Gemeenteblad van Bunnik
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Bunnik | Gemeenteblad 2024, 547583 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Bunnik | Gemeenteblad 2024, 547583 | beleidsregel |
Beleidsregel kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit gemeente Bunnik
Met de invoering van de Omgevingswet is de zogenoemde “kruimelgevallenlijst”
zoals opgenomen in artikel 4 bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor)
komen te vervallen. Onder de Omgevingswet geldt dat voor alle afwijkingen van
het omgevingsplan de reguliere procedure de standaard is. Het intrekken van het
Bor heeft als gevolg dat activiteiten die voorheen onder de kruimelgevallenlijst
vielen worden gezien als een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
Dat de huidige kruimellijst uit artikel 4 bijlage II bij het Bor is vervallen, wil echter
niet zeggen dat de beleidsregels bij de kruimellijst niet meer relevant zijn onder
de Omgevingswet. Dit document moet dan ook worden gezien als een
beleidsneutrale voortzetting van het oude kruimelgevallenbeleid dat is aangepast
Deze beleidsregel moet duidelijkheid bieden aan inwoners, ondernemers en
andere betrokkenen over de voorwaarden waaronder van het omgevingsplan kan
worden afgeweken. Hierdoor ontstaat er uniformiteit in de besluitvorming en
worden ad-hoc beslissingen voorkomen. Ook wordt hiermee rechtsongelijkheid
en rechtsonzekerheid voorkomen en een evenwichtige toedeling van functies aan
locaties gewaarborgd. Het vaststellen van deze beleidsregel heeft daarom als doel
1.3 Wettelijk kader van de beleidsregel
De Omgevingswet introduceert het omgevingsplan als juridisch kader voor
ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeentegrenzen. Het omgevingsplan
vervangt de voormalige bestemmingsplannen en stelt regels over activiteiten die
invloed hebben op de fysieke leefomgeving, zoals bouwactiviteiten, het gebruik
van gronden en gebouwen, en milieubelastende activiteiten. Het omgevingsplan
geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Bunnik en bevat regels die
nodig zijn om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) te
Indien een activiteit niet past binnen de regels van het omgevingsplan of niet
voldoet aan de voorwaarden voor vergunningvrij bouwen (zoals geregeld in
Hoofdstuk 22 Overgangsrecht van de Omgevingswet), kan een vergunning
worden aangevraagd voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Bij
een BOPA gaat het om een activiteit:
De gemeente heeft de bevoegdheid om een vergunning te verlenen voor
buitenplanse omgevingsplanactiviteiten op basis van de beoordelingsregels uit
het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Het verlenen van een vergunning
is geen verplichting, maar een discretionaire bevoegdheid van het college van
burgemeester en wethouders. Hierbij wordt getoetst of de activiteit bijdraagt aan
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals bepaald in artikel
In deze beleidsregel staat de beoordelingscriteria die voorheen viel onder de
“kruimelgevallenlijst” van artikel 4 van Bijlage II van het Bor. De specifieke
categorieën van gevallen in dit beleid betreft veelvoorkomende kleine ruimtelijke
ontwikkelingen, zoals het bouwen van bijbehorende bouwwerken, uitbreidingen
van woningen, en andere kleinschalige aanpassingen. Het zijn gevallen van
geringe planologische betekenis en zijn bouwtechnisch veelal niet van
ingrijpende aard. Deze gevallen worden daarom gezien als een ‘kleine BOPA’.
