Wijzigingsbesluit Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2020

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen;

gelezen het ambtelijk voorstel;

gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

 

besluit vast te stellen het volgende: Wijzigingsbesluit Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2020

Artikel I Wijziging beleidsregel

 

  • A.

    In het voorwoord een aangepaste tekst die komt te luiden:

  • Op onderdelen is het beleid geactualiseerd

    • -

      de invoering van de huizen van de Buurt

    • -

      over de normering uren Begeleiding en dagbesteding met het HHM Protocol als richtlijn en

    • -

      de verdergaande samenwerking tussen centrumgemeente en regiogemeente met Beschermd Wonen

  • Het huis van de buurt is een ontmoetingsplek in een dorp of wijk. Het doel van het huis van de buurt is om de samenredzaamheid van de samenleving te bevorderen. Hoe lossen we lichte ondersteuningsvragen samen op en niet in geïndiceerde zorg.

  • Bij de voortdurende evaluatie van de beleidsregels zal er ook gekeken worden naar de uitkomsten van het jaarlijks cliënttevredenheidsonderzoek.

  •  

  • B.

    Artikel 3.3 komt te luiden:

  • Huis van de buurt, oplossing in het voorliggende veld

  • Het huis van de buurt is een ontmoetingsplek in een dorp of wijk. Het doel van het huis van de buurt is om de samenredzaamheid van de samenleving te bevorderen. Hoe lossen we lichte ondersteuningsvragen samen op en niet in geïndiceerde zorg.

  • Het huis van de buurt is toegankelijk voor iedereen. En dat is dan ook meteen de doelgroep, alle inwoners van Hoogeveen, waarbij de focus ligt op 18 jaar en ouder.

  • Het huis van de buurt is een plek om te ontmoeten en om van waarde te zijn voor elkaar. Waar de één op zoek is naar iemand die meedenkt over het inrichten van zijn of haar administratie, is de ander op zoek naar een maatje om een keer in de week mee te wandelen of koffie te drinken. Hoe mooi als zij elkaar kunnen helpen.

  • Deels werden deze vragen opgelost via een indicatie Wmo begeleiding licht. Waar het kan worden deze vragen, met de komst van het huis van de buurt, collectief opgepakt en opgelost waarbij er een focus is op informele zorg.

  • In het huis van de buurt is altijd een welzijnsmedewerker aanwezig. Dit om, waar dit nodig is, vragen aan elkaar te koppelen, maar ook om te escaleren naar geïndiceerde zorg waar dit nodig is.

  • Het huis van de buurt is een pilot en start in 3 wijken in Hoogeveen en heeft de ambitie om een dekkend aanbod te zijn binnen de gehele gemeente.

  •  

  • C.

    Artikel 3.4.6 komt te luiden:

  • Nieuwe schema 2024 invoegen:

  • Maatwerkvoorzieningen aan cliënten met een Wlz-indicatie in 2024

  • Dit overzicht is gemaakt door de gemeente Raalte en goedgekeurd door de VNG en het ministerie van VWS.

  •  

  •  

    • Woonsituatie

    • Wlz

    • Wmo 2015

    • Wlz thuiswonend (PGB, VPT of MPT) (1)

    • Hulp bij het huishouden Begeleiding Logeeropvang (2)

    • Sociaal vervoer (Regiotaxi) Rolstoel Vervoermiddelen (3) Woningaanpassing Woonvoorz./-hulpmiddel (4)

    • Wlz deeltijdverblijf (gemiddeld 7, 8 of 9 dagen per 14 dagen in een instelling wonen)

    • Hulp bij het huishouden Begeleiding Woonvoorz./-hulpmiddel (4)

    • Rolstoel (nieuw of te vervangen) (7) Vervoermiddelen (in de Wlz aangeduid als mobiliteitshulpmiddelen) (nieuw of te vervangen) (7)

    • Evt. 2e Woonvoorz./-hulpmiddel voor thuissituatie

    • Sociaal vervoer (Regiotaxi) Woningaanpassing

    • Wlz intramuraal

    • Hulp bij het huishouden Begeleiding Woonvoorz./-hulpmiddel (4) Rolstoel Vervoermiddelen (in de Wlz aangeduid als mobiliteitshulpmiddelen)

