Gemeenteblad van Borne
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Borne | Gemeenteblad 2024, 546264 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Borne | Gemeenteblad 2024, 546264 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2025
Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2025 treden in werking met ingang van 1 januari 2025.
Deze beleidsregels zijn gebaseerd op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2022 (verder te noemen: de verordening) zoals deze door de gemeenteraad in september 2022 is vastgesteld. (Wijziging verordening vastgesteld op 13-05-2023 met terugwerkende kracht vanaf 01-10-2022)Voor deze Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2025 is dezelfde volgorde en definities aangehouden zoals deze ook in de voornoemde verordening is gehanteerd.
De verordening is een algemeen verbindend voorschrift en is rechtstreeks bindend voor de burger. De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (verder te noemen: Wmo 2015) bepaalt dat gemeenten verplicht zijn om een aantal zaken in de verordening te regelen. Vaak wordt dat niet in detail in de verordening uitgewerkt. Dat kan vervolgens in nadere regelgeving.
Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften die een uitwerking zijn van de verordening. De artikelen 2.1, vierde lid, 4.1, derde lid, 4.3, vijfde en zevende lid, 5.1, derde lid, 5.3, zevende lid, 5.4, vijfde lid, 5.7, vierde lid, 5.8, vierde lid, 9.1, tweede lid, 10.1, tweede lid en 11.3, derde lid van de hiervoor genoemde verordening bevatten bepalingen, die het college de bevoegdheid geven om nadere regels vast te stellen. Nadere regels kunnen rechten en plichten bevatten voor burgers, beleidsregels kunnen dit niet.
Een beleidsregel beschrijft hoe een bestuursorgaan omgaat met een bepaalde bevoegdheid. Er kunnen dus geen rechten of plichten voor inwoners in worden vastgelegd. Deze beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2025 helpt de consulenten van gemeente Borne bij het beoordelen van meldingen en aanvragen.
Hoofdstuk 2. Vormen van maatschappelijke ondersteuning
Artikel 2.1 Vormen van maatschappelijke ondersteuning
In dit artikel wordt het onderscheid geduid tussen algemene voorzieningen, die zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk zijn voor de gebruikers en de maatwerkvoorzieningen, waarvoor een indicatie nodig is.
Algemene voorzieningen zijn toegankelijk voor alle inwoners van de gemeente Borne. Deze voorzieningen stellen mensen in staat om (ondanks hun beperkingen) zelfredzaam en zelfstandig te zijn en mee te blijven doen (participatie).
Algemene voorzieningen worden gefaciliteerd door de gemeente. Het kan hierbij ook gaan om voorzieningen die door vrijwilligersorganisaties worden aangeboden, mits deze gefaciliteerd zijn door de gemeente. Belangrijk is dat de algemene voorzieningen bekend en beschikbaar zijn, zowel bij inwoners, vrijwilligers als bij professionals, en dat zij gericht zijn op maatschappelijke participatie. In de afweging of een algemene voorziening afdoende is (en dus geen maatwerkvoorziening noodzakelijk is), is doorslaggevend of de ondersteuningsvraag adequaat wordt opgelost.
Bij iedere ondersteuningsvraag zal samen met de inwoner gekeken worden naar mogelijke oplossingen. Hierbij wordt een vaste volgorde aangehouden, waarbij gestart wordt bij de eigen kracht en uiteindelijk uitgekomen wordt bij een maatwerkvoorziening, als er geen andere mogelijkheden zijn.
Cliëntondersteuning is een onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (artikel 1.1.1. van de Wmo 2015). En betreft alle levensdomeinen.
De cliënt bepaalt of en wie hij als cliëntondersteuner wil. Dat kan iemand zijn uit zijn eigen netwerk. Het kan ook een ondersteuner zijn die de gemeente gratis biedt. Dit is een onafhankelijk persoon (van een organisatie) waar de gemeente een contract mee heeft. Gemeente Borne heeft deze taak belegd bij Wijkracht Borne.
Cliëntondersteuning is een algemene voorziening. Een goede cliëntondersteuning veronderstelt professionaliteit, waarbij het belang van de betrokken cliënt het uitgangspunt is in die ondersteuning.
Aanbieders van beschikbare maatwerkvoorzieningen (huishoudelijke ondersteuning en begeleiding)
Er is een groot aantal aanbieders begeleiding door de gemeente Borne gecontracteerd. Voor meer informatie staan op de website van de 14 samenwerkende gemeenten in de regio Twente (www.samen14.nl) de aanbieders vermeld, die momenteel gecontracteerd zijn.
Gemeente Borne kent op dit moment de volgende algemene voorzieningen:
Hoofdstuk 3. Toegang maatschappelijke ondersteuning
Een hulpvraag kan door of namens een persoon bij de gemeente worden gemeld. Na ontvangst van de melding begint de wettelijke onderzoekstermijn van zes weken te lopen.
De wet biedt de mogelijkheid dat een persoon met een hulpvraag een persoonlijk plan indient. Gemeente Borne wijst de persoon op de mogelijkheid tot het inleveren van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid dit te overhandigen.
In het persoonlijk plan beschrijft de persoon hoe een probleem volgens de persoon kan worden opgelost. Een persoonlijk plan opstellen is niet verplicht. In het geval iemand hulp wenst bij het opstellen van persoonlijk plan dan kan daarvoor beroep worden gedaan op de cliëntondersteuning. Een voorbeeld van een persoonlijk plan staat op de website www.zozorgik.nl .
Artikel 3.4 Informatie en identificatie
Onder een geldig identiteitsbewijs wordt verstaan een reisdocument als bedoeld in de Paspoortwet:
Ook het (Europese) rijbewijs wordt door de gemeente Borne in dit kader als een geldig identiteitsbewijs beschouwd.
Uitgangspunt bij ‘het gesprek’ is de eigen kracht van de cliënt om het probleem zelf of met steun van zijn omgeving op te lossen.
Een cliënt dient een identificatiebewijs te tonen aan de consulent die het gesprek voert. De identiteit kan worden vastgesteld aan de hand van een van de in artikel 3.4 genoemde documenten.
Als een cliënt voor een persoonsgebonden budget wil kiezen, wordt door de consulent uitgelegd hoe de procedure voor een persoonsgebonden budget werkt. Ook wordt informatie verstrekt over de hoogte van het persoonsgebonden budget. Cliënten moeten vooraf goed weten wat het persoonsgebonden budget inhoudt en welke verantwoordelijkheden zij of hun budgetbeheerder daarbij hebben. De gemeente mag voor het beschikken van een persoonsgebonden budget de kwaliteit van de daarmee in te kopen ondersteuning toetsen. De kwaliteit moet voldoen aan de kwaliteit die geboden wordt bij gecontracteerde aanbieders.
Artikel 3.7 Gespreksverslag 1
De consulent zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek wat samen met de cliënt is uitgevoerd.
Het gespreksverslag moet een weergave zijn van:
Zo snel mogelijk, en binnen de onderzoekstermijn van zes weken, na het gesprek verstrekt de gemeente aan de betreffende cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.
Indien een cliënt al bij de gemeente bekend is, kan in overleg met de cliënt worden afgezien van het verstrekken van een verslag van het onderzoek aan de cliënt.
Artikel 3.8 Extern deskundigenonderzoek
Voor de toepassing van artikel 3.8 van de Verordening, bepaalt de consulent of het bij het beoordelen van de toegang tot de maatwerkvoorziening noodzakelijk is om een externe deskundige in te schakelen, bijvoorbeeld een medisch of bouwkundig adviseur. Een medisch advies ligt voor de hand als er sprake is van een progressief ziektebeeld en/of een medisch moeilijk te objectiveren aandoening of wanneer de voorziening mogelijk anti-revaliderend is. Daarnaast kan een advies zinvol zijn voor het in kaart brengen van de behandel- en ontwikkelingsmogelijkheden van de cliënt.
Om tot een bepaling van de goedkoopst compenserende voorziening te komen kan een bouwkundig advies worden aangevraagd. De kosten van het advies komen voor rekening van de gemeente.
Als het adviestraject niet binnen de wettelijke onderzoekstermijn van zes weken kan worden afgerond, kan deze termijn na overleg met de cliënt op grond van art. 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht worden verlengd. Hetzelfde geldt voor een adviestraject dat is gestart nadat de cliënt de aanvraag heeft ingediend.
Hoofdstuk 4. Procedurele bepalingen
Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door de gemeente vastgesteld formulier.
Als een cliënt een aanvraag indient zonder dat een melding en vooronderzoek heeft plaatsgevonden, zal de aanvraag als melding worden aangemerkt en zal de reguliere procedure worden gevolgd.
Als de aanvraaggegevens van de cliënt niet compleet zijn krijgt de cliënt een redelijke hersteltermijn om de gegevens aan te leveren. Als de gegevens na de hersteltermijn nog niet compleet zijn, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gelaten.
Een aanvraag kan ook door een schriftelijk verzoek van of namens de cliënt worden ingediend als het onderzoek naar aanleiding van de melding niet binnen zes weken is afgerond.
Hoofdstuk 5. Afweging en voorwaarden maatwerkvoorzieningen
Artikel 5.1 Criteria maatwerkvoorzieningen
Maatwerk is het op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van:
Het is aan de gemeente om een maatwerkvoorziening te verstrekken ter bevordering van de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt, voor zover er geen andere oplossingen voor de hulpvraag mogelijk zijn. Uitgangspunt voor een Wmo-verstrekking is niet louter de diagnose of de beperking van de cliënt. De Wmo 2015 betrekt uitdrukkelijk ook de eigen mogelijkheden van de cliënt of zijn sociale netwerk bij de oplossing van zijn probleem. De gemeente ondersteunt de cliënt waar hij beperkingen ervaart in zijn zelfredzaamheid en participatie in het maatschappelijk verkeer.
De wet doet een beroep op de eigen kracht en eigen mogelijkheden van ingezetenen. Het uitgangspunt van de wet is dat mensen langer thuis blijven wonen met waar mogelijk hulp van hun eigen sociale netwerk en zo nodig aanvullende ondersteuning vanuit de gemeente. Voordat er een beroep wordt gedaan op publiek gefinancierde voorzieningen moeten eerst de eigen kracht en het sociale netwerk worden aangesproken. Zoals vermeld in artikel 5.1 van de verordening betekent dit dat een maatwerkvoorziening pas aan de orde kan zijn als de cliënt zijn beperkingen of problemen niet kan verminderen of wegnemen met behulp van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen.
In elke afzonderlijke situatie beoordeelt de consulent de eigen kracht en mogelijkheden van de cliënt. Dit doet de consulent niet door de beperking als uitgangspunt te nemen, maar door juist te kijken naar wat de cliënt zelf en/of met hulp van zijn sociaal netwerk wel kan. Dit hangt onder andere af van het type ondersteuning dat wordt gevraagd en van de draagkracht van het sociaal netwerk.
De gemeente verwacht van de cliënt dat hij de consulent actief informeert over personen uit zijn sociaal netwerk en wat deze personen voor hem kunnen betekenen op het gebied van zorg en ondersteuning. De consulent probeert de cliënt ook te ondersteunen in het betrekken van personen uit de sociale omgeving.
Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub a.
Eigen kracht verwijst naar de mogelijkheden van de cliënt om zelf bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie. Het college verwacht van de cliënt dat hij zich inspant om dat aan te wenden wat binnen zijn bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Eigen kracht is ook:
Primair stimuleert de gemeente de cliënt zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Daarvoor kijkt de consulent naar de persoonlijke eigenschappen van de cliënt, zijn talenten en vaardigheden, zingeving in combinatie met zijn directe omgeving.
Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub b.
De consulent beoordeelt of, en zo ja, in hoeverre de cliënt met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. Onder gebruikelijke hulp wordt de normale, dagelijkse hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten verstaan. Het voeren van een gemeenschappelijk huishouden brengt immers een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich mee. Partners en inwonende gezinsleden staan elkaar bij in de normale dagelijkse zorg, zoals taken in het gezamenlijke huishouden, administratie, schoonmaken, elementaire zorgtaken, bezoek aan familie/instanties/arts, etc.
De redelijkheid bepaalt wat als gebruikelijke hulp kan worden geduid. Wat redelijk is hangt af van de specifieke situatie van een cliënt en zijn huisgenoten. Iedere situatie is anders en vraagt om maatwerk. Daarbij is het CIZ-protocol2 richtinggevend.
In het kader van de huishoudelijke ondersteuning is het uitgangspunt dat de leefeenheid primair verantwoordelijk is voor het uitvoeren van alle huishoudelijke taken.
Als de aanvrager huisgenoten heeft die huishoudelijke taken over kunnen nemen, worden zij verondersteld dit door een herverdeling van taken te doen. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een huishouding gezamenlijk verantwoordelijk is voor het huishoudelijk werk (ofwel: het draaiende houden van een huishouden) en dat ook alleenstaanden een huishouden voeren naast andere dagelijkse bezigheden (werk, vrije tijd, enz.).
Dit betekent dat als diegene die gewend is het huishoudelijke werk te doen, hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en geldt voor alle huisgenoten van 23 jaar en ouder.
Wanneer er gebruikelijke hulp van een gezond kind wordt verwacht, moet er onderzoek gedaan worden naar het vermogen van dit kind voor wat betreft het verrichten van huishoudelijk werk. Er moet rekening gehouden worden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het specifieke kind en het feitelijke vermogen van dit kind om een bijdrage te leveren. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties. Er moet rekening mee worden gehouden dat een kind geen vervanger is ten aanzien van huishoudelijke taken, maar dat zijn of haar hulp kan leiden tot een vermindering van een eventuele indicatie voor huishoudelijke ondersteuning.
De beleidsregels ten aanzien van gebruikelijke hulp van kinderen bij verschillende leeftijden in het huishouden:
Artikel 5.1 , eerste en tweede lid, sub c.
Mantelzorg is meer dan alleen de alledaagse zorg voor elkaar. Iemand is mantelzorger als hij iemand lange tijd (meer dan drie maanden) – onbetaald – veel (meer dan acht uur per week) zorg geeft3. Deze zorg is meer dan men normaal gesproken van elkaar kan verwachten. Gebruikelijke hulp valt niet onder mantelzorg. Gebruikelijke hulp of zorg is de dagelijkse zorg die huisgenoten (de echtgenoot/partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten) elkaar bieden omdat zij samen het huishouden voeren. Daar zijn zij samen verantwoordelijk voor.
Mantelzorg betreft ondersteuning voor een naaste ten behoeve van diens zelfredzaamheid en participatie, die qua omvang en intensiteit de gebruikelijke hulp overstijgt en die rechtstreeks voortkomt uit de sociale relatie tussen personen. Mantelzorg wordt niet verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. De ondersteuning is vrijwillig, maar voelt voor de betrokkenen vaak als vanzelfsprekend.
Gezien de intensiviteit van de ondersteuning en de vaak hoge mate waarin de cliënt afhankelijk is van de ondersteuning, is het met name bij mantelzorg van belang om inzicht te krijgen in de belastbaarheid van de mantelzorger. Om hier meer inzicht in te krijgen kan de consulent gebruik maken van bijlage 1 ‘Onderzoeken van (dreigende) overbelasting’ en de EDIZ vragenlijst ‘Erkende Druk door Informele Zorg’. Ook kan medisch of ander deskundig advies worden ingewonnen door de consulent. Als de belastbaarheid te gering is, wordt gekeken naar mogelijkheden ter ondersteuning van de mantelzorger door middel van voorliggende voorzieningen. Als dit de mantelzorger niet voldoende ontlast, kan (tijdelijk) een maatwerkvoorziening ingezet worden ten behoeve van het (op termijn) in stand houden van de mantelzorg.
Respijtzorg is het tijdelijk overnemen van de zorg om de mantelzorger te ontlasten. Dit kan gebeuren in de vorm van dagbesteding en kortdurend verblijf.
De gemeente is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het ondersteunen van mantelzorgers van cliënten zonder een Wlz-indicatie. Een manier om dit te doen kan het bieden van kortdurend verblijf zijn. Kortdurend verblijf is een maatwerkvoorziening en dient ter aanvulling op het wonen in de thuissituatie en vervangt niet het wonen in een instelling.
Sommige zorgverzekeraars vergoeden vormen van respijtzorg geheel of gedeeltelijk vanuit de aanvullende verzekering.