Voor omgevingsplanactiviteiten waarvoor een vergunningplicht geldt, maar die
niet voldoen aan het omgevingsplan, kan een onverminderd het bepaalde in de
wet- en regelgeving een omgevingsvergunning worden verleend als de activiteit
past binnen de in dit beleid genoemde categorieën en criteria. Past de
aangevraagde activiteit niet binnen de categorieën van gevallen, dan zal dit beleid
Deze beleidsregel is opgebouwd uit vijf hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk
(Inleiding) geeft de aanleiding en het doel van deze beleidsregel weer, evenals
een overzicht van het wettelijk kader waarbinnen de beleidsregel functioneert. In
hoofdstuk 2 (Algemeen) worden de relevante begrippen en definities toegelicht
die van belang zijn voor de juiste interpretatie van de beleidsregel. Het
inhoudelijke kader van deze beleidsregel is vastgelegd in de hoofdstukken 3 en
4. In hoofdstuk 3 (Algemene afwegingscriteria) worden de algemene criteria
beschreven die gelden voor iedere aanvraag om een buitenplanse
omgevingsplanactiviteit. Dit betreffen overwegingen die altijd in acht moeten
worden genomen bij de toetsing van een aanvraag. Hoofdstuk 4 (Specifieke
afwegingscriteria) richt zich op de specifieke afwijkingen, zoals de bouw van
bijbehorende bouwwerken, hulpgebouwen, en andere veelvoorkomende
activiteiten. Hier worden voor elke afwijking de specifieke beoordelingscriteria
gegeven. In hoofdstuk 5 (Slotbepalingen) zijn enkele algemene bepalingen
opgenomen die betrekking hebben op de uitvoering en werking van deze
Hoofdstuk 3 Algemene afwijkingscriteria
De inhoudelijke beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning
voor het afwijken van een omgevingsplan gebeurt door middel van een
zorgvuldige belangenafweging. Dit heeft als doel een evenwichtige toedeling van
functies aan locaties te waarborgen (oftewel: ETFAL).
Bij het nemen van een besluit over aanvragen voor afwijkingen van het
omgevingsplan, moet worden beoordeeld of:
In deze beleidsregel zijn die afwegingen voor een aantal veelvoorkomende
situaties al grotendeels gemaakt. Het is wenselijk om in deze gevallen te komen
tot een uniforme regeling die geldt voor de gehele gemeente Bunnik. In specifieke
gevallen kan echter een nadere afweging noodzakelijk zijn.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen algemene en specifieke afwegingscriteria.
De beoordeling begint altijd met de algemene afwegingscriteria, zoals
opgenomen in dit hoofdstuk. Op basis van deze criteria wordt geconcludeerd of
een initiatief in grote lijnen wenselijk en acceptabel is. Als dat het geval is, volgt
vervolgens een beoordeling aan de hand van de specifieke afwegingscriteria,
3.2 Privaatrechtelijke aspecten
Een omgevingsvergunning kent naast publiekrechtelijke ook privaatrechtelijke
aspecten. De verhouding tussen de regels in het omgevingsplan en het
burenrecht kan met name een rol spelen bij het realiseren van bijvoorbeeld
bijgebouwen en erfafscheidingen. Dit kan leiden tot onenigheid tussen buren.
Bezwaren die hierbij worden gemaakt, zijn vaak privaatrechtelijk van aard. Als
een bouwplan voldoet aan het omgevingsplan en de activiteit niet in strijd is met
het Besluit bouwwerken leefomgeving, kunnen privaatrechtelijke aspecten niet
leiden tot een weigering van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.
Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afwijkingsprocedure) moeten
privaatrechtelijke belangen echter wel worden meegewogen. Een
omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit mag geweigerd worden
als er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering.
De civiele rechter is bevoegd om te bepalen of een privaatrechtelijke belemmering
een activiteit in de weg staat. Onder een duidelijke privaatrechtelijke
belemmering wordt verstaan dat zonder verder onderzoek vaststaat dat de te
verlenen omgevingsvergunning niet kan worden uitgevoerd vanwege een
Een privaatrechtelijke afweging door het bevoegd gezag bij de verlening van een
omgevingsvergunning volgt uit Boek 5, Titel 4 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij
kan bijvoorbeeld worden gedacht aan aspecten zoals bezonning, zakelijke
rechten, eigendomsverhoudingen en het bestaan van vensters, muuropeningen,
balkons of andere werken die in strijd zijn met het burenrecht (ex. Artikel 5:50
Hoofdstuk 4 Specifieke afwegingscriteria
Vooropgesteld moet worden dat het verlenen van medewerking aan een afwijking
van het omgevingsplan een bevoegdheid is van het college, en geen plicht. Het
college is dus niet verplicht medewerking te verlenen. Bij een aanvraag om af te
wijken van het omgevingsplan moet zorgvuldig worden gemotiveerd waarom wel
of geen medewerking wordt verleend.
Per categorie van deze kleine afwijkingen zijn, waar van toepassing, aanvullende
voorwaarden geformuleerd waaraan het initiatief moet voldoen. Deze
voorwaarden zijn gebaseerd op de lokale ambities, beleidsuitgangspunten en/of
het toepassingsbereik dat voortvloeit uit actuele jurisprudentie. Er wordt alleen
medewerking verleend indien zowel aan de in hoofdstuk 3 beschreven algemene
afwegingscriteria als de specifieke afwegingscriteria wordt voldaan. Deze
specifieke criteria worden in dit hoofdstuk beschreven. Het is aan de
initiatiefnemer om bij de aanvraag tot afwijking van het omgevingsplan aan te
tonen dat aan deze algemene en specifieke criteria wordt voldaan.
