Gemeenteblad van 's-Hertogenbosch
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| 's-Hertogenbosch | Gemeenteblad 2024, 522959 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| 's-Hertogenbosch | Gemeenteblad 2024, 522959 | beleidsregel |
Beleidsregels bijzondere bijstand 2025´s-Hertogenbosch
Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch,
In zijn vergadering van 10 december 2024,
Gezien het voorstel met reg.nr. 17118103,
Overwegen dat het wenselijk is regels vast te stellen waarbinnen bijzondere bijstand kan worden verleend;
Gelet op: artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht, en de artikelen 7 lid 1 onder b, 11, 35 en 36 van de Participatiewet:
“Beleidsregels bijzondere bijstand 2025 ’s-Hertogenbosch”
De begripsbepalingen van de Participatiewet zijn onverkort op deze beleidsregels van toepassing.
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Voorliggende voorziening: een passende en toereikende voorziening waarop de aanvrager een beroep kan doen of aanspraak kan maken voor de bekostiging van specifieke uitgaven zoals bedoeld in artikel 5 sub e en 15 van de Participatiewet. Het recht op bijzondere bijstand geldt ook niet voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden beschouwd.
De hoogte van de bijzondere noodzakelijke kosten wordt bepaald aan de hand van de Nibud-prijzengids, vergoedingen van de Collectieve Zorgverzekering voor Minima (CZM), de dieetlijst van de Belastingdienst en/of de GMD-lijst voor was- en slijtagekosten. Dit betekent dat de werkelijke kosten worden vergoed tot een maximum zoals genoemd in de Nibud-prijzengids, de GMD lijst, de Dieetlijst of de CZM-vergoeding.
De compensatie die slachtoffers van de toeslagenaffaire hebben ontvangen op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, wordt niet meegerekend als inkomen of vermogen voor bijzondere bijstand in het jaar van ontvangst. Deze vrijstelling geldt ook voor de jaren 2022 tot en met 2028, zolang de compensatie nog niet is besteed. Aankopen van beleggingen en crypto’s worden als besteding gezien. Alle inkomsten uit de compensatie worden wel als middelen beschouwd bij de uitvoering van de bijzondere bijstand.
Artikel 7 Draagkracht vaststellen en draagkrachtperiode
In afwijking van lid 1 en 2 geldt een draagkrachtpercentage van 100% boven de geldende bijstandsnorm bij de kosten van duurzame gebruiksgoederen, levensonderhoud van jongeren van 18,19 of 20 jaar, bijdrage alleenstaande ouder, woonkostentoeslag, buitengewone verwervingskosten, verhuizing en woninginrichting.
Artikel 9 Wijziging draagkracht(periode)
Een vastgestelde draagkracht of draagkrachtperiode kan alleen gewijzigd worden, als een wijziging van de persoonlijke of financiële situatie van de belanghebbende daartoe aanleiding geeft.
Als iemand in een huurwoning woont of een eigen woning heeft, kan er een woonkostentoeslag worden gegeven voor woonkosten boven de maximale huurprijs volgens artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag. Deze toeslag wordt berekend volgens artikel 12 lid 1 onder b van deze beleidsregels, waarbij de woonkosten boven de maximale rekenhuur volledig in aanmerking komen.
De woonkostentoeslag zoals beschreven in lid 3 wordt verstrekt onder de voorwaarde van artikel 55 van de wet dat de belanghebbende zo snel mogelijk verhuist naar een goedkopere woning of, als het gaat om een eigen woning, deze te koop aanbiedt, tenzij er zwaarwegende belangen zijn die dit verhinderen.
