Gemeenteblad van Tilburg
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Tilburg | Gemeenteblad 2024, 535303 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Tilburg | Gemeenteblad 2024, 535303 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Jeugdhulp gemeente Tilburg 2025
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Huisgenoot: ouders en kinderen die met elkaar in een huis wonen zijn huisgenoten. Ook anderen kunnen als huisgenoot worden aangemerkt indien zijn feitelijk met de jeugdige in hetzelfde huis wonen en uit factoren blijkt dat zij in een bepaalde mate (sociaal en/of financieel) een relatie onderhouden met de jeugdige waardoor van hen in redelijkheid mag worden verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden aan de jeugdige. Als anderen een commerciële huurrelatie hebben met de ouders van de jeugdige, zijn zij geen huisgenoot in de zin van de Jeugdwet.
Plan van aanpak: een plan waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen en hoe deze te bereiken, evenals de bijdrage die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren betreffende de uitvoering van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Het Plan van aanpak bestaat uit een integrale (vraag)analyse en een beschrijving van de te behalen resultaten.
Professionele zorgverlener: een onderneming bedoeld in artikel 5, onderdelen a, b, c, d of e van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving van het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van jeugdhulp die meerdere personeelsleden in dienst heeft of die toebehoort aan een zelfstandige zonder personeel.
Hoofdstuk 2 - Vormen van jeugdhulp
Artikel 2.3 Voorwaarden individuele voorziening jeugdhulp
Als er sprake is van een aanvraag voor een individuele voorziening voor een jeugdige van 16 jaar of ouder moet er door Toegang Tilburg, gecertificeerde instelling en jeugdhulpaanbieder in het Plan van aanpak expliciet worden vermeld hoe lang de ondersteuning naar verwachting nodig is. Indien naar verwachting ook na het 18e jaar nog hulp nodig is wordt nagedacht op welke wijze en via welke financieringsstroom dit vorm krijgt (WMO, zorgverzekering, Wlz, verlengde Jeugdhulp). Input voor het Plan van aanpak wordt mede geleverd door jeugdhulpaanbieders en/of gecertificeerde instellingen via het Perspectiefplan 18+. Uiterlijk bij de leeftijd van 17 en een half jaar moet duidelijk zijn of en welke ondersteuning er nodig is vanaf het 18e levensjaar en hoe dit geregeld gaat worden c.q. binnen welk wettelijk kader deze ondersteuning dient te vallen.
Hoofdstuk 3 - Procedure toegang jeugdhulp via de gemeente
Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk (maar binnen een termijn van 2 weken) met hem en/of zijn ouders een afspraak voor een gesprek. Hierbij brengt het college de jeugdige en/of zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om zelf een familiegroepsplan op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.
Voor het gesprek verschaffen de jeugdige en/of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige en/of zijn ouders geven inzage in een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de wet op de identificatieplicht.
In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk doch binnen vijf dagen een passende tijdelijke voorziening of vraagt het college een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp aan. In het geval dat de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de beslissing omtrent de inzet vast in een beschikking als bedoeld in artikel 3.6.
Artikel 3.6 Inhoud beschikking
De ouder(s) en/of vertegenwoordiger stellen samen een budgetplan op waarin ze aangeven hoe de ondersteuning wordt verleend. Toegang Tilburg beoordeelt of hiermee de doelen zoals beschreven in het Plan van aanpak redelijkerwijs kan worden behaald. Indien Toegang Tilburg van mening is dat het resultaat niet kan worden behaald, wordt het budgetplan afgewezen.
Het is aan de jeugdige en of ouder(s) om samen met de zorgverlener afspraken te maken over het tarief per uur, dagdeel of etmaal en dit op te nemen in het budgetplan. De hoogte van het tarief hoeft niet te corresponderen met de tarieven zoals in dit hoofdstuk beschreven. Het is toegestaan om een lager tarief met de zorgverlener af te spreken mits dit tarief niet lager is dan het geldende minimumloon.
Informele zorgverleners uit het eigen sociale netwerk en overige niet – gekwalificeerde zorgverleners ontvangen het tarief voor informele zorg. Bij vaststelling of er sprake is van een formeel (geleverd door professionele zorgverlener die voldoet aan de kwalificaties zoals genoemd in artikel 3.9 lid 3 of informeel (geleverd door informeel zorgverlener) tarief, geldt dat 1e, 2e & 3e graads familiebanden voorgaan op de kwalificatie. Ook in geval van het voeren van een gezamenlijke huishouding gaat de relationele band voor op de kwalificatie.
