Gemeenteblad van Dronten
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Dronten | Gemeenteblad 2024, 525286 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Dronten | Gemeenteblad 2024, 525286 | beleidsregel |
Beleidsregels uitwegen gemeente Dronten 2025
Het college van gemeente Dronten,
Overwegende dat het gebruik van de openbare ruimte ten behoeve van een uitweg kan leiden tot problemen als gevaar en/of hinder bij het gebruik van de weg, aantasting van het openbare groen en uiterlijk aanzien van het straatbeeld;
Overwegende dat het, gelet op het belang van een consistente toetsing van aanvragen voor het aanleggen of veranderen van een uitweg, wenselijk is om beleidsregels toe te passen;
Gelet op het bepaalde in artikel 4:81 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit tot vaststelling van: Beleidsregels uitwegen gemeente Dronten 2025
Afkortingen en begripsbepalingen
2.2. Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL)
2.3. Privaatrechtelijke toestemming
3.2.2. Uitwegen woningbouw; nieuwbouw
3.2.3. Uitwegen woningbouw; bestaande bouw
3.2.4. Uitwegen buitengebied; kaveluitwegen
3.2.5. Uitwegen buitengebied; erfuitwegen
3.2.6. Uitwegen; bedrijven(terreinen)
3.2.7. Uitwegen; tijdelijke (bouw)uitwegen
3.2.8. Uitwegen voor langzaam verkeer
4. Weigeringsgronden voor uitwegen
4.1. Veilig en doelmatig gebruik van de weg
4.1.1. Het veilig gebruik van de weg
4.1.2. Het doelmatig gebruik van de weg
4.2. Veiligstellen van openbare parkeerplaatsen
4.3. Voorkomen aantasting van het openbare groen
4.4. Bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving
4.5. Tweede uitweg of meerdere uitwegen
5.1.3. Aanpassingen openbaar gebied
5.1.5. Uitzondering: aanleg door gemeente
8. Dam met duiker / waterkerende constructie
9.3. Intrekking oude beleidsregels
Afkortingen en begripsbepalingen
Uitwegen zijn noodzakelijk voor de ontsluiting van particuliere percelen op de openbare weg. Vaak hebben perceeleigenaren of -gebruikers wensen voor het aanbrengen van een uitweg of het verbreden van een bestaande uitweg om zodoende de bereikbaarheid van het perceel te vereenvoudigen of om (meer) voertuigen op eigen terrein te kunnen parkeren. Tegenover deze particuliere belangen staan openbare belangen. Zo veroorzaken uitwegen een verstoring voor het ‘doorgaande’ verkeer en zijn het potentiële (gevaarlijke) conflictpunten.
Een uitweg, ook wel inrit, oprit of uitrit genoemd, is dus een aansluiting vanuit een perceel op de openbare weg. Voor de leesbaarheid gebruiken wij in dit beleidsstuk enkel de term ‘uitweg’. In dit beleidsstuk worden enkel uitwegen van ‘bestemmingen’ (bijvoorbeeld woningen, erven en bedrijven) behandeld, zogenaamde niet-openbare uitwegen, zie ook paragraaf 1.3.
Het aanleggen of veranderen van een niet-openbare uitweg is een activiteit waarvoor zowel bedrijven als particulieren een omgevingsvergunning nodig hebben. De omgevingsvergunning wordt ingediend via het Omgevingsloket - https://omgevingswet.overheid.nl/home . Er worden leges in rekening gebracht voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Dit houdt in dat er ook leges verschuldigd zijn als er uiteindelijk geen vergunning voor de uitweg wordt verleend.
Het college kan nadere regels stellen omtrent de afmetingen en constructie van uitwegen op gemeentegrond.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg, voor zover deze weg in beheer is bij de gemeente Dronten.
Op grond van de Omgevingswet in combinatie met de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) kan hiervoor bij het college een omgevingsvergunning worden aangevraagd. In de VFL zijn voor deze vergunning diverse weigeringsgronden opgenomen. Bovendien kan het college, ter bescherming van het belang waarvoor de vergunning is vereist, voorschriften verbinden aan de vergunning.
