Gemeenteblad van Groningen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Groningen | Gemeenteblad 2024, 548351 | gemeenschappelijke regeling |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Groningen | Gemeenteblad 2024, 548351 | gemeenschappelijke regeling |
Centrumregeling Jeugdregio Groningen 2025
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen, Oldambt, Pekela, Stadskanaal, Veendam, Westerkwartier en Westerwolde
de besluiten van de gemeenteraden van de gemeenten Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen, Oldambt, Pekela, Stadskanaal, Veendam, Westerkwartier en Westerwolde tot het verlenen van toestemming aan de colleges van burgemeester en wethouders van deze gemeenten tot het aangaan van samenwerking en het treffen van deze regeling;
het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke regeling Publieke Gezondheid en Zorg (gr PG&Z) op 23 februari 2023 besloten heeft een voorstel voor te bereiden voor de ontvlechting van de gr PG&Z, waarbij de taken van de regionale inkooporganisatie Groninger gemeenten (RIGG) worden ondergebracht in een eigen, nieuwe gemeenschappelijke regeling;
met deze gemeenschappelijke regeling al zoveel mogelijk vooruitgekeken en vooruitgelopen wordt op de ontwikkelingen in het kader van het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming en de Hervormingsagenda, waaronder een verplichte (vorm van) regionale inkoopsamenwerking en het wetsvoorstel Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, het een en ander voor zover de kaders van het rijk hierover, op het moment van de besluitvorming over deze Centrumregeling, bekend waren.
De navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen, genaamd:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Deze gemeenschappelijke regeling verstaat onder:
Contractbeheer: het fysiek en digitaal beheren van contracten, zodat de juiste informatie op het juiste tijdstip en op de juiste plaats beschikbaar is. Onder contractbeheer vallen in elk geval het beheer van contractgegevens, de archivering van fysieke contracten, het bewaken van acties en planning, het genereren van managementrapportages en het fungeren als centraal aanspreekpunt.
Contractmanagement: het bewaken van de naleving van de in een contract vastgelegde afspraken, waarbij zowel de prestatie van de aanbieders, als de prestatie van de inkopende organisatie wordt bewaakt. Contractmanagement heeft onder meer als doelen: relatiebeheer, prestaties van leveranciers beheersen en verbeteren (in termen van kwaliteit, tijd en kosten), tevredenheid over de geleverde dienst of geleverde product te verhogen, ondersteuning bieden aan strategische en tactische besluitvorming over inkoop, risico's beheersen die voortvloeien uit de contracten die een organisatie aangaat met aanbieders, de effectiviteit en (kosten)efficiëntie van het inkoopproces verbeteren. Onderdeel van contractmanagement is ook het aanspreken van een partij die niet goed presteert en de inzet van het daarvoor toepasselijke juridisch instrumentarium.
Inkoop: alle activiteiten die door een organisatie worden uitgevoerd om diensten van externe bronnen te betrekken. Tot de activiteiten behoren in ieder geval het volgen van een inkoopprocedure en het in dat kader opstellen van inkoopdocumenten, beoordelen van inschrijvingen/aanmeldingen, het nemen van gunningsbesluiten en het nemen van beslissingen over eventuele (aanbestedings)klachten;
Regiovisie: de gemeentelijke visie op hoe de gemeenten met inachtneming van de Jeugdwet samenwerken teneinde de beschikbaarheid te bevorderen van vormen van jeugdhulp, waaronder nader te bepalen vormen van jeugdhulp waarvoor samenwerking tussen gemeenten vereist is, en kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. In deze regio is begin 2022 door de raden van de gemeenten de regiovisie vastgesteld onder de naam Norm voor opdrachtgeverschap, regiovisie regio Groningen.
Artikel 2 Het belang van de samenwerking
De gemeenschappelijke regeling is aangegaan met de volgende belangen:
Artikel 3 Uitgangspunten van de samenwerking
Deze gemeenschappelijke regeling hanteert de volgende uitgangspunten:
bij lokale initiatieven die gevolgen (kunnen) hebben voor het regionale jeugdzorglandschap en de daarmee samenhangende inkoop, vindt vooraf overleg plaats met de RIGG om te beoordelen of dit initiatief past binnen de gekozen inkoopprocedure en de reeds gesloten overeenkomsten en wat de gevolgen (kunnen) zijn voor het jeugdzorglandschap;
Aan het college van de Centrumgemeente wordt tevens opgedragen de regionale inkoop van bepaalde overige jeugdtaken en daarmee samenhangende taken en activiteiten zoals cliëntvertegenwoordiging, vertrouwenspersoon, administratiekantoor, zak- en kleedgeld, pupilkosten, consultatie en vervoer. Gemeenten kunnen aanvullende overige jeugdtaken opdragen aan het college van de Centrumgemeente.