Als de ouder(s) en of jeugdige een pgb vertegenwoordiger heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, dan mag om belangenverstrengeling te voorkomen, deze vertegenwoordiging niet de zorgverlener zijn van de diensten die met het pgb worden ingekocht. Voor zorgverleners uit het sociale netwerk van de jeugdige en of ouder(s), geldt dat deze wel vertegenwoordiger én zorgverlener van de zorg mogen zijn.
De persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt, danwel de vertegenwoordiger, mag met de zorgverlener geen afspraak maken op basis waarvan de SVB de zorgverlener middels een vast maandloon uitbetaalt zonder dat de persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt de factuur heeft geaccordeerd. Dit betekent dat de zorgverlener maandelijks een factuur met daadwerkelijk gerealiseerde uren aan de persoon die het persoonsgebonden budget beheert ter accordering aanbiedt.
Art 3.8 Tarieven persoonsgebonden budget
De hoogte van het persoonsgebonden budget voor professionele zorgverleners is gelijk aan de werkelijke kosten tot het maximum van het toepasselijke pgb bedrag zoals opgenomen in bijlage 1. Aan deze pgb tarieven liggen de tarieven zorg in nature ten grondslag. De pgb tarieven zijn gebaseerd op 85% van de kostprijs zorg in natura.
De tarieven zoals opgenomen in bijlage 1 betreffen de bedragen zoals die gelden per 1 januari 2024. Jaarlijks worden deze bedragen, per 1 januari, verhoogd met een indexering. Voor wat betreft het bepalen van het indexeringspercentage wordt aangesloten bij de indexering die de gemeente betaalt aan de door haar gecontracteerde zorgaanbieder voor de betreffende voorziening in natura. Is in het contract geen indexering voorzien, dan wordt ook het pgb niet verhoogd. Jaarlijks publiceert het college de pgb bedragen, vermeerderd met indexering, zoals die gelden voor professionele dienstverlening per 1 januari van het betreffende kalenderjaar.
De persoonsgebonden budgetten voor informele zorgverleners voor begeleiding en persoonlijke verzorging zijn gebaseerd op het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. De persoonsgebonden budgetten worden geïndexeerd conform deze cao. Jaarlijks, en vaker indien nodig vanwege een aanpassing van de cao, publiceert het college het pgb bedrag.
Onder een professionele zorgverlener verstaan we een onderneming zoals bedoeld in artikel 5, onderdelen a, b, c, d of e van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving van het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg die meerdere personeelsleden in dienst heeft of die toebehoort aan een zelfstandige zonder personeel. In artikel 3.9 staan de eisen waaraan een professionele zorgverlener moet voldoen om voor het hoge tarief in aanmerking te komen.
Artikel 3.10 Vervoersvoorzieningen in de vorm van een pgb
Het college bepaalt de looptijd van de vervoersvoorziening en welke vervoersvoorziening het goedkoopst passend is. De hoogte van de vergoeding voor het OV is op basis van de werkelijke kosten. De kilometervergoeding voor eigen vervoer bedraagt €0,23 per kilometer en betreft retour vervoer van een jeugdige van het huisadres naar de jeugdhulpvoorziening.
Artikel 3.12 Beoordelingscriteria eigen kracht
Onder gebruikelijke hulp verstaan we de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Bij hen ligt de verplichting de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:
Indien er sprake is van hulp die het gebruikelijke overstijgt dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurende situaties:
Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders (beschikbaarheid van ouders, de belasting van ouders en de financiële situatie van de ouders) dan wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt hiervoor dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat zij hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoed, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
Hoofdstuk 4 – Toegang anders dan gemeente
Artikel 4.1 Toegang jeugdhulp via het medisch domein
Ter waarborging van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening door een jeugdhulpaanbieder, kan het college bij een aanvraag door een jeugdhulpaanbieder als bedoeld in dit artikel op basis van signalen of steekproefsgewijs een toets uitvoeren of de zorg en de omvang passend is en of de resultaten voldoende concreet zijn geformuleerd.
Artikel 4.2 Toegang jeugdhulp via justitieel kader
Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van de jeugdreclassering.
Hoofdstuk 5 - Toezicht en handhaving
Artikel 5.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering
Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, doet op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.
