Gemeenteblad van Rijswijk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijswijk | Gemeenteblad 2024, 544599 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijswijk | Gemeenteblad 2024, 544599 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Rijswijk 2025
De raad van de gemeente Rijswijk;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van datum 12 november 2024 gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met derde lid, en zesde lid, 2.1.4a eerste, tweede en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 3.8, tweede lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wet;
gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein van datum 28 oktober 2024,
het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang;
Artikel 1. Definitiebepalingen
Aanvullend wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:
ondersteuningsplan: schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek door de wmo-consulent als bedoeld in artikel 2.3.2, lid 8, van de wet. Hierin wordt onder meer beschreven welke problemen iemand ondervindt op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang en op welke manier gekomen kan worden tot verbetering;
HOOFDSTUK 3. AANVRAAG MAATWERKVOORZIENING
Op initiatief van de gemeente en met toestemming van de inwoner kan tijdens de aanvraagfase de verkorte procedure worden toegepast. Een inwoner die een aanvraag doet op basis van de wet heeft dan naast de schriftelijke en elektronische mogelijkheid, de mogelijkheid om de aanvraag telefonisch in te dienen.
Een inwoner komt voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet voldoende zelfredzaam is of in staat tot participatie, in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de inwoner de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:
Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft (moeten) verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de inwoner de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:
Artikel 7. Voorwaarden en weigeringsgronden
Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
als de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór de datum van het besluit op de aanvraag heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;
als de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van de wet en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen of de inwoner de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt;
Geen woonvoorziening wordt verstrekt:
als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en (her)inrichting worden verstrekt;
Het college verstrekt de voorzieningen opvang en beschermd wonen volgens het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Den Haag, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van deze centrumgemeente.
Artikel 8. Financiële tegemoetkoming
Een inwoner komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming als dit een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie en het om één van de volgende voorzieningen gaat:
de kosten voor vervoer per eigen auto, als dit vervoer niet algemeen gebruikelijk is en inwoner geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. De hoogte is gebaseerd op de vastgestelde variabele kosten van het Nibud voor een middenklasse auto. Het uitgangspunt is dat de inwoner 1500 km per jaar binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen reizen. Het college legt de hoogte vast in de beschikking.
Artikel 11. Regels voor een pgb
Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6. lid 2 van de wet opgenomen voorwaarden. De inwoner dient daarvoor een budgetplan in. In het budgetplan is in elk geval opgenomen:
Artikel 12. Onderscheid formele en informele hulp
Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de inwoner:
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
HOOFDSTUK 4. BIJDRAGE IN DE KOSTEN
Artikel 15. Hoogte bijdrage in de kosten
Voor de algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen die genoemd worden in artikel 14 lid 1 en lid 2 onder b, c en d, bedraagt de hoogte van de bijdrage voor een of meerdere voorzieningen samen het bedrag genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 van de wet, per maand voor de ongehuwde inwoner of de gehuwde inwoner en diens echtgeno(o)t(e) samen.
De hoogte van de bijdrage voor het gebruik van de Regiotaxi bedraagt een opstaptarief plus een tarief per gereden kilometer. Het opstaptarief en het tarief per gereden kilometer worden door de Metropoolregio Rotterdam Den Haag jaarlijks vastgesteld. De hoogte hiervan wordt in nadere regels vastgelegd.
HOOFDSTUK 5. BESTRIJDING MISBRUIK
Artikel 16. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening
Het college informeert inwoners of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over hoe zij aan het college mededeling moeten doen van feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.
HOOFDSTUK 6: KWALITEIT EN VEILIGHEID
Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
HOOFDSTUK 8. CALAMITEITEN, KLACHTEN EN MEDENZEGGENSCHAP
Artikel 21. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthouder aan. Het in dit artikel benoemde toezicht is door de gemeente regionaal geregeld via de GGD Haaglanden. Het staat los van het in hoofdstuk 5 geregelde rechtmatigheidstoezicht ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van voorzieningen, al zijn er uiteraard wel raakvlakken en wordt er onderling samengewerkt.
Artikel 24. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Het college stelt ingezetenen, in de vorm van de Adviesraad Sociaal Domein, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
HOOFDSTUK 9. OVERIGE BEPALINGEN
Het college onderzoekt jaarlijks hoe de inwoners de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning ervaren.
Aldus besloten in de openbare vergadering van 17 december 2024
De raad van de gemeente Rijswijk,
de voorzitter,
de griffier,
TOELICHTING OP DE VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING RIJSWIJK 2025
Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: wet). De wet heeft het gemeentebestuur de opdracht gegeven om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning alsmede de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Het begrip maatschappelijke ondersteuning is uiteengezet in 3 hoofdelementen waarop van het gemeentebestuur inzet wordt verwacht:
De gemeenteraad stelt in dat kader periodiek een plan vast met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid ten aanzien van maatschappelijke ondersteuning. Het plan is erop gericht dat:
De wet schrijft voor dat gemeenten bij verordening regels moeten vaststellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het beleidsplan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen (artikel 2.1.3 lid 1 wet).
Om vast te stellen of iemand aanspraak kan maken op maatschappelijke ondersteuning, moet er steeds een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen worden om:
te achterhalen welk oplossingen de inwoner zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, een beroep op andere wetten en algemeen gebruikelijke voorzieningen;
De wet en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Als de procedure goed wordt uitgevoerd, moet deze steeds tot een juiste beslissing leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.
Als de inwoner van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, of de gemeente het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op zorgvuldige wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie, zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven en de wijze waarop zij zich kunnen handhaven in de samenleving.
De wet en deze verordening bepalen dat veel zaken door het college gedaan worden. In de praktijk worden deze zaken niet door het college zelf gedaan, maar (in mandaat) door deskundige ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Zij doen dit namens het college. Het college kan taken die in de wet en verordening aan haar worden opgedragen, mandateren aan ondergeschikten of niet-ondergeschikten op grond van de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de inwoner (ten aanzien van een voorziening) mandateren aan een aanbieder. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.