Artikel 12 Meerkosten in verband met ziekte of handicap
Voor bijzondere bijstandsverlening komen in ieder geval de volgende niet verzekerbare medische noodzakelijke kosten in aanmerking:
Artikel 13 Zelfstandig functioneren van ouderen en mensen met een beperking
Voor bijzondere bijstand komen in ieder geval de volgende kosten in aanmerking, als deze noodzakelijk zijn om het zelfstandig functioneren van ouderen en mensen met een beperking te bevorderen:
Artikel 14 Kosten van bijzondere sociale en financiële omstandigheden
Vanaf 1 januari 2015 is de alleenstaande oudernorm in de Participatiewet vervangen door een combinatie van de alleenstaande norm en de alleenstaande ouderkop, ook wel de ALO-kop genoemd en onderdeel van het kindgebonden budget. Door een verschil in definiëring van het (fiscaal)partnerbegrip tussen de Participatiewet en de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (AWIR) ontvangt een kleine groep alleenstaande ouders geen ALO-kop zonder dat zij hier zelf iets aan kunnen doen. Hierbij kunnen de volgende drie categorieën onderscheiden worden:
De staatssecretaris heeft gemeenten opgeroepen om in die gevallen dat er sprake is van schrijnende situaties, maatwerkondersteuning te bieden bijvoorbeeld via de bijzondere bijstand. Categoriale verstrekking aan een groep personen is niet toegestaan. Vandaar dat elke situatie individueel beoordeeld dient te worden alvorens tot verstrekking van een aanvullende periodieke uitkering kan worden overgegaan. Hierbij dient te worden beoordeeld in hoeverre:
Er kan eenmalig bijzondere bijstand (overbruggingsuitkering) worden verstrekt voor algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, indien er voorafgaand aan het recht op een (bijstands)uitkering geen inkomen was en of belanghebbende door bijzondere omstandigheden niet heeft kunnen reserveren om te voorzien in deze algemene kosten. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt in dit geval maximaal 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Artikel 15 Duurzame gebruiksgoederen
De aanschaf van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen komt in aanmerking voor bijzondere bijstand volgens artikel 51 van de wet als:
De hoogte van de verstrekkingen is opgenomen in de toelichting van deze beleidsregels.
Artikel 16 Maatschappelijke participatie
Bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de kosten van sociale activiteiten als deze betrekking hebben op:
De bijdrage geldt voor het kalenderjaar waarop de kosten betrekking hebben en bedraagt 100% van de kosten voor gezinsleden en hun ten laste komende kinderen.
De maximale bijdrage per kalenderjaar is €130,00 per persoon. Als gebruik gemaakt kan worden van Stichting Leergeld, het Jeugdsportfonds en het Jeugdcultuurfonds is dit een voorliggende voorziening.
Artikel 18 Collectieve zorgverzekering voor minima (CZM)
Inwoners met een netto maandinkomen tot 130% van de geldende bijstandsnorm kunnen deelnemen aan de collectieve gemeentelijke ziektekostenverzekeringen van VGZ of CZ. Voor de premie van de aanvullende pakketten wordt gedeeltelijk bijzondere bijstand verstrekt. Deze wordt rechtstreeks aan de zorgverzekeraar betaald om de premie te verlagen.
In afwijking van deze beleidsregels kan het college bijzondere bijstand verlenen aan een persoon die geen recht heeft op bijzondere bijstand als er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de gevolgen van een afwijzing onevenredig zijn.
Artikel 2. Vorm van de bijstand
In dit artikel is de vorm van de bijstand geregeld, en ook de mogelijkheid om bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid af te wijken van de hoofdregel dat de bijstand om niet verstrekt wordt. Bij tekortschietend besef moet gedacht worden aan situaties waarin het de belanghebbende aan te rekenen is dat hij of zij een beroep op de bijstand moet doen. Bijvoorbeeld door het te snel interen op een vermogensoverschot. De bijstand kan dan in de vorm van een geldlening verstrekt worden.
