Gemeenteblad van Venray
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Venray | Gemeenteblad 2024, 546564 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Venray | Gemeenteblad 2024, 546564 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Besluit nadere regels Maatschappelijke ondersteuning 2025 gemeente Venray
De gemeente Venray vindt het belangrijk dat inwoners actief mee kunnen doen in de samenleving en hun financiën op orde hebben. Ook is het belangrijk dat inwoners een eigen huishouden kunnen voeren en dat kinderen gezond en veilig opgroeien. Inwoners moeten in de eerst plaats daar zelf voor zorgen. Lukt dat niet, dan is het de taak van de gemeente om inwoners te helpen.
Op basis van de landelijke regels en de Verordening Sociaal Domein 2025 gemeente Venray (verder te noemen de Verordening) heeft de gemeente aanvullende beleidsregels opgesteld voor de situatie in Venray. Het streven is hierbij dat wij uitgaan van de vragen van de inwoners maar ook van de eigen kracht van de inwoner en de omgeving. Deze nadere regels geven aanvullend gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen:
Bij het toepassen van de nadere regels houdt de gemeente rekening met de doelen van de landelijke wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het gevolg van een besluit past bij de bedoeling van die wetten. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden:
|
Inwoners zijn in de eerste plaats (als het mogelijk is) zelf verantwoordelijk om hun eigen doelen te realiseren en zetten zich daar ook voor in. |
|
Inwoners die hulp niet zelf kunnen regelen kan de gemeente extra ondersteunen om mee te doen aan de samenleving. |
|
De gemeente Venray bevordert preventie, een sterke omgeving en een duurzame uitstroom en voorkomt instroom. |
|
Gemeente Venray normaliseert de hulpvraag, versterkt de toegang tot ondersteuning en werkt samen met (zorg)aanbieders. |
Deze kernwaarden geven richting aan de uitvoering van de regels in de Verordening maar ook van het Besluit nadere regels. Het zijn geen regels, maar principes en overtuigingen. Die vormen de basis van de regels.
Hoofdstuk 2 Werken en meedoen in de samenleving
Dit hoofdstuk gaat over meedoen in de samenleving. Meedoen is niet alleen een verantwoordelijkheid van de inwoner zelf of van de gemeente, maar ook van de samenleving (omkijken naar elkaar). In dit hoofdstuk staan de belangrijkste nadere regels voor de hulp die de gemeente kan geven om mee te doen in de samenleving.
Hulp-op-maat van de Wmo wordt doelgericht geïndiceerd. De gemeente bepaalt welk doel behaald moet worden (wat) en de aanbieder, in samenspraak met de inwoner, bepaalt hoe dat doel bereikt gaat worden (hoe). Hoe het doel bereikt gaat worden, wordt opgenomen in de beschikking. De aanbieder werkt dit uit in een plan van aanpak. Dit leidt tot meer flexibiliteit in de te bieden ondersteuning, maatwerk (er wordt optimaal aangesloten bij de ondersteuningsbehoefte op elk moment) en ruimte voor de professional. Om duidelijkheid en transparantie te geven en zo veel mogelijk rechtszekerheid aan inwoners te bieden worden, per traject de doelen in dit hoofdstuk beschreven.
Artikel 2.1 Traject volwassenen met een complexe en meervoudige ondersteuningsvraag
Specifiek doel voor product dagbesteding (1A2): de inwoner heeft een dagritme en zinvolle dag invulling.
Artikel 2.2 Traject volwassenen met een kortdurende en enkelvoudige ondersteuningsvraag
Doelgroep: Volwassenen met (enkelvoudige) problematiek waarbij de focus ligt op het herstellen van en/of vergroten van de zelfredzaamheid. De ondersteuning is ter bevordering van één of meerdere levensdomeinen. De inwoner is in beginsel zelfstandig/zelfredzaam en door een incident heeft de inwoner tijdelijke ondersteuning nodig. De ondersteuning kent een afgebakende periode met een duidelijk start- en eindmoment. De ondersteuning is op maat, passend bij de behoefte en mogelijkheden van de inwoner en gericht op het effectief en efficiënt te bereiken resultaat. Eindresultaat is dat de inwoner zelfstandig (weer) verder kan. Er is dan geen professionele ondersteuning meer nodig.
Artikel 2.3 Traject volwassenen met een langdurige ondersteuningsvraag
Doelgroep: Volwassenen die door de aard van hun beperking of vraagstukken, langdurige minimale ‘professionele’ ondersteuning nodig hebben op één of meer levensdomeinen. Ondersteuning is gericht op het stabiel krijgen en houden van de situatie in de eigen woonomgeving. In de praktijk kan tijdelijk geen ondersteuningsbehoefte zijn, een intensievere, ondersteuningsbehoefte of juist een beperkte ondersteuningsbehoefte (waakvlamcontact). Inzet van ondersteuning is sterk onderhevig aan de behoefte van de inwoner. Aanleren is in de meeste situaties niet meer mogelijk. Vaker is sprake van het overnemen van taken.