4.1.1. Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan buiten de bebouwde kom
4.1.2. Een overkapping boven de voordeur in het voorerfgebied
4.1.3. Een erker aan de voorgevel van het hoofdgebouw in het voorerfgebied
beperking in het voorerfgebied of het zijerfgebied in de bebouwde kom
4.1.6. Een klein bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied buiten de bebouwde kom
4.1.7. Een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening
Het college van burgemeester en wethouders kan afwijken van het omgevingsplan
ten behoeve van een gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde ten behoeve van
een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel
18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits:
4.1.8. Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk
4.1.12. Een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte
4.1.18. Het gebruiken van bouwwerken en aansluitend terrein
Het college van burgemeester en wethouders kan afwijken van het omgevingsplan ten behoeve van het
gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of
het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits:
Burgemeester en wethouders kunnen toepassing geven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, en van deze beleidsregels afwijken indien de strikte toepassing daarvan voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn in
verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
In het algemeen kan een beroep op de hardheidsclausule worden gedaan indien er bijzondere
omstandigheden worden aangevoerd die tot medewerking in afwijking van de beleidsregel noodzaken en
er geen redelijke alternatieven bestaan om hierin te voorzien, mits de ruimtelijke consequenties beperkt
blijven en er geen sprake is van (ongewenste) precedentwerking. Indien de hardheidsclausule wordt
toegepast of in afwijking van de in de beleidsregel opgenomen criteria geen medewerking aan een aanvraag
wordt verleend, wordt de aanvraag aan het college voorgelegd.
Indien voor de uitvoering van een (bouw)plan een afwijking van het omgevingsplan noodzakelijk is, kan de
gemeente het afsluiten van een anterieure overeenkomst, conform art. 13.13 van de Omgevingswet, eisen.
Per geval zal worden bekeken of een overeenkomst gesloten dient te worden tussen initiatiefnemer en de
gemeente. Indien van toepassing zullen hierbij ook de bovenwijkse voorzieningen worden betrokken.
5.3 Schadevergoedingsovereenkomst
Bij het besluit op een aanvraag voor een omgevingsgunning kan schade ontstaan. Als dit kan worden
aangetoond is het een schadeveroorzakend besluit, zoals omschreven in artikel 15.1, eerste lid
Omgevingswet. Een omgevingsvergunning kan dus een grondslag zijn voor nadeelcompensatie. De
onderhavige beleidsregel zijn echter bedoeld voor geringe afwijkingen van het omgevingsplan. Deze
hebben invloed op de omgeving, echter zouden deze niet een dusdanige nadelige invloed mogen hebben
dat er sprake is van vergoedbare schade. Wanneer toepassing van de beleidsregel, na inschatting van het
risico, leidt tot grote waardevermindering van omliggende bebouwing moet worden onderzocht of
toepassing van het beleid redelijk is en zo ja, of een schadevergoedingsovereenkomst met de aanvrager
moet worden aangegaan. Middels deze overeenkomst, opgesteld door de gemeente, verklaart de
initiatiefnemer de schadevergoeding door nadeelcompensatie en de daarmee samenhangende kosten voor
zijn of haar rekening te nemen.
Een schadevergoedingsovereenkomst behoort niet tot de aanvraagvereisten conform de
Omgevingsregeling. Het in behandeling nemen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning is niet
onderhavig aan de gemeentelijke wens van een getekende schadevergoedingsovereenkomst. Het is dus
zeer belangrijk dat er spoedig een schadevergoedingsovereenkomst opgesteld wordt, na binnenkomst van
In de situatie dat de noodzakelijke schadevergoedingsovereenkomst niet gesloten wordt, vanuit welke reden
dan ook, wordt op basis van deze beleidsregel geen medewerking verleend. Deze beleidsregel is immers
Deze beleidsregel treedt direct na publicatie in werking. Met de inwerkingtreding van deze beleidsregel
vervalt de ‘Beleidsregel kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit — Gemeente Bunnik’.
Aldus besloten op 12 November 2024.
Burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik
de secretaris de burgemeester,
dhr. M.R. van der Jagt dhr. R. van Bennekom
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-547583.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.