Gemeenteblad van Assen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Assen | Gemeenteblad 2024, 543119 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Assen | Gemeenteblad 2024, 543119 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Wijzigingsverordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Assen 2024
Artikel I Wijziging verordening
De verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Assen 2024 wordt als volgt gewijzigd:
De begripsbepalingen “adl”, “hulpvraag” en “ingezetene” worden gewijzigd. In artikel 1 wordt, onder hernummering van de navolgende begripsbepalingen, de begripsbepaling “verhuiskostenvergoeding” toegevoegd onder sub cc. Deze subs komen als volgt te luiden.
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…)
g. adl: algemene dagelijkse levensverrichtingen; dit zijn de dagelijks terugkerende basisverrichtingen die je moet doen om zelfstandig te kunnen blijven leven op een binnen de maatschappij fatsoenlijk geacht niveau;
o. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo of aan jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet;
q. ingezetene: cliënt die het hoofdverblijf heeft in de gemeente Assen op basis van feitelijk verblijf of inschrijving in de Basisregistratie persoonsgegevens (BRP). Een cliënt met een postadres in de gemeente Assen die feitelijk in een andere gemeente verblijft, wordt niet gezien als ingezetene van de gemeente Assen
cc. verhuiskostenvergoeding: financiële tegemoetkoming bedoeld voor de kosten van het verhuizen naar een nieuwe woning. Dit kan ook gebruikt worden voor het inrichten van de nieuwe woning;
Artikel 4 lid 1 sub g en lid 3 worden gewijzigd. Artikel 4 lid 1 sub g en lid 3 komen als volgt te luiden:
3. De afwegingskaders, toetsingscriteria en voorwaarden (waaronder venstertijden schoon en leefbaar huis) van de in dit artikel genoemde resultaten worden door het college vastgesteld in nadere regels. Voor schoon en leefbaar huis wordt gebruik gemaakt van het HHM-Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 (met aanvulling 2022).
Na artikel 6 wordt een nieuw artikel ingevoegd en komt als volgt te luiden:
Artikel 6a. Gebruikelijke hulp
1. Het college beoordeelt in hoeverre de persoon of de personen met wie de hulpvrager samenleeft, daadwerkelijk in staat is/zijn tot het verlenen van gebruikelijke hulp.
2. Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor gebruikelijke hulp wordt geen maatschappelijke ondersteuning verleend.
3. Ondersteuning wordt in kortdurende zorgsituaties (maximaal 3 maanden) als gebruikelijke hulp beschouwd als uitzicht op herstel dusdanig groot is dat ondersteuning daarna niet meer nodig is.
4. In langdurige of chronische situaties zijn algemeen aanvaarde normen bepalend voor de vraag of sprake is van gebruikelijke hulp.
5. Voor zover de cliënt zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen gebruikelijke hulp verwacht van een partner of ouder.
Na artikel 6a wordt een nieuw artikel ingevoegd en komt als volgt te luiden:
Artikel 6b. Gebruikelijke hulp bij het huishouden
1. Partners, ouder(s), inwonende volwassen kinderen en huisgenoten, worden geacht naast hun reguliere bezigheden zoals een (fulltime) baan en/of studie gebruikelijke hulp te verlenen.
2. In geval van fysieke afwezigheid van de huisgenoot van wie gebruikelijke hulp verwacht mag worden, kan het college een voorziening toekennen voor niet uitstelbare taken indien de betreffende huisgenoot gedurende enkele dagen en nachten per week aaneengesloten afwezig is en daardoor niet in staat is gebruikelijke hulp te verlenen.
3. Bij hulp door minderjarige huisgenoten wordt onderzocht of het vermogen van het desbetreffende kind om huishoudelijk werk te verrichten toereikend is. Meegenomen wordt leeftijd, ontwikkelingsfase en psychosociaal functioneren van de jeugdige.
4. Onder gebruikelijke hulp bij het huishouden verstaat het college in ieder geval regie voeren over het huishouden en het uitvoeren van huishoudelijke (schoonmaak)taken.
