Gemeenteblad van Lansingerland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lansingerland | Gemeenteblad 2024, 550298 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lansingerland | Gemeenteblad 2024, 550298 | beleidsregel |
Nota reserves en voorzieningen gemeente Lansingerland
Eens in de vier jaar wordt het beleid op het gebied van reserves en voorzieningen onder de loep genomen en geactualiseerd. In het reserve- en voorzieningenbeleid is het van belang om een duidelijke visie te schetsen in samenhang met het financieel beleid. Dit beleid dient te passen binnen de huidige kaders van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) en binnen de door de gemeenteraad vastgestelde financiële verordening. Met het actualiseren van de nota reserves en voorzieningen wordt het doel van de bestemmingsreserves en het eventueel in stand houden van door de raad ingestelde bestemmingsreserves opnieuw beoordeeld. Van bestemmingsreserves, waarvan het doel niet langer aanwezig is, zal via de actualisatie van deze nota aan de raad worden voorgesteld deze op te heffen. De raad staat het altijd vrij om de middelen een ander doel te geven.
1.2 Onderscheid tussen reserves en voorzieningen
Het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) bevat een aantal artikelen die betrekking hebben op de gemeentelijke reserves en voorzieningen. Reserves en voorzieningen worden vaak in één adem genoemd. Toch is er een wezenlijk onderscheid. Reserves zijn vrij besteedbaar en zijn bestemd voor het afdekken van risico’s, het egaliseren van baten en lasten en het dekken van incidenteel beleid. Reserveren is een vorm van sparen. Meestal gaat het om zaken die niet direct in de exploitatie kunnen worden opgevangen en die incidenteel van aard zijn. Reserves kunnen in principe vrij worden bestemd. De raad kan aan reserves een bepaalde bestemming geven of de bestemming wijzigen. Bij voorzieningen ligt dat anders. Voorzieningen worden gevormd, omdat daar verplichtingen of risico’s tegenover staan waarbij omvang of tijdstip van optreden onzeker zijn.
In onderstaande tabel is het onderscheid tussen reserves en voorzieningen samengevat:
Vanwege de inhoudelijke verschillen is er in deze notitie voor gekozen reserves en voorzieningen in afzonderlijke hoofdstukken te behandelen
Deze nota sluit aan bij de Gemeentewet (artikel 212) en bij het BBV. De kaders voor reserves en voorzieningen worden gevormd in artikel 41 tot en met 45, 49, 54 en 55 BBV (bijlage 1). In de toepassing van het BBV is de afgelopen jaren door de Commissie BBV aan de hand van praktijkcases veel informatie beschikbaar gekomen welke een eenduidige uitvoering en toepassing van het BBV bevorderen. In deze nota wordt daarmee rekening gehouden. Met het aanbieden van deze nota aan de raad wordt voldaan aan artikel 14 van de Financiële verordening gemeente Lansingerland.
In hoofdstuk 2 wordt het beleid en beheer van reserves toegelicht. Hierin worden de richtlijnen weergegeven met betrekking tot het instellen, wijzigen, onttrekken, doteren en opheffen van reserves. Hoofdstuk 3 behandelt de richtlijnen rondom voorzieningen. Tot slot wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de relatie tussen de reserves en het weerstandsvermogen van de gemeente en in hoofdstuk 5 volgen een aantal slotbepalingen.
1.5 Wijzigingen ten opzichte van de Nota Reserves en Voorzieningen 2020
Ten opzichte van de voorgaande nota Reserves en Voorzieningen is deze nota op de volgende onderdelen gewijzigd:
Voor onttrekkingen aan de reserves is in deze nota opgenomen dat deze plaatsvinden op basis van de werkelijke bestedingen tot het maximum van de begrote onttrekkingen. Uitzonderingen hierop zijn mutaties inzake de resultaten van de grondexploitatie aan de algemene reserve, de mutaties in de reserve Rekenkamercommissie en de onttrekkingen aan de reserve Groot onderhoud gemeentelijke accommodaties.
In de vorige nota is onder het beleid rondom het inzetten van de kapitaallastendekkingsreserve de onderstaande voorwaarde opgenomen:
De investering wordt gefinancierd met eigen vermogen. Er hoeft voor dat deel niet te worden geleend c.q. de schulden van de gemeente stijgen hierdoor niet.
