Gemeenteblad van 's-Gravenhage
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| 's-Gravenhage | Gemeenteblad 2024, 546977 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| 's-Gravenhage | Gemeenteblad 2024, 546977 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Vaststelling Algemene verordening financieel beheer en beleid Den Haag 2025
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
Hoofdstuk 3 De begrotingscyclus
Artikel 3:2 De Programmabegroting
Het college is bevoegd middelen te heralloceren, binnen deze gestelde kaders, zolang er op programmaniveau en binnen het overzicht overhead geen sprake is van een vermeerdering of vermindering van de lasten, baten, toevoegingen aan of onttrekkingen uit bestemmingsreserves van de programmabegroting. Hierbij geldt dat geen verplichtingen kunnen worden aangegaan zonder financiële dekking.
Hoofdstuk 4 Het financieel middelenbeheer
Artikel 4:1 Organisatie van de financieringsfunctie
Krachtens artikel 212, tweede lid, onder c van de Gemeentewet en gelet op de bepalingen in de Wet Fido, stelt de gemeenteraad nadere regels over de kaders van de treasuryfunctie.
Artikel 4:3 Verbonden partijen
Het college neemt pas een besluit tot de oprichting, ontbinding, deelneming, danwel beëindiging van deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, nadat de gemeenteraad in de gelegenheid is gesteld om haar wensen en bedenkingen te uiten ten aanzien van het ontwerpbesluit.
Artikel 4:6 Het meerjarig investeringsplan
Voor investeringen waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de programmabegroting is geautoriseerd, legt het college, voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen, een investeringsvoorstel aan de gemeenteraad voor met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet.
In het MIP worden de voorziene investeringen opgenomen (zowel nieuw als vervanging) in zowel materiële als immateriële vaste activa. Financiële bijdragen aan activa in eigendom van derden worden niet geactiveerd, maar komen in het jaar van aanschaf ten laste van het budget van het betrokken programma en activiteit.
Artikel 4:8 Voorwaarden voor activering van investeringen
Voor investeringen met een meerjarig maatschappelijk nut geldt dat:
de activeringsgrens van € 2,5 mln. niet van toepassing is op uitgaven in de openbare ruimte die aan de grondexploitatie toegerekend worden. Deze lasten kunnen direct ten laste van de grondexploitatie worden gebracht en worden niet geactiveerd, zoals bepaald in de Verordening betreffende de Beheersregels Grondexploitaties en Strategisch bezit, gemeente Den Haag 2018.
Artikel 4:9 Afschrijvingstermijnen
Voor investeringen met een economisch nut worden de volgende standaard afschrijvingstermijnen gehanteerd:
10 jaar voor (brandveiligheids-)voorzieningen aan gebouwen, kunstopdrachten, telefooninstallaties, nieuw kantoormeubilair en kantoorinrichting, aanleg van semipermanente of tijdelijke terreinwerken, nieuwbouw van semipermanente, tijdelijke of verplaatsbare gebouwen, levensduur verlengende verbeteringen aan gebouwen, stalen bakken voor Ondergrondse Restafvalcontainers (ORAC’s) en sportaccommodaties;
Artikel 4:10 Rente en Afschrijving
Indien een investering in één jaar plaatsvindt, gelden de volgende regels inzake rente en afschrijving:
vanaf het jaar volgend op de ingebruikname wordt over deze lening omslagrente in rekening gebracht en wordt het actief volgens de geldende afschrijvingstermijn afgeschreven. Hier kan alleen van worden afgeweken indien derden een ander afschrijvingsregime hanteren, waardoor er bij de verantwoording een knelpunt ontstaat. Grondslag voor de rente is de boekwaarde per 1 januari van het lopende jaar.
Indien een investering over meerdere jaren verloopt, wordt dit gezien als een actief in uitvoering en geldt:
dat vanaf het tweede jaar tot en met het jaar van oplevering voorfinancieringsrente in rekening wordt gebracht over het actief in uitvoering. Het rentepercentage dat hierbij gehanteerd wordt is hetzelfde als het omslagrentepercentage. De grondslag voor de rente is de boekwaarde per 1 januari van het lopende jaar. Voorfinancieringsrente bij nieuwe investeringen wordt niet geactiveerd, maar komt ten laste van de exploitatie;
Hoofdstuk 5 Uitgangspunten voor financieel beleid
Uitgangspunt bij programmasturing door het college is een jaarlijks structureel sluitende programmabegroting en bijbehorende meerjarenraming met daaruit afgeleid het budget per programma. Voor de meerjarenraming geldt het uitgangspunt dat de programmabegroting voor ieder begrotingsjaar structureel en reëel in evenwicht is, en dat structurele lasten zo veel als mogelijk zijn gedekt met structurele baten.
