Gemeenteblad van Hoogeveen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hoogeveen | Gemeenteblad 2024, 549441 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hoogeveen | Gemeenteblad 2024, 549441 | beleidsregel |
Wijzigingsbesluit Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2020
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen;
gelezen het ambtelijk voorstel;
gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit vast te stellen het volgende: Wijzigingsbesluit Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2020
Artikel I Wijziging beleidsregel
Het huis van de buurt is een plek om te ontmoeten en om van waarde te zijn voor elkaar. Waar de één op zoek is naar iemand die meedenkt over het inrichten van zijn of haar administratie, is de ander op zoek naar een maatje om een keer in de week mee te wandelen of koffie te drinken. Hoe mooi als zij elkaar kunnen helpen.
Momenteel (februari 2024) lopen er door 1 gemeente ingesteld hoger beroepen bij de CRvB inzake de verstrekking van hulpmiddelen uit de Wmo aan inwoners met een VPT Wlz die in een voorziening wonen die zich niet onderscheidt van een intramurale Wlz instelling (ook wel geclusterde woonvormen genoemd) . Twee gemeenten zijn door de rechtbank in het gelijk gesteld dat deze voorzieningen niet vallen onder “thuis wonen” (ECLI:NL:RBGEL:2023:4967 en ECLI:NL:RBOBR:2022:448). Omdat er binnen de Wlz geen aanspraak bestaat op hulpmiddelen in deze situatie, heeft de VNG met VWS afgesproken dat gemeenten de hulpmiddelen blijven verstrekken op basis van eerdere bestuurlijke afspraken, in ieder geval tot de uitspraken van de CRvB. Wanneer de CRvB de gemeenten in het gelijk stelt, is de wetgever aan zet om de wet te verduidelijken.
Cliënten met een Wlz-indicatie, die in een instelling wonen, kunnen geen aanspraak maken op een maatwerkvoorziening in de vorm van een vervoersvoorziening Sociaal (collectief) Vervoer (Regiotaxi). Als het sociaal vervoer wordt aangeboden als algemene voorziening, kunnen zij daar wel gebruik van maken. Dat betekent echter niet dat gemeenten niet de mogelijkheid hebben om daarvan af te wijken als de persoon toch is aangewezen op sociaal vervoer. Vanuit de Wmo als vangnet is het denkbaar dat de gemeente in de situatie dat er geen alternatieven zijn, toch een pasje voor het sociaal vervoer verstrekt.
Het bezoekbaar maken van een woning kan, in het kader van participeren of zelfredzaamheid, onder de Wmo vallen als een cliënt binnen de gemeente woont. Als een cliënt buiten de gemeente woont geldt dit niet, behalve als hiervoor in het gemeentelijk beleid een uitzondering is gemaakt (bovenwettelijk begunstigend beleid). In dat geval moet de gemeente zich aan het eigen beleid houden.
Deeltijdverblijf Wlz: Het individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen komt ten laste van de Wlz als het gaat om nieuwe of te vervangen mobiliteitshulpmiddelen. De gemeente blijft verantwoordelijk voor het onderhoud en aanpassingen aan mobiliteitshulpmiddelen die de cliënt gebruikt wanneer met deeltijdverblijf wordt begonnen. Vaak kunnen deze hulpmiddelen vervoerd worden van de instelling naar huis en vice versa zodat de behoefte aan een 2de exemplaar niet aan de orde zal zijn.