Als er sprake is van een individuele voorziening kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van de budgethouder een vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 5.2 Voorkomen en bestrijding misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik
Het college maakt afspraken met jeugdhulpaanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
Artikel 5.3 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 8.2 Voorwaarden voorziening
Het college kan aan het verstrekken van een voorziening voorwaarden verbinden, die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde voorziening.
Artikel 8.3 Nadere regels jeugdhulp
Het college stelt Nadere regels jeugdhulp vast. Deze regels geven invulling aan de uitvoering van deze verordening.
Toelichting op de verordening jeugdhulp
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
Het gesprek is het mondeling contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin het college - in de praktijk zal het college deze bevoegdheid mandateren aan deskundigen - met degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen, de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen.
Hoofdstuk 2 - Vormen van jeugdhulp
Artikel 2.1 Overige voorzieningen
Dit artikel is een uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen. Zie de definitie van het begrip “overige voorzieningen” neergelegd in artikel 1.1 van deze verordening.
Hoewel het begrip Overige voorziening in de Jeugdwet zelf niet expliciet wordt gedefinieerd, mag uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet worden afgeleid dat het begrip eenzelfde positie heeft als het begrip "algemene voorziening” binnen de kaders van de Wmo 2015.
Bij een ‘overige voorziening’ gaat het om aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Hoewel deze voorzieningen niet specifiek bestemd zijn voor, noch te gebruiken zijn door alle jeugdigen en/of hun ouders, zijn ze anderzijds door iedereen waarvoor ze wel bedoeld zijn op eenvoudige wijze, zonder een aanvraagprocedure, te verkrijgen of te gebruiken. Het moet gaan om aanbod door of namens het college georganiseerd. Lokaal aanbod van diensten waar de gemeente Tilburg geen bemoeienis mee heeft valt dus niet onder de reikwijdte van het begrip overige voorziening.
Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn:
Soms gaat het om voorzieningen waarbij de inzet van vrijwilligers een grote rol speelt.
Een overige voorziening is per definitie geen individuele voorziening, met name gelet op de vrije toegankelijkheid van een overige voorziening.
Het onderscheid tussen een overige en individuele voorziening is van belang gelet op de mogelijkheid voor het college om te bepalen dat een jeugdige niet in aanmerking komt voor een individuele voorziening als er een passende overige voorziening beschikbaar is. De wetgever heeft dit overigens niet met zoveel woorden geduid in de jeugdwet zelf, maar wel in de memorie van toelichting (TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 136). Zie in dat licht ook artikel 3.3 lid 1 sub e van de verordening.
Artikel 2.2 Individuele voorzieningen
Dit artikel geeft een uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de wet, komt naar voren dat de burger recht heeft op een beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente.
Een aantal voorzieningen toegelicht:
Ambulante specialistische jeugdhulp; dit is begeleiding en behandeling van jeugdigen en/of hun ouders, als voor de hulpvraag specifieke kennis/expertise noodzakelijk is. Ook ververvoer van, naar of vanaf de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, valt hieronder. Er is sprake van individueel vervoer als de jeugdige alleen wordt vervoerd naar de jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige met een rolstoel in een taxibus wordt vervoerd is er sprake van rolstoelvervoer. Er is sprake van lopend vervoer als de jeugdige op een stoel in de taxibus wordt vervoerd.
2. Individuele voorziening met verblijf:
Artikel 2.3 Voorwaarden individuele voorziening jeugdhulp
Dit artikel geeft aan dat het college de goedkoopst passende voorziening verstrekt. Het derde lid waarborgt dat de jeugdhulpaanbieder - ook wanneer deze jeugdhulp biedt in het buitenland - binnen de kaders van het Nederlands recht en de Nederlandse inspecties dient te opereren.
Hoofdstuk 3 - Procedure toegang jeugdhulp via gemeente
In dit artikel zijn verschillende procedure afspraken opgenomen die gelden bij de procedure toegang jeugdhulp via de gemeente. Deze hebben te maken met het besluit en de start zorg van een jeugdhulpaanbieder bij een afgegeven besluit.
Jeugdigen en/of ouders kunnen zich met een hulpvraag wenden tot het college.
Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van een hulpvraag, waarna de fase van het onderzoek start.
Bij de melding van de hulpvraag wordt In het kader van de rechtmatigheid in ieder geval de identiteit van de jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (lid 5). De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Tevens wordt beoordeeld of het college op grond van artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze wet te treffen.
