Gemeenteblad van Zutphen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zutphen | Gemeenteblad 2024, 513960 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zutphen | Gemeenteblad 2024, 513960 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening watertoeristenbelasting gemeente Zutphen 2025
De raad van de gemeente Zutphen,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 november 2024 met nummer 800079;
gelet op artikel 224, eerste lid van de Gemeentewet;
vast te stellen de volgende verordening:
Verordening op de heffing en invordering van watertoeristenbelasting gemeente Zutphen 2025.
Onder de naam 'watertoeristenbelasting' wordt een directe belasting geheven voor het houden van verblijf op vaartuigen die aanwezig zijn in wateren binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook, door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven.
De belasting wordt niet geheven voor het verblijf:
door de persoon die verblijf houden aan boord van:
een vaartuig dat is ingericht en wordt gebruikt als een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 4 van de Wet toetreding zorgaanbieders;
van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h, van voornoemde wet, en voorzover deze persoon verblijf houdt in een gelegenheid als bedoeld in artikel 2 van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers;
Artikel 5 Maatstaf van de heffing
De belasting wordt geheven naar het aantal verblijven in het belastingtijdvak. Het aantal verblijven wordt gesteld op de som van het aantal etmalen dat elke in artikel 2 bedoelde persoon verblijf heeft gehouden. Voor de toepassing van dit artikel wordt een gedeelte van een etmaal voor een vol etmaal gerekend.
Artikel 9 Termijnen van betaling
In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, als het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 50,-, maar minder dan € 10.000,-, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is verwerkt en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
In afwijking van artikel 237, eerste lid van de Gemeentewet geschiedt het uitnodigen tot het doen van aangifte door het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waaruit blijkt de wijze van het doen van aangifte, een omschrijving van de gevraagde gegevens of bescheiden en de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan.
In afwijking van artikel 237, tweede lid van de Gemeentewet wordt aangifte gedaan door het op de in de aangiftebrief aangegeven wijze, inleveren of toezenden van de gevraagde gegevens of bescheiden.
De belastingplichtige, bedoeld in artikel 3, eerste lid is gehouden, voordat hij voor de eerste maal gelegenheid tot overnachten verschaft, dit schriftelijk te melden aan de aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 232, vierde lid, onderdeel a, van de Gemeentewet (hierna: heffingsambtenaar).
De Verordening watertoeristenbelasting gemeente Zutphen 2024, van 11 december 2023, wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2025, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Aldus besloten in de openbare vergadering van
de raad van de gemeente Zutphen,
gehouden op: 16 december 2024
De voorzitter, de griffier,
Toelichting Verordening watertoeristenbelasting gemeente Zutphen 2025
Deze verordening volgt in beginsel de VNG-modelverordening.
In artikel 1 is waar mogelijk aansluiting gezocht bij reeds bestaande, in de wetgeving gehanteerde, begrippen. De begrippen 'lengte' en 'schipper' zijn afkomstig uit de (inmiddels vervallen) Binnenschepenwet (Stb. 1981, 678).
De omschrijving van het begrip 'vaartuig' is zodanig, dat daarin het karakter van de watertoeristenbelasting tot uitdrukking komt. Niet ieder verblijf aan boord van een varend voorwerp wordt in de heffing betrokken, maar in beginsel alleen het toeristische of recreatieve verblijf. Een vaartuig aan boord waarvan dergelijk verblijf plaatsvindt, zal doorgaans een pleziervaartuig zijn. De omschrijving is wel zodanig dat ook toeristisch verblijf aan boord van andere, niet voor pleziervaart bestemde vaartuigen, in de heffing wordt betrokken.
In de omschrijving van het begrip 'etmaal' is de aanvangstijd 21.00 uur zodanig gekozen, dat verblijf gedurende de weekeinden zo nauwkeurig mogelijk kan worden gemeten. Veel waterrecreanten hebben de gewoonte, wanneer zij een weekend aan boord van hun vaartuig doorbrengen, op vrijdagavond te arriveren en op zondagavond weer te vertrekken. Als de aanvangstijd van het etmaal gelijk zou vallen met de aanvang van een kalenderdag (0.00 uur), heeft dat tot gevolg dat bij een verblijf van minder dan 48 uren over 3 etmalen belasting verschuldigd is. Met het in artikel 1 gekozen tijdstip vermijdt men dit ongewenste resultaat. Aangenomen mag worden dat de overgrote meerderheid van de waterrecreanten, die de nacht van zondag op maandag niet aan boord van hun vaartuig doorbrengen, om 21.00 uur vertrokken zal zijn.
Het bij de omschrijving van het begrip 'seizoen' gekozen tijdvak is ingegeven door het feit dat buiten dit tijdvak doorgaans de beweegbare bruggen in toeristische vaarroutes niet of minder regelmatig worden bediend.