Dit bovenstaande is gewijzigd in.
De investering wordt gefinancierd met eigen vermogen.
Op grond van de bovenstaande wijziging is een aanvullende voorwaarde opgenomen:
Indien de investering wordt gefinancierd met vreemd vermogen, dienen de rentelasten structureel te worden gedekt.
Hieronder volgt een opsomming van de financiële kaders uit de verschillende hoofdstukken.
Een balans is het overzicht van bezittingen, schulden en het eigen vermogen op een bepaald moment. Op de balans zie je de bezittingen en hoe deze gefinancierd zijn en wat de financiële positie van de gemeente is. De rechterkant van de balans (creditzijde) bevat de passiva: het eigen vermogen (reserves) en het vreemd vermogen, onderverdeeld in voorzieningen, vaste schulden, vlottende schulden en verplichtingen die volgend jaar tot betaling komen (overlopende passiva).
Het eigen vermogen is een post op de balans en wordt gevormd door de algemene reserve, de bestemmingsreserves en het gerealiseerde resultaat. De omvang van het eigen vermogen wordt bepaald door het saldo van bezittingen en schulden.
Een bestemmingsreserve is een reserve waaraan de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven. De bestemmingsreserves zijn onderdeel van het eigen vermogen. De exploitatie geeft een overzicht van de verwachte c.q. gerealiseerde lasten, baten, stortingen en onttrekkingen en laat per jaar zien of per saldo sprake is van een voor- of nadeel.
Het vreemd vermogen omvat de balansposten voorzieningen, vaste schulden, vlottende schulden en verplichtingen die in een volgend jaar tot betaling komen en ontvangen voorschotbedragen (EU en Nederlandse overheid) die ten bate van een volgend begrotingsjaar komen (overlopende passiva).
Voorzieningen zijn gevormd voor (1) verplichtingen, verliezen en risico’s die onzeker zijn, maar redelijkerwijs te schatten, (2) het gelijkmatig verdelen van kosten (van vervangingsinvesteringen) die in een volgend jaar worden gemaakt (waarvoor een heffing wordt geheven) en (3) van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden. De voorzieningen zijn onderdeel van het vreemd vermogen.
De solvabiliteit geeft aan in welke mate de gemeente in staat is om aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Dit wordt uitgedrukt door de verhouding tussen het eigen vermogen en het balanstotaal (totale vermogen): hoe hoger het eigen vermogen, hoe beter de solvabiliteit. Een score lager dan 20% wordt als risicovol gezien.
Het budgetrecht van de gemeenteraad betreft de bevoegdheid om financiële middelen beschikbaar te stellen. Door de begroting vast te stellen geeft de gemeenteraad het college toestemming om per programma geld uit te geven aan de afgesproken activiteiten (artikel 189 Gemeentewet).
De definitie van reserves luidt: reserves zijn vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te merken. Bij de reserves zijn de volgende functies te onderscheiden:
Bufferfunctie: de algemene reserve heeft een bufferfunctie en dient om bepaalde (onvoorziene) risico’s en exploitatietekorten op te kunnen vangen. Verder worden schommelingen in de exploitatie geabsorbeerd: tekorten en overschotten in de exploitatie komen ten laste respectievelijk ten gunste van de algemene reserve. Reserves met een bufferfunctie maken onderdeel uit van de weerstandscapaciteit. Het aanspreken van de algemene reserve en de Enecoreserve verlaagt de weerstandscapaciteit.
Egalisatiefunctie: reserves kunnen worden gevormd om baten en lasten over de jaren heen gelijkmatig te verdelen. Extreme pieken en dalen in de exploitatiebegroting kunnen zo worden vermeden. Ook kunnen ongewenste schommelingen in tarieven die aan derden in rekening worden gebracht door middel van een egalisatiereserve worden opgevangen.
Financieringsfunctie: reserves kunnen worden gebruikt als eigen financieringsmiddel, omdat ze onderdeel uitmaken van het totale vermogen van de gemeente. Binnen de gemeente kan het vermogen worden aangewend als intern financieringsmiddel. Door reserves in te zetten kan het beroep op overige financieringsbronnen (van derden) worden beperkt.