De inwoner maakt minder gebruik van professionele zorg en zoveel mogelijk gebruik van het voorliggend veld/sociaal netwerk.
Artikel 2.4 Traject volwassenen met ouderdom gerelateerde beperkingen
Doelgroep: Inwoners met ouderdom gerelateerde klachten, waarvan de ondersteuning is gericht op stabilisatie van de situatie thuis. Doelstelling is deze inwoners zo lang als mogelijk verantwoord en zelfstandig thuis te laten wonen. Het gaat daarbij om psycho-geriatrische en/of somatische problematieken.
Op basis van artikel 3.8.3. van de Verordening geldt als eerste keus voor het vervoer in de eigen omgeving het collectief vervoer. Als het collectief vervoer de beperkingen in het vervoer niet op passende wijze compenseert dan kan er aanleiding zijn om een andere hulp-op-maat voorziening te verstrekken.
Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt, volgens artikel 3.8.3. van de Verordening, ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving (binnen een reisafstand van 20 km van de woning) in het kader van het leven van alledag. Tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact. Dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden. Het bezoek moet voor de aanvrager noodzakelijk zijn om dreigende vereenzaming te voorkomen.
Hoofdstuk 3 Wonen in een veilige en gezonde omgeving
Inwoners met een beperking of langdurige psychische of psychosociale problematiek kunnen problemen hebben bij het gebruik van hun woning of bij het voeren van het huishouden. Als inwoners zulke problemen niet zelf kunnen oplossen, kan de gemeente hen helpen. De gemeente kan ook helpen, als inwoners met een beperking niet goed voor zichzelf kunnen zorgen en als inwoners opvang of hulp bij het (zelfstandig) wonen nodig hebben. Ten slotte speelt de gemeente een rol bij het ondersteunen van mantelzorgers. In dit hoofdstuk zijn nadere regels opgenomen over de hulp die de gemeente op grond van de Wmo aan deze inwoners kan geven.
Artikel 3 Geldigheidsduur financiële tegemoetkoming voor verhuis- /inrichtingskosten
De financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten moet binnen een half jaar na de datum van het besluit waarbij deze is toegekend, worden besteed.
Artikel 4.1 Voorwaarden en verplichtingen
Om voor de mantelzorgwaardering in aanmerking te komen gelden de volgende voorwaarden en verplichting:
Artikel 4.3 Keuze mantelzorgwaardering
De mantelzorger kan kiezen uit een aantal opties waarmee hij gewaardeerd wil worden. Dit kan aangegeven worden op het aanvraagformulier.
Doelgroep: Beschermd wonen is bedoeld voor volwassenen en jeugdigen vanaf 17 jaar met een tekort aan zelfregulatie, zelfregie en zelfredzaamheid.
Bij de inwoners die vallen onder beschermd wonen is er sprake van verstoorde zelfregulatie, zelfregie en zelfredzaamheid die samenhangt met ernstige psychische en/of psychiatrische problematiek, eventueel in combinatie met beperkingen in cognitief functioneren, middelengebruik en lichamelijke problemen/beperkingen. Dit kan leiden tot psychosociale problemen, zoals dakloosheid of sociale uitsluiting (waaronder sociaal isolement, gebrekkige normatieve integratie, armoede en onvoldoende toegang tot sociale grondrechten, zoals huisvesting, werk of onderwijs). Er kan ook sprake zijn van ernstige maatschappelijke teloorgang, soms ook van gevaar, in de zin van extreme zelfverwaarlozing, zelfbeschadiging en/of van ernstige overlast.
Inwoners die vallen onder beschermd wonen hebben behoefte aan een leefomgeving waarbij nabijheid en veiligheid wordt geboden. Dit vertaalt zich in 24-uurs aanwezigheid van ondersteuning, begeleiding en toezicht door professionals in de directe omgeving van de cliënt. Er wordt actief toezicht uitgeoefend en ondersteuning wordt gevraagd en ongevraagd geleverd op geplande en ongeplande momenten.
wordt een melding voor beschermd wonen en opvang gezien als een aanvraag en organiseert de gemeente in overleg met aanbieders meteen de inzet van een tijdelijke (maatwerk-)voorziening voor beschermd wonen en opvang, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en op grond van artikel 2.3.2 Wmo 2015;
Wanneer een inwoner voor beschermd wonen tijdelijk geen gebruik kan maken van het Beschermd Wonen, omdat andere problematiek (tijdelijk) op de voorgrond staat, kan de inwoner terugkeren naar het Beschermd Wonen, zonder een nieuwe indicatie aan te hoeven vragen bij de gemeente. Hierbij geldt een overbruggingsperiode van maximaal 6 weken.