    • Sociaal vervoer (regiotaxi) als het een algemene voorziening is (5) Bezoekbaar maken van de woning (6) Niet vervoerbare Wmo (woon)hulpmiddelen en traplift thuis laten staan bij intramuraal gaan wonen en thuis logeren op minimaal 18 dagen per jaar. (geldt niet voor mobiliteitshulpmiddelen) (8)

  •  

    • (1)

      Momenteel (februari 2024) lopen er door 1 gemeente ingesteld hoger beroepen bij de CRvB inzake de verstrekking van hulpmiddelen uit de Wmo aan inwoners met een VPT Wlz die in een voorziening wonen die zich niet onderscheidt van een intramurale Wlz instelling (ook wel geclusterde woonvormen genoemd) . Twee gemeenten zijn door de rechtbank in het gelijk gesteld dat deze voorzieningen niet vallen onder “thuis wonen” (ECLI:NL:RBGEL:2023:4967 en ECLI:NL:RBOBR:2022:448). Omdat er binnen de Wlz geen aanspraak bestaat op hulpmiddelen in deze situatie, heeft de VNG met VWS afgesproken dat gemeenten de hulpmiddelen blijven verstrekken op basis van eerdere bestuurlijke afspraken, in ieder geval tot de uitspraken van de CRvB. Wanneer de CRvB de gemeenten in het gelijk stelt, is de wetgever aan zet om de wet te verduidelijken.

    • (2)

      Voor thuiswonende cliënten met een Wlz-indicatie is vanuit de Wlz logeeropvang mogelijk. Een cliënt met een Wlz-indicatie kan geen beroep doen op Kortdurend Verblijf (respijtzorg) vanuit de Wmo.

    • (3)

      Denk aan b.v. scootmobiel, aangepaste fiets etc. In de Wlz worden de rolstoel en andere vervoermiddelen aangeduid als mobiliteitshulpmiddelen.

    • (4)

      Denk aan b.v. douche-/toiletstoel, tillift, drempelhulpen etc.

    • (5)

      Cliënten met een Wlz-indicatie, die in een instelling wonen, kunnen geen aanspraak maken op een maatwerkvoorziening in de vorm van een vervoersvoorziening Sociaal (collectief) Vervoer (Regiotaxi). Als het sociaal vervoer wordt aangeboden als algemene voorziening, kunnen zij daar wel gebruik van maken. Dat betekent echter niet dat gemeenten niet de mogelijkheid hebben om daarvan af te wijken als de persoon toch is aangewezen op sociaal vervoer. Vanuit de Wmo als vangnet is het denkbaar dat de gemeente in de situatie dat er geen alternatieven zijn, toch een pasje voor het sociaal vervoer verstrekt.

    • (6)

      Het bezoekbaar maken van een woning kan, in het kader van participeren of zelfredzaamheid, onder de Wmo vallen als een cliënt binnen de gemeente woont. Als een cliënt buiten de gemeente woont geldt dit niet, behalve als hiervoor in het gemeentelijk beleid een uitzondering is gemaakt (bovenwettelijk begunstigend beleid). In dat geval moet de gemeente zich aan het eigen beleid houden.

    • (7)

      Deeltijdverblijf Wlz: Het individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen komt ten laste van de Wlz als het gaat om nieuwe of te vervangen mobiliteitshulpmiddelen. De gemeente blijft verantwoordelijk voor het onderhoud en aanpassingen aan mobiliteitshulpmiddelen die de cliënt gebruikt wanneer met deeltijdverblijf wordt begonnen. Vaak kunnen deze hulpmiddelen vervoerd worden van de instelling naar huis en vice versa zodat de behoefte aan een 2de exemplaar niet aan de orde zal zijn.

