Gemeenteblad van Meppel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Meppel | Gemeenteblad 2024, 505823 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Meppel | Gemeenteblad 2024, 505823 | beleidsregel |
Beleidsregels Sociaal Domein Gemeente Meppel
1.4. Definities uitkeringen Participatiewet/Ioaw/Ioaz
Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet op de huurtoeslag.
grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
1.5. Definities leerlingenvervoer
ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 2.44 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding dan wel de commissie van onderzoek;
reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer;
2. Hoofdtaken sociaal domein (Maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, participatie en inkomensvoorzieningen)
2.3. Participatiewet /IOAW/IOAZ
Het college verstaat onder onverwijld uit eigen beweging, dat de belanghebbende informatie die van belang is voor de (voortzetting) van de bijstand, de bedoelde informatie uiterlijk meldt binnen 5 werkdagen en in ieder geval vóór de eerstvolgende maandbetaling op een mutatie- of rechtmatigheidsformulier, gerekend vanaf het moment waarop zich het te melden feit zich heeft voorgedaan, dan wel kenbaar werd voor belanghebbende.
Uitgangspunt is dat de financiële overbrugging van het wegvallen van de inkomsten tot de eerste betaling van de periodieke uitkering behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende. Bij eigen middelen/ het kunnen beschikken over eigen middelen is er geen recht op een overbruggingsuitkering.
2.3.5. Alleenstaande ouders (Alleenstaande ouder-kop)
Alleenstaande ouders met ten laste komende kinderen (jonger dan 18 jaar) die geen aanspraak hebben op verhoging van het kindgebonden budget met de alleenstaande ouder-kop hebben recht op een inkomensaanvulling van 20% van de gehuwdennorm indien aan een van onderstaande voorwaarden wordt voldaan. Afstemming van de uitkering vindt plaats op basis van artikel 18 lid 1 Participatiewet.
2.3.6. Herziening maatregelen (inkeerregeling)
Op verzoek van de belanghebbende die een maatregel is opgelegd kan het college de verlaging herzien zodra uit de houding en de gedraging van belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen bedoeld in artikel 18 lid 4 Participatiewet (geüniformeerde arbeidsverplichtingen) nakomt. Deze herziening vindt plaats op basis van artikel 18 lid 11 Participatiewet.
2.3.7. Schriftelijke waarschuwing in plaats van bestuurlijke boete.
Het college volstaat met een schriftelijke waarschuwing als aan belanghebbende in de afgelopen 24 maanden geen waarschuwing of boete is opgelegd in verband met schending inlichtingenplicht en:
belanghebbende uit eigen beweging alsnog binnen een redelijke termijn van twee maanden gerekend van het ontstaan van de wijziging, de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd. Tenzij de belanghebbende deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van de inlichtingenverplichtingen.
2.3.8. Vaststellen mate van verwijtbaarheid
Bij het vaststellen van de mate van verwijtbaarheid worden de criteria zoals genoemd in artikel 2a van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten gehanteerd.
2.3.12. Kostendelersnorm (artikel 22a Participatiewet: kamerverhuur en onderverhuur en kostgangerschap)
2.3.13. Inkomsten uit commerciële verhuur en kostgeverschap
Als de kostendelernorm van toepassing is, dan worden de inkomsten uit kamerverhuur en/of kostgangerschap gekort waarmee nog geen rekening is gehouden bij de kostendelersnorm. Op het meerdere dat wordt gekort als inkomsten vindt geen forfaitaire verlaging plaats omdat er geen sprake is van een commerciële prijs.
De inkomsten uit commerciële verhuur, als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de Participatiewet, worden op de uitkering in mindering gebracht onder aftrek van een forfaitair bedrag per maand voor de kosten die de verhuurder in verband met de verhuur maakt (kosten voor energie, afschrijving van meubilair en dergelijke). Dit bedrag is het forfaitaire bedrag per dag dat in de Recofa-richtlijnen voor deze kosten is opgenomen, omgerekend naar een bedrag per maand (365 x forfaitaire bedrag/12).
De inkomsten van een of meerdere kostganger(s), als bedoeld in artikel 33, vierde lid van de Participatiewet, worden op de uitkering in mindering gebracht onder aftrek van een forfaitair bedrag per maand voor de kosten die de kostgever in verband met het kostgeverschap maakt (kosten voor energie, afschrijving van meubilair en dergelijke alsmede kosten voor de maaltijden). Dit bedrag is de som van de forfaitaire bedragen per dag die in de Recofa-richtlijnen voor deze twee kostensoorten zijn opgenomen, omgerekend naar een bedrag per maand (365 x som van de forfaitaire bedragen/12).
2.3.15. Eisen aan overleggen van bewijzen van betaling commerciële prijs
Alleen indien is voldaan aan de volgende vereisten acht het college voldaan aan het vereiste van een deugdelijk bewijs van betaling als bedoeld in artikel 22a, lid 4 en 5 van de Participatiewet, van de overeengekomen commerciële prijs:
2.3.19. Middelen (artikel 31 lid 2 Participatiewet)
Niet tot de middelen worden gerekend giften of schenkingen (artikel 31 lid 2 sub m Participatiewet) tot maximaal € 2.500,00 per kalenderjaar. Het maakt daarbij geen verschil of de gift of schenking in natura wordt gegeven of uit geld bestaat. Ook maakt het geen verschil of de gift of schenking eenmalig of periodiek wordt verstrekt.
2.3.24. Verantwoording werkzaamheden en inkomsten uit werkzaamheden op bescheiden schaal als zelfstandige
2.3.25. Verrekening en vaststelling inkomsten bij werkzaamheden op bescheiden schaal als zelfstandige.
2.3.28. Eigen woning (geldlening onder verband van krediethypotheek, artikel 50 Participatiewet)
Tussentijdse herbeoordeling geldlening.
gedurende de periode van bijstandsverlening vindt herbeoordeling van de hoogte van de geldlening plaats indien de WOZ-waarde van de woning met tenminste 50 procent is gestegen ten opzichte van de WOZ-waarde van de woning ten tijde van de verstrekking van de geldlening dan wel vaststelling van de krediethypotheek.
2.5. Participatiewet/Ioaw en Ioaz
2.5.1. Toetsingskader arbeidsverdringing
Detachering wordt op dit moment alleen aangeboden door Reestmond in het kader van de WSW en het beschut werk nieuw. Hierbij betalen werkgevers een inleenvergoeding voor de geleverde werkzaamheden van de gedetacheerde. Indien hier de concurrentieverhoudingen uit balans zijn is Reestmond hiervoor de gesprekpartner.
2.5.3. Algemene bepalingen en tijdelijke ontheffingen bij werk- en participatievoorzieningen gericht op re-integratie en arbeidsinschakeling (PW/IOAW/IOAZ)
Als belanghebbende mantelzorg verleent aan inwonende zieke en /of anderszins hulpbehoevende bloed- dan wel aanverwanten en combinatie van zorg en arbeid niet in balans met elkaar kan zijn, kan ontheffing worden verleend van de verplichtingen als genoemd in artikel 3 sub a t/m c voor zolang de zorgtaak bestaat.
Een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een kind dat de leeftijd van 5 jaar nog niet heeft bereikt, kan door het college worden ontheven van de arbeidsplicht (artikel 9a lid 1 Participatiewet). Ook een pleegkind wordt in dit geval aangemerkt als kind. De ontheffing wordt alleen gegeven als de belanghebbende daarom vraagt. De alleenstaande ouder die in het bezit is van de ontheffing van de arbeidsplicht hoeft geen tegenprestatie te doen (artikel 9 lid 7 Participatiewet). Deze ontheffing ontslaat hen echter niet van de re-integratieplicht. Het college dient de ontheven ouder een re-integratietraject aan te bieden.
2.5.4. Algemene bepalingen over voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling (Waarschuwing)
Het college kan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling beëindigen als de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening.
Voor een beëindiging is er contact geweest tussen de deelnemer, het college en de uitvoerende organisatie. Daarna kan er, bij geen verbetering van de deelname, over worden gegaan tot het opleggen van een officiële waarschuwing. Deze waarschuwing kan leiden tot beëindiging van de voorziening gericht op arbeidsinschakeling, maar tevens tot het opleggen van een maatregel (Pw artikel 55). Voorafgaand aan het opleggen van een maatregel vindt nog een gesprek plaats (verordening sociaal domein artikel: 2.3.13 Horen van belanghebbende).
2.5.5. Vormen van ondersteuning tot arbeidsinschakeling
Het college stelt met betrekking tot een belanghebbende een diagnose via een programma dat gebaseerd is op het wetenschappelijke fundament van ‘TNO Kwaliteit van Leven’. Hiermee bepalen we welke afstand de betrokkene heeft tot de arbeidsmarkt. Daarna bepalen we welke re-integratie instrumenten noodzakelijk zijn om reguliere arbeid te vinden.
Het college maakt gebruik van de participatieladder en stelt de participatietrede vast. De postitie van de klant op de participatieladder kan wijzigen, als er een nieuwe situatie ontstaat. De zes niveaus van de participatieladder zijn:
niveau 5 betaald werk met ondersteuning
niveau 3 deelname aan georganiseerde activiteiten
Er is geen recht op ondersteuning aan jongeren artikel 7 lid 3 sub a van de Participatiewet en algemene bijstand artikel 13 lid 2 sub c van de Participatiewet als de jongere uit ’s Rijks kas bekostigend onderwijs kan volgen.
Uitgangspunt is dat de jongere beschikt over een startkwalificatie (MBO2, HAVO of VWO-niveau.
Onder scholing wordt verstaan, elke activiteit in een structuur die door een docent wordt aangeboden. Die gericht is op het ontwikkelen van de belanghebbende en/of het vergroten van de kennis. Deze kennis is noodzakelijk om werken mogelijk te maken of om werk te behouden. Dit eventueel in combinatie met andere voorzieningen. We denken hierbij aan dat de (werk)ervaring wordt erkend en vastgelegd door een erkende organisatie of om-, her- of bijscholing. Bij part-time werk wordt eerste gekeken naar een bijdrage via de werkgever.
Het college kan scholing aanbieden aan personen in een re-integratietraject, indien het zonder deze scholing niet mogelijk is, instroom in algemeen geaccepteerde arbeid te realiseren. Het college beoordeelt of deze scholing bijdraagt tot arbeidsinschakeling of verbetering van de uitgangspositie en verbindt hieraan een nader te bepalen termijn.
Als scholing voor een persoon als verplichting is opgenomen in het trajectplan of plan van aanpak worden de kosten door het college vergoed. Het gaat hierbij om de directe scholingskosten ( kosten scholing zelf, verhoogd met de aanschafkosten van boeken en ander lesmateriaal). De kosten van scholing zelf worden rechtstreeks betaalbaar gesteld aan de scholingsinstelling.
Re integratieconsulenten kunnen behoeften van klanten melden en hiervoor kunnen scholingstrajecten voor worden opgezet.
Voor informatie over voorliggende voorzieningen en begeleiding met hulp vanuit de arbeidsmarktregio kan verwezen worden of overlegd worden met onder andere https://levenlangontwikkelen.nl/; https://groeivooruit.nl/
2.5.8. Werkervaringsplaats en proefplaatsing
De proefplek houdt in dat iemand met behoud van uitkering onbetaalde werkzaamheden verricht bij een werkgever. De proefplek is een voor werkgevers stimulerend middel om uitkeringsgerechtigden relevante en perspectiefvolle werkervaring te laten opdoen. Daarnaast kan tijdens deze proefperiode beoordeeld worden of de uitkeringsgerechtigde voldoende competenties heeft voor een beoogde werkplaats.
2.5.10. Participatievoorziening beschut werk
Het UWV brengt een advies uit. Hieraan zijn voor de aanvrager geen kosten verbonden.
Het kan zijn dat de betrokkene of de gemeente vindt dat de omstandigheden sinds de eerdere beoordeling dusdanig zijn veranderd dat dit aanleiding geeft voor een nieuwe beoordeling. In dat geval kan de betreffende persoon of het college alsnog binnen de termijn van twaalf maanden een advies beschut werk aanvragen. Het UWV moet dan op grond van de gewijzigde omstandigheden opnieuw advies uitbrengen.
De gemeente kan een medewerker met een indicatie beschut werk nieuw die werkzaam is bij het sociaal ontwikkelbedrijf Reestmond een dienstverband aanbieden via de dienstverleningsovereenkomst beschut werk en vervolgens ‘uitlenen’ aan een bedrijf of organisatie met als doel (andere) werkervaring op te doen.
2.5.12. Ondersteuning bij leer-werktraject
Doel van de voorziening is om extra ondersteuning te bieden aan jongeren in de leeftijd van 16 tot 27 jaar die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.