Dit hoofdstuk regelt in welke vorm de hulp wordt ingezet en welke regels daarbij horen. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen op grond van de Wmo.
Artikel 8 Bijdrage in de kosten
De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorziening collectief vervoer bedraagt een bedrag per zone wat gelijk is aan het zonebedrag dat gebruikt wordt in het reguliere openbaar vervoer. Jaarlijks wordt het tarief geïndexeerd met de Landelijke Tarieven index.
Artikel 9 Bruikleenovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
Als de inwoner heeft gekozen voor een hulp-op-maat in natura, dan wordt haar deze voorziening namens de gemeente verstrekt en is een bruikleenovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst tussen de leverancier en de inwoner van toepassing. In deze overeenkomst worden de rechten en verplichtingen van de inwoner en van de gemeente vastgelegd. Dit geldt niet voor kleine niet – bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen zoals sanitaire voorzieningen waarbij het vanwege hygiënische redenen niet gewenst is de voorziening in bruikleen te verstrekken.
Artikel 10.1 Bijzondere bepalingen
Specifieke uitgangspunten persoonsgebonden budget
Bij de beoordeling van de kwaliteit van een hulp-op-maat in de vorm van een persoonsgebonden budget, wordt uitgegaan van de kwaliteitseisen aanbieders beschermd wonen. Dit is nader uitgewerkt in bijlage 3. Aanbieder streeft ernaar dat de inwoner binnen drie maanden na start zorg een zinvolle daginvulling heeft. Bij voorkeur niet geregisseerde dagbesteding, maar alternatieven zoals vrijwilligerswerk.
De met een persoonsgebonden budget te realiseren hulp-op-maat ten behoeve van het wonen in de vorm van een (niet-) bouwkundige of (niet-) woontechnische woonvoorziening, een uitraasruimte of onderhouds-, keurings – of reparatiekosten kan alleen plaatsvinden door een erkend bedrijf. Een erkend bedrijf is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en voorzien is van een BTW-nummer. Het zelf uitvoeren van werkzaamheden is niet toegestaan. Alleen als de gemeente hiervoor vooraf schriftelijke toestemming heeft gegeven.
Als de geldende afschrijvingstermijn voorbij is betekent dit niet automatisch dat recht bestaat op een nieuwe voorziening. In zulke situaties wordt altijd beoordeeld of de oude voorziening nog gebruikt kan worden. Belangrijk hierbij is of de oude voorziening nog in voldoende mate een passende bijdrage kan leveren aan de zelfredzaamheid en meedoen van de budgethouder.
Artikel 10.3 Afschrijvingstermijnen
Als de niet-bouwkundige of niet - woontechnische woonvoorziening bestaat uit een woonsanering of verhuis- en inrichtingskostenvergoeding wordt bij de bepaling van de hoogte van het persoonsgebonden budget rekening gehouden met de ouderdom van de te vervangen vloerbedekking en gordijnen. Er geldt een afschrijvingstermijn van tien jaar. Voor de bepaling van de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt gebruik gemaakt van de Nibud prijzengids van het betreffende jaar.
Artikel 10.4 Besteding en verantwoording van het persoonsgebonden budget
De schriftelijke (zorg)overeenkomst die de budgethouder sluit met iedere persoon of instantie bij wie zij hulp-op-maat inkoopt, moet in overeenstemming zijn met de door de gemeente afgegeven beschikking (inclusief leefzorgplan). Als de gemeente van mening is dat de zorgovereenkomst hier niet aan voldoet, wordt de budgethouder in de gelegenheid gesteld om de overeenkomst in de gewenste zin aan te passen (de budgethouder krijgt hiervoor 3 keer de kans, daarna wordt de aanvraag afgesloten). De goedkeuring door de gemeente is een voorwaarde voor de Sociale Verzekeringsbank om tot uitbetaling over te kunnen gaan. Zonder een goedgekeurde zorgovereenkomst vindt namelijk geen uitbetaling plaats. Indien de gemeente wel akkoord is met de zorgovereenkomst dan wordt dit doorgegeven aan de Sociale Verzekeringsbank en ook wordt aangegeven wat het maximumtarief is per zorgovereenkomst (per voorziening indien van toepassing).
De hoogte van het toegekende persoonsgebonden budget is gebaseerd op een maximumtarief. Bij de besteding van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening moet in beginsel het aantal toegekende uren worden ingekocht, al of niet tegen het maximumtarief. Het is niet toegestaan om meer uren (tegen een lager tarief) in te kopen door middel van het toegekende persoonsgebonden budget. Als een lager tarief dan het toegekende maximumtarief wordt betaald dan wordt het restant van het persoonsgebonden budget bij afname van het aantal geïndiceerde uren teruggevorderd. Dit is ook het geval als minder dan het aantal toegekende uren is ingekocht. Dit laatste kan overigens aanleiding zijn om tot bijstelling van de indicatie over te gaan.
