Gemeenteblad van Maasgouw
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Maasgouw | Gemeenteblad 2024, 508197 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Maasgouw | Gemeenteblad 2024, 508197 | beleidsregel |
Beleidsregels uitvoering uitvaart op kosten van de gemeente Maasgouw
Op grond van de Wet op de lijkbezorging (Wlb) is de burgemeester verantwoordelijk voor het begraven of cremeren van een overleden persoon in het geval de nabestaanden dit niet voor hun rekening willen nemen dan wel er geen nabestaanden zijn. In de Wlb is weinig geregeld. Het is in dat geval aan de gemeente om invulling te geven aan het proces rond lijkbezorging. Ook de daaraan verbonden kosten komen dan in beginsel voor rekening van die gemeente. Het is aan de gemeente zelf om keuzes te maken welke inspanningen worden verricht om nabestaanden op te sporen, op welke wijze de uitvaart wordt uitgevoerd en welke maatregelen de gemeente treft om de kosten van de uitvaart te verhalen. Hierbij wordt rekening gehouden met het bewerkstelligen van een sobere maar respectvolle uitvaart en de wettelijke kaders die de Wlb, het Besluit op de lijkbezorging en het erfrecht stellen.
Het uitgangspunt van de Wlb is dat de lijkbezorging primair geen taak van de overheid is, maar een zaak van burgers, die zorg dragen voor elkaar. In de eerste plaats zijn de nabestaanden verantwoordelijk voor de uitvaart, hoewel de wetgever erkent dat dit soms ook van vrienden, niet gehuwde partners etc. mag worden verwacht. In de Wlb wordt geen specifieke persoon aangewezen, die aansprakelijk en verantwoordelijk is voor de lijkbezorging. Pas als werkelijk niemand in de lijkbezorging voorziet, moet de burgemeester daarvoor zorg dragen. Als er wel nabestaanden zijn, dan moet dus nagegaan worden of deze bereid zijn opdracht te geven voor de lijkbezorging. Is dat niet het geval, dan is de burgemeester verantwoordelijk. De kosten daarvan komen ten laste van de gemeente, die deze kosten kan verhalen op de nalatenschap en op de nabestaanden.
Positie van deze beleidsregels
De geldende wet- en regelgeving is vanzelfsprekend het uitgangspunt. Ook geldende jurisprudentie kan een rol spelen. De voorliggende beleidsregels beogen invulling te geven aan de wettelijke beleidsruimte. Het gaat om bijvoorbeeld om de inspanningen die worden verricht om nabestaanden op te sporen, om de wijze waarop de gemeentelijke uitvaart wordt uitgevoerd en welke maatregelen de gemeente treft om de kosten van de uitvaart te verhalen. De aard van beleidsregels bieden altijd de mogelijkheid wanneer concrete situaties daarom vragen, hiervan af te wijken en maatwerk te bieden. De burgemeester is op grond van de Wlb verantwoordelijk. Deze beleidsregels geven invulling aan de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de burgemeester en soms van het college van B&W. Uit het oogpunt van leesbaarheid worden in plaats daarvan soms de termen gemeente of gemeentelijk gebruikt. De bedoelde bevoegdheden en verantwoordelijkheden zullen in de praktijk vaak via mandaat, volmacht of machtiging worden ingevuld door derden zoals ambtenaren.
Welke gemeente is verantwoordelijk
Uitgangspunt van de Wlb is dat de burgemeester van de gemeente waar de overledene zich bevindt, op het moment dat niemand opdracht geeft tot het verzorgen van de uitvaart, de verantwoordelijkheid heeft voor de lijkbezorging1. Dat kan dus een andere gemeente zijn dan de gemeente waar de overledene woonachtig was (bijvoorbeeld omdat betrokkene in een ziekenhuis, een hospice of bij familie/vrienden elders is overleden of meteen na overlijden in opdracht van politie naar een mortuarium is gebracht). Als er sprake is van een gevonden stoffelijk overschot, dan is de burgemeester van de gemeente waar het stoffelijk overschot wordt gevonden of aan land wordt gebracht in beginsel verantwoordelijk voor de lijkbezorging.