    • (8)

      Zie: Bestuurlijke afspraken over behoud Wmo-hulpmiddelen thuis | VNG De afspraken gelden voor cliënten die verhuizen naar een intramurale instelling. Wanneer de cliënt naar een instelling buiten de gemeente verhuist, blijft de gemeente waar het logeeradres is, verantwoordelijk voor het laten staan van bepaalde hulpmiddelen op het logeeradres. Deze bestuurlijke afspraken sluiten niet aan bij artikel 1.2.1 sub a van de Wmo waarin staat dat het college een maatwerkvoorziening alleen hoeft te leveren aan een ingezetene van zijn gemeente. Een verhuizing naar een pgb-gefinancierd wooninitiatief valt niet onder de bestuurlijke afspraak. Gemeenten hebben de vrijheid om ook bij deze verhuizing hulpmiddelen thuis te laten staan. Overgangsmaatregelen per 1 januari 2020

      • a.

        Als een cliënt op 1 januari 2020 al in een zorginstelling woont met een mobiliteitshulpmiddel van de Wmo, blijft de gemeente verantwoordelijk voor onderhoud en aanpassingen totdat het middel moet worden vervangen. Vanaf dat moment valt deze onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (Zorgkantoor).

      • b.

        Als een cliënt na 1 januari 2020 naar een zorginstelling verhuist, moet worden bekeken of het mobiliteitshulpmiddel moet worden vervangen. Als deze moet worden vervangen valt deze onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (Zorgkantoor). Als deze niet hoeft te worden vervangen, kan deze worden overgenomen door de Wlz. Overgangsrecht voor cliënten met GGZ problematiek die overgaan naar de Wlz vanaf 1 januari 2021 De Wlz staat per 1 januari 2021 ook open voor mensen met ernstige GGZ-problematiek. Als deze cliënten voldoen aan de Wlz criteria, kunnen zij vanaf 1 januari 2021 toegang krijgen tot de Wlz.

      • c.

        Als een cliënt reeds intramuraal (Beschermd Wonen) verbleef met een mobiliteitshulpmiddel van de Wmo en na de overgang naar de Wlz intramuraal blijft wonen, blijft de gemeente verantwoordelijk voor onderhoud en aanpassingen totdat het middel moet worden vervangen. Vanaf dat moment valt het middel onder de verantwoordelijkheid van de Wlz.

      • d.

        Als een cliënt niet intramuraal verbleef maar bij de overgang naar de Wlz intramuraal gaat wonen, moet worden bekeken of het mobiliteitshulpmiddel moet worden vervangen. Als dit het geval is valt deze onder de verantwoordelijkheid van de Wlz. Als deze niet hoeft te worden vervangen, kan deze worden overgenomen door de Wlz.

  •  

  • D.

    Artikel 3.5 komt te luiden:

  •  

  • Het levert daadwerkelijk een bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de client tot zelfredzaamheid en participatie in staat is;

  • Het kan worden betaald door iemand met een minimuminkomen

  •  

  • E.

    Artikel 3.5 onder de lijst met algemeen gebruikelijke voorzieningen wordt een toevoeging gedaan deze komt te luiden:

  •  

  • Toevoeging van de (elektrische) bakfiets, E-bike en door de RDW goedgekeurde E-step (https://www.rdw.nl/particulier/paginas/check-of-uw-e-step-de-weg-op-mag#:~:text=De%20meeste%20e%2Dsteps%20zijn,toegestaan%20op%20de%20openbare%20weg.)

  • F.

    Artikel 3.11.1 onder gebruikelijke hulp bij begeleiding, begeleiding van volwassenen onderling wordt een toevoeging gedaan. Deze komt te luiden:

  •  

  • Overname van of begeleiding bij de thuisadministratie

  • Voor overname van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten deze taak van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. CRVB:2021:1114, RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072).

  • Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval: de postverzorging, de betaling van rekeningen en dergelijke.

  • Van een inwonend meerderjarig kleinkind mag bijvoorbeeld worden verwacht dat hij, naast de huishoudelijke taken ook de thuisadministratie van oma overneemt (CRVB:2021:1114). Daaronder zou ook de aansporing kunnen vallen in de zin van het helpen herinneren of dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot ondersteuning bij de thuisadministratie. Het bieden van gebruikelijke hulp moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt.