Beleidsregels zijn een soort richtlijnen van het college ten behoeve van het scheppen van duidelijkheid naar de burger. Deze beleidsregels hebben als doel een duidelijk en eenduidig beleidskaders te bieden met betrekking tot de inrichting van uitwegen in de openbare ruimte en het toetsen van aanvragen voor omgevingsvergunningen voor de activiteit ‘uitweg’ op grond van artikel 2:9 van de VFL. Dit beleids- en toetsingskader is in dit document vastgelegd. Dit beleid bevordert eenduidige besluitvorming (consistentie) en biedt de aanvrager vooraf inzicht in de toetsingscriteria (transparantie). Dit komt ten goede aan de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid.
Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle aanvragen voor de activiteit ‘aanleggen uitweg’, voor niet-openbare uitwegen naar alle bestemmingen binnen en buiten de bebouwde kom, voor zover deze aansluiten op openbare wegen die in beheer zijn bij de gemeente Dronten. Daar waar de gemeente zelf de openbare ruimte (her)inricht en aanlegt, geldt geen vergunningplicht voor uitwegen. Wel zijn voor deze uitwegen de bepalingen uit deze beleidsregels van toepassing.
Voor uitwegen die aansluiten op provinciale wegen vraagt de gemeente advies bij de provincie. Bij deze uitwegen geldt het provinciale advies en/of provinciaal beleid.
Deze beleidsregels vervangen de Beleidsregels uitwegen gemeente Dronten 2017 (vastgesteld 24-10-2017).
Hoofdstuk 2 gaat in op het wettelijk kader voor het uitwegenbeleid. In hoofdstuk 3 is het beleid nader geformuleerd. Hoofdstuk 4 beschrijft de weigeringsgronden, hoofdstuk 5 t/m 8 beschrijft nadere bepalingen en uitvoeringsaspecten en tenslotte zijn in hoofdstuk 9 de overgangs- en slotbepalingen opgenomen.
Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg uitwegen daarop moet gedogen (voor zover de omstandigheden dat toelaten). Ten einde de bruikbaarheid van de weg te waarborgen, is het toegestaan een vergunning te eisen en via voorschriften de gronden, waarop de gemeente een vergunning al dan niet toekent en de wijze waarop wordt aangesloten, te regelen. Deze regeling is opgenomen in artikel 2:9 van de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL). Dat artikel is de wettelijke basis voor dit uitwegenbeleid.
2.2. Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL)
In artikel 2:9 van de VFL van Dronten is opgenomen, dat het zonder omgevingsvergunning verboden is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. In de verordening staan criteria waarop een vergunning kan worden geweigerd.
Het college kan de vergunning voor het maken of veranderen van de uitweg weigeren indien:
Aangezien de weigeringsgronden in artikel 2:9 lid 2 zeer algemeen zijn geformuleerd, wordt hierna uitgelegd, op welke wijze deze weigeringsgronden dienen te worden toegepast. Ze dienen ertoe duidelijkheid te scheppen met betrekking tot de invulling van de criteria. In de navolgende hoofdstukken zal per criterium aangegeven worden wat hieronder verstaan wordt en hoe er invulling aan gegeven wordt. Tevens worden er voorbeelden gegeven van situaties waarin een aanvraag al dan niet verleend zal kunnen worden. Voldoet een aanvraag niet aan deze beleidsregels dan wordt de gevraagde vergunning in beginsel geweigerd.
2.3. Privaatrechtelijke toestemming
In veel gevallen wordt bij realisatie van uitwegen (gedeeltelijk) gebruik gemaakt van gemeentegrond(en). Naast een vergunning op grond van de VFL is dan ook een privaatrechtelijke toestemming nodig om de grond te mogen gebruiken. Een uitweg in het openbare gebied moet aan door het college vastgestelde voorschriften voldoen. In de toelichting wordt hierop nader ingegaan. De gemeente verleent middels de publiekrechtelijke ontheffing (vergunning) voor een uitweg tevens haar privaatrechtelijke toestemming.
Het is het college niet toegestaan om aan een derde het in gebruik geven van gemeentegrond te weigeren, uitsluitend om daarmee de realisatie of wijziging van een uitweg te voorkomen. Dit is een gevolg van vaste rechtspraak van de Hoge Raad waarbij ingeval van een verleende vergunning de gemeente een privaatrechtelijke toestemming voor het in gebruik nemen van de openbare grond niet meer kan weigeren (HR 5 juni 2009, AB2009,327).