Na artikel 6b wordt een nieuw artikel ingevoegd en komt als volgt te luiden:
Artikel 6c. Gebruikelijke hulp bij begeleiding
1. Onder gebruikelijke hulp bij begeleiding verstaat het college in ieder geval:
a. het bieden van begeleiding op het gebied van maatschappelijke participatie;
b. het begeleiden van de hulpvrager bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie en vrienden, de huisarts enzovoort;
c. het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie;
d. het leren omgaan met derden.
Artikel 7 lid 3 sub c wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
Artikel 7. Voorwaarden en weigeringsgronden
3. Het college verstrekt geen woningaanpassing: (…)
c. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen betreft;
Artikel 9 lid 5 en lid 6 worden gewijzigd. Deze komen als volgt te luiden:
5. De hoogte van het pgb tarief voor formele hulp bedraagt voor:
a. Schoon en leefbaar huis € 34,91 per uur
b. Schoon en leefbaar huis met overname regie € 35,45 per uur
c. Z1 Zelfstandig wonen, Z2 Financiën op orde, Z3 Omgang met instanties op orde, Z4 Activiteiten dagelijks leven (ADL) op orde, M4 Sociaal netwerk, M5 Maatschappelijke participatie, G1 Gezondheid en G2 Verslaving € 51,36 per uur
d. M1 Dagbesteding uitstroom (on)betaald werk € 42,98 per dagdeel
e. M2 Dagbesteding naar onderwijs € 74,42 per dagdeel
f. M3 Dagbesteding zinvolle daginvulling € 36,80 per dagdeel
g. M4 Sociaal netwerk in de vorm van logeren op interventieniveau 8 € 231,28 per etmaal
h. G3 Time-out 90% van het vergelijkbare alternatief in natura
i. G3 Begeleid kamerwonen 18+ € 77,45 per etmaal
j. V2 Veilig wonen in de vorm van beschermd wonen € 5.349,39 per maand. Dit is inclusief een vergoeding voor huisvesting (NHC)
k. V2 Veilig wonen in de vorm van thuiswonen+ € 2.959,83 per maand. Dit is exclusief een vergoeding voor huisvesting (NHC).
Bovenstaande bedragen zijn inclusief vervoer.
6. De hoogte van het pgb voor informele hulp voor:
a. Schoon en leefbaar huis is € 20,40 per uur inclusief vakantietoeslag en tegenwaarde verlofuren
b. Z1 Zelfstandig wonen, Z2 Financiën op orde, Z3 Omgang met instanties op orde, Z4 Activiteiten dagelijks leven (ADL) op orde, M4 Sociaal netwerk, M5 Maatschappelijke participatie, G1 Gezondheid en G2 Verslaving is € 24,40 inclusief vakantietoeslag en tegenwaarde verlofuren.
c. M1 Dagbesteding uitstroom (on)betaald werk, M2 Dagbesteding naar onderwijs, M3 Dagbesteding zinvolle daginvulling is € 23,29 per dagdeel
d. M4 Sociaal netwerk in de vorm van logeren op interventieniveau 8 is € 167,03 per etmaal
e. V2 Veilig wonen in de vorm van beschermd wonen is € 3.477,10 per maand
f. V2 Veilig wonen in de vorm van thuiswonen+ is € 1.923,89 per maand.
Artikel 10 lid 4 sub d wordt gewijzigd. Artikel 10 lid 4 sub d komt als volgt te luiden:
Artikel 10. Pgb en financiële tegemoetkoming hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en woonvoorzieningen
d. verhuiskostenvergoeding of het op verzoek van het college ontruimen van de woonruimte:
i. 1, 2 of 3 persoonshuishouden: maximaal € 2.362,- inclusief btw
ii. 4 of meerpersoonshuishouden: maximaal € 2.646,- inclusief btw
Na artikel 15 wordt een nieuw artikel ingevoegd en komt als volgt te luiden:
Artikel 15a. Gebruikelijke hulp ouders voor kinderen
1. Indien sprake is van gebruikelijke hulp, verstrekt het college geen jeugdhulp.
2. Van gebruikelijke hulp is sprake als de hulp valt onder de zorgplicht van ouders voor hun kinderen zoals volgt uit artikel 247 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De wetgever verstaat onder de zorgplicht in ieder geval de volgende acht kernpunten van goed ouderschap:
a. een onvoorwaardelijke toewijding
b. continuïteit in de opvoedingsrelatie
c. verzorging en zorg voor lichamelijk welzijn
d. opvoeding tot zelfstandigheid en sociale en maatschappelijke participatie
e. het organiseren en monitoren van de opvoeding in het gezin, op school en in het publieke domein
f. zorgdragen voor de vorming van de afstammingsidentiteit van het kind
g. zorgdragen voor contact- en omgangsmogelijkheden met voor het kind belangrijke personen
h. een veilige opvoedsituatie van het kind.
3. Bij de beoordeling wordt de in lid 4 van dit artikel opgenomen richtlijn ‘gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel per leeftijd’ als uitgangspunt gehanteerd.
4. Gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel per leeftijd:
Hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;
ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;
zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;
hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij toiletgang;
hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;
hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school oplopend van 22 tot 25 uur per week;
kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);
hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tandenpoetsen;
hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;
zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeel ook. Ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan;
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;
kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;
kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;
hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;
hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;
hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;
hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bijv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Na artikel 15a wordt een nieuw artikel ingevoegd en komt als volgt te luiden:
Artikel 15b. Eigen kracht van de ouders
1. Ook indien sprake is van boven gebruikelijke hulp verstrekt het college geen voorziening voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouders toereikend zijn.
2. Voor het beoordelen van de eigen mogelijkheden van ouders moet een aantal factoren worden onderzocht, die kunnen worden samengevat in de volgende vragen. Na de beantwoording van deze vragen, maakt het college een afweging of de eigen kracht van de ouders de verstrekking van een voorziening overbodig maakt.
a. Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden?
b. Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?
c. Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op?
d. Ontstaan er financiële problemen in het gezin door het bieden van hulp? Het college hanteert bij het beoordelen van deze vraag de volgende uitgangspunten:
i. er ontstaan geen financiële problemen als het gezinsinkomen niet wijzigt door het bieden van hulp door ouders
ii. als het gezinsinkomen wijzigt door het bieden van hulp door ouder(s), moeten ouders aannemelijk maken dat er financiële problemen ontstaan
iii. een voorziening voor jeugdhulp is niet bedoeld als inkomen voor de ouders.
Artikel 18 lid 2, lid 4, lid 5 en lid 6 worden gewijzigd en komen als volgt te luiden:
2. De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt:
a. Z1 Zelfstandig wonen, Z2 Financiën op orde, Z3 Omgang met instanties op orde, Z4 Activiteiten dagelijks leven (ADL) op orde, M4 Sociaal netwerk, M5 Maatschappelijke participatie, G1 Gezondheid en G2 Verslaving € 51,36 per uur
b. M1 Dagbesteding uitstroom (on)betaald werk € 42,98 per dagdeel
c. M2 Dagbesteding naar onderwijs € 74,42 per dagdeel
d. M3 Dagbesteding zinvolle daginvulling € 26,56 per dagdeel
e. G1 Behandeling basis GGZ € 85,19 per uur
f. G1 Behandeling specialistische GGZ, G1 medicatie controle en G2 behandeling verslaving € 93,90 per uur
g. G3 Vaktherapie behandeling € 65,63 per uur
h. G3 Ambulante gezinsbehandeling € 63,34 per uur
i. G3 Verblijf met begeleiding € 142,57 per etmaal
j. G3 Begeleid kamer wonen € 77,45 per etmaal
k. G3 Gezinshuis € 154,22 per etmaal
l. G3 Time-out 90% van het vergelijkbare alternatief in natura
m. M4 Sociaal netwerk in de vorm van logeren op interventieniveau 8 € 231,28 per etmaal
4. De hoogte van het pgb voor informele hulp voor begeleiding is € 24,40 inclusief vakantietoeslag en tegenwaarde verlofuren.