De uitvaartverzorger die voor de gemeente Maasgouw de gemeentelijke uitvaart verzorgt zal door middel van een enkelvoudige onderhandse aanbesteding worden gekozen. Dit kan ad hoc plaatsvinden.
Als er een overledene is waarover niemand zich ontfermt, dan moet hiervan melding worden gedaan bij de burgemeester op grond van artikel 20 Wlb. Deze melding van overlijden moet uiterlijk op de derde dag na het overlijden worden gedaan. De melding wordt via burgerzaken in ontvangst genomen. In de praktijk wordt een dergelijke melding meestal gedaan door de politie, een hulpverlener of een uitvaartonderneming. Maar ook familieleden of buren kunnen een melding doen.
Identiteit overledene onbekend
Als de identiteit van de overledene niet direct kan worden vastgesteld of er is sprake van een niet natuurlijke dood, stelt de politie een onderzoek in. De gemeente blijft verantwoordelijk voor de lijkbezorging, ook al kan de identiteit van de overledene niet worden vastgesteld. Hierbij geldt het bepaalde in artikel 21 Wlb.
Als er geen nabestaanden worden gevonden of de nabestaanden willen of kunnen niet tot het regelen van de uitvaart overgaan, is de burgemeester verantwoordelijk.
Het onderzoek naar nabestaanden om de uitvaart te regelen kan tijdrovend zijn. De gemeente hoeft zich echter niet bovenmatig in te spannen om nabestaanden op te sporen. Uiteraard moet de gemeente zich houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en zorgvuldig en uitgebreid onderzoek doen.
Om te bepalen welke nabestaanden het eerst in beeld komen, wordt bij de erfrechtelijke rangorde aangesloten2. Het onderzoek naar de nabestaanden strekt zich in beginsel niet verder uit dan tot en met de tweede graad van bloedverwantschap. Er is wel ruimte om verder dan de tweede graad te kijken. Indien nabestaanden in de derde graad of verder wel in beeld zijn, worden deze uiteraard wel benaderd.
Indien het bureauonderzoek geen of niet voldoende aanknopingspunten biedt, kan de gemeente besluiten de woning van de overledene te doorzoeken. Het binnentreden in de woning van een overledene kan noodzakelijk zijn en behoort tevens tot de uitvoering van de Wlb3. De burgemeester kan een machtiging afgeven voor het betreden van een woning om een huisbezoek af te leggen op grond van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi). Er vindt dan een belangenafweging plaats om te komen tot de beslissen of er van deze bevoegdheid gebruik wordt maakt en op welke wijze dat deze bevoegdheid dan wordt gebruikt. Als er wordt besloten de woonruimte van de overledene te betreden, wordt dit altijd gedaan door twee ambtenaren van de gemeente. De bevindingen worden direct na het bezoek in een rapportage vastgelegd. Ook gemaakte foto’s worden in de rapportage opgenomen.
Er wordt door de gemeente altijd onderzocht of de overledene een testament heeft. Uit het testament kunnen nabestaanden naar voren komen en kan blijken dat er bepaalde vermogensbestanddelen of verplichtingen (legaten) aanwezig zijn, die van belang zijn voor de afwikkeling van de nalatenschap. Bovendien kan uit het testament blijken op welke wijze de uitvaart moet plaatsvinden.
Indien bekend, dan wordt de bank van de overledene op de hoogte gebracht van het overlijden. Indien er een verhuurder is, wordt ook deze op de hoogte gebracht van het overlijden.