Het college van de Centrumgemeente aanvaardt deze opdracht en faciliteert een inkooporganisatie als organisatieonderdeel van de eigen ambtelijke organisatie, de RIGG, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van dat wat in het tweede en derde lid aan het college van de Centrumgemeente wordt opgedragen.
Bij deze Regeling verlenen de colleges van de overige gemeenten aan het college van de Centrumgemeente mandaat om namens de colleges, voor zover nodig en voor zover van toepassing, in mandaat besluiten te nemen die noodzakelijk zijn ter behartiging van het in artikel 2 gestelde belang en dat wat in artikel 4 aan de Centrumgemeente wordt opgedragen en de daarmee samenhangende taken, tenzij een wettelijk voorschrift of de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet.
Het college van de Centrumgemeente verleent aan de directeur ondermandaat voor de besluiten die verband houden met dat wat in artikel 4, tweede en derde lid, aan de Centrumgemeente is opgedragen en de daarmee samenhangende taken, waaronder het voeren van rechtsgedingen die verband houden met dat wat aan de Centrumgemeente in die leden is opgedragen en die daarmee samenhangende taken.
Als colleges van de gemeenten de in deze Regeling verleende mandaten gedeeltelijk intrekken, komen de kosten die daarvan het gevolg zijn, voor rekening van de betreffende gemeente die dat mandaat heeft ingetrokken.
Voor de bepaling van de frictiekosten is de ‘Notitie Frictiekosten bij opzeggen facultatieve taken GGD’ (vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Publieke Gezondheid en Zorg van 13 december 2019) zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 2 Organisatie en overleg
De samenwerking en aansturing van deze Centrumregeling is georganiseerd in de vorm van een Regionaal Bestuurlijk Overleg Jeugd (RBOJ) en de Regionale Inkooporganisatie Groninger gemeenten (RIGG).
De RIGG voert dat wat in artikel 4, tweede en derde lid, aan de Centrumgemeente is opgedragen en de daarmee samenhangende taken uit. Meer specifiek gaat hierbij om de volgende taken:
de advisering en beleidsvoorbereiding
monitoring, data-analyse en financieel beheer
Hoofdstuk 3 Informatie, verantwoording en bedrijfsvoering
Artikel 12 Regionale jeugdzorgkosten, bedrijfsvoeringskosten en gemeentelijke jeugdzorgkosten
Hoofdstuk 5 Overige bepalingen
Artikel 18 Gegevensbescherming
De Centrumgemeente heeft de verplichting om alle passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om de persoonsgegevens die worden verwerkt ten dienste van de gemeenten (zijnde, de verantwoordelijken) te beveiligen en beveiligd te houden tegen verlies of tegen enige vorm van onzorgvuldig, ondeskundig of ongeoorloofd gebruik.
De archivering met betrekking tot de door de Centrumgemeente uitgevoerde taken, geschiedt op basis van de bepalingen die de Centrumgemeente ook voor haar eigen processen hanteert.
Onverminderd het bepaalde in artikel 28 Wgr, verplichten de gemeenten zich om in geval van geschillen over de inhoud en uitvoering van deze regeling met elkaar in overleg te treden, waarbij zal worden getracht dergelijke geschillen in der minne te beslechten.
Klachten die betrekking hebben op de uitoefening van bevoegdheden die in mandaat van de Centrumgemeente worden uitgevoerd door medewerkers van de Centrumgemeente worden afgehandeld volgens de externe klachtenregeling van de Centrumgemeente.
Gemeenten waarborgen, als verwerkingsverantwoordelijken in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, dat bij de onderlinge gegevensuitwisseling de vigerende privacywetgeving wordt nageleefd.
1. Uitvoeringskracht; robuuste regio’s
In de Memorie van Toelichting bij de Jeugdwet staat dat van gemeenten wordt gevraagd dat zij voldoende uitvoeringskracht organiseren om de taken in het kader van de verschillende decentralisaties, waaronder de jeugdhulp, goed uit te kunnen voeren. Elke gemeente is zowel bestuurlijk als financieel afzonderlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van taken in het kader van dit wetsvoorstel. Het is ook nadrukkelijk de bedoeling dat gemeenten de jeugdhulp zoveel mogelijk dichtbij en in de omgeving van het gezin en het kind organiseren. Gemeenten maken daarover afspraken met de aanbieders van ondersteuning, hulp en zorg. Waar nodig vindt dit plaats in samenhang tussen de verschillende jeugdhulpaanbieders, met als uitgangspunt één gezin, één plan en een regisseur. Ook zullen er jeugdigen zijn die specifieke zorgbehoeften hebben of waar er sprake is van zware problematiek die niet altijd op lokaal niveau kan worden georganiseerd.