5. De hoogte van het pgb voor informele hulp voor dagbesteding bedraagt € 23,29 per dagdeel.
6. Het college bepaalt bij nadere regels welke voorwaarden gesteld worden aan de verstrekking van een pgb, waaronder de voorwaarden voor het betrekken van ondersteuning van een persoon die behoort tot het sociale netwerk en de voorwaarden die verbonden zijn aan een pgb-beheerder/vertegenwoordiger.
Artikel 19 lid 1 en lid 2 worden gewijzigd en komen als volgt te luiden:
Artikel 19. Regeling bijzondere kosten
1. Het college kan ten behoeve van de jeugdige een vervangende bijdrage ter beschikking stellen, als aan alle volgende criteria is voldaan:
a. de kosten zijn noodzakelijk en bijzonder;
b. er is sprake van een voogdijmaatregel of de jeugdige is onder toezicht gesteld en op grond van een machtiging uit huis geplaatst;
c. voor deze kosten kan geen vergoeding op grond van een andere regeling worden verstrekt;
d. de kosten zijn redelijkerwijs niet te verhalen op de onderhoudsplichtige ouders.
2. De bijdrage zoals bedoeld in lid 1 wordt uitbetaald aan de voogd of de jeugdhulpaanbieder. De voogd of jeugdhulpaanbieder dient aan te tonen dat zij voldoende heeft getracht de ouders aan te spreken op hun onderhoudsplicht, waarop door de ouders geen bijdragen zijn voldaan.
Na artikel 19 wordt een nieuw artikel ingevoegd en komt als volgt te luiden:
Artikel 19a. Regeling zak- en kleedgeld
1. Het college kan ten behoeve van de jeugdige die verblijft in een jeugdhulpvoorziening, niet zijnde pleegzorg, zak- en kleedgeld ter beschikking stellen:
a. zakgeld: voor jeugdige vanaf 6 jaar tot 12 jaar
b. zak- en kleedgeld: voor jeugdigen ouder dan 12 jaar tot maximaal 23 jaar wanneer er sprake is van verlengde jeugdhulp.
2. Bij een verzoek voor zak- en kleedgeld toont de jeugdhulpaanbieder aan dat zij voldoende heeft getracht de ouders aan te spreken op hun onderhoudsplicht, waarop door de ouders geen bijdragen zijn voldaan.
3. De hoogte van het zakgeld en het zak- en kleedgeld wordt gebaseerd op de Nibud-norm.
4. Het zakgeld en het zak- en kleedgeld wordt uitbetaald aan de jeugdhulpaanbieder.
Artikel II Wijziging toelichting
De toelichting op artikel 7 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
Artikel 7. Voorwaarden en weigeringsgronden
De gemeente is verplicht om een aantal onderwerpen in de verordening te regelen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de voorwaarden en weigeringsgronden. Dit blijkt uit artikel 2.1.3 Wmo 2015. In de verordening moet staan op basis van welke criteria de gemeente bepaalt of een cliënt een maatwerkvoorziening krijgt.
Om een maatwerkvoorziening op een bepaalde grond te kunnen weigeren, moet deze dus in de verordening staan, zie CRvB 8-02-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:433.
Anders dan de Wmo 2007 kent de Wmo 2015 het begrip 'voorliggende voorziening' niet. De gemeente kan de voorliggende wettelijke voorziening daarom niet als afwijsgrond gebruiken.
Een aanvraag kan wel worden afgewezen als blijkt dat cliënt op eigen kracht zelfredzaam is en/of voldoende kan participeren (artikel 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo 2015). Als een cliënt zijn beperking kan opheffen door daadwerkelijk aanspraak te maken op een andere wet, is er voldoende eigen kracht. Andere wetten zijn bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet, de Wlz of de Participatiewet.
Onder eigen kracht valt ook het aanspraak maken op voorzieningen die onder een andere wettelijke regeling vallen. CRvB 31-5-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1046.
Eigen mogelijkheden daadwerkelijk aanwezig
De gemeente kan alleen rekening houden met de eigen mogelijkheden van de cliënt als die mogelijkheden echt aanwezig zijn. Het verstrekken van een tijdelijke voorziening met als doel het sociale netwerk van de cliënt uit te breiden, verhoudt zich niet met de in de Wmo 2015 bedoelde eigen mogelijkheden. Rechtbank Limburg 24-7-2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:7066.
Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de Wmo. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond.
Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. Bij de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, wordt altijd gekeken naar de individuele situatie. De volgende criteria worden gebruikt bij het beoordelen van de algemeen gebruikelijkheid (zie ECLI:NL:CRVB:2019:3535)
a. is het middel niet speciaal voor mensen met een handicap of beperking?
b. is het middel daadwerkelijk beschikbaar?
c. levert het middel een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is?
d. kan het middel worden betaald door iemand met een minimum inkomen?
Indien alle vier de vragen met ‘ja’ kunnen worden beantwoord is in de regel sprake van een algemeen gebruikelijke voorziening. Hoe de gemeente Assen berekent of een middel betaald kan worden door iemand met een minimum inkomen gebruiken wij de volgende berekening. Een (hulp)middel kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau indien de kosten daarvan binnen een termijn van 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt.
Dit lid bepaalt dat een voorziening slechts kan worden toegekend indien deze langdurig noodzakelijk is. Waar de grens tussen tijdelijk en langdurig gelegd moet worden is niet duidelijk aan te geven. Dit volgt niet uit de wet. Een afbakening die gemaakt kan worden, is door te kijken naar andere regelgeving die voor beperkte duur voorzieningen verstrekken, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw). Vanuit de Zvw kunnen hulpmiddelen ten hoogste 26 weken verstrekt worden. In individuele gevallen kan hiervan worden afgeweken.
Er wordt onder andere meegewogen of herstel mogelijk is en binnen welke termijn en of het gaat om een voorziening die naar zijn aard tijdelijk kan worden verstrekt zoals een taxipas of om een permanente voorziening zoals een woningaanpassing.
Met langdurig wordt bedoeld dat de cliënt voor langere tijd aangewezen moet zijn op de desbetreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vaststaat dat de beperkingen slechts tijdelijk zijn, niet voor een voorziening in aanmerking komt. Degene die voor 'beperkte of onzekere duur' beperkingen ondervindt kan een beroep doen op de Zorgverzekeringswet.
Deze voorwaarde betekent in ieder geval niet dat terminale patiënten geen beroep op de gemeente kunnen doen. Wel zal bij de advisering en de keuze voor de soort voorziening rekening gehouden moeten worden met het feit dat het een terminale patiënt betreft.
In dit lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op een maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zouden worden aangeduid met de term 'woonvoorziening', een term die binnen de Wmo 2015 ook gebruikt kan worden.
In beginsel wordt een voorziening niet verstrekt als het een aanpassing aan een gemeenschappelijke ruimte betreft. Hier kan van worden afgeweken voor de zaken die in dit lid zijn genoemd conform de afspraken met woningbouwverenigingen.
In dit lid is een regeling getroffen wanneer een maatwerkvoorziening moet worden getroffen ter vervanging van eerder toegekende voorzieningen. Een maatwerkvoorziening wordt echter niet toegekend indien het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.
De toelichting op artikel 8 lid 3 wordt gewijzigd. De toelichting op artikel 8 lid 3 komt als volgt te luiden:
Als een maatwerkvoorziening wordt toegekend in de vorm van een pgb wordt eveneens hetgeen in het tweede lid staat opgenomen in de beschikking. Aanvullend daarop benoemt het besluit de eisen die gelden voor de besteding van het pgb, de hoogte ervan en de wijze van berekening en de wijze waarop de budgethouder verantwoording aflegt over de besteding ervan.
De financieel-administratieve afhandeling van het pgb gebeurt verplicht voor alle budgethouders door de SVB. De budgethouder heeft een trekkingsrecht. Alle bestedingen worden door de SVB bijgehouden en zijn inzichtelijk voor de budgethouders en gemeente. De gemeente toetst vooral vooraf. Het geld kan alleen besteed worden aan wat is afgesproken (toets SVB bij betalen facturen). Gemeenten hebben steeds inzage in de bestedingen.
