Gemeenteblad van Gooise Meren
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gooise Meren | Gemeenteblad 2024, 550297 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gooise Meren | Gemeenteblad 2024, 550297 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening fysieke leefomgeving Gooise Meren
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Bijlage 1 bij deze verordening bevat de algemene begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening.
Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
Paragraaf 2.2.1 Gemeentelijk erfgoedregister
Artikel 2.2 Gemeentelijk erfgoedregister
Het college houdt een gemeentelijk erfgoedregister bij waarin, onder andere, het op grond van deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed is opgenomen inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. Dit register kan door iedereen worden ingezien.
In het gemeentelijk erfgoedregister staan:
gegevens over de afschriften die het college heeft ontvangen van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister zoals bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads-en dorpsgezicht;
Paragraaf 2.2.2 De aanwijzing tot gemeentelijk monument of gemeentelijk beschermde verzameling
Artikel 2.3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument of beeldbepalend pand
Het college kan, eventueel op aanvraag van een belanghebbende, besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument of beeldbepalend pand.
Als het college het voornemen heeft om een onroerende zaak aan te wijzen als beschermd gemeentelijk of archeologisch monument, maakt zij dit, na overleg met de eigenaar, schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden die op die onroerende zaak genoemd staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
De zakelijk gerechtigden kunnen gedurende vier weken na de bekendmaking van het voornemen als bedoeld in het tweede lid, schriftelijk reageren op het voornemen tot aanwijzing van een gemeentelijk monument. Het college kan bepalen dat ten behoeve van een voorgenomen aanwijzing een bouwhistorisch danwel cultuurhistorisch en/of archeologisch onderzoek wordt verricht.
Artikel 2.4 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling
Het college kan besluiten een cultuurgoed, dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, en van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijk schoonheid is en onvervangbaar en onmisbaar is, aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed.
Het college kan besluiten een verzameling, die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, en van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is en die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden beschouwd, te behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling.
Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet.
Artikel 2.5 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of verzameling
Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.4, eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken. Artikel 2.4, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.
Artikel 2.9 Wijzigen gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing gemeentelijk monument of beeldbepalend pand
De aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument of beeldbepalend pand vervalt met ingang van de dag waarop het wordt ingeschreven in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet
Paragraaf 2.2.3 De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stads-en dorpsgezicht
Artikel 2.10 De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht
Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- en dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 2.12 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads-en dorpsgezicht
De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, wijzigen of intrekken. Hierop is artikel 4.4, eerste lid, van overeenkomstige toepassing, tenzij het gaat om een aanpassing van ondergeschikte betekenis, of het stads-en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig teniet is gegaan.
Hoofdstuk 3 Activiteiten in de fysieke leefomgeving
Paragraaf 3.1.1 Algemene bepalingen
Dit hoofdstuk gaat over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht
Degene die een activiteit verricht als bedoeld in dit hoofdstuk en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, met het oog waarop de regels in de betreffende paragraaf zijn gesteld, is verplicht:
Paragraaf 3.1.2 Bepalingen ten aanzien van vergunningen en ontheffingen
Paragraaf 3.2.1 Festiviteiten en geluidhinder
Artikel 3.13 Aanwijzing collectieve festiviteiten
Tijdens een collectieve festiviteit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) als gevolg van de inrichting, gemeten invallend op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, niet meer bedragen dan 75/80 dB(A). Toeslagen voor de aard van het geluid, de meteo-correctieterm en de bedrijfsduurcorrectieterm alsmede de meteoraamcondities worden buiten beschouwing gelaten.
Tijdens een collectieve festiviteit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) als gevolg van de inrichting, gemeten binnen in- of aanpandige woningen van derden, niet meer bedragen dan 60 dB(A).
Toeslagen voor de aard van het geluid en de bedrijfsduurcorrectieterm worden buiten beschouwing gelaten.
Artikel 3.14 Melding incidentele festiviteiten
Het is een inrichting toegestaan op maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 22.60, 22.63 en 22.67, van het omgevingsplan, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 22.239 van het omgevingsplan niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college .