Er is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige bureaucratie (lid 6). Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien.
Als een eerste contact met Toegang Tilburg voldoende concreet en schriftelijk is, kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders worden afgezien van een vooronderzoek en meteen worden overgegaan tot een aanvraag.
Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie (wijkteam) plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet plaatsvinden. In de onderdelen a tot en met h zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de wet [en de verordening] vermelde uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken. Afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige wordt rekening gehouden met zijn/haar mening en voorkeur over de in te zetten ondersteuning (lid twee).
Het derde lid bevestigt de regeling van het familiegroepsplan, in de wet (artikel 2.1, onder g, in samenhang met artikel 1.1). De wet vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven.
Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Het college verstrekt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de jeugdige. De schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek wordt ook gebruikt als een met de jeugdige en of ouders overeengekomen plan waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de jeugdige en of ouders dit plan ondertekenend. Afhankelijk van de leeftijd ondertekent de jeugdige het Plan van aanpak. Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het herstellen van feitelijke onjuistheden is vormvrij (tweede lid).
Jeugdigen of ouders kunnen een aanvraag jeugdhulp schriftelijk indienen. In de Jeugdwet zelf zijn geen termijnen opgenomen voor de periode van onderzoek of het nemen van een besluit op een aanvraag jeugdhulp. Om die reden zijn de termijnen van de Awb van toepassing. Toegang Tilburg beoordeelt welke aanbieder het beste bij de problematiek van de jeugdige past. Als blijkt dat er een noodzaak is voor hoog specialistische jeugdhulp wordt door Toegang Tilburg zo snel mogelijk contact opgenomen met Crossroads. Crossroads bepaalt de aard van de hoog specialistische jeugdhulp en neemt namens de gemeente een besluit. In alle andere gevallen bepaalt de Toegang Tilburg de aard en omvang van de jeugdhulp en stuurt de gemeente een beschikking met een beknopt plan jeugd of een formulier onderbouwing aanvraag als bijlage. Het is mogelijk (via de reguliere procedure) om hier bezwaar tegen te maken. De afhandeling van bezwaarzaken wordt afgehandeld door de afdeling Juridische Zaken van de gemeente Tilburg.
Artikel 3.6 Inhoud beschikking
Indien de jeugdige of zijn ouders een aanvraag bij het college indienen, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen zij bezwaar en beroep kunnen indienen. In de beschikking staat de informatie die voor de ouder(s) en of jeugdige nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen.
In lid 1 is opgenomen dat het college een persoonsgebonden budget verstrekt in overeenstemming met de wet. Een pgb wordt alleen verstrekt als de jeugdige en of ouder(s) dit wenst en hier gemotiveerd om vraagt. Door deze motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Een persoonsgebonden budget is bedoeld voor jeugdigen en ouder(s) met een specifieke zorgbehoefte waarbij het zorg in natura aanbod niet voldoende passend is en nadrukkelijk geen alternatieve financieringsstroom voor niet gecontracteerde zorgaanbieders.
Toegang Tilburg stelt vast of de ouder(s) (of de pgb vertegenwoordiger voldoende regievaardig is voor het uitvoeren van de taken die behoren bij het persoonsgebonden budget. In een Plan van aanpak worden de te behalen resultaten, de aard en omvang van de benodigde zorg vastgelegd.
Jeugdige of hun ouders dienen zelf bij te betalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan in de betreffende situatie goedkoopst passend door het college te bieden individuele voorziening in natura. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan deze door het college te bieden individuele voorziening in natura (lid 6 sub c).
In lid 9 staat dat jeugdhulp geleverd door een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder een sociale relatie onderhoudt altijd wordt aangemerkt als informele zorgverlening.
Lid 14: Vanuit de SVB bestaat de mogelijkheid dat budgethouder en zorgverlener in de zorgovereenkomst een vast maandloon overeenkomen. Maandelijkse betaling aan de zorgverlener vindt dan automatisch plaats door SVB zonder vooraf ontvangen factuur of specificatie. Dergelijke afspraken zijn niet wenselijk, omdat zorg in de praktijk veelal fluctueert en een vast maandloon daar geen rekening mee houdt. Het is belangrijk dat de budgethouder per maand te zien krijgt welke zorg er is geleverd en wat de daarmee samenhangende kosten zijn.