  •  

  • Begeleiding gericht op zelfzorg

  • Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van partners mag worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen: het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt; dat valt onder professionele ondersteuning. Een aantal adl-activiteiten gaat partners beiden aan en valt alleen al om die reden onder de gebruikelijke hulp die zij elkaar geacht worden te bieden, zoals het eten en drinken. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(s) aansporen tot zelfzorg.

  •  

  • Begeleiding bij het doen van aankopen

  • Van partners wordt in ieder geval verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is of daar begeleiding bij nodig heeft. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken, boodschappen doen of andere normale aankopen. Daarmee is nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(s) incidenteel begeleiding bieden bij bijvoorbeeld het boodschappen doen.

  •  

  • Begeleiding bij structureren van de dag/week

  • Van partners wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken van en bespreken van een dag-of weekplanning (vergelijk CRVB:2021:823). Daarin staat bijvoorbeeld de volgorde waarin activiteiten plaats vinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan:

    • Bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist, e.d.,

    • Regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, uitvoeren van huishoudelijke taken, e.d.,

    • Bezoek aan familie,

    • Deelname aan dagactiviteiten (brengen en/of opgehaald worden).

  • Er is geen limitatieve opsomming beoogd. Het gaat om activiteiten die betrekking kunnen hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. De ondersteuning heeft een niet-professioneel karakter. In geval van ouders en hun meerderjarige inwonende kinderen overlegt het college met alle betrokkene wat redelijk is om als gebruikelijke hulp te bieden (vergelijk CRVB:2018:3243).

  •  

  • Begeleiding bij participatie

  • Onder gebruikelijke hulp bij participatie wordt in ieder geval verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. In het algemeen geldt dat van partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders. Dat wil echter niet zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind niet mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of begeleiding bij het vervoer aan de cliënt wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen.

  •  

  • Vervoer en begeleiding bij vervoer

  • Of vervoer of begeleiding bij vervoer als gebruikelijke hulp geboden kan worden is mede afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en dan met name de frequentie. Verder wordt rekening gehouden met een individuele vervoersbehoefte van de client.

  • Als gebruikelijke hulp verwacht mag worden bij vervoer, dan kan het college een gebruikerspas voor de Regiotaxi verstrekken in plaats van bijvoorbeeld individueel (rolstoel)taxivervoer. Een verplichte begeleider mag gratis met de Regiotaxi mee. Ook als de cliënt in het bezit is van een geldige OV-begeleiderskaart, dan kan diens begeleider gratis mee. Een sociale begeleider betaalt net als de cliënt het gereduceerde tarief (de ritbijdrage). Ook bij het bezit van een eigen auto kan sprake zijn van gebruikelijke hulp. Dat wil zeggen dat in zo’n situatie geen financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de auto verstrekt hoeft te worden.

  •  

  • G.

    Artikel 4.1.2 wordt tekstueel aangepast, deze komt te luiden:

  • Deze voornamelijk financiële taak hoort, wegens mogelijke belangenverstrengeling, niet bij de instelling of hulpverlener waar zorg wordt ingekocht. Ook wanneer de cliënt als budgethouder niet zelf het pgb beheert, blijft deze verantwoordelijk en aansprakelijk voor het pgb. Het (niet op tijd) handelen van een vertegenwoordiger blijft voor risico van de cliënt.

  •  

  • H.

    Artikel 5.1 komt te luiden:

  • Voor alle maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van rolstoelen, regiotaxipas en hulpmiddelen en woningaanpassingen voor kinderen tot 18 jaar, is een eigen bijdrage verschuldigd.

  • De eigen bijdrage wordt door het CAK berekend conform de voorwaarden van het Landelijk Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, dit is een besluit van het Rijk.

  •  

  • I.

    Artikel 6.2.1 wordt deels aangepast en komt te luiden:

  • De Wmo consulent bepaalt het aantal uren en/of dagdelen per week dat noodzakelijk is om de resultaten en doelen te behalen. Het HHM Normenkader geldt als richtlijn voor de bepaling van het aantal uren begeleiding/dagdelen dagbesteding per week- zie Bijlage VII.

  •  

  • J.