Is een derde eigenaar van de grond waarvoor een uitweg wordt aangevraagd dan wijst het college de aanvrager erop dat de privaatrechtelijke toestemming van de eigenaar van de grond nodig is om daadwerkelijk tot de aanleg van de uitweg over te kunnen gaan. Dit geldt onder andere bij huurders van woningen en/of bedrijfspanden.
Het college is bevoegd beleidsregels vast te stellen conform artikel 4:81 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht. Met de beleidsregels wordt concreet invulling gegeven aan de weigeringsgronden en de wijze waarop het college verzoeken om een vergunning voor de aanleg of aanpassing van een uitweg toetst.
Een beleidsregel is op grond van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.
Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregel, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn, in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Afwijking van de beleidsregels is mogelijk op grond van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht.
Uitgangspunt is één uitweg per perceel. Het hebben van meerdere uitwegen heeft namelijk vaak een negatief effect op de omgeving. Ook ontstaat door het hebben van meerdere uitwegen een toename van de verstening van de (openbare) ruimte, wat gezien de klimaat adaptatie negatieve gevolgen als wateroverlast en hittestress tot gevolg heeft.
Bij de beoordeling van vergunningaanvragen als bedoeld in deze beleidsregels worden meerdere belangen tegen elkaar afgewogen. Enerzijds is er het belang van degene die zijn perceel wenst te ontsluiten op de openbare weg. Anderzijds spelen de volgende (algemene) belangen een rol:
Het college toetst de aanvragen aan de onderstaande beleidsregels en de bijbehorende weigeringsgronden opgenomen in hoofdstuk 4. Een vergunning kan worden geweigerd als de aanvraag niet binnen de beleidsregels past of valt binnen een weigeringsgrond. Met een verwijzing naar de van toepassing zijnde beleidsregels kan dan worden volstaan. Voor alle overige situaties waarbij de gevraagde uitwegvergunning wordt verleend in afwijking van de beleidsregels wordt deze voorzien van een op het specifieke geval toegesneden motivering.
De onderstaande beleidsregels zijn van toepassing op niet-openbare uitwegen binnen de gemeente Dronten.
In deze regeling wordt onderscheidt gemaakt tussen verschillende uitwegen, dit zijn:
3.2.2. Uitwegen woningbouw; nieuwbouw
Bij nieuwbouwwijken voor woningbouw, waar het bouw- en woonrijp maken geschiedt door de gemeente in eigen regie, dan wel dat dit in een overeenkomst met een ontwikkelaar is geregeld, hoeft een eerste uitweg niet via een vergunning te worden aangevraagd.
Een uitweg krijgt een standaardbreedte van 3,5 meter. Voor deze uitweg hoeft geen omgevingsvergunning of nadere privaatrechtelijke toestemming bij het college te worden aangevraagd. Beleidsregels onder paragraaf 3.2.3 Uitwegen woningbouw; bestaande bouw zijn hier mede van toepassing.
De uitweg op gemeentegrond zal door de gemeente, hetzij door een erkende aannemer in opdracht van de gemeente of ontwikkelaar, worden aangelegd met door de gemeente geselecteerde (standaard) materialen, afmetingen en opbouw constructie, zoals vastgesteld bij de inrichting van de openbare ruimte van de betreffende woonwijk.
De uitweg wordt zodanig aangelegd, dat een op het perceel gerealiseerde of nog te realiseren garage, carport, parkeerplaats of hoofdingang bereikbaar wordt vanaf de openbare weg. De uitweg wordt recht voor de garage, carport of parkeerplaats gesitueerd. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt hiervan afgeweken (bijvoorbeeld in geval van een lichtmast of boom op de plek van de gewenste uitweg) en wordt in overleg met de nieuwe eigenaar gezocht naar een voor beide partijen zo goed mogelijke aansluiting op de openbare weg.