Art 3.8 Tarieven persoonsgebonden budget
In art 3.8 is de tariefstelling van de persoonsgebonden budgetten geregeld. In lid 1 is het tarief vastgelegd voor professionele zorgverlening, die dus voldoet aan alle kwaliteitseisen uit de jeugdwet en genoemde eisen in bijlage 2 en 3. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Conform de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB d.d. 16 augustus 2023) is in lid 3 geregeld dat het tarief voor een pgb voor informele hulp overeenkomt met de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT).
Art 3.9 Eisen ten aanzien van de zorgverlening in de vorm van een pgb
De kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp dient naar het oordeel van het college geborgd te zijn. In dit artikel zijn de kwaliteitseisen opgenomen om een goede kwaliteit en deskundigheid van professionele zorgverleners te waarborgen. Het college ziet toe op de kwaliteit van jeugdhulpverleners door periodieke overleggen, een jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek en indien nodig het controleren van de geleverde diensten. Het college ziet toe op de kwaliteit van professionele zorgverleners door steekproefsgewijs onderzoek onder andere naar de resultaten van de ondersteuning. Bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordeelt het college of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd.
Artikel 3.10 Vervoersvoorzieningen in de vorm van een pgb
Dit artikel gaat in op de voorwaarden voor een vervoersvoorziening. Het vraagstuk vervoer staat centraal, waarbij er wordt gekeken naar een oplossing die aansluit op de ondersteuningsbehoefte van de aanvrager. Het vervoer wordt toegekend over de retour afstand tussen het adres van de jeugdige en het adres van de locatie waar jeugdhulp wordt geboden. Het college bepaalt onder meer de looptijd van de vervoersvoorziening dan wel de hoogte van de vergoeding (lid 3).
Dit artikel geeft aan dat het voor het college mogelijk is om een extern deskundige om advies te vragen in het onderzoek. De jeugdige en/of ouders worden hiervan op de hoogte gesteld.
Artikel 3.12 Beoordelingscriteria voor (boven)gebruikelijke hulp/eigen kracht ouders
De Centrale Raad van Beroep heeft op 29 mei 2024 geoordeeld dat in de gemeentelijke verordening een hoofdrichting moet zijn opgenomen over hoe om te gaan met de voorwaarde “eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen” van ouders. Dit artikel beoogt hier invulling.
Al de afwegingscriteria en beoordelingsfactoren uit dit artikel geven invulling aan het begrip eigen kracht. Liever zouden we hier samenkracht van maken. We willen ouders en jeugdigen in staat stellen om de uitdagingen van het leven waar mogelijk samen met omgeving aan te gaan. Door hulp te kunnen en durven vragen aan de directe omgeving en steun te ervaren van familie, vrienden maar ook vanuit het netwerk, de buurt, de sportvereniging of school.
Indien dit netwerk (nog) niet beschikbaar is dan is er toegang tot een individuele voorziening tot jeugdhulp waarin één van de doelen is te onderzoeken hoe de ouders/jeugdigen het (op termijn) weer zelf kunnen regelen om zo ook de ouders/jeugdigen nog meer regie te geven over hun eigen situatie (versterking van de eigen kracht en zelfredzaamheid).
In lid 1 is opgenomen dat ouders en jeugdigen pas in aanmerking komen voor jeugdhulp als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag. Het uitgangspunt is er eerst wordt gekeken naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (eigen kracht).
In lid 2 staat uitgelegd wat er wordt verstaan onder gebruikelijke hulp en welke verplichting er rust bij ouders voor de verzorging, opvoeding, begeleiding en toezicht op hun kinderen. Deze verplichting vloeit voor uit artikel 1:247 BW waarin de wetgever heeft vastgelegd dat ouders (met ouderlijk gezag) de plicht hebben hun minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding wordt verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijke en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn of haar persoonlijkheid.
In lid 3 zijn de factoren opgenomen die bepalend zijn of er sprake is van gebruikelijke hulp.
In lid 4 is opgenomen dat indien er sprake is van gebruikelijke hulp hier in beginsel geen individuele voorziening tot jeugdhulp voor wordt verstrekt tenzij er sprake is van (dreigende) overbelasting.
In lid 5 wordt een onderscheid gemaakt tussen een kortdurende en een langdurige situatie. Indien er sprake is van een kortdurende situatie wordt in beginsel verwacht dat ouders de zorg zelf bieden (lid 6) tenzij er sprake is van (dreigende) overbelasting.