    Artikel 6.2.1 wordt onder het kopje beschermd wonen deels aangepast en komt te luiden:

  • Beschermd wonen maakt onderdeel uit van de zorgplicht van de gemeente op grond van de Wmo. De centrumgemeenten Assen doet in samenspraak met de regiogemeente de uitvoering. in het kader van het integraal bekijken van de situatie van de client zal bij aanvragen de totale situatie van de klant worden onderzocht. Ook worden er in regionaal verband indicatiecriteria voor beschermd wonen opgesteld en afspraken gemaakt over toewijzing. Ook over de uitstroom (als een klant vanuit de beschermde woonvorm naar

  • een zelfstandige woning gaat) zijn werkafspraken gemaakt met de centrumgemeente Assen. Voor klanten uit gemeente Hoogeveen geldt dat voor aanvragen en indicaties Beschermd Wonen het beleid van centrumgemeente Assen van toepassing is. In het jaar 2024 blijven in principe de beschikkingen nog vanuit gemeente Assen verzonden.

  •  

  • K.

    Artikel 6.2.3 onder B2 wordt aangevuld. De tekst komt te luiden:

  • Wat kan er onder dagbesteding worden verstaan?

  • Dagbesteding is een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij de inwoner actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent.

  • Wanneer is er sprake van dagbesteding als maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo?

  • In de eerste plaats moet het doel van de dagbesteding voor de inwoner (met andere woorden, wat is zijn ondersteuningsbehoefte) duidelijk zijn, zoals:

    • -

      het bieden van structuur in de dag, gericht op het verbeteren of behouden van capaciteiten en/of het reguleren van gedragsproblemen

    • -

      het bieden van sociale contacten en bezigheden met als doel al dan niet aangepaste vormen van arbeid (ook vrijwilligerswerk) of school te vervangen

    • -

      het bieden van een situatie die te vergelijken is met de werkomgeving van niet beperkte mensen aan mensen onder de pensioengerechtigde leeftijd

    • -

      het ontlasten van mantelzorgers

  •  

  • Naast het vaststellen van het doel dat de inwoner wenst te bereiken met dagbesteding, is het van belang om vast te stellen of er voor deze behoefte een specifieke deskundigheid (professionaliteit) nodig is. Waarom is de inwoner meest gebaat bij deze vorm van dagbesteding?

  • Professioneel georganiseerde dagbesteding wordt gekenmerkt door het volgende:

    • -

      bedoeld voor inwoners die door cognitieve, ernstig fysieke of gedragsproblemen een dagstructurering nodig hebben die gericht is op het verbeteren of behouden van vaardigheden en/of het reguleren van beperkingen

    • -

      is programmatisch; activiteiten op een dag, in een week staan vast

    • -

      is methodisch; activiteiten vinden plaats aan de hand van een voor de doelgroep ontwikkelde methode

    • -

      vraagt actieve betrokkenheid van de inwoner

    • -

      levert een bijdrage aan de zelfredzaamheid van de inwoner; bijvoorbeeld door bepaalde vaardigheden te oefenen

  •  

  • Een zorgaanbieder kan zijn deskundigheid en integriteit aan de hand van diploma’s en VOG’s (Verklaring Omtrent Gedrag) aantonen. De beoordeling van gecontracteerde aanbieders ligt bij contractmanagers (en toezichthouders). De beoordeling van pgb (persoonsgebonden budget) aanbieders ligt tijdens de indicatiestelling bij de consulent, die dan ook kan vragen naar certificering van de zorgaanbieder. De zorgaanbieder, zowel gecontracteerd als pgb, conformeert zich aan de kwaliteitseisen die zijn gesteld in het Drents Kwaliteitskader.

  • De beoogde ondersteuning dient beschreven te worden in een zorgplan. Van het zorgplan mag verwacht worden dat deze aan bepaalde voorwaarden en doelen voldoet. Een zorgplan dat niet voldoet, dupeert uiteindelijk de inwoner, omdat de kwaliteit van de ondersteuning niet of onvoldoende beoordeeld (geëvalueerd) kan worden.

  •  

  • Wanneer is er geen sprake van dagbesteding?