Om dit goed te kunnen organiseren is het dan ook nodig dat gemeenten voldoende slagkracht hebben. Om de bestuurskracht van gemeenten te versterken wordt ingezet op samenwerking tussen gemeenten op (sub)regionaal en bovenregionaal niveau. Op deze wijze kan gezorgd worden dat:
Gezamenlijke inkoop en organisatie van specialistische kennis door gemeenten kan in dit licht worden gezien als een belangrijke voorwaarde voor gemeentelijk maatwerk. De gemeenten hebben in beginsel de mogelijkheid om zelf tot afspraken te komen over de wijze waarop zij hun nieuwe taken gaan vormgeven. Dit geldt voor zowel de vorm van de samenwerking als voor de onderwerpen waarop samenwerking plaats vindt. Belangrijk is dat de samenwerkingsverbanden waar gemeenten voor kiezen wel voldoende robuust zijn om de verschillende taken te kunnen uitvoeren.
In de Jeugdwet is daarom aangegeven dat waar dat van belang is gemeenten moeten samenwerken. Dit geldt des te meer voor een specifiek aantal taken, zoals de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering en bepaalde specialistische vormen van jeugdhulp en gesloten jeugdhulp in het kader van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen. Deze vormen van zorg komen zo beperkt voor, dan wel zijn dermate dure vormen van jeugdhulp, of vereisen veel kennis van de inkopende partij, dat het om die redenen zowel inhoudelijk als vanwege het financiële risico opportuun is dat gemeenten deze taken in samenwerkingsverbanden oppakken.
In de huidige Jeugdwet is de grondslag voor een regionale samenwerking onder meer geregeld in artikel 2.8. van de Jeugdwet.
In het wetsvoorstel Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg komt het huidige artikel 2.8 van de Jeugdwet te vervallen. In de plaats van artikel 2.8 komt er een nieuwe paragraaf (2.2) over die samenwerking.
De basis voor de onderhavige Centrumregeling is gelegen in artikel 2.8 van de Jeugdwet. Als de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg in werking treedt, komt deze grondslag dus te vervallen. De kern van deze bepaling blijft evenwel overeind, maar krijgt een (nadere) invulling.
Uit het wetsvoorstel (artikel 2.19) blijkt dat in elk geval het volgende zal moeten worden geregeld.
De colleges van de gemeenten in een regio belasten de Jeugdregio ten minste met het met inachtneming van de regiovisies van de gemeenteraden uit de regio verrichten van de volgende werkzaamheden:
Het eerste lid, onderdelen a tot en met c, is niet van toepassing ten aanzien van vormen van jeugdhulp die zijn gecontracteerd door een door alle gemeenten gezamenlijk in stand gehouden landelijk werkende organisatie en waarbij alle gemeenten in de regio uitsluitend gebruikmaken van dat landelijk gecontracteerde aanbod.
De regeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1˚, betreft in ieder geval vormen van jeugdhulp die samenwerking vereisen in verband met de schaarste van de vraag, de complexiteit van de problematiek in combinatie met de daarvoor benodigde multidisciplinaire specialistische expertise, de schaarste van het aanbod of het volume dat een jeugdhulpaanbieder nodig heeft om verantwoorde jeugdhulp te kunnen leveren of een gezonde bedrijfsvoering te kunnen voeren.
3. Het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming
Het toekomstscenario schetst op hoofdlijnen hoe de kind- en gezinsbescherming er over zo’n vijf tot tien jaar uit zou kunnen zien (kamerbrief 30 maart 2021).
Er is één vast gezicht binnen het Lokaal Team dat indien nodig samen optrekt met een professional uit het op te richten Regionaal Veiligheidsteam. Er kan zo sneller hulp worden geboden waardoor de situatie van het kind en in het gezin niet onnodig escaleert en onaanvaardbare veiligheidsrisico’s worden tegengegaan.
In het Regionaal Veiligheidsteams zijn functies van de Gecertificeerde Instellingen, Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming samengebracht. Dit team heeft de expertise op veiligheidsvraagstukken. Er wordt gewerkt in een model waarbinnen professionals werken in teamverband, nabij het gezin.
Dicht bij deze professionals en gezinnen staat een netwerk van specialisten met kennis van kinderen, volwassenen en specifieke uitingsvormen van geweld. Professionals worden gefaciliteerd om samen te werken en een lerende omgeving te vormen. Er wordt in gezinsgericht en in gezamenlijkheid gewerkt aan het effectief en duurzaam borgen van duurzame veiligheid.
Het scenario komt hiermee tegemoet aan wat de meest kwetsbare kinderen, gezinnen en huishoudens nodig hebben en heeft een brede blik van 0-100 jaar. Het betekent een grote innovatie en verandering in de jeugdbeschermingsketen waarbij wordt overgestapt van een kind- naar een gezinsgerichte benadering. Van een estafettemodel waar meerdere organisaties het stokje doorgeven naar een teammodel. Van verschillende professionals in een gezin naar één vertrouwd gezicht. Kennis en deskundigheid op het gebied van zorg en veiligheid worden samengebracht. Belangrijke uitgangspunten hierbij zijn verder: de beschikbaarheid van passende (jeugd)hulp, rechtswaarborgen en rechtsgelijkheid, tegenspraak en het hanteren van begrijpelijke, toetsbare werkwijzen.