Toelichting - Artikelsgewijs deel
In hoofdstuk 1 worden een aantal begrippen die worden gebruikt in deze verordening naders toegelicht.
Artikel 1. Definitiebepalingen
Lid 1: Deze bepaling spreekt voor zich.
Lid 2 onder a. algemeen gebruikelijke voorziening: bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de inwoner, draait het om het beantwoorden van de vraag of de inwoner ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. De in deze bepaling opgenomen criteria volgen uit jurisprudentie van de CRvB. De vraag of een voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau moet volgens de CRvB zo worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten (CRvB 3-7-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1362 en CRvB 3-7-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1364).
Lid 2 onder b. andere voorziening: een andere voorziening is een voorziening die de inwoner kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Wmo 2015, bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg.
Lid 2 onder c. anti-revaliderend: hulp, zorg of een verstrekking van een voorziening kan in sommige gevallen “een afhankelijkheidssituatie creëren” die anti-revaliderend werkt. Dit kan het herstel belemmeren of zorgen voor een verdere achteruitgang en daarmee strijdig zijn met de compensatieplicht die op de gemeente rust op grond van de wet.
Lid 2 onder d. bijdrage: deze bepaling spreekt voor zich.
Lid 2 onder e. budgetplan: Deze bepaling spreekt voor zich.
Lid 2 onder f. eigen kracht: eigen kracht kan letterlijk duiden op lichamelijke of geestelijke mogelijkheden om bepaalde dingen te doen of te organiseren. Bijvoorbeeld het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden of het organiseren van het dagelijks functioneren. Die eigen lichamelijke of geestelijke mogelijkheden kunnen zo nodig objectief worden vastgesteld via een deskundigenadvies, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:1368.
Eigen kracht kan ook duiden op de mogelijkheid om bepaalde dingen zelf te regelen, al dan niet met hulp van een vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 en 2 Wmo 2015. Een voorbeeld is een beroep doen op een andere voorziening, zie de uitspraken ECLI:NL:CRVB:2023:1046 en ECLI:NL:CRVB:2023:1508. In die uitspraken is die mogelijkheid door de CRvB aangemerkt als gebruik maken van eigen kracht.
De aanwezigheid van eigen kracht moet sowieso worden beoordeeld in het kader van het zogeheten ‘stappenplan’. Deze term is ontstaan in Jeugdwet-jurisprudentie (zie ECLI:NL:CRVB:2017:1477) en is later ook is toegepast in de Wmo-jurisprudentie (zie ECLI:NL:CRVB:2018:819) . In feite is het stappenplan in de Wmo-uitvoering ook af te leiden uit de wet, zie artikel 1.2.1, onder a. Wmo 2015, artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 in combinatie met artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015.
De gedachte daarachter is dat het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de Wmo pas aan de orde is als er onvoldoende oplossingsmogelijkheden zijn bij de cliënt zelf en in diens sociale omgeving.
Lid 2 onder g. gebruikelijke hulp: deze bepaling wordt verder geduid in artikel 4.
Lid 2 onder h. inwoner: de bepaling wordt verder geduid in artikel 7 lid 4 onder b.
Lid 2 onder i. ondersteuningsplan: is het plan dat de Wmo consulent, namens het college, in afstemming met de inwoner opstelt. Naast de uitkomst van het onderzoek is het plan ook de opdracht voor de zorgaanbieder, waarin staat opgenomen welke resultaten behaald moeten worden.
Lid 2 onder j. pgb: een persoonsgebonden budget is een bedrag waarmee iemand zelf zorg of ondersteuning inkoopt. Iemand die een pgb krijgt, bepaalt zelf welke zorgverleners zorg of ondersteuning geven, waar en wanneer.
Lid 2 onder k. wet: deze bepaling spreekt voor zich.
Lid 2 onder l. zorgplan: deze bepaling spreekt voor zich.
HOOFDSTUK 2. MELDING EN ONDERZOEK
Dit hoofdstuk bevat de regels voor de procedure die voorafgaat aan de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Deze procedure start op het moment dat de inwoner de gemeente om hulp vraagt. Dit is de melding en de aanleiding voor de gemeente om onderzoek te doen. Het onderzoek vormt de kern van de procedure in de wet. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen zijn voor de hulpvraag waar de inwoner geen maatwerkvoorziening van de gemeente voor nodig heeft. Als de inwoner zich daarin kan vinden, stopt op dat moment de procedure. Het is echter ook mogelijk dat de inwoner na het onderzoek een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doet. De regels die van belang zijn voor de melding en aanvraag- fase zijn opgenomen in hoofdstuk 2 en 3.
De inwoner doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de hulpvraag. De melding is niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch worden gedaan bij de gemeente. De melding kan door of namens de inwoner worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de inwoner als vertegenwoordiger kan optreden.
In lid 2 is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, al blijkt dit ook uit artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. Vanwege de registratie en zorgvuldigheid kiest de gemeente hier wel voor.
Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 lid 4 wat er tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er van uit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en inwoner plaatsvindt.
In artikel 3 wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de inwoner daar zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Om het onderzoek goed uit te voeren heeft het college de nodige deskundigheid in huis. Soms kan het echter ook nodig zijn om een extern advies op te vragen. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering. In artikel 3 lid 5 van deze verordening is concreet aangegeven dat het mogelijk is om extern advies in te winnen als dit nodig is voor het onderzoek. Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt.
Lid 6: hier is bepaald dat de weergave van het onderzoek in de vorm van het ondersteuningsplan aan de inwoner wordt verstrekt. Dit kan een beknopte weergave zijn van wat er besproken is. In de wet is bepaald dat het college de inwoner de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk moet verstrekken.
Lid 7: biedt de gemeente de ruimte om bij een hoge werkvoorraad en oplopende afhandelingstermijnen, meldingen versneld af te handelen. In dit verkorte onderzoek wordt de ondersteuningswens als uitgangspunt voor het onderzoek genomen.