Op grond van de Participatiewet moet een aanvraag voor bijzondere bijstand worden ingediend voor, of uiterlijk op de dag dat de kosten worden gemaakt. In de praktijk is gebleken dat dit regelmatig leidde tot afwijzende besluiten. Door de aanvrager worden bijvoorbeeld vaak kleine kostensoorten opgespaard waardoor die slechts eenmaal een aanvraag hoeft in te dienen. Al deze afwijzingen waren niet de bedoeling. Daarom is bepaald dat de klant de aanvraag voor bijzondere bijstand tot 1 april van het jaar volgend op het jaar waarop de kosten zijn ontstaan kan indienen. Voor bewindvoeringskosten, mentorschapskosten, kosten die verband houden met curatele of kosten die betrekking hebben op maandelijkse noodzakelijke kosten van het bestaan gelden aangepaste regels.
De gemeente ’s-Hertogenbosch sluit aan bij vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet. Als er dus sprake is van vermogen boven die grens, dan bestaat er geen recht op bijzondere bijstand.
In lid 2 is bepaald dat er geen rekening gehouden wordt met de eventuele aanwezige overwaarde van de eigen woning. Bij eigen woningbezit kan er soms wel sprake zijn van lagere woonlasten omdat de hypotheek (geheel/gedeeltelijk) afgelost is. Bij het vaststellen van de draagkracht wordt rekening gehouden met die eventuele lagere woonlasten. Bij het bepalen of er sprake is van lagere woonlasten, wordt uitgegaan van de basisnorm voor huurlasten. Het meerdere wordt als draagkracht aangemerkt.
Lid 5 geldt uitsluitend voor de gedupeerden van de toeslagenaffaire die een tegemoetkoming van circa 30.000 euro hebben ontvangen van de Belastingdienst. Deze tegemoetkoming valt niet onder het begrip “inkomen” en “vermogen” bij de uitvoering van de bijzondere bijstand. Zolang dit bedrag, of het restant daarvan, op een rekening courant of spaarrekening staat, telt het niet mee als “vermogen”. Het deel van deze tegemoetkoming dat niet is uitgegeven, wordt ook in de jaren tot en met 2025 niet tot het vermogen gerekend. Eventuele inkomsten die uit deze tegemoetkoming worden ontvangen, vallen wel onder het begrip “inkomen” en “vermogen” bij de uitvoering van de bijzondere bijstand, Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag.
De hardheidstegemoetkoming van circa 30.000 euro wordt door de Belastingdienst uitgekeerd op grond van artikelen 49 lid 1; 49a; 49b en 49c Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Door de vrijlating past de gemeente artikel 7 lid 1 sub p uit de regeling Participatiewet, IOAW, IOAZ op dezelfde manier toe bij de uitvoering van de bijzondere bijstand, Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag.
Het inkomen is gelijk aan (de som van) alle netto inkomensbestanddelen exclusief vakantiegeld en een eventuele eindejaarsuitkering waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De hoofdregel is dat alle middelen meetellen voor de beantwoording van de vraag of er recht op algemene bijstand bestaat en tot welk bedrag. De Participatiewet geeft een opsomming van de middelen die bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de algemene bijstand worden vrijgelaten.
Het college gaat bij bijzondere bijstand uit van de norm zonder rekening te houden met eventuele kostendelers. Het college heeft hiervoor gekozen omdat er alleen recht op bijzondere bijstand bestaat als er sprake is van kosten voortvloeiende uit bijzondere omstandigheden en noodzakelijke kosten. Dat iemand eventuele woonkosten kan delen doet aan de bijzondere kosten op zichzelf niet af. Deze individuele bijzondere kosten kunnen niet direct of indirect worden afgewenteld op willekeurige derden, met wie wel algemene kosten kunnen worden gedeeld. Ook wordt de individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing gelaten.