  • Vanuit het kader van de Wmo wordt er geen dagbesteding bedoeld bij:

    • -

      een reguliere dagstructurering die in de woon-/verblijfsituatie wordt geboden

    • -

      welzijnsactiviteiten als zang, bingo, uitstapjes en dergelijke

    • -

      inloop

    • -

      sport (uitzondering wanneer bijvoorbeeld ondersteuning met als doel op termijn zelfstandig deel te nemen aan activiteiten van de vereniging, maar dit zou onder kortdurende ambulante begeleiding kunnen plaatsvinden)

    • -

      preventie en voorlichting op kantoor

  •  

  • Onderscheid welzijnsactiviteiten en dagbesteding

  • Dagbesteding is bedoeld voor mensen die door hun beperkingen juist geen gebruik kunnen maken van voorliggende voorzieningen als welzijnsactiviteiten.

  • Aan dagbesteding ligt een zorgplan met een beschrijving van te bereiken doelen ten grondslag. Hierin kunnen welzijnsactiviteiten opgenomen zijn. Welzijnsactiviteiten als onderdeel van dagbesteding zijn geen doel op zich, maar een middel om het doel te bereiken.

  •  

  • L.

    Artikel 6.2.4 onder B11 komt te luiden:

  • de mogelijkheden van de cliënt (hoeveel kan de cliënt fysiek en mentaal aan?)

  •  

  • M.

    Artikel 6.2.4 onder W13 komt te luiden:

  • De eenmalige verhuiskostenvergoeding wordt verstrekt als financiële tegemoetkoming.

  •  

  • N.

    Artikel 6.2.4 onder W15 komt te luiden:

  • Indien de daadwerkelijke kosten voor de verhuizing lager zijn dan de financiële tegemoetkoming, worden de daadwerkelijke kosten vergoed.

  •  

  • O.

    Artikel 6.2.4 onder W33 komt te vervallen.

  •  

  • P.

    Artikel 6.2.4 onder W34 komt te vervallen.

  •  

  • Q.

    Artikel 6.4.1 onder R4 komt te luiden:

  • Sporten kan een belangrijk middel tot meedoen in de samenleving zijn. Wanneer het voor de inwoner zonder sportvoorziening niet mogelijk is om een sport te doen en de kosten hiervoor veel hoger zijn -dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport-, kan er een vergoeding voor een sportvoorziening worden gegeven. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. Eerdere regelgeving Wmo en jurisprudentie laat zien dat het redelijk is om maximaal eens per drie jaar hiervoor een vergoeding te verstrekken. De inwoner moet dan actief lid zijn van een sportvereniging of op een andere manier kunnen laten zien dat er sprake is van actieve sportbeoefening.

  • De ervaring leert dat sportclubs , sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Bovendien kost sporten zonder beperking ook geld dus mag van de aanvrager zelf ook worden verwacht dat hij een deel van de kosten draagt.

  • De vergoeding voor een sportvoorziening is daarom de meerkosten van een voorziening die de valide sporters niet hebben.

  •  

  • Voor een sportvoorziening wordt een tegemoetkoming verstrekt. De hoogte van deze tegemoetkoming bedraagt maximaal € 4.000- . Dit bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf, onderhoud en reparatie van een sportvoorziening voor een periode van minimaal 3 jaar. Deze financiële tegemoetkoming hoeft niet helemaal kostendekkend te zijn.

  • Om in aanmerking te komen voor een sportvoorziening moet aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldaan worden:

    • De inwoner wil een sport gaan beoefenen of doet aantoonbaar aan een bepaalde sport en

    • De inwoner is zonder sportvoorziening niet in staat tot uitoefening van die sport en

    • De inwoner ontmoet door de sport andere mensen en kan daardoor zijn sociale kring uitbreiden.

  • Na de periode van 3 jaar kunnen onderhoudskosten worden vergoed, als de voorziening technisch is gekeurd en is goedgekeurd door de gemeente.

  •  

  •  

  • R.

    Artikel 6.4.2 onder R7 komt te luiden:

  • Bij een verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die cliënt zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen.

  •  

  • S.