Dit scenario schetst een toekomstbeeld en is ten tijde van het formuleren van deze gemeenschappelijke regeling nog geen uitgewerkt plan. Hoewel de urgentie onmiskenbaar groot is, zijn er ook dilemma’s en uitwerkingsvragen. Bij het scenario is daarom een routekaart gevoegd. Deze routekaart adresseert de belangrijkste uitzoekpunten en laat zien welke stappen nodig zijn om het toekomstscenario te realiseren. Er zijn namelijk zaken die nog goed moeten worden onderzocht en beproefd alvorens tot definitieve besluitvorming kan worden overgegaan, zoals de schaalgrootte en de organisatievorm (publieksrechtelijk) van het beoogde Regionale Veiligheidsteam en de decentrale aansturing ervan, het verankeren van de rechtswaarborgen en de rechtsgelijkheid, de verbinding met het jeugdstrafrecht en het integreren van de expertise op het gebied van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Ook de financiële impact, doelmatigheid en doeltreffendheid van het scenario moeten nog verder in kaart worden gebracht.
Op 19 juni 2023 is de Hervormingsagenda Jeugd definitief vastgesteld en aangeboden aan de Tweede en Eerste Kamer. In de Hervormingsagenda hebben cliëntenorganisaties, professionals, aanbieders, de VNG en het Rijk afspraken vastgelegd over de verbeteringen van de jeugdzorg. De Hervormingsagenda is een meerjarige agenda die loopt van 2023 tot 2028.
De Hervormingsagenda bestaat uit een grote verzameling maatregelen. De maatregelen zijn verdeeld in 8 thema's. Het implementatieplan Hervormingsagenda geeft op hoofdlijnen weer wat er de komende jaren gaat gebeuren en wie welke rol en verantwoordelijkheid daarin heeft. Het beschrijft de aanpak per thema, maar ook voor de Hervormingsagenda als geheel. Eén van die thema's (thema 6) betreft het verbeteren van organisatie en inkoop specialistische jeugdhulp.
Voor een groot aantal jeugdigen en gezinnen is (hoog)specialistische hulp onvoldoende of niet op tijd beschikbaar. Deze zorg moet op regionaal of landelijk niveau worden georganiseerd en ingekocht. Op dit moment is dit nog zonder verplichtingen georganiseerd, maar bij ministeriële regeling zullen vormen van jeugdhulp worden bepaald waarvoor samenwerking tussen gemeenten vereist is.
Voor het verbeteren van de inkoop van specialistische hulp zijn bestuurlijke afspraken in de maak. Deze 5 bouwstenen vormen de basis van de afspraken:
Belangrijk hierbij is de inhoud van het wetsvoorstel ‘Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg’ en bijbehorende ministeriële regeling. Hierin wordt vastgelegd welke jeugdzorgvormen regionaal of landelijk worden ingekocht.
5. Opdracht algemeen bestuur PG&Z; doel nieuwe rechtsvorm jeugdregio
In 2014 is besloten dat de Groninger gemeenten de regionale jeugdzorgtaken onder te brengen in een bestaande structuur, te weten de gemeenschappelijke regeling Publieke Gezondheid en Zorg (gr PG&Z). Die structuur, waarbij twee taakvelden (publieke gezondheid en jeugdzorg) in één juridische constructie zijn ondergebracht, bleek in 2022 niet meer aan te sluiten op de bestaande praktijk, was onvoldoende toegesneden op de toekomst en was juridisch niet actueel.
Om die redenen heeft het algemeen bestuur (AB) van de gr PG&Z in februari 2023 de opdracht gegeven de gr PG&Z te ontvlechten en twee aparte rechtsvormen te ontwerpen, waaronder één voor regionale jeugdzorgtaken. Daarbij is verzocht:
De mogelijkheid deed zich met betrekking tot het beleggen van de regionale jeugdzorgtaken voor om:
Opgemerkt moet worden dat bij het verstrekken van de bestuurlijke opdracht, het AB de wens had de bestaande situatie, waarbij alle wethouders jeugd betrokken werden bij de besluitvorming (adviescommissie jeugd) en alle 10 gemeenten ambtelijk en bestuur betrokken werden bij de beleidsvoorbereiding (regionaal en bovenregionaal), voort te zetten.
Deze goed functionerende, voor een deel informele, werkwijze leent zich er niet voor om vast te leggen in een gr-tekst. De vastgestelde tekst biedt voldoende basis en flexibiliteit om in te kunnen spelen op wijzigingen in die werkwijze, als de kaders vanuit het rijk daartoe dwingen.