De doelgroep die in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf ter ondersteuning van de mantelzorger bestaat uit:
Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub d.
Met het sociaal netwerk worden personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt bedoeld. Hierbij kan gedacht worden aan uitwonende kinderen, buren, vrienden, vrijwilligers e.d.
Artikel 5, eerste en tweede lid, sub e.
Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Een zaak of een dienst is algemeen gebruikelijk als voldaan wordt aan de volgende vier voorwaarden:
Het college dient te beoordelen of op het moment van de aanvraag sprake is van een zaak of dienst die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (als aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in principe niet van belang (RBARN:2012:XBX8032 en CRVB: 2018:1250). Bij de structurele kosten van bijvoorbeeld een boodschappendienst kan nog steeds worden gesproken van een algemeen gebruikelijke dienst die voorliggend is op het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Dat geldt ook voor personen met een inkomen op het sociaal minimum (bijv. CRVB: 2018: 2182 en CRVB:2018:3093).
Zie voorts bijlage 2 voor een niet-limitatieve lijst aan algemeen gebruikelijke voorzieningen.
Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub f.
Algemene voorzieningen zijn voorzieningen waarvan iedereen gebruik kan maken en waarvoor geen beschikking nodig is. Dit kunnen ook welzijnsvoorzieningen zijn. Daarmee bieden deze voorzieningen een snelle en adequate compensatie voor de beperkingen die iemand ervaart.
De gemeente kent een aantal algemene voorzieningen zoals het maatschappelijk werk en de thuisadministratie, die door Wijkracht Borne wordt uitgevoerd.
In de verordening is opgenomen dat deze voorzieningen niet vallen onder het abonnementstarief.
Er kan wel een bijdrage in de kosten worden gevraagd voor het gebruik van een algemene voorziening.
Was- en strijkservice is beschikbaar voor alle inwoners van de gemeente Borne. Voor cliënten bij wie middels onderzoek is vastgesteld dat zij zelf niet meer in staat zijn om zorg te dragen voor de taken ten aanzien van de was geldt dat zij gebruik kunnen maken van de was- en strijkservice tegen een gereduceerd tarief. Hierbij geldt dat cliënten maximaal 2 waszakken per week tegen het gereduceerde tarief kunnen gebruiken. Waar nodig kan hiervan worden afgeweken. De gereduceerde kosten voor een waszak zijn vastgesteld aan de hand van het Nibud en komen overeen met de kosten die gemaakt worden voor water, elektra, wasmiddel , afschrijving van de wasmachine en dergelijke.
Artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub g.
De gemeente draagt zorg voor afstemming met andere voorzieningen. Andere voorzieningen zijn in dit geval:
Afstemming met gezondheidszorg
Afstemming met Veilig thuis Twente
De gemeente heeft afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en maatwerkvoorzieningen. Deze afspraken zijn in 2018 vastgelegd in Samenwerkingsafspraken gemeente Borne en Veilig Thuis Twente.
De gemeente zorgt voor een goede afstemming tussen voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen of ouders op grond van de Jeugdwet.
Tevens zorgt de gemeente voor de continuïteit van ondersteuning onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt.
Afstemming met voorzieningen werk en inkomen
De gemeente zet bij de toegang tot maatschappelijke ondersteuning in op vroegtijdige signalering van belemmeringen op het gebied van werk en inkomen van de cliënt en helpt de cliënt waar nodig om de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen –zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen en re-integratievoorzieningen– te verkrijgen.
Artikel 5.1 derde lid (nadere regels)
De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 maakt onderscheid in de volgende maatwerkvoorzieningen:
Gemeente Borne hanteert daarbij het volgende beleid:
De maatwerkvoorziening Huishoudelijke Ondersteuning (hierna: HO) wordt ingezet als een persoon niet meer op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met behulp van zijn sociale netwerk zijn huis schoon en leefbaar kan houden. Huishoudelijke taken worden dan overgenomen door een huishoudelijk medewerker.
Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), keuken, sanitaire ruimtes en gang / trap / overloop. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon etc.) maakt geen onderdeel uit van HO. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning, wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 (bureau HHM), zie hiervoor bijlage 3.
In bijzondere situaties kan afgeweken worden van het normenkader. Bijvoorbeeld wanneer inwoners als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit kunnen zijn een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, het klaarzetten van maaltijden en het beschikken over schone kleding. Als inwoners minder ondersteuning nodig hebben, dan wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van eigen kracht, gebruikelijke hulp en het netwerk. Als sprake is van voorliggende voorzieningen of oplossingen dan wordt hiervoor geen maatwerkvoorziening ingezet.
De maatwerkvoorziening HO bestaat uit zes resultaten. De zes resultaten zijn:
De resultaten zijn nader uitgewerkt in het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 (bureau HHM), zie hiervoor bijlage 3.
Ieder resultaat heeft een normtijd. Op basis van de persoonlijke situatie van de persoon wordt vastgesteld welk deel van de activiteiten een persoon zelf of met hulp van zijn netwerk kan uitvoeren en welk deel wordt overgenomen door de zorgaanbieder. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden in meer of minder inzet ten opzichte van de normtijd. De werkzaamheden die de persoon zelf of met behulp van zijn netwerk kan verrichten worden niet overgenomen door de zorgaanbieder. De gemeente bekijkt, samen met de inwoner, welke ondersteuning noodzakelijk is in het huishouden. De gemeente informeert hierover de zorgaanbieder.
Er is een mogelijkheid om onder de wasverzorging minuten toe te kennen voor strijken. Dit is alleen bedoeld voor uitzonderlijke situaties waarin er medische redenen zijn dat bovenkleding gestreken moet worden. Anders wordt een persoon gewezen op het aanschaffen van strijkvrije kleding.
Voor wat betreft het resultaat ‘boodschappen’ geldt dat er een ruime beschikbaarheid is van boodschappenservices. Hiermee kunnen boodschappen thuis worden bezorgd. Slechts in uitzonderingssituaties kan worden gekozen voor ondersteuning vanuit de maatwerkvoorziening HO. Hierbij kan gedacht worden aan situaties waarin een persoon na aflevering van de boodschappen niet zelf of met ondersteuning van zijn netwerk in staat is om de boodschappen op te ruimen. De extra minuten worden dan bijgeschreven onder het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’.
Voortzetten ondersteuning na overlijden van huisgenoot
Wanneer de persoon overlijdt kan de huisgenoot die achterblijft huishoudelijke ondersteuning blijven ontvangen gedurende tenminste één volledige kalendermaand, met dien verstande dat dat deze termijn afloopt op de laatste dag van de volle opvolgende maand. Zo heeft de achterblijvende huisgenoot de tijd om de ondersteuning op een andere manier te organiseren of de (veranderende) indicatie, na onderzoek van de gemeente, op zijn naam te kunnen laten zetten.
Indien door ernstige vervuiling een sanering van de woning noodzakelijk is om een hygiënische en werkbare situatie te creëren, kan voorafgaande aan de inzet van de huishoudelijke ondersteuning de woning worden gesaneerd. De kosten worden in rekening gebracht bij de cliënt.
Aanleren huishoudelijke activiteiten
Redenen als ‘niet gewend zijn om’ of geen ‘huishoudelijke werkzaamheden willen en/of kunnen verrichten’ leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Indien hiervoor motivatie aanwezig is, kan er een indicatie worden gesteld voor maximaal acht weken ondersteuning voor het aanleren van huishoudelijke taken en/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden.
B. Begeleiding individueel en dagbesteding (begeleiding in een groep)
De gemeente is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor begeleiding.
Met de maatwerkvoorzieningen begeleiding individueel en dagbesteding (begeleiding in een groep) wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen, behouden en / of compenseren van zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1 van de wet). Het bieden van dagbesteding is een vorm van begeleiding, die bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, zodat deze zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dit omvat structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij een cliënt actief wordt betrokken en biedt zingeving, anders dan arbeid of onderwijs. Huiswerkbegeleiding en begeleiding in relatie tot werk valt niet onder de Wmo 2015.
Zelfredzaamheid bevat twee elementen:
Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving.
Zelfredzaamheid en participatie worden samengevat in dagelijkse handelingen en praktische zaken. Daaronder wordt verstaan:
Er zijn meer voorbeelden denkbaar.
Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren moet de cliënt daar lichamelijk toe in staat zijn maar ook over vaardigheden beschikken. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen. Een vaardigheid op een of ander gebied wordt veelal vergaard door praktische ervaring, door korte of langere tijd regelmatig te oefenen.
Cliënten die zijn aangewezen op begeleiding en/of dagbesteding ondervinden problemen in hun functioneren op het gebied van:
Ondersteuning is laagdrempelig en dichtbij en is ontwikkelingsgericht, gericht op stabilisering en waar mogelijk, herstelgericht. Er wordt ingezet op o.a. reablement (herstelgerichte ondersteuning), met als doel dat inwoners vaardigheden (weer) aanleren zodat ze zich langer zelfstandig kunnen redden.
Maatwerkvoorziening begeleiding individueel Voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel zijn er twee producten: begeleiding individueel basis en begeleiding individueel plus.
De volgende uitgangspunten zijn voor begeleiding individueel van toepassing:
Begeleiding individueel basis Begeleiding individueel basis is bedoeld voor inwoners met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho-) geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden.
De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken*:
Begeleiding individueel plus Begeleiding individueel plus is bedoeld voor inwoners met ernstige en / of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho-) geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden.
De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken*:
*voor een uitwerking van de kenmerken voor de maatwerkvoorziening begeleiding (basis en en plus) zie bijlage 6.
Maatwerkvoorziening dagbesteding Voor de maatwerkvoorziening dagbesteding zijn er twee producten: dagbesteding basis en dagbesteding plus.
De volgende uitgangspunten zijn voor dagbesteding van toepassing:
Dagbesteding basis Dagbesteding basis is bedoeld voor inwoners met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho-) geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden.
De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken*:
De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken*:
Dagbesteding plus Dagbesteding plus is bedoeld voor inwoners met ernstige en / of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho) geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden.
De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken*:
*voor een uitwerking van de kenmerken voor de maatwerkvoorziening dagbesteding (basis en en plus) zie bijlage 7.
Onder groepsondersteuning valt tevens het noodzakelijke vervoer zodat de cliënt daar ook feitelijk gebruik van kan maken. De cliënt die niet in staat is om zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, de groepsondersteuning te bereiken of zelfstandig al dan niet met hulp van anderen, van en naar locatie te reizen waar de groepsondersteuning wordt geboden, kan in aanmerking komen voor vervoer. Onder hulp van anderen worden personen uit het sociaal netwerk verstaan of vrijwilligers. Het college beoordeelt of er een noodzaak bestaat het verstrekken van vervoer naar de groepsondersteuning op basis van artikel 5.1, derde lid, van de verordening.
Wij onderscheiden de volgende rolstoelvoorzieningen:
Om in aanmerking te komen voor een rolstoelvoorziening gelden de volgende voorwaarden:
Als er een noodzaak bestaat voor een rolstoelvoorziening, dan stelt de gemeente, zo nodig op basis van medisch of ander deskundig advies, een programma van eisen op.
Indien de rolstoelvoorziening in natura wordt verstrekt, wordt de rolstoel in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom verstrekt. Of de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom wordt verstrekt is afhankelijk van de voorziening. De gemeente bepaalt of een rolstoelvoorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom wordt verstrekt. De kosten voor onderhoud en verzekering zijn inbegrepen bij de verstrekking in natura. De gemeente maakt hierbij een voorbehoud in het geval sprake is van een pgb-verstrekking. In dat geval zijn de kosten voor onderhoud en verzekering voor rekening van de cliënt.
Bij de verstrekking van een rolstoelvoorziening in natura kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd:
Het persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een rolstoel wordt vastgesteld op basis van de kostprijs die geldt bij de koop van een rolstoel die de persoon zou hebben ontvangen als de rolstoel in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met de termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten. Vanaf het tweede jaar ontvangt de persoon jaarlijks een vast bedrag voor onderhoud en reparatiekosten. De persoon heeft recht op dit bedrag gedurende de door de gemeente vastgestelde gebruiksduur.
Bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor rolstoelvoorzieningen kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd:
Met aanpassingen worden bedoeld: extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt. Accessoires zijn doorgaans niet noodzakelijk, maar wenselijk en worden daarom niet vergoed. Voor rolstoelen geldt dat voor kortdurend gebruik een beroep kan worden gedaan op de uitleenservice van de thuiszorgwinkel.
Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Indien een persoon vanwege zijn beperkingen zonder een sportrolstoel niet kan sporten, dan kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van een sportrolstoel worden verstrekt.
De Centrale Raad van Beroep heeft in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2002:AF5074 geoordeeld dat aan de sportrolstoel blijkens de parlementaire geschiedenis een bijzondere plaats toekomt.
Om in aanmerking te komen voor een sportrolstoel gelden de volgende voorwaarden:
De vervoersvoorzieningen worden geleverd door de leveranciers waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten. Het noodzakelijke onderhoud en de reparaties worden betaald door de gemeente. Afhankelijk van de vervoersbehoeften van de persoon zal een passende maatwerkvoorziening worden vastgesteld.
Gemeente Borne kent de volgende vervoersvoorzieningen:
Binnen de reikwijdte van de Wmo 2015 vallen alleen de lokale en regionale vervoersbehoeften van de persoon. Uit jurisprudentie blijkt dat een persoon, om te kunnen participeren, de mogelijkheden moet hebben om jaarlijks lokaal en regionaal (tot zo’n 15 tot 20 kilometer afstand vanaf de woning van de persoon) 1500 tot 2000 kilometer moet kunnen reizen. Alle bovenregionale vervoersbehoeften vallen buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Hiervoor wordt door het rijk bovenregionaal vervoer georganiseerd. Gemeente Borne hanteert hierbij de ondergrens van 1500 kilometer per kalenderjaar.
Het college heeft in 2019 nadere regels vastgesteld voor het aanvullend openbaar vervoer en nadere regels Verlengde zorg (vervoer door zorgaanbieder). Deze nadere regels zijn nog steeds van toepassing en zijn in bijlagen 4 en 5 opgenomen.
Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer voor de korte en middellange afstanden. Als de cliënt minder dan 100 meter kan lopen dan kan de cliënt in beginsel in aanmerking komen voor een scootmobiel. Gemeente Borne gaat bij het toekennen van een scootmobiel uit van het meest eenvoudige model, waarbij de actieradius en snelheid is beperkt. De scootmobiel is met name bedoeld voor de verplaatsing in de directe woon- en leefomgeving. Om door de gemeente zelfstandig te rijden is het meest eenvoudige model meer dan voldoende voor het bieden van dagelijkse vrijheid. Een dergelijk eenvoudig model is daarmee aanzienlijk voordeliger in de kosten van aanschaf. Dat een gezonde partner/kind naast de cliënt wil fietsen, is geen reden om een scootmobiel met een hogere snelheid te verstrekken. Indien een cliënt dat wenst, hij zelf voor eigen kosten een zwaardere accu kan kopen bij de leverancier, mits de leverancier dat akkoord vindt.
Bij de beoordeling worden o.a. de volgende punten bekeken:
Om in aanmerking te komen voor een scootmobiel of een driewielfiets (met trapondersteuning) dient er een adequate stallingsmogelijkheid te zijn. Voordat een scootmobiel of een driewielfiets wordt verstrekt dient duidelijk te zijn of de scootmobiel of de driewielfiets tegen weer en wind en diefstal beschut kan worden. Daarnaast dient er sprake te zijn van een stroomvoorziening voor het opladen van de accu. Indien er geen adequate stallingsmogelijkheid te realiseren is, kan de aanvraag voor een scootmobiel worden afgewezen, tenzij de cliënt zelf de aanlegkosten van de stalling en de elektravoorziening voor zijn rekening neemt.
Er zijn fietsen, zoals de driewielfiets en een duofiets, die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht. Dit zijn voorzieningen die voorzien in de vervoersbehoefte in de directe omgeving van de eigen woning, voor activiteiten als boodschappen doen, bezoek aan personen uit het sociaal netwerk of een vorm van dagbesteding.