Bestedingsfunctie: de gemeente kan besluiten te sparen voor toekomstige uitgaven. Een reserve kan daarbij worden ingezet om incidentele uitgaven te doen om een impuls te geven aan een bepaald doel. Het gaat dan om zaken die niet direct in de exploitatie zijn op te vangen en incidenteel van aard zijn. Inzet van reserves is van invloed op het financiële resultaat en op de solvabiliteit. Op de lange termijn kan dit van invloed zijn op de financiële weerbaarheid van de gemeente.
Reserves worden op de balans verantwoord onder het eigen vermogen. In het BBV (artikel 43) worden reserves onderscheiden in twee soorten reserves:
de algemene reserve: dit is de reserve waaraan geen bestemming is gegeven en heeft een permanent karakter en vormt het vrij besteedbare eigen vermogen van de gemeente. De algemene reserve draagt veelal het karakter van spaarfunctie en buffer. Een buffer voor financiële tegenvallers en onvoorziene risico’s.
bestemmingsreserves: dit zijn reserves waaraan de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven. Bestemmingsreserves worden gevormd om tijdelijk een bepaald doel te realiseren of om ongewenste schommelingen in lasten en baten te egaliseren. Bestemmingsreserves zijn niet bedoeld om structurele lasten te dekken, waarvoor de ruimte in de structurele meerjarenbegroting ontbreekt.
Binnen de gemeente Lansingerland delen wij de bestemmingsreserves op in twee extra categorieën namelijk de kapitaallasten dekkingsreserves en de overige bestemmingsreserves.
Een overige bestemmingsreserve is een reserve waaraan de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven. Het is weliswaar een vastgelegde toekomstige aanwending maar nog geen financiële verplichting. Immers het staat de raad nog altijd vrij om aan de gelden een ander doel te geven bij de daadwerkelijke besteding van de reserve.
Een kapitaallasten dekkingsreserve wordt ingesteld ter dekking van de afschrijvingslasten voortvloeiend uit een gedane investering. Tegenover de onttrekkingen uit deze reserves staan dus te allen tijde structurele afschrijvingslasten die hierdoor gedekt worden. Wij kiezen ervoor om enkel de afschrijvingslasten te dekken uit de reserve en niet de bijkomende rentelasten. Reden hiervoor ligt in het feit dat het rentepercentage van de omslagrente jaarlijks fluctueert en dit dan ook noodzaakt tot jaarlijkse extra stortingen of onttrekkingen aan deze reserve.
Op voorstel van het college kunnen bestemmingsreserves door de raad nader worden geclusterd op basis van het doel van deze reserves. De besluitvorming door de raad over onttrekkingen aan en stortingen in reserves vindt plaats op het niveau van de afzonderlijke reserve en niet per cluster.
2.3 Criteria voor het vormen van reserves
De vorming van een reserve is in het kader van het budgetrecht een bevoegdheid van de raad. Een bestemmingsreserve wordt ingesteld voor een concreet door de raad vastgesteld doel. Om te voorkomen dat er onnodig middelen worden vastgelegd waarvoor een andere bestemming mogelijk is, moet een bewuste afweging en onderbouwing ten grondslag liggen aan de vorming van een reserve.
Bij het instellen van reserves gelden de volgende criteria:
Bestemmingsreserves en claims op reserves vervallen uiterlijk vijf jaar na het instellen van de reserve of het ontstaan van de claim, tenzij er een bewuste afweging en onderbouwing aan ten grondslag ligt om de specifieke reserve/claim te handhaven of bij het instellen van de reserve een specifieke looptijd is besloten.
In beginsel is het toevoegen en onttrekken aan reserves een bevoegdheid van de raad. Hierbij gelden de volgende criteria:
In de jaarrekening worden de toevoegingen aan elk van de reserves verwerkt tot het begrote bedrag dat door de raad is goedgekeurd. Daarboven is een expliciet raadsbesluit vereist. Voorgaande geldt niet voor de resultaten van de grondexploitaties en toevoegingen aan de reserve Rekenkamercommissie. Om ervoor te zorgen dat het resultaat bij resultaatbestemming niet wordt vertroebeld door de resultaten op de grondexploitaties, worden deze (toevoegingen aan de Algemene Reserve) voor resultaatbestemming verrekend met de Algemene Reserve.