Voor zelfstandigen en ZZP'ers geldt dat hun actuele maandinkomen niet goed is vast te stellen. Voor deze groepen wordt het inkomen uit zelfstandigheid gebaseerd op het inkomen van het laatste afgesloten fiscale jaar. Mocht er sprake zijn van een grote inkomensterugval, dan kan het inkomen opnieuw worden berekend. Wij sluiten zoveel mogelijk aan bij het zelfstandigenbegrip uit het besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
Een periodieke uitkering particuliere oudedagsvoorziening kan niet (gedeeltelijk) buiten beschouwing worden gelaten. Deze geldt van wetswege alleen voor algemene bijstand. De lijfrente kan buiten beschouwing worden gelaten. De lijfrente is ook een soort particuliere oudedagsvoorziening.
In lid 3 wordt aangegeven dat bij de vaststelling van het inkomen uitgegaan wordt van het periodieke inkomen van de belanghebbende(n) over de maand waarin de kosten zijn gemaakt, tenzij dit geen juist inzicht geeft. Hiervan kan sprake zijn in geval van wisselende inkomsten.
Artikel 7.Draagkracht vaststellen en draagkrachtperiode
Het is aan het college om te bepalen welk deel van de middelen in aanmerking wordt genomen voor de draagkracht als bijzondere bijstand wordt aangevraagd. Met de invoering van de Participatiewet betekent dit dat het college zich moet beraden op de vraag of bij de bepaling van de draagkracht rekening wordt gehouden met de kostendelersnorm of niet.
Bij een inkomen tot aan 120% plus 150 euro (voor een alleenstaande) dan wel 300 euro (voor een echtpaar) van de geldende bijstandsnorm wordt geen draagkracht verondersteld. Dit verhoogde vrij te laten inkomen heeft het doel om de draagkrachtberekening te vereenvoudigen en minder bewijslast op te vragen ten opzichte van eerdere beleidsregels.
Bij een hoger inkomen dient van het extra inkomen 35% aangewend te worden als draagkracht. Voor de kosten genoemd in het vierde lid van dit artikel geldt dit niet. Hiervoor geldt het draagkrachtpercentage vanaf 100% boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat in beginsel de draagkracht over een periode van een jaar in aanmerking wordt genomen, dat wil zeggen: de periode van 12 maanden volgend op de periode waarop de bijzondere kosten zijn ontstaan.
Artikel 10.Bijzondere bijstand Levensonderhoud jongeren 18 tot 21 jaar
De voorwaarden voor verlening van bijzondere bijstand aan personen van 18, 19 of 20 jaar zijn opgenomen in artikel 12 van de Participatiewet. Verlening van bijzondere bijstand is mogelijk als de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongere uitgaan boven de bijstandsnorm, en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
Hierbij moet gedacht worden aan ouders die onvindbaar of niet bereikbaar zijn of aan de situatie waarin de relatie tussen ouders en kind ernstig verstoord is. Of de jongere is bijvoorbeeld in het kader van een hulpverleningstraject uit huis geplaatst.
Het meest voorkomende geval waarin een jongere hogere bestaanskosten heeft op die leeftijd, is als hij/zij zelfstandig woont. De bijstandsnorm voor levensonderhoud voor jongeren tot 21 jaar is laag en daardoor is deze norm in dat geval vaak niet toereikend.
De regel is dat bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor een jongere tot 21 jaar alleen mogelijk is als hij/zij zelfstandig woont. Het is mogelijk om op basis van lid drie van deze regel af te wijken. Want ook bij jongeren die in een opvangcentrum verblijven, kan er sprake zijn van hogere bestaanskosten. Vaak is dit het geval als er een eigen bijdrage betaald dient te worden voor het verblijf in het opvangcentrum. Jongeren tot 21 jaar die in een inrichting verblijven komen niet voor algemene bijstand in aanmerking (artikel 13, tweede lid onderdeel a Participatiewet). Ook deze jongeren kunnen op grond van lid drie in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor algemene bestaanskosten, voor zover ze geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van de ouders. In het vierde lid is de hoogte van de bijzondere bijstand geregeld.
