Gemeenteblad van De Ronde Venen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| De Ronde Venen | Gemeenteblad 2024, 504902 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| De Ronde Venen | Gemeenteblad 2024, 504902 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Handboek Leidingen de Ronde Venen 2024
Het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen,
besluit het Handboek Leidingen de Ronde Venen 2024 vast te stellen en het handboek Leidingen De Ronde Venen 2011 in te trekken.
Het Handboek Leidingen, in het vervolg kortweg Handboek genoemd, is gekoppeld aan artikel 4 van de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur (AVOI) De Ronde Venen 2024 (hierna verordening genoemd). Doel van het Handboek is het stellen van nadere regels voor de uitvoering van de verordening alsmede het zorgen voor een veilige ligging en ordening van de ondergrondse infrastructuur. Hiertoe worden in het verlengde van de verordening nadere eisen gesteld aan de gegevens die moeten worden verstrekt bij aanvragen van een vergunning c.q. instemming en worden nadere voorwaarden gesteld bij het uitvoeren van werken in het openbare beheergebied van gemeente De Ronde Venen.
Het Handboek is van toepassing op alle leidingen, zowel buisleidingen als kabels.
Binnen de gemeentegrens van De Ronde Venen zijn medewerkers van de afdeling Beheer Openbare Ruimte (BOR) gemandateerd om namens het college vergunning/ instemming te verlenen aan overheidsinstanties, bedrijven of particulieren die leidingen in de openbare ruimte wensen. Deze vergunningverlening is het instrument om het gebruik van de ondergrond te ordenen en om zorg te dragen voor de veiligheid.
In dit hoofdstuk zijn alle begrippen opgenomen die gebruikt worden in het Handboek en niet als zodanig zijn gedefinieerd in de verordening of andere wetgeving. Voor zover het een begrip betreft dat een nadere definitie behoeft en slechts eenmalig in het Handboek wordt genoemd, wordt deze bij het betreffende begrip beschreven.
In het handboek wordt verwezen naar normen en richtlijnen. Er is een beknopte omschrijving weergegeven van de belangrijkste normen en richtlijnen.
De afdeling Beheer Openbare Ruimte die de feitelijke vergunning- c.q. instemmingverlening namens het College verzorgt.
Het maken van een holle ruimte in de grond, om een leiding doorheen te trekken, zonder daarbij de omringende grondslag te verwijderen.
Holle buis voor het doorstromen van gassen, vloeistoffen of capsules, bestemd om hetzij een gas, een vloeistof of vaste stof te transporteren, hetzij een vloeistof als intermediair te gebruiken voor het transport van warmte of een opgelost of verpulverd product.
Een incident met voor de omgeving mogelijke grote gevolgen, die niet zelfstandig kunnen worden afgewikkeld en waarbij gecoördineerde inzet van hulpverleningsorganisaties en diensten van verschillende disciplines is vereist om de gevolgen te beperken.
De vrije ruimte tussen leidingen.
Een leiding die een product brengt van de transportleiding naar de huisaansluiting.
De kortste verbinding tussen een distributieleiding en een perceel/ pand.
Inrichtingen en faciliteiten voor de winning, productie, (chemische) behandeling, opslag of afname van de te vervoeren producten.
Schriftelijk besluit van het college zoals bedoeld in artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet.
Een strook grond die primair bestemd is voor het leggen van leidingen en zonodig is uitgevoerd met collectieve voorzieningen zoals kunstwerken.
Gegevens over de werkelijke plaats van een leiding, zoals deze op het moment van vaststelling visueel waarneembaar en controleerbaar zijn.
Voortbrengsel van de natuur, van arbeid of nijverheid, of een chemisch proces.
Onvoorzien voorval, waarbij een leiding geheel of gedeeltelijk niet meer kan voldoen aan de functie waarvoor deze bedoeld is.
Een leiding, niet zijnde een distributieleiding, die dient voor het transporteren van producten van een producent naar een afnamepunt, van waaruit producten verder, na een eventuele bewerking, kunnen worden gedistribueerd naar de consument.
Dit is het oorspronkelijk vastgestelde peil van de openbare weg ten opzichte van N.A.P. Het bestaande maaiveld/ straatpeil kan hiervan afwijken.
Schriftelijke toestemming c.q. instemming voor de aanleg, het houden, het onderhoud, de exploitatie en het verwijderen van één of meer leidingen, waaronder begrepen een netwerk van leidingen. In dit Handboek wordt hierna met vergunning ook bedoeld instemming.
In dit Handboek wordt onder een waterstaatswerk het volgende verstaan:
In dit handboek wordt op diverse onderdelen verwezen naar onder meer normen en richtlijnen. Hieronder is een beknopte omschrijving weergegeven van de belangrijkste normen en richtlijnen.
CROW is het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. Organisatie ontwikkelt, verspreidt en beheert praktisch toepasbare kennis voor beleidsvoorbereiding, planning, ontwerp, aanleg, beheer en onderhoud. Dit gebeurt in samenwerking met alle belanghebbende partijen, waaronder Rijk, provincies, gemeenten, adviesbureaus, uitvoerende bouwbedrijven in de grond-, water- en wegenbouw, toeleveranciers en vervoerorganisaties.
Nederlands Normalisatie instituut.
Het Nederlandse centrum van normalisatie helpt bedrijven en andere partijen om onderling heldere en toepasbare afspraken te maken. NEN draagt bij aan veiligheid, gezondheid, milieu en innovatie.
Bedrijfsleven en andere partijen maken in normcommissies zelf afspraken over producten en werkwijzen. NEN bemiddelt in het afwegen van de verschillende belangen en zorgt voor neutrale procesbegeleiding. NEN biedt direct toegang tot Europese (NEN-EN) en mondiale normalisatieplatforms.
Nederlandse Praktijk Richtlijnen
De NPR geeft toelichting op en aanwijzingen voor het verantwoord gebruik van de NEN- en NEN-EN normen.
De RAW-systematiek, beheerd en onderhouden door CROW, is een algemeen gebruikte standaard voor bestekken in de grond-, water- en wegenbouw (GWW). Bij de meeste werken in de GWW wordt de RAW-systematiek gevolgd.
De Wet Informatie-uitwisseling Bovengrondse- en Ondergrondse Netten (WIBON) heeft tot doel gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen te voorkomen. Hiertoe zijn netbeheerders verplicht om de geografische gegevens van hun belangen te registreren en te delen met grondroerders die hierom vragen.
Bij de tracébepaling van leidingen zijn twee of drie aspecten van belang:
Het doel van deze liggingen is: een optimaal gebruik van de openbare ruimte, een ongestoorde exploitatie van leidingen, alsmede het optimaliseren van de veiligheid.
In het trottoir, bij een standaard trottoirbreedte van 1,80 meter zonder bomen en gerekend vanaf erfgrens/ gevel, worden de distributieleidingen als volgt ingedeeld:
Zie bijlage ook 7.2, waarin bovenstaande in een standaardprofiel staat verwerkt.
Met nadruk wordt erop gewezen dat bovengenoemd basisprincipe moet worden nagestreefd.
In bijzondere gevallen kan de vergunningverlener een andere indeling toestaan of bepalen.
Bestaande situaties kunnen afwijkend zijn van het voorstaande profiel. Deze worden, in afwijking van het voorstaande profiel, geaccepteerd tot een wijziging van dit profiel, bijvoorbeeld door een reconstructie, kan plaatsvinden.
Uitgangspunten bij verticale ligging:
De verticale ligging die gehanteerd wordt is weergegeven in bijlage 7.1.
2.1.3 Aanvullende eisen voor verticale ligging
Bij boringen/ persingen, in welke vorm ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De verticale dagmaat ten opzichte van de te kruisen leidingen bedraagt tenminste 0,50 meter, waarbij de te boren/ persen leiding onder de bestaande leiding dient te worden gevoerd. Genoemde minimale verticale dagmaat dient aantoonbaar te worden gegarandeerd om afwijkingen tijdens de uitvoering op te vangen.
Bij het kruisen van sloten/ open watergangen dient een minimale gronddekking van 1,00 meter ten opzichte van de ontwerpdiepte van de bodem van de watergang te worden aangehouden. Indien de aanwezige bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte dient een gronddekking van 1,00 meter ten opzichte van de aanwezige bodem te worden aangehouden.
2.1.4 Ligging nabij andere objecten
Objecten die kunnen worden beïnvloed door de tracering en aanleg van leidingen dan wel objecten die de tracering van leidingen kunnen beïnvloeden, dienen vooraf te worden geïdentificeerd. Objecten kunnen o.a. zijn: langsliggende dan wel kruisende wegen, waterlopen, voetpaden, kademuren, viaducten, naastliggende leidingen, bomen en gebouwen.
In een tracé kunnen secties voorkomen waarvoor door derden toestemming(en) en/of instemming(en) en/of vergunning(en) moet worden verleend. Deze secties kunnen onder meer zijn: kruisingen van rijks-, provinciale- en waterschap wegen, kruisingen van waterwegen, kruisingen van primaire- en secundaire waterkeringen of kruisingen van particuliere eigendommen. De gemeente zal, in sommige situaties, pas overgaan tot behandeling van de aanvraag graaftoestemming als deze compleet is, wat in ieder geval inhoudt dat door alle betreffende derde belanghebbenden schriftelijk toestemming(en) en/of instemming(en) en/of vergunning(en) is verleend.
Handholes en andere onderdelen van telecomnetwerken worden geplaatst in het toegewezen tracé. Indien onverhoopt geen plaats in het tracé kan worden gevonden dan wordt een andere locatie vastgesteld met zo min mogelijk verstoring van aanwezige andere leidingen. De gronddekking van handholes bedraagt ten minste 0,30 meter.
Bij het indelen van leidingen in de nabijheid van bomen wordt de afstand tussen hart leiding en hart stamvoet bepaald door de uiteindelijk te bereiken omvang van de boom. In dit kader worden drie groepen onderscheiden: bomen van de eerste grootte en die van tweede en derde grootte.
Bij de afstand tussen hart buis en hart stamvoet van een boom wordt als minimale eis gesteld:
* Bomen van eerste grootte worden hoger dan 12 meter. Bomen van tweede grootte worden 6 tot 12 meter hoog. Bomen van derde grootte blijven lager dan 6 meter.
Moet worden afgeweken van deze minimale eis, dan dient overleg gepleegd te worden met BOR en wordt bezien of en onder welke bijzondere voorwaarden vergunning kan worden verleend.
De aanvrager is verplicht om in zijn werkvoorbereiding te inventariseren welke netbeheerders belangen hebben in het beoogde tracé, deze te informeren over de voorgenomen (graaf)werkzaamheden en gegevens over de aard en ligging van die belangen op te vragen. In ieder geval zal er een oriëntatiemelding moeten worden gedaan bij het Kadaster, sectie KLIC.
Van de gemaakte proefsleuven en de maatvoeringen van de daarin aangetroffen kabels en leidingen houdt de aanvrager een actuele registratie bij, die op eerste aanzeggen aan de gemeentelijke toezichthouder kabels en leidingen wordt overhandigd. Indien afwijkingen van het vigerende standaard dwarsprofiel, dan wel het door gemeente aangewezen standaard tracé, worden geconstateerd zal de vergunningverlener in overleg met de aanvrager een nieuw beoogd tracé aanwijzen.
Rijzen van bestaande leidingen:
Indien reeds leidingen van dezelfde discipline/ leidingexploitant/ beheerder aanwezig zijn, zullen nieuwe leidingen op dezelfde diepte gelegd moeten worden als de bestaande, teneinde een “wand” in de ondergrond te voorkomen. Indien de bestaande leidingen te diep liggen ( > 0,40 meter ten opzichte van het uitgiftepeil) moeten deze worden gerezen.
Indien blijkt dat de zetting aan een gevel zodanig is dat verwacht kan worden dat de huisaansluiting dreigt te beschadigen of af te breken dan is de leidingexploitant/ beheerder verplicht hiernaar onderzoek te doen en zonodig maatregelen te nemen.
Over- en onderbouwing van de openbare ruimte:
Bij toepassing van koppelbalken dient de bovenkant van de koppelbalken ten minste 2.00 meter onder het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil te worden aangebracht. De ruimte tussen de koppelbalken moet worden voorzien van een gewapende betonplaat waarboven de leidingen een veilige ligging verkrijgen.
Tijdelijk aan te brengen voorzieningen in de openbare ruimte dienen de goedkeuring te hebben van BOR. Deze tijdelijke voorzieningen, zoals damwanden, heipalen, etc. dienen na voltooiing van de werkzaamheden te worden verwijderd. Mocht dit om welke reden dan ook niet mogelijk zijn, dan kan alleen door BOR besloten worden deze voorzieningen tot een nader te bepalen maat onder het maaiveld te verwijderen.
Huisaansluitingen riolering (rioolaansluitingen):
Rioolaansluitingen voor gemengde afvoer, vuilwaterafvoer of regenwaterafvoer dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig het vigerende ‘Leidraad inrichting openbare ruimte’ van gemeente De Ronde Venen. Hierbij geldt dat:
Voorbereide (huis)aansluitingen
Er kan sprake zijn van voorbereide (huis)aansluitingen, waarbij de voor de (huis)aansluitingen bedoelde buis, kabel of leiding, tijdelijk, al op de volledig benodigde lengte vanaf de hoofdleiding tot aan de klantaansluiting moet worden opgeborgen in de openbare grond (voornamelijk bij CAI-, FTTH- en datanetten). In die gevallen moet deze voorbereiding zo strak mogelijk opgerold en gebundeld, evenwijdig aan de erfgrens en op de profieldiepte worden weggezet tegen de erfgrens van het perceel waar de voorziening voor bedoeld is. Het hiervoor eventueel benodigde tracé en/of de wegkruisingen moeten tegelijk met de aanleg van de hoofdsleuf worden aangebracht.
Bovengrondse voorzieningen behorend bij kabel- /leidingnet
3 AANLEG (OF UITVOERINGSVOORSCHRIFTEN)
Dit hoofdstuk geeft aan hoe gehandeld moet worden bij de uitvoering van werken in de openbare ruimte van gemeente De Ronde Venen. Het doel is om te zorgen voor een veilige ligging van de ondergrondse infrastructuur door het stellen van uitvoeringsvoorschriften bij alle werken in het openbare beheergebied van gemeente De Ronde Venen.
In een Veiligheids-, Gezondheids- en Milieuplan moeten de eisen en maatregelen ten behoeve van de bescherming van de gezondheid en veiligheid van het publiek, betrokken personeel en het milieu zijn aangegeven. De eisen uit de relevante wet- en regelgeving, normen en vergunningen, identificatie van potentiële risico’s en gevaren met bijbehorende maatregelen en noodprocedures moeten in het plan zijn beschreven.
De uitvoering van het werk moet worden begeleid door competent toezichthoudend personeel van de leidingexploitant. De uitvoerders van het werk moeten over alle vereiste kwalificaties beschikken.
Hinder voor eigenaren en/ of gebruikers van de betrokken percelen en schade aan goederen of gewassen moeten zoveel mogelijk worden beperkt.
3.1.1 Contactpersoon leidingexploitant
De bereikbaarheid van de, namens de leidingexploitant, aan te spreken verantwoordelijke op het werk dient voor de duur van het werk gewaarborgd te zijn. De naam van deze persoon moet bij alle betrokken partijen bekend zijn.
Deze persoon heeft tot taak te controleren en te verifiëren dat de constructiewerkzaamheden worden uitgevoerd volgens de tekeningen en de gemaakte afspraken, alsmede dat de uitvoering geschiedt overeenkomstig het gestelde in de vergunning. Hij dient medewerking te verlenen aan gemeentelijke en andere toezichthouders.
De voertaal op het werk is Nederlands. Graaftoestemminghouder moet ervoor zorgdragen dat de sleutelfunctionarissen in zijn projectorganisatie, dan wel van zijn grondroerder deze taal voldoende beheersen. Op de werklocatie dient tijdens de werkzaamheden minimaal één persoon aanwezig te zijn die de Nederlandse taal goed beheerst.
3.1.3 Inlichten van leidingexploitanten
De leidingexploitant informeert uiterlijk 8 weken voor de start van de uitvoering schriftelijk alle leidingexploitanten over de voorgenomen werkzaamheden. Hij geeft gelegenheid tot reacties waarbij de leidingexploitanten zelf toetsen of de voorgestelde maatregelen voldoende zijn voor een ongestoorde exploitatie van hun leidingen. Zonodig stellen zij de maatregelen bij. Minimaal moet worden meegezonden een (voorlopig) werkplan en een tekening waarop de locatie en de aard van de werken duidelijk zijn aangegeven.
Afhankelijk van de aard en omvang van de werkzaamheden kan BOR besluiten tot het houden van een startvergadering.
De leidingexploitant belegt minimaal 14 dagen voor de start van de uitvoering deze startvergadering. In dit overleg presenteert de leidingexploitant samen met zijn ingenieursbureau en zijn aannemer alle noodzakelijke plannen, waarbij alle betrokken leidingexploitanten c.q. beheerders en de betreffende gemeentelijke beheerders aanwezig zijn. Het doel van dit overleg is de belanghebbenden (meestal de naastliggende leidingexploitanten) te informeren over de voorgenomen werkzaamheden c.q. werkmethoden. De belanghebbenden kunnen dan aanvullende voorwaarden stellen. Deze voorwaarden dienen door de leidingexploitant alsnog, wanneer deze aanvullende voorwaarden redelijkerwijs ertoe bijdragen dat schade wordt voorkomen aan de eigendommen van de belanghebbenden, te worden meegenomen in het werkplan. Van de startvergadering wordt een verslag gemaakt door de leidingexploitant of diens vertegenwoordiger dat alle betrokkenen minimaal 2 werkdagen voor de start van de uitvoering moeten hebben ontvangen.
Minimaal 5 werkdagen voor de start van de uitvoering meldt de leidingexploitant het voorgenomen werk aan bij BOR door middel van de ‘Graafbon’.
3.1.5 Inlichten bewoners en bedrijven
De graaftoestemminghouder informeert ten minste 7 dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk bewoners en bedrijven langs het tracé c.q. nabij het werk over de start en inhoud van de werkzaamheden, voor zover voor hen van belang. Hiervan dient een afschrift aan de vergunningverlener te worden verstrekt.
In geval van integrale werkzaamheden met andere leidingexploitanten en/ of gemeentelijke werkzaamheden aan de weg/ plantsoen geeft de directie van het werk aan hoe de integrale communicatie van het totaal aan werkzaamheden dient plaats te vinden.
Uitgegaan wordt van de normale werktijd van 07.00 uur tot 17.00 uur op maandag tot en met vrijdag. De tijd gedurende welke zal worden (over)gewerkt en die afwijkt van hetgeen is overeengekomen, behoeft de goedkeuring van gemeente De Ronde Venen alsmede van alle betrokken leidingexploitanten en eventuele andere belanghebbenden.
Het is niet toegestaan om op zaterdagen, zondagen alsmede nationale feestdagen opbreek- , graaf-, kabel-, aanvulling-, verdichting-, en/of bestratingswerkzaamheden uit hoofde van regulier werk in de openbare ruimte te verrichten, tenzij in de graaftoestemming expliciet anders is aangegeven.
In winkelstraten en op evenementenpleinen mogen geen opbrekingen zijn of worden uitgevoerd gedurende de door de gemeente in het kader van het omgevingsplan, namens het college vergunde evenementen, inclusief de opbouw- en afbreekperiode. Hieronder vallen onder andere:
In geval van doodlopende straten of woonerven moet graaftoestemminghouder er zorg voor dragen, middels tijdelijke verkeersmaatregelen en/of aan te brengen tijdelijke voorzieningen (bijvoorbeeld rijplatenbanen, tijdelijke waterkruisingen en doorsteken door groenstroken), dat de bereikbaarheid per auto van aanliggende woningen en bedrijven tijdens de uitvoering van de (graaf)werkzaamheden zoveel mogelijk en de bereikbaarheid voor hulpdiensten altijd is gegarandeerd. Het aanbrengen, opruimen en weer in oorspronkelijke staat brengen van de openbare ruimte geschiedt door en voor rekening van de graaftoestemminghouder.
Indien de gemeente het noodzakelijk acht, met name bij afsluiten van belangrijke verkeerswegen, kan graaftoestemminghouder worden verplicht zoveel mogelijk ´s nachts of in de avonduren de (graaf)werkzaamheden uit te voeren. Dit zal indien vooraf bekend bij graaftoestemming schriftelijk worden medegedeeld.
De noodzakelijke verkeersvoorzieningen ter plaatse van de uit te voeren werken moeten in overleg met de gemeentelijke toezichthouder kabels en leidingen, door de graaftoestemminghouder worden verzorgd. De kosten van de maatregelen komen ten laste van de graaftoestemminghouder. Een overzicht van de voorgenomen voorzieningen en maatregelen moet ten minste drie weken voor aanvang van de (graaf)werkzaamheden door de grondroerder bij de gemeente worden ingediend, tenzij anders is overeengekomen.
Als de door graaftoestemminghouder uit te voeren (graaf)werkzaamheden begeleid moeten worden door (een) tijdelijke verkeersregelinstallatie(s) (VRI), dan moet de graaftoestemminghouder dit drie weken van tevoren melden bij de vergunningverlener. Binnen vijf werkdagen na aanlevering zal door de gemeente het worden beoordeeld. Eventuele opmerkingen zullen door de aannemer verwerkt moeten worden alvorens de tijdelijke VRI in gebruik te nemen. Incidenteel kan het voorkomen dat, voor een tijdelijke VRI in gebruik kan worden genomen, het noodzakelijk is dat de gemeente eerst een tijdelijk verkeersbesluit vaststelt.
Verkeersvoorzieningen die tijdelijk geen dienstdoen, moeten door graaftoestemminghouder direct verwijderd, dan wel afgedekt worden tot het tijdstip dat deze weer nodig zijn. Het afvoeren van deze voorzieningen moet op een zodanig zorgvuldige wijze gebeuren dat er geen beschadigingen optreden aan gemeentelijke en particuliere eigendommen.
Indien de tijdelijke verkeersvoorzieningen in een