Het bestuur van de gr PG&Z vond in 2024 de Centrumregeling op dat moment de meest passende rechtsvorm voor samenwerking op het gebied van de regionale jeugdzorgtaken. De rechtsvorm zal door het RBOJ worden geëvalueerd na de gemeenteraadsverkiezingen van 2026.
6. Doel en belang van de regionale samenwerking jeugdzorg
Het doel van de bestuurlijke opdracht is een juridisch fundament te creëren voor een sterke en robuuste jeugdregio. In casu een samenwerkingsvorm met een bestuursorgaan dat een juridische titel heeft voor het nemen van bestuursrechtelijke besluiten en het verrichten van civielrechtelijke rechtshandelingen voor de taken die de Groninger gemeenten regionaal willen en moeten beleggen.
Het belang van het aangaan van de, wettelijk verplicht te stellen, gemeenschappelijke regeling is het verankeren van de samenwerking tussen de colleges van de deelnemende gemeenten op het gebied van de regionale jeugdzorg. Met de regeling als fundament kan gezamenlijk gewerkt worden aan het realiseren van de ambities zoals die zijn vastgelegd in de regiovisie Groningen, namelijk het realiseren en in stand houden van een passend en dekkend jeugdzorglandschap en het waarborgen van voldoende beschikbaarheid van jeugdzorg.
Bij een Centrumregeling-constructie is het juridisch zo dat de deelnemende colleges bevoegdheden mandateren (opdragen) aan de Centrumgemeente. Daardoor blijven de colleges zelf verantwoordelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden. Er worden bevoegdheden opgedragen, maar niet overgedragen. Iedere deelnemende gemeente blijft zelf eindverantwoordelijk.
Dat brengt dan ook met zich mee, dat de gemandateerde (= Centrumgemeente) zich rekenschap moet geven van de grenzen van het mandaat. Immers, voor derden geldt een in mandaat genomen besluit als een besluit van de mandaatgever.
In het RBOJ wordt in ieder geval besproken de in artikel 4 lid 2 en 3 gemandateerde taken en activiteiten.
Bij voorstellen (of voorgenomen besluiten in mandaat) die het mandaat overstijgen of dat lijken te doen, is afstemming in het RBOJ aan de orde en heeft de RBOJ een belangrijke stem.
De RIGG bereidt in geval van onderwerpen buiten het mandaat van de Centrumgemeente een besluit voor. Dat conceptbesluit wordt na overeenstemming in het RBOJ, aan alle 10 colleges ter besluitvorming voorgelegd. Daar waar het de bevoegdheden van de gemeenteraden betreft wordt het besluit door de gemeenteraden genomen.
Voor spoedeisende gevallen kan het college van de Centrumgemeente mandaat verlenen aan de portefeuillehouder jeugd (art. 5 lid 6). Het gaat bijvoorbeeld om een spoedeisende situatie die zich in de (zomer-)vakantie voordoet en er niet voldoende collegeleden van de Centrumgemeente aanwezig zijn voor het benodigde quorum.
De mandaatgever (= college) kan het mandaat gedeeltelijk intrekken. Maar dat is niet eenvoudig en gaat ook met kosten gepaard (zie hierna de toelichting bij art. 5 lid 7).
Een belangrijk deel van de aan de Centrumgemeente opgedragen taken betreft inkoop. Bij inkoop gaat het onder andere om privaatrechtelijke rechtshandelingen. De gemeente wordt als rechtspersoon op grond van art. 171, eerste lid, van de Gemeentewet vertegenwoordigd door de burgemeester. De burgemeester kan door middel van een volmacht de bevoegdheid om privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten opdragen aan een ander. Deze volmacht is buiten deze Centrumregeling geregeld, omdat deze Centrumregeling een zogenoemde collegeregeling is. De deelnemende gemeenten hebben de Centrumgemeente een volmacht verleend voor het verrichten van de privaatrechtelijke rechtshandelingen die verband houden met de in deze Centrumregeling opgenomen en aan de Centrumgemeente opgedragen taken. De Centrumgemeente heeft vervolgens ondervolmacht verleend aan de directeur van de RIGG.
In het proces van inkoop kunnen verschillende fases worden onderscheiden. Het begint met het vaststellen van een behoefte aan (een bepaalde vorm van) jeugdhulp, dan wel het vaststellen van de noodzaak tot transformatie ingegeven door jeugdbeleid die zich in gewijzigde inkoop dient te vertalen. Vervolgens kan aan de hand van een inkoopstrategie worden bepaald op welke wijze in de behoefte of passende transformatie kan worden voorzien. Vervolgens vindt de keuze van het inkoopinstrumentarium plaats, waarbij de financieringsvorm wordt betrokken. Afhankelijk van de gekozen inkoopmethodiek worden besluiten genomen en overeenkomsten gesloten met aanbieders of worden subsidierelaties aangegaan.