In de jaarrekening worden de onttrekkingen aan elk van de reserves verwerkt op basis van de werkelijke bestedingen tot het begrote bedrag dat door de raad is goedgekeurd. Uitgezonderd onttrekkingen aan de reserve Groot Onderhoud Gemeentelijke Gebouwen voor het dekken van de uitgaven van groot onderhoud, onttrekkingen aan de reserve Rekenkamercommissie en onttrekkingen aan de Algemene Reserve op basis van resultaten van de grondexploitaties. Om ervoor te zorgen dat het resultaat bij resultaatbestemming niet wordt vertroebeld door de resultaten op de grondexploitaties, worden deze (onttrekkingen aan de Algemene Reserve) voor resultaatbestemming verrekend met de Algemene Reserve.
Uitgaven die worden gedaan ten laste van een reserve, dienen incidenteel van aard te zijn omdat een reserve eindig is. Als de reserve besteed is, zijn er geen middelen die deze uitgaven kunnen opvangen. Vandaar dat structurele uitgaven, structureel gedekt moeten worden in de begroting. Incidentele uitgaven kunnen wel worden gedekt uit een reserve.
De Algemene Reserve wordt gevoed door overschotten op de jaarrekening. Tekorten worden onttrokken aan de Algemene Reserve. Het college stelt daartoe een voorstel op aan de raad.
Op het moment dat de raad een egalisatiereserve voor een doel heeft ingesteld dan kunnen tekorten en overschotten voor dat doel worden onttrokken of toegevoegd zonder dat daarvoor een afzonderlijk raadsbesluit noodzakelijk is. De toevoegingen en onttrekkingen aan deze egalisatie-reserves worden via de vaststelling van de jaarrekening door de raad geautoriseerd.
2.4.1 Beleid omtrent het inzetten van de kapitaallasten dekkingsreserve
In het kader van structureel begrotingsevenwicht worden reservemutaties in de gemeentebegroting in principe buiten beschouwing gelaten. Uitgangspunt is dat tegenover structurele (kapitaal-)lasten structurele inkomsten staan. Uitzondering hierop binnen de verslaggevingsregels is de reserve ter dekking van kapitaallasten. De reden hiervoor ligt in het feit dat met het inzetten van de kapitaal-lastendekkingsreserve structureel, in ieder geval voor de looptijd (afschrijvingstermijn) van het betreffende actief, de voortvloeiende kapitaallasten worden afgedekt binnen de begroting. Voorwaarde die in het BBV is gesteld is dat een dekking uit de reserve kapitaallasten enkel mag plaatsvinden wanneer de reserveomvang gelijk is aan de totale kapitaallasten die voortvloeien uit de investering. Wanneer dit niet het geval is, mag slechts naar rato dekking worden toegerekend, waardoor de lasten voor de volledige looptijd van het actief gelijk blijven. Aan het einde van de looptijd heeft de raad opnieuw de keuzemogelijkheid om het actief te blijven exploiteren en op dat moment de dekking van de lasten te bepalen.
Door het inzetten van de kapitaallastendekkingsreserve wordt echter niet via de afschrijvingen gespaard voor de eventuele vervanging of levensduurverlenging van een actief. Hierdoor is het van belang spelregels op te stellen voor welke activa we de dekking via kapitaal dekkingsreserves vormgeven en van welke activa de kapitaallasten ten laste van de exploitatie worden gedekt. Doordat reeds bestaande activa worden gedekt uit de reserve kapitaallasten worden deze activa buiten de hierna genoemde spelregels gehouden. Voor de dekking van kapitaallasten uit een reserve moet in ieder geval voldaan worden aan de volgende criteria:
Hiernaast moet ten minste nog aan een van de onderstaande criteria worden voldaan:
Aanvullend nemen we de jaarlijkse onttrekking aan de reserve kapitaallasten mee in de risico-analyses die ten grondslag liggen aan de bepaling van de benodigde weerstandscapaciteit. Hiermee kwantificeren wij dan ook het risico op incidentele dan wel structurele tegenvallers.
Van de bovenstaande criteria kan alleen met instemming van de raad worden afgeweken.