Om in aanmerking te komen voor een driewielfiets of een andere vervoersvoorziening gelden, naast de algemene criteria, de volgende voorwaarden:
Een fiets met lage instap, fiets met hulpmotor of elektrische fiets zijn niet speciaal ontworpen voor mensen met een beperking en worden in de reguliere handel verkocht. Daarom worden deze fietsen in beginsel als algemeen gebruikelijk beschouwd, ook al zijn de aanschafkosten hoger dan van een normale fiets. Uitzonderingen worden beoordeeld door de gemeente.
Als er een noodzaak bestaat voor een van deze voorzieningen, dan stelt de gemeente, zo nodig op basis van medisch of ander deskundig advies, een programma van eisen op.
Indien de voorziening in natura wordt verstrekt, wordt de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom verstrekt. Of de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom wordt verstrekt is afhankelijk van de voorziening. De gemeente bepaalt of de voorziening in de vorm van huur, bruikleen of in eigendom wordt verstrekt. De kosten voor onderhoud en verzekering zijn inbegrepen bij de verstrekking in natura.
Bij de verstrekking van een voorziening in natura kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd:
Het persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een vervoersvoorziening wordt vastgesteld op basis van de kostprijs die geldt bij de koop van een vervoersvoorziening die de persoon zou hebben ontvangen als de voorziening in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met de termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten. Vanaf het tweede jaar ontvangt de persoon jaarlijks een vast bedrag voor onderhoud en reparatiekosten. De persoon heeft recht op dit bedrag gedurende de door de gemeente vastgestelde gebruiksduur.
Bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd:
Als een cliënt zonder autoaanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en het aanvullend openbaar vervoer of een andere vervoersvoorziening niet voldoet, kan overwogen worden of een autoaanpassing wordt vergoed.
De gemeente hanteert naast de algemene criteria, de volgende criteria om te bepalen of een cliënt in aanmerking komt voor een autoaanpassing:
de te maken kosten van de autoaanpassing zijn in relatie tot de geldigheidsduur van het rijbewijs, de verwachte levensduur en technische staat van de auto nog verantwoord. De aanvrager dient aan te tonen dat de aan te passen auto de investering nog waard is (naar verwachting nog minimaal 5-7 jaar mee kan). Bij twijfel moet dit door middel van een technische autokeuring vastgesteld worden en daarvan dient een technisch keuringsrapport worden overlegd.
een aantal autoaanpassingen zijn algemeen gebruikelijk, zoals stuurbekrachtiging, rembekrachtiging, automatische versnelling, een airco, een auto met hoge instap, een (verstelbare) autostoel met een goed zitcomfort en/of zithouding. Van de persoon wordt verwacht dat hij bij de aanschaf van een auto rekening heeft gehouden met de op dat moment aanwezige beperkingen en daarbij voldoende aandacht heeft besteed aan de genoemde algemeen gebruikelijke mogelijkheden.
Onder overige vervoersvoorzieningen valt de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto, een taxi, een rolstoeltaxi of een bruikleen auto.
Om in aanmerking te komen voor een overige vervoersvoorziening gelden, naast de algemene criteria, de volgende voorwaarde:
De persoon is in principe zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de aanbieder van de dagbesteding. Wanneer het voor de persoon niet mogelijk is om op eigen kracht of met behulp van zijn sociale netwerk zelf zijn eigen vervoer te regelen en het is niet mogelijk om gebruik te maken van een algemene voorziening of een algemeen gebruikelijke voorziening, dan kan er vervoer naar dagbesteding worden ingezet. Bij de indicatiestelling voor vervoer wordt er onderscheid gemaakt tussen mensen die in een rolstoel moeten worden vervoerd en overige.
Vervoer naar kortdurend verblijf
De persoon is in principe zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Wanneer het voor de persoon niet mogelijk is om op eigen kracht of met behulp van zijn sociale netwerk zelf zijn eigen vervoer te regelen en het is niet mogelijk om gebruik te maken van een algemene voorziening of een algemeen gebruikelijke voorziening, dan kan er vervoer naar dagbesteding worden ingezet. Bij de indicatiestelling voor vervoer wordt er onderscheid gemaakt tussen mensen die in een rolstoel moeten worden vervoerd en overige.
Als de inwoner dat wenst kan één medereiziger voor hetzelfde tarief als dat de inwoner betaalt mee reizen. Deze kosten worden bij de inwoner in rekening gebracht, zodat de inwoner, als hij dat wenst zelf de kosten kan delen. De inwoner dient bij de reservering aan te geven of hij hiervan gebruik wenst te maken.
Het meenemen van (Huis)dieren (hulphond4).
Een hulphond of blindengeleidehond biedt de reiziger hulp vanwege de beperking die de reiziger heeft. Hij mag altijd gratis mee. Voorwaarde is wel dat de reiziger dit doorgeeft bij de boeking van de rit.
Kinderen tot en met 11 jaar mogen niet met het aanvullend openbaar vervoer reizen zonder begeleiding. Voor kinderen jonger dan 12 jaar met een Wmo-indicatie geeft de gemeente ook een indicatie af voor verplichte/medische begeleiding. Voor een aanvraag voor kinderen worden de geldende openbaar vervoertarieven gehanteerd. Door de gemeente wordt hiervoor een nadere opdracht gegeven aan de vervoerder.
Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving zijn er voorzieningen die dit mogelijk maken. De gemeente onderscheidt de volgende woonvoorzieningen:
Bij woonvoorzieningen worden een aantal algemene voorwaarden gehanteerd. De voorwaarden zijn:
Een woonvoorziening is erop gericht de beperkingen die iemand in het normale gebruik van de woning ondervindt te compenseren. Het begrip ‘normale gebruik van de woning’ houdt in dat men de normale (elementaire) woonfuncties moet kunnen verrichten, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, horizontale en verticale verplaatsingen binnen de woning, toegang tot de woning en de verzorging van kinderen. In beginsel zijn dit de woonkamer, slaapkamer, keuken, wc en de badkamer.
Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden in principe geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutisch baden.
Een cliënt is zelf verantwoordelijk voor het veilig stallen en opbergen (droog en afgesloten) van hulpmiddelen, die als maatwerkvoorziening door de gemeente beschikbaar worden gesteld. Dit geldt tevens voor een hulpmiddel dat door inzet van een persoonsgebonden budget is aangeschaft.
Een voorziening wordt geweigerd als een voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het niveau van de sociale woningbouw. Zo zal een voorziening voor het gebruik van de kelder of de zolder geweigerd worden.
Indien vaststaat dat een aanpassing van de woning noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden wat in de situatie van de cliënt de meest goedkope en adequate voorziening is. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de bedoeling van de wetgever dat de persoon zo lang als mogelijk in de eigen leefomgeving moet kunnen blijven wonen. Bij voorkeur is dit de eigen woning.
Bij met name grote en kostbare woningaanpassingen dient de beoordeling te worden gemaakt wat de meest goedkope en adequate oplossing is. Vaak dient in deze situaties de afweging te worden gemaakt tussen de toekenning van een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing of een woonvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizen. De gemeente hanteert hierbij geen primaat van verhuizen meer. In iedere situatie afzonderlijk dient een beoordeling te worden gemaakt wat de meest goedkope en adequate oplossing is.
Om te bepalen of een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing dan wel in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van verhuis- en inrichtingskosten de meest goedkope en adequate oplossing is, worden de volgende factoren in de belangenafweging:
Dit zijn woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard. Dit worden ook wel roerende woonvoorzieningen genoemd. Losse woonvoorzieningen zijn verplaatsbaar en zijn voor rekening van de cliënt.
Onder woningaanpassing wordt verstaan een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woning. Een bouwkundige ingreep is een verbouwing aan de woning. Een woontechnische ingreep is het aanbrengen van speciale voorzieningen zonder aantasting van het gebouw.
Bij een woningaanpassing worden de volgende kosten vergoed:
het architectenhonorarium, inclusief btw, tot ten hoogste 10% van de aanneemsom. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld kunnen deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen;
Voor het aanbrengen van bouwkundige voorzieningen gelden nog de volgende voorwaarden:
bouwkundige nagelvaste woonvoorzieningen in natura worden eigendom van de woningeigenaar ongeacht de hoogte van de aanschafprijs van de voorziening. Het college kan een voorziening verstrekken voor keuring, onderhoud en reparatie van woonvoorzieningen. De kosten hiervoor zijn namelijk inherent aan het verstrekken van een voorziening. Wanneer de voorziening niet gekeurd, onderhouden of gerepareerd wordt, is deze immers niet compenserend. Zie ook de uitspraak van de Rechtbank Gelderland 26-02-2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:3345, waarbij de rechtbank oordeelde dat een traplift een woonvoorziening is die alleen deugdelijk functioneert en dus compenserend is indien deze regelmatig wordt onderhouden. Indien het aannemelijk is dat de cliënt aangewezen is op de traplift, dan is het college in beginsel gehouden een voorziening te verstrekken voor het onderhoud daarvan.
Voor complexe bouwkundige vraagstukken en / of het beoordelen van offertes wordt afstemming gezocht met afdeling samen bouwen, team handhaving en uitvoering.
Stopzetting bouwkundige en woontechnische woonvoorziening
Indien na toekenning van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, doch voor de gereedmelding van de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, de relatie tussen de aanvrager en de woning niet meer aanwezig is (in verband met verhuizing, overlijden en dergelijke), kan het besluit worden herzien. De mate van herziening is afhankelijk van het stadium waarin de woningaanpassing verkeert en de al aangegane en niet meer te annuleren verplichtingen.
Indien de woningaanpassing in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt toegekend dan gelden de volgende voorwaarden:
De eigenaar van de woning, die een persoonsgebonden budget heeft ontvangen voor een woningaanpassing van minimaal €10.000 en die binnen een periode van tien jaar na het realiseren van de woningaanpassing in eigendom overdraagt, is gehouden om de gemeente hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. Het gesubsidieerde bedrag wordt door de gemeente op basis van onderstaande schema teruggevorderd.
Het terug te storten bedrag wordt berekend aan de hand van onderstaand schema:
Wanneer sprake is van aantoonbare medische beperkingen ten gevolge van bijvoorbeeld astma of allergie waardoor vervanging van vloerbedekking noodzakelijk is, kan hiervoor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Voorwaarde is dat de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning.
Aangetoond dient te worden dat de medische beperkingen ontstonden na het leggen van de vloerbedekking en niet al aanwezig waren ten tijde van het leggen van de vloerbedekking. Alleen als de sanering niet verwijtbaar is kan hiervoor een voorziening worden verstrekt. De gemeente zal zo nodig een extern medisch advies vragen met betrekking tot de noodzaak van de woningsanering.
In principe worden alleen de slaapkamer en de woonkamer gesaneerd. Woningsanering in de Wmo heeft betrekking op vloerbedekking woonkamer, vloerbedekking slaapkamer.
Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met afschrijving van de te vervangen vloerbedekking op de volgende wijze:
Het normbedrag staat voor de goedkoopst compenserende oplossing in natura.
Vloerbedekking vervangen vanwege rolstoel
Als het vanwege het permanente gebruik van een rolstoel nodig is om de vloerbedekking te vervangen gelden dezelfde afschrijvingsregels als bij woningsanering.
Een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten, dient beoordeeld te worden aan de hand van de individuele situatie van de cliënt. Daarbij zijn de persoonskenmerken, behoeften en financiële capaciteit van de cliënt van belang. Er dient een uitgebreide belangenafweging gemaakt te worden, waarbij alle belangen worden meegenomen.
Hierbij kan gedacht worden aan:
Deze omstandigheden zijn voorbeelden waarmee rekening gehouden kan/moet worden en het betreft dus ook geen limitatieve opsomming. Steeds zullen alle individuele omstandigheden beoordeeld moeten worden.
Als de aanvraag verband houdt met een verhuizing van een adequate naar een inadequate woning komt cliënt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de meerkosten van de verhuizing. Ook latere aanvragen worden niet gehonoreerd als tijdens de verhuizing van een adequate naar een inadequate woning duidelijk was dat in de toekomst een beroep zou worden gedaan op maatwerkvoorzieningen/woningaanpassingen (traplift o.a.)
Verhuiskosten worden toegekend door de gemeente waar de cliënt woont, b.v. als een cliënt uit de gemeente Borne verhuist naar Almelo is de gemeente Borne verantwoordelijk voor de financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten.
Artikel 5.2 Beginsel van primaat
De hoofdregel is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals de begeleiding in groepsverband. Het beginsel van primaten is een verbijzondering van het beginsel van de ‘goedkoopst compenserende voorziening’. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat een collectieve verstrekking als een (goedkoopst) compenserende voorziening kan worden aangemerkt. Het gaat daarbij om het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven.
Artikel 5.3 Voorwaarden en weigeringsgronden
De naar objectieve maatstaven gemeten "goedkoopst compenserende" voorziening geldt als norm voor de verstrekking (Verordening art. 5.3). Compenserend houdt in dat de voorziening haar doel moet bereiken op het gebied van zelfredzaamheid en/of participatie. Voldoen meerdere voorzieningen aan dit criterium, dan zal de gemeente de goedkoopst compenserende voorziening beschikken.
Als de cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens compenserend is) komen de meerkosten voor rekening van de cliënt. In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een persoonsgebonden budget gebaseerd op de goedkoopst compenserende voorziening.
Artikel 5.3, derde lid, sub a.
Hoewel niet limitatief beschreven kan er in een aantal gevallen aanspraak gemaakt worden op andere wetgeving zoals:
De Zorgverzekeringswet geeft aan op welke medisch noodzakelijke zorg iemand recht heeft. De rijksoverheid beslist welke zorg in de basisverzekering zit (basispakket). Iedere cliënt is verplicht zich te verzekeren en zorgverzekeraars zijn verplicht verzekeringsplichtigen voor een basisverzekering te accepteren. Voor de minder noodzakelijk geachte vormen van zorg kunnen verzekerden kiezen om een aanvullende verzekering af te sluiten.
Iemand kan zorg vanuit de Wlz aanvragen als er 24 uur per dag permanent zorg/toezicht in de nabijheid nodig is om ernstig nadeel te voorkomen.
Iemand komt in aanmerking voor de Wlz als:
Vanaf 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zorgverzekeringswet gebracht. Voor de beantwoording van de vraag of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (artikel 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013.
Voor hulpmiddelen geldt vanaf 1 januari 2020 dat bewoners van Wlz-instellingen met en zonder behandeling hun (nieuwe) mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen niet meer uit de Wmo 2015 maar uit de Wlz krijgen:
voor Wlz-cliënten die met een persoonsgebonden budget, een volledig pakket thuis (vpt) of met een modulair pakket thuis (mpt) thuis wonen, blijft de verstrekking van hulpmiddelen vooralsnog onveranderd onder de Wmo 2015 vallen. Is sprake van een persoonsgebonden budget, een vpt of een mpt dan is juridisch namelijk van sprake van ‘thuis’ wonen. Wordt de Wlz-indicatie in natura verzilverd, dan is de situatie anders.
Het gaat om de volgende mobiliteitshulpmiddelen: (elektrische) rolstoelen, aangepaste fietsen, scootmobielen, aangepaste wandelwagens/buggy’s en aangepaste autostoeltjes voor kinderen. Roerende voorzieningen zijn hulpmiddelen voor zorg en wonen die door meerdere personen gebruikt kunnen worden, zoals tilliften en douchestoelen. Deze voorzieningen worden onderdeel van de inventaris van zorginstellingen.
De Participatiewet (P-wet) is geen aan de Wmo 2015 voorliggende voorziening. De P-wet is een vangnet in de Sociale Zekerheid, zowel in financiële zin als in de ondersteuning naar werk. De P-wet richt zich primair op de arbeidsparticipatie van mensen en de Wmo 2015 op de maatschappelijke ondersteuning van mensen. De P-wet is er om zoveel mogelijk mensen met of zonder arbeidsbeperking werk te laten vinden.
Artikel 5.3, derde lid, sub b. tot en met e.
Artikel 5.3, derde lid, sub f.
Als te voorzien is dat zich bij een persoon bepaalde beperkingen gaan voordoen mag van hem verwacht worden dat hij daarop anticipeert. Dit betekent echter niet dat beperkingen die ontstaan bij het ouder worden niet vanuit de Wmo 2105 moeten worden gecompenseerd. Als een persoon vanwege ouderdomsverschijnselen niet meer zelfstandig de slaapkamer op de bovenverdieping van de woning kan bereiken kan de gemeente zich niet beroepen op voorzienbaarheid.(zie uitspraak ECLI:CRVB:2018:2603). Dit is anders als een cliënt al eerder bepaalde beperkingen ondervond en toch ondanks die beperkingen keuzes maakte waarvan verwacht mocht worden dat dit in de toekomst problemen zou geven. Bij bijvoorbeeld een verhuizing nadat men al beperkingen ondervindt kan men daarmee al rekening houden.