2.5.14. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
In specifieke situaties kan de gemeente gemotiveerd afwijken van de voorwaarden zoals vermeld in het tweede lid. Voorbeelden van specifieke situaties zijn:
Proefplaatsing: tijdens een proefplaatsing kan de gemeente jobcoaching of interne werkbegeleiding inzetten, ondanks dat nog geen sprake is van een dienstbetrekking. Met als voorwaarde dat de werkgever de intentie uitspreekt om de werknemer direct aansluitend aan de proefplaatsing in dienst te nemen. De jobcoaching tijdens de proefperiode telt niet mee voor de maximale duur van de jobcoaching, zoals vermeld in het vijfde lid.
Een jobcoach of interne werkbegeleider heeft de volgende taken en verantwoordelijkheden:
De activiteiten die de jobcoach of interne werkbegeleider hiertoe inzet kenmerken zich door: vanuit een onderzoekende houding de werknemer te ondersteunen bij het vinden van antwoorden op vragen, het leren benutten van mogelijkheden, het optimaliseren van de zelfredzaamheid in het verrichten van arbeid, het aanleren van (werk)handelingen en in het ontwikkelen van kennis en vaardigheden.
De jobcoaching of interne werkbegeleiding is in principe van tijdelijke aard, tenzij kan worden aangetoond, aan de hand van het coachingsplan, dat langdurige of structurele inzet noodzakelijk is. Hier dient gemotiveerd van te worden afgeweken. Jobcoaching of interne werkbegeleiding wordt meestal voor een half jaar toegekend.
Een interne of externe jobcoach heeft de volgende taken en verantwoordelijkheden:
Een jobcoach begeleidt een werknemer gedurende een maximaal 3 jaar op de werkplek bij het verrichten van zijn of haar werkzaamheden. Daarnaast heeft de jobcoach de taak om belemmeringen weg te nemen. Deze ondersteuning heeft als doel de werknemer in staat te stellen na afloop van de jobcoaching zelfstandig het werk uit te voeren.
2.5.17. Subsidievoorwaarden voor jobcoaching
Bij jobcoach inzet door een uitvoeringsorganisatie zoals Reestmond via een dienstverleningsovereenkomst (DVO) of een werkgever waarmee (regionaal) een overeenkomst is afgesloten hoeft er geen individuele aanvraag per persoon te worden ingediend.
2.5.18. Interne werkbegeleiding
De Harrie Helpt-training is voor directe collega’s van mensen met een extra ondersteuningsbehoefte vanwege een lichamelijke, psychische of verstandelijke uitdaging. Met als doel te kunnen helpen als Harrie. De letters van deze naam staan voor de zes competenties van een ideale begeleider op de werkvloer: hulpvaardig, alert, rustig, realistisch, instruerend en eerlijk. De inzet van een Harrie bevordert een succesvolle, duurzame plaatsing van iemand die vanuit een kwetsbare arbeidsmarktpositie komt. Zie www.ikbenharrie.nl
Het vergoeden van concrete feitelijke kosten die ten laste van de persoon uit de doelgroep komen en die een belemmering vormen voor het deelnemen aan een voorziening of instrument of het uitstromen naar betaalde arbeid. Op grond van de Verordening sociaal domein kan het college voor deze kosten een bijdrage verstrekken.
De voorwaarden voor de verwervingskosten zijn:
Reiskosten woon-werk verkeer gedurende maximaal 6 maanden, voor zover de reiskosten ertoe leiden dat het netto inkomen van betrokkene lager is dan de geldende bijstandsnorm. Ook hiervoor geldt dat reiskosten worden vergoed op basis van openbaar vervoer 2e klasse of bij gebruik auto/motor bij gebruik auto/motor gekoppeld aan de vergoeding voor woon-werkverkeer van de Belastingdienst op basis van de kilometerafstand, snelste route, via de ANWB-routeplannen.
Naast bovengenoemde onkostenvergoedingen kan het college op individuele gronden beoordelen of uitkeringsgerechtigde in aanmerking komt voor een onkostenvergoeding in verband met het volgen van een traject mits dit bijdraagt aan inschakeling in arbeid en de kosten, na het oordeel van het college, niet exceptioneel hoog zijn.
2.5.23. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie
Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht. Dit werkprocesproces is beschreven in de interne werkomgeving van de gemeente Meppel in ‘Het processenhandboek”.
De no-riskpolis biedt dekking tegen het risico van loondoorbetaling bij ziekte. Het idee is dat de regeling het voor de werkgever aantrekkelijker maakt om een werknemer met een arbeidshandicap in dienst te nemen. De werknemer die ziek wordt, krijgt een Ziektewetuitkering van UWV. De werkgever mag deze uitkering met het loon verrekenen. Daarmee wordt de werkgever gecompenseerd in de loonkosten gedurende maximaal 104 weken.
Dit hoofdstuk heeft tot doel op basis van een beoordeling op grond van de in de beleidsregels bepaalde criteria en op basis van een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug met inachtneming van het bepaalde in deze beleidsregels.
3.1.2. Wie heeft recht op de bekostiging leerlingenvervoer?
De gemeente maakt gebruik van het stroomschema ‘I Recht op bekostiging leerlingenvervoer’ om te bepalen of er sprake is van recht op bekostiging van het leerlingenvervoer.
3.1.3. Wat is de dichtstbijzijnde toegankelijke school?
De gemeente maakt gebruik van het stroomschema ‘II Dichtstbijzijnde toegankelijke school’ om te bepalen of er sprake is van de dichtstbijzijnde toegankelijke school.
3.1.4. Aanvraag van bekostiging leerlingenvervoer
De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling dienen een aanvraag voor een vervoersvoorziening in door gebruik te maken van het formulier aanvraag bekostiging Leerlingenvervoer. Deze is te vinden op www.meppel.nl/leerlingenvervoer;
3.1.5. Bepalen van het soort vervoersvoorziening
De gemeente maakt gebruik van het stroomschema III ‘Soort leerlingenvervoer’, om te bepalen welke vervoersvoorziening wordt toegekend.
3.1.6. Ernstige benadeling van het gezin
3.1.9. Persoonlijk ontwikkelingsplan
Wanneer de leerling 9 jaar of ouder is, neemt de gemeente het initiatief om in overleg met de ouders, school en de leerling een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan op te stellen. Het doel van dit plan is om de leerling voor te bereiden op zelfstandig(er) reizen met het openbaar vervoer of de fiets, eventueel onder begeleiding;
3.1.11. Uitbetalen vergoeding fiets of eigen vervoer
Ouders hebben de keuze om een toegekende fietsvergoeding of vergoeding voor eigen vervoer in 1 keer uit te laten betalen of om een maandelijkse declaratie in te dienen.
3.1.14. Onaanvaardbaar wangedrag
Niet alle misdragingen zijn even ernstig. Burgemeester en wethouders onderscheiden de volgende categorieën naargelang de ernst van het onaanvaardbare wangedrag:
lichte misdragingen. Hiervan is in ieder geval sprake als de leerling zich niet houdt aan de regels van de vervoerder, zoals: niet rustig in het voertuig stappen, niet luisteren naar de aanwijzingen van de chauffeur, ongepast gedrag vertonen, ongepast taalgebruik hanteren, (geluids-)overlast veroorzaken, of de gordel niet omdoen.
Stappenplan bij ernstige misdragingen:
het aangepast vervoer wordt tijdelijk gestopt. De ouder(s) ontvangen hierover een brief. De duur van de stop is afhankelijk van de ernst van de gedraging. De opschorting kan niet langer duren dan acht (8) weken. Gedurende de opschorting is de leerling wel verplicht naar school te gaan. Tijdens de opschorting overleggen ouder(s) en gemeente om te komen tot een structurele oplossing na de opschorting;
De leerling kan naar een naschoolse opvang worden gebracht, als de naschoolse opvang op de route van school naar huis ligt.
5. Overige taken in het Sociaal domein
Bijzondere bijstand bestaat uit 2 verschillende vormen van bijstand (artikel 5 onderdeel d Participatiewet):
de bijzondere bijstand (artikel 35 Participatiewet); en
de individuele inkomenstoeslag (artikel 36 Participatiewet). Hier staan alleen de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35 Participatiewet. Zie voor de individuele inkomenstoeslag 5.6.
Voor personen ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond van de WSNP is uitgesproken, executoriaal beslag is gelegd, of sprake is van een minnelijke regeling o.g.v. de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt de draagkracht berekend over de middelen waarover de belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft.
Bij het vaststellen van het vermogen voor bijzondere bijstand kan een extra vrijlating worden toegepast voor belanghebbenden die aan kunnen tonen dat zij geen adequate uitvaartverzekering hebben, maar waarbij sprake is van een levensverzekering of spaarrekening die alleen bij overlijden uitkeert en niet tussentijds opvraagbaar of afkoopbaar is en waarvan de waarde niet bovenmatig hoog is.
5.4.5. Periodieke bijzondere bijstand
Indien de bijzondere bijstand wordt toegekend in de vorm van een periodiek terugkerend bedrag, dan wordt deze toegekend voor maximaal één jaar.
5.4.6. Hoogte van de bijzondere bijstand
Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de adequaatst goedkoopste oplossing.
5.4.8. Aanvullende bijzondere bijstand 18, 19 of 20 jarigen niet in een inrichting verblijvend
Indien en voor zover een persoon van 18, 19 of 20 jaar die niet in een inrichting verblijft hogere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan waarin de norm in het kader van de Participatiewet voorziet en de middelen van zijn ouders ontoereikend zijn of hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken, kan het college aanvullende bijzondere bijstand verstrekken.
5.4.9. Bijzondere bijstand 18, 19 of 20 jarigen in een inrichting verblijvend
Indien en voor zover een persoon van 18, 19 of 20 jaar, in een inrichting verblijft, hogere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan heeft en de middelen van zijn ouders hiertoe ontoereikend zijn of hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken kan het college voor deze kosten bijzondere bijstand verstrekken.
5.4.10. Toeslag voormalige alleenstaande ouder (garantietoeslag)
De garantietoeslag bedraagt maximaal het verloren recht op kindgebonden budget minus de inkomsten van het inwonende kind. Daarbij wordt rekening gehouden met daadwerkelijk ontvangen inkomsten, alsmede inkomsten waar het kind in redelijkheid aanspraak op zou kunnen maken, zoals studiefinanciering of een eigen uitkering. De garantietoeslag stopt als het kind 21 jaar wordt.
5.4.13. Meerkosten als gevolg van ziekte of handicap
Voor een vergoeding moet de inwoner aan alle 3 voorwaarden voldoen:
5.4.16. Kosten kinderopvang tienermoeders die een opleiding volgen
Voor het eigen aandeel in de kosten van kinderopvang is bijzondere bijstand mogelijk indien:
5.4.17. Kosten kinderopvang als beide ouders studeren en WSF ontvangen
Voor het eigen aandeel in de kosten van kinderopvang is bijzondere bijstand mogelijk indien:
5.4.20. Participatie schoolgaande kinderen
5.4.21. Duurzame gebruiksgoederen
Het college verstrekt in beginsel geen bijzondere bijstand voor de kosten genoemd in het eerste lid, omdat zij behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Bijzondere bijstand is alleen mogelijk als gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat de kosten niet uit de algemene bijstand, de individuele inkomenstoeslag en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
Indien er sprake is van bijzondere omstandigheden zoals aangegeven in lid 2 dan wordt bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een renteloze lening (leenbijstand) op grond van artikel 51 lid 1 Participatiewet, mits belanghebbende geen lening kan afsluiten bij de gemeentelijke kredietbank. Een lening bij een gemeenschappelijke kredietbank is een voorliggende voorziening.
5.4.22. Eerste inrichtingskosten
Indien er sprake is van bijzondere omstandigheden zoals aangegeven in lid 2 dan wordt, voor zover de eerste inrichtingskosten betrekking hebben op duurzame gebruiksgoederen, bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een renteloze lening (leenbijstand) op grond van artikel 51 lid 1 Participatiewet.
5.4.24. Eerste huur en waarborgsom
Het college verstrekt in beginsel geen bijzondere bijstand voor deze kosten, omdat zij behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Bijzondere bijstand is alleen mogelijk indien belanghebbende vanuit een niet verwijtbare inkomensloze situatie beschikt over onvoldoende draagkracht voor de betaling van de eerste maand huur, administratiekosten en waarborgsom en redelijkerwijs niet heeft kunnen reserveren voor deze kosten.