2.5 Wijzigen van doel of bestemming en opheffen reserves
De gemeenteraad besluit, al dan niet op voorstel van het college, over het wijzigen van het doel of de bestemming dan wel tot het opheffen van reserves. Hierbij gelden de volgende criteria:
Opheffing kan geschieden op momenten dat het geformuleerde doel is gerealiseerd dan wel op basis van ontwikkelingen het doel op enig moment is komen te vervallen of de reserve is uitgeput. Bestemmingsreserves kleiner dan € 50.000 vallen vrij bij de jaarrekening, uitgezonderd: de wettelijke of contractuele en harde onontkoombare verplichtingen en de reserves ter dekking van de kapitaallasten en de reserve Rekenkamercommissie.
2.6 Overige spelregels reserves
Bij de reguliere rapportagemomenten in de P&C-cyclus kunnen de bestemmingsreserves inclusief claims op voorstel van het college worden herzien. Nagegaan wordt of het doel nog steeds bestaat en of de hoogte van de bestemmingsreserve nog in overeenstemming is met de te verwachten uitgaven.
2.6.3 Tussentijdse prognoses algemene reserve en bestemmingsreserves
Een actualisatie van het verwachte verloop en de prognose van de stand van de algemene reserve en de bestemmingsreserves vindt plaats bij de begroting. Voor zover noodzakelijk kan deze actualisatie ook in de tussenrapportage plaatsvinden.
2.7 Informatievoorziening en administratie reserves
Het BBV schrijft voor dat per reserve jaarlijks een overzicht wordt geboden met het verloop (stand begin boekjaar, toevoegingen/onttrekkingen en stand einde boekjaar). Het college neemt een dergelijk overzicht op in de programmabegroting en in de jaarrekening.
Het instellen van, doteren aan, onttrekken uit, laten vrijvallen uit en opheffen van reserves vindt plaats via de exploitatie. Mutaties in reserves dienen per programma zichtbaar gemaakt te worden.
De definitie van voorzieningen luidt: voorzieningen behoren tot het vreemd vermogen. Ze geven een inschatting van voorzienbare lasten in verband met risico’s en verplichtingen waarvan de omvang en/of het tijdstip van optreden min of meer onzeker zijn. Bij voorzieningen is er sprake van een oorzaak uit het verleden: er is iets gebeurd wat niet terug te draaien is en wat waarschijnlijk leidt tot lasten in de toekomst die niet waren voorzien (begroot). Om die reden is een voorziening niet vrij besteedbaar. Soms zijn de gevolgen nog beïnvloedbaar. Bij het bepalen van de noodzakelijke omvang van de voorziening wordt daar rekening mee gehouden.
3.2 Criteria voor het vormen van voorzieningen
De vorming van voorzieningen is veel dwingender voorgeschreven door het BBV dan de vorming van reserves. Eke voorziening heeft een specifieke bestemming en is niet vrij besteedbaar. De uitgangs-punten voor het instellen van een voorziening en het in stand houden daarvan zijn binnen het BBV aan strikte regelgeving gebonden. Het vormen van voorzieningen is geregeld in artikel 44 BBV. Voorzieningen worden gevormd wegens:
Voor het instellen van voorzieningen gelden de volgende criteria:
De wet geeft aan dat voor het afdekken van risico’s een voorziening in de balans gevormd moet worden. Bij deze voorzieningen geldt het principe dat lasten genomen moeten worden zodra ze bekend zijn (en baten wanneer ze gerealiseerd zijn). Het nemen van verlies betekent het verwerken direct ten laste van de exploitatie al of niet via de vorming van een voorziening. Het instellen van voorzieningen die rechtstreeks voortvloeien vanuit de bedrijfsvoering en wettelijke regelingen, kan achteraf bij de vaststelling van de jaarrekening worden geformaliseerd.
3.3.1 Voor verplichtingen, verliezen en risico’s
Voor de verplichtingen, verliezen en risico’s welke vanuit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijk zijn en waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten (bijvoorbeeld voorziening wethouders-pensioenen, reorganisatievoorziening en risico’s op juridische claims) wordt een voorziening gevormd. Een dergelijke voorziening wordt ook gevormd in geval van achterstallig onderhoud, waarbij sprake is van kapitaalvernietiging en/of onveilige situaties.