Bij particuliere nieuwbouwprojecten, blijft een vergunningaanvraag ‘aanleg uitweg’ wel noodzakelijk en valt een dergelijke aanvraag onder paragraaf 3.2.3 Uitwegen woningbouw; bestaande bouw van deze beleidsregels.
Wanneer de eigenaar van een perceel t.b.v. woningbouw meerdere uitwegen wenst of een bredere uitweg dan 3,5 meter dan moet daarvoor een afzonderlijke omgevingsvergunning worden aangevraagd en valt een dergelijke aanvraag onder paragraaf 3.2.3 Uitwegen woningbouw; bestaande bouw van deze beleidsregels.
3.2.4. Uitwegen buitengebied; kaveluitwegen
Onder kaveluitwegen worden verharde en niet verharde uitwegen verstaan die een landbouw-, bos- of recreatief perceel, niet zijnde een (voormalig) (boeren)erf met bebouwing, ontsluiten en die hoofdzakelijk bedoeld zijn om het perceel (voor het bewerken, onderhouden of oogsten te kunnen bereiken. In veel gevallen moet, om het perceel te kunnen ontsluiten, ook een sloot worden overgestoken. In dat geval worden er door het Waterschap Zuiderzeeland eisen gesteld aan de wijze waarop de afvoer van het oppervlaktewater wordt gerealiseerd en dient hiervoor afzonderlijk vergunning aangevraagd te worden bij het Waterschap.
3.2.5. Uitwegen buitengebied; erfuitwegen
Onder erfuitwegen worden verstaan de uitwegen naar en vanaf (voormalige) boeren- en landbouwerven, woonerven, camping- en recreatieterreinen met haar bedrijfsgebouwen inclusief eventuele (bedrijfs-/ recreatie-) woningen, niet zijnde een landbouw-, bos- of recreatief perceel zonder bebouwing.
3.2.6. Uitwegen; bedrijven(terreinen)
Hieronder worden verstaan uitwegen voor bedrijven die binnen de bebouwde kom zijn gevestigd op bedrijfsterreinen of bedrijven die volgens het geldende bestemmings- of (tijdelijk) Omgevingsplan binnen de bebouwde kom zijn toegestaan.
Bij uitwegen voor bedrijven buiten de bebouwde kom valt een dergelijke aanvraag onder paragraaf 3.2.5 van deze beleidsregels.
Voor ‘aan-huis-verbonden bedrijven en beroepen’ gelden de beleidsregels voor uitwegen woningbouw en valt een dergelijke aanvraag onder paragraaf 3.2.3 van deze beleidsregels.
Bij situaties waarbij het bedrijfspand vanaf de weg rechtstreeks toegankelijk is voor motorvoertuigen is per naar de weg gerichte toegangsdeur bestemd voor motorvoertuigen in het bedrijfspand een uitweg toegestaan met een maximale breedte van de uitweg overeenkomstig de breedte van de toegangsdeur + aan weerszijde 1 meter. De locatie van deze uitweg ligt in het hart van de genoemde toegangsdeur.
3.2.7. Uitwegen; tijdelijke (bouw)uitwegen
Het hebben van een tijdelijke (bouw)uitweg binnen de bebouwde kom wijkt zodanig af van de reguliere normering dat deze aanvraag per situatie zal worden beoordeeld of vergunning noodzakelijk is of dat de tijdelijke uitweg bij voltooiing van de bouw omgezet wordt naar een vergunningplichtige definitieve uitweg volgens paragraaf 3.2.2, 3.2.3 of 3.2.6 van deze beleidsregels.
Een tijdelijke (bouw)uitweg buiten de bebouwde kom valt onder paragraaf 3.2.4 of 3.2.5 van deze beleidsregels.
3.2.8. Uitwegen voor langzaam verkeer
Voor de ontsluiting van (smalle) toegangspaden vanuit een in-/uitgang van een gebouw op een perceel binnen de bebouwde kom die rechtstreeks ontsluiten op de weg en enkel zijn bestemd voor langzaam verkeer dient een omgevingsvergunning uitweg aangevraagd te worden (artikel 2:9 VFL). Dergelijke aanvragen behandelen wij gelijk als de aanvraag voor een uitweg.