5.4.26. Woonkostentoeslag voor een huurwoning
Indien belanghebbende een huurwoning bewoont, waarvan de hoogte van de huur niet hoger is dan de maximale huurgrens ingevolge artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag, maar hij door omstandigheden buiten zijn schuld nog geen aanspraak kan maken op deze toeslag, kan bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag worden toegekend tot de datum waarop belanghebbende wel in aanmerking komt voor huurtoeslag. De hoogte van de woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag aan huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag, die, gelet op zijn financiële situatie, voor de woonkosten per maand ontvangen zou worden, wanneer hierop wel recht zou hebben bestaan;
Indien er aanspraak bestaat op huurtoeslag berekend naar een inkomen dat voor de aanvraag van bijstandsverlening hoger was dan de laagste inkomenscategorie volgens de Wet op de huurtoeslag, kan bijzondere bijstand worden toegekend. De hoogte van de woonkostentoeslag is in dat geval gelijk aan het bedrag dat volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag per maand zou worden toegekend, wanneer hierop wel volledig recht zou bestaan, verminderd met de daadwerkelijk ontvangen huurtoeslag.
5.4.28. Woonkostentoeslag voor woonkosten boven de maximale huurgrens
De woonkostentoeslag zoals bedoeld in lid 1 wordt toegekend voor de periode van maximaal twaalf maanden. Verlenging van deze termijn is telkens met een periode van 12 maanden jaar mogelijk, indien belanghebbende redelijkerwijs nog niet kan beschikken over huisvesting waarvan de woonkosten lager zijn dan de maximale huurgrens.
5.4.32. Kosten van bewind op basis van WSNP en kosten bewind in verband met beheer Persoonsgebonden budget
5.4.33. Kosten van rechtsbijstand
Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage rechtsbijstand, de kosten van griffierecht en de kosten voor een uittreksel van het GBA, indien er op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) een toevoeging rechtsbijstand wordt verleend. Belanghebbende dient de toevoeging van de Raad voor de rechtsbijstand te overleggen.
De studietoeslag is een inkomensondersteunende maatregel voor studenten en leerlingen, die door een structurele medische beperking naast de studie niet kunnen bijverdienen. Voor deze mensen is het moeilijk om een bijbaan te hebben naast hun studie of opleiding. Ook is de drempel om te lenen een stuk hoger dan studenten en leerlingen zonder arbeidshandicap, omdat de kans op een baan kleiner is.
De studietoeslag is een extra steun in de rug en niet bestemd voor bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende toeslag. Hij is vrij besteedbaar.
5.5.1. Structurele medische beperking
Structurele medische beperking: een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek die voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het verdienen van inkomsten door belanghebbende naast de studie.
5.5.6. Vrijlating stagevergoeding
Inkomsten uit stagevergoeding worden vrijgelaten tot aan het bedrag zoals vermeld in artikel 7b van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet.
5.5.8. Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering
Wanneer het eerste medisch advies daartoe aanleiding geeft, kan het college bepalen dat in principe na een jaar een nieuw medisch advies zal worden gevraagd om te beoordelen of belanghebbende nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken.
5.5.9. Inlichtingenplicht en terugvordering
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of zo snel mogelijk uit zichzelf mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hij kan weten dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op de studietoeslag. Deze verplichting geldt niet als die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens. Dit geldt ook niet als gegevens kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Hierbij gaat het om adreswijzigingen en het sluiten of eindigen van een huwelijk of geregistreerd partnerschap.
Deze beleidsregels omvatten regels van de gemeente Meppel die door het college zijn vastgesteld met betrekking tot het sociaal domein. De bedoeling hiervan is dat voor inwoners en dienstverleners de gemeentelijke regelgeving op sociaal gebied overzichtelijk en gebundeld beschikbaar is. Daarnaast helpt het om integraal te werken en op de langere termijn regelgeving en uitvoering beter op elkaar af te stemmen. Naast deze beleidsregels bestaat in Meppel sinds 2015 een verordening sociaal domein, die door de gemeenteraad is vastgesteld. De opdracht die de gemeenteraad in de verordening aan het college geeft is in de beleidsregels uitgewerkt. Omdat dit een ‘groeidocument’ is, zijn pas na verloop van tijd alle beleidsregels uit het sociaal domein opgenomen. Tot die tijd zijn er nog afzonderlijke beleidsregels gepubliceerd op de website van de lokale regelgeving van de overheid.
De beleidsregels sociaal domein sluit zoveel als mogelijk is, aan bij de verordening sociaal domein. De grondslagen voor bepalingen in deze beleidsregels zijn in de verordening sociaal domein en in veel verschillende wetten vastgelegd. Regelmatig veranderen regels in deze wetten of er zijn uitspraken van rechters die moeten worden opgevolgd, en dan moeten de beleidsregels veranderd worden.
Voor de duidelijkheid wordt in de toelichting een achtergrond geschetst van de gedachten waarmee een bepaalde tekst van een artikel is geschreven. Dit helpt bij de interpretatie van die bepalingen. Het voert te ver en is ook niet nodig om dit voor elk artikel te doen. Daarom vindt u niet over alle artikelen een aparte toelichting.
In deze toelichting worden wetten aangeduid met hun afkorting. Aan het eind van deze toelichting is een lijst met afkortingen opgenomen waarin deze worden vermeld.
1.7. Definities bijzondere bijstand
Er is voor gekozen om de begrippen die zijn omschreven in de Participatiewet, Awb, BW en de Wet op de huurtoeslag niet afzonderlijk te definiëren. De begrippen die niet in genoemde wetten staan beschreven worden in het tweede lid verduidelijkt.
Zij die een uitkering of een tegemoetkoming ontvangen in het kader van de Participatiewet, zijn verplicht desgevraagd of uit eigener beweging de gemeente mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden die van belang kunnen zijn voor zijn arbeidsinschakeling of op het recht op bijstand.
De verplichtingen worden in het besluit tot toekenning van de bijstand opgenomen.
Daarnaast zijn uitkeringsgerechtigden verplicht eventuele wijzigingen te vermelden op het rechtmatigheidsformulier of wijzigingsformulier.
Onder onverwijld wordt verstaan dat de wijziging in ieder geval wordt doorgegeven binnen 5 werkdagen en in ieder geval vóór de eerstvolgende maandbetaling. Een schending van de informatieplicht kan leiden tot een terugvordering en boeteoplegging.
Artikel 2.3.2 tot en met 2.3.4. overbruggingsuitkering
De uitbetaling van de bijstand vindt maandelijks achteraf plaats. Bij aanvragers die voor het eerst bijstand op grond van de Participatiewet gaan ontvangen, kan zich de situatie voordoen dat zij tot de eerste uitbetaling van de bijstandsuitkering niet de beschikking hebben over eigen middelen om in de algemene kosten van het bestaan te voorzien. Bij het financieel overbruggen van de eerste maand van de uitkering kan er sprake zijn van een onvoorziene situatie. Bij het al dan niet toekennen van een uitkering ter overbrugging is dit van belang. Daarbij dient de inwoner zich zo snel mogelijk te melden bij de gemeente als een situatie zich voordoet waarin hij of zij tot de eerste uitbetaling van de bijstandsuitkering, niet de beschikking heeft over eigen middelen om in de algemene kosten van het bestaan te voorzien.
Onvoorziene situaties zijn situaties waarin men plotseling niet meer over eigen middelen beschikt, bijvoorbeeld bij een plotselinge verlating door een partner zonder achterlating van middelen. Onvoorzien is ook de situatie van asielzoekers, die bijstand gaan ontvangen na het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd en zich in de gemeente vestigen.
Indien de situatie onvoorzien is en er daarom geen mogelijkheid is geweest voor reservering en er evenmin eigen middelen aanwezig zijn, wordt ter overbrugging naar de eerste uitbetaling van de reguliere bijstand een overbruggingsuitkering verstrekt. Er mag dus geen sprake zijn van eigen middelen, zoals een positief saldo op de (spaar)bankrekeningen. Zijn er eigen middelen aanwezig, dan worden deze in mindering gebracht op de overbruggingsuitkering. Indien de aanwezige eigen middelen hoger zijn dan de te verlenen overbruggingsuitkering bestaat er geen recht op een overbruggingsuitkering. Er geldt geen vermogensvrijlating.
De overbruggingsuitkering bedraagt 100% van de voor de aanvrager(s) van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de overbruggingsuitkering naar beneden worden bijgesteld, bijvoorbeeld als de voormalige echtgenoot de woonlasten nog voldoet.
De overbruggingsuitkering wordt in principe ‘om niet’ verstrekt, maar indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de aanvrager op korte termijn over voldoende inkomsten zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, wordt de bijstand verleend in de vorm van een lening ( artikel 48 Participatiewet).
De overbruggingsuitkering wordt teruggevorderd indien binnen een periode van drie maanden de bijstand niet meer nodig is. Behalve bij werkaanvaarding en verhuizing naar een andere woonplaats.
Artikel 2.3.5. Alleenstaande ouders (Alleenstaande ouder-kop)
Met de invoering van twee bijstandsnormen t.w. de norm gehuwden( 2 x 50%= 100%) en de norm alleenstaanden ( 70%) is de bijstandsnorm voor alleenstaande ouders ( 90%) komen te vervallen. Ter compensatie ontvangen alleenstaande ouders in het algemeen een extra verhoging van het kindgebonden budget met de alleenstaande ouder-kop. Recht op de verhoging hebben ongehuwde alleenstaande ouders die zelfstandig een huishouden voeren met tenminste een ten laste komend kind.
De Belastingdienst die de verhoging toekent gaat uit van de situatie zoals die o.a. in het BRP staat vermeld. Is de betrokkenen gehuwd, en woont de partner elders, dan is er geen recht op de verhoging van het kindgebonden budget. Kortom niet de feitelijke situatie is bepalend, maar de burgerlijke staat, en of er al dan niet een toeslagpartner op hetzelfde adres staat ingeschreven.
In de voorwaarden zoals die in dit artikel worden omschreven is er geen recht op de verhoging van het kindgebonden budget terwijl men feitelijk een alleenstaande ouder is.
Verschenen jurisprudentie o.a. ECLI:NLCRVB:2019:1380, ECLI:NL:CRVB:2018:1618 en een brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 12 februari 2018 ( kenmerk 2018-0000010825) met als omschrijving ‘monitor alleenstaande ouders, ALO-kop en bijzondere bijstand’ verplichten de gemeenten min of meer de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet af te stemmen.
De verhoging is 20% van de norm gehuwden inclusief vakantietoeslag. Omdat het een inkomensvoorziening betreft wordt de bijstand uitbetaald als algemene bijstand. Om te voorkomen dat de toeslag (negatieve) gevolgen heeft voor de overige toeslagen wordt de verhoging bij terugwerkende kracht uitbetaald als onbelaste bijzondere bijstand.
Artikel 2.3.6. Herziening maatregelen (inkeerregeling)
Een opgelegde maatregel is in beginsel bedoeld als middel tot gedragsbeïnvloeding en dus als prikkel voor de betrokkene om zijn gedrag bij te stellen in de door het college gewenste richting. Voor de in de Participatiewet nieuw geïntroduceerde geüniformeerde arbeidsverplichtingen is een aparte inkeerregeling opgenomen in artikel 18 lid 11 van de wet. Indien er een maatregel is opgelegd van 100% kan belanghebbende een verzoek doen om de maatregel te herzien.
Herziening is mogelijk zodra uit houding en gedragingen van de belanghebbende blijkt dat dat hij de geüniformeerde arbeidsverplichting alsnog nakomt. Bij het weigeren of niet behouden van passende arbeid is dit niet mogelijk. In deze situaties is een herziening van de maatregel niet mogelijk.
Artikel 8 Schriftelijk waarschuwing in plaats van bestuurlijke boete
Met het Boetebesluit socialezekerheidswetten 2017 is de waarschuwingsmogelijkheid verruimd op grond van artikel 2aa van het Boetebesluit in samenhang met artikel 18a, vierde lid, van de Participatiewet. Zo kan worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing als een belanghebbende onjuiste, onvolledige of geen inlichtingen heeft verstrekt, maar hij binnen een termijn van 60 dagen alsnog uit eigen beweging de inlichtingen verstrekt. De termijn van 60 dagen loopt vanaf het moment dat de inlichtingen hadden behoren te worden verstrekt. Deze bepaling geldt niet als het college de overtreding al had geconstateerd of belanghebbende de inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van de inlichtingenplicht. Overigens kan het college de schending van de inlichtingenplicht niet afdoen met een waarschuwing als sprake is van recidive. Hiervan is sprake als een belanghebbende de inlichtingenplicht schendt binnen een periode van 2 jaar vanaf de datum waarop hem reeds een waarschuwing is gegeven.