Zie: Bestuurlijke afspraken over behoud Wmo-hulpmiddelen thuis | VNG De afspraken gelden voor cliënten die verhuizen naar een intramurale instelling. Wanneer de cliënt naar een instelling buiten de gemeente verhuist, blijft de gemeente waar het logeeradres is, verantwoordelijk voor het laten staan van bepaalde hulpmiddelen op het logeeradres. Deze bestuurlijke afspraken sluiten niet aan bij artikel 1.2.1 sub a van de Wmo waarin staat dat het college een maatwerkvoorziening alleen hoeft te leveren aan een ingezetene van zijn gemeente. Een verhuizing naar een pgb-gefinancierd wooninitiatief valt niet onder de bestuurlijke afspraak. Gemeenten hebben de vrijheid om ook bij deze verhuizing hulpmiddelen thuis te laten staan. Overgangsmaatregelen per 1 januari 2020
Als een cliënt na 1 januari 2020 naar een zorginstelling verhuist, moet worden bekeken of het mobiliteitshulpmiddel moet worden vervangen. Als deze moet worden vervangen valt deze onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (Zorgkantoor). Als deze niet hoeft te worden vervangen, kan deze worden overgenomen door de Wlz. Overgangsrecht voor cliënten met GGZ problematiek die overgaan naar de Wlz vanaf 1 januari 2021 De Wlz staat per 1 januari 2021 ook open voor mensen met ernstige GGZ-problematiek. Als deze cliënten voldoen aan de Wlz criteria, kunnen zij vanaf 1 januari 2021 toegang krijgen tot de Wlz.
Als een cliënt reeds intramuraal (Beschermd Wonen) verbleef met een mobiliteitshulpmiddel van de Wmo en na de overgang naar de Wlz intramuraal blijft wonen, blijft de gemeente verantwoordelijk voor onderhoud en aanpassingen totdat het middel moet worden vervangen. Vanaf dat moment valt het middel onder de verantwoordelijkheid van de Wlz.
Als een cliënt niet intramuraal verbleef maar bij de overgang naar de Wlz intramuraal gaat wonen, moet worden bekeken of het mobiliteitshulpmiddel moet worden vervangen. Als dit het geval is valt deze onder de verantwoordelijkheid van de Wlz. Als deze niet hoeft te worden vervangen, kan deze worden overgenomen door de Wlz.
Van een inwonend meerderjarig kleinkind mag bijvoorbeeld worden verwacht dat hij, naast de huishoudelijke taken ook de thuisadministratie van oma overneemt (CRVB:2021:1114). Daaronder zou ook de aansporing kunnen vallen in de zin van het helpen herinneren of dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot ondersteuning bij de thuisadministratie. Het bieden van gebruikelijke hulp moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt.
Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van partners mag worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen: het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt; dat valt onder professionele ondersteuning. Een aantal adl-activiteiten gaat partners beiden aan en valt alleen al om die reden onder de gebruikelijke hulp die zij elkaar geacht worden te bieden, zoals het eten en drinken. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(s) aansporen tot zelfzorg.
Van partners wordt in ieder geval verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is of daar begeleiding bij nodig heeft. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken, boodschappen doen of andere normale aankopen. Daarmee is nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(s) incidenteel begeleiding bieden bij bijvoorbeeld het boodschappen doen.
Van partners wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken van en bespreken van een dag-of weekplanning (vergelijk CRVB:2021:823). Daarin staat bijvoorbeeld de volgorde waarin activiteiten plaats vinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan:
Er is geen limitatieve opsomming beoogd. Het gaat om activiteiten die betrekking kunnen hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. De ondersteuning heeft een niet-professioneel karakter. In geval van ouders en hun meerderjarige inwonende kinderen overlegt het college met alle betrokkene wat redelijk is om als gebruikelijke hulp te bieden (vergelijk CRVB:2018:3243).
Onder gebruikelijke hulp bij participatie wordt in ieder geval verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. In het algemeen geldt dat van partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders. Dat wil echter niet zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind niet mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of begeleiding bij het vervoer aan de cliënt wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen.
Als gebruikelijke hulp verwacht mag worden bij vervoer, dan kan het college een gebruikerspas voor de Regiotaxi verstrekken in plaats van bijvoorbeeld individueel (rolstoel)taxivervoer. Een verplichte begeleider mag gratis met de Regiotaxi mee. Ook als de cliënt in het bezit is van een geldige OV-begeleiderskaart, dan kan diens begeleider gratis mee. Een sociale begeleider betaalt net als de cliënt het gereduceerde tarief (de ritbijdrage). Ook bij het bezit van een eigen auto kan sprake zijn van gebruikelijke hulp. Dat wil zeggen dat in zo’n situatie geen financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de auto verstrekt hoeft te worden.