Tijdens een incidentele festiviteit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) als gevolg van de inrichting, gemeten invallend op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1.5 meter, niet meer bedragen dan 60 dB(A). Toeslagen voor de aard van het geluid, de meteo- correctieterm en de bedrijfsduurcorrectieterm alsmede de meteoraamcondities worden buiten beschouwing gelaten.
Tijdens een incidentele festiviteit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) als gevolg van de inrichting, gemeten binnen in- of aanpandige woningen van derden, niet meer bedragen dan 50 dB(A).
Toeslagen voor de aard van het geluid en de bedrijfsduurcorrectieterm worden buiten beschouwing gelaten.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 22.60, 22.63 en 22.67, van het omgevingsplan, en artikel 4:5 van deze verordening - pas na 11.00 uur gestart en uiterlijk om 24.00 uur beëindigd. In afwijking hiervan mag voor een festiviteit die aanvangt op een vrijdag of een zaterdag een eindtijd aangehouden worden van uiterlijk 01.00 uur. Dit geldt eveneens voor de in lid 2 genoemde mogelijkheid om de verlichting langer in werking te houden. (Tijdens de festiviteit van zondag tot en met donderdag 24.00 uur en op vrijdag of zaterdag is de eindtijd 01.00 uur).
Paragraaf 3.2.2 Overige milieubelastende activiteiten
Artikel 3.17 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:
Artikel 3.19 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
Afdeling 3.3 Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente of op openbare plaatsen
Paragraaf 3.3.1 Bepalingen met betrekking tot ligplaatsen
Artikel 3.21 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen
De verboden in het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.
Artikel 3.22 Aanwijzingen ligplaats
Onverminderd het krachtens het bepaalde in artikel 3.21 kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Paragraaf 3.3.2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 3.25 Voorwerpen op of aan een openbare plaats
Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:
Het college kan in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, de redelijke eisen van welstand en het doelmatig en veilig gebruik van de weg nadere regels stellen ten aanzien van uitstallingen en reclameborden, voorwerpen ten behoeve van (bouw)werkzaamheden, alsmede ten behoeve van foto- en filmopnamen.
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Het college stelt nadere regels voor de categorieën, bedoeld in het derde lid. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Artikel 3.26 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartwet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 3.27 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of op een andere manier verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
Het verbod is verder niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
In afwijking van het bepaalde in artikel 3.11 wordt de vergunning slechts geweigerd:
indien ten behoeve van het maken van een uitweg naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg, het aanleggen danwel het gebruiken van een parkeer- laad en losgelegenheid op de gronden in strijd is met de voorschriften van het omgevingsplan en het college niet bereid is om een omgevingsvergunning te verlenen op grond van de omgevingswet.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Artikel 3.29 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 3.35 Defecte voertuigen
Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 3.38 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen
Het is verboden een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een gebouw dat gebruikt wordt voor bewoning of ander dagelijks gebruik op een manier dat daardoor het uitzicht van de bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op een hinderlijke manier wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
Artikel 3.40 Overlast van (bak)-fiets, snorfiets, bromfiets, motor of scooter
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen (bak)-fietsen, bromfietsen, scooters, snorfietsen of motoren onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
Paragraaf 3.3.8 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Het is verboden op enig terrein, anders dan een weg, met een motorvoertuig of bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd of, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden, voor te bereiden of daaraan deel te nemen, of een motorvoertuig of bromfiets met het kennelijk doel daartoe daar aanwezig te hebben.
Artikel 3.46 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet:
voor het door de winkelier ten behoeve van de verkoop voor zijn winkel uitstallen van goederen en/of reclameborden voor zover deze objecten zich bevinden binnen een strook van 1,00 meter, gerekend vanuit de voorgevel van een winkel en mits de vrijheid en veiligheid van het verkeer niet in gevaar worden gebracht, en mits het trottoir, gerekend vanuit de voorgevel, ter plekke minimaal 2,50 meter breed is. In voetgangersgebieden dient sprake te zijn van een minimale breedte van 5 meter, gerekend van de voorgevel van een pand tot aan de voorgevel van het tegenoverliggende pand.