Een langdurige situatie vraagt andere beoordelingscriteria dan een kortdurende situatie. In lid 7 is opgesomd met welke factoren bij de beoordeling rekening wordt gehouden. Als alle factoren mee zijn gewogen en het (zelf) verlenen van de zorg levert geen problemen op dan wordt van ouders verwacht dat zij deze zorg (deels) zelf leveren (lid 8) en wordt er geen individuele voorziening voor jeugdhulp versterkt. Ook indien het sociale netwerk van de ouders en/of de jeugdige (een deel) ondersteuning kan bieden wordt verwacht dat ouders hier ook gebruik van maken. Het doel is juist om ouders weer in hun kracht te zetten en daarmee de regie te laten houden.
Er zijn ouders die een aanvullende zorgverzekering hebben (lid 10) waaruit zorg kan worden vergoed. Indien daar sprake van is dan verwachten wij van ouders dat ze hier eerst gebruik van maken. Alleen indien dit niet toereikend is kan aanspraak worden gemaakt op een individuele voorziening voor jeugdhulp.
Indien er sprake is van (dreigende) overbelasting (lid 11) wordt altijd ook gekeken naar zowel de oorzaak van deze (dreigende) overbelasting én het verband met de zorg aan de jeugdige. De overbelasting bij de ouder(s) moet (mede) worden veroorzaakt door de zorg voor de jeugdige. Indien de overbelasting ontstaat door andere factoren (zoals een stressvolle baan, veel uren werken) zal op dat vlak naar een oplossing moeten worden gezocht. In sub d is opgenomen dat het verlenen van hulp aan je kind in beginsel voor gaat op sociale/maatschappelijke activiteiten. Hiermee wordt niet beoogd dat ouders geen enkele sociale of maatschappelijke activiteit meer mogen uitoefenen of bijwonen. Hierin moet sprake zijn van een bepaalde mate van redelijkheid in het aantal activiteiten en de tijdsduur.
Indien er sprake is van een informeel persoonsgebonden budget voor zorg aan de jeugdige en er is sprake van (dreigende) overbelasting dan kan het (tijdelijk) stopzetten van dit Pgb een mogelijkheid zijn om de (dreigende) overbelasting te stoppen doordat een andere zorgverlener de zorg (tijdelijk) overneemt.
Hoofdstuk 4 – Toegang anders dan gemeente
Artikel 4.1 Toegang jeugdhulp via het medisch domein
In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel e, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige zich rechtstreeks melden bij de jeugdhulpaanbieder. Dit is niet van toepassing als de hulpvraag hoog specialistische hulp vereist. Hoog specialistische jeugdhulp is intensieve hulp bij zeer complexe en/of meervoudige problematiek. Ook verblijfsvoorzieningen met behandelgroepen, waar een jeugdige buiten het eigen gezin opgevangen wordt, vallen onder de hoog specialistische jeugdhulp. In die gevallen verwijst de huisarts, medisch specialist en jeugdarts de jeugdige naar Crossroads. Crossroads beoordeelt welke vorm deze geboden dient te worden. Crossroads stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen.
De huisarts, medisch specialist en jeugdarts kunnen niet verwijzen naar jeugdhulp in pgb; om een individuele voorziening in pgb te verstrekken zijn handelingen nodig zoals het opstellen van een budgetplan en voorlichting geven over de SVB, die doorgaans geen onderdeel zijn van een dergelijke verwijzing.
De toets als bedoeld in het derde lid is bedoeld om een deskundige toeleiding naar de juiste jeugdhulp te ondersteunen. In de Memorie van toelichting op de Jeugdwet wordt deze bevoegdheid als volgt omschreven: 'De gemeente kan in haar verordening niet alleen aangeven welke vormen van jeugdhulp alleen na een besluit van de gemeente of een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts toegankelijk zijn, maar ook de voorwaarden waaronder deze vormen van ondersteuning, hulp en zorg verkregen kunnen worden. Met andere woorden, de jeugdhulpaanbieder is bij de bepaling welke vorm van jeugdhulp, met welke frequentie en voor hoe lang gebonden aan hetgeen de gemeente hierover in de verordening heeft opgenomen.' Door deze voorwaarde in de verordening op te nemen zijn de jeugdhulpaanbieders gebonden aan het oordeel van het college na toetsing van de aanvraag.
