Gemeenteblad van Lansingerland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lansingerland | Gemeenteblad 2024, 543376 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lansingerland | Gemeenteblad 2024, 543376 | beleidsregel |
Nota Reserves en Voorzieningen 2020
De raad van de gemeente Lansingerland;
Na het voorstel gelezen te hebben
De nota reserves en voorzieningen 2020 vast te stellen met dien verstande dat de tekst op pagina 6 en 7 bij paragraaf 3.4 die nu luidt:
De marge van ‘voldoende’ voor de ratio weerstandsvermogen is 1,0 - 1,4 waarbij wij een doelstelling hanteren van 1,2. Als de norm van het weerstandsvermogen lager is dan 1,2 volgens het laatst berekende weerstandsvermogen, dan worden alle vrijkomende middelen toegevoegd aan onze Algemene Reserve. Zodra de Algemene Reserve op niveau is (ofwel ratio hoger dan 1,2) dan is het weerstandsvermogen ruim voldoende. Zodra de ratio lager is dan matig, en dus onder de 0,8 uitkomt, moet bij de eerstvolgende Kadernota een maatregelenpakket worden getroffen om de ratio binnen 4 jaar weer minstens op 0,8 te krijgen. De keuze hiervoor en de uitgebreide toelichting hierop is opgenomen in de nota risicomanagement 2020.
te schrappen en te vervangen door:
De gewenste marge van ‘ruim voldoende’ voor de ratio weerstandsvermogen is 1,4 – 2,0, waarbij wij een doelstelling hanteren van 1,7. Als de norm van het weerstandsvermogen lager is dan 1,2 volgens het laatst berekende weerstandsvermogen, dan worden alle vrijkomende middelen toegevoegd aan onze Algemene Reserve. Zodra de Algemene Reserve op niveau is (ofwel ratio hoger dan 1,7) dan is het weerstandsvermogen ruim voldoende. Zodra de ratio lager is dan voldoende, en dus onder de 1,0 uitkomt, moet bij de eerstvolgende Kadernota een maatregelenpakket worden getroffen om de ratio binnen 4 jaar weer minstens op 1,0 te krijgen. De keuze hiervoor en de uitgebreide toelichting hierop is opgenomen in de nota Risicomanagement en weerstandsvermogen 2020.
Hiermee komt de nota reserves en voorzieningen 2016 te vervallen.
Volgens artikel 8 van de Financiële verordening gemeente Lansingerland 2017 biedt het college de raad eens in de vier jaar een Nota Reserves en Voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt:
De Nota Reserves en Voorzieningen is in 2016 vastgesteld door de raad. Daarom wordt deze in 2020 herzien. Tot vorming of opheffing van reserves wordt veelal besloten in tussentijdse P&C documenten of raadsbesluiten. Jaarlijks wordt in de begroting en jaarstukken een overzicht gegeven van alle bestaande reserves en voorzieningen. Deze nota bevat de algemene beleidslijnen rondom reserves en voorzieningen en de specificatiebladen van individuele reserves en voorzieningen welke aanwezig zijn in boekjaar 2020.
Hoofdstuk 2 beschrijft de begrippen en bevoegdheden. Hoofdstuk 3 bevat het kader van beleidsuitgangspunten met betrekking tot reserves en voorzieningen. Als bijlagen zijn de specificatiebladen van elke reserve en voorziening opgenomen.
In dit hoofdstuk wordt beschreven welke begrippen en functies er zijn. In de laatste paragraaf wordt de regelgeving beschreven.
Reserves worden ingesteld middels besluit van de raad en worden gevormd uit reeds aanwezig eigen vermogen of vanuit een jaarrekeningresultaat. Hiermee behoren de reserves dan ook tot het eigen vermogen. Onttrekkingen en dotaties aan reserves behoeven altijd instemming van de raad. Dotaties en onttrekkingen vinden daarbij plaats conform het begrote bedrag, tenzij bij de instelling van de reserve dit anders is bepaald.