Artikel 2.3.8. Vaststellen mate van verwijtbaarheid
Bij het vaststellen van de mate van verwijtbaarheid worden de criteria zoals genoemd in artikel 2a van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten gehanteerd.
Opzet 100%, grove schuld 75%, normale verwijtbaarheid 50% en verminderde verwijtbaarheid 25%.
Artikel 2.3.9. Berekening bestuurlijke boete
Voor de berekening van de bestuurlijke boete is aansluiting gezocht bij het Boetebesluit sociale zekerheidswetten. In lid 2 sub a is nog een aanvullende bepaling opgenomen, dat het benadelingsbedrag niet mag oplopen als gevolg van het niet adequaat reageren op signalen van externe bronnen.
Artikel 2.3.10. Hoogte van de boete
De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 januari 2016 (CRvB 11-01-2016, nr. 15/2099 WWB) voorziet in rekenregels om de draagkracht van de belanghebbende vast te stellen. Bij die berekening wordt uitgegaan van de bijstandsnormen (alleenstaande, alleenstaande ouder en gehuwden). Deze worden ook benoemd in de beslagregels in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De CRvB geeft aan dat bij de vaststelling van het voor betaling beschikbare inkomen geen rekening hoeft te worden gehouden met andere financiële verplichtingen. Dit deel van de uitspraak is in strijd met de beslagregels die voorschrijven dat de zorgpremie en woonkosten de beslagvrije voet ophogen. Om te voorkomen dat de huur, zorgpremie niet betaald kunnen worden en kinderen verder opgroeien in armoede worden deze meegenomen als correctie op het vaststellen van de beslagvrije voet. Daarnaast zijn er landelijke discussies door kenniscentra en gemeenten die leiden tot de conclusie dat het juridisch niet houdbaar is om de beslagregels van artikel 475d Rv buiten beschouwing te laten. Daarom dient bij de betaling in termijnen rekening te worden gehouden met de beslagregels. De belanghebbende behoudt het recht om op verzoek een beslagvrije voet afwijkend te laten vaststellen. In ieder geval zullen de zorgpremie en de woonkosten, verminderd met ontvangen zorg- en huurtoeslag, de beslagvrije voet verhogen. Andere financiële verplichtingen die niet genoemd zijn in Rv zullen op maatwerkbasis worden beoordeeld.
Voor uitkeringsgerechtigden ( ook kostendelers) geldt een fictieve draagkracht van 5% van de norm alleenstaanden of gehuwden afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid. Hiermede wordt voorkomen dat uitkeringsgerechtigden na toepassing van de correcties op de beslagvrije voet geen boetes worden opgelegd.
De boete is nooit meer dan het benadelingsbedrag.
Artikel 2.3.11. Invordering van de boete
Niet uitkeringsgerechtigden zorgen zelf voor betaling. Wanneer de boete niet in een keer kan worden terugbetaald, wordt bij de betaling in termijnen uitgegaan van de afloscapaciteit. Worden de benodigde gegevens niet aangeleverd, dan wordt Suwinet geraadpleegd om met deze gegevens de afloscapaciteit te bepalen.
Voor uitkeringsgerechtigden geldt dat de vastgestelde afloscapaciteit (fictieve draagkracht) wordt verrekend met de uitkering. Indien betrokkene geen financiële gegevens overlegt wordt de beslagvrije voet vastgesteld op 95% van de inkomsten, zoals deze bekend zijn bij de gemeente Meppel. De gegevens om deze beoordeling te kunnen doen worden gehaald uit het systeem van Suwinet gehaald. Dit bedrag is in dat geval het bedrag dat iemand fictief kan aflossen per maand en is in vrijwel alle gevallen anders dan de beslagvrije voet, omdat voor de berekening van de beslagvrije voet uitgegaan moet worden van correcties voor de kosten van wonen en de zorgverzekering. Dat hoeft niet voor de fictieve draagkracht die door de Centrale Raad als handvat is gegeven voor de vaststelling van de hoogte van de boete. Uitgangspunt voor de fictieve draagkracht is dat betrokkene 95% van de toepasselijke norm overhoudt (ECLI:NL:CRVB:2016:12 r.o 5.11 en ECLI:NL:CRVB:2016:10 ro.6.9 en 6.10). Indien de gegevens niet bekend zijn bij de gemeente Meppel, wordt de beslagvrije voet fictief vastgesteld op 95% van de bijstandsnorm.
Het vrij te laten bescheiden vermogen uit artikel 34 van de Participatiewet wordt gebruikt voor betaling van de boete. Van dit vermogen wordt een bedrag van 1 keer de toepasselijke bijstandsnorm niet in aanmerking genomen voor de betaling. In deze keuze werkt het toetsen aan het evenredigheidsbeginsel door. Schending van de informatieplicht kan hebben geleid tot onrechtmatige verhoging of niet aanwenden van het vermogen. Als sanctie daarvan (een deel van) de boete betalen is redelijk. Met de vrijlating van een minimumbedrag blijft de belanghebbende perspectief houden om zelf te voorzien in onverwachte of te verwachten extra financiële lasten.
Wanneer sprake is van een opgelegde boete en terugvordering van uitkering, zal de boete als eerste worden geïnd. Omdat het boetetraject vaker pas later wordt afgerond kan het zijn verrekening en terugvordering van de ten onrecht ontvangen uitkering reeds plaatsvindt. In dat geval wordt de terugvordering van de ten onrechte ontvangen bijstand opgeschort en voortgezet na volledige terugbetaling van de boete. De vastgestelde beleidsregels terugvordering wijken af van regels zoals die gelden voor het aflossen van de boete.
Artikel 2.3.12. Kostendelersnorm artikel 22a Participatiewet (kamerverhuur en onderverhuur en kostgangerschap)
In artikel 22a lid 4 sub b en c PW worden de situaties beschreven waarbij er sprake is van kamerhuur en kamerverhuur en de kostendelersnorm niet van toepassing is.
In dit artikel is vastgelegd onder welke voorwaarden sprake is van een commerciële huurprijs. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de Recofa-richtlijnen. Deze zijn te vinden via https://www.bureauwsnp.nl/.
Als het een pand betreft waar op commerciële basis meerdere kamers verhuurd worden, kan een beoordeling over het al dan niet betalen van een commerciële prijs achterwege blijven.
Artikel 2.3.13. Inkomsten uit commerciële verhuur en kostgeverschap
In dit artikel is vastgelegd hoe omgegaan wordt met inkomsten uit verhuur in relatie tot een bijstandsuitkering.
Artikel 2.3.14. Eisen aan te overleggen overeenkomst.
In dit artikel wordt aangegeven aan welke eisen een huurcontract of contract met een kostganger moet voldoen.
Artikel 2.3.15. Eisen aan te overleggen bewijzen van betaling commerciële prijs.
Belanghebbende dient zowel bij aanvraag als tussentijds aan te tonen dat er een commerciële prijs betaald wordt.
Artikel 2.3.16. Wijziging norm bij opname in een inrichting
Bij opname of verblijf in een inrichting genoemd in artikel 1 sub f Participatiewet is de norm artikel 23 Participatiewet van toepassing. Deze norm is altijd van toepassing bij een definitief of verwacht verblijf van zes maanden of langer (lid 1).
Om te voorkomen dat bij kortdurende en tijdelijke opname de norm steeds aangepast moet worden kan de bijstand gedurende maximaal twee maanden ongewijzigd worden voortgezet (lid 2).
In aanvulling op de norm artikel 23 is bijzondere bijstand voor de vaste lasten mogelijk als deze door belanghebbende verschuldigd zijn.
De regels die hiervoor gelden zijn terug te vinden in de beleidsregels bijzondere bijstand.
Aandachtspunt artikel 13 lid 3 Participatiewet is hier ook van toepassing.
Lid 3: In afwijking van lid 1 en 2 wijzigt de norm vanaf datum opname indien artikel 13 lid 3 Participatiewet, zoals gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis, van toepassing is.
Artikel 2.3.17. Verlaging wegens woonsituatie
In het beleid is nu ook opgenomen hoe de gemeente omgaat met het feit dat belanghebbende geen nutsvoorzieningen heeft. Hierbij wordt net als bij de woonkosten aansluiting gezocht bij de Recofa-richtlijnen. De recofa norm voor woonlasten is gelijk aan de minimale huur uit de wet huurtoeslag.
Als belanghebbende (hoofdbewoner) geen huur, hypotheekrente of nutsvoorzieningen verschuldigd is vindt er een verlaging plaats op de uitkering omdat belanghebbende lagere kosten heeft dan in de bijstandsnorm is voorzien.
De uitkering wordt verlaagd met een vast bedrag zijnde de normen die benoemd staan in de normenbedragen van de Recofa-richtlijnen.
Op de algemene bijstand worden alle middelen waarover belanghebbende feitelijk kan beschikken in mindering gebracht. Dit is bijvoorbeeld loon, uitkering, pensioen en alimentatie.
In lid 2 worden middelen genoemd waarover belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken. Dit is geen limitatieve opsomming. De middelen worden naar gelang hun aard gerekend tot het inkomen of tot het vermogen. Eventuele kosten of boetes van afkoop komen voor rekening van belanghebbende. In lid 2 sub e is de afkoopwaarde van een lijfrentepolis opgenomen. Bij de beoordeling zullen de bepalingen zoals opgenomen in artikel 15 lid 2 Participatiewet in acht moeten worden opgenomen. Uitgebreide uitleg hierover is terug te vinden op de site van Schulinck.
Heffingskortingen waar men vanuit de Belastingdienst recht op heeft, ook al worden deze niet daadwerkelijk ontvangen, worden tot de middelen gerekend. Om te voorkomen dat achteraf verrekening moet plaatsvinden is een goede voorlichting aan belanghebbende nodig.
Lid 3: Voor alleenstaande ouders is het aantal heffingskortingen beperkt tot de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Lid 4: Omdat vooraf niet altijd kan worden beoordeeld of er recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting, kan de inkomensafhankelijke combinatiekorting achteraf verrekend worden na vaststelling van de definitieve aanslag over het afgelopen kalenderjaar.
Artikel 2.3.19. Middelen (Vrijgelaten middelen)
In artikel 31 lid 2 Participatiewet is opgenomen welke bestanddelen niet tot de middelen worden gerekend. In dit artikel wordt nader uitgewerkt welke vormen en de hoogte van schenkingen/giften die bij bijstandsverlening niet in aanmerking worden genomen. Daarnaast is opgenomen wanneer een gift tot het vermogen of tot het inkomen wordt gerekend.
Materiële schadevergoedingen voor specifieke kosten of vervanging van goederen worden niet in aanmerking genomen mits deze ook hiervoor aangewend worden.
Is in de schadevergoeding een bedrag opgenomen ter derving van arbeidsinkomsten, dan wordt met dit bedrag wel rekening gehouden.
Tot het vermogen worden gerekend alle bezittingen met uitzondering van bezittingen die algemeen gebruikelijk zijn zoals huisraad. Bij de vaststelling van het vermogen wordt ook rekening gehouden met schulden mits deze aangetoond kunnen worden met een contract en een verplichting tot terugbetaling aan de hand van betalingsbewijzen.
Een begrafenis of crematieverzekering of een reservering voor deze kosten onder bepaalde voorwaarden wordt niet gerekend tot het vermogen.
In lid 3 en 4 zijn bepalingen opgenomen in welke situaties de waarde van een auto/brommobiel buiten beschouwing wordt gelaten.
Bij een dagwaarde lager € 5.000 kan een beoordeling achterwege blijven voor zover het de eerste auto/brommobiel betreft. Bij een tweede auto of brommobiel of een derde etc.
wordt de volledige dagwaarde van de auto of brommobiel meegenomen bij de vermogensvaststelling.
Artikel 2.3.21. Interen van vermogen
Bij overschrijding van de vermogensgrens is er geen recht op uitkering omdat belanghebbende dan geacht wordt een periode zelf in zijn levensonderhoud te voorzien.
Ook tijdens de periode van bijstandsverlening kan er sprake zijn van overschrijding van de vermogensgrens bijvoorbeeld bij ontvangst van een erfenis. Belanghebbende kan dan opnieuw voor bijstand in aanmerking komen als het vermogen lager is dan de vermogensgrens genoemd in artikel 34 lid 3 Participatiewet. Voorafgaande aan de aanvraag of tijdens een onderbreking van de bijstandsperiode is ter beoordeling of belanghebbende op verantwoorde wijze het vermogen heeft ingeteerd.