Artikel 5.3, vierde lid, sub a.
Artikel 5.3, vierde lid, sub b.
Een voorwaarde om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen is dat de cliënt zijn hoofdverblijf in de gemeente Borne heeft. Hoofdverblijf betekent meer dan alleen ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen ( BRP); de cliënt moet daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente verblijven.
Als de cliënt kan aantonen dat hij op korte termijn in de gemeente Borne komt wonen, kan -als hij nog niet staat ingeschreven in het BRP- de melding in behandeling worden genomen.
Vreemdelingen zonder verblijfsvergunning hebben geen zorgverzekering en kunnen ook geen zorgverzekering afsluiten. Zij hebben dan ook geen recht op de zorg, voorzieningen en collectieve regelingen die zijn opgenomen in de Zvw, Wlz en Wmo 2015.
Artikel 5.3, zesde lid, sub a.
Artikel 5.3, zesde lid, sub b.
Een woonvoorziening wordt slechts verleend als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waar de voorziening wordt getroffen. In uitzonderingssituaties kan er sprake zijn van twee hoofdverblijven bijvoorbeeld bij kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed. Als kan worden aangetoond, bijvoorbeeld door een ouderschapsplan, dat de cliënt daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder woont en de andere helft van de tijd bij de andere ouder kan in die situatie, indien niet anders mogelijk, worden bepaald dat twee woningen aangepast worden. Echter zal de vertrekkende ouder altijd eerst, zo nodig in afstemming met de consulent, moeten onderzoeken of een verhuizing naar een geschikte woning mogelijk is.
Artikel 6, zesde lid, sub c. en sub d.
In een aantal situaties zal geen sprake zijn van een resultaatsverplichting van de gemeente, omdat in die situaties sprake is van een bijzondere woonsituatie:
Het treffen van woonvoorzieningen in één van bovenstaande woonvormen is in het kader van de wet niet mogelijk.
Artikel 5.3, zesde lid, sub e.
Verhuizing naar een ongeschikte woning
Er zijn situaties waarbij de cliënt verhuist van een aangepaste en/of geschikte woning naar een woning die minder of helemaal niet is aangepast/geschikt. Dit is een verhuizing van een geschikte naar een niet geschikte woning. De gemeente heeft alleen een verantwoordelijkheid voor het aanpassen van de woning als er voor deze verhuizing een belangrijke reden bestaat en van de cliënt niet verwacht mag worden dat hij of zij zelfredzaam is in het oplossen van het probleem. De gemeente dient bij de berekening van de eventueel te vergoeden kosten een afweging te maken van alle individuele relevante factoren die voor een persoon van belang zijn.
Ook als iemand met (dreigende) beperkingen verhuist vanuit een voor hem of haar ongeschikt huis, dan verwacht de gemeente dat hij of zij deze gelegenheid aangrijpt om naar een geschikte woning te verhuizen. Hierbij wordt ook van de cliënt verwacht dat hij of zij rekening houdt met de toekomst.
Artikel 5.3, zesde lid, sub f.
Algemeen gebruikelijke renovatie van badkamer of keuken
Er worden geen voorzieningen verleend die algemeen gebruikelijk zijn voor de cliënt in kwestie. Dit betekent dat, als er sprake is van renovatie van voorzieningen die technisch of economisch zijn afgeschreven, in beginsel geen voorziening gericht op het wonen zal worden verstrekt. Voor zowel ingezetenen met als zonder beperkingen geldt immers dat voorzieningen na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. Maar de gemeente moet gaan toetsen of de renovatie financieel gedragen kan worden door iemand met een minimuminkomen, ongeacht of iemand zelf een minimuminkomen heeft. Op basis van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep zullen de meeste badkamer- en keukenrenovaties niet meer zo snel als een algemeen gebruikelijke voorziening kunnen worden aangemerkt.
Bij het ‘beschermd wonen’ gericht op participatie gaat het om de cliënt die een beschermde woonomgeving en toezicht in een instelling nodig heeft, maar voor wie er geen noodzaak is voor opname vanwege een psychiatrische behandeling (beschermd wonen gericht op behandeling is onderdeel van de Zvw).
Het betreft die zorgvrager die vanwege zijn psychische beperkingen op meerdere momenten van de dag begeleiding en toezicht nodig heeft. De zorgverlening moet hem op relevante (onverwachte) momenten ondersteunen bij de oordeelsvorming over essentiële zaken in het dagelijkse bestaan. Hij kan de consequenties van eigen handelen niet overzien. Het mogelijke gevaar kan optreden als gevolg van het ontbreken van voldoende regie en regelvermogen.
Vanwege de psychische problemen is hij niet (altijd) in staat tijdig een zorgverlener op te roepen. Er doen zich dagelijks ongeplande zorgmomenten voor, waarbij de zorgverlener het initiatief moet nemen om op deze momenten de zorg te verlenen. Ook erkent betrokkene niet altijd de behoefte aan zorg, waardoor mogelijk gevaar kan ontstaan. Het wachten op de komst van de zorgverlener als zich ongeplande zorgmomenten voordoen brengt hem niet in levensgevaar.
Het kerndoel van verblijf op basis van ‘beschermd wonen’ is gericht op het creëren van de noodzakelijke voorwaarden om samenhangende zorg te kunnen leveren die in de thuissituatie van de zorgvrager niet adequaat of niet effectief geleverd kan worden. De zorgbehoefte is niet op te lossen met andere (voorliggende) voorzieningen en/of extramurale zorg.
Gemeente Borne kent een aantal woningen met cliënten met een indicatie voor beschermd wonen. Deze cliënten doen een beroep op voorzieningen van de gemeente Borne. Over de uitstroom (als een cliënt vanuit de beschermde woonvorm naar een zelfstandige woning gaat) worden werkafspraken gemaakt met de gemeente Enschede.
Een beschermende woonomgeving is een veilige en afgeschermde woon- en leefomgeving waar samenhangende zorg wordt geboden aan cliënten die door hun beperkingen niet in staat zijn zelfstandig te wonen en een mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen vormen. De bescherming richt zich primair op de persoon zelf, niet op zijn omgeving of de maatschappij.
De toelating tot beschermd wonen wordt beoordeeld in samenspraak met de centrumgemeente Enschede. Om toegang tot deze voorziening te krijgen meldt een cliënt (of zijn begeleider) zich voor een screening bij de gemeente Borne of bij het consulenten beschermd wonen van de gemeente Enschede.
De cliënt dient aan de volgende eisen te voldoen:
Om tot een beschermde woonvorm te worden toegelaten moet duidelijk zijn dat mogelijk gevaar bestaat omdat de cliënt:
Beschermd Wonen is landelijk toegankelijk. Dit betekent dat ook cliënten uit andere gemeenten dan de regiogemeenten in onze regio gebruik kunnen maken van Beschermd Wonen. Als iemand uit een andere regio zich in onze regio meldt voor Beschermd Wonen is het vanzelfsprekend dat nagegaan wordt welke informatie bij de gemeente/regio van herkomst beschikbaar is.
Voor beschermd wonen gelden de volgende criteria:
De gemeente Enschede bepaalt vanuit haar regierol het (gemiddeld) aantal etmalen per week en de geldigheidsduur van het besluit voor Beschermd Wonen tevens aan de hand van de prognose ten aanzien van de ziekte/aandoening, duur van de beperkingen en de mogelijkheden van de sociale omgeving. Als het een cliënt betreft die door Borne is aangedragen wordt de consulent van Borne hierbij betrokken.
De beschikking op de aanvraag om een maatwerkvoorziening ten behoeve van Beschermd Wonen zoals genoemd in artikel 2.3.5. van de wet, wordt gegeven door de gemeente waar de aanvraag is ingediend. Voor gemeente Borne is dat dus het college van Borne.
Verblijf anders dan beschermd wonen
Met ingang van 2025 wordt met de nieuwe inkoop geen verblijf Wmo (‘dakjes’) meer ingekocht. Voor verblijf anders dan beschermd wonen kan beoordeeld worden welke vorm van verblijf het best passend is. Dit kan zijn dat voor LVB verblijf via de centrumgemeente (CIMOT) wordt ingezet of bijvoorbeeld verblijf nodig is voor respijtzorg.
Artikel 5.4 Regels voor een persoonsgebonden budget
Eerste tot en met het derde lid
Om in aanmerking te kunnen komen voor een persoonsgebonden budget dient de cliënt hiervoor een ingevuld en ondertekend pgb-plan in te leveren. Dit kan voor of na het gesprek, maar uiterlijk bij het indienen van een aanvraag.
Het pgb-plan omvat de uitwerking van de benodigde zorg en de daarmee samenhangende kosten voor een persoonsgebonden budget. Het pgb-plan moet volledig zijn ingevuld en omschrijven welke zorg er op welk moment nodig is en op welke manier de zelfredzaamheid (daar waar mogelijk) gerealiseerd wordt. Het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie is omschreven in concrete resultaten. Door een concrete omschrijving wordt achteraf getoetst of de gestelde doelen worden gerealiseerd.
Tijdens het gesprek krijgt de cliënt alle informatie die nodig is voor het opstellen van het pgb-plan.
Doel van een persoonsgebonden budget
Een persoonsgebonden budget kan een geschikt instrument zijn voor de cliënt om zijn leven naar eigen wensen en behoeften in te vullen.
Een persoonsgebonden budget kan noodzakelijk zijn als:
Voorwaarden waaraan voldaan moet worden om een persoonsgebonden budget te kunnen krijgen
Wanneer bij de aanvraag geen ingevuld en ondertekend pgb-plan aanwezig is, dan wordt de cliënt een hersteltermijn gestuurd (art. 4:5 Algemene wet bestuursrecht) met een laatste termijn om het pgb-plan alsnog in te leveren. Daarbij wordt opgenomen dat wanneer het pgb-plan niet tijdig retour wordt ontvangen, een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget niet mogelijk is, maar misschien wel in de vorm van zorg in natura. Dit wordt door de consulent beoordeeld.
Een persoonsgebonden budget wordt toegekend onder de voorwaarden dat:
de cliënt naar het oordeel van de gemeente op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
Een budgetbeheerder is de persoon die het geld van het persoonsgebonden budget beheert en de administratie daarover voert voor de cliënt; dit kan de cliënt zelf zijn.
De gemeente controleert niet alleen of een cliënt aan de voorwaarden van een persoonsgebonden budget voldoet. Zij controleert ook of men met een persoonsgebonden budget kan omgaan. Daarmee willen we voorkomen dat men in de problemen komt. Bijvoorbeeld omdat men niet weet welke zorg een cliënt nodig heeft. Of hoe men goede afspraken maakt met een zorgverlener.
Een cliënt is pgb-vaardig als hij de volgende taken zelf kan verrichten:
Een pgb-vaardigheidstoets in het toekenningsproces zorgt ervoor dat een persoonsgebonden budget bewust en goed gemotiveerd wordt afgegeven of afgewezen. Uit de statistieken blijkt dat slechts vijftig procent van de dossiers van niet pgb-vaardige cliënten als rechtmatig wordt bestempeld. Toets tijdens de aanvraag de cliëntmotivatie en of een persoonsgebonden budget een weloverwogen en onafhankelijke keus is. Goede beheersing van het Nederlands bij de cliënt of vertegenwoordiger dient een voorwaarde te zijn voor toewijzing van een persoonsgebonden budget.
Voorwaarden voor het voeren van het budgetbeheer
In de wet staat dat het college een persoonsgebonden budget kan weigeren (artikel 2.3.6 lid 5):
Als er een ernstig vermoeden is dat de budgetbeheerder problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget wordt overwogen of een persoonsgebonden budget wel de juiste leveringsvorm is voor de maatwerkvoorziening.
Situaties waarbij het risico groot is dat het persoonsgebonden budget niet besteed wordt aan het daarvoor bestemde doel:
Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een persoonsgebonden budget ook niet gewenst is.
Deze situaties vereisen altijd een individuele afweging. In deze situaties kan een persoonsgebonden budget worden geweigerd. Om een persoonsgebonden budget af te wijzen op contra-indicaties, moet er enige feitelijke onderbouwing zijn waarop het afwijzingsbesluit is gebaseerd. De onderbouwing wordt in de beschikking vermeld.
De gemeente verstrekt geen persoonsgebonden budget voor zover de melding betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de melding heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.
Hierbij speelt ook eigen kracht een rol. Als blijkt dat de voorziening is aangeschaft, daarna pas de melding plaatsvindt en de cliënt door de aanschaf niet in financiële problemen is gekomen dan is er geen reden om alsnog een persoonsgebonden budget te verstrekken.
In de Wmo 2015 is de verplichting opgenomen dat gemeenten persoonsgebonden budgetten uitbetalen in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het persoonsgebonden budget stort op rekening van het Servicecentrum persoonsgebonden budget van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De budgetbeheerder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren ondersteuning zijn geleverd. De SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling aan de zorgverlener.
Om zorg te dragen dat pgb-uitgaven gecontroleerd kunnen worden is het niet mogelijk om met een vast maandloon te werken. Van de zorgverlener wordt verwacht dat hij zijn gewerkte uren/facturen declareert bij de SVB.
De niet bestede pgb-bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente.
Het is belangrijk dat cliënten vooraf goed weten wat het persoonsgebonden budget inhoudt en welke verantwoordelijkheden zij daarbij hebben. De budgetbeheerder krijgt informatie bij de melding en tijdens het gesprek. Die informatie is nodig voor het opstellen van een pgb-plan en de budgetbeheerder wordt verwezen naar de SVB voor het opstellen van een zorgverlenings-overeenkomst (overeenkomsten met zorgverleners). Daarnaast verzorgt het Servicecentrum persoonsgebonden budget van de SVB voorlichting en ondersteuning aan budgetbeheerders.
De SVB draagt zorg voor de juridische en arbeidsrechtelijke aspecten (rechtmatigheid) van de inhuur van zorgverleners. Voor ondersteuning en eisen ten aanzien van de af te sluiten zorgverleningsovereenkomst verwijst de gemeente naar de SVB.
Verantwoordelijkheden van de budgetbeheerder
De budgetbeheerder is verantwoordelijk voor:
Kwaliteitseisen van dienstverlening
De gemeente stelt als voorwaarde aan de kwaliteit van zorgverlening dat:
Nadat de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget is toegekend, controleert de gemeente de kwaliteit en de dienstverlening die uitgevoerd wordt door middel van het persoonsgebonden budget. Gedurende het jaar kan de gemeente o.a. een steekproef houden bij de budgetbeheerder of de cliënt door bijvoorbeeld een huisbezoek en/of een administratieve controle uit te voeren (rechtmatigheid) en de inhoudelijke zorgverlening en ondersteuningsvraag met de cliënt /budgetbeheerder te bespreken (doelmatigheid).
Als onrechtmatigheden of ondoelmatig gebruik van het persoonsgebonden budget word(t)en geconstateerd kan de gemeente besluiten om voorwaarden te stellen aan voortzetting van het persoonsgebonden budget of het verstrekken van het persoonsgebonden budget te heroverwegen en eventueel in te trekken.
Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt de gemeente mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.
Persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen en woningaanpassingen
Wanneer de cliënt kiest voor een persoonsgebonden budget krijgt hij na indicatie bij de beschikking een programma van eisen (PvE) waaraan de voorziening moet voldoen. De cliënt kan op basis van dit PvE zelf de voorziening aanschaffen.
Als de cliënt een andere voorziening wil, kan hij daarvoor kiezen onder de voorwaarde dat de voorziening geen (andere) belemmeringen oproept. De voorziening die de cliënt aanschaft moet wel de beperking op hetzelfde niveau compenseren zoals in het PvE wordt gesteld en niet slechts een deel van het probleem oplossen.
De voorziening in de vorm van persoonsgebonden budget wordt toegekend voor een periode die afhankelijk is van de gebruikelijke levensduur van de voorziening. De periode waarvoor de voorziening wordt toegekend wordt beschreven in de beschikking.