Artikel 10.6 De hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening
Artikel 10.7 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang
Bij de bepaling van de hoogte van de eigen bijdrage gelden de volgende uitgangspunten:
In de vaststelling van de eigen bijdrage voor opvang wordt er vanuit gegaan dat inwoners binnen de opvang zelf voor voeding zorgen. Dit past binnen de huidige ontwikkelingen van de maatschappelijke opvang en opvang voor huiselijk geweld waarbij behoud en bevorderen van zelfredzaamheid en zelfstandigheid een belangrijke waarde vormen.
Hoofdstuk 5 Aanmerkingen op de uitvoering
De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente. Wanneer een inwoner niet tevreden is, vindt de gemeente dit een belangrijk signaal. De gemeente wil dan graag de kritiek met de inwoner bespreken en nagaan of er een oplossing is. Als dit niet mogelijk is, bestaat de mogelijkheid om een klacht in te dienen of bezwaar te maken. In dit hoofdstuk staan de nadere regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen of bezwaar te maken.
Artikel 12 Nadere regels betreffende de bevoegdheden van de toezichthouder kwaliteit Wmo en de toezichthouder rechtmatigheid Jeugdwet en Wmo
De toezichthouder kwaliteit Wmo en de toezichthouder rechtmatigheid Jeugdwet en Wmo zijn bevoegd om met gebruikmaking van de aan hen toegekende bevoegdheden ingevolge de artikelen 5:15 t/m 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 6.1 van de Wmo, onafhankelijk onderzoek te doen naar de kwaliteit en de rechtmatigheid van de ondersteuning. Zij kunnen onderzoek doen op basis van signalen, meldingen of klachten of proactief, op basis van steekproefsgewijze aanpak.
Indien het onderzoek als bedoeld in lid 1 betrekking heeft op een aanbieder die namens de gemeente door de Modulaire gemeenschappelijke regeling sociaal domein Limburg-Noord, hierna te noemen MGR, is gecontracteerd voor de levering van voorzieningen in het kader van de Wmo of de Jeugdwet, adviseert de toezichthouder aan de MGR.
Hoofdstuk 6 Van oud naar nieuw
De gemeente onderzoekt, volgens artikel 2.3.9 lid 1 van de wet, binnen een periode van drie tot zes maanden na verstrekking of de hulp-op-maat de passende bijdrage aan meedoen en zelfredzaamheid van de inwoner levert en of er aanleiding is om het besluit tot verstrekking van hulp-op-maat in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget te heroverwegen. Dit onderzoek kan, wanneer gewenst of noodzakelijk, herhaald worden.
Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van Venray op 17 december 2024.
de burgemeester,
M.C. Uitdehaag
de secretaris,
E.G.J. Voorn
Aanbieder(s): de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert op grond van een besluit van de gemeente.
Aangepast vervoer: vervoer met een besloten (school)bus, taxi, treintaxi of bustaxi, niet zijnde openbaar vervoer.
Aanvraag: een schriftelijk verzoek van een inwoner om een besluit te nemen.
Algemeen gebruikelijke voorziening(en): een voorziening die
Andere voorziening(en): een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die zij nodig heeft, anders dan hulp-op-maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan bijvoorbeeld een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of voorliggende voorziening, of voorliggende voorzieningen op grond van andere regelingen, zoals alimentatie en toeslagen.
Anw -uitkering: een maandelijkse uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.
Aow -leeftijd: leeftijd waarop een uitkering (pensioen) op grond van de Algemene ouderdomswet ingaat.
Arbeidsverplichting: de verplichting om werk te zoeken en te aanvaarden, om mee te werken aan activiteiten om aan het werk te komen, waaronder het onderzoeken van de mogelijkheden, of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in artikel 9, 18 4e lid en 18a 5e lid van de Participatiewet, artikel 20a 5e lid en 37 van de IOAW en artikel 20a 5e lid en 37 van de IOAZ.
Awb: Algemene wet bestuursrecht.
Basisonderwijs: onderwijs op een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.
Basisschool: basisschool als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.
Benadelingsbedrag: netto bedrag dat ten onrechte aan bijstand is verstrekt of het bedrag dat de inwoner onverantwoord heeft ingeteerd (te snel opmaken van eigen middelen) waardoor zij eerder een beroep dient te doen op bijstand.
Beperking(en): de vermindering van mogelijkheden door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, psychische of psychosociale handicap. Dat heeft tot gevolg gehad dat er een belemmering is ontstaan in het sociaal-maatschappelijk functioneren.
Als het om vervoer naar school gaat: het vervoer naar school.