Artikel 4 Beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp na melding
Lid 1: bij het onderzoek, als bedoeld in artikel 3, moet worden bekeken of het probleem waarvoor de inwoner zich meldt, opgelost kan worden zonder een Wmo-maatwerkvoorziening. Daarbij moet onder meer worden onderzocht of dat probleem geheel of gedeeltelijk via gebruikelijke hulp kan worden opgelost. Gebruikelijke hulp is in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 gedefinieerd als “hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten”.
In de Memorie van Toelichting wordt benoemd dat er sprake moet zijn van huisgenoten; bij alleenwonende inwoners is onderzoek naar gebruikelijke hulp dus niet nodig. Wel kan het dan verstandig zijn om kritisch te beoordelen of de inwoner ook echt alleen woont, ter voorkoming van misbruik van de Wmo (of andere regelingen waarbij de woonsituatie een rol speelt).
Lid 2: In artikel 2.3.8 lid 3 van de wet is de medewerkingsplicht van de inwoner geregeld. Aangezien bij onderzoek (zie artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015) of heronderzoek (zie artikel 2.3.9 Wmo 2015) ook onderzoek naar de aanwezigheid van gebruikelijke hulp van huisgenoten vereist is, is onder dit lid ook een medewerkingsplicht voor die huisgenoten geregeld. Het gaat om alle denkbare medewerking, zoals het aanleveren van bewijsstukken, medewerking aan een gesprek en medewerking aan het onderzoek door een deskundige.
Lid 3: om te bepalen of huisgenoten gebruikelijke hulp kunnen bieden moeten gemeenten beoordelen wat er in redelijkheid van die huisgenoten kan worden gevraagd. Om de manier waarop die beoordeling plaatsvindt kenbaar te maken, moeten gemeenten zelf regels stellen in hun verordening, zie artikel 2.1.3 lid 2, onder a. Wmo 2015. Zo wordt meer rechtszekerheid geboden en willekeur zoveel mogelijk vermeden. In dit lid zijn daarom een aantal criteria neergelegd, die de beoordeling concretiseren van wat redelijkerwijs van huisgenoten kan worden gevraagd.
Lid 3 onder a: hier wordt de samenstelling van het huishouden genoemd. Verschillende factoren kunnen een rol spelen bij het antwoord op de vraag wat er redelijkerwijs gevraagd kan worden. In een groot huishouden zijn er in principe meer mensen van wie mogelijk hulp kan worden gevraagd. Maar er kan meer spelen, zoals de leeftijd van de verschillende huisgenoten. Van volwassen huisgenoten kan meer gevraagd worden dan van (jonge) kinderen. Andersom vragen jonge kinderen zelf ook zorg, waardoor mogelijk minder tijd overblijft voor gebruikelijke hulp voor huisgenoten uit de Wmo-doelgroep (mensen met beperkingen, chronische psychische problemen en met psychosociale problemen).
Lid 3 onder b: hier wordt de aard van de relatie tussen huisgenoten genoemd. Echtgenoten onderling en ouders en kinderen hebben een directe familierechtelijke band; ze zijn eerstegraads bloed- of aanverwanten. Echtgenoten onderling en ouders hebben sowieso een wettelijke zorgplicht (voor elkaar en voor hun kinderen) op grond van het Burgerlijk Wetboek. In grote lijnen komt het erop neer, dat hoe nauwer de familieband is, hoe meer van huisgenoten kan worden verwacht. Aan de andere kant zijn er steeds meer samengestelde gezinnen, waarbij één van de volwassen partners geen familieband heeft met kinderen binnen dat gezin. Maar wellicht wel een (gedeeltelijke) zorgtaak voor eigen kinderen uit een vorige relatie, die geen huisgenoot zijn, maar voor wie misschien wel een zorgtaak speelt.
Lid 3 onder c: de behoefte aan ondersteuning van de inwoner is afhankelijk van diens beperkingen. Dan kan het gaan om de hoeveelheid hulp die de inwoner nodig heeft, maar ook om de vraag hoe die hulpvraag in de tijd is verdeeld. Het kan gaan om hulp die direct of op wisselende tijdstippen moet worden geboden. Soms gaat het om hulp die goed te plannen is, en misschien kan worden gecombineerd met gezamenlijke gezinsactiviteiten, waarbij men elkaar spreekt. Denk aan het doornemen van de dag tijdens het ontbijt. Ook kan een rol spelen of de hulp uitstelbaar is en/of kan worden verdeeld over de week, bijvoorbeeld huishoudelijk werk of administratieve werkzaamheden. Veel administratief werk kan tegenwoordig worden beperkt door digitalisering. Denk aan het regelen van automatische incasso’s voor het betalen van vaste lasten. Het is ook denkbaar dat ondersteuning bepaalde kwalificaties vraagt van degene die de inwoner ondersteunt, en dat huisgenoten die niet hebben. Denk aan bepaalde complexe gedragsproblematiek waarvoor gespecialiseerde hulp nodig is. Ook kan een nauwe sociale relatie juist een belemmering zijn om bepaalde hulp te bieden, omdat daarvoor juist een objectieve benadering door een (professionele) buitenstaander nodig is om adequate hulp te geven.
Lid 3 onder d: onder de toelichting op onderdeel c. is een aantal voorbeelden gegeven rond de variatie in hulpvragen van inwoners. Tegenover de ondersteuningsvraag staan de mogelijkheden van huisgenoten. Kunnen die huisgenoten aan die vraag voldoen? Of is deze vraag te groot of te gecompliceerd voor één of meer huisgenoten? Daarbij kunnen allerlei factoren een rol spelen. Denk aan het hebben van een baan buitenshuis, lange reistijden, of het hebben van een zorgtaak voor kinderen binnen of buiten de gezinsrelatie. Ook huisgenoten van wie gebruikelijke hulp wordt gevraagd, kunnen beperkingen hebben, zowel fysiek als geestelijk. Die kunnen mogelijkheden om hulp te bieden beïnvloeden, in samenhang gezien met de aard en omhang van de hulpvraag van de inwoner. Een huisgenoot met fysieke beperkingen kan misschien niet alle huishoudelijke werkzaamheden overnemen, maar bijvoorbeeld wel een inwoner met geestelijke problematiek helpen met organisatorische zaken.