Ondersteuning aan de cliënt met een persoonsgebonden budget kan in de volgende vormen worden geboden:
Persoonsgebonden budget voor diensten door een professionele zorgverlener (een zorginstelling of een ZZP’er)
Wanneer de cliënt met de inzet van een persoonsgebonden budget kiest voor de levering van een dienst door een professionele zorgverlener gelden de volgende voorwaarden:
De professionele zorgverlener:
en de medewerkers die voor hem werkzaam zijn, verstrekken bij en naar aanleiding van een melding aan de toezichthoudende ambtenaar de gegevens, waaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens betreffende de gezondheid en andere bijzondere persoonsgegevens (als bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming) voor zover deze voor het onderzoeken van de melding noodzakelijk zijn;
wordt niet onderzocht (lopend onderzoek) door het college van de gemeente Borne of de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Tevens mag er geen sprake zijn van een justitiële maatregel. Indien er sprake is van een lopend onderzoek dient toestemming van de gemeente voor het leveren van zorg te worden overlegd bij de aanvraag voor het persoonsgebonden budget;
Steekproefsgewijs controleert de gemeente of de professionele zorgverlener daadwerkelijk aan de gestelde eisen voldoet.
Persoonsgebonden budget voor diensten door inzet door een informele zorgverlener
Onder een informele zorgverlener verstaat de gemeente een persoon, niet zijnde een zzp’er, freelancer, een persoon in dienst van een zorgaanbieder, die ondersteuning levert aan de cliënt. Er is sprake van een arbeidsverhouding tussen de cliënt en de zorgverlener vastgelegd in een arbeidsovereenkomst. Tot informele zorgverleners rekent de gemeente ook partners en familieleden van de cliënt die op basis van het persoonsgebonden budget ondersteuning bieden. Er is hierbij echter geen sprake van een arbeidsverhouding tussen de cliënt en zorgverlener. Bij de vaststelling op er sprake is van een formeel of informeel tarief, geldt dat bloed- en aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt worden aangemerkt als informele hulpverlener, ook als zij voldoen aan de criteria van een formele hulpverlener.
Een persoonsgebonden budget is niet mogelijk voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk (informele hulp) voor begeleiding complex, dagbesteding complex en kortdurend verblijf met ondersteuning. Voor deze complexe ondersteuningsvormen stelt de gemeente de voorwaarde dat er sprake is van professionele expertise.
De periode waarvoor de voorziening wordt toegekend zal beschreven worden in de beschikking. Die periode is afhankelijk van de situatie van de cliënt, de mogelijke veranderingen in de situatie en de veranderende ontwikkelingen in het aanbod.
Wanneer medisch onderbouwd is dat het aanvullend openbaar vervoer geen geschikte oplossing biedt, dient beoordeeld te worden of een cliënt in aanmerking komt voor een andere passende vervoersvoorziening. Deze kan bestaan uit een vergoeding voor (rolstoel)taxikosten, kosten voor vervoer met eigen auto, het aanpassen van de eigen auto. Bij de tegemoetkoming is het uitgangspunt dat deze betrekking heeft op vervoersmogelijkheden van maximaal 1500 kilometer per jaar.
Een cliënt komt voor een autoaanpassing in aanmerking als blijkt dat er geen gebruik kan worden gemaakt van het openbaar vervoer en het aanvullend openbaar vervoer en de verstrekking van de autoaanpassing de goedkoopste of enige oplossing is om het vervoersprobleem op te lossen. De maximale hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald aan de hand van de laagst uitgebrachte offerte om de noodzakelijke aanpassingen te realiseren.
Persoonsgebonden budget omzetten in zorg in natura (en andersom)
Als in de praktijk blijkt dat een persoonsgebonden budget geen gepaste leveringsvorm is voor de cliënt kan de gemeente ZIN als alternatief aanbieden. De cliënt kan één keer per jaar wisselen tussen het persoonsgebonden budget en een verstrekking in natura (of andersom). Als de cliënt een voorziening in natura (bijv. scootmobiel) omgezet wil zien in een persoonsgebonden budget wordt de voorziening ingenomen en wordt een persoonsgebonden budget verstrekt.
Artikel 5.4, vijfde lid (nadere regels)
Besteding persoonsgebonden budget in het buitenland
Er bestaat geen recht op persoonsgebonden budget voor zover het is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij het college hiervoor vooraf expliciet toestemming verleent. De cliënt dient uiterlijk 6 weken voor het verblijf in het buitenland om toestemming te vragen bij de gemeente. Als de cliënt niet tijdig aan het verblijf in het buitenland toestemming van de gemeente heeft gekregen, wordt de maatwerkvoorziening ingetrokken en eventueel wordt tot terugvordering overgegaan.
Als het nodig is kan de gemeente extern advies vragen over de wenselijkheid en noodzaak van het verblijf in het buitenland. Bij verleende toestemming dient de hoogte van het persoonsgebonden budget heroverwogen te worden. Een maximale termijn van 13 weken wordt aangehouden als termijn dat in het buitenland verbleven kan worden met een persoonsgebonden budget. Na 13 weken wordt de beslissing voor de maatwerkvoorziening ingetrokken. De eisen uit de wet, verordening en deze beleidsregels gelden ook voor besteding van het persoonsgebonden budget in het buitenland, denk daarbij bijvoorbeeld aan de kwaliteit van dienstverlening en verantwoording van het persoonsgebonden budget.
De hoogte van het persoonsgebonden budget in het buitenland wordt afgestemd op het land waar de cliënt tijdelijk verblijft.
De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt her-berekend aan de hand van de aanvaardbaarheidspercentages zoals genoemd in het Wlz-kompas persoonsgebonden budget van het Zorginstituut Nederland. De hoogte van het persoonsgebonden budget geldt voor materiële en immateriële voorzieningen.
Het recht op persoonsgebonden budget vervalt per definitie als de cliënt geen hoofdverblijf meer heeft in de gemeente Borne.
Artikel 5.5 Persoonsgebonden budget niet mogelijk
Het college verstrekt geen persoonsgebonden budget voor ondersteuning door een aanbieder die fraude heeft gepleegd of wanneer er twijfels zijn over de integriteit van een aanbieder. (Zie Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne 2022 art. 5.5)
Artikel 5.6 Onderscheid formele en informele hulp
Bij het bepalen van de diverse pgb-tarieven wordt uitgegaan van het goedkoopste ZIN-tarief. Koopt men de zorg in bij een officiële organisatie dan geldt 100% van het tarief. Voor een zzp-er geldt 80% van het tarief. Daarbij geldt de voorwaarde dat de zzp-er aan dezelfde kwaliteitseisen voldoet als de zorgorganisatie. Voor informele hulp vanuit het sociale netwerk geldt een tarief van maximaal 125 procent van het laatst vastgestelde minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. Het vastgestelde pgb-tarief blijft gedurende de looptijd van de beschikking ongewijzigd en wordt niet tussentijds geïndexeerd.
Artikel 5.7 Hoogte persoonsgebonden budget
Eerste lid tot en met het derde lid
wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het persoonsgebonden budget toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en
De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van de gemeente betekent niet bij voorbaat dat het persoonsgebonden budget om die reden geheel geweigerd wordt. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door de gemeente voorgestelde aanbod.
Voor roerende woonvoorzieningen geldt voor de voorzieningen waarvoor:
In het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne-staan de pgb-bedragen genoemd.
Hoofdstuk 6. Bijdrage in de kosten
Artikel 6.1 Hoogte bijdrage in de kosten
Op grond van de Wmo 2015 geldt per 1 januari 2021 het abonnementstarief. De gemeente heeft de vrijheid om te bepalen of een deel van de algemene voorzieningen onder het abonnementstarief gaat vallen.
Gemeente Borne heeft besloten om het abonnementstarief niet te laten gelden voor algemene voorzieningen, ook niet als daarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan. Dit is in de verordening vastgelegd.
Er wordt voor enkele algemene voorzieningen echter wel een bijdrage in de kosten gevraagd, het gaat hierbij om kosten die inwoners normaliter ook zelf zouden maken. Het gaat hierbij om de was- en strijkservice, de groepsgerichte begeleiding (inwoners betalen zelf hun kopje koffie of thee, een maaltijd en eventuele materiaalkosten) en de vrijwillige vervoersdienst.
Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening. De hoogte van de bijdrage in de kosten voor één of meerdere algemene voorzieningen en / of maatwerkvoorzieningen en / of persoonsgebonden budgetten is gebaseerd op het maximale bedrag als bedoeld in artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet.
Voor Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen gelden andere regels. Voor Beschermd Wonen wordt de hoogte van de eigen bijdrage vastgesteld door het CAK op basis van de persoonlijke gegevens van de cliënt en het geïndiceerde leveringsbudget dat door de gemeente aan het CAK is doorgegeven.
Gezamenlijke huishoudens (meerpersoonshuishoudens) waarin iemand nog niet de AOW-leeftijd heeft bereikt, hoeven geen eigen bijdrage te betalen. Dit geldt ongeacht de hoogte van het inkomen en/of vermogen. In het geval dat beide partners in de loop van het jaar de AOW-leeftijd bereiken, dan wordt de eigen bijdrage het maximale bedrag zoals bedoeld in artikel 2.1.4a, vierde lid van de wet, per maand. Maken meer personen in één huishouden gebruik van Wmo-voorzieningen, dan betalen zij samen het maximale bedrag.
De gemeente bepaalt zelf de startdatum van de eigen bijdrage voor inwoners die gebruik maken van de ondersteuning die onder deze regeling valt.
Gemeente Borne hanteert de datum van beschikking als ingangsdatum voor het abonnementstarief. Het CAK start met innen in de maand volgend op de maand van de startdatum. Alleen bij een startdatum gelegen op de eerste van de maand, wordt wel al de volledige maand geïnd.
Alleen de startdatum van de eerste verstrekking wordt naar het CAK gestuurd. Voor een aanvullende verstrekking wordt geen nieuwe startdatum gestuurd. De gegevensuitwisseling vindt dus niet plaats op toewijzingsniveau (per verstrekking) maar op persoonsniveau. De Wmo-bijdrage kan ‘aan’ en ‘uit’ gezet worden. In het geval een cliënt gedurende een periode geen ondersteuning (dienst), bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning, heeft gehad wegens opname ziekenhuis (minimaal 1 maand), dan voor die maand geen eigen bijdrage verschuldigd is? Wel wordt bij de zorgaanbieder nagegaan of de dienst daadwerkelijk tijdelijk is stopgezet.
Het abonnementstarief is van toepassing op alle verstrekkingen, zolang de cliënt ervan gebruik maakt of kan maken. Uitzonderingen hierop zijn hulpmiddelen en woningaanpassingen, daarvoor geldt de kostprijs als maximum eigen bijdrage.
Kostprijsbewaking voor hulpmiddelen en woningaanpassingen (verstrekt in eigendom en bruikleen) vindt centraal bij het CAK plaats:
Voorzieningen verstrekt in bruikleen met een maandbedrag van meer dan het maximale bedrag zoals bedoeld in artikel 2.1.4a, vierde lid van de wet, per maand kunnen de kostprijs niet overschrijden en daarmee wordt de kostprijs niet meegegeven in het berichtenverkeer. Voor huur en leaseconstructies met een kostprijs van minder dan het maximale bedrag zoals bedoeld in artikel 2.1.4a, vierde lid van de wet, per maand kunnen gemeenten een fictieve kostprijs (bijvoorbeeld gebaseerd op de marktwaarde) doorgeven aan het CAK;
De eigen bijdrage wordt beëindigd als de termijn van de toekenning is afgelopen of de toekenning wordt beëindigd.
Artikel 6.3 Ritbijdrage en opstaptarief
Dit artikel bepaalt dat de cliënt wel een ritbijdrage en een opstaptarief verschuldigd is. De hoogte van de ritbijdrage is gebaseerd op het reguliere OV-tarief die een ieder verschuldigd is ongeacht het hebben van beperkingen. De bedragen liggen vast in het Financieel besluit (waarbij jaarlijks de indexering wordt meegenomen).
Hoofdstuk 7. Herziening, intrekking, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening
Artikel 7.1 Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een voorziening
Artikel 7.1 van de Verordening beschrijft de mogelijkheden die de gemeente heeft ter voorkoming en bestrijding van fraude.
Bij het voorkomen van fraude staat de voorlichting aan de cliënt centraal. Deze moet vooraf weten wat zijn of haar rechten en plichten zijn en wat de consequenties zijn bij het overtreden van de regels. In de aanpak van fraudepreventie maakt gemeente Borne gebruik van de principes van het hoogwaardig handhaven:
Vroegtijdig detecteren en afhandelen: de consulenten zijn ook alert op fraudesignalen. Bij twijfels over de rechtmatigheid, organiseren zij een huisbezoek; dit doet een beroep op de professionaliteit van het consulenten. Intercollegiaal overleg over het bepalen van de te nemen stappen vindt zo nodig plaats.
Daadwerkelijk sanctioneren: gemeente Borne gaat er van uit dat de voorzieningen op rechtmatige wijze worden ingezet en verantwoord worden. Zodra er signalen zijn over onrechtmatig gebruik, wordt de nodige expertise ingezet binnen de gemeente om nader onderzoek te doen. De gemeente hanteert een krachtige consequent sanctiebeleid en een effectief opsporingsbeleid.
Deze principes worden in samenhang uitgevoerd, zo kunnen ze elkaar versterken. Er is aandacht voor bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van individuele maatwerk voorzieningen. Van de cliënt wordt verwacht dat zij mededeling doet van wijzigingen in hun omstandigheden waarvan redelijkerwijs is in te schatten dat deze consequenties heeft voor de verstrekte voorziening. Ook wordt verwacht dat de cliënt meewerkt aan onderzoek in geval van (vermoedens van) onrechtmatigheden.
Voor wat betreft de beheersing van de risico’s zijn onder andere goede voorlichting/ communicatie, onderlinge samenwerking, eenduidige werkwijze en het persoonsgebonden budget-trekkingsrecht belangrijke maatregelen.
Voor alle medewerkers van gemeente Borne geldt dat zij zich aan de wet moeten houden. Zodra er fraude geconstateerd wordt, moet daar op ingegrepen worden. Dit verwachten we ook van de consulenten. Dit vertaalt zich er in eerste instantie in dat de consulent bij (vermoedens van) fraude met de betrokken cliënt in gesprek gaat. De cliënt heeft de plicht dit te melden bij de betrokken instantie. Wanneer aan deze oproep geen gehoor wordt gegeven zal de betreffende medewerker hiervan zelf melding moeten maken. In uitzonderlijke gevallen kan een uitzondering worden gemaakt. Dit wordt dan opgeschaald naar het college.
Hoofdstuk 8. Afstemming met andere voorzieningen
Artikel 8.1 Afstemming met gezondheidszorg
Zie hetgeen vermeld staat bij artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub g.
Hoofdstuk 12. Hardheidsclausule, inwerkingtreding en citeertitel.
Artikel 12.1 Hardheidsclausule
Indien, gelet op het doel en de strekking van de Nadere regels en Beleidsregels, de toepassing van de Nadere regels en Beleidsregels kunnen leiden tot onbillijkheden van overwegende aard in niet precies te voorziene gevallen of groepen van gevallen, is het college bevoegd om van de Nadere regels en Beleidsregels af te wijken.
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borne in zijn vergadering van 10 december 2024.