Beschermd wonen: is een hulp-op-maat voorziening bestaande uit de volgende kenmerken:
wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; en,
Bestuurlijke boete: een boete, vanwege het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de IOAW, artikel 13, eerste lid, van de IOAZ, of artikel 30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG): De Wet BIG geeft regels voor beroepen in de gezondheidszorg en beschermt patiënten tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen. Op grond van de Wet BIG zijn bepaalde zorgverleners verplicht zich in te schrijven in het BIG-register.
Brede intake: voor de Wet inburgering wordt er een brede intake afgenomen. De brede intake is een onderzoek naar de mogelijkheden die de inburgeringsplichtige heeft om aan de inburgeringsplicht te voldoen. De brede intake bestaat in ieder geval uit een leerbaarheidstoets, een onderzoek over het onderwijs dat is gevolgd en de werkervaring uit het land van herkomst. Daarnaast bestaat de brede intake uit een verkenning naar de persoonlijke omstandigheden. En tot slot een verkenning van de mogelijkheden om het kind van de inburgeringsplichtige deel te laten nemen aan de voorschoolse educatie.
Bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering, bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet, artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikt gewezen zelfstandigen (IOAZ). De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner.
Bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, IOAW en IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de eventuele aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.
Collectief taxivervoer: vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd).
Dichtstbijzijnde school: school die het dichtst bij de woning of opstapplaats van het kind ligt, gemeten via de kortste route waarlangs het kind veilig kan reizen. Als het kind naar een speciale school voor basisonderwijs gaat, dan is de dichtstbijzijnde school de school in het samenwerkingsverband waarop het kind eerst zat, of een andere speciale school voor basisonderwijs binnen dit samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente goedkoper is.
Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet.
Domus -huis: is een beschermde woonvorm voor dak- en thuisloze inwoners die vanwege persoonlijke problematiek niet in staat zijn om in een trajecthuis te wonen.
DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs.
Eigen kracht: Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.
Eigen vervoermiddel: een vervoermiddel dat de inwoner zelf bezit of dat zij kan gebruiken. Daaronder valt ook een vervoermiddel zoals een deel-, leen- of lease-auto.
Gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet worden met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld.
Gedrag(en): het geheel van acties en reacties van een persoon.
Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray.
Gezinsmigranten en overige migranten: Deze inwoners zijn als migranten naar Nederland gekomen omdat zij een Nederlandse partner hebben of omdat zij ouders of kinderen in Nederland hebben wonen. Zij zijn inburgeringsplichtig en hebben een reguliere verblijfsvergunning in Nederland voor bepaalde tijd.
Grijs wonen: tijdelijk onderdak geboden aan dakloze inwoner via familie of vrienden. Er wordt professionele begeleiding op maat geboden om er voor te zorgen dat de dakloze inwoner binnen 3 maanden weer een eigen plek heeft.
Hulp in natura: hulp of zorg die de gemeente voor de inwoner inzet.
Hulp-op-maat: een op de inwoner afgestemde voorziening:
Hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft.
Inburgeringsplichtige: de inburgeringsplichtige, uit artikel 3 van de Wet Inburgering 2021. De inburgeringsplicht is bedoeld voor inwoners die vreemdeling zijn in Nederland en op basis van artikel 8, onderdelen a en c, van de Vreemdelingenwet een rechtmatig verblijf in Nederland hebben. Zij zijn ouder dan 18 jaar, maar hebben de pensioenleeftijd nog niet bereikt.
Inkomen: het inkomen, uit artikel 32, lid 1 van de Participatiewet. Gaat het om vervoer naar school (hoofdstuk 6) dan wordt onder inkomen verstaan: inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het inkomen wordt dan gemeten over het peiljaar (artikel 4, 7e lid, van de Wet op het primair onderwijs).
Inspraak: inspraak als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet. Met inspraak wordt in artikel 10.1 van deze verordening ook bedoeld het recht om invloed uit te oefenen en over iets mee te beslissen.
Instelling(en): een organisatie die bedrijfsmatig zorg of hulp verleent.
Interne werkbegeleiding: dagelijkse werkbegeleiding bij de werkgever door een medewerker in dienst van de werkgever, omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren en waarbij sprake is van meer dan gebruikelijke begeleiding van de werknemer op de werkplek.
Inwoner(s): de persoon die haar woonplaats heeft binnen de gemeente Venray volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek (titel 3, Boek 1 BW) en die daar rechtmatig verblijft. Gaat het om:
Voor de toepassing van de hoofdstukken 9 en 11 wordt onder inwoner ook verstaan: de persoon die hulp van de gemeente heeft gehad maar haar woonplaats niet meer daar heeft. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor hulp door de gemeente.
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
Jeugdhulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
Jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan inwoners met een arbeidsbeperking, gericht op het vinden en behouden van werk.
Jongere(n): Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Als het om werk en inkomen gaat: personen die jonger zijn dan 27 jaar.