Zo nodig kan het college deskundigenonderzoek (laten) doen naar fysieke en geestelijke (on-) mogelijkheden van huisgenoten om te bepalen of het bieden van gebruikelijke hulp mogelijk is, en zo ja, in welke mate. Daarbij is van belang dat (dreigende) overbelasting van degenen die de hulp verlenen, wordt voorkomen. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door bij (dreigende) overbelasting wel een tijdelijke indicatie voor ondersteuning te geven, die gefaseerd wordt afgebouwd. Zo wordt aan de betrokkenen ruimte gegeven om zich in te stellen op de situatie. Dat kan spelen bij een situatie waarin iemand plotseling ernstig beperkt raakt en huisgenoten tijd nodig hebben om zich op de nieuwe situatie te kunnen instellen.
Lid 3 onder e: sommige problemen waarvoor inwoners een Wmo-melding doen, spelen al langere tijd. In zulke gevallen is de vraag hoe de inwoner zich in de periode voorafgaand aan de melding heeft ‘gered’.
Hebben huisgenoten daarbij een rol gespeeld, en zo ja welke? En kunnen die huisgenoten hun ondersteuning dan niet ‘redelijkerwijs’ blijven bieden, als dat voorafgaand aan de melding ook mogelijk was? Of is de ondersteuning te zwaar geworden en zijn huisgenoten overbelast of dreigen ze overbelast te raken? Het is denkbaar dat de duur en intensiteit van de hulp op een gegeven moment te veel wordt. Ook kunnen andere factoren een rol spelen, bijvoorbeeld ouder worden, een bijkomende mantelzorgtaak bijvoorbeeld voor ouder wordende ouders, of door een andere baan.
Zo nodig kan het college deskundigenonderzoek (laten) doen naar (dreigende) overbelasting van huisgenoten om te bepalen of het bieden van gebruikelijke hulp mogelijk is, en zo ja, in welke mate.
Lid 3 onder f: het is niet mogelijk alle denkbare omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om gebruikelijke hulp te bieden, in regels te vatten. Daarom is onder f. in algemene zin verwezen naar overige relevante omstandigheden van huisgenoten. De term ‘relevante’ vraagt om een inhoudelijke beoordeling van de omstandigheden door het college.
HOOFDSTUK 3. AANVRAAG MAATWERKVOORZIENING
Dit hoofdstuk bevat de regels op basis waarvan het college beslist op de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Een inwoner kan de maatwerkvoorziening in natura ontvangen, maar ook in de vorm financiële tegemoetkoming of een pgb als hij dat wenst. Bij een pgb kan de inwoner zelf bepalen bij wie hij de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil inkopen. In dit hoofdstuk is ook opgenomen welke regels er zijn voor een pgb en hoe de hoogte van het pgb en de financiële tegemoetkoming wordt bepaald.
Lid 1: deze bepaling spreekt voor zich.
Lid 2: biedt de gemeente de ruimte om bij een hoge werkvoorraad en oplopende afhandelingstermijnen, de aanvraag versneld af te handelen.
Uit artikel 2.3.5 lid 3 van de wet blijkt dat een (passende) maatwerkvoorziening moet worden verstrekt als bepaalde onderzochte alternatieven (eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit netwerk en/of algemene voorzieningen) geen of onvoldoende oplossing bieden. Dat sluit ook aan op wat artikel 1.2.1 van de wet regelt.
Voor zover die (op basis van artikel 2.3.2 lid 4 van de wet) onderzochte mogelijke alternatieven wel een oplossing bieden, hoeft er geen maatwerkvoorziening geboden te worden. De maatwerkvoorziening is immers de ‘hekkensluiter’ bij het zoeken naar oplossingen voor problemen op het gebied van zelfredzaamheid, participatie en het zich handhaven in de samenleving, zie TK, 2013-2014, 33 841, nr. 3 blz.148.
Artikel 7. Voorwaarden en weigeringsgronden
Lid 1: Voorzieningen die het college op grond van deze verordening verstrekt, moeten als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, zowel compenserend als de goedkoopste voorziening zijn. Met het begrip compenserend wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat deze noodzakelijke zijn, dan wel de voorziening meer compenserend maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. De bruikbaarheid van een voorziening wordt niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald, maar is ook afhankelijk van de gebruiker. Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau, wordt aangesloten bij een verantwoord niveau, maar ook niet meer dan dat. Als de inwoner een compenserende voorziening wenst die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening kan het college daarvoor (mits aan de pgb-vereisten wordt voldaan) een pgb verstrekken ter hoogte van de goedkoopst compenserende voorziening. De inwoner kan er dan voor kiezen om de extra kosten van de duurdere voorziening zelf te betalen.
Lid 2: het college verstrekt geen voorzieningen die niet veilig zijn of die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de inwoner.
Lid 3 onder a: uit de wet blijkt niet dat andere wetten voorliggend zijn of dat de aanspraak op een andere wettelijke regeling kan leiden tot een afwijzing van de aanvraag op grond van de Wmo. Wel is in de wet geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten (artikel 2.3.5 lid 5 van de wet). Ook verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening als de inwoner niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5. lid 3 en 4 van de wet).
Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht. Vandaar dat in deze bepaling expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien.
Uit jurisprudentie volgt dat het college alleen rekening kan houden met een voorziening op grond van een andere wet als de inwoner daar echt aanspraak op heeft.
Deze afwijzingsgrond kan niet worden toegepast wanneer de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of als vaststaat dat inwoner daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO).