Het college van burgemeester en wethouders van Borne,
de secretaris,
J. Meijerink
de burgemeester,
drs. J.H.R. Pierik
Bijlage 2 behorend bij artikel 5.1, eerste en tweede lid, sub d. Voorbeelden algemeen gebruikelijke voorzieningen
Hieronder volgen enkele voorbeelden van voorzieningen die als algemeen gebruikelijk beschouwd kunnen worden (dit is geen uitputtende opsomming):
|
Zie memorie van toelichting Wmo 2015 (kamerstuk 33 841) pag. 148 |
|
|
Zie memorie van toelichting Wmo 2015 (kamerstuk 33 841) pag. 148 |
|
|
Zie memorie van toelichting Wmo 2015 (kamerstuk 33 841) pag. 148 |
|
|
Zie memorie van toelichting Wmo 2015 (kamerstuk 33 841) pag. 148 |
|
|
ECLI:NL:CRVB:2005:AU4217 Schulinck zegt hierover: ‘Het is de vraag of deze jurisprudentie stand zal houden met de meeste recente criteria die de CRVB heeft gesteld aan het algemeen gebruikelijk zijn van een voorziening. Vooral een tandem met hulpmotor is kostbaar en zal dus niet zomaar gedragen kunnen worden met een inkomen op minimumniveau.’ |
|
|
ECLI:NL:CRVB:2010:BN1265 Schulinck zegt hierover: ‘Met de aangescherpte criteria kan de vraag rijzen of een elektrische fiets wel financieel draagbaar is met een inkomen op minimumniveau. De auteurs van Schulinck verwachten dat de CRVB zal oordelen van wel en dat een fiets met trapondersteuning derhalve nog steeds algemeen gebruikelijk zal worden geacht (behalve wanneer het gaat om een fiets met extra zware hulpmotor). Het is afwachten hoe de jurisprudentie zich verder zal gaan ontwikkelen op dit punt.’ |
|
|
Maaltijdservice, mits deze daadwerkelijk beschikbaar is en een passende bijdrage levert |
|
|
Boodschappendienst, mits deze daadwerkelijk beschikbaar is en een passende bijdrage levert. |
|
|
Hierbij werden wel de oude criteria gehanteerd. Omdat de cliënt meer dan met minimumloon verdiende, was de condensdroger algemeen gebruikelijk. |
|
|
In de nieuwsbrief jurisprudentie 2019/14 van Schulinck wordt de uitspraak van de CRVB van 22 mei 2019 over de afwijzing van een douchestoel en het verwijderen van een douchedrempel besproken ( HYPERLINK "https://www.gripopwmo.nl/jurisprudentie/uitspraak-ongekoppeld/162698" CRVB 22-5-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1691). Hierbij gingen we ervan uit dat de CRVB in deze uitspraak de rechtbank Rotterdam en het college volgt in het standpunt dat een losse douchestoel algemeen gebruikelijk is. Inhoudelijk oordeel CRVB ontbreekt Uit nadere bestudering van de uitspraak is echter gebleken dat de CRVB de aangevallen uitspraak weliswaar bevestigt, maar hierbij inhoudelijk niet oordeelt over de vraag of een losse douchestoel algemeen gebruikelijk is. Dit komt doordat de cliënt niet de juiste hoger beroepsgronden heeft ingebracht. De noot is daarom aangepast op dit punt. Zie voor de juiste versie van de noot: CRVB 22-5-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1691. Ongewijzigd is de bespreking of een losse douchestoel voldoet aan de criteria die de CRVB eerder heeft vastgesteld om te kunnen beoordelen of een voorziening algemeen gebruikelijk is. De verwachting van de redactie van Schulinck is dat dit niet zo is. Maar een oordeel van de CRVB hierover ontbreekt dus nog. |
|
|
Kan zonwering onder de compensatieplicht van de Wmo 2015 vallen? Ja, maar alleen als dit noodzakelijk is om de beperkingen van cliënt te compenseren. Er moet dus wel sprake zijn van beperkingen bij het normale gebruik van de woning. Als de zonwering alleen prettiger is, maar niet noodzakelijk, valt deze niet onder de compensatieplicht. Indien blijkt dat er een noodzaak bestaat, betekent dit nog niet dat het college gehouden is een voorziening te verstrekken. Het is namelijk de vraag of de zonwering die noodzakelijk is, algemeen gebruikelijk is. Met het criterium algemeen gebruikelijk wordt volgens de CRVB beoogd te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van betrokken gehandicapte, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij niet gehandicapt was, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRVB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRVB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRVB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). Normale standaard gangbare zonwering (zoals (rol)gordijnen, luxaflex, lamellen e.d.) is in principe algemeen gebruikelijk. Indien dit een compenserende voorziening is, dan hoeft het college niets te verstrekken. Speciale zonwering zal echter niet algemeen gebruikelijk zijn. |
|
Bijlage 3. Normenkader Huishoudelijke ondersteuning
Corsanummer: https://vmapp025.borne.nl/Corsa/web/stdw/saveas.html?objecttype=C&objectid=BB23.0054523bij12640
Huishoudelijke ondersteuning die wordt ingezet onder de raamovereenkomst huishoudelijke ondersteuning vanaf 2024 wordt geïndiceerd volgens het HHM normenkader 2019.
Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019
Met aanvullende instructie 2022
Bureau HHM hielp veel gemeenten bij het aanpassen van de regelgeving en het beleid rond de Huishoudelijke Ondersteuning5 . Dit begon na de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in mei 2016 met empirisch onderzoek naar normtijden en de objectieve en onafhankelijke onderbouwing daarvan, in collegiale samenwerking met KPMG Plexus. De uitkomsten daarvan toetsten we binnen een groot aantal gemeenten aan de lokale situatie om het zo te vertalen naar lokaal beleid.
Hieruit is een normenkader tot stand gekomen dat alle gemeenten kunnen gebruiken bij het toekennen van Huishoudelijke Ondersteuning. In haar uitspraken van december 2018 bevestigde de CRvB dat dit normenkader voldoet aan de eisen die in mei 2016 werden gesteld aan de onderbouwing van normtijden.
Door uit te gaan van een ‘gemiddelde cliëntsituatie’ en de mogelijkheid tot meer of minder inzet om te komen tot ondersteuning op maat van de persoon, gaan wij ervan uit dat dit normenkader in elke gemeente en voor elke cliënt kan worden toegepast. Wij denken dat de kennis over de noodzakelijke inzet van huishoudelijke ondersteuning inmiddels zo is uitgekristalliseerd, dat gemeenten met behulp van deze handreiking zelf de normtijden en de onderbouwing van het beleid rond de Huishoudelijke Ondersteuning kunnen vaststellen.
Aan de hand van 13 vragen geven we inzicht in het algemene normenkader voor Huishoudelijke Ondersteuning en de mogelijkheden voor toepassing daarvan door gemeenten. Wat ons betreft kunnen gemeenten deze handreiking naar hartenlust gebruiken. Bronvermelding wordt op prijs gesteld, net als reacties van gemeenten die deze handreiking gebruikten.
In september 2022 hebben we een ‘aangevulde’ versie van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 uitgebracht. Deze versie is inhoudelijk en wat normtijden betreft volledig gelijk aan de eerste uitgave in 2019. De aanvulling bestaat uit bijlage 1 met aanvullende instructies voor de toepassing van het normenkader die we hebben opgenomen.
De aanvullende instructies zijn tot stand gekomen op basis van de vele tientallen gesprekken die we over de details en instructie van de toepassing van het normenkader hebben gevoerd. Met name tijdens en naar aanleiding van de vele trainingen die we in het veld hebben verzorgd en voorgelegde praktijkcasussen over hoe dit normenkader te gebruiken bij het indiceren.
Met deze aanvullende instructies verandert er niets in het normenkader op zich. Dit blijft onveranderd gebaseerd op dezelfde onderzoeken. De bedoeling en de concrete toepassing ervan hebben we verder verduidelijkt, volledig in lijn met de onderliggende onderzoeken.
NB. Wij hebben geprobeerd deze tekst geheel voor zichzelf te laten spreken, hierbij is geen extern onderzoek of advies noodzakelijk. Heeft u toch vragen, opmerkingen of verbetersuggesties voor deze handreiking, dan horen wij die uiteraard graag: info@hhm.nl | telefoon 053 433 0548
1. Hoe ziet het normenkader eruit?
De volgende pagina geeft het normenkader voor de Huishoudelijke Ondersteuning weer. Per resultaatgebied is uitgewerkt hoeveel professionele inzet nodig is voor de verschillende resultaten in de gemiddelde cliëntsituatie en wat het effect hierop is van verschillende factoren, zodat uiteindelijk wordt gekomen tot ondersteuning op maat van de persoon.
De normtijden zijn in navolgend ‘blokkenschema’ weergegeven in ‘uren/minuten per week’. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de wettelijke plicht om tijdbesteding inzichtelijk te maken voor de cliënt en daarmee diens rechtspositie te bewaken. Maar tegelijk wordt flexibele toepassing naar individuele cliëntsituaties mogelijk, zodat er ruimte is voor het maatwerk dat van week tot week nodig is. Bijlage 2 bevat dit normenkader uitgedrukt in ‘uren per jaar’.
2. Hoe moet ik het normenkader toepassen?
De toegangsmedewerker van de gemeente doet naar aanleiding van de hulpvraag van een cliënt integraal onderzoek. Daarbij onderzoekt de toegangsmedewerker welke ondersteuning de cliënt naar aard en omvang nodig heeft.
Vervolgens onderzoekt deze wat de mogelijkheden zijn vanuit eigen kracht, netwerk of andere voorliggende opties/voorzieningen om invulling te geven aan deze ondersteuningsvraag.
Daaruit volgt welke ondersteuning vanuit de Wmo nodig is, in de vorm van een maatwerkvoorziening voor ondersteuning bij het huishouden.
De toegangsmedewerker gebruikt dit normenkader als hulpmiddel, als leidraad, om te komen tot een professionele afweging over de ondersteuning op maat van de individuele cliënt die nodig is. Dit wordt per subresultaat (schoon en leefbaar huis, wasverzorging, etc.) bekeken en daarna opgeteld tot de totaal te indiceren tijd. Hierbij wordt de situatie van de cliënt vergeleken met de ‘gemiddelde cliëntsituatie’. Dit leidt tot ‘meer’ of ‘minder’ inzet van ondersteuning dan in de gemiddelde cliëntsituatie het geval zou zijn. Het resultaat is dan ondersteuning op maat van de individuele cliënt, die wordt vastgelegd in de indicatie (beschikking).
Het normenkader wordt op de volgende manier geïnterpreteerd:
De professionele hulp maakt, in samenspraak met de cliënt, een planning wanneer welke werkzaamheden worden gedaan. Binnen de gegeven omvang van de indicatie. Zo worden in de tijd uiteindelijk alle activiteiten opgenomen in het ondersteuningsplan uitgevoerd. In bijlage 3 is een overzicht opgenomen van de activiteiten en frequentie van uitvoering hiervan waarop het normenkader is gebaseerd. Dit betreft dan volledige professionele overname van alle werkzaamheden, zonder dat sprake is van bijzonderheden in de cliëntsituatie die minder inzet mogelijk of meer inzet nodig maken.
In het normenkader is naast directe tijd ook indirecte tijd opgenomen. Dit is tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de cliënt en bijvoorbeeld het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen. Deze indirecte tijd is even noodzakelijk als de directe tijd om de beoogde resultaten te behalen.
De totale tijd die wordt geïndiceerd, is te zien als een totaal over het jaar heen voor alle te bereiken resultaten. Uit diverse onderzoeken is gebleken dat deze totaaltijd toereikend is om te doen wat nodig is in de gemiddelde cliëntsituatie (zie vraag 12). Voorwaarde hiervoor is wel dat goed onderzoek wordt gedaan naar de individuele situatie van de cliënt (keukentafelgesprek) om te komen tot een individuele afweging op maat.
Met dit normenkader kan een verantwoord niveau van een schoon, opgeruimd en georganiseerd huishouden worden gerealiseerd. Aandachtspunt is dat persoonlijke opvattingen van cliënten of hulpen soms anders zijn dan waarop dit normenkader is gebaseerd. In deze is dan het normenkader leidend, omdat dit op basis van onderzoek bij en met vele cliënten en in afstemming met diverse deskundigen tot stand is gekomen.
3. Is het normenkader toe te passen in mijn gemeente?
Iedere gemeente kan het normenkader gebruiken door het te verankeren in het beleid. De gemeente bepaalt uiteraard haar eigen beleid ten aanzien van de Huishoudelijke Ondersteuning voor haar inwoners. Dat doet zij op grond van de Wmo 2015. Dit normenkader is gebaseerd op de algemene beleidsuitgangspunten die meerdere gemeenten toepassen (zie bij vraag 4). Als een gemeente hiervan substantieel afwijkt, kan dat tot gevolg hebben dat het normenkader niet meer van toepassing is.
4. Welke uitgangspunten verankeren in het beleid?
Het normenkader is gebaseerd op de navolgende uitgangspunten. Die moeten in het beleid worden vastgelegd. Deze teksten zijn voorbeelden die we in meerdere gemeenten zijn tegengekomen.
Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen.
Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallentevoorkomen.
De mogelijkheid om voor bijzondere situaties af te wijken van het normenkader:
Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding. Als zij minder ondersteuning nodig hebben, dan wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van eigen kracht, gebruikelijke hulp en het netwerk. Als sprake is van voorliggende voorzieningen/oplossingen, dan wordt hiervoor geen Wmo-maatwerkvoorziening inzet.
5. Bekostiging in relatie tot het normenkader?
Voor de bekostiging van de Huishoudelijke Ondersteuning zijn verschillende modellen denkbaar. Die hebben in de kern steeds twee componenten: een ‘p’ (een reëel uurtarief) en een ‘q’ (het aantal uren dat bekostigd wordt). Doorgaans wordt de ‘p’ eenmalig bepaald en periodiek bijgesteld. Over de ‘q’ kunnen verschillende afspraken worden gemaakt, variërend van declaratie van feitelijk geleverde inzet, tot een normatief bepaalde omvang van de ondersteuning, bijvoorbeeld gebaseerd op het gepresenteerde normenkader.
De gemeente is gehouden om voor de maatschappelijke ondersteuning een reëel tarief te betalen. De AMvB ‘Reële Prijs Wmo 2015’ die sinds de zomer van 2017 van kracht is, beschrijft op basis van welke parameters (kostprijsbestanddelen) het tarief tot stand komt. Het begrip ‘reëel’ weerspiegelt daarbij de (goede) prijs- kwaliteitverhouding. Wanneer een tarief ‘reëel’ is, is niet in de AMvB bepaald, dat is en blijft een keuze van de gemeente. Belangrijke toetssteen hierbij is dat het tarief tot stand komt in een transparant proces naar/met de aanbieders en dat het tarief herleidbaar en herkenbaar is.
Op grond van onze ervaringen, denken wij dat de discussie over de juiste parameters van een kostprijsmodel voor Huishoudelijke Ondersteuning en de passende waarden daarbij, inmiddels is uitgekristalliseerd. Ook op dit punt is naar ons inzicht, net als bij normtijden, geen aanvullend onderzoek nodig.
Hierbij ligt het voor de hand om aan te sluiten bij het normenkader en daarmee bij de uren die de cliënt krijgt toegekend. Daardoor ontstaat balans tussen het belang van de aanbieder en dat van de cliënt en is er volstrekte duidelijkheid over de omvang van de inzet en daarmee over de rechtspositie van de inwoner.
6. Wat is het doel van het normenkader?
Met dit normenkader willen we gemeenten helpen om inwoners die dit nodig hebben, passende Huishoudelijke Ondersteuning op maat van de persoon te bieden. Deze handreiking maakt de daarvoor benodigde kennis toegankelijk voor iedereen. Het is een hulpmiddel voor de toegangsmedewerkers om te komen tot een zorgvuldige professionele afweging voor ondersteuning op maat van de individuele cliënt. Gemeenten kunnen met dit normenkader kostenefficiënt komen tot Huishoudelijke Ondersteuning die voldoet aan de eisen die de Centrale Raad in mei 2016 stelde aan de onderbouwing van normtijden.
7. Hoe is hetnormenkader tot stand gekomen?
Gemeenten bieden hun inwoners ondersteuning in de vorm van Huishoudelijke Ondersteuning op grond van de Wmo 2015. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) deed op 18 mei 2016 vier uitspraken waarin zij kritisch was over de keuzes die gemeenten hierbij tot dan toe maakten. Dit had betrekking op de onderbouwing van de omvang van de ondersteuning en op de positie van de inwoner ten opzichte van de professional.
Naar aanleiding van deze uitspraken herzagen veel gemeenten hun beleid. Bureau HHM en KPMG Plexus onderbouwden met onderzoek de benodigde omvang van de ondersteuning. De kern van deze onderzoeken is het uitgangspunt van triangulatie: het grondig onderzoeken van een vraagstuk vanuit meerdere perspectieven. Dit betreft de oordelen van cliënten, expert-oordelen en onderbouwing met data vanuit de uitvoeringspraktijk.
Zowel gezamenlijk als apart hebben beide bureaus een groot aantal gemeenten geadviseerd op basis van deze onderzoeken. Met name het onderzoek dat we hebben uitgevoerd voor de gemeente Utrecht is in veel gemeenten overgenomen als basis voor het eigen beleid.