Het college stuurt afzonderlijk op het realiseren van de begrote lasten en baten per begrotingsprogramma. Hierbij geldt voor de lasten dat de in de programmabegroting opgenomen hoogte geldt als het bestedingsmaximum, en voor de baten dat de in de programmabegroting opgenomen hoogte geldt als het minimaal te realiseren niveau.
Budgettaire tegenvallers in de loop van een begrotingsjaar moeten door het college worden gecompenseerd door aanpassingen in het beleid binnen hetzelfde programma. Het opvangen van budgettaire tegenvallers door wijzigingen in een ander begrotingsprogramma raakt het budgetrecht van de gemeenteraad, en vereist daarmee een raadsbesluit.
Het college hevelt exploitatiebudgetten niet over naar volgende jaren bij de programmarekening. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt voor incidentele exploitatiebudgetten waarbij een aantoonbare verplichting is aangegaan, uitvoering in het volgende jaar plaatsvindt en de programmareserve niet toereikend is om aan de verplichting te voldoen.
Artikel 5:2 Resultaatbestemming
In de programmabegroting en in de programmarekening licht het college in de verplichte financieringsparagraaf het financieringsbeleid en de renteresultaten van de gemeente toe.
De volgende categorieën reserves worden onderscheiden:
de centrale bedrijfsvoeringsreserve: dient voor het opvangen van jaarrekeningresultaten vanuit het overzicht overhead, het dekken van frictiekosten als gevolg van wijzigingen in de organisatie en of formatie en het kunnen uitvoeren van (kleinere) projecten ter innovatie van de gemeentelijke bedrijfsvoering van de overheadfunctie, inclusief leidinggevenden in het primair proces;
Na afloop van de looptijd valt een reserve vrij. Reserves, waarvan het doel is gerealiseerd en middelen resteren, vallen vrij, ook als de looptijd van de reserve nog niet is verstreken. Dit geldt ook voor reserves waarbij vaststaat dat het doel niet gerealiseerd kan worden. De vrijval hoeft niet begroot te zijn.
Een uitzondering op het voorgaande lid is programmareserve 1 (programma Gemeenteraad). Wanneer na verrekening van het jaarrekeningresultaat blijkt dat dit programma negatief wordt, komt de gemeenteraad met een voorstel om de programmareserve binnen maximaal twee begrotingsjaren, vanaf het begrotingsjaar waarin het tekort is gerealiseerd, ten minste op nihil te krijgen.
Artikel 5:8 Centrale bedrijfsvoeringsreserve
Artikel 5:9 Reserve onderhoud vastgoed en reserve onderhoud sportaccommodaties
Voorstellen ten gunste en ten laste van de centrale reserves onderhoud vastgoed en onderhoud sportaccommodaties maken deel uit van de besluitvorming van het college over de programmabegroting en zijn gekoppeld aan inzichten over het onderhoud vastgoed en onderhoud sportaccommodaties op basis van een meerjarig onderhoudsplan met een doorlooptijd van maximaal tien jaar. Het onderhoudsplan wordt minimaal eenmaal per vier jaar herzien.
Artikel 5:10 Reserve cofinanciering
Voordat het college een beroep kan doen op het cofinancieringsfonds, wordt eerst naar de dekkingsmogelijkheden binnen de eigen programma's gekeken. Hierbij geldt het uitgangspunt dat maximaal 50% van de vereiste cofinanciering die Den Haag moet financieren, uit het cofinancieringsfonds gedekt wordt.
Voorzieningen zijn dekkend voor de achterliggende verplichtingen en risico’s. Actualisatie van de voorziening vindt minimaal eenmaal per jaar plaats. Overschotten of tekorten worden verrekend met het oorspronkelijke beleidsprogramma. Resultaten op de grondexploitaties worden verrekend met de reserve Grondbedrijf.
Voor middelen afkomstig van derden met een specifiek bestedingsdoel wordt een voorziening gevormd. Uitzondering hierop vormen middelen met een specifiek bestedingsdoel van nationale en Europese overheden. Deze middelen worden conform het BBV via de exploitatie en de overlopende activa dan wel passiva verantwoord.
Artikel 5:12 Prijzen en tarieven
Artikel 5:13 Programma’s, taakvelden en activiteiten
Het college geeft de ramingen van de lasten en baten weer, inclusief toevoegingen en onttrekkingen aan reserves, op de door de gemeenteraad vastgestelde begrotingsprogramma’s en neemt het overzicht van de lasten en baten, inclusief toevoegingen en onttrekkingen aan reserves, per taakveld op in de programmabegroting en programmarekening.
Artikel 5:14 Rechtmatigheidsverantwoording
Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen of voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.
De loon- en prijsbijstelling van de Rijksoverheid en de extra eigen inkomsten die volgen uit de indexatie van de overige algemene dekkingsmiddelen worden vervolgens verder verdeeld naar de loon- en prijsgevoelige uitgaven van de programmabegroting. Dit geldt niet voor uitgaven waar geen eigen inkomsten tegenover staan.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-546977.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.