Ingevolge artikel 224 van de Gemeentewet kan alleen watertoeristenbelasting worden geheven als voldaan is aan de volgende eisen:
Het begrip 'verblijf houden' is ruim. Hebben we bij de algemene toeristenbelasting in veel gevallen te maken met verblijf in onderkomens die een seizoen of langer op dezelfde plaats blijven staan, bij de watertoeristenbelasting is van plaatsgebondenheid van enig onderkomen in beginsel geen sprake. Een vaartuig is in principe mobiel. Vooral bij de pleziervaart hebben wij vrijwel steeds te maken met vaartuigen die niet voortdurend op dezelfde plaats liggen. Zelfs als een vaartuig een vaste ligplaats heeft, wil dit nog niet zeggen dat dat vaartuig daar ieder etmaal te vinden is en al ligt het vaartuig wél steeds op dezelfde plaats dan is het nog niet regelmatig bemand. Dit maakt de heffing van watertoeristenbelasting niet eenvoudig. Bij de watertoeristenbelasting gaat het immers, evenals bij de algemene toeristenbelasting, om een verblijfsbelasting. Het verblijf van personen aan boord van vaartuigen, die zich binnen de gemeentegrenzen bevinden, staat centraal. Voor de heffing gaat het erom dit verblijf op een zo volledig mogelijke en tevens efficiënte wijze binnen het fiscale bereik te brengen.
In beginsel moet alle verblijf aan boord van vaartuigen in het gemeentelijke watergebied in de heffing worden betrokken als de verblijfhoudende personen niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven. Om praktische redenen dient de heffing te worden vastgeknoopt aan een nader criterium: voor het verblijf dient in enigerlei vorm een vergoeding te worden betaald. In tegenstelling tot hetgeen het geval is bij de algemene toeristenbelasting is in deze verordening, die speciaal op de watertoeristenbelasting betrekking heeft, niet aangeknoopt bij het nadere criterium 'met overnachting'. Wij achten verblijf tegen vergoeding en aan boord van vaartuigen als aanknopingspunt voor de belastingheffing al voldoende gekwalificeerd. Het onderscheid komt dus slechts uit pragmatische overwegingen voort.
De heffing van de watertoeristenbelasting is naar onze mening in voldoende mate te rechtvaardigen, omdat een substantieel deel van het voor de watertoeristenbelasting relevante verblijf in de heffing wordt betrokken via het genoemde criterium. Dit is zo omdat een wezenlijk deel van de in het gemeentelijke watergebied aanwezige vaartuigen gebruik maakt van betaalde ligplaatsen in dat gebied.
Als belastingplichtige is in eerste instantie aangewezen de persoon die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 door het ter beschikking stellen van ligplaatsen of vaartuigen. De verwijzing naar artikel 2 brengt met zich dat er sprake moet zijn van een vergoeding in welke zin dan ook. In dat geval mag de belastingplichtige de belasting doorberekenen aan de verblijfhoudende recreant. Slechts wanneer een dergelijke belastingplichtige niet kan worden aangewezen, wordt de verblijfhouder zelf als belastingplichtige aangewezen.
Deze regeling, die is gebaseerd op het bepaalde in artikel 224 van de Gemeentewet, komt qua opzet overeen met de desbetreffende regeling in de verordening inzake de algemene toeristenbelasting. Inschakeling van de verblijfbieder in het heffingsproces is een praktische oplossing. Bij de aanwijzing van de verblijfbieder als belastingplichtige kan vooral gedacht worden aan eigenaren, pachters, huurders of gebruikers van jachthavens die tegen vergoeding ligplaatsen ter beschikking stellen. Ook kan gedacht worden aan een verhuurder van boten, voor zover althans die boten binnen het watergebied van de gemeente blijven. Zie in dit verband ook de uitspraak van de Hoge Raad van 8 oktober 1993 (ECLI:NL:HR:1993:ZC1085, Belastingblad 1994, blz. 5 (Marken)).
Bij het aanwijzen van de belastingplichtige doet zich geen keuzesituatie voor. Daarom is het stellen van beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige niet nodig.
Het eerste onderdeel bevat vrijstellingen voor verblijf aan boord van een aantal categorieën vaartuigen. Het betreft vaartuigen die zijn ingericht voor verpleging of verzorging van zieken, gebrekkigen, hulpbehoevenden of bejaarden (onderdeel a) en kleine vaartuigen (2 en 3).
Voorts is een vrijstelling voorzien ingeval het verblijf aan boord van een vaartuig plaatsvindt dat zich op last of bevel van de overheid in het gemeentelijke watergebied bevindt (4).