In de kern Bussum is het in het eerste lid bedoelde verbod tevens niet van toepassing op het innemen van een standplaats voor de duur van maximaal 3 dagen, mits daarvan tenminste 5 werkdagen van te voren melding wordt gedaan en tevens wordt voldaan aan de nadere regels uit de nota Standplaatsenbeleid Gooise Meren.
Paragraaf 3.3.7 Snuffelmarkten
Artikel 3.49 Organiseren van een snuffelmarkt
De snuffelmarkt kan worden gehouden indien de burgemeester niet binnen 2 weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat het organiseren van de snuffelmarkt wordt verboden in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. De burgemeester geeft daarvan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding aan de organisator met opgaaf van redenen bericht.
Afdeling 3.4 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed
Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij:
het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring;
de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving, welke door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg is opgesteld, van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of
Paragraaf 3.6.1 Graafwerkzaamheden, kabels en leidingen
Artikel 3.55 Vereiste van instemming of vergunning
Spoedeisende werkzaamheden dienen onverwijld te worden gemeld aan de burgemeester. Na ontvangst van de melding door het college kunnen, in afwijking van het eerste lid, de werkzaamheden plaatsvinden, tenzij de burgemeester, op grond van de APV of een andere hem toekomende bevoegdheid, in verband met de openbare orde of gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar de uitvoering van de werkzaamheden verbiedt. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van melding en uitvoering van deze werkzaamheden.
Artikel 3.59 Wijziging en intrekking
Een instemmingsbesluit of een vergunning geldt voor een specifieke kabel of leiding en is overdraagbaar, tenzij in de vergunning of het instemmingsbesluit anders is bepaald. Het college kan het instemmingsbesluit of de vergunning op schriftelijk verzoek van de houder op naam stellen van een andere netbeheerder.
Artikel 3.61 Verplichtingen netbeheerder
Indien het eigendom, de exploitatie, het beheer of het gebruik van kabels of leidingen wijzigt, stelt de netbeheerder het college onverwijld schriftelijk van deze wijziging in kennis. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de bij de kennisgeving te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking.
Artikel 3.64 Nadeelcompensatie
Het college kent een netbeheerder, niet zijnde aanbieder, die schade lijdt of zal lijden als gevolg van een besluit van het college als bedoeld in artikel 3.59 tweede lid, onder b, dan wel als gevolg van de rechtmatige uitoefening door het college van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, wanneer de schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en hem in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft.
Artikel 3.65 Herstraat- en degeneratiekosten
Indien door de netbeheerder werkzaamheden aan kabels of leidingen in of op openbare gronden worden uitgevoerd, brengt het college de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van openbare gronden die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden bij de netbeheerder in rekening.
Afdeling 3.6 Activiteiten met betrekking tot bomen
Artikel 3.71 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
bij een vergunningaanvraag van een waardevolle boom, dient een rapportage gevoegd te worden van een beëdigd boomtaxateur of gecertificeerd boomverzorger met het European Tree Worker certificaat.
Artikel 3.73 Bijzondere vergunningvoorschriften; herplanten, storting Bomenfonds
Als niet ter plaatse, op hetzelfde perceel of in de nabije omgeving kan worden her- of verplant met bomen van vergelijkbare waarde, kan als voorschrift worden opgenomen dat een financiële bijdrage in het Bomenfonds moet worden gestort. Deze bijdrage is gelijk aan de boomwaarde zoals bepaald door een beëdigd boomtaxateur.
Artikel 3.74 Inhoud compensatieplan
In het compensatieplan wordt het volgende bepaald:
een onderhoudsplan voor de eerste drie jaren, gerekend vanaf de aanplant, waarin onder andere de termijn voor de eerste aanplant, inboetperioden, aanwijzingen voor plantgatvoorbereiding, verzorging- en groeibevorderende maatregelen, welk plantmateriaal, welke soort, de stamomtrek en het aantal is opgenomen.