In meerdere gevallen heeft de rechtbank en uiteindelijk ook de CRvB (10 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3835) het onderzoek dat door bureau HHM en KPMG Plexus is uitgevoerd, beoordeeld als ‘objectief, onafhankelijk en deugdelijk’.
Daarmee voldoet het aan de criteria die eerder door de Raad zijn gesteld. En kan het worden benut voor onderbouwing van de in te zetten omvang van de Huishoudelijke Ondersteuning door een gemeente.
Bureau HHM en KPMG Plexus ontwikkelden in opdracht van verschillende gemeenten een nieuwe actuele maatstaf voor de Huishoudelijk Ondersteuning, passend bij het beleidskader van de betreffende gemeenten6 . Deze gemeenten vullen het resultaatgericht werken ieder op een andere manier in. De kern van de aanpak was steeds de combinatie van tijdbestedingsonderzoek, professionele ervaringen, onafhankelijk experts en cliëntinterviews. Hiermee bepaalden we de benodigde activiteiten, frequentie van uitvoering en de tijdbesteding hieraan die nodig zijn voor het behalen van de resultaten die met de voorzieningen Huishoudelijke Ondersteuning worden beoogd7 .
Voor enkele activiteiten, die in de praktijk zeer weinig voorkomen en die we daarom in de onderzoeken in 2016/2017 niet in voldoende aantallen hebben kunnen onderzoeken, blijven we gebruik maken van de normtijden zoals die in de CIZ- richtlijn uit 2006 zijn opgenomen. Ook omdat de deskundigen in de verschillende expertgroepen hebben aangegeven dat voor deze onderdelen nog steeds sprake is van relevante normtijden vanuit de CIZ-richtlijn. Dit betreft het voeren van de regie over het huishouden, advies/instructie/voorlichting en de verzorging van maaltijden.
In het verlengde van deze onderzoeken hebben wij vanuit HHM in de periode najaar 2016 tot op heden voor enkele tientallen gemeenten/regio’s de uitkomsten in de lokale praktijk getoetst. Op basis van het onderzoek in meerdere gemeenten en toetsing van de uitkomsten in een groot aantal andere gemeenten en regio’s, concluderen wij dat de tijdnormen die we in deze handreiking beschrijven, breed toepasbaar zijn en daarmee de CIZ-richtlijn uit 2006 op die onderdelen kunnen vervangen.
8. Houdt dit stand bij bezwaar en beroep?
Als gemeenten de in deze handreiking gepresenteerde norm voor de toekenning van huishoudelijke hulp onder de Wmo 2015 onverkort overnemen en verankeren in hun beleid, verwachten wij dat dit juridisch stand zal houden in geval van bezwaarzaken. Bureau HHM biedt geen definitieve juridische zekerheid, daarvoor kunnen individuele zaken te veel onvoorziene omstandigheden bevatten. Bureau HHM kan op generlei wijze aansprakelijk worden gesteld door de gebruiker van deze norm c.q. deze handreiking.
9. Is lokaal aanvullend onderzoek nodig?
Ten behoeve van het toetsen van uitkomsten van de elders uitgevoerde onderzoeken voor een bepaalde gemeente, analyseerden wij steeds eerst het lokale beleid. Dat is vertaald naar de uitkomsten van het onderzoek elders. Die uitkomsten toetsten we vervolgens bij lokale stakeholders. Soms met onafhankelijke experts, soms met vertegenwoordigers van cliënten en cliëntenorganisaties en steeds met professionals die de lokale praktijk van Huishoudelijke Ondersteuning goed kennen. Zo ontwikkelden we onafhankelijke lokale normenkaders, zonder aanvullend empirisch onderzoek te doen. Voortschrijdend inzicht heeft ertoe geleid dat we in het normenkader 108 uur op jaarbasis presenteren in plaats van de 105 uur op jaarbasis die is gevonden in het allereerste onderzoek in Utrecht. Daarbij bleek steeds dat de cijfermatige basis van de uitgevoerde onderzoeken kon worden gebruikt om te komen tot een normenkader dat specifiek is afgestemd op de lokale beleidskeuzes van die gemeente. Er is veelal wel sprake van enige verschillen in het beleid tussen gemeenten. Reden daarvan is dat het normenkader ruimte biedt voor individuele verschillen.
Gemeenten kunnen dit normenkader overnemen als het aansluit op het lokale beleid. Aanvullend onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Het verdient echter wel aanbeveling dat zowel beleid als normenkader worden besproken met lokale stakeholders. Daarmee ontstaat draagvlak voor de toepassing ervan en kunnen eventueel lokale factoren worden onderkend die van belang zijn bij de toepassing van het normenkader voor deze gemeente.
10. Kan ik het normenkader toepassen per jaar?
Ja, dat kan. Bij vraag 2 presenteerden wij het normenkader uitgedrukt in uren en minuten per week. Gemeenten kunnen kiezen om een andere tijdseenheid te hanteren (zoals uren per maand, kwartaal of jaar). Bijlage 2 bevat het normenkader in een tabel op basis van uren per jaar. Iedereen kan met deze informatie het normenkader ook terugrekenen naar elke andere denkbare variant. Daarbij moet echter wel worden bedacht dat door afrondingverschillen kunnen ontstaan. Een normenkader uitgedrukt in decimalen lijkt ons niet wenselijk. Daarom zijn beide tabellen afgerond op hele uren of minuten per week of per jaar. Wij adviseren te rekenen vanuit de tabel in ‘minuten per week’. Indien bij doorrekenen naar andere eenheden decimalen ontstaan, is ons advies om steeds naar boven af te ronden. Daarmee wordt een eventuele marge in het voordeel van de inwoner toegepast.
11. Kan ik losse onderdelen uit het normenkader gebruiken?
Dit kan alleen als gedoeld wordt op de verschillende resultaatgebieden uit de Huishoudelijke Ondersteuning. Alle activiteiten en beïnvloedende factoren zijn per resultaatgebied gebundeld onderzocht. Zij vormen een logisch en samenhangend geheel. Dus een gemeente kan ervoor kiezen om alleen het normenkader voor ‘schoon en leefbaar huis’ over te nemen, zonder het kader voor het resultaat ‘wasverzorging’. Bijvoorbeeld omdat hiervoor een algemene voorziening is ingericht. Dit kan wanneer deze keuze in het beleid is verankerd. Voor alle onderdelen van het normenkader moet de gemeente op een of andere wijze in mogelijkheden van ondersteuning voorzien voor inwoners die dit nodig hebben, als er geen andere voorliggende oplossingen zijn.
In dit normenkader presenteren we totaaltijden. Die zijn bepaald op grond van de triangulatie-aanpak die we eerder hebben benoemd. In de onderliggende onderzoeken zijn ook onderzoektijden per activiteit uitgewerkt. Het gebruik van tijden per activiteit (stofzuigen woonkamer, dweilen gang, nat afnemen, etc.) als los te indiceren onderdelen raden wij af. Dit betreft onderzoektijden die samengevoegd leiden tot een passende omvang van ondersteuning op maat voor de cliënt. Hierbij is dus ook sprake van middeling van tijden. Individuele situaties verschillen altijd wat van elkaar, dit maakt in dit normenkader dat het grote geheel zeker klopt, maar er is geen sprake van ‘instructietijden of uitvoeringsnormen per activiteit’. Het zijn de totaaltijden die de toegangsmedewerker helpen om te komen tot passende ondersteuning op maat waarmee de gestelde doelen als geheel kunnen worden gerealiseerd.
12. Is het normenkader voor elke cliënt op maat?
Het vertrekpunt bij het ontwikkelen van dit normenkader was ‘hoe veel tijd is nodig voor volledige professionele overname van het huishouden bij een gemiddelde cliëntsituatie’. Deze gemiddelde cliëntsituatie dienst als ijkpunt, waaraan cliënten worden gespiegeld. Het normenkader geeft richtlijnen voor het maken van een afweging door de toegangsmedewerker, die leidt tot ondersteuning op maat van de individuele cliënt.
Door de vele individuele casuïstiek die we in de verschillende onderzoeken hebben gezien, hebben we een scherp beeld van de ‘gemiddelde cliëntsituatie’ waar huishoudelijke hulp wordt geboden. Op basis van deze gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter en wordt voorkomen dat op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. De gemiddelde cliëntsituatie is als volgt omschreven:
Cliënten passen zeker niet altijd precies in deze omschrijving van ‘de gemiddelde cliëntsituatie’. Er is sprake van invloedsfactoren die minder of juist meer ondersteuning nodig maken (eigen kracht e.d. versus vaker of beter moeten schoonmaken). Door een zorgvuldige afweging te maken hiervan voor iedere cliënt, komt de toegangsmedewerker tot individuele ondersteuning op maat (maatwerk). De volgende invloedsfactoren maken dat inzet van minder ondersteuningstijd mogelijk is of inzet van meer ondersteuningstijd nodig is.
Mogelijkheden cliënt zelf: de fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.
Beperkingen en belemmeringen van de cliënt, die gevolgen hebben voor de benodigde inzet. De hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is, is leidend, niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:
Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers: de hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk is omdat een deel activiteiten door niet-professionals wordt gedaan.
Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp8 ).
De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk, gebruikelijke hulp). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is.
Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de cliënt moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente/samenleving komen.
Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden.
Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.
N.B. Er zijn cliëntsituaties denkbaar die niet passen in het normenkader. Deze zijn zo uitzonderlijk dat hiervoor geen algemene normstelling mogelijk is. Wij adviseren daarom in de toegang in gezamenlijk overleg te bepalen welke ondersteuningsbehoefte er in deze cliëntsituaties is. Dit normenkader kan daarbij veelal wel ondersteunend zijn.
13. Is ‘x’ minuten voor ‘dweilen’ wel voldoende?
In dit normenkader presenteren we totaaltijden voor verschillende onderdelen. Deze zijn bepaald op grond van de triangulatie-aanpak die we eerder hebben benoemd bij vraag 7. In de onderzoeken die ten grondslag liggen aan dit normenkader zijn ook onderzoektijden per activiteit uitgewerkt. Het gebruik van tijden per activiteit (stofzuigen woonkamer, dweilen gang, nat afnemen, etc.) als los te indiceren onderdelen raden wij af. Dit betreft onderzoektijden die samengevoegd leiden tot een passende omvang van ondersteuning op maat voor de cliënt. Hierbij is dus ook sprake van middeling van tijden. Individuele situaties verschillen altijd wat van elkaar. Dit maakt in dit normenkader dat het grote geheel zeker klopt, maar er is geen sprake van ‘instructietijden of uitvoeringsnormen per activiteit’. Het zijn de totaaltijden die de toegangsmedewerker helpen om te komen tot passende ondersteuning op maat waarmee de gestelde doelen als geheel kunnen worden gerealiseerd.
Bijlage 1. Aanvullendeinstructie toepassing Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019
In deze bijlage hebben we nadere instructies uitgewerkt voor het toepassen van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019.
Deze instructies zijn uitgewerkt op basis van:
Tijdens de trainingen over het normenkader voor gemeenten/de Wmo- consulenten geven we de instructies uit deze bijlage mondeling al mee.
Deze instructies zijn te zien als een inhoudelijke verrijking of inkleuring van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019.
Deze instructies hebben geen invloed op de tijdnormen uit het normenkader, de eerder uitgevoerde onderliggende onderzoeken vormen hiervoor de basis.
1. Minder inzet dan volledige overname/afschalen
We krijgen regelmatig vragen over het ‘afschalen’ of ‘minderen’ ten opzichte van de in de norm aangegeven minuten per week in geval van volledige overname. De vragen die worden gesteld, gaan over waarop dit ‘afschalen’ is gebaseerd en of het mogelijk is om verder af te schalen dan de 10, 15 of 17 minuten die in het normenkader staan benoemd.
Dat betreft meestal schoonmaken op middenniveau (afstoffen en nat afnemen) en algemeen opruimen. Het afstoffen op middenniveau is dus zonder bukken of klimmen/reiken. Dit hebben we in het normenkader ‘licht HbH’ genoemd. Zonder ons toen te realiseren dat dit een andere invulling kent dat het ‘licht HbH’ in de CIZ-richtlijn 2006. Daarin omvat ‘licht HbH’ meer activiteiten en staat dan ook voor 30 minuten.
Als de cliënt nog duidelijk meer kan doen en ook werkelijk duurzaam doet dan afstoffen op middenniveau, bijvoorbeeld t.a.v. het sanitair schoonmaken of de keuken of stofzuigen, dan kan zeker nog één of zelfs twee maal extra mindering met 15 minuten plaatsvinden. Mits dit duidelijk wordt toegelicht/gemotiveerd.
Bovenop of in plaats van de mindering vanwege de mogelijkheden van de cliënt zelf, kan ook nog aftrek plaatsvinden vanwege ondersteuning vanuit het netwerk of door inwonende personen op basis van het beleid gebruikelijke hulp. Dit kan 15 minuten zijn, maar dit kan ook meer dan 15 minuten zijn. Vaak is dat dan vanwege gebruikelijke hulp.
2. Enige extra inzet of veel extra inzet (30 of 60 minuten)
Wanneer moet ik enige extra inzet of juist veel extra inzet indiceren? Dit gaat over situaties waarin door beperkingen of belemmeringen van de cliënt extra goed of extra vaak moet worden schoongemaakt.
We zien dit in de volgendesituaties:
3. Kamer wel/niet in gebruik (als slaapkamer!)
Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer ‘wel of niet in gebruik’ is. Maar wanneer moeten we als gemeente een kamer aanmerken als ‘in gebruik’ en wanneer als ‘niet in gebruik’?
Als een extra kamer daadwerkelijk als slaapkamer in gebruik is, dan vergt dat 18 minuten per week zoals genoemd in het normenkader (bijv. voor een stel dat altijd apart slaapt, twee mensen -geen stel- die samen een huis bewonen, een kind, mits geen gebruikelijke hulp mogelijk is: betekent zelf schoonmaken door het kind), et cetera.
Voor de niet-slaapkamers indiceer je 5 minuten per week. Dat is in principe onafhankelijk waar deze andere kamer voor wordt gebruikt. Van leeg tot logeerkamer tot strijkkamer tot computerkamer etc.
Want: met 20 minuten per maand heeft de hulp genoeg tijd om die kamer een keer te kunnen stoffen en stofzuigen e.d. en blijft deze acceptabel schoon. Toegangsmedewerkers kunnen op basis van hun professionele oordeel in een uitzonderlijke situatie zo nodig een uitzonderlijke beslissing nemen en toch 18 minuten toekennen.
Een logeerkamer die (zeer) incidenteel wordt beslapen: die kan in principe door de logee weer schoon worden opgeleverd. Of door de ouders van het kleinkind dat komt logeren. Het is niet aan de gemeente om dit soort zaken altijd te moeten oplossen. In principe blijft dan de genoemde 5 minuten per week (20 minuten per maand) toereikend om die kamer voldoende schoon te houden.
Ook hier geldt weer: uitzonderingen daargelaten, zoals bijvoorbeeld: twee kleinkinderen logeren enkele dagen per week bij opa en oma om het gezin te ontlasten waar al jeugdzorg in zit: dan is HO inzetten een betere optie dan meer jeugdzorg inzetten.
4. Wanneer ruimtes wel of niet als ‘extra kamer’ aanmerken
Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer wel of niet in gebruik is als slaapkamer. Maar wanneer merk je een extra ruimte nu ook aan als extra kamer? Hier kan sprake zijn van interpretatieverschillen, vooral als het meer om een ‘overige ruimte’ gaat en nietzozeer een extra kamer.
Grote bijkeuken: een bijkeuken is in principe onderdeel van ‘de keuken’. Het kan natuurlijk voorkomen dat sprake is van een serieus grote keuken in combinatie met een serieus grote bijkeuken: dan kan opplussen op basis van ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’ of op basis van de factor ‘omvang van de woning’ aan de orde zijn. Dat kan spelen als de hele woning duidelijk bovengemiddeld groot is.
5. Samenstelling huishouden (= eigen kracht + gebruikelijke hulp)
In het normenkader is de mogelijkheid benoemt om extra tijd toe te kennen op grond van de ‘samenstelling van het huishouden”. Hiervoor hanteren we een aanvullende instructie, gebaseerd op de uitgangs- punten van eigen kracht en het beleid gebruikelijke hulp van de
6. Huisdieren (die extra inzet van ondersteuning noodzakelijk maken)
Omdat huisdieren een extra bron van vervuiling kunnen zijn binnen een huishouden, kan het nodig zijn vanwege de noodzaak van extra vaak of extra goed schoonmaken 15 minuten extra ondersteuningstijd toe te kennen.