In het derde lid wordt gesproken over een toets op basis van signalen en steekproeven. Met signalen worden bedoeld alle zaken die over aanbieders, vormen van jeugdhulp en producten worden gesignaleerd. De signalen kunnen op verschillende manieren worden opgemerkt. Bijvoorbeeld vanuit materiële controle, relatiebeheer met aanbieders, data-analyse waaronder het maken van algemene prognoses en begrotingen. “Signalen” dient hier dus breed te worden opgevat. De steekproeven die worden bedoeld in lid 3 kunnen alle mogelijke delen zijn van de totale populatie aan jeugdhulp zoals aangevraagd als bedoeld in artikel 4.1. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in zorgsoort, aanbieder, periode van controle, etc. Een steekproef kan daarmee voor een bepaalde periode ook behelzen dat alle aanvragen worden gecontroleerd. In artikel 4.1, lid 4 staat het college op verzoek van de jeugdige of zijn ouders een beschikking af dient te geven. De jeugdige of zijn ouders kunnen dit verzoek, gericht aan het college, doen bij de afdeling Dienstverlening - team Backoffice van de gemeente Tilburg.
Artikel 4.2 Toegang jeugdhulp via justitieel kader
Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting, het gaat dan om kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering.
Hoofdstuk 5 - Toezicht en handhaving
Artikel 5.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.
De medewerkingsverplichting uit het derde lid van artikel 8.1.2 van de wet ziet toe op alle denkbare vormen van medewerking om toe te kunnen zien op een rechtmatige verstrekking van een individuele voorziening, zowel pgb als in natura.
Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is ‘herzien’, wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.
De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb's. Hoewel de Jeugdwet enkel spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is uit de toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld. Dat is daarom expliciet benoemd in deze bepaling.
Verder breidt de verordening bepaling de herzienings- / intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking.
In de Jeugdwet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. Met ingang van 1 april 2017 is artikel 8b, tweede lid, onderdeel c, van de Regeling Jeugdwet van kracht. Het artikel bepaalt dat de voor budgethouders verplicht gestelde modelzorgovereenkomsten een zogenoemd derdenbeding bevatten, waarmee het college ten onrechte gedeclareerde ondersteuning kan verhalen op de ondersteuner die jeugdhulp levert.
Artikel 5.2 Voorkomen en bestrijding misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik
Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht.
Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden. Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen.
In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11).
Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Gecontracteerde jeugdhulpaanbieders vallen onder het kwaliteitstoezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IG&J) en pgb aanbieders vallen onder het kwaliteitstoezicht van de Toegang Tilburg. De gemeente heeft in het kader van contractering en monitoring een rol bij het toezien op en controleren van de kwaliteit. Voor zover de gemeente hierbij signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde jeugdhulp, stuurt de gemeente deze door naar de IG&J.
Het kwaliteitstoezicht op mogelijke aanvullende kwaliteitseisen is aan de gemeente zelf. Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder Jeugd ziet o.a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders, zowel in natura als pgb. De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb.
Deze bepaling ziet toe op het wettelijk mogen verwerken/gebruikmaken van (bijzondere) persoonsgegevens bij controle door de Toezichthouder Jeugdwet. Ook vormt dit de grondslag om (controlerende) interventies en passende maatregelen te kunnen toepassen.
Artikel 5.3 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermings-maatregelen en jeugdreclassering
Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door jeugdhulpaanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermings-maatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 va de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
Hoofdstuk 6 - Klachtregeling en vertrouwenspersoon
Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.
Artikel 6.2 Vertrouwenspersoon
In artikel 2.5, tweede lid, van de wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie.
Artikel 7.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid
In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de jeugdhulpaanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 en verder van de wet.
Met het tweede lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
Deze bepaling regelt de toepassing van een hardheidsclausule als instrument voor het college om onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden.
In dit artikel wordt bepaald dat er Nadere regels jeugdhulp door de gemeente Tilburg vastgesteld kan worden. Nadere regels bevatten richtlijnen over de uitvoering van deze verordening.
Artikel 8.4 Intrekking oude verordening
In het derde lid is als hoofdregel opgenomen dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Omdat dit nadelige gevolgen voor de jeugdige en of ouders kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als dit evident voordeliger is voor de jeugdige en of ouders. Dit ter voorkoming dat de jeugdige en of ouders gedupeerd zijn als de aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is geweest en de rechtspositie door het tijdsverloop wordt aangetast.