Reserves worden op basis van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) verdeeld in:
Binnen de gemeente Lansingerland delen wij de bestemmingsreserves op in twee extra categorieën, namelijk de kapitaal dekkingsreserves en de overige bestemmingsreserves.
Ad a. De algemene reserve heeft geen bepaalde bestemming en is dus bedoeld voor algemene zaken en ter opvanging van eventuele tekorten en risico’s.
Ad b.1. Een overige bestemmingsreserve is een reserve waaraan de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven. Het is weliswaar een vastgelegde toekomstige aanwending maar nog geen financiële verplichting. Immers het staat de raad nog altijd vrij om aan de gelden een ander doel te geven bij de daadwerkelijke besteding van de reserve.
Ad B.2. Een kapitaal dekkingsreserve wordt ingesteld ter dekking van de afschrijvingslasten voortvloeiend uit een gedane investering. Tegenover de onttrekkingen uit deze reserves staan dus te allen tijde structurele afschrijvingslasten die hierdoor gedekt worden. Wij kiezen ervoor om enkel de afschrijvingslasten te dekken uit de reserve en niet de bijkomende rentelasten. Reden hiervoor ligt in het feit dat het rentepercentage van de omslagrente jaarlijks fluctueert en dit dan ook noodzaakt tot jaarlijkse extra stortingen of onttrekkingen aan deze reserve.
Het instellen van, doteren aan, onttrekken uit, laten vrijvallen uit en opheffen van reserves vindt plaats via de exploitatie. Mutaties in reserves dienen per programma zichtbaar gemaakt te worden.
Voorzieningen worden gevormd voor het bestemmen van gelden die nodig zijn voor in redelijke mate zekere toekomstige financiële verplichtingen. Conform het BBV dient een voorziening te voldoen aan specifieke voorwaarden. Deze voorwaarden zijn dat de toekomstige lasten voortvloeien uit een gebeurtenis uit het verleden en dat de verplichting betrouwbaar moet kunnen worden ingeschat, waarbij echter de omvang van de verplichting en/ of het moment dat de verplichting zich voor gaat doen nog onzeker is. Hierdoor heeft elke voorziening een specifieke bestemming en is dus niet vrij besteedbaar. Verplichtingen zijn onderdeel van het vreemd vermogen van de gemeente.
Voorzieningen worden op basis van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV-artikel 44) gevormd wegens:
Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume (artikel 44 lid 3 BBV).
Het instellen van, toevoegen aan, laten vrijvallen uit en opheffen van een voorziening verloopt via de exploitatie. Deze kosten worden gepresenteerd op het betreffende programma. Bestedingen ten laste van de voorziening verlopen rechtstreeks via de voorziening (en dus niet via de exploitatie).
De raad is bevoegd tot het instellen van en doteren aan een reserve. Voor een onttrekking en een dotatie aan een reserve is een raadsbesluit nodig. Dotaties en onttrekkingen vinden daarbij plaats conform het begrote bedrag, tenzij bij de instelling van de reserve dit anders is bepaald.
De raad is bevoegd tot het instellen van en doteren aan een voorziening. De raad heeft echter bij het vaststellen van voorzieningen weinig ruimte voor het maken van keuzen (allocatiefunctie). Voorzieningen hebben immers een verplichtend karakter (met uitzondering van onderhoudsvoorzieningen en egalisatievoorzieningen) Met het instellen van de voorziening gaat de raad ook akkoord met de jaarlijkse storting in de voorziening en de besteding uit de voorziening. Bestedingen ten laste van de voorziening mogen worden verricht zonder raadsbesluit maar moeten wel opgenomen zijn in de bijbehorende onderbouwing voor dat bedrag en die werkzaamheden.