4.Weigeringsgronden voor uitwegen
Voor iedere uitweg (paragraaf 1.11.2), binnen of buiten de bebouwde kom, uitgezonderd een door de gemeente aan te leggen standaard uitweg van 3,5 m volgens paragraaf 3.2.2, moet een vergunning worden aangevraagd. Iedere aanvraag voor een vergunning wordt getoetst aan de weigeringsgronden voor uitwegen. Dit hoofdstuk beschrijft de uitleg die het college aan deze weigeringsgronden geeft. Bij iedere aanvraag wordt per situatie een belangenafweging gemaakt waarbij onderstaande bepalingen worden meegenomen.
4.1. Veilig en doelmatig gebruik van de weg
4.1.1. Het veilig gebruik van de weg
Het criterium “veilig gebruik van de weg” is een zwaarwegend criterium. Een uitweg mag er niet toe leiden dat de verkeersveiligheid negatief beïnvloed wordt. Uitwegen veroorzaken een verstoring voor het “doorgaande” verkeer en zijn potentiële conflictpunten. De wegbeheerder en/of verkeersspecialist beoordeelt aanvragen en adviseert de vergunningverlener inzake het “veilig gebruik van de weg”.
Het college kan de vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg weigeren:
op wegen die in de wegcategorisering, zoals opgenomen in het Gemeentelijk Verkeer en Vervoerplan (GVVP), aangewezen zijn als gebiedsontsluitingsweg (GOW). Op gebiedsontsluitingswegen is het vanuit Duurzaam Veilig niet wenselijk uitwegen te hebben, omdat dit de onveiligheid vergroot. De uitwegen van woningen/erven langs gebiedsontsluitingswegen dienen op een parallelweg aan te sluiten, tenzij de uitweg noodzakelijk is voor de ontsluiting van het perceel én deze uitweg een veilig en doelmatig gebruik van de gebiedsontsluitingsweg niet belemmert;
langs erftoegangswegen (zie GVVP) en bedrijventerreinen binnen een afstand van 5 meter vanaf een kruising of splitsing van wegen, opstelstroken dan wel voorsorteer-vakken of een (onoverzichtelijke) bocht, gemeten vanaf het begin van de bocht (tangentpunt) en/of verkeersgeleider. Een uitzondering hierop zijn de kruispunten of bochten in een 30 km/u zone, die vaak geen verkeersonveilige situaties opleveren, e.e.a. ter beoordeling wegbeheerder en/of verkeersspecialist;
4.1.2. Het doelmatig gebruik van de weg
Het criterium “het doelmatig gebruik van de weg” heeft betrekking op de functie van de weg, de inrichting van de weg en de gevolgen die de uitweg kan hebben op deze functie. Een uitweg mag de verkeersdoorstroming of inrichting niet negatief beïnvloeden.
Het college kan de vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg weigeren:
als de uitweg tot gevolg heeft dat straat- en/of trottoirkolk(en), een (nuts)voorziening en/of ander obstakel dient te worden verplaatst en er in de nabije omgeving geen geschikte alternatieve locatie voor genoemde zaken voorhanden is, of die wegens technische eisen, veilig gebruik van de weg, of die door belangen vanuit direct aanwonenden niet te verplaatsen zijn en/of er geen overeenstemming tot verplaatsing van het obstakel is met de eigenaar;
4.2. Veiligstellen van openbare parkeerplaatsen
Het college kan de vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg weigeren:
In afwijking van het bepaalde in paragraaf 4.2 lid 1 is een doorkruising of aanpassing van de parkeerstrook mogelijk, als er geen andere mogelijkheid is om het perceel te ontsluiten, mits (aan alle voorschriften dient te worden voldaan):
4.3. Voorkomen aantasting van het openbare groen
Het college kan de vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg weigeren:
In afwijking van het bepaalde in par. 4.3 lid 1 is een doorkruising of aanpassing van de groenstructuur mogelijk, als er geen andere mogelijkheid is om het perceel te ontsluiten, mits (aan alle voorschriften dient te worden voldaan):
4.4. Bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving
Het criterium “bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving” betreft een stedenbouwkundig criterium. Het belang van de beeldkwaliteit van de omgeving, het zogenaamde straatbeeld, en de beleving van de openbare ruimte zijn hierin zwaarwegende criteria. Indien een uitweg naar verwachting een negatief effect heeft op de gewenste beeldkwaliteit, kan deze worden geweigerd. De uitweg dient te voldoen aan de inrichtingseisen en voorschriften van de gemeente Dronten.