Er zijn gemeenten die uitsluiten dat er extra ondersteuningstijd nodig kan zijn vanwege de aanwezigheid van huisdieren, omdat dit een ‘eigen keuze van de cliënt’ is. Andere gemeenten zien juist de belangrijke rol die huisdieren in het leven van mensen kunnen hebben en komen hier zo nodig in tegemoet als dit nodig is.
Als sprake is van keuzen van de cliënt die boven het ‘gewone’ uitstijgen, dan is gesprek nodig over wat aan de cliënt zelf is en wat aan de gemeente/samenleving is.
Ofwel: als de cliënt ervoor kiest meer vervuiling te laten ontstaan door huisdieren dan als algemeen redelijk is aan te merken, dan wordt dat vervolgens niet door de gemeente opgelost.
Want: in het beleid van de gemeente staat dat de cliënt is gehouden om niet meer ondersteuning te vragen of noodzakelijk te maken dan in redelijkheid nodig is.
Voorbeelden: meerdere honden die vrij door het hele huis mogen lopen of losvliegende vogels die veel troep maken. Cliënten met COPD die binnen roken en binnen 20 parkieten houden en vervolgens om extra vaak schoonmaak vragen.
In dezelfde lijn: cliënten met zware allergie of COPD, die weigeren de woning te saneren, maar wel extra ondersteuning vragen.
7. Overige kenmerken van de woning: omvang, bewerkelijkheid, inrichting
Op basis van het normenkader is het mogelijk om 15 minuten extra ondersteuningstijd toe te kennen op basis van ‘overigekenmerken’.
Wat zijn deze overigekenmerken?
8. Strijken en boodschappen (meestal voorliggend op te lossen)
De afgelopen jaren zijn er diverse ontwikkelingen geweest rondom strijken en boodschappen. Deze hebben invloed op het indiceren van hulp bij het huishouden:
9. Regie en organisatie; Advies-instructie-voorlichting
Het kan zijn dat een cliënt niet meer zelf (volledig) de regie kan voeren over het huishouden. Als het zo is dat een hulp daardoor aantoonbaar extra werkzaamheden moet doen of bijvoorbeeld door het gedrag van de cliënt extra tijd nodig heeft, dan kun je hiervoor 30 minuten per week structureel extra indiceren. Van hulpen mag worden verwacht dat deze zelfstandig hun werkzaamheden kunnen plannen. Het gegeven dat een cliënt de hulp niet kan instrueren, betekent dus niet automatisch inzet van extra ondersteuningstijd. Er moet wel sprake zijn van extra werk.
Advies-instructie-voorlichting heeft betrekking op het, op tijdelijke basis, aanleren van praktisch vaardigheden in het huishouden aan een cliënt. Bijvoorbeeld als een partner net is weggevallen en een cliënt zelf wil kunnen bijdragen aan het huishouden, het schoonmaken, het leren koken van enkele basis-maaltijden, et cetera. Soms is het dan praktisch hiervoor aan de dan in het algemeen al langere tijd vertrouwde huis- houdelijke hulp voor een aantal weken extra tijd toe te kennen. Dit is dus altijd tijdelijk en is te onderscheiden van de inzet van Wmo-begeleiding.
10. Algemeen (activiteiten en -onderzoektijden)
Het normenkader is gebaseerd op uitgebreid onderzoek, waarin we ook gemiddelde tijden in kaart hebben gebracht van de verschillende activiteiten.
In het algemeen is het advies: indiceer niet gedetailleerd in minuten op activiteitniveau. Deze zijn in het Normenkader ook niet opgenomen.
Uiteraard staan deze wel in de onderliggende onderzoeksrapporten, zoals dat van Utrecht. Waarom dan niet per activiteit een tijd indiceren?
Ten eerste: de tijden per activiteit in deze onderzoekrapporten zijn gemiddelde onderzoektijden over een grote situaties waarin tijd is gemeten. Dit zijn zeker géén instructietijden op activiteitenniveau. Door de verschillende activiteiten en tijden bij elkaar op te tellen, hebben we een totaaltijd verkregen. Deze totaaltijd is toereikend om het resultaat te schoon en leefbaar huis te behalen in veel verschillende situaties. Maar de uitvoeringstijd per activiteit varieert altijd per individuele situatie. En dat is prima, dat is de praktijk, maar de totaaltijd als geheel is uiteindelijk toereikend.
Een optie is om te werken met een totaaltijd in uren per jaar: dan kun je meer flexibiliteit bieden aan aanbieder en cliënt om bijvoorbeeld in de zomer wat te minderen en een grote schoonmaak in het voorjaar in te bouwen of mee te bewegen met een variabele gezondheidstoestand van de cliënt. Dit is een nu (nog) niet algemeen gebruikelijke keuze.
Het kan wel handig zijn voor consulenten als zij een lijst met activiteiten en frequenties met de cliënt kunnen bespreken, zoals deze in de bijlagen van het Normenkader staan. Zodat er aan verwachtingenmanagement kan worden gedaan, omdat de cliënt een beeld krijgt van welke activiteiten nodig zijn voor het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ en welke frequentie gemiddeld genomen verwacht mag worden.
Puur om een idee te hebben van de orde van grootte, kunnen de consulenten de onderzoektijden uit het rapport van Utrecht een keer bekijken. We raden niet aan dit op cliëntniveau te doen, laat staan dit samen met de cliënt te doen.
11. Afronding van de indicatie (op 5 minuten of per kwartier)
Bij het indiceren komen consulenten soms op een ‘bijzonder’ aantal minuten. Hoe ronden we dan af?
Afronding van de indicatie kan het beste per 5 minuten of per kwartier. Het is verstandig hierover met de aanbieders te overleggen. We horen frequent dat wordt gekozen voor afronding per 5 minuten, op kwartierniveau afronden is zeker ook een optie.
Spreek goed af hoe je de afronding met elkaar wilt doen. Indiceer niet op de minuut nauwkeurig, zoals ‘2 uur en 23 minuten’. Het normenkader is niet bedoeld om met zo’n precisie te kunnen indiceren en dit veroorzaakt verwarring bij cliënten.
Gemeenten die het normenkader gaan gebruiken, maken verschillende keuzen ten aanzien van het herindiceren van cliënten.
Veel gemeenten kiezen bij invoeren van het normenkader voor geleidelijk herindiceren, bij afloop van indicaties. Er zijn ook gemeenten die kiezen voor volledige herindicatie of gedeeltelijke herindicatie van met name de (heel) hoge indicaties. Herindicaties vergen optimale zorgvuldigheid, zeker als lopende indicaties vanwege nieuw beleid worden herzien.
Bij een herindicatie constateert de cliënt vaak dat diens situatie de afgelopen jaren achteruit is gegaan, maar dat de indicatie nu plots omlaag gaat. Dit roept dan vragen op bij de cliënt.
Mogelijke reactie 1: ‘het klopt dat uw situatie achteruit is gegaan, dat begrijpen wij. Maar uw woning raakt daardoor niet meer vervuild dan voorheen. Daarom is geen extra inzet van HO nodig.’ (als dit het geval is uiteraard. En als er geen gevolgen zijn vanwege vermindering van eigen kracht).
Mogelijke reactie 2: ‘de gemeente hanteert nieuw beleid, met een actueel en algemeen geaccepteerd normenkader voor het indiceren van HO. Met dit normenkader indiceren wij ‘zinnig en zuinig’, in overeenstemming met hedendaagse normen en opvattingen over het huishouden en wat we als schoon en leefbaar aanmerken. We begrijpen dat het verlagen van uw indicatie vervelend is. Wij houden contact met u en met uw aanbieder om in de gaten te houden of het met deze nieuwe indicatie lukt om uw woning schoon en leefbaar te houden.’
Dit alles laat onverlet: als de situatie van de cliënt het noodzakelijk maakt juist meer te indiceren, dan moet dat uiteraard ook gebeuren.
Ook mogelijk en soms noodzakelijk: bij herindicaties van grote indicaties vooraf met de aanbieder (en de huishoudelijke hulp) afstemmen over wat nu echt nodig is bij deze cliënten. En wat de hulp dan nu allemaal doet in de 5-6-7 uur die zij heeft. En of dat allemaal wel de bedoeling is vanuit de Wmo en of dit in lijn is met het beleid en de inzichten bij de gemeente en de aanbieder. Een indicatie met veel uren is in voorkomende gevallen ook gewoon heel hard nodig, dus zorgvuldigheid is vereist.
Bijlage 2. Normenkaderin uren per jaar
Bijlage 3. Normenkader:activiteiten en frequenties
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|||
|
|
|
|
|||
|
||||||
|
||||||
|
||||||
|
|
|||||
Tabel 1. Activiteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis.
Tabel 2. Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (basisactiviteiten).
Tabel 3. Frequentie benodigd voor een schoon en leefbaar huis (incidentele activiteiten).
Tabel 4. Activiteiten en frequenties benodigd voor de wasverzorging
* In een tweepersoonshuishouden wordt uitgegaan van een frequentie van 5x per 2 weken voor de was, in een eenpersoonshuishouden is dat 2x per week.
Tabel 5. Activiteiten en frequenties benodigd voor de boodschappen
Tabel 6. Activiteiten en frequenties benodigd voor de maaltijden
* Of minder als de cliënt hierin een deel van de week zelf of met behulp van het netwerk kan voorzien.
|
Afstemming/sociaal contact (aankomst, vertrek, administratie, contact met cliënt) |
Tabel 7. Activiteiten voor verzorgen van minderjarige kinderen
Tabel 8. Activiteiten voor advies, instructie en voorlichting
Bijlage 4. Nadere regels Aanvullend Openbaar Vervoer
De gemeente Borne gaat een contract aan met een taxivervoerder voor de uitvoering van het Aanvullend Openbaar Vervoer. Dit AOV kent een tweetal vormen:
Inwoners die zelf in de vervoersbehoefte kunnen voorzien kunnen ook gebruik maken van het AOV. Zij betalen de werkelijke kosten aan de vervoerder. Deze kosten zijn inclusief 9% BTW.
De kosten mogen jaarlijks per 1 januari geïndexeerd worden met de NEA prijsindex behorende bij dat jaar.
Per reis betaalt de reiziger eenmalig het opstaptarief, vervolgens wordt per werkelijk gereden kilometer het kilometertarief in rekening gebracht. Omdat het AOV een collectieve vervoersoplossing is, kan de vervoerder andere reizigers ophalen waardoor het aantal af te leggen kilometers hoger is dan wanneer de vervoerder de kortste route heeft gekozen. De vervoerder dient bij boeking van de rit kenbaar te maken hoe hoog de eigen bijdrage van de reiziger is en op welke wijze de reiziger deze kosten dient te voldoen.
Hulp-op-maat wordt verstrekt op grond van de Wmo2015. De inwoner heeft een beperking, chronisch psychische of psychosociaal probleem. De inwoner kan hierdoor niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met personen uit het sociale netwerk meedoen in de samenleving. Deze inwoner kan in aanmerking komen voor een kortingsregeling op het Aanvullend Openbaar Vervoer.
Deze kortingsregeling houdt in dat de inwoner de werkelijke kosten voor het Openbaar Vervoer betaalt. Dit zijn de kosten die jaarlijks vastgesteld worden door de Provincie Overijssel voor het reizen met bus. Dit is gelijk aan de kosten die een inwoner die geen compensatie nodig heeft betaald voor het reizen met het openbaar vervoer. Hierdoor wordt de inwoner met een beperking in staat geacht deel te kunnen nemen aan de samenleving zoals inwoners zonder beperking ook deel kunnen nemen aan de samenleving.
De Hulp-op-maat voor het Aanvullend Openbaar Vervoer maakt geen onderdeel uit van het abonnementstarief. Dit omdat er geen sprake is van een duurzame hulpverlenersrelatie en inwoners ook incidenteel gebruik kunnen maken van het vervoer.
Per reis betaalt de reiziger eenmalig het opstaptarief, vervolgens wordt per werkelijk gereden kilometer het kilometertarief in rekening gebracht. Deze tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Omdat het AOV een collectieve vervoersoplossing is kan de vervoerder andere reizigers ophalen waardoor het aantal af te leggen kilometers hoger is dan wanneer de vervoerder de kortste route heeft gekozen. De vervoerder dient bij boeking van de rit kenbaar te maken hoe hoog de eigen bijdrage van de reiziger is en op welke wijze de reiziger deze kosten dient te voldoen.
De inwoner wordt in staat gesteld om maximaal 1500 kilometer per jaar tegen het kortingstarief te reizen. De gemeente kan hierin uitzondering maken bijvoorbeeld voor reizigers die (bijna) dagelijks gebruik maken van een dagbesteding buiten de grenzen van de gemeente Borne en door het bezoek aan de wmo-zorgaanbieder meer kilometers per jaar reizen dan de vastgestelde 1500 kilometers. In die situatie wordt maatwerk geboden.
Indien de reiziger meer kilometers wil reizen dan het vastgestelde maximum, worden de werkelijke kosten van het AOV in rekening gebracht bij de reiziger. Ook kan de consulent een uitzondering maken voor inwoners die tijdelijk niet binnen de gemeente Borne verblijven. Voor deze inwoners kan in de nadere opdracht opgenomen worden dat de reis niet in de gemeente Borne start, noch eindigt. De reis moet wel binnen de regio Twente worden gereden.
Indien de inwoner niet zonder begeleider kan reizen en de gemeente Borne deze begeleiding tijdens het vervoer noodzakelijk acht, dan kan de gemeente Borne voor deze begeleider een maximaal aantal te reizen kilometers indiceren. De vervoeder krijgt een nadere opdracht waarin staat welke reiskosten voor de begeleider bij de gemeente Borne in rekening mogen worden gebracht.
Indien de gemeente Borne geen indicatie geeft voor het samen reizen met een begeleider. Dan dient de begeleider de reguliere kosten voor het AOV te betalen en vindt hiervoor geen vergoeding plaats vanuit de gemeente Borne.
Een indicatie wordt afgegeven met de maximale geldigheidsduur van 5 jaar. Na deze periode vindt heronderzoek plaats.
Bijlage 5. Nadere regels Verlengde zorg (vervoer door zorgaanbieder)
De gemeente Borne vergoedt de kosten voor het vervoer als dit vervoer onderdeel uitmaakt van de jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning en het voor de inwoner noodzakelijk is dat dit aansluitend een onlosmakelijk onderdeel is van de te bieden ondersteuning. Deze verlengde zorg wordt ingekocht bij zorgaanbieders. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het organiseren van dit vervoer met eigen middelen en personeel. Het is niet toegestaan om hiervoor een taxibedrijf in te huren. Wanneer de inwoner met taxi vervoerd kan worden, dan is er geen sprake van verlengde zorg en zal het door de gemeente ingekochte taxivervoer worden ingezet. Dit geldt ook wanneer een reiziger met taxi vervoerd kan worden, en hierbij extra begeleiding nodig heeft vanuit de zorgaanbieder dan kan de gemeente overgaan tot het vergoeden van de (reis)kosten van de begeleider.
De zorgaanbieder ontvangt aanvullend op het bedrag wat zij ontvangt voor de geïndiceerde jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning een bedrag per reiziger per enkele reis. De aanbieder krijgt een vast bedrag per rit.
De aanbieder krijgt voor een enkele reis een bedrag vergoed.
Vanaf 2021 wordt dit bedrag geïndexeerd volgens het contract voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.
De wijze waarop de aanbieder het vervoer organiseert staat vrij. De veiligheid van de reiziger moet worden gewaarborgd en er moet worden voldaan aan alle wettelijke verplichtingen, waaronder ook het veilig vastzetten van een inwoner die in een rolstoel zit tijdens het vervoer.
Indien de aanbieder de verlengde zorg kan en wil uitvoeren voor de gemeente Borne dient de aanbieder hiervoor een addendum op de overeenkomst te ondertekenen en terug te sturen naar de gemeente Borne.
Bijlage 6. Uitwerking kenmerken begeleiding individueel basis en plus
Bijlage 7. Uitwerking kenmerken dagbesteding individueel basis en plus
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-546264.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.