Het college van burgemeester en wethouders van de Centrumgemeente vervult binnen het voorgaande onder meer de volgende functies:
Het college en de burgemeester van de Centrumgemeente gaan namens gemeenten gezamenlijk één overeenkomst aan met een aanbieder (meerpartijenovereenkomst) naar aanleiding van een aanbestedingsprocedure.
Het college van de Centrumgemeente verstrekt namens gemeenten gezamenlijk één subsidie aan een aanbieder (meerpartijenbeschikking) naar aanleiding van een door of namens die aanbieder ingediende subsidieaanvraag.
Met betrekking tot de uitvoering van deze gemeenschappelijke regeling zijn de volgende vier kostencategorieën van belang:
Bij de gezamenlijke kosten jeugdzorg (a.) gaat het om kosten voor niet-cliëntgebonden jeugdzorg. Voor het jaar 2024 zijn, onder deze noemer, subsidies verstrekt aan MEE Groningen, Zorgbelang, Pleegzorgwijzer, Het Loket Pleegzorg alsook vergoedingen aan administratiekantoren, bijdragen voor het expertteam, het project Spoed voor Jeugd en verwachte nabetaling tot de hoogte van garantiebudget (JeugdhulpPlus, Crisis Verblijf, GI, Gezinspsychiatrie Beilen 3-Noord).
Bij solidaire kosten jeugdzorg (b.) gaat het om ‘JeugdhulpPlus’ en door de VNG landelijk gecontracteerde zorg (L-codes en 55-codes).
Gezamenlijke kosten jeugdzorg (a.) en solidaire kosten jeugdzorg (b) zijn beide regionale jeugdzorgkosten (art. 12 lid 1).
De bedrijfsvoeringskosten (c.) (art. 12 lid 4) bestaan uit alle kosten die de RIGG maakt ten behoeve van het kunnen uitvoeren van de dienstverlening die niet direct aan de concrete dienstverlening aan inwoners kunnen worden toegerekend. Het gaat hierbij met name om de personele lasten en de kosten voor inhuur van diensten bij de Centrumgemeente, om de in artikel 8 lid 1 genoemde taken door de RIGG te kunnen laten uitvoeren.
Bij gemeentelijke jeugdzorgkosten (d.).(art. 12 lid 8) gaat het nu om de kosten van jeugdhulp bij jeugdhulpaanbieders (Zorg In Natura) die volledig voor rekening komen van de betreffende gemeente.
De RIGG fungeert voor deze kostencategorie, anders dan bij categorie a, b en c, als een soort van administratiekantoor. De kosten voor de administratieve handelingen (zoals betalen, factureren, contractmanagement en verantwoording) die de RIGG voor de gemeentespecifieke kosten verricht vallen onder de bedrijfsvoeringskosten (c.) en worden op basis van de door de colleges vastgestelde verdeelsleutel bij de gemeenten in rekening gebracht.
10. Verdeling regionale kosten; verantwoording
De RIGG stelt een begroting op voor de kostencategorieën a, b en c. De begroting wordt ambtelijk besproken door de financials van de RIGG en die van de deelnemende gemeenten en ook bestuurlijk in het RBOJ. Vervolgens wordt de begroting opgenomen in de begroting van de Centrumgemeente. Daarnaast neemt iedere gemeente zijn aandeel in deze kosten op in de eigen gemeentelijke begroting.
De kosten worden op basis van een verdeelsleutel in rekening gebracht bij de deelnemende gemeenten. De verdeelsleutel is door de 10 colleges voor onbepaalde tijd met ingang van 2024 vastgesteld en wordt toegepast op deze 3 kostencategorieën. In artikel 12 zijn de categorieën apart vermeld. Dit is gedaan omdat de mogelijkheid bestaat dat, door veranderingen in het jeugdzorglandschap, de colleges de mogelijkheid hebben om de verdeelsleutel aan te passen per afzonderlijke kostencategorie.
Kostencategorie d (gemeentelijke jeugdzorgkosten)
Deze kosten worden door de RIGG per gemeente geraamd als basis voor de in rekening te brengen voorschotten. Ontwikkelingen op lokaal niveau worden daarbij meegenomen zoals bijvoorbeeld de doorontwikkeling van de Basis jeugdhulp in de gemeente Groningen en de gewijzigde inkoop van jeugdhulp in de gemeenten Veendam en Oldambt.
Jaarlijks wordt de bevoorschotting voor het volgende jaar vastgesteld. Tussentijds vindt indien nodig een bijstelling plaats. In mei van het jaar na het begrotingsjaar vindt de afrekening plaats. De RIGG stelt voor de kostencategorieën a t/m d de eindafrekening op.