Toegekende ondersteuning wordt door de medewerkers van de gemeente geëvalueerd. Dat betekent dat met betrokkenen gesproken wordt over de beoogde resultaten en of de ondersteuning daaraan bijdraagt. Dit gebeurt ook bij het toekennen van een pgb. Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, vragen wij in de (tussen)evaluatie ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet.
De toelichting op artikel 9 wordt gewijzigd.
Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b) en aan de voorwaarden voldoet.
In de volgende leden wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.).
We hanteren afzonderlijke tarieven voor formele en informele zorg. Als uitgangspunt geldt dat het tarief voor formele zorg 90% bedraagt van het tarief voor zorg in natura. De administratieve last in het geval van een pgb ligt bij de budgethouder/cliënt en niet bij de aanbieder/uitvoerder van de hulp. Een deel van de overhead bij de aanbieder valt hierdoor weg. De tarieven zijn vastgesteld in eenheden omdat dit het makkelijker maakt voor pgb houders om de ondersteuning in te kopen. Niet alle zorgaanbieders hanteren tarieven gebaseerd op een resultaat. Hierdoor worden daarnaast eventuele discussies over de toereikendheid van het pgb vereenvoudigd.
Het pgb voor informele hulp is eveneens vastgesteld in eenheden. Deze tarieven zijn lager dan de tarieven voor formele hulp aangezien voor hulpverleners uit het sociaal netwerk geen arbeidsrechtelijke verplichtingen (o.a. werkgeverslasten), verzekeringen, reiskosten gelden en omdat andere kwaliteitseisen worden gesteld t.o.v. de aanbieder van formele zorg (o.a. opleidingsniveau).
Uit jurisprudentie blijkt dat het onderscheid tussen formele en informele zorg niet altijd zwartwit is, daarom wordt een nadere uitwerking van de kaders (waaronder de invulling van de begrippen), opgenomen in de nadere regels.
Voor Schoon en leefbaar huis wordt het uurtarief voor het pgb informele zorg als volgt vastgesteld: de hoogste periodiek voor hulp in het huishouden van de CAO VVT vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Dit is gebaseerd op de volgende uitspraak van de CRvB: ECLI:NL:CRVB:2023:1394.
Voor Z1 Zelfstandig wonen, Z2 Financiën op orde, Z3 Omgang met instanties op orde, Z4 Activiteiten dagelijks leven (ADL) op orde, M4 Sociaal netwerk, M5 Maatschappelijke participatie, G1 Gezondheid en G2 Verslaving wordt het uurtarief voor het pgb informele zorg als volgt vastgesteld: de hoogste periodiek van FWG 30 van de CAO VVT vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Dit is gebaseerd op de volgende uitspraak van de CRvB: ECLI:NL:CRVB:2023:1580.
Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de Wmo). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen.
Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserend door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura.
Na de toelichting op artikel 15 wordt een nieuwe toelichting ingevoegd. Deze komt als volgt te luiden:
Artikel 15a. Gebruikelijke hulp ouders voor kinderen
Ouders hebben op grond van artikel 247 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een zorgplicht voor hun kinderen. Zij dienen te zorgen voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen. Onder opvoeding en verzorging wordt mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind. Ook het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid valt hieronder. Het ouderlijk gezag omvat ook de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. De zorgplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindigen van de relatie. Het college houdt in dat geval wel rekening met de eventueel door de rechtbank vastgelegde afspraken.
Ook zorgen de ouders voor een woonomgeving waarin fysieke en sociale veiligheid van de kinderen is gewaarborgd, evenals een passend pedagogisch klimaat. De ouders bieden hun kinderen zorg in de zin van verzorging, begeleiding en stimulans die nodig en passend is bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.
De acht kernpunten voor goed ouderschap staan beschreven in Handelingen II 2018-2019, 33 836, nr 45, pagina 5.
Na de toelichting op artikel 15a wordt een nieuwe toelichting ingevoegd. Deze komt als volgt te luiden:
Artikel 15b. Eigen kracht van de ouders
Artikel 2.3 van de Jeugdwet bepaalt dat het college slechts een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. De kern is dat ouders op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening niet nodig.