Kind(eren): de minderjarige (0-18 jaar).
Jongerenwerk: draait om het verbinden en versterken van de wereld van jongeren met de samenleving. Jongerenwerkers helpen bij het proces van zelforganisatie door jongeren, ouders, vrijwilligers, maatschappelijke partners en ondernemers. De jongerenwerkers werken nauw samen met politie, BOA’s, scholen en hulpverleners.
Leefzorgplan of plan van aanpak: een document waarin de ondersteuningsbehoefte van jeugdige en/of haar ouders is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en haar sociale netwerk hieraan kunnen leveren.
Levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen.
Leerlingenvervoer/ Llv: de wetten die regelen dat gemeenten leerlingenvervoer aanbieden, dat wil zeggen de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op de expertisecentra.
Maatschappelijke opvang: voorzieningen zoals omschreven in de Wmo 2015, artikel 1.1.1 onder opvang.
Mantelzorger(s): langdurige, vrijwillige en onbetaalde zorgverlening aan een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende partner, (schoon)ouder, kind of ander familielid, vriend of kennis. Deze zorg wordt niet-beroepsmatig verleend voor minimaal 8 uur per week en langer dan 3 maanden.
MAP: de Module Arbeidsmarkt en Participatie, bedoeld in artikel 6, eerste lid onder b van de Wet inburgering 2021.
Medewerker(s): de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt.
Melding(en): het kenbaar maken van een hulpvraag aan de gemeente.
Misbruik en oneigenlijk gebruik: het als gevolg van het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens of informatie, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens, onterecht een uitkering of voorziening ontvangen. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen.
Netwerk Armoede: een samenwerkingsverband tussen gemeente en verschillende maatschappelijke organisaties. De organisaties binnen dit samenwerkingsverband zijn het eerste aanspreekpunt voor hulpvragen rondom armoede en geldzorgen.
Normale dagelijkse activiteiten: noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo.
NUG- ers : niet-uitkeringsgerechtigdeninwoners, jonger dan de Aow-gerechtigde leeftijd, die geen hulp (of een uitkering) kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers.
Onderwijssoort: Het soort onderwijs dat het kind nodig heeft gelet op haar lichamelijke en geestelijke situatie.
Openbaar vervoer: openbaar toegankelijk personenvervoer dat met een vaste route en een vaste dienstregeling rijdt (of vaart). Daaronder valt ook een buurtbus.
Opstapplaats: plaats die is aangewezen door de gemeente, vanaf waar het kind (de leerling) gebruik kan maken van het vervoer naar school.
Opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Ouders: ouders, voogden of verzorgers van de jongere.
Participatie: meedoen in de samenleving.
Participatienetwerk: een samenwerkingsverband tussen gemeente, verschillende maatschappelijke organisaties en overheden. Dit samenwerkingsverband is het eerste aanspreekpunt voor complexe hulpvragen rondom participatie en werk.
Peiljaar: het 2e kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar begint, waarvoor een vervoersvoorziening voor leerlingenvervoer wordt aangevraagd.
Persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de Participatiewet.
Persoonlijk plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de gewenste hulp wordt geïnventariseerd. Gaat het om jeugdhulp, dan wordt hieronder verstaan: een familiegroepsplan.
Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP): het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie wordt opgesteld op basis van de brede intake. Hierin staat welke leerroute de inburgeringsplichtige gaat volgen. Welke begeleiding en ondersteuning zij daarbij gaat krijgen. De intensiteit van het participatieverklaringstraject (zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid onder a van de Wet inburgering 2021).en de MAP wordt in het PIP beschreven. Wanneer de inwoner een kind heeft dat nog niet naar de basisschool gaat worden er afspraken gemaakt over deelname aan de voorschoolse educatie.
Persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn.
Pgb-plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de hulp die zij nodig heeft en die zij met het pgb wil inkopen. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd worden.
Positieve gezondheid: het vermogen om je aan te passen en een eigen regie te voeren in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven.
Re-integratietraject: het totaal van activiteiten en voorzieningen voor ontwikkelingsgerichte participatie of vinden of behouden van werk wat geschikt is voor de inwoner.
Reistijd: de tijd tussen het moment van het verlaten van de woning en de starttijd van de school volgens de schoolgids. Van deze reistijd mag maximaal 10 minuten worden afgetrokken als het kind gewoonlijk iets voor de start van de school aankomt op school. Voor de terugreis geldt de tijd tussen de eindtijd van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning van het kind. Hierbij kan maximaal 10 minuten worden opgeteld voor een eventuele wachttijd voor openbaar vervoer of aangepast vervoer.
Richting: godsdienstige of levensbeschouwelijke visie.
Samenwonenden: degenen die een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet.
School: basisschool, speciale school voor basisonderwijs, of school waar speciaal of voortgezet onderwijs wordt gegeven.
Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ): Dat is het beroepsregister voor jeugdprofessionals in Nederland.
Sociale omgeving: de sociale omgeving bestaat uit 3 onderling nauw verbonden pijlers: de inwoners zelf, hun netwerken en de meer formele, georganiseerde sociale basisvoorzieningen. De sociale omgeving heeft een belangrijke preventieve functie, verkleint de behoefte aan zwaardere (zorg)voorzieningen en raakt aan alle aspecten van het dagelijks leven. Zoals ontmoeting, onderwijs, opvoeding, werk, gezondheid, wonen, bewegen, cultuur en veiligheid. Alles bij elkaar vormt de sociale omgeving een vangnet voor hulp en steun. De sociale omgeving is zichtbaar en laagdrempelig, iedereen kan er gebruik van maken.
Speciaalonderwijs: onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.
Statushouder: deze inwoner is als vluchteling in Nederland gekomen en heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze inwoner is verplicht om inburgering te volgen.
Trajecthuis: is een mini-opvang voor maximaal 3 personen waar daklozen onder intensieve begeleiding leren om zelfstandig te wonen.
Uitkeringsnorm: de maximale hoogte van een uitkering; dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.
Vaderschapsactie: een procedure die de biologische moeder van een kind instelt tegen een (vermoedelijke) vader, als een kind buiten een huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt geboren, en de biologische vader het kind niet heeft erkend. Deze procedure dient om alimentatie van de vader te kunnen ontvangen en schept geen familierechtelijke band tussen de vader en het kind.
Vavo -onderwijs: voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.
Vergoeding(en): vergoeding van kosten. In het kader van hoofdstuk 6 (vervoer naar school): de gehele of gedeeltelijke bekostiging van reiskosten, bedoeld in artikel 4 Wet op het primair onderwijs, artikel 8.28 Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4 van de Wet op de expertisecentra.
Vermogen: de waarde van geld en bezittingen min eventuele schulden. Veelal gaat het om vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.
Verordening: bundeling van regels die door de gemeenteraad van Venray zijn vastgesteld.
Vertegenwoordiger: iedereen die omdat zij benoemd is vanuit de wet bevoegd is of door de inwoner is aangewezen om de belangen van die inwoner te behartigen.
Voorliggende voorziening(en): een voorziening op grond van een andere regeling of van een andere organisatie. Gaat het om bijstand, dan wordt ermee bedoeld een voorziening als bedoeld in artikel 5 onderdeel e van de Participatiewet.
Voortgezet onderwijs: onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Voorziening(en): hulp in de vorm van een dienst, activiteit, product, pgb, geldbedrag, of een combinatie daarvan.
Werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in haar organisatie. Voor de Wet sociale werkvoorziening-doelgroep kan de inlener gezien worden als werkgever.
Werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever of aan wie de werkgever van plan is een dienstverband aan te bieden.
Wet: de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet kinderopvang, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet Inburgering 2021.
Wettelijk minimumloon: het wettelijk minimumloon, bedoeld in de Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag. Voor personen jonger dan 21 jaar: het leeftijdsgebonden minimumloon op grond van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Winteropvang: een algemeen toegankelijke opvangvoorziening welke wordt opengesteld door de opvanginstelling zodra de koude en/of winterregeling van kracht wordt.
Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Wlz -instelling: een instelling die zorg verleent op grond van de Wet langdurige zorg.
Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Wmo -hulp: de maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.
Woning: de woonruimte waar de inwoner haar hoofdverblijf heeft. Gaat het om vervoer naar school (hoofdstuk 6), dan is de woning de plaats waar het kind structureel (over een langere periode) en feitelijk verblijft.
Wsw: Wet sociale werkvoorziening.
Wvggz: Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.
Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de normale dagelijkse activiteiten en het voeren van een gestructureerd huishouden, als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.
Bijlage 1 Het onderzoeken van overbelasting
De indicatiesteller onderzoekt altijd of er in de individuele situatie moet worden afgeweken van de algemene regels. Een van de redenen om in de individuele situatie af te wijken kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat zij taken overneemt, reeds overbelast dreigt te raken. In Van Dale wordt overbelasting uitgelegd als “meer belasten dan het prestatievermogen toelaat”. In medische kringen praten we dan over het (on)evenwicht tussen draagkracht (= belastbaarheid) en draaglast (= belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt het bepaald door in- en uitwendige factoren.