3.3.2 Ter egalisatie van kosten
Voor werkzaamheden met een structureel karakter en jaarlijks sterk wisselende uitgaven wordt zo veel mogelijk een egalisatievoorziening ingesteld. Met een egalisatievoorziening wordt transparantie en een stabiel financieel meerjarenbeleid bevorderd. Momenteel hebben wij geen egalisatievoorziening.
3.3.3 Voor middelen van derden waarvan de bestemming gebonden is
Door derden verkregen middelen met een specifiek bestedingsdoel worden door het BBV op twee verschillende wijzen gerubriceerd in de balans. Dit onderscheid is voor de juiste besluitvorming en rechtmatigheid van belang. In artikel 44 lid 2 staat vermeld dat door derden verkregen middelen, die specifiek besteed moeten worden, gerekend worden tot de voorzieningen. Voor deze middelen geldt het beschikkingsrecht zoals vermeld onder de voorzieningen. Dit zijn bijdragen (niet zijnde EU- of Nederlandse overheidsbijdragen), waarvan de besteding over een aantal jaren wordt uitgesmeerd en waarvan de bestemming gebonden is.
Uitgezonderd hierop zijn voorschotbedragen nader geduid in artikel 49 lid 1b BBV. De voorziening afvalstoffenheffing en de voorziening rioolheffing worden onder deze categorie gerubriceerd.
Voorzieningen dienen dekkend te zijn voor verplichtingen en risico’s. Ze mogen daarom niet hoger of lager zijn dan de verplichtingen of risico’s waarvoor ze zijn gevormd. Als blijkt dat een voorziening te hoog is doordat verplichtingen wegvallen of risico’s afnemen dan valt een gedeelte van de voorziening vrij ten gunste van de exploitatie. De raad is bevoegd tot het instellen van en het doteren aan de voorziening tenzij wettelijk anders is bepaald. De raad heeft bij het instellen van de voorzieningen weinig ruimte voor het maken van keuzes (allocatiefunctie). Voorzieningen hebben een verplichtend karakter uitgezonderd de onderhoudsvoorzieningen en egalisatie-voorzieningen. Met het instellen van de voorziening gaat de raad ook akkoord met de jaarlijkse onttrekkingen aan de voorziening. Het beschikkingsrecht ligt bij het college.
Het doel of de bestemming van een voorziening kan niet gewijzigd worden. Voorzieningen worden opgeheven als de verplichting en/of het risico waarvoor de voorziening is gevormd, is vervallen of is opgehouden te bestaan. Aangezien opheffing van de voorziening volgens het BBV in deze situatie verplicht is, is voor het opheffen geen raadsbesluit nodig. Voor voorzieningen ter egalisatie van kosten geldt dat deze na besluitvorming door de raad worden opgeheven. Bij opheffing valt het resterende saldo van de voorziening vrij ten gunste van de exploitatie.
3.6 Overige spelregels voorzieningen
3.6.1 Beoordeling voorzieningen
Jaarlijks wordt bij het opstellen van de jaarrekening beoordeeld of de verplichting of het risico nog bestaat. Omdat voorzieningen zijn gevormd om onder meer (mogelijke) toekomstige verplichtingen te kunnen afdekken, is het van belang periodiek te beoordelen of de omvang van de voorziening op termijn de gewenste dekking kan bieden. Afwijkingen worden gemeld in de tussenrapportage en uiteindelijk via de vaststelling van de jaarrekening door de raad geautoriseerd.
3.7 Informatievoorziening en Administratie Voorzieningen
Het BBV schrijft voor dat per voorziening jaarlijks een overzicht wordt geboden met het verloop (stand begin boekjaar, toevoegingen/onttrekkingen en stand einde boekjaar). Het college neemt een dergelijk overzicht op in de programmabegroting en in de jaarrekening.
Het instellen van, toevoegen aan, laten vrijvallen uit en opheffen van een voorziening verloopt via de exploitatie. Deze kosten worden gepresenteerd op het betreffende programma. Bestedingen ten laste van de voorziening verlopen rechtstreeks via de voorziening (en dus niet via de exploitatie).
4 Relatie reserves en weerstandsvermogen
Voor wat betreft de reserves ligt er een nadrukkelijke relatie met het weerstandsvermogen binnen onze gemeente. Het doel van het hebben van weerstandsvermogen is dat er een buffer aanwezig is om de financiële tegenvallers op te vangen zodra risico’s werkelijkheid worden.