Deze gemeentespecifieke kosten zijn opgenomen in de begroting van de afzonderlijke deelnemende gemeenten.
De Centrumgemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van de door de colleges gemandateerde taken. De RIGG verzorgt de verantwoording.
De RIGG stelt jaarlijks voor alle in art. 12 genoemde kostencategorieën een verantwoording jeugdzorg en bedrijfsvoeringkosten op. Hierbij wordt een controleverklaring van een accountant verstrekt.
Subsidies moeten gebaseerd zijn op een wettelijk voorschrift. Er zijn uitzonderingen mogelijk, die limitatief zijn genoemd in artikel 4:32 Algemene wet bestuursrecht. Incidentele subsidies en begrotingssubsidies vallen onder die uitzondering. Uit de jurisprudentie, die sterk casuïstisch van aard is, kan niet zonder meer worden afgeleid wanneer (nog) sprake is van een incidentele subsidie.
Op het niveau van de gemeente betekent dat er meestal sprake is van en een procedureel ingerichte verordening, vastgesteld door de gemeenteraad, en een op die verordening gebaseerde ‘nadere regel’, waarin de voor de betreffende subsidie inhoudelijke bepalingen zijn opgenomen. Een verordening in samenhang met een nadere regel geldt juridisch als een wettelijke grondslag.
In het geval dat de Centrumgemeente namens een andere deelnemende gemeente subsidie verstrekt, dan moet ook die gemeente de juridische grondslag hebben geregeld, dus een wettelijk voorschrift voor de betreffende subsidie. Ten behoeve van de uitvoering van deze Centrumregeling is door de colleges van elk van de deelnemende gemeenten een nadere regel subsidie vastgesteld die als basis kan dienen voor namens door het college van de Centrumgemeente verleende subsidies.
Opgemerkt wordt dat niet altijd makkelijk kan worden bepaald of sprake is van een subsidie, of een overheidsopdracht. Het is wel een belangrijk onderscheid, omdat elk een eigen juridisch kader heeft. Subsidies worden binnen het bestuursrecht afgedaan, terwijl de overheidsopdracht beheerst wordt door het aanbestedingsrecht en het civielrecht. Belangrijke indicatoren (maar zeker niet de enige) zijn:
Het belangrijkste uitgangspunt van deze samenwerking is dat de lokale verantwoordelijkheden en bevoegdheden blijven bestaan. Bevoegdheden kunnen slechts in mandaat worden opgedragen aan de Centrumgemeente.
Lokale initiatieven kunnen gevolgen hebben voor het regionale zorglandschap en de daarmee samenhangende inkoop. Het is noodzakelijk dat gemeenten overleg plegen met de RIGG voordat het initiatief start. De RIGG kan dan beoordelen of dit initiatief past binnen de gekozen inkoopprocedure en de reeds gesloten overeenkomsten en wat de gevolgen (kunnen) zijn voor het jeugdzorglandschap. De RIGG kan de uitkomst van die toets voorleggen aan de ambtelijke gremia en, eventueel rechtstreeks, ter bespreking voorleggen aan het RBOJ.
De RIGG vormt een organisatieonderdeel van de Centrumgemeente. Dit neemt niet weg dat zij haar taken uitoefent ten behoeve van de samenwerkende Groninger gemeenten. In de praktijk betekent dit dat het college van de Centrumgemeente in het kader van (onder)mandaat alleen aanwijzingen kan geven voor zover die zien op het aandeel van de Centrumgemeente in dat gehele mandaat. De Centrumgemeente kan dus niet in zijn algemeenheid aanwijzingen geven over de wijze waarop de RIGG uitvoering geeft aan de gemeenschappelijk opgedragen taken. Die bevoegdheid berust bij de deelnemende gemeenten gezamenlijk. Dit betekent ook dat de RIGG ongevraagd en in alle vrijheid ook de Centrumgemeente moet kunnen adviseren.
Onder het mandaat wordt op grond van de Algemene wet bestuursrecht verstaan de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. In deze regeling vallen onder dat mandaat in ieder geval besluiten die verband houden met inkoop, aanbesteden en contractmanagement, het nemen van subsidiebesluiten in verband met jeugdzorg en besluiten op bezwaarschriften.
Onder een machtiging wordt verstaan de bevoegdheid om in naam van de verlener van de machtiging een feitelijke handeling uit te voeren. In deze regeling valt onder machtiging in elk geval de juridische vertegenwoordiging in juridische procedures, voor zover hiervoor niet verplicht een advocaat moet worden ingeschakeld. Op grond van artikel 10:12 van de Awb kan machtiging worden verleend tot het verrichten van handelingen die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.
Voorbeelden van besluiten in mandaat zijn het nemen van een gunningsbesluit en het nemen van een subsidiebeschikking.