Factoren die van invloed zijn op de draagkracht zijn onder meer:
Factoren die van invloed zijn op de draaglast zijn onder meer:
Onderzoek naar de draaglast-draagkracht mantelzorger
Het kan soms heel duidelijk zijn dat de mantelzorger overbelast is, in andere gevallen is dat minder duidelijk en zal dit in het indicatieonderzoek moeten worden uitgediept. Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft. Wel bestaan er allerlei vragenlijsten op dat gebied en kunnen door de mantelzorger ervaren klachten duiden op overbelasting. Uit een uitspraak van het Cvz (Zknr. 23010188) blijkt dat de gemeente van mening is dat de beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid van de mantelzorger dienen te worden beoordeeld door of onder verantwoordelijkheid van een arts. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. Dit dient dan wel onder aanwijzing van een arts te gebeuren; deze dient vervolgens ook bij het eindoordeel te worden betrokken. Indien de situatie heel erg duidelijk is dan is consultatie van een arts niet nodig.
Hieronder volgt een reeks van vragen die de indicatiesteller zou kunnen helpen bij het verkrijgen van een indruk over de eventuele overbelasting van de mantelzorger.
Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting
Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. Het is mogelijk, dat slechts één van deze symptomen waarneembaar is. Over het algemeen zullen meerdere symptomen gecombineerd optreden. De mate, waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Daarnaast dient men zich te realiseren dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat, die ook bij andere stoornissen kunnen passen (dit is een van de redenen waarom het Cvz de beoordeling hiervan bij de arts neerlegt). Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat. Indien er meerdere van onderstaande symptomen aanwezig zijn, is het raadzaam dat de zorger zijn huisarts raadpleegt, omdat bij langdurige aanwezigheid en/of verwaarlozing van dergelijke symptomen weer kunnen leiden tot andere, ernstige stoornissen.
Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:
Bijlage 2 Afwegingskader Beschermd Wonen
Afwegingskader beschermd wonen 2025 – Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
Algemeen afwegingskader voor de prestatie Beschermd Wonen:
Een cliënt komt in aanmerking voor Beschermd Wonen als wordt voldaan aan alle onderstaande criteria.
De cliënt kan zich niet zelfstandig handhaven in de samenleving door een tekort aan zelfregie, zelfregulatie en/of zelfredzaamheid en dit is niet op te lossen met eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, en;
Tijdsduur hulpvraag/proces indicatie
In principe is het doel van beschermd wonen vanuit de Wmo om binnen twee jaar uit te stromen uit beschermd wonen. Er wordt in de gesprekken met de gemeentelijke toegang samen met de cliënt gekeken of een indicatie beschermd wonen nog het best passend is bij het herstel en ontwikkelperspectief van de cliënt.
Binnen twee jaar na het verstrekken van de indicatie wordt er gekeken of beschermd wonen als voorziening bijdraagt aan het vergroten van het herstel, de zelfredzaamheid en participatie van een client op de diverse leefgebieden. Als er binnen twee jaar geen sprake is van (voldoende) herstel, het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie is, wordt er een afweging gemaakt welk zorgkader het beste aansluit bij de ondersteuningsvraag van de client;
De indicatiestelling voor een jeugdige vanaf 17 jaar wordt gezamenlijk gedaan door een jeugdconsulent en een beschermd wonen consulent. Zij zoeken samen naar een geschikte plek. De jeugdconsulent voert de regie tot 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt de indicatiestelling gedaan door een beschermd wonen consulent. De regie ligt vanaf 18 jaar bij de beschermd wonen consulent, en;
Een bevoegde zorgprofessional heeft door middel van diagnostisch onderzoek de psychiatrische, psychische of psychosociale en de daaruit voortvloeiende beperkingen van de cliënt op zijn eigen regievoering vastgesteld. Indien er vooraf geen diagnose beschikbaar is mag een cliënt, in afwachting van de uitslag van het onderzoek, gebruik maken van een beschermd wonen voorziening. Dit gebeurt op basis van het onderzoeksverslag van een beschermd wonen consulent;
Indien de cliënt weigert mee te werken aan diagnostiek heeft de Wmo-consulent de mogelijkheid, in overleg met de cliënt, om een beschrijving te formuleren van de problematiek van de cliënt zodat helder is dat de cliënt in aanmerking komt voor beschermd wonen vanuit de Wmo. Een diagnose is geen vereiste maar wel gewenst voor het afgeven van beschermd wonen indicatie.
Bijlage 3 Kwaliteitseisen aanbieders Beschermd Wonen
Kwaliteitseisen voor alle aanbieders (zorginstellingen, zpp’er en sociaal netwerk)
Eisen voor de professionele aanbieders (zorginstellingen en zzp’er).
Aanbieders dienen te beschikken over een aantoonbaar werkzaam kwaliteitssysteem te beschikken. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een certificaat gebaseerd op de volgende keurmerken; ISO 9001, EN 15224 HKZ, KIWA (ZZP en kleine ondernemers), Prezo of vergelijkbaar. Zorgdienstverleners die niet over een certificaat beschikken moeten op een andere manier aantonen dat zij een werkend systeem hebben voor het beheersen, bewaken, borgen en verbeteren van de kwaliteit van ondersteuning
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-546564.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.