Artikel 3.75 Herplant-/instandhoudingsplicht bij vellen zonder vergunning
Als een houtopstand zonder vergunning is geveld terwijl daar wel een vergunning voor nodig was, kan het college bij een last onder bestuursdwang of onder dwangsom de verplichting opleggen aan de overtreder om te herplanten. De herplant vindt plaats volgens de bij een last onder bestuursdwang of onder dwangsom aangegeven manier en binnen de aangegeven termijn. Deze verplichting wordt opgelegd aan de rechthebbende van de gevelde houtopstand en/of degene die de houtopstand heeft geveld of heeft laten vellen.
Als het voortbestaan van een beschermde houtopstand wordt bedreigd door menselijk handelen, kan het college aan de rechthebbende van de houtopstand, of aan degene die op een andere manier bevoegd is voorzieningen te treffen, in het kader van de op te leggen last onder bestuursdwang of last onder dwangsom, de verplichting opleggen om:
Artikel 3.77 Bestrijding van boomziekten
Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:
Hoofdstuk 4 Procesregels voor cultureel erfgoed
Afdeling 4.1 Voorbereiding van besluiten
Artikel 4.1 Waardestellend onderzoek beschermd gemeentelijk monument
Bij een hoge archeologische of cultuurhistorische verwachting kan het college bepalen dat een nader waardestellend onderzoek moet worden verricht ten behoeve van de aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument.
Paragraaf 4.2.2 Advies bij aanwijzing beschermd gemeentelijk monument of gemeentelijke verzameling
Paragraaf 4.2.3 Advies bij aanwijzing gemeentelijk beschermd stads-en dorpsgezicht
Besluiten, genomen krachtens de verordening genoemd in artikel 7.1 of naar deze verordening overgehevelde delen van de Algemene plaatselijke verordening Gooise Meren 2020 en de Algemene Verordening Ondergrondse infrastructuren gemeente Gooise Meren, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
Aanvragen voor vergunningen of ontheffingen op grond van de verordeningen genoemd in artikel 7.1 of de naar deze verordening overgehevelde delen van de Algemene plaatselijke verordening Gooise Meren 2020 en de Algemene Verordening Ondergrondse infrastructuren gemeente Gooise Meren, waarop op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog geen beslissing is genomen, worden afgehandeld op grond van deze verordening.
Adviezen van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed of een andere deskundige, die zijn gevraagd en/of gegeven op grond van de verordeningen genoemd in artikel 7.1 of de naar deze verordening overgehevelde delen van de APV, gelden als gevraagde en/of gegeven adviezen op grond van deze verordening.
Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed: adviescommissie die onder meer als taak heeft het college te adviseren ten aanzien van redelijke eisen van welstand, de aanwijzing van beschermde gemeentelijke monumenten, vergunningaanvragen voor wijziging, verbouwing of sloop van beschermde rijks- of gemeentelijke monumenten en de aanwijzing van onroerende zaken als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht;
Gemeentelijke beschermd cultureel erfgoed: monumenten, archeologische monumenten, stads- en stads-en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
Kabels en leidingen: één of meer kabels of leidingen, daaronder in ieder geval begrepen lege buizen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, maar geen kabel zijnde als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet;
22 erkelijk monument: een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging.
Niet-openbare kabels en leidingen: kabels en leidingen die niet vallen onder één van de categorieën openbare werken als bedoeld in artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht en kabels en leidingen die niet ten dienste staan van een openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in de Telecommunicatiewet;
Openbare grond: de openbare weg en openbaar water met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, pleinen, plantsoenen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken alsmede andere plaatsen die voor eenieder toegankelijk. Openbare plaats: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
Werkzaamheden ten behoeve van de aanleg, verplaatsing, verwijdering en/of instandhouding van kabels en leidingen: handmatige en/of mechanische (graaf)werkzaamheden, waaronder ook begrepen het opbreken en herstellen van de sleufbedekking en sleufloze technieken, in of op openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-550297.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.