Het is de verantwoordelijkheid van belanghebbende om zelf (zo lang mogelijk) in zijn eigen onderhoud te voorzien. Algemeen gebruikelijk is (voortvloeiend uit verschenen jurisprudentie) dat voor levensonderhoud de periode voorafgaande aan de aanvraag of onderbreking van de bijstandsnorm 1,5 keer de bijstandsnorm aangewend mag worden voor levensonderhoud. Teert belanghebbende het vermogen te snel in dan kan er aanleiding zijn de bijstand tijdelijk te verlagen wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De beoordeling of er al dan niet sprake is van een tekortschietend besef is afhankelijk van de individuele situatie. Duidelijk moet zijn dat er sprake is van een onverantwoord bestedingspatroon waarbij duidelijk is dat aanvrager feitelijk langer in zijn of haar eigen onderhoud kan of kon voorzien.
Artikel 2.3.22. Richtlijnen werkzaamheden op bescheiden schaal als zelfstandige
Werkzaamheden op bescheiden schaal is toegestaan als voldaan wordt aan alle verplichtingen die in dit artikel zijn opgenomen. Uitgangspunt hierbij is dat de werkzaamheden de inschakeling in arbeid op geen enkele wijze mogen belemmeren.
Artikel 2.3.23. Aanvullende bepalingen werkzaamheden op bescheiden schaal als zelfstandige
De belanghebbende heeft geen recht op een krediet of enigerlei ondersteuning van de gemeente.
Artikel 2.3.24. Verantwoording werkzaamheden en inkomsten uit werkzaamheden bescheiden schaal als zelfstandige
De gemeente is verantwoordelijkheid voor een rechtmatige verstrekking van de uitkering. Van belanghebbende mag dan ook verwacht worden dat er een deugdelijke administratie gevoerd wordt en de inkomsten en uitgaven kunnen worden geverifieerd.
In dit artikel is uitgewerkt waar een deugdelijke administratie aan moet worden voldoen.
Artikel 2.3.25. Verrekening en vaststelling inkomsten bij werkzaamheden op bescheiden schaal als zelfstandige.
In dit artikel is opgenomen de wijze van verrekening van de inkomsten en welke kosten al dan niet in aanmerking worden genomen.
Artikel 2.3.26. Aanvraag en ingangsdatum uitkering
De aanvraag is gericht aan het college en wordt tenzij anders bepaald ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Dit is de meldingsdatum. Na de melding neemt belanghebbende op een zo kort mogelijke termijn contact op met de gemeente om de aanvraag in te dienen. Onder een zo kort mogelijke termijn wordt verstaan binnen vijf werkdagen. Deze termijn geldt ook voor jongeren bij afloop van de zoekperiode en voor belanghebbenden die een afwijzing van de uitkering Werkloosheidswet hebben ontvangen.
De ingangsdatum is de datum waarop het recht ontstaat maar ligt niet voor de datum melding bij het UWV.
Hiervan wordt afgeweken als belanghebbende zich niet binnen vijf werkdagen meldt bij de gemeente voor het indienen van de aanvraag. De ingangsdatum is dan niet eerder dan de datum waarop belanghebbende de aanvraag heeft ingediend bij de gemeente.
Bijstandsverlening met terugwerkende kracht, dat wil zeggen voor datum melding bij het UWV of bij de gemeente is mogelijk als er sprake is van bijzondere omstandigheden of zeer dringende redenen. Zeer dringende redenen zal niet vaak voorkomen, maar van bijzondere omstandigheden kan sprake zijn als belanghebbende aannemelijk kan maken dat een aanvraag niet tijdig kan worden ingediend.
Artikel 2.3.27. Geldlening en borgtocht
Bijstand wordt verstrekt ‘om’ niet dat wil zeggen dat er geen verplichting is tot terugbetaling. In dit artikel is opgenomen wanneer bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht kan worden verleend.
Artikel 2.3.28. Eigen woning ( geldlening onder verband van krediethypotheek)
Lid 1 Indien belanghebbende woont in een woning, woonwagen, schip die zijn eigendom is hoeft dit geen beletsel te zijn om voor bijstand in aanmerking te komen.
Is de overwaarde in de woning, dit is de waarde bij vrije oplevering minus de daarop drukkende schulden meer dan de vrijlating als genoemd in artikel 34 lid 2 sub d van de Participatiewet dan wordt de algemene bijstand verstrekt in de vorm van een geldlening.
In Lid 2 en 3 is naar verwachting de te verlenen algemene bijstand meer dan € 10.000 dan wordt hypotheek of pandrecht gevestigd.
In lid 4 is opgenomen dat de bijkomende kosten in verband met het vestigen van de hypotheek in de lening onder verband van hypotheek worden opgenomen.
Lid 5: Indien na taxatie de overwaarde in de woning lager is dan de vermogensvrijlating ingevolge artikel 34 lid 2 sub d, dan wordt voor de taxatiekosten bijzondere bijstand verstrekt.
Lid 6: Hypotheekstelling kan achterwege worden gelaten als de woning binnen een korte periode verkocht zal worden.
Lid 7 en 8: Belanghebbende is verplicht mee te werken aan het vestigen van een hypotheek of pandrecht. Niet meewerken leidt tot terugvordering van de verleende bijstand.
Lid 9 en 10: In eerste instantie wordt uitgegaan van de meest recente vastgestelde OZB- waarde. Belanghebbende kan verlangen dat taxatie plaats vindt door een onafhankelijk erkende makelaar taxateur.
In lid 11 en 12 zijn bepalingen opgenomen over terugbetaling bij beëindigen van de algemene bijstand en bij verkoop van de woning.
In lid 13 is opgenomen wanneer herbeoordeling van de lening plaats kan vinden.
Lid 14: Bij onderbreking van bijstandsverlening korter dan twee jaar wordt de bijstand op de oude voet voortgezet.
Lid 15: Jaarlijks ontvangt belanghebbende een saldobevestiging.
3. Artikelsgewijs hoofdstuk 3 Leerlingenvervoer
Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Om de teksten toegankelijker te maken zijn er op de volgende pagina’s drie bijlagen toegevoegd waarin is uitgetekend hoe:
Hoofdstuk 5 Overige taken in het Sociaal domein
5.2. Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening
5.3 Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorziening
Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de door de Rijksoverheid vastgestelde Participatiewet. Dit is het wettelijk kader voor de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand. Specifieker staat in artikel 35 lid 1 Participatiewet:
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand:
en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen
Uit oogpunt van een eenduidige en rechtmatige uitvoering van de bijzondere bijstand is het raadzaam om beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de beoordeling van aanvragen bijzondere bijstand.
5.4.1. Beoordeling (stappenplan) voordat de kosten zijn gemaakt
Hierbij wordt opgemerkt dat als belanghebbende bijvoorbeeld een aanvraag indient voor een bankstel en gelijktijdig of binnen een korte periode bestaat er ook recht op een individuele inkomenstoeslag, dan moet bekeken worden of de kosten hieruit voldaan kunnen worden. Hiermee hoeft belanghebbende geen leenbijstand te ontvangen en kan wel voorzien worden in de noodzakelijke kosten. Hiermee wordt een schuld voorkomen.
5.4.2. Beoordeling (stappenplan) nadat de kosten zijn gemaakt
Het is niet altijd mogelijk dat de bijzondere bijstand vooraf wordt aangevraagd voordat de kosten zijn gemaakt. Dit neemt niet weg dat ook wanneer niet mogelijk is bijzondere bijstand vooraf aan te vragen, voldaan moet worden aan de volgende aspecten: de noodzaak moet achteraf nog kunnen worden vastgesteld en de kosten moeten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.
Acceptabele redenen waarom een aanvraag pas op een later tijdstip worden ingediend zijn:
Indien de kosten door de aanvrager zijn betaald, kan dit reden zijn om de aanvraag af te wijzen omdat de kosten zich niet meer voordoen. ‘Kan’ omdat in redelijkheid niet in alle situaties de aanvraag kan worden afgewezen. Denk daarbij aan reiskosten in onvoorzienbare situaties.
5.4.3. Aanleveren bewijsstukken
Welke bewijsstukken aangeleverd moeten worden is opgenomen in het verificatie en validatiebeleid en is afhankelijk van de situatie en voor welke kosten een aanvraag ingediend wordt. Bij woonkostentoeslag is dit vanzelfsprekend heel anders dan bij een woninginrichting. Uitgangspunt is dat:
In dit artikel is de draagkracht geregeld. In lid 1 tot en met 5 zijn de algemene bepalingen van de draagkracht opgenomen.
In lid 6 is bepaald dat de draagkracht 50% van het meer-inkomen is. Het minimum inkomen is 120% van de bijstandsnorm. Het meer-inkomen is het inkomen dat boven deze 120% zit.
Het inkomen van aanvrager is € 1.300 per maand. De bijstandsnorm ( fictief) is € 1.000 per maand. Het minimuminkomen is 120% van de bijstandsnorm, is € 1.200 per maand. Het meer-inkomen is dan € 1.300 minus € 1.200, is € 100 per maand. Op jaarbasis is dit € 1.200. Hiervan wordt 50% als draagkracht in aanmerking genomen. De draagkracht is dan € 600,00. Zijn de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd lager dan € 600, dan wordt de aanvraag afgewezen omdat er geen recht is. Zijn de kosten hoger dan € 600, dan wordt € 600 op de te vergoeden kosten in mindering gebracht.
Voor de kosten genoemd in artikel 6 geldt dezelfde systematiek, met dat verschil dat 100% van het inkomen boven de bijstandsnorm als draagkracht in aanmerking wordt genomen.
5.4.6. Hoogte van de bijzondere bijstand
Uitgangspunt is dat gezocht wordt naar een oplossing waarmee de aanvrager op een adequate en verantwoorde wijze is geholpen. Daarbij wordt gekozen voor de goedkoopste oplossing. Het kan dan ook gaan om aanschaf van 2e handsartikelen die worden aangeboden. Voor zover dit niet mogelijk is wordt aangesloten bij de bedragen van de meest actuele versie van de NIBUD prijzengids, tenzij de feitelijke kosten lager zijn.
Paragraaf 2 Bepalingen ten aanzien van specifieke kosten
5.4.8. Aanvullende bijzondere bijstand 18, 19 of 20 jarigen niet in een inrichting verblijvend
In principe kunnen jongeren van 18, 19 of 20 jaar voor hun algemeen noodzakelijke bestaanskosten een beroep doen op de algemene bijstand. De Participatiewet kent voor jongeren van 18, 19 of 20 jaar aparte (lage) normen. Deze zijn afgeleid van de niveaus van de Algemene Kinderbijslagwet. Dit artikel is van toepassing op de alleenstaande.
Indien de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan (lees levensonderhoud) van de jongere hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm, is aanvulling mogelijk in de vorm van bijzondere bijstand. Daarbij geldt, dat het recht op bijzondere bijstand voor een jongere van 18, 19 of 20 jaar alleen maar bestaat voor zover ze de ouders niet kunnen aanspreken voor deze kosten. Voor ouders geldt een onderhoudsplicht tot het kind 21 jaar is. Woont de jongere in bij een meerderjarige (21 jaar of ouder) dan kunnen de lasten gedeeld worden en is de kostendelersnorm van toepassing.
5.4.9. Bijzondere bijstand 18, 19 of 20 jarigen in een inrichting verblijvend
Indien een jongere van 18, 19 of 20 jaar in een inrichting verblijft, bestaat geen recht op bijstand voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten (lees levensonderhoud). Bijzondere bijstand is in bepaalde gevallen wel mogelijk. Daarbij geldt, dat het recht op bijzondere bijstand voor een jongere van 18, 19 of 20 jaar alleen maar bestaat voor zover ze de ouders niet kunnen aanspreken voor deze kosten of ouders redelijkerwijs niet in staat zijn in het onderhoud bij te dragen.
5.4.10. Toeslag voormalige alleenstaande ouder (garantietoeslag)
Het bereiken van de 18-jarige leeftijd door het jongste ten laste komende kind heeft voor een voormalig alleenstaande ouder (‘voormalig alleenstaande ouder’, omdat als het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt de ouder als ‘alleenstaand’ wordt betiteld en niet als ‘alleenstaande ouder’) financiële gevolgen. Dit wordt met name veroorzaakt door de hervorming van de kindregelingen. De kinderbijslag en het kindgebonden budget vervalt als het jongste kind 18 jaar wordt. Ofschoon e.e.a. het gevolg is van wetgeving en het niet de bedoeling is dat de gemeente dit doorkruist, is er in een voorgaand kabinet specifiek aandacht gevraagd voor deze situatie en hiervoor een oplossing te zoeken in de vorm van aanvullende bijzondere bijstand.