Dit artikel regelt het recht op woonkostentoeslag. Er kan sprake zijn van een recht op huurtoeslag, maar de uitbetaling laat nog op zich wachten. Te denken valt aan een eerste gebroken maand en aan een plotselinge daling van het inkomen. Deze daling kan ertoe leiden dat de huur niet meer vanuit het inkomen betaald kan worden, en er, gelet op het rekeninkomen nog geen recht bestaat op huurtoeslag. Dit recht ontstaat dan pas in het volgende toeslagtijdvak. Tot aan de toekenning van de huurtoeslag kan er dan een woonkostentoeslag verstrekt worden.
Daarnaast hebben personen met een eigen huis geen recht op huurtoeslag. Als er sprake is van een dusdanig laag inkomen dat de woonkosten niet (volledig) vanuit dit inkomen betaald kunnen worden, bestaat in principe recht op woonkostentoeslag.
Bij zowel lid 1 als 2 geldt dat omstandigheden waaronder recht op huurtoeslag bewust is uitgesloten, geen aanspraak op woonkostentoeslag geven. Bijvoorbeeld bij onderverhuur, onzelfstandige woonruimte, of als de belanghebbende een niet-rechthebbende vreemdeling als huisgenoot heeft.
Op grond van lid 3 compenseren we woonkosten die boven de maximale huurgrens uitstijgen.
Uit lid 4 volgt dat de belanghebbende serieuze pogingen moet ondernemen om geen woonkostentoeslag meer nodig te hebben na de eerste toekenning. Anders is verdere verstrekking niet meer te rechtvaardigen (m.a.w. zijn de extra woonkosten niet langer als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan aan te merken). Bij elke nieuwe aanvraag moet dit opnieuw worden getoetst. De woonkostentoeslag is dus niet gemaximeerd tot twee jaar, maar kan worden verstrekt zolang de bijzondere situatie zich voordoet.
In lid 5 is de mogelijkheid tot het opleggen van een verhuisplicht geregeld. Zwaarwegende belangen kunnen bestaan uit het feit dat het niet wenselijk is om belanghebbenden te dwingen om het huis met verlies te verkopen, waardoor belanghebbende geconfronteerd wordt met een schuld. Ook de duur van de bijstandsafhankelijkheid dient betrokken te worden bij de overweging of een verhuis- of verkoopplicht opgelegd dient te worden.
In lid 6 zijn situaties beschreven waarbij in ieder geval geen verhuisplicht opgelegd dient te worden. Deze zijn afgeleid van artikel 13 van de wet op de Huurtoeslag.
In lid 7 wordt de mogelijkheid geboden de woonkostentoeslag met maximaal één jaar te verlengen.
Elk jaar moet opnieuw worden getoetst of belanghebbende naar vermogen heeft getracht goedkopere woonruimte te vinden, deze toeslag is niet gemaximeerd tot twee jaar, maar kan worden verstrekt zolang de situatie zich voordoet.
De basisverzekering is een passende en toereikende voorziening samen met de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. Aanvragen voor medische kosten, die op grond van de aanvullende verzekering voor vergoeding in aanmerking komen, worden dan ook veelal afgewezen. In zeer schrijnende situaties behoort het verstrekken van bijzondere bijstand voor medische kosten tot de mogelijkheden, wanneer sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 lid 1 en artikel 49 aanhef en onder b van de Participatiewet.
Aan de hand van de individuele omstandigheden dient beoordeeld te worden of bijzondere bijstand voor een bepaalde kostensoort verstrekt kan worden.
Artikel 16.Duurzame gebruiksgoederen
Duurzame gebruiksgoederen zijn incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan. Voor deze kosten moet in principe gereserveerd worden uit de algemene middelen. Als de kosten niet voorzienbaar waren en de belanghebbende niet heeft gereserveerd of niet kon reserveren en vervanging van duurzame gebruiksgoederen noodzakelijk is gebleken, kan een beroep worden gedaan op bijzondere bijstand.