Onder het aan de Centrumgemeente verleende mandaat valt ook de besluitbevoegdheid tot het aangaan van een overeenkomst. De privaatrechtelijke rechtshandelingen (bijvoorbeeld het ondertekenen van overeenkomsten) betreffen een bevoegdheid van de burgermeester op grond van artikel 171 van de Gemeentewet. Het besluit tot het aangaan van die privaatrechtelijke rechtshandeling is een collegebevoegdheid op grond van artikel 160, lid 1, onder d, van de Gemeentewet. Dit is een besluitbevoegdheid die kan worden gemandateerd.
Zoals ook in het algemene deel van deze regeling is aangegeven is deze Centrumregeling aangegaan door de colleges, en niet ook door de burgemeesters. Dat brengt met zich mee dat de in deze regelingen geen bepalingen kunnen worden opgenomen over bevoegdheden van de burgemeesters.
Omdat het wel wenselijk is dat de bevoegdheden ten aanzien van privaatrechtelijke rechtshandelingen van de burgmeesters bij de Centrumgemeente worden belegd, worden de volmachten en het ondervolmacht separaat geregeld.
Onder een volmacht wordt op grond van het Burgerlijk wetboek (art. 3:60 BW) verstaan de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten. In verband met deze regeling vallen onder de volmacht in elk geval de bevoegdheid om contracten te ondertekenen, vaststellingsovereenkomsten aan te gaan ter beslechting van geschillen en van het civiel- en verbintenisrechtelijk instrumentarium gebruik te maken (ingebrekestelling, (gedeeltelijke) opschorting, opzegging of ontbinding van overeenkomsten, contract overname, terugvordering en verrekening, etc.).
Ondertekening bij ondermandaat
De colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten van de Centrumregeling Jeugdregio Groningen 2025,
Namens hen, het college van burgemeester en wethouders van de Centrumgemeente Groningen,
Ondertekening bij ondervolmacht
De deelnemende gemeenten van de Centrumregeling Jeugdregio Groningen 2025,
Artikel 5 lid 6 (frictiekosten)
Als gevolg van het intrekken van een mandaat kunnen frictiekosten ontstaan. Voor wat betreft de belangrijkste uitgangspunten bij het bepalen van frictiekosten kan worden aangesloten bij de ‘Notitie Frictiekosten bij opzeggen facultatieve taken GGD” (vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling PG&Z van 13 december 2019). Deze notitie is geschreven vanuit het perspectief van de GGD, vandaar dat de GGD hierin wordt genoemd. Desondanks zijn de uitgangspunten in deze notitie ook toepasbaar op de onderhavige Centrumregeling. Die uitgangspunten zijn:
In de Centrumregeling krijgt de gemeente Groningen in mandaat een aantal taken opgedragen die onder meer zien op inkoop en contractmanagement en contractbeheer. De RIGG wordt in die regeling onderdeel van de Centrumgemeente Groningen en zal dus geen zelfstandige entiteit zijn. Dit neemt niet weg dat zij vooral een regionale rol horen te vervullen. Het belang van het opnemen van deze bepaling is dat de RIGG (lees Centrumgemeente) controletaken kan uitvoeren namens de gemeenten. De tekst van de Centrumregeling heeft hiervoor een mandaat geregeld. Formeel betekent dus dat de afzonderlijke gemeenten allemaal zelf bevoegd zijn en blijven om controletaken uit te oefenen. Het artikel beoogt regionale samenwerking op dit gebied te faciliteren. Er moeten samenwerkingsafspraken gemaakt worden tussen de 10 gemeenten en de RIGG over de werkwijze en taakverdeling bij de inzet en invulling van deze taken.
Artikel 12 Bekostiging en verantwoording
Zie voor de beschrijving van de kostencategorieën, de kostenverdeling en verantwoording paragraaf 9 en 10 in de algemene toelichting.
De verdeelsleutel is door alle colleges voor onbepaalde tijd (vanaf 2024) vastgesteld op voorstel van een DB-besluit (d.d. 6 oktober 2023).
Art. 16 regelt de procedure wanneer een college van een deelnemende gemeente wil uittreden uit deze regeling. Sinds de wetswijziging Wgr van 2022 dient een gemeenschappelijke regeling de gevolgen van uittreding concreter uit te werken dan voorheen. Zowel de voorwaarden voor uittreding als de vermogensrechtelijke gevolgen dienen te worden geregeld.
In deze leden zijn vervolgens randvoorwaarden gesteld aan de berekening van de uittreedsom, in lijn met de hiervoor genoemde wetswijziging Wgr van 2022. Bij de berekening van de uittreedsom dient in ieder geval rekening te worden gehouden met de frictiekosten, die bepaald worden aan de hand van de in artikel 5 lid 7 genoemde notitie. Ook moet de Centrumgemeente zich inspannen om de kosten zo laag mogelijk te houden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-548351.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.