Lid 3 onder b: hier wordt gedoeld op de situatie dat de inwoner een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor inwoner niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente.
Lid 3 onder c: is de voorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening.
Lid 3 onder d: het college kan de aanvraag afwijzen als het gaat om een voorziening die al eerder is verstrekt en de inwoner verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onoplettendheid. Deze afwijzingsgrond kan niet worden gebruikt wanneer de inwoner geen schuld treft. Hier speelt de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner een rol. Als bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering gedekt worden. Als vervolgens brand uitbreekt en blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, kan op dat moment geen beroep op deze wet worden gedaan.
Lid 3 onder e: de maatwerkvoorziening dient altijd gericht te zijn op één inwoner. Voor het treffen van voorzieningen die gericht zijn op meerdere ingezetenen, zijn de algemene gebruikelijke en algemene voorzieningen geschikte instrumenten.
Lid 3 onder f: van een inwoner mag verwacht worden dat hij bij verhuizingen of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen en de ontwikkelingen die te verwachten zijn op de korte termijn. Doet hij dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. Bijvoorbeeld als een inwoner gaat verhuizen en het gelet op zijn medische situatie op dat moment voorzienbaar is dat hij beperkingen gaat ondervinden bij het normale gebruik van de woning. Deze bepaling biedt dan een grond om geen woonvoorziening toe te kennen. Er mag niet van een inwoner gevraagd worden dat hij reserveert of andere maatregelen treft om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden, leiden tot een beroep op de Wmo (CRvB 22-08-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603).
Lid 3 onder g: sinds 1 januari 2024 geldt in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) de regel dat er géén brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn in vluchtwegen en verkeersroutes van gebouwen. Per 1 juli 2024 is deze regelgeving strenger geworden en is expliciet aangegeven dat het verboden is om (onder meer) fietsen en scootmobielen in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen.
In de verordening is opgenomen dat het niet kunnen creëren van een brandveilige stalling voor een scootmobiel een afwijzingsgrond is voor de maatwerkvoorziening scootmobiel. Indien sprake is van deze situatie zal de gemeente onderzoeken of de beperking op een andere wijze gecompenseerd kan worden.
Lid 4 onder a: het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de inwoner. Hierbij is de prognose dus van groot belang. Zegt de prognose dat de inwoner na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vaststaat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. De inwoner kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten.
Lid 4 onder b: een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening, artikel 1.2.1 van de wet. Staat vast dat iemand ingezetene van Nederland is, dan wordt beoordeeld of iemand ingezetene van de gemeente is. Een ingezetene van een gemeente is degene die met een adres in een gemeente staat ingeschreven in de BRP en woonplaats heeft in die gemeente (CRvB 1-12-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3037).
De woonplaats wordt bepaald naar de concrete feiten en omstandigheden. De inschrijving in de BRP is niet doorslaggevend. Daarbij wordt onder andere gekeken naar:
Lid 5: de te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer is voldoende passend als deze de inwoner in staat stelt tot lokale verplaatsingen (CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961 en CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1972). Het college hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte (CRvB 9-5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1487). Op basis van jurisprudentie kan het college in principe volstaan met een voorziening of een combinatie van voorzieningen, waarmee een inwoner 1.500 kilometer per jaar kan reizen (CRvB 29-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463, CRvB 06-06-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7705, Rechtbank Noord-Nederland 25-7-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3496). Als de inwoner een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de inwoner om dit aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen.
Lid 6 onder a: deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen, zoals het bouwbesluit.
Lid 6 onder b: het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft. Dit betekent dat als de inwoner over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een inwoner twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel moeder als vader.
Lid 6 onder c: indien de instelling in dezelfde gemeente als de woning van de familie/naasten staat, dan kan een inwoner in aanmerking komen voor het bezoekbaar maken van de woning. Bezoekbaar houdt in dat de woning kan worden betreden en dat één verblijfsruimte en het toilet gebruikt kunnen worden.
De compensatieverplichting van de Wmo bestaat uitsluitend jegens degenen die in de betreffende gemeente woonplaats hebben. Een inwoner kan niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats hebben. Waar de inwoner woonplaats heeft dient beantwoord te worden middels concrete feiten en omstandigheden, zoals omschreven in de toelichting van deze verordening onder artikel 7 lid 4 onder b.
Lid 6 onder d: op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen, die niet geschikt zijn voor permanente bewoning, aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels/pensions, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar compensatieplicht. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing, zoals een verhuiskostenvergoeding. Het categorisch uitsluiten van aanpassingen in woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning, is toegestaan volgens rechtbankuitspraken (ECLI:NL:RBARN:2008:BH0126 en ECLI:NL:RBROE:2010:BM6304).
Lid 6 onder e: Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Dit is een verbijzondering van de bepaling in dit artikel, lid 3 onderdeel e, dat de voorziening niet overwegend op het individu gericht is. Omdat de gemeente wel verplicht is om de beperkingen van de inwoner te compenseren, kan er in de situaties waarin een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd, wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt.
Lid 6 onder f: als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder belangrijke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de inwoner geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO). Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL: CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de inwoner mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen.
Lid 6 onder g: als een inwoner verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing naar de voor de situatie van inwoner meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien inwoner verhuist en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de inwoner om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Dit volgt uit CRvB 13-04-2011, nrs. 09/3047 WMO e.a.
Lid 6 onder h: dit betreffen kosten die in redelijkheid van de inwoner of verhuurder te vragen zijn.
Lid 7: op grond van de wet ligt de verantwoordelijkheid voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen bij alle gemeenten. De gemeente Rijswijk heeft de gemeente Den Haag echter gemandateerd voor de uitvoering van deze taken. Op basis van lid 7 kan de gemeente Den Haag hierbij het door hen vastgestelde beleid hanteren.