Kortom: weerstandsvermogen is het vermogen om risico’s af te dekken zonder dat dit ten koste gaat van de uitvoering van bestaande taken.
Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen:
Bij weerstandsvermogen gaat het dus om de mate waarin een gemeente in staat is om middelen vrij te maken om substantiële tegenvallers op te vangen, zonder haar hele beleid te hoeven wijzigen.
4.2.1 De algemene reserve en Enecoreserve als buffer
De algemene reserve en de Enecoreserve (buffervermogen) worden gerekend tot de vrij besteed-bare reserves en kunnen daarom tot de beschikbare weerstandscapaciteit worden gerekend. Op basis van een periodieke risicoanalyse blijkt welk deel van de beschikbare weerstandscapaciteit noodzakelijk is voor het afdekken van de geïnventariseerde risico’s (gekwantificeerde risico-analyse). Dit deel is niet toe te rekenen aan het vrije deel van de algemene reserve en kan niet ingezet worden voor nieuwe beleidsimpulsen. Dit betekent dat voor dit deel van de algemene reserve of de Enecoreserve de raad niet kan besluiten tot het vormen van of aanvullen van een bestemmingsreserve.
De gemeente Lansingerland heeft als uitgangspunt dat de gewenste omvang van de minimumpositie van de algemene reserve en het weerstandsvermogen wordt gekoppeld aan een gekwantificeerde risicoanalyse. Incidentele risico’s zijn risico’s die een eenmalige last tot gevolg kunnen hebben. Ter dekking van deze risico’s kan een beroep worden gedaan op de algemene reserve of de Eneco-reserve. Structurele risico’s kunnen leiden tot meerjarige lasten en raken daarmee het begrotings-evenwicht. De verhouding tussen de beschikbare en de benodigde weerstandscapaciteit geeft inzicht in het gemeentelijk weerstandsvermogen.
Buffer ter dekking algemene risico’s
Voor de bepaling van de minimum omvang van de algemene reserve en de Enecoreserve worden tenminste bij het opstellen van de begroting en de jaarrekening de risico’s geïnventariseerd en gekwantificeerd. Op deze wijze wordt bepaald welk deel van de beschikbare weerstandscapaciteit nodig is om de risico’s af te dekken. Deze analyse wordt toegelicht in de paragraaf Weerstands-vermogen en Risicobeheersing in de begroting en in de jaarrekening.
4.2.2 Minimumpositie algemene reserve en Enecoreserve in relatie tot weerstandsvermogen
Het BBV kent een aantal verplichte ratio’s en kengetallen. Deze getallen geven een goed inzicht in (het verloop van) de financiële positie. De gemeente is zelf verantwoordelijk voor het bepalen van de minimum norm m.b.t. het weerstandsniveau en de overige financiële ratio’s.
De gemeente Lansingerland stelt voor het weerstandsvermogen de kwalificatie “ruim voldoende” als norm vast.
Dit wil zeggen een ratio groter dan 1,4. Er wordt op lange termijn gestreefd naar een gemiddeld ratio van 1,7
De solvabiliteitsratio heeft een sterke relatie met de reservepositie en het weerstandsvermogen. Deze ratio wordt daarom betrokken bij het bepalen van het minimumniveau van de weerstands-capaciteit. Het eigen vermogen omvat de algemene reserve en de bestemmingsreserves (waaronder de kapitaallastenreserve). De bestemmingsreserves zijn reserveringen met vastgestelde doelen die door de inzet ervan jaarlijks afnemen.
De algemene reserve en de Enecoreserve(weerstandscapaciteit) moeten gerelateerd worden aan de geïnventariseerde risico’s om inzicht te verkrijgen in het weerstandsvermogen.
Samenvattend betekent dit dat voor het bepalen van het weerstandsvermogen en de minimum-positie van de algemene reserve en de Enecoreserve de volgende uitgangspunten door de gemeente Lansingerland worden gehanteerd:
De analyse van het weerstandsvermogen en de minimumpositie van de algemene reserve en de Enecoreserve wordt opgenomen in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing in de begroting en jaarrekening.
Bijlage: Specificatieblad Algemene Reserve
Bijlage: Specificatieblad Bestemmingsreserves
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-550298.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.