa worden gebruikt en gedurende de afschrijfperiode technisch en economisch verouderen en slijten zal de praktijk meestal zijn dat naar een boekwaarde van nul moet worden afgeschreven. Dit veronderstelt dat het voornemen bestaat om het actief tot het einde van de mogelijke gebruiksduur dus conform de verwachte technische levensduur te benutten.
Om een investeringskrediet te verkrijgen, zijnde de autorisatie om een verplichting aan te gaan (contract) waarmee een investering daadwerkelijk in gang wordt gezet, is altijd goedkeuring van de raad nodig. Alle (voorgenomen) investeringen worden in het Meerjaren Investeringsplan (MIP) opgenomen om zo een integrale afweging te kunnen maken; de daarmee samenhangende kapitaallasten moeten immers gedekt kunnen worden. Het MIP maakt onderdeel uit van de begroting. De raad stelt derhalve via het vaststellen van de begroting de investeringskredieten voor het begrotingsjaar beschikbaar.
7.2 Onderbouwing investeringsaanvragen
De raad kan alleen investeringskredieten accorderen die in voldoende mate zijn onderbouwd en gespecificeerd. Investeringsaanvragen moeten dan ook de volgende elementen omvatten:
Indien een investering op een ander moment middels een separaat raadsvoorstel, door de raad wordt goedgekeurd, geldt dat de integrale effecten op de begroting moeten worden gepresenteerd. Dit betekent dus dat naast het benodigde kredietbedrag ook wordt aangegeven wat het effect is op onze financieringsbehoefte en de hieraan gerelateerde rentelasten, waarbij de rentelasten worden berekend op basis van de dan geldende rente op de kapitaalmarkt.
Voorafgaand aan de investeringsaanvraag dient een beoordeling te worden gemaakt in hoeverre aanspraak kan worden gedaan op bepaalde subsidies. Indien achteraf een subsidie wordt toegekend die niet is geraamd, dan worden de financiële gevolgen van het investeringskrediet hiervoor aangepast en worden de gevolgen op de exploitatie via het eerstvolgende P&C-document bijgesteld.
7.4 Schuiven tussen investeringskredieten
Met het oog op het budgetrecht van de gemeenteraad is het niet toegestaan om tussen afzonderlijke investeringskredieten te schuiven. Dit is ook niet toegestaan wanneer investeringen tot eenzelfde product behoren. Een uitzondering wordt gemaakt voor kredieten die onderling samenhangen maar administratief gesplitst zijn (bv. een gebouw en de bijbehorende grond); onderling verschuivingen is daarbij wel toegestaan.
Indien het college voorziet dat een geautoriseerd investeringskrediet dreigt te worden overschreden, wordt vooraf aan de raad een voorstel inclusief dekking aangeboden om de extra lasten te autoriseren. Hierbij mag het college de volgende afwijkende bepaling in acht nemen. Voor overschrijdingen tot een maximum van € 200.000, per investering, wordt door het college in de eerstvolgende tussenrapportage aan de raad een voorstel inclusief dekking ter autorisatie aangeboden.
7.5 Termijn beschikbaarstelling investeringskredieten
Investeringskredieten die zijn gevoteerd in de jaren voorafgaande aan het verantwoordingsjaar en waar in dat jaar geen bestedingen op hebben plaatsgevonden worden afgesloten, tenzij onderbouwd wordt aangegeven dat handhaving van het krediet noodzakelijk is. Wanneer in een later stadium blijkt dat het krediet toch nog nodig is, kan een nieuw raadsvoorstel worden gemaakt. De liquiditeitsfasering van het investeringskrediet wordt aangepast wanneer de fasering van de bestedingen wijzigt.
7.6 Voorbereidings- en afwikkelingskredieten
In de aanloop van het doen van een investering kan het voorkomen dat er kosten gemaakt moeten worden (onderzoek, planvorming, etc.). De daarvoor benodigde voorbereidingskredieten worden beschouwd als onderdeel van de uiteindelijke investering. Wanneer het investeringskrediet beschikbaar is gesteld, wordt een eventueel voorbereidingskrediet opgeheven en samengevoegd met het later gevoteerde investeringskrediet.
In bijzondere gevallen, bijvoorbeeld bij complexe investeringen als de bouw van een nieuw zwembad of gemeentehuis, kan ook een afwikkelingskrediet worden ingesteld. Om de gereed melding van de investering en de start van de daarmee samenhangende afschrijvingen niet onnodig te vertragen kan een eventueel restantkrediet worden afgezonderd. Het restantkrediet blijft nog een jaar beschikbaar, bijvoorbeeld ter afhandeling van garantiebepalingen van een aannemer. Het hoofdkrediet wordt dan afgesloten, de investering wordt als gereed beschouwd en er wordt een aanvang gemaakt met afschrijven. De bestedingen van het afwikkelingskrediet worden dan in het eerste jaar van ingebruikname van het actief als vermeerdering toegevoegd.
Bijlage 1 – Afschrijvingstabel investeringen
In deze tabel worden de te gebruiken afschrijvingstermijnen per activasoort vermeld. De tabel is richtinggevend, niet limitatief en niet bindend. Wanneer wordt afgeweken van in de tabel opgenomen termijnen, dan dient dit bij de kredietaanvraag te worden gemotiveerd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-550345.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.