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening en de wijze waarop deze wordt geciteerd.
Bijlage 1 – Producten en tarieven ZIN en PGB PER 1 JANUARI 2024
De gemeente Tilburg heeft jeugdhulp ingekocht. Zie de link Home - Zorg in Regio Hart van Brabant voor informatie welke gecontracteerde organisaties ondersteuning bieden, de tarieven en een inhoudelijke toelichting op het aanbod.
Bijlage 2 - Eisen ten aanzien van de zorgverlening
Deze bijlage behoort bij artikel 3.9 lid 2 van deze verordening en heeft betrekking op alle zorgverleners.
Bijlage 3 Eisen ten aanzien professionele zorgverleners
Deze bijlage behoort bij artikel 3.9 lid 3 van deze verordening heeft betrekking op professionele zorgverleners voor het verlenen van jeugdhulp. Naast de eisen zoals opgenomen in bijlage 2 moet ook aan de onderstaande eisen worden voldaan om in aanmerking te komen voor het tarief van de professionele zorgverlener.
Een professionele zorgverlener die niet aan de bovenstaande eisen voldoet krijgt een tarief dat gelijk is aan het niveau van een informele zorgverlener (art3.9 lid 3). Dat geldt ook voor een professionele zorgverlener die behoort tot het sociale netwerk van de jeugdige en/of ouders (art 3.7 lid 9).
Bijlage 1 - Relevante wijzigingen
Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2025
In artikel 1.1 (begripsbepalingen) zijn de volgende definities toegevoegd: informele zorgverlener, jeugdhulpaanbieder, professionele zorgverlener, familiegroepsplan & huisgenoot.
In hoofdstuk 1 is in artikel 1.1 een aantal definities toegevoegd omwille van volledigheid en duidelijkheid. Geen inhoudelijke consequenties.
Toevoeging van artikel 3.12 met daarin alle beoordelingscriteria met betrekking tot eigen kracht.
Conform de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 29 mei 2024 zijn in artikel 3.12 de beoordelings /afwegingscriteria opgenomen die betrekking hebben op eigen kracht. Dit betreft een formalisering van hetgeen in de praktijk al werd toegepast.
Oorspronkelijke hoofdstuk 4 is hoofdstuk 3 geworden.
De oorspronkelijke hoofdstukken 3 en 4 zijn omgedraaid. Voor een betere de leesbaarheid van de verordening is het logischer om eerst te beginnen met een beschrijving van het proces voor het aanvragen en toekennen van jeugdhulp via de gemeente en daarna een beschrijving van de toekenning van jeugdhulp via het medisch domein en het justitieel kader.
M.b.t. tariefstelling pgb is een nieuw artikel 3.8 toegevoegd. Bepalingen uit oorspronkelijke art. 4.7 m.b.t. pgb-tarief zijn geactualiseerd en verbeterd en naar nieuw artikel 3.8 gebracht.
Ter bevordering van de leesbaarheid en duidelijkheid is er een apart artikel opgenomen dat gaat over pgb-tarieven. Art 3.8 heeft betrekking op de beschrijving van de pgb-tarieven en systematiek van het jaarlijkse indexeren. Het betreft tekstuele aanpassingen/toevoegingen zonder de inhoud van pgb tarieven en wijze van indexeren te veranderen. Door deze aanpassingen hoeft de verordening jaarlijks niet meer gewijzigd te worden vanwege indexering van pgb-tarieven. Dit legt jaarlijks een behoorlijke aanslag op het besluitvormingproces tot aanpassing/vaststelling van de verordening. Ook omdat een aantal indexeringspercentages laat in het jaar bekend wordt. Bekendmaking van de jaarlijks aangepaste pgb-tarieven vindt plaats via publicatie door college.
M.b.t. kwaliteitseisen pgb is een nieuw artikel 3.9 toegevoegd. Bepalingen uit oorspronkelijke art. 4.7 m.b.t. kwaliteitseisen zijn geactualiseerd en verbeterd en naar nieuw artikel 3.9 gebracht.
Ter bevordering van de leesbaarheid en duidelijkheid is er een apart artikel opgenomen dat gaat over pgb-kwaliteitseisen: art. 3.9. Er is geen sprake van inhoudelijke wijzigingen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-535303.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.