Deze voornamelijk financiële taak hoort, wegens mogelijke belangenverstrengeling, niet bij de instelling of hulpverlener waar zorg wordt ingekocht. Ook wanneer de cliënt als budgethouder niet zelf het pgb beheert, blijft deze verantwoordelijk en aansprakelijk voor het pgb. Het (niet op tijd) handelen van een vertegenwoordiger blijft voor risico van de cliënt.
Beschermd wonen maakt onderdeel uit van de zorgplicht van de gemeente op grond van de Wmo. De centrumgemeenten Assen doet in samenspraak met de regiogemeente de uitvoering. in het kader van het integraal bekijken van de situatie van de client zal bij aanvragen de totale situatie van de klant worden onderzocht. Ook worden er in regionaal verband indicatiecriteria voor beschermd wonen opgesteld en afspraken gemaakt over toewijzing. Ook over de uitstroom (als een klant vanuit de beschermde woonvorm naar
een zelfstandige woning gaat) zijn werkafspraken gemaakt met de centrumgemeente Assen. Voor klanten uit gemeente Hoogeveen geldt dat voor aanvragen en indicaties Beschermd Wonen het beleid van centrumgemeente Assen van toepassing is. In het jaar 2024 blijven in principe de beschikkingen nog vanuit gemeente Assen verzonden.
Een zorgaanbieder kan zijn deskundigheid en integriteit aan de hand van diploma’s en VOG’s (Verklaring Omtrent Gedrag) aantonen. De beoordeling van gecontracteerde aanbieders ligt bij contractmanagers (en toezichthouders). De beoordeling van pgb (persoonsgebonden budget) aanbieders ligt tijdens de indicatiestelling bij de consulent, die dan ook kan vragen naar certificering van de zorgaanbieder. De zorgaanbieder, zowel gecontracteerd als pgb, conformeert zich aan de kwaliteitseisen die zijn gesteld in het Drents Kwaliteitskader.
De beoogde ondersteuning dient beschreven te worden in een zorgplan. Van het zorgplan mag verwacht worden dat deze aan bepaalde voorwaarden en doelen voldoet. Een zorgplan dat niet voldoet, dupeert uiteindelijk de inwoner, omdat de kwaliteit van de ondersteuning niet of onvoldoende beoordeeld (geëvalueerd) kan worden.
Sporten kan een belangrijk middel tot meedoen in de samenleving zijn. Wanneer het voor de inwoner zonder sportvoorziening niet mogelijk is om een sport te doen en de kosten hiervoor veel hoger zijn -dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport-, kan er een vergoeding voor een sportvoorziening worden gegeven. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. Eerdere regelgeving Wmo en jurisprudentie laat zien dat het redelijk is om maximaal eens per drie jaar hiervoor een vergoeding te verstrekken. De inwoner moet dan actief lid zijn van een sportvereniging of op een andere manier kunnen laten zien dat er sprake is van actieve sportbeoefening.
Voor een sportvoorziening wordt een tegemoetkoming verstrekt. De hoogte van deze tegemoetkoming bedraagt maximaal € 4.000- . Dit bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf, onderhoud en reparatie van een sportvoorziening voor een periode van minimaal 3 jaar. Deze financiële tegemoetkoming hoeft niet helemaal kostendekkend te zijn.
Voor een sportvoorziening wordt een tegemoetkoming verstrekt. De hoogte van deze tegemoetkoming bedraagt maximaal € 4.000- . Dit bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf, onderhoud en reparatie van een sportvoorziening voor een periode van minimaal 3 jaar. Deze financiële tegemoetkoming hoeft niet helemaal kostendekkend te zijn.
Bij het bepalen van het PGB voor de voorziening wordt uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. De verschillende Wmo-voorzieningen zijn onderverdeeld in categorieën. Met de gecontracteerde leverancier zijn afspraken gemaakt over de categorieprijs voor de aanschaf (All in eenheidsprijs koop) en het maandelijkse tarief voor de service en dienstverlening (All in eenheidsprijs servicedienstverlening en beheer per maand).
De aanschafprijzen en de tarieven zijn vastgesteld na een Europese aanbesteding. Hierdoor kunnen er kortingen zijn ten opzichte van een individuele aankoop door een particulier. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-549441.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.