    Artikel 6.4.2 onder R9 komt te luiden:

  • Voor een sportvoorziening wordt een tegemoetkoming verstrekt. De hoogte van deze tegemoetkoming bedraagt maximaal € 4.000- . Dit bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf, onderhoud en reparatie van een sportvoorziening voor een periode van minimaal 3 jaar. Deze financiële tegemoetkoming hoeft niet helemaal kostendekkend te zijn.

  •  

  • T.

    Artikel 6.5.1 onder V5 komt te luiden:

  • Bij de beoordeling hiervan zal rekening worden gehouden met het openbaar vervoer en het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV-deel van de Publiek Vervoer Groningen Drenthe).

  •  

  • U.

    Artikel 6.5.1 onder V5 komt te luiden:

  • Servicebus De Bij (https://www.hoogeveen.nl/parkeren-verkeer-en-vervoer/route-en-tijden-stadsbus-de-bij) en vrijwilligersvervoer van Hoogeveenvervoert.nl zijn aanvullende vervoersmogelijkheden in Hoogeveen. Op de website van gemeente Hoogeveen worden de voorwaarden actueel gehouden.

  •  

  • V.

    Artikel 6.5.2 onder V12 komt te luiden:

  • Collectief vervoer wordt verstrekt als een Wmo-pas waarmee gebruik gemaakt kan worden van de Publiek Vervoer Groningen Drenthe.

  •  

  • W.

    Artikel 6.5.2 onder V25 komt te luiden:

  • Indien individueel in bruikleen verstrekte voorzieningen meegenomen worden buiten de eigen leefomgeving, dient hierover vooraf overleg te zijn geweest met de leverancier. Dit om duidelijkheid te hebben over de (on-)mogelijkheden van het bieden van service op de plek van bestemming.

  •  

  • X.

    Bijlage II Berekeningsmethodiek PGB voorzieningen komt te luiden:

  • Bij het bepalen van het PGB voor de voorziening wordt uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. De verschillende Wmo-voorzieningen zijn onderverdeeld in categorieën. Met de gecontracteerde leverancier zijn afspraken gemaakt over de categorieprijs voor de aanschaf (All in eenheidsprijs koop) en het maandelijkse tarief voor de service en dienstverlening (All in eenheidsprijs servicedienstverlening en beheer per maand).

  • De aanschafprijzen en de tarieven zijn vastgesteld na een Europese aanbesteding. Hierdoor kunnen er kortingen zijn ten opzichte van een individuele aankoop door een particulier. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft.

  • Is dat niet het geval dan zal beoordeeld moeten worden of niet het volledige bedrag zonder korting vergoed zal moeten worden omdat anders het te bereiken doel onbereikbaar wordt.

  • Het is immers niet de bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura.

  • Het PGB wordt bepaald op basis van het aanschafbedrag + 7 jaar onderhoud.

  •  

  • Standaard berekening PGB:

  • Aanschafbedrag

  • Er wordt uitgegaan van de categorieprijs van de voorziening zoals die door het college zijn afgesproken in het contract met de gecontracteerde leverancier van voorzieningen.

  •  

  • Onderhoud

  • Er wordt uitgegaan van het maandtarief dat hoort bij de categorie van de voorziening.

  •  

  • Verzekering

  • Voor elektrische voorzieningen in natura wordt door het college een WA-verzekering afgesloten. De kosten hiervoor zijn al verrekend in de tarieven met de leverancier en worden dus niet apart berekend voor het PGB.

  •  

  • Rekenvoorbeeld

  •  

    • Aanschaf

    • Onderhoud per jaar

    € x 7

    • +

    --------------------- +

    • Totaal PGB bedrag

  • Bij aanschaf van de voorziening wordt het aanschaf bedrag plus 1 jaar onderhoud uitgekeerd. De 6 jaren daarna zal er jaarlijks het onderhoudsbedrag worden uitbetaald.

  •  

  • Y.

    Bijlage VII over HHM normenkader begeleiding

 

 

 

 

Artikel II Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2025

 

 

Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 24 november 2024.

Burgemeester en wethouders van Hoogeveen,

Jelmer Mulder Martijn Breukelman

Secretaris burgemeester

Naar boven