In aanvulling op het VNG-model zijn vrijstellingen opgenomen voor bijzondere situaties (5 t/m 9)
De vrijstelling in het tweede onderdeel heeft tot doel verblijf van asielzoekers onbelast te laten als zij niet als ingezetenen met een adres in de gemeente zijn ingeschreven in de basisregistratie personen. Hoewel blijkens de uitspraak van het Hof Leeuwarden van 26 november 1993 (LJN: AS1770, nr. 1135/92, Belastingblad 1994, blz. 205 (Sleen)), heffing mogelijk is ter zake van het verblijf van asielzoekers, achtte de toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken een terughoudend beleid van gemeenten gewenst. Dit blijkt uit haar beantwoording van naar aanleiding van de hiervoor genoemde uitspraak van het Hof Leeuwarden gestelde Kamervragen (Kamerstukken II 1993/1994, Aanhangsel, nrs. 293 en 377). In een geval waarin een gemeente toch hief, sprak Hof Arnhem uit dat asielzoekers in een voormalig hotel niet onder de belasting vielen omdat het voormalig hotel blijvend aan die bestemming was onttrokken en het verblijf van de asielzoekers niet viel onder een van de in de verordening opgesomde accommodatiemogelijkheden (Hof Arnhem 4 april 2002, ECLI:NL:GHARN:2002:AE3601, Belastingblad 2002, blz. 992; zie ook Hof `s-Hertogenbosch, 30 maart 2001, ECLI:NL:GHSHE:2001:AB1527, Belastingblad 2001/938 (Gulpen)).
In deze verordening is een vrijstelling opgenomen voor die situaties dat naast de watertoeristenbelasting ook toeristenbelasting verschuldigd is. Op deze wijze wordt cumulatie van toeristenbelastingen voorkomen.
Artikel 5 Maatstaf van heffing
Door de aard van de watertoeristenbelasting als verblijfsbelasting, ligt het volgens ons voor de hand dat de te betalen watertoeristenbelasting zich richt naar de duur van het verblijf en het aantal personen dat verblijf houdt (zie ook Hoge Raad 21 juli 1987, nr. 24.516, BNB 1987/272, Belastingblad 1987, blz. 629). Dit is in de artikelen 5 en 6 van de modelverordening het geval.
De maatstaf van heffing gaat uit van de formule:
aantal verblijven = aantal etmalen persoon 1 + aantal etmalen persoon 2 + … + aantal etmalen persoon (n-1) + aantal etmalen persoon n.
Uitgangspunt daarbij is het werkelijke aantal personen en het werkelijke aantal etmalen.
Voor vaste standplaatsen is een vast bedrag de heffingsmaatstaf. Zie verder de toelichting onder artikel 6, tweede lid.
De watertoeristenbelasting kan worden gezien als een algemene belasting waarvan de opbrengst ten goede komt aan de algemene middelen, uit welke middelen mede voorzieningen in het belang van het watertoerisme kunnen worden bekostigd. Voor de hoogte van de tarieven gelden geen beperkingen.
Het tweede lid regelt het vaste tarief voor vaste ligplaatsen. Wat vaste ligplaatsen zijn, is gedefinieerd in artikel 1. Bij vaste ligplaatsen maakt het niet uit of deze door particulieren of door bedrijven ter beschikking worden gesteld tegen een vergoeding. Bij deze ligplaatsen bestaat doorgaans geen zicht op het aantal personen dat op het vaartuig verblijft. Omdat het om ligplaatsen gaat die langere tijd worden verhuurd, zullen veel gebruikers zich niet melden bij de beheerder. Om die reden is een vast tarief passend.
Om praktische redenen is het belastingtijdvak gelijkgesteld aan het seizoen dat in artikel 1 nader is omschreven. Buiten dit seizoen zal het voor de watertoeristenbelasting relevante verblijf niet veel voorkomen. De heffing kan niet plaatsvinden als de omvang van de materiële belastingschuld nog niet vaststaat, bijvoorbeeld als het kan gaan om het werkelijke aantal overnachtingen per jaar (Hoge Raad 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4170, Belastingblad 2002, blz. 890).
Op grond van artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze. Net als in de meeste belastingverordeningen hebben wij gekozen voor de heffing bij wege van aanslag.
Artikel 9 Termijnen van betaling
De betaaltermijnen zijn binnen Tribuutverband zoveel mogelijk geharmoniseerd. Daarmee is een evenwicht beoogd tussen enerzijds vlotte invordering en gespreide betaling bij automatische incasso.
Net als in de andere belastingverordeningen waar met aangiftes gewerkt kan worden, is dit artikel opgenomen. Hierdoor is het niet nodig dat het bestuur van Tribuut modellen vaststelt. Dit sluit aan op de praktijk zoals die ook bij de belastingdienst gangbaar is. het vergroot de flexibiliteit en maakt het tevens mogelijk om aangiftes digitaal te verlangen.
Om tot registratie van de belastingplichtigen te komen - mede ten dienste van de uitreiking van aangiftebiljetten en verblijfregisters, alsmede het opleggen van voorlopige aanslagen - is in de verordening een bepaling opgenomen waarbij iedereen die voor het eerst belastingplichtig wordt, verplicht wordt hiervan aan de heffingsambtenaar melding te doen. Hij moet dit doen voordat hij voor de eerste maal gelegenheid tot verblijf biedt.
Om te zorgen dat de belastingschuld kan worden vastgesteld uit de administratie is deze verplichting opgenomen. Doorgaans zullen belastingplichtigen al een dergelijke administratie voeren. Deze verplichting kan in voorkomende gevallen (o.a. bij discussie over het aantal malen dat verblijf is gehouden) behulpzaam zijn.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-513960.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.