Artikel 8. Financiële tegemoetkoming
Lid 1 onder a: als verhuiskostenvergoeding wordt gebruik gemaakt van een forfaitair bedrag. Een forfaitair bedrag is een financiële tegemoetkoming waarvan de hoogte wordt bepaald los van de werkelijke kosten en los van het inkomen. In principe krijgt iedereen hetzelfde bedrag. Dat bedrag zal soms te hoog en soms niet volledig dekkend zijn.
In deze verordeing is voor stofferingskosten is uitgegaan van het gemiddelde van een 3 persoonshuishouden dat de volgende artikelen nodig heeft om een huis te stofferen en de muren te behangen:
Lid 1 onder b: ook als de inwoner het vervoer zelf door de inzet van zijn eigen auto kan regelen, kan er een compensatieplicht bestaan. Heeft een inwoner door zijn beperkingen een vervoersprobleem, dan heeft de gemeente een compensatieplicht. Indien het vergoeden van gebruikskosten voor de eigen auto het goedkoopst compenserend is dan zal de gemeente deze kosten, tot een maximum van 1500 km per jaar, vergoeden.
Bij de berekening van deze tegemoetkoming gaan we uit van de variabele kosten voor een middenklasse auto in de Nibud gids. Deze kosten worden in deze verordening geïnterpreteerd als de gebruikskosten, hieronder worden verstaan:
Lid 2: deze bepaling spreekt voor zich.
Lid 1: het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Een maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) middels een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek dat naar aanleiding van de melding heeft plaatsgevonden, de door de inwoner ingediende aanvraag en de van toepassing zijnde regelgeving voor de maatwerkvoorziening.
Lid 2: deze bepaling regelt dat van een inwoner wordt verwacht dat binnen 3 maanden de indicatie wordt ‘verzilverd’ door zich te melden bij de aanbieder of het pgb te besteden. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig gewijzigd is, dat eigenlijk een nieuwe beoordeling nodig is. Voldoet de inwoner niet aan deze voorwaarde, dan kan dit aanleiding zijn om de maatwerkvoorziening in te trekken. De inwoner voldoet dan niet aan de voorwaarden verbonden aan de maatwerkvoorziening of het pgb (artikel 2.3.10 van de wet).
Artikel 10. Inhoud beschikking
De inwoner moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de inwoner goed en volledig informeert. In dit artikel staat wat in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen.
Artikel 11. Regels voor een pgb
Lid 1: het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, is het college hier zelfs toe verplicht. Als de inwoner in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij op grond van deze verordening een budgetplan opstellen. In lid 1 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de wet. De wet noemt in artikel 2.3.6. namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan onder andere op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.
Lid 2 en lid 3: In lid 2 zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Het pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel (lid 3).
Lid 4: op basis van lid 4 is het mogelijk om de SVB te verzoeken om betalingen uit het pgb tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld in situaties waarbij de inwoner tijdelijk in het ziekenhuis is opgenomen of voor langere tijd in het buitenland verblijft. De voorziening hoeft dan niet direct te worden beëindigd, maar kan tijdelijk worden stopgezet.
Lid 5: de wet heeft tot doel dat mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen, in hun eigen leefomgeving. Kosten gemaakt in het buitenland betreffen in principe geen kosten voor ondersteuning bij de zelfredzaamheid en participatie in de eigen leefomgeving welke het college zou moeten compenseren. Het college is in die gevallen dus bevoegd om ondersteuningskosten gemaakt in het buitenland te weigeren, tenzij het college hier vooraf expliciet toestemming voor heeft verleend.
Artikel 12. Onderscheid formele en informele hulp
Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt over het algemeen een lager tarief. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd.
Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP'er). Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener onderdeel uitmaakt van het sociaal netwerk van de inwoner. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociale netwerk, is daarmee altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in lid 2 van dit artikel; dan nog geldt dat deze hulpverlening in het kader van deze verordening als informele hulp wordt aangemerkt. Informele hulp is dus alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk van de inwoner of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen.
Het sociale netwerk van een cliënt bestaat uit (artikel 1.1.1 Wmo 2015):
De huiselijke kring zijn familieleden, huisgenoten, de (vroegere) echtgenoot of mantelzorgers. Andere personen met wie een inwoner een sociale relatie heeft zijn mensen met wie de inwoner regelmatig contact heeft. Het kan bijvoorbeeld gaan om buren en leden van een vereniging waar de inwoner lid van is (zie: de uitleg van de wetgever bij artikel 1.1.1 Wmo 2015). Buren horen volgens rechtspraak echter niet altijd tot het sociale netwerk. Van belang voor het beantwoorden van die vraag is of tussen de inwoner en de buren een sociale relatie bestaat (zie Rechtbank Oost-Brabant 2-2-2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:403).
In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (artikel 2.1.3 lid 2b van de wet). In de Memorie van toelichting is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39). Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners.
Lid 1: in deze bepaling is vastgelegd hoe het tarief voor een zaak tot stand komt, bijvoorbeeld een scootmobiel of woningaanpassing. Het maximale tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven met aanvulling van onderhoud en verzekering. Als de inwoner aangeeft dat de voorziening voor een lager tarief ingekocht kan worden, mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft met een leverancier, wordt de hoogte van het pgb op offertebasis bepaald.
Lid 2: in deze bepaling is het tarief vastgelegd voor formele hulp, zoals volgt uit artikel 12 lid 2. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven.
Lid 3: in deze bepaling is het tarief vastgelegd voor informele hulp, zoals volgt uit artikel 12 lid 3. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven.
Bij het inzetten van een pgb voor informele hulp, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Beide vallen onder de definitie van ‘dienstbetrekking’, zoals bedoeld in de wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Daar verwijst de term ‘dienstbetrekking’ in deze bepaling naar.
Lid 4: De toevoeging ‘bij bestaan van een dienstbetrekking’ heeft als doel om de lage tegemoetkoming, zoals geregeld in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling wet, uit te sluiten.