Indien er nabestaanden bekend zijn, dan wordt aan de nabestaanden met klem verzocht de uitvaart te verzorgen. Dit geldt ook voor degene met wie de overledene tot zijn/haar dood duurzaam heeft samengewoond. Ook aan vrienden kan worden gevraagd de uitvaart te regelen. Nabestaanden worden geïnformeerd over hun verantwoordelijkheden, over de financiële consequenties en over het mogelijke kostenverhaal. Ook personen die in detentie of in het buitenland wonen worden in beginsel benaderd. Indien blijkt dat niemand de uitvaart regelt, dan zal de gemeente dat moeten doen.
Opdracht tot verplaatsen en verzorgen overledene
Het is ongewenst om de overledene langere tijd op de plek van overlijden te laten liggen. Vooral bij bepaalde weersomstandigheden en bij overlijden in de openbare ruimte is het gewenst om het lichaam van de overledene zo spoedig mogelijk over te brengen naar het mortuarium/uitvaartcentrum. De gemeente kan dan opdracht geven tot verplaatsing van de overledene en opdracht geven tot de eerste verzorging van de overledene. Indien derden optreden als opdrachtgever is de gemeente in beginsel niet verantwoordelijk voor de kosten.
Op grond van de Wlb vindt begraving of crematie uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden plaats. Daarom wordt de opdracht tot uitvaart doorgaans uiterlijk op de vijfde werkdag na het overlijden gegeven. Indien nabestaanden niet snel genoeg gevonden worden, kan de burgemeester na het horen van een arts in redelijkheid besluiten de termijn te verruimen.
Uitvoering van de gemeentelijke uitvaart
De gemeentelijke uitvaart is sober maar respectvol. Wanneer nabestaanden of derden meer wensen hebben kunnen ze uiteraard zelf de uitvaart regelen.
De gemeente is bij de gemeentelijke uitvaart in elk geval verantwoordelijk voor:
Bij de gemeentelijke uitvaart gelden de volgende algemene regels voor de invulling:
Bijzondere regels voor de invulling bij crematie:
De as zal na één maand bewaartermijn worden verstrooid op een algemene plek bij het crematorium4.
Indien de identiteit van de overledene niet bekend is of indien er sprake is van een (vermoeden van een) misdrijf moet worden gekozen voor begraven. Is daar geen sprake van dan vindt op grond van artikel 18 lid 1 Wlb de lijkbezorging plaats overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Als verantwoordelijke voor de uitvaart dient de burgmeester dus de wens van de overledene te respecteren voor wat betreft de wijze waarop dit plaatsvindt. Dit is anno 2024 voor een gemeentelijke uitvaart beperkt tot begraven, cremeren of ter beschikking stellen van de wetenschap5 .
Door middel van een codicil of testament kan de overledene aangeven hebben welke vorm van lijkbezorging gekozen moet worden. Het is ook denkbaar dat op andere wijze de wens voor één van deze vormen is vastgelegd of uit andere bronnen deze wens blijkt. Tenslotte dient een bekende zwaarwegende geloofsovertuiging te worden gerespecteerd. Zijn er géén concrete aanwijzingen over de wens van de overledene, dan wordt voor de gemeentelijke uitvaart gekozen voor begraven. Begraving of verstrooiing vindt in beginsel plaats op de daartoe aangewezen gemeentelijke begraafplaats. Bij begraving kan het graf op grond van de Wlb worden geruimd na een periode van 10 jaar.
Het is mogelijk dat blijkt dat de overledene een (kapitaal) uitvaartverzekering heeft afgesloten. Aan de uitvaartverzorger wordt in dat geval verzocht deze gelden te innen en te verrekenen met de uitvaartfactuur. Indien de verzekering de kosten niet volledig dekt, worden deze kosten indien mogelijk verhaald op de nalatenschap of op de nabestaanden van de overledene. Mocht de overledene een naturaverzekering hebben dan zal op basis hiervan de uitvaart worden uitgevoerd.
Het verhalen van de kosten is een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders . Van deze bevoegdheid wordt altijd gebruik gemaakt tenzij er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-508197.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.