De garantietoeslag bedraagt maximaal het verloren recht op kindgebonden budget (hierbij is sprake van een afbouw) minus de inkomsten van het inwonende kind, (inclusief de aanvullende beurs in geval van studiefinanciering of een eigen uitkering) waarbij de ondergrens de jongerennorm is. Indien onder norm gekomen wordt, wordt er geen geld in mindering gebracht op de garantietoeslag. Tenzij het vermogen groter is dan 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. De garantietoeslag stopt als het kind 21 jaar wordt.
De situatie doet zich feitelijk alleen voor als de minderjarige geen WSF ontvangt en een laag inkomen heeft (minder dan 30% volgens de norm gehuwden). Bijvoorbeeld een bijstandsuitkering. Bij de berekening van de hoogte van de toeslag is aansluiting gezocht bij de kostendelerssystematiek (één persoon 70%, twee personen 100%).
In dit artikel is geregeld dat bijzondere bijstand voor medische kosten in principe niet mogelijk is. In lid 2, 3, 4, 5 en 6 worden uitzonderingen genoemd. Lid 3: Eigen bijdragen die worden opgelegd door het CAK zijn kosten die niet in de zorgverzekering of aanvullende verzekeringen zijn opgenomen. Via de collectieve zorgverzekering wordt de lage eigen bijdrage WMO wel vergoed. Voor de bijdragen kan conform de regeling zoals die in de collectieve zorgverzekering is opgenomen, bijzondere bijstand worden verstrekt. In alle gevallen geldt dat de eigen bijdrage CAK voor de gehele maand wordt opgelegd.
Lid 4: Bij opname in een inrichting van een van de partners waarbij sprake is van fiscaal partnerschap en een inkomensafhankelijke WLZ-bijdrage is verschuldigd, is bijzondere bijstand mogelijk. Bij de vaststelling van eventuele draagkracht wordt uitgegaan van de normen ingevolge artikel 21 tot en met 24 van de Participatiewet.
Lid 5: Opgemerkt wordt dat dit artikel buitenwettelijk begunstigend beleid is. De gemeente ziet deze kosten als noodzakelijk.
5.4.12. Reiskosten in verband met ziekenhuisbezoek en medische behandelingen
Opgemerkt wordt dat dit artikel buitenwettelijk begunstigend beleid is. De gemeente ziet deze kosten als noodzakelijk en vindt het nadeel dermate groot voor belanghebbende dat hier voor gekozen is. Onder medische behandelingen wordt ook verstaan behandelingen door een psycholoog en psychiater.
5.4.13. Meerkosten als gevolg van ziekte of handicap
Om voor meerkosten in aanmerking te komen dient er aan 3 voorwaarden te worden voldaan. Deze staan benoemd in lid 1 t/m 3. Op het moment dat niet of niet aan alle voorwaarden wordt voldaan, wordt niet in aanmerking gekomen voor vergoeding van meerkosten. De hoogte van de meerkosten is het verschil tussen de daadwerkelijke kosten en de “reguliere” kosten (lid 4). Bij de “reguliere” kosten worden de prijzen uit de NIBUD prijzengids als uitgangspunt gehanteerd. Op deze manier wordt het principe van goedkoopst adequaat toegepast.
5.4.14. Doorbetaling vaste lasten bij tijdelijk verblijf in inrichting
Uitgangspunt is dat het gaat om een tijdelijk verblijf en dat terugkeer naar de eigen woning in de lijn der verwachting ligt. Voor de energielasten geldt dat de voorschotnota’s naar beneden worden bijgesteld als belanghebbende permanent in de inrichting verblijft. Verblijft belanghebbende zo nu en dan in de eigen woning, bijvoorbeeld de weekenden, dan geldt dit niet. In lid 4 is opgenomen dat de bijzondere bijstand ingaat vanaf datum opname in een psychiatrisch ziekenhuis of soortgelijke inrichting (artikel 13 lid 3 Participatiewet).
5.4.15. Collectieve Zorgverzekering gemeente Meppel
Op grond van artikel 35 lid 3 van de Participatiewet en dit artikel kan belanghebbende gebruik maken van de collectieve verzekering. Lid 1 geeft de voorwaarde van het inkomen aan, te weten het minimum inkomen (120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm). De gemeente heeft een contract met het Zilveren Kruis Achmea. De belanghebbende heeft de keus uit drie verschillende pakketten. Zie ook de toelichting bij artikel 5.4.11.
5.4.16. Kosten kinderopvang tienermoeders die een opleiding volgen
In eerste instantie dient een oplossing gezocht te worden binnen het eigen netwerk bijvoorbeeld (groot)ouders e.d. Is dit niet mogelijk dan is bijzondere bijstand mogelijk voor het eigen aandeel in de kinderopvang. Het eigen aandeel is de in rekening gebrachte kosten minus de kinderopvangtoeslag. Het aantal uren dient zo beperkt mogelijk te blijven. Dat wil zeggen niet tijdens vrije dagen of om ongestoord te kunnen studeren. Kosten van kinderopvang van een niet erkende instelling worden niet vergoed.
5.4.17. Kosten kinderopvang als beide ouders studeren en WSF ontvangen
Zie de toelichting bij artikel 5.4.15. De draagkracht in dit artikel is 100% van het inkomen boven de bijstandsnorm.
5.4.18. Kosten van tijdelijke kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie
Het gaat om een tijdelijke situatie waarbij externe opvang noodzakelijk is voor een goede ontwikkeling van het kind, en ouder(s) niet in staat zijn voor opvang te zorgen. Krijgt de opvang een structureel karakter dan dient voor een andere oplossing te worden gekozen. Een advies van een deskundige is hierbij noodzakelijk. De bijzondere bijstand is gelijk aan de kinderopvangtoeslag die werkenden ontvangen die in een soortgelijke financiële positie verkeren. Het eigen aandeel (de kosten van de opvang minus de berekende kinderopvangtoeslag) komt voor rekening van belanghebbende. De draagkrachtbepalingen zijn in dit artikel niet van toepassing. In lid 7 is geregeld dat belanghebbende na betaling van het eigen aandeel tenminste een inkomen moet hebben gelijk aan de bijstandsnorm.
5.4.19. Laptop schoolgaande kinderen
Voor kinderen die voortgezet onderwijs volgen is een laptop een absolute noodzaak. Ofschoon ouders feitelijk de verantwoordelijkheid hebben een laptop voor hun kinderen aan te schaffen en een laptop algemeen gebruikelijk is, moet worden voorkomen dat kinderen van ouders met een laag inkomen hierover niet kunnen beschikken. Om die reden gelden voor dit artikel afwijkende draagkrachtbepalingen zodat ouders die redelijkerwijs niet zelf de aanschaf kunnen realiseren, in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Er geldt een inkomensgrens van 110%.
5.4.20. Participatie schoolgaande kinderen
Schoolgaande kinderen zijn kinderen die basisonderwijs volgen (in het kalenderjaar 4 jaar worden) en kinderen tot 18 jaar die voortgezet onderwijs volgen. Dezelfde systematiek geldt ook voor kinderen die speciaal onderwijs volgen. Ook ten laste komende kinderen die niet thuis wonen, maar waarvoor de ouder(s) wel kinderbijslag ontvangen vallen onder dit artikel.
De gemeente vindt dat kinderen er niet de dupe van mogen worden dat vanwege het inkomen van de ouders, kinderen buitengesloten worden van schoolse activiteiten. Ouders met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm kunnen wanneer zij voorafgaande aan de aanvraag gedurende drie maanden zijn aangewezen op een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm, een aanvraag doen. Voor kinderen die deelnemen aan een schoolse activiteit is bij deelname een vergoeding mogelijk. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van de daadwerkelijk gemaakte kosten met een maximum van € 200,00 per kalenderjaar voor een kind dat basisonderwijs volgt en € 250,00 per jaar voor een kind dat voortgezet onderwijs volgt.
Onder schoolse activiteiten worden verstaan schoolreizen, excursies, en ouderbijdrage met daarin begrepen kosten voor door school georganiseerde activiteiten. Niet voor een vergoeding komen in aanmerking verplichte uitgaven zoals die door de school in rekening worden gebracht zoals leermiddelen, kluishuur e.d. Het recht op een vergoeding is uitdrukkelijk beperkt tot ouders met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen. Bij een inkomen boven deze grens is er geen recht op bijzondere bijstand.
5.4.21. Duurzame gebruiksgoederen
De definitie van een duurzaam gebruiksgoed is in lid 1 genoemd en ruim genomen. In de praktijk zal het met name gaan om noodzakelijke meubels en huishoudelijke apparaten. Vanzelfsprekend moet bij een aanvraag de noodzaak vastgesteld worden. Lid 2 geeft aan dat er sprake moet zijn van een bijzondere omstandigheid. Het feit dat belanghebbende wegens schulden niet heeft kunnen reserveren is op zich geen bijzondere omstandigheid. Een bijzondere omstandigheid is bijvoorbeeld het plotseling kapot gaan van een gebruiksgoed, buiten de schuld van belanghebbende om en voordat de gebruiksduur is bereikt. Belanghebbende heeft hierdoor niet of onvoldoende kunnen reserveren. Daarbij moet het gebruiksgoed absoluut noodzakelijk zijn voor het functioneren van het gezin (bijvoorbeeld een wasmachine of koelkast).
Naast de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid moet ook de noodzaak van de aanschaf van het gebruiksgoed voldoende zijn aangetoond. Het ontbreken van een gebruiksgoed in een huishouden betekent niet per definitie dat de aanschaf noodzakelijk is. Het hangt af van de situatie per persoon of gezin. In lid 3 wordt ervan uitgegaan dat reeds is nagegaan of gebruik kan worden gemaakt van een voorliggende voorziening in de vorm van een lening bij de gemeenschappelijke kredietbank. Hierbij wordt opgemerkt dat als de gemeente op voorhand weet dat de lening bij de gemeenschappelijke kredietbank afgewezen zal worden (bijvoorbeeld door schulden situatie) er niet onnodig wordt doorverwezen. Bij absoluut noodzakelijke gebruiksgoederen kan in incidentele situaties de bijzondere bijstand ‘om niet’ verstrekt kan worden, omdat het ontbreken van deze goederen in een huishouden problematisch kan zijn.
In lid 4 en 5 is opgenomen dat belanghebbenden die langer dan drie jaar leven van een inkomen op bijstandsniveau en geen recht hebben op de individuele inkomenstoeslag, niet worden gedwongen een lening aan te gaan in de vorm van leenbijstand of bij een gemeentelijke kredietbank. Lid 6: Met een adequate en goedkope oplossing wordt ook expliciet bedoeld de aanschaf van 2e hands goederen. Een eventuele lening wordt daardoor ook lager. Lid 10: Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen is uitsluitend bedoeld voor belanghebbenden die het echt nodig hebben en niet zelf in de kosten kunnen voorzien. Om die reden gelden dan ook afwijkende draagkrachtbepalingen. In lid 11 is, om de noodzaak te kunnen vaststellen en goede voorlichting te kunnen geven, nadrukkelijk bepaald dat de aanvraag vóóraf moet worden ingediend.
5.4.22. Eerste inrichtingskosten
De regels zoals opgenomen in artikel 21 zijn hier ook van toepassing. Met uitzondering in die situaties dat de gemeente borg/garant moet staan voor de aflossing van de lening. In dit artikel worden verder richtbedragen genoemd voor het inrichten van een woning. Hierbij is aansluiting gezocht bij de bedragen zoals die in de NIBUD prijzengids worden genoemd. Omdat diverse artikelen ook 2e hands kunnen worden aangeschaft via kringloop en bijvoorbeeld marktplaats bedraagt de bijstand maximaal 50% van de bedragen zoals genoemd in de prijzengids NIBUD. Omdat de kosten voor de inrichting van een kamer goedkoper is dan een woning, is de bijstand (lening, netto lening bij de GKB) 25% van het bedrag zoals vermeld in de prijzengids NIBUD. De bedragen worden op € 100,00 naar boven afgerond. De bedragen wijzigen tussentijds.
Lid 3: Verf en behang vallen niet onder duurzame gebruiksgoederen en worden daarom ‘om niet’ verstrekt.
Kredietverlenende instanties berekenen de aflossingscapaciteit van een belanghebbende en stemmen daar de hoogte van de maximaal te verstrekken lening op af. Indien belanghebbende een lening bij een kredietverlenende instantie (lees de GKB) zou willen afsluiten voor een bedrag dat hoger is dan hetgeen hij op basis van zijn maximale aflossingscapaciteit in gevolge de bepaling van de kredietverlenende instantie zou kunnen lenen, kan het college overwegen een (periodieke) suppletie te verstrekken (voor de aanschaf van inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen, lid 1). Deze suppletie vult de maximale aflossingcapaciteit aan tot de aflossingcapaciteit die nodig is voor de betreffende lening (lid 6). Lid 2 geeft de voorwaarden voor verstrekking aan. Lid 3 gaat over wanneer suppletie wijzigt. Bij uitkeringsgerechtigden wordt een wijziging ambtshalve uitgevoerd en bij NUG’ers (niet-uitkeringsgerechtigden) dient er een verzoek ingediend te worden. Lid 4 gaat erover wanneer suppletie beëindigd wordt en wat de gevolgen hiervan zijn voor de inwoner. Lid 5 geeft aan wat de gevolgen zijn als de uitkering wordt beëindigd en wat de inwoner moet melden bij wijzigingen in de inkomens- en vermogenspositie.
5.4.24. Eerste huur en waarborgsom
Lid 1 geeft aan dat bijzondere bijstand in beginsel niet mogelijk is, tenzij belanghebbende uit een niet verwijtbare inkomensloze situatie komt. De bijzondere bijstand wordt in dat geval ‘om niet’ verstrekt als het gaat om de huur en de administratiekosten (lid 2).
Lid 1 geeft de definitie van verhuiskosten, te weten het overbrengen van inboedel van de oude naar de nieuwe woning. Lid 2, 3 en 4 geven de randvoorwaarden aan om in aanmerking te kunnen komen voor verhuiskosten. Hierbij moet ook gedacht worden aan de mogelijkheden binnen de WMO. Bijvoorbeeld als een verhuizing noodzakelijk is op grond van medische gronden of een handicap.
5.4.26. Woonkostentoeslag voor een huurwoning
Zoals aangegeven in het eerste lid is de Wet op de huurtoeslag (WHT) aan te merken als een voorliggende voorziening. Een woonkostentoeslag vult als het ware de gaten in, die de huurtoeslag (op grond van de Wet op de huurtoeslag), laat vallen. Hiermee wordt uitdrukkelijk niet bedoeld de situatie dat geen huurtoeslag wordt ontvangen door nalatigheid /verwijtbaarheid van een belanghebbende.
In het geval de huur pas halverwege de maand ingaat, bestaat er over die maand nog geen recht op huurtoeslag. Voor het gemis aan huurtoeslag over de periode waarin een belanghebbende al wel huurt, maar nog geen recht heeft op huurtoeslag, kan bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag toegekend worden tot de datum met ingang van wanneer er wel recht bestaat. Bepaalde groepen huurders die uitdrukkelijk buiten de werkingssfeer van de WHT zijn gelaten, bijvoorbeeld huurders van een kamer, hebben ook geen recht op bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag.
Lid 2 geeft aan dat de Belastingdienst Toeslagen de hoogte van het maandelijkse voorschot afstemt op een schatting van het jaarinkomen en niet rekent met het actuele inkomen per maand. Indien een wijziging in het inkomen bij de Belastingdienst wordt doorgegeven, berekent de Belastingdienst het jaarinkomen en wordt de hoogte van het voorschot aangepast. Bij een inkomensdaling – en een ongewijzigde huurprijs – kan op grond van deze bepaling bijzondere bijstand worden toegekend voor woonkosten. De hoogte is dan gelijk aan het bedrag dat volgens de berekening van de WHT zou worden toegekend, wanneer hierop wel volledig recht zou bestaan, verminderd met de daadwerkelijk ontvangen huurtoeslag.
5.4.27. Woonkostentoeslag voor woonkosten boven de maximale huurgrens
Lid 1: De woonkosten, indien belanghebbende een woning in eigendom bewoont, mogen niet meer zijn dan de maximale huurgrens zoals aangegeven in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag (WHT).
Lid 2: De woonkostentoeslag is gelijk is aan het bedrag aan huurtoeslag waar recht op zou zijn als het een huurwoning zou betreffen.
Hypotheekrenteaftrek is een aftrekpost in het kader van belastingwetgeving. Dat wil zeggen dat de te betalen inkomstenbelasting lager zal zijn. De teruggave kan vooraf bij de Belastingdienst worden aangevraagd. De verplichting een voorlopige teruggaaf aan te vragen kan worden opgelegd omdat het middelen zijn waarover betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. De teruggave van de Belastingdienst wordt op de woonkosten in mindering gebracht. Over het bedrag dat resteert wordt de woonkostentoeslag berekend analoog berekening huurtoeslag via de Belastingdienst.
5.4.28. Woonkostentoeslag voor woonkosten boven de maximale huurgrens
In lid 1 is aangegeven dat indien de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens zoals aangegeven in de Wet op de huurtoeslag (artikel 13), in individuele omstandigheden een woonkostentoeslag toegekend kan worden. Lid 2 geeft aan dat tegelijkertijd met het toekennen van woonkostentoeslag de verplichting opgelegd wordt tot aanvaarding van een goedkopere woonruimte, waarvan de lasten minder bedragen dan de maximale huurgrens. In het geval de woning een eigen woning betreft, geldt dat de woning zo spoedig mogelijk te koop wordt aangeboden, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten. Het opleggen van deze verplichting dient expliciet te gebeuren in de beschikking waarin de woonkostentoeslag wordt toegekend. In de periode dat woonkostentoeslag wordt toegekend, zal het college moeten onderzoeken of belanghebbende aantoonbaar serieuze pogingen onderneemt bij het zoeken naar, en het accepteren van andere huisvesting. Lid 3 stelt dat de woonkostentoeslag toegekend wordt voor de periode van maximaal 1 jaar. De periode waarover de woonkostentoeslag is toegekend kan na afloop met een periode van telkens één jaar verlengd worden, indien het feit dat de belanghebbende nog niet over goedkopere woonruimte beschikt, hem niet te verwijten valt.
5.4.29. Kosten van beschermingsbewind
Beschermingsbewind is een maatregel, die kan worden ingesteld door de kantonrechter, waarbij goederen van betrokkene geheel of gedeeltelijk onder bewind worden gesteld van een bewindvoerder. Beschermingsbewind is bedoeld voor mensen die door hun lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of blijvend niet in staat zijn om hun financiële belangen te behartigen. De wettelijke bepalingen inzake het zogenaamde beschermingsbewind zijn opgenomen in artikel 1:431 BW e.v.
Lid 3 bepaald dat de hoogte van de bijzondere bijstand conform de ‘Regeling beloning curatoren bewindvoerders en mentoren’, zoals die door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is vastgesteld op 4 november 2014 wordt vastgesteld. De voorwaarden zoals genoemd in deze regeling zijn ook van toepassing.
Een meerderjarige kan onder curatele worden gesteld, indien hij wegens een geestelijke stoornis, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Bij het bepalen van het recht op bijzondere bijstand voor de kosten van curatele, zijn de regels en toelichting van artikel 29 van deze beleidsregel overeenkomstig van toepassing.
5.4.31. Kosten van mentorschap
Mentorschap is bedoeld voor mensen die hun persoonlijke belangen (belangen van niet vermogensrechtelijke aard) niet meer kunnen behartigen. Indien de rechter een mentor heeft benoemd, bestaat er recht op bijzondere bijstand voor kosten van mentorschap (lid 1). Het tweede lid bepaalt de hoogte van de bijzondere bijstand.
5.4.32. Kosten van bewind op basis van WSNP en kosten bewind in verband met beheer Persoonsgebonden budget
De WSNP (Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen) is een wet die de rechter gebruikt om schulden te saneren. Dit kan pas worden ingesteld als blijkt dat er geen regeling kan worden getroffen met schuldeisers. De WSNP is bedoeld voor degenen die buiten hun schuld (te goeder trouw) in een problematische schuldsituatie terecht zijn gekomen. Indien een belanghebbende in een schuldsaneringstraject wordt geplaatst onder de WSNP is hij salaris voor de bewindvoerder verschuldigd. Dit salaris moet met voorrang worden betaald uit de boedel. Voor zover het salaris van WSNP-bewindvoerder uit de boedel kan worden betaald, is in deze kosten voorzien en is er om die reden in beginsel geen aanleiding om bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten (lid 2).
De CRvB heeft bepaald dat indien de rechter het salaris van de WSNP-bewindvoerder hoger heeft vastgesteld dan het bedrag dat uit de boedel kan worden betaald, de WSNP bewindvoerder het gedeelte van zijn salaris dat niet uit de boedel kan worden betaald, niet bij belanghebbende in rekening mag brengen. Om die reden is er geen aanleiding om bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten bij bewindvoering in het kader van de WSNP, voor zover dat niet uit de boedel kan worden betaald.
Voor de kosten ‘beheer persoonsgebonden budget’ is in beginsel geen bijzondere bijstand mogelijk. Tenzij er geen mogelijkheden zijn om het beheer kosteloos te laten doen en als zorg in natura niet mogelijk is. Voorwaarde is daarnaast vanzelfsprekend dat bewindvoerder is benoemd door kantonrechter.
5.4.33. Kosten van rechtsbijstand
Een toevoeging (van een advocaat) vindt slechts plaats als de Raad voor de Rechtsbijstand de rechtsprocedure noodzakelijk acht. Indien de Raad voor de Rechtsbijstand de rechtsprocedure noodzakelijk acht, dan vergoedt de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) de kosten van een op grond van deze wet toegevoegde advocaat. Indien een belanghebbende gebruik maakt van een advocaat, is een eigen bijdrage verschuldigd en soms komen daar ook nog andere kosten bij, zoals griffierecht en uittreksel GBA.
De hoogte van de eigen bijdrage die wordt opgelegd is afhankelijk van het inkomen en vermogen van belanghebbende. Uit vaste jurisprudentie van de CRvB volgt dat de noodzaak voor het verlenen van rechtsbijstand en het maken van kosten van griffierecht in beginsel kan worden aangenomen, indien er op grond van de Wrb een advocaat is toegevoegd.
Lid 2 regelt dat er geen (volledig) recht op bijzondere bijstand bestaat indien een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening, Wet griffierechten in burgerzaken en een rechtsbijstandsverzekering. Met de vergoeding die belanghebbende ontvangt moet rekening gehouden worden, waarmee de bijzondere bijstand lager wordt vastgesteld of afgewezen moet worden. Dit is afhankelijk van het gegeven of er een lagere eigen bijdrage resteert of dat de kosten volledig vergoed worden uit de voorliggende voorziening.
De volgende kosten komen, zoals aangegeven in lid 3, niet in aanmerking voor bijzondere bijstand:
In het eerste lid wordt gesproken van tijdelijk verstrekken van bijzondere bijstand. Hiermee wordt bedoeld dat als bijvoorbeeld de uithuisplaatsing van het kind permanent is, denk hierbij aan een verstandelijk gehandicapt kind, bijzondere bijstand in beginsel niet mogelijk is. Een dergelijke situatie is namelijk vergelijkbaar met een kind dat zelfstandig gaat wonen. Voor het bezoeken van dit kind is ook geen bijzondere bijstand mogelijk, dit zijn reguliere kosten.
In het tweede lid wordt gesproken over de frequentie en dat deze passend moet zijn bij de situatie. Hiermee wordt bedoeld dat als een kind in het ziekenhuis ligt, het begrijpelijk is dat de ouder hier dagelijks op bezoek komt. Echter indien een kind in detentie zit, is bijvoorbeeld een bezoek van eens per twee weken passend bij de situatie. In bepaalde situaties kan het zo zijn dat bijvoorbeeld een externe organisatie aangeeft wat passend is, denk bijvoorbeeld aan uithuisplaatsingen (lid 1 sub c). Hier zal jeugdzorg een rol spelen. Per situatie moet dus bekeken worden wat redelijk is.
De kosten behoren tot de passiva van de nalatenschap. De kosten komen voor rekening van de erfgenamen. De erfgenamen kunnen ieder voor zich en op persoonlijke titel bijstand aanvragen. Als een belanghebbende de erfenis heeft verworpen, kunnen de kosten niet gerekend worden tot zijn noodzakelijke bestaanskosten (CRVB, 30-1—2012, nr. 11/867 WWB, LJBN:BY1856). Voorliggende voorzieningen zijn:
Erfgenamen tot en met de 2e graad zijn altijd voor hun aandeel financieel verantwoordelijk. Ook als zij de erfenis niet accepteren.
Het tweede lid geeft aan dat uitgegaan moet worden van een sobere crematie of begrafenis. De NIBUD-normen worden hierbij in acht genomen.
Kosten die in aanmerking kunnen komen voor bijzondere bijstand zijn hieronder aangegeven.
Kosten die uitdrukkelijk niet in aanmerking komen zijn kosten als volgauto’s, drukwerk en consumpties.
5.5.1. Structurele medische beperking
Voor het recht op studietoeslag is een voorwaarde dat belanghebbende als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek structureel niet in staat is om naast de studie inkomen te verwerven. Zie artikel 36b lid 1 Participatiewet. Het college legt in dit artikel vast wat wordt verstaan onder een structurele medische beperking.
Begrip inkomsten kunnen verwerven
Gelet op de toelichting bij artikel 36b Participatiewet wordt hier bedoeld in het geheel geen inkomen te verwerven. Beoordeelt moet worden of een student met een structurele medische beperking al dan niet voldoende kan werken zonder dat dit ten koste gaat van de studie.
Het college mag geen regels stellen over wanneer een beperking dusdanig is dat iemand naast de studie niet meer kan werken. Dit is een individuele beoordeling die in principe door de medisch adviseur wordt gedaan.
Volgens de wet moet iemand (medisch) geen inkomsten naast de studie kunnen verwerven. Dit wordt met een medisch advies vastgesteld. Voor de rest is er geen inkomenstoets. Dit impliceert dat inkomsten op zichzelf niet relevant zijn voor het recht op studietoeslag. Denk aan alimentatie, giften en inkomsten uit vermogen. Bepalend is of iemand door zijn medische beperking niet in staat is naast de studie inkomen te verwerven.
Werkt iemand wel? Ook al is dat zeer gering. Denk aan een vakantiebaan tijdens de zomer als het studiejaar voorbij is? Dan vervalt het recht op studietoeslag (tijdelijk). Als de vakantiebaan is gestopt, kan een nieuwe aanvraag worden gedaan. Als er nog een recent medisch advies beschikbaar is en de medische situatie is niet veranderd, kan het uitgebrachte advies gebruikt worden. Er hoeft dan geen nieuw medisch advies te worden aangevraagd.
Economische omstandigheden, bijvoorbeeld hoge werkloosheid, spelen bij de bepaling of iemand structureel niet in staat is inkomen te verdienen uitdrukkelijk geen rol.
Medische beperking moet structureel zijn
Het vereiste dat de medische beperking een structureel karakter heeft, betekent dat bij de beoordeling in ieder geval van belang is dat de medische beperking langdurig is en er geen verbetering te verwachten valt binnen een afzienbare termijn. In lid 1 legt het college vast wat wordt verstaan onder een medische structurele medische beperking. In lid 2 staat wat wordt gezien als structureel. Er is gekozen om, in lijn met het voorstel dat Divosa heeft gedaan, hiervan te spreken als er binnen een periode van 12 maanden na de aanvraag geen herstel of verbetering te verwachten is in de medische beperking.
Lid 3 bevat een opsomming van situaties waarbij op zichzelf geen sprake is van een structurele medische beperking. Een gebroken been of een medische ingreep met bijvoorbeeld een hersteltermijn van een half jaar is volgens de regering geen structurele medische beperking. Hieruit kan worden afgeleid dat als de medische beperking langer duurt dan een half jaar, er wel sprake kan zijn van een structurele medische beperking. Ook zijn er medische beperkingen die wel structureel zijn, maar niet voldoende ernstig. In dat geval kan de belanghebbende naast zijn studie inkomsten verdienen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan iemand met een schildklierafwijking die geen last heeft van complicaties of iemand met een milde vorm, enkelvoudige vorm van dyslexie. Zo iemand is goed in staat met deze chronische ziekte - die wel structureel is - inkomsten uit arbeid verdienen naast de studie. Natuurlijk moet er altijd in het licht van de omstandigheden van het geval moeten worden gekeken of voldaan is aan de wettelijke vereisten.
Er is in ieder geval geen sprake van een structurele medische beperking bij:
De opsomming is niet limitatief. Ook kan het zo zijn dat iemand met een gebroken been ook een andere medische beperking heeft, waardoor er toch recht op studietoeslag bestaat. Stel nu dat er bij iemand met een gebroken been heftige complicaties optreden, waardoor deze persoon een jaar lang niet in staat is om te werken naast de studie. In dat geval kan worden bekeken of er na een half jaar binnen een periode van 6 maanden geen verbetering valt te verwachten. Zo nee, dan kan dit worden aangemerkt als structureel. Dit is een redelijke termijn, ook gelet op de duur van een studie. Voor wat betreft de termijn van 6 maanden is aansluiting gezocht bij artikel 10 lid 2 en lid 3 Ontslagregeling. Bij ontslag vanwege langdurige ziekte moet ook aannemelijk gemaakt worden dat er na die langdurige ziekte (meestal 2 jaar) geen herstel te verwachten is binnen 6 maanden.
In dit artikel staat hoe een aanvraag moet worden ingediend (lid 1). Ook is bepaald welke stukken de aanvrager moet verstrekken bij de aanvraag (lid 2). Deze stukken moet de aanvrager verplicht verstrekken mits die stukken van toepassing zijn. In lid 3 staat dat de aanvrager ook een deskundigenverklaring kan verstrekken. Dit hoeft niet. Maar het kan wel helpen om de medische situatie van belanghebbende inzichtelijk te maken. Het inleveren van een deskundigenverklaring betekent niet automatisch dat een medisch advies voor de beoordeling of recht op studietoeslag bestaat niet meer nodig is. Maar soms kan uit de door aanvrager ingeleverde stukken wel al duidelijk zijn dat er sprake is van een structurele medische beperking. Dan kan een medisch advies door een onafhankelijke deskundige achterwege blijven. De studietoeslag kan dan worden toegekend.
Belanghebbende hoeft niet te laten weten welke medische beperking hij heeft. Onder bewijs van de structurele medische beperking wordt verstaan een verklaring van een arts of het UWV waaruit dit blijkt. De deskundigenverklaring hoeft nadrukkelijk geen medische gegevens van de belanghebbende te bevatten. Dit zijn bijzondere persoonsgegevens die alleen aan een medische deskundige voor de uitvoering van het medisch advies hoeven te worden gegeven. De verklaring hoeft zich slechts te richten op de vraag of de belanghebbende in staat is een eigen inkomen te verwerven naast een voltijd studie, zonder dat dit ten koste gaat van de tijd die benodigd is om de studie met succes af te ronden.
5.5.4. Toekennen en uitbetalen
Het verstrekken van een studietoeslag is een gebonden bevoegdheid. Dat betekent dat als een belanghebbende aan de wettelijke voorwaarden voldoet, er recht op studietoeslag bestaat. De wet voorziet niet in een verbod om met terugwerkende kracht studietoeslag te verlenen. Artikel 44 lid 1 PW is immers niet van overeenkomstige toepassing verklaard voor de studietoeslag.
Dit betekent dat een belanghebbende recht op studietoeslag heeft tot 5 jaar voorafgaand aan de dag waarop hij zijn aanvraag heeft ingediend. Dat komt omdat financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid tot een termijn van vijf jaren in rechte afdwingbaar zijn. De terugwerkende kracht kan niet verder gaan dan 1 april 2022 aangezien vanaf die datum de nieuwe regels voor de studietoeslag gelden. Dit is vastgelegd in lid 3.
Het college hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of een aanvrager met terugwerkende kracht recht heeft op studietoeslag. Dit hoeft alleen als belanghebbende daarom verzoekt. Dit is neergelegd in lid 2 van dit artikel. De gedachte hierachter is dat het in lijn in met het doel van de regeling om studietoeslag toe te kennen met ingang van de datum waarop de studietoeslag wordt aangevraagd. Het doel is namelijk het bieden van een steuntje in de rug van mensen met een medische beperking zodat zij zich op het studeren kunnen focussen. Dit omdat de combinatie met een bijbaan niet mogelijk is. Omdat het college het verlenen van terugwerkende kracht tot 5 jaar aan een aanvrager niet kan weigeren, wordt dit alleen op verzoek toegekend. Overigens moet uit het medisch advies dan wel naar voren komen dat belanghebbende in het verleden (ook) niet in staat was naast de studie te werken en uiteraard ook niet gewerkt heeft.
Bij het vaststellen van het bedrag voor de doelgroep jonger dan 21 jaar kiest de regering voor een lager minimumbedrag voor de studietoeslag dat evenredig is aan de verhouding van het toepasselijke Jeugd Wettelijk minimumloon (WML) ten opzichte van het reguliere WML. De hoogte van de studietoeslag is dus afhankelijk van de leeftijd. Het recht op een hoger bedrag op grond van leeftijd ontstaat op de dag waarop een persoon jarig is.
Toepassing van de wet leidt ertoe dat als een belanghebbende jarig wordt in een maand en dat leidt tot een hogere studietoeslag, de studietoeslag over die maand naar rato wordt berekend. De hoogte bestaat dan: uit een percentage vermenigvuldigd met de norm voor de leeftijd voor de verjaardag en een percentage vermenigvuldigd met de norm voor de leeftijd sinds de verjaardag.
Medisch advies door onafhankelijke deskundige
Het college vraagt een medisch advies aan voor de beoordeling of recht bestaat op de studietoeslag. Dit blijkt uit artikel 36b lid 2 PW. Het staat het college vrij hoe zij tot het medisch advies komt.
Het advies bevat nadrukkelijk geen medische gegevens van belanghebbende. Het heeft alleen betrekking op de vraag of de belanghebbende in staat is een eigen inkomen te verwerven naast een voltijd studie, zonder dat dit ten koste gaat van de tijd die benodigd is om de studie met succes af te ronden. Zie Tweede Kamer 2019-2020, 35394, nr.5, p. 6.
Het college moet bij de advisering de zorgvuldigheidsnormen van de Awb in acht nemen. Dit is het algemene kader van afdeling 3.3 Awb en artikel 3:50 Awb.
Artikel 36b lid 2 PW biedt de mogelijkheid om af te zien van een medisch advies. Het college kan dit doen op grond van bij het college bekende gegevens of door de belanghebbende verstrekte gegevens. Dit kan alleen als op voorhand duidelijk is dat er recht bestaat op een studietoeslag. Want van het afzien van een medisch advies mag niet ten nadele van belanghebbende gebruik worden gemaakt. De aanvrager houdt de mogelijkheid een beroep te doen op een onafhankelijk medisch oordeel. Zie Tweede Kamer 2019-2020, 35394, nr.5, p.7.
In lid 2 wijkt het college af van de hoofdregel. Dit kan als direct duidelijk is dat er recht bestaat op studietoeslag. Daarnaast als al vaststaat dat er geen recht bestaat op studietoeslag. Een medisch advies heeft dan geen invloed meer op het recht op studietoeslag. Dit is het geval als belanghebbende is uitgesloten van het recht op studietoeslag. Dit omdat belanghebbende geen studiefinanciering ontvangt of een tegemoetkoming op grond van de WTOS. Dit is ook het geval als belanghebbende een Wajong-uitkering ontvangt. Ook is dit het geval als belanghebbende al werkt naast de studie (behalve als het een stage betreft). In dat geval bestaat er geen recht omdat belanghebbende kennelijk in staat is om te werken naast de studie.
5.5.8. Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering
De duur van de studietoeslag is in principe gelijk aan de duur van de studiefinanciering. Dit zal echter niet altijd het geval zijn. Zo kan het onafhankelijk medisch advies aanleiding vormen om de duur van de studietoeslag niet af te stemmen op de duur van de opleiding, bijvoorbeeld in geval van een medische ingreep waarbij zicht is op verbetering van de medische situatie van betrokkene. Zie Tweede Kamer 2019-2020, 35394 nr. 5, p. 9. In dat geval bepaalt het college dat binnen een bepaalde periode (in principe na een jaar) een nieuw medisch advies zal worden gevraagd. Dit om te beoordelen of belanghebbende nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken.
5.5.9. Inlichtingenplicht en terugvordering
Op grond van artikel 36b lid 4 Participatiewet geldt een aparte inlichtingenplicht voor de studietoeslag. Artikel 17 Participatiewet is niet van toepassing, omdat de studietoeslag geen bijstand betreft. Als de inlichtingenplicht wordt geschonden en achteraf blijkt dat op basis van onjuiste informatie ten onrechte of tot een te hoog bedrag studietoeslag is verstrekt, dan mag het college overgaan tot terugvordering op grond van artikel 58 lid 2 en artikel 36b lid 4 Participatiewet. Dit is een bevoegdheid, geen verplichting.
Dit artikel is bij de bijzondere bijstand van toepassing op zowel incidentele als periodieke bijzondere bijstand.
6.2. Overige situaties in de bijzondere bijstand
In de slotbepalingen is bepaald dat het college besluit in gevallen waarin deze beleidsregels over de bijzondere bijstand niet of onvoldoende voorzien.
Awb: Algemene wet bestuursrecht
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
IOAZ: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-505823.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.