Lid 5: in deze bepaling is in feite een minimum vastgelegd voor de hoogte van het pgb in individuele gevallen. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). Tegelijkertijd moet het pgb toereikend zijn om de zorg en ondersteuning in te kopen (artikel 2.3.6 lid 1 van de wet). Het college moet daarom in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde voorziening kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen voorziening bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Dit uitgangspunt sluit aan bij jurisprudentie over de hoogte van het pgb (CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO).
Lid 6: deze bepaling spreekt voor zich.
HOOFDSTUK 4. BIJDRAGE IN DE KOSTEN
De gemeente mag van inwoners een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. In dit hoofdstuk zijn de regels over deze bijdrage in de kosten opgenomen.
Artikel 14. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen
Lid 1: het CAK stelt de hoogte van de eigen bijdrage vast en int deze.
Lid 2: de gemeente ontwikkelt een aantal algemene voorzieningen, waar de inwoner zonder onderzoek gebruik van kan maken. Het ontwikkelen van deze algemene voorzieningen hebben als doel voorzieningen laagdrempelig toegankelijk te maken en daarmee het beroep op maatwerkvoorzieningen te beperken. Dit in de verwachting dat het bijdraagt aan een toekomstbestendige Wmo.
Lid 3: de gemeente kan voor het gebruik van maatwerk- en algemene voorzieningen ook bepalen dat er geen eigen bijdrage wordt gevraagd. Hierin kijkt de gemeente onder andere naar de kostprijsberekening, de uitvoeringskosten en het gebruik van de voorziening in relatie tot de eigen bijdrage. Daarnaast kan de keuze voor het niet vragen van een eigen bijdrage worden gemaakt ter stimulans van het gebruik van de algemene voorziening.
Artikel 15. Hoogte bijdrage in de kosten
Lid 1: hier is geregeld voor welke algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen het zogenaamde abonnementstarief per maand geldt. Uit de wet volgt dat het abonnementstarief verplicht is voor algemene voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de betrokken hulpverlener. Bij een duurzame hulpverleningsrelatie is er in belangrijke mate sprake van persoonlijke hulpverlening, is arbeid verreweg de grootste kostencomponent, is de continuïteit van de band tussen inwoner en hulpverlener belangrijk voor de ondersteuning van de inwoner en wordt er langdurig gebruik gemaakt van de voorziening. Voorbeelden zijn begeleiding en huishoudelijke hulp. De gemeente kan er daarnaast voor kiezen ook andere algemene voorzieningen onder het abonnementstarief te brengen.
Lid 2 en 3: bij de in lid 2 genoemde algemene voorziening en de in lid 3 genoemde maatwerkvoorziening is geen sprake van een duurzame hulpverleningsrelatie en heeft de gemeente ervoor gekozen een andere bijdrage te hanteren.
Lid 4: vanaf 2020 hoeft er, vanwege de invoering van het abonnementstarief, niet meer voor alle voorzieningen gecontroleerd te worden of de bijdrage de kostprijs te boven gaat. In dit lid is geregeld voor welke voorzieningen deze controle nog wel geldt.
Lid 5, lid 6 en lid 7: hier is uitgelegd hoe de kostprijs tot stand komt. De verzekerings- en onderhoudskosten voor maatwerkvoorzieningen als een scootmobiel en traplift, worden meegenomen in de kostprijsberekening.
Lid 8: in dit lid wordt verwezen naar artikel 3.8 lid 2 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, waarin staat voor welke categorieën inwoners de bijdrage op nihil kan worden vastgesteld.
HOOFDSTUK 5: BESTRIJDING MISBRUIK
Artikel 2.1.3 van de wet verplicht de gemeente om bij verordening regels vast te stellen in verband met de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In dit hoofdstuk wordt hier uitvoering aan gegeven.
Artikel 16. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening
Om niet-gebruik, misbruik en oneigenlijk gebruik van een maatwerkvoorziening of een pgb te voorkomen is het allereerst van belang dat de inwoner op de hoogte is van zijn rechten en plichten. Op basis van dit artikel wordt de inwoner hier op een begrijpelijke manier over geïnformeerd.
Het college heeft vervolgens de mogelijkheid om periodiek te onderzoeken of er aanleiding is om de beslissing om een maatwerkvoorziening in natura of een pgb te verstrekken te heroverwegen (artikel 2.3.9 van de wet). Als hier aanleiding toe is, kan het college op grond van artikel 2.3.10 van de wet de beslissing vervolgens herzien of intrekken. Als het college een beslissing intrekt omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, dan kan het college overgaan tot het vorderen van geldswaarde van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening of pgb (artikel 2.4.1 lid 1 van de wet).
Verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering is alleen mogelijk wanneer de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien (artikel 4:93 lid 1 Awb). Deze voorziening is getroffen in artikel 3.3 lid 3 van het uitvoeringsbesluit. Dat artikel geeft het college de bevoegdheid tot het verrekenen van een vordering op grond van de wet met vorderingen op grond van de Wmo (2007) of de Participatiewet. De verrekeningsbevoegdheid in het uitvoeringsbesluit beperkt zich (waarschijnlijk) tot de bijdrage in de kosten en is in het bijzonder opgenomen om de bijdrage voor opvang te kunnen verrekenen met een bijstandsuitkering. Om ook andere vorderingen op grond van de wet te kunnen verrekenen, bijvoorbeeld in het geval van een terug te vorderen pgb, is de bepaling in dit artikel opgenomen.
HOOFDSTUK 6: KWALITEIT EN VEILIGHEID
De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen ligt bij de gemeente en de aanbieders. De gemeente moet in de verordening regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). Ook is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen die een goede verhouding waarborgen tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening (artikel 2.6.6 van de wet). In dit hoofdstuk wordt hier invulling aan gegeven.
Artikel 18. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
De gemeente moet in de verordening bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan de aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet).
De regering heeft benadrukt dat de kwaliteitseisen die de wet zelf stelt aan aanbieders (in de artikelen 3.1 e.v. van de wet) daarbij uitgangspunt zijn (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 135). De eis dat een voorziening van goede kwaliteit moet zijn, biedt veel ruimte voor gemeenten om in overleg met organisaties van inwoners en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.
In lid 1 zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Op grond van lid 2 kan het college dit verder uitwerken door nadere regels te stellen. Het in lid 3 genoemde jaarlijkse clientervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1 lid 1 van de wet. In lid 4 staat dat de GGD Haaglanden is aangewezen als toezichthouder kwaliteit Wmo. De kwaliteit moet ook worden gecontroleerd. Om te kunnen weten of de kwaliteit voldoende is wordt gewerkt met de kwaliteitsstandaard Wmo.
Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen (artikel 2.6.6, lid 1 van de wet). In artikel 5.4 van het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt wat hierin van de gemeente wordt verwacht. Doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college.
Lid 1: in dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.
Lid 2: bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeente. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt als de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.
Lid 3: het college moet de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen.
Lid 4: hierin is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van andere voorzieningen dan diensten, bijvoorbeeld hulpmiddelen. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit is hierop niet van toepassing.
HOOFSTUK 7: BLIJK VAN WAARDERING
De gemeenteraad moet bij verordening bepalen op welke manier het college zorgt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente. In dit hoofdstuk wordt hier invulling aan gegeven.
Artikel 20. Blijk van waardering mantelzorgers
Mantelzorgers hoeven niet zelf in de gemeente te wonen. Zij moeten echter wel mantelzorg verlenen aan een inwoner van de gemeente Rijswijk. Daarnaast is het begrip ‘cliënten’ breder dan alleen personen die gebruik maken van Wmo-ondersteuning. Het kan namelijk ook gaan om personen die zich ooit gemeld hebben voor ondersteuning, maar waaraan uiteindelijk geen Wmo-voorziening is toegekend. Wellicht mede dankzij de inzet van de mantelzorger. Ook die mantelzorgers kunnen in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering vanuit de gemeente Rijswijk.
HOOFDSTUK 8. CALAMITEITEN, KLACHTEN EN MEDENZEGGENSCHAP
Artikel 21. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
In artikel 3.4, eerste lid van de wet staat dat de aanbieder bij de toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet altijd en zo snel mogelijk melding doet van iedere calamiteit en geweld die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden. In artikel 6.1 van de wet staat dat het college personen aanwijst die toezicht moeten houden op het nakomen van de wet, ook wel de toezichthoudende ambtenaar genoemd. Binnen de gemeente Rijswijk is dat geregeld via de GGD Haaglanden.
In artikel 21 staat opgenomen hoe het college het melden van een calamiteit of gemeld heeft geregeld. Ook staat in dit artikel dat de toezichthoudende ambtenaar elke melding onderzoekt. De toezichthoudende ambtenaar geeft het college advies om calamiteiten en geweld in de toekomst te voorkomen.
Lid 1: is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Op grond van de wet (artikel 2.1.3 lid 2 onder d) is het verplicht in de verordening te bepalen voor welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners is vereist.
Indien de inwoner niet tevreden is over een gedraging van de aanbieder, dan moet hij zich in beginsel tot die aanbieder wenden. Aanbieders zijn in dat kader verplicht om te beschikken over de regeling voor de afhandeling van klachten. Zij dienen te beschikken over een dergelijke regeling ten behoeve van alle voorzieningen.
Lid 2: hier staan een aantal instrumenten die het college kan inzetten om te zorgen dat de verplichten ten aanzien van dit onderwerp door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 23. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
Lid 1: in de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn (zie artikel 2.1.3 lid 2 onder e van de wet). Op grond hiervan zijn de aanbieders verplicht tot het opstellen van dergelijke regeling van alle voorzieningen.
Lid 2: hier staan een aantal instrumenten die het college kan inzetten om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 24. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting in artikel 2.1.3 lid 3 van de wet om in de verordening te bepalen op welke manier ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de wet. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.
HOOFDSTUK 9. OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 25 Tariefwijziging/indexatie
Het college maakt met aanbieders afspraken over de tarieven voor de ingekochte zorg in natura. Daarbij worden ook afspraken gemaakt over indexering van deze tarieven. Deze tarieven en indexeringen vormen de basis voor het bepalen van de pgb-tarieven.
Dit geldt niet voor de pgb-tarieven voor het sociaal netwerk. Deze tarieven kunnen worden bekeken op de website van het Zorgknooppunt H5 (externe link: www.zorgknooppunth5.nl/info)
Dit artikel verplicht het college om jaarlijks te onderzoeken hoe de inwoners de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning ervaren en de uitkomsten daarvan te publiceren. Bij een cliëntervaringsonderzoek wordt onderzocht wat de ervaringen zijn van de inwoners met de geboden maatschappelijke ondersteuning en welk effect ze ervan hebben ondervonden wat betreft de verbetering van hun zelfredzaamheid of participatie en de wijze waarop zij zich kunnen handhaven in de samenleving.
Artikel 27. Onvoorziene omstandigheden
Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in alle niet voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken.
In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening (niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken inwoner. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule betreft een uitzondering en geen regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.
HOOFDSTUK 10. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 29. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Dit artikel bepaalt wanneer de oude verordening wordt ingetrokken. Daarnaast is in dit artikel het overgangsrecht geregeld. In lid 2 is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten en plichten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Op basis van lid 3 worden aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend en waarop nog niet is beslist, beoordeelt op grond van deze verordening. Op basis van lid 4 wordt op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Wet Maatschappelijke Ondersteuning Rijswijk 2022 beslist op basis van die verordening. Op basis van lid 5 kan echter van lid 4 worden afgeweken als het voor de inwoner voordeliger is om op basis van deze verordening te beslissen.
Artikel 30. Inwerkingtreding en Citeertitel
Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening wordt aangehaald.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-544599.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.