Het college kan de vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg weigeren:
Een uitweg ten behoeve van het parkeren voor de voorgevelrooilijn kan worden toegestaan indien aan-sluitend op de uitweg op het perceel een vrije ruimte aanwezig is van minimaal 3 meter breed en 6 meter lang. Dit is de ruimte benodigd voor het parkeren van een motorvoertuig alsmede het in-/uitstappen en het in-/uitladen van het motorvoertuig zonder dat hier gebruik gemaakt wordt van de openbare ruimte.
Een uitweg ten behoeve van het parkeren in de zij- of achtertuin kan worden toegestaan bij een woning indien aansluitend op de uitweg op het perceel naast of achter de woning vrije ruimte is van minimaal 3 meter breed en 6 meter lang. Dit is de ruimte benodigd voor het parkeren van het motorvoertuig alsmede het in-/uitstappen en het in-/uitladen van het motorvoertuig zonder dat hier gebruik gemaakt wordt van de openbare ruimte.
Het college kan de vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg weigeren:
Een uitweg breder dan 8 meter kan worden toegestaan als het type van te verwachten motorvoertuigen dit vanuit verkeersveiligheid noodzakelijk maakt en als de aanvrager kan aantonen dat dit het veilig en doelmatig gebruik van de weg bevordert. Hierbij is een positief advies van de politie of verkeerskundige noodzakelijk.
4.5. Tweede uitweg of meerdere uitwegen
Een tweede uitweg of meerdere uitwegen is in de meeste gevallen een uitzonderingsituatie en de aanvrager dient te onderbouwen waarom de uitweg ook een verbetering is voor de omgeving. Elke aanvraag hiervoor wordt individueel beoordeeld op verkeersveiligheid, doelmatigheid, parkeersituatie, groenvoorzieningen en het uiterlijke aanzien van de omgeving.
Het college kan de vergunning voor het maken van een tweede uitweg of meerdere uitwegen weigeren:
als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze extra uitweg ten koste gaat van de verkeersveiligheid, de bruikbaarheid van de weg, een openbare parkeerplaats, het openbaar groen of het uiterlijk aanzien van de omgeving, tenzij de extra uitweg aantoonbaar het veilig en doelmatig gebruik van de weg bevordert. Bij de aanleg van een tweede uitweg zijn de weigeringsgronden onverminderd van toepassing, tenzij daarvoor een uitzondering van toepassing is.
Een tweede uitweg of meerdere uitwegen is mogelijk als de aanvrager kan aantonen dat voorzien wordt in parkeren en manoeuvreren op eigen terrein (ten behoeve van de bruikbaarheid van de weg: niet parkeren en manoeuvreren op de openbare weg). Dit wil zeggen dat alle voertuigen kunnen parkeren op eigen terrein, en dat er voldoende ruimte op eigen terrein voor de noodzakelijke voertuigbewegingen is.
Voor het in behandeling nemen van de aanvraag zijn leges verschuldigd overeenkomstig de op het moment van aanvraag geldende gemeentelijke legesverordening. Legeskosten ten behoeve van de vergunning komen voor rekening van de aanvrager. Zie onze website voor de actuele legesverordening.
De aanleg / aanpassing van een uitweg geschiedt door en op kosten van de aanvrager (uitgezonderd de uitweg genoemd onder 3.2.2). De aanvrager dient de uitweg aan te laten leggen door een erkende aannemer of hovenier.
5.1.3. Aanpassingen openbaar gebied
Aanpassingen aan het openbare gebied welke het directe gevolg zijn van de aanleg of aanpassing van de uitweg worden door, of namens, de gemeente uitgevoerd. Alle daadwerkelijk door de gemeente te verzorgen extra maatregelen en noodzakelijke aanpassingen in het openbare gebied in gemeentelijke grond(en) - dit ter beoordeling van de gemeente -, zoals het verplaatsen van een lichtmast, kolk, verplanten boom, aanpassing groenvoorziening en kabels en leidingen, ten behoeve van de aanleg van de uitweg worden in rekening gebracht bij de aanvrager, tenzij:
De kosten kunnen variëren. Dit wordt, indien van toepassing, bij de vergunningverlening aan de aanvrager medegedeeld. Deze kosten dienen vooraf te worden betaald. De werkzaamheden aan de uitweg op gemeentelijke grond(en) mogen niet worden gestart voordat volledige betaling van deze kosten is voldaan.