In afwijking van het beginsel dat bijstand in principe om niet wordt verstrekt, kan bijzondere bijstand voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen met toepassing van artikel 51 Participatiewet worden verstrekt in de vorm van een geldlening of borgtocht. Voor wat betreft de vorm van de bijzondere bijstand geldt de volgende voorkeur:
Belanghebbende dient dan ook eerst te proberen een geldlening bij een kredietverlenende instelling af te sluiten, bijvoorbeeld bij een bank of de G.K.B. Als een dergelijke lening niet kan worden afgesloten dan kent het college bijzondere bijstand toe in de vorm van een geldlening. Soms moet de gemeente daarbij borg staan. Bijzondere bijstand kan dan worden verstrekt in de vorm van borgtocht. Borgtocht houdt in dat het college aansprakelijk wordt gesteld als de belanghebbende zijn aflossingsverplichtingen niet nakomt. De gemeente moet de geldlening dan terugbetalen aan de bank en heeft vervolgens een vordering op de belanghebbende (artikel 58 lid 2 onderdeel c Participatiewet).
Deze volgorde is gekozen omdat ook de aankoop, vervanging of reparatie van gebruiksgoederen met een duurzaam karakter tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren. Voor de hoogte van de afzonderlijke vergoedingen wordt de Nibud-prijzengids voor dit onderdeel niet gehanteerd. De Nibud-prijzengids is vastgesteld op basis van een modaal inkomen. Voor de hoogte van de verstrekkingen geldt het onderstaande. Deze bedragen worden ieder jaar geïndexeerd met het door de gemeente gehanteerde indexatiepercentage.
Stofferingskosten worden om niet verstrekt
Artikel 16. Maatschappelijke participatie
Dit artikel regelt de ondersteuning voor maatschappelijke participatie. Hierbij wordt aangenomen dat elke activiteit extra kosten met zich meebrengt, die niet door de belanghebbenden hoeven te worden aangetoond. Voorbeelden van deze kosten zijn:
Deze extra kosten worden als hoog beschouwd, waardoor de totale kosten voor maatschappelijke participatie de maximale vergoeding van € 130,00 overschrijden. Daarom bedraagt de standaardvergoeding, als draagkracht ontbreekt, € 130,00 per rechthebbende. Als gebruik kan worden gemaakt van Stichting Leergeld, Jeugdsportfonds of Jeugdcultuurfonds, worden deze als passende en toereikende voorliggende voorzieningen beschouwd.
Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor dagjes uit en dergelijke. Deze kosten behoren tot de algemene kosten van levensonderhoud en kunnen worden gedekt met vakantiegeld.
Artikel 17.Compensatie verminderde huurtoeslag als gevolg van inkomstenvrijlating
Uitkeringsgerechtigden die (tijdelijk) parttime werken, kunnen te maken krijgen met een daling van de huurtoeslag vanwege de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder n van de Participatiewet. Door deze inkomstenvrijlating stijgt het inkomen van belanghebbende en als gevolg hiervan daalt mogelijk de hoogte van de huurtoeslag. Om uitstroom uit de bijstand te stimuleren en omdat we willen dat arbeid loont, kan deze daling van de huurtoeslag van het rijk gecompenseerd worden via de bijzondere bijstand. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op het bedrag van de daling van de huurtoeslag. De duur van de verstrekking is gelijk aan de duur van de toepassing van de inkomstenvrijlating. De verstrekking duurt zolang de inkomstenvrijlating van toepassing is.
Artikel 18. Collectieve zorgverzekering voor minima (CZM)
Artikel 35 lid 6 van de Participatiewet maakt het mogelijk om categoriale bijstand te verlenen in de vorm van een aanvullende ziektekostenverzekering. Hiermee kan het niet-gebruik van noodzakelijke voorzieningen worden teruggedrongen. De inkomensgrens wordt hierbij vastgesteld op130 % van de bijstandsnorm. De financiële vergoeding wordt niet aan de belanghebbende uitgekeerd maar wordt rechtstreeks aan de zorgverzekeraar uitbetaald.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-522959.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.