De toelichting op artikel 17 lid 3 wordt gewijzigd. De toelichting op artikel 17 lid 3 komt als volgt te luiden:
Als een individuele voorziening wordt toegekend in de vorm van een pgb wordt eveneens hetgeen in het tweede lid staat opgenomen in de beschikking. Aanvullend daarop benoemt het besluit de eisen die gelden voor de besteding van het pgb, de hoogte ervan en de wijze van berekening en de wijze waarop de budgethouder verantwoording aflegt over de besteding ervan.
De financieel-administratieve afhandeling van het pgb gebeurt verplicht voor alle budgethouders door de SVB. De budgethouder heeft een trekkingsrecht. Alle bestedingen worden door de SVB bijgehouden en zijn inzichtelijk voor de budgethouders en gemeente. De verantwoording is daarmee voor budgethouders eenvoudiger, dan voorheen. De gemeente toetst vooral vooraf. Het geld kan alleen besteed worden aan wat is afgesproken (toets SVB bij betalen facturen). Gemeenten hebben steeds inzage in de bestedingen.
Toegekende ondersteuning wordt door de medewerkers van de gemeente geëvalueerd. Dat betekent dat met betrokkenen gesproken wordt over de beoogde resultaten en of de jeugdhulp daaraan bijdraagt. Dit gebeurt ook bij het toekennen van een pgb. Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, vragen wij in de (tussen)evaluatie ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte jeugdhulp aan de kwaliteitseisen voldoet.
De toelichting op artikel 19 wordt gewijzigd. De toelichting komt als volgt te luiden:
Artikel 19. Regeling bijzondere kosten
Er kan een bijdrage worden gegeven voor noodzakelijke en bijzondere kosten als de jeugdige aan de criteria voldoet. Voorbeelden van noodzakelijke en bijzondere kosten zijn:
Aansprakelijkheidsverzekering
Onderwijskosten (zoals lesgeld, schoolboeken, tas en schoolspullen, bijdrage schoolreis)
Reiskosten ouders voor bezoek kind
Vakantiekamp voor jeugdige met beperking
Inrichtingskosten en dagvergoeding zelfstandig wonen
Ziektekosten en zorgverzekering
De regels voor zak- en kleedgeld worden beschreven in artikel 19a.
De voogd of de jeugdhulpaanbieder kan een verzoek voor vergoeding van bijzondere kosten doen. Bij dit verzoek moet de voogd of de jeugdhulpaanbieder aantonen welke inspanningen zij hebben gedaan om ouders te wijzen op de onderhoudsplicht en welk antwoord ouders daarop gegeven hebben. Of de ouders aan hun onderhoudsplicht kunnen voldoen moet blijken uit verkregen gegevens omtrent hun inkomen- en vermogen situatie.
Uitzonderingen hierbij kunnen zijn:
als de verblijfsplaats van ouders onbekend is
als in belang van de jeugdige contact met ouders niet wenselijk is.
Of de ouders aan hun onderhoudsplicht kunnen voldoen moet blijken uit verkregen gegevens omtrent hun inkomen- en vermogen situatie.
Na de toelichting op artikel 19 wordt een nieuwe toelichting ingevoegd. Deze komt als volgt te luiden:
Artikel 19a. Regeling zak- en kleedgeld
Het zak- en kleedgeld is een voorbeeld van bijzondere kosten maar kent andere voorwaarden dan de noodzakelijke en bijzondere kosten. De voorwaarden staan in dit artikel uitgelegd.
De voogd of de jeugdhulpaanbieder kan een verzoek voor vergoeding van zak- en kleedgeld doen. Bij dit verzoek moet de voogd of de jeugdhulpaanbieder aantonen welke inspanning zij hebben gedaan om ouders te wijzen op de onderhoudsplicht en welk antwoord ouders daarop gegeven hebben.
Uitzonderingen hierbij kunnen zijn:
als de verblijfsplaats van ouders onbekend is
als in belang van de jeugdige contact met ouders niet wenselijk is
Of de ouders aan hun onderhoudsplicht kunnen voldoen moet blijken uit verkregen gegevens omtrent hun inkomen- en vermogen situatie.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-543119.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.