De noodzakelijke aanpassingen in het openbare gebied worden door of namens de gemeente uitgevoerd, op kosten van de aanvrager, en vindt plaats op een moment ter bepaling van de gemeente eventueel in overleg met de aanvrager.
De gemeentelijk toezichthouder zal na het realiseren van de uitweg beoordelen of deze op gemeentelijke grond(en) volgens de voorschriften is aangelegd. Gebreken aan de uitweg zullen door de aanvrager, op zijn kosten, worden hersteld binnen een door de toezichthouder te stellen termijn. De aanvrager zal aan opdrachten tot wijziging gevolg geven, ook indien hiermee extra kosten gemoeid zijn.
5.1.5. Uitzondering: aanleg door gemeente
Afhankelijk van de situatie kan de gemeente bepalen deze werkzaamheden geheel of gedeeltelijk zelf uit te voeren op kosten van de aanvrager. Dit wordt, voorzien van een kostenraming, bij de vergunningverlening aan de aanvrager medegedeeld. Deze kosten dienen vooraf te worden betaald.
Indien de geraamde kosten achteraf in het voor- of nadeel van de gemeente uitpakken zullen er geen verrekeningen plaatsvinden.
Voor uitwegen op gemeentelijke grond(en) binnen de bebouwde kom bij woningen gelden de volgende uitgangspunten:
Het beheer en onderhoud van het gedeelte van de verharding van de uitweg op gemeentelijke grond(en) komt ten laste van de gemeente. Dit beperkt zich tot de technische staat van de verharding, in deze met name vlakheid. Bij vrij in het groen gelegen uitwegen valt onder onderhoud niet het schoon houden van de verharding/onkruidbeheersing, dit is voor de aanvrager of de belanghebbende.
Voor uitwegen op gemeentelijke grond(en) buiten de bebouwde kom bij kavels en erven gelden de volgende uitgangspunten:
De aanvrager is verantwoordelijk voor de aanleg, aanpassing of het verwijderen van de uitweg. Voordat met de aanleg, aanpassing of verwijdering van de uitweg op gemeentelijke grond(en) wordt begonnen, dient er contact te zijn geweest met de gemeentelijk toezichthouder, bereikbaar via ons algemene telefoonnummer: 14 0321. Zodra het werk gereed is, dient dit ook te worden doorgegeven aan onze toezichthouder.
De gemeente is verantwoordelijk voor de verhardingen binnen het openbaar gebied. De wegen, paden, parkeervakken en bermen zijn veelal in eigendom van de gemeente. De gemeente bepaalt met welke materialen de uitweg op gemeentelijke grond(en) wordt aangelegd. De toe te passen materialen zijn veelal hetzelfde als gebruikt bij andere uitwegen in de nabije omgeving.
Bij het aanleggen van een uitweg mag geen verwarring ontstaan over de status van de aansluiting. Voorkomen moet worden dat de uitweg kan worden gezien als een zijweg. Door toepassing van specifieke materialen en vormgeving kan het onderscheid worden aangegeven.
In de omgevingsvergunning worden o.a. voorschriften opgenomen over:
De toe te passen constructie van de uitweg op gemeentelijke grond(en). In de openbare ruimte moet de uitweg worden aangelegd met bestratingsmateriaal bestaande uit een elementenverharding zoals straatstenen of tegels of prefab betonnen bedrijfsplaten, dit is van belang voor de bereikbaarheid van kabels en leidingen. Elementenverharding kan (makkelijker) worden verwijderd en hersteld;
De uitweg dient veelal te worden aangelegd volgens de “Standaard uitwegen gemeente Dronten” zoals deze zijn opgenomen in bijlage 3 bij deze beleidsregels.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-525286.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.