2.3 Structurele en incidentele baten
Om te bepalen of de begroting structureel in evenwicht is, worden de totaal begrote baten en lasten gecorrigeerd met de incidentele baten en lasten. Het saldo van deze correctie leidt tot het structurele begrotingsevenwicht. In het BBV is bepaald dat alle reservemutaties een incidenteel karakter hebben en daardoor dus niet leiden tot een structurele dekking in de begroting. Hierop is echter een uitzondering gemaakt, namelijk de kapitaallasten dekkingsreserve (bij ons de reserve kapitaallasten genoemd). De onttrekkingen uit deze reserve ter dekking van de kapitaallasten mogen wel worden meegerekend als structureel dekkingsmiddel. Wij kiezen echter ervoor om criteria te verbinden aan de soort van investeringen waarvan de kapitaallasten op deze manier worden gedekt om de onnodige vorming van bestemmingsreserves tegen te gaan. Daarmee is ons gemeentelijk beleid strenger dan wettelijk is voorgeschreven. In paragraaf 3.6 gaan we in op deze criteria.
3.1 Instellingseisen bestemmingsreserve
Het instellen van een bestemmingsreserve gebeurt bij raadsbesluit. In het raadsbesluit moet duidelijk opgenomen zijn:
De maximale looptijd. Vaak is de looptijd afhankelijk van fluctuerende factoren (zoals bijvoorbeeld afspraken of looptijd van werkzaamheden). Als er geen afgesproken looptijd kan worden aangegeven, hanteren wij een standaardlooptijd van 5 jaar. Bij het beëindigen van de reserve valt een resterend saldo vrij. Een mutatie van de looptijd van een reserve leggen we voor aan de raad via de jaarlijkse beoordeling bij het vaststellen van de begroting (zie paragraaf 3.10).
Wij beperken het aantal bestemmingsreserves zoveel mogelijk. Er dient voldoende, maar niet onnodig te worden gereserveerd.
3.2 Minimale reserve-omvang € 50.000
Wij hanteren een minimale reserve-omvang van € 50.000. Reserves met een kleinere omvang worden opgeheven. Het bepalen van de omvang wordt gebaseerd over de tijdspanne van de meerjarenbegroting ofwel vier jaar. Dit betekent dat reserves die de gehele periode onder de € 50.000 blijven, worden opgeheven.
Uitzondering hierop is de reserve rekenkamer. De rekenkamer rapporteert aan de gemeenteraad en de frequentie van rapporten wisselt. Uit oogpunt van kostenegalisatie en om dat verloop inzichtelijk te houden voor de raad is ervoor gekozen om deze reserve op te nemen ondanks de geringe omvang.
De BBV staat het toevoegen van rente aan reserves vooralsnog toe. Echter, de Commissie BBV adviseert vanwege het verlangde inzicht, de eenvoud en transparantie deze systematiek niet toe te passen. In onze gemeente is in de Kadernota 2010 gekozen om geen rente toe te voegen aan de reserves. Sindsdien hanteren wij deze beleidslijn.
Volgens het BBV is het mogelijk om voorzieningen te waarderen op contante waarde en op eindwaarde. Bij een voorziening op basis van contante waarde wordt jaarlijks rente toegevoegd. Door deze rente toevoeging groeit de voorziening in een aantal jaar naar het gewenste niveau. Bij eindwaarde wordt de voorziening direct gevormd voor het benodigde bedrag en vindt jaarlijks geen opwaardering plaats. Als gemeente hanteren wij het uitgangspunt dat wij onze voorzieningen waarderen op eindwaarde, tenzij bij de instelling van de voorziening expliciet anders wordt besloten.
3.4 Vrijkomende middelen naar Algemene Reserve
De marge van ‘voldoende’ voor de ratio weerstandsvermogen is 1,0 – 1,4, waarbij wij een doelstelling hanteren van 1,2. Als de norm van het weerstandsvermogen lager is dan 1,2 volgens het laatst berekende weerstandsvermogen, dan worden alle vrijkomende middelen toegevoegd aan onze Algemene Reserve. Zodra de Algemene Reserve op niveau is (ofwel ratio hoger dan 1,2) dan is het weerstandsvermogen ruim voldoende. Zodra de ratio lager is dan matig, en dus onder de 0,8 uitkomt, moet bij de eerstvolgende Kadernota een maatregelenpakket worden getroffen om de ratio binnen 4 jaar weer minstens op 0,8 te krijgen. De keuze hiervoor en de uitgebreide toelichting hierop is opgenomen in de nota risicomanagement 2020.
3.6 Beleid omtrent inzetten van de reserve kapitaallasten
In het kader van structureel begrotingsevenwicht worden reservemutaties in de gemeentebegroting in principe buiten beschouwing gelaten. Uitgangspunt is dat tegenover structurele (kapitaal-)lasten structurele inkomsten staan. Uitzondering hierop binnen de verslaggevingsregels is de reserve ter dekking van kapitaallasten. De reden hiervoor ligt in het feit dat met het inzetten van de kapitaal dekkingsreserve structureel, in ieder geval voor de looptijd (afschrijvingstermijn) van het betreffende actief, de voortvloeiende kapitaallasten worden afgedekt binnen de begroting. Voorwaarde die in het BBV is gesteld is dat een dekking uit de reserve kapitaallasten enkel mag plaatsvinden wanneer de reserveomvang gelijk is aan de totale kapitaallasten die voortvloeien uit de investering. Wanneer dit niet het geval is, mag slechts naar rato dekking worden toegerekend, waardoor de lasten voor de volledige looptijd van het actief gelijk blijven. Aan het einde van de looptijd heeft de raad opnieuw de keuzemogelijkheid om het actief te blijven exploiteren en op dat moment de dekking van de lasten te bepalen.
Door het inzetten van kapitaal dekkingsreserve wordt echter niet via de afschrijvingen gespaard voor de eventuele vervanging of levensduurverlenging van een actief. Hierdoor is het van belang spelregels op te stellen voor welke activa we de dekking via kapitaal dekkingsreserves vormgeven en van welke activa de kapitaallasten ten laste van de exploitatie worden gedekt. Doordat reeds bestaande activa worden gedekt uit de reserve kapitaallasten worden deze buiten de hierna genoemde spelregels gehouden. Voor de dekking van kapitaallasten uit een reserve moet in ieder geval voldaan worden aan de volgende criteria:
Hiernaast moet ten minste nog aan één van onderstaande criteria worden voldaan:
Aanvullend nemen we de jaarlijkse onttrekking aan de reserve kapitaallasten mee in de risicoanalyses die ten grondslag liggen aan de bepaling van de benodigde weerstandscapaciteit. Hiermee kwantificeren wij dan ook het risico op incidentele dan wel structurele tegenvallers.
Een reserve kan op elk moment worden opgeheven. In ieder geval wordt bij de jaarrekening en de begroting een controlemoment ingesteld waarop getoetst wordt of de reserve opgeheven kan worden. Een reserve wordt opgeheven als:
Als een reserve wordt opgeheven, valt het resterende saldo vrij ten gunste van het resultaat.
3.10 Vrijval en opheffing voorziening
Vrijval en opheffing van de voorziening vindt plaats als het onderliggende bestedingsplan een lager bedrag nodig heeft dan de voorziening nu bevat. Dit bedrag valt vrij naar de exploitatie en zal niet direct worden verrekend met een reserve Vrijval van de voorziening verliesgevende complexen wordt altijd via de exploitatie en voor resultaatbestemming overgeboekt naar de Algemene Reserve.
3.11 Jaarlijks bij begroting reserves toetsen
Bij de toetsing van de nota Reserves en Voorzieningen eens in de vier jaar wordt zowel het beleid geactualiseerd en de omvang van de reserves en voorzieningen gecontroleerd. Omdat de tijdspanne voor de actualisatie van de omvang van reserves hierdoor te lang op zich laat wachten, kiezen wij ervoor om ook jaarlijks bij de begroting de omvang van de reserves en voorzieningen de beoordelen.
5 Bijlagenbladen specificaties
Reserve Afronding Overbuurtsepolder
Reserve (tijdelijke) huisvesting primair onderwijs
Reserve Overdracht schoolgebouwen
Reserve Bovenwijkse voorzieningen
Reserve Actieplan omgevingswet
Reserve Nog te maken kosten afgesloten GREX
Reserve GO gemeentelijke gebouwen
Reserve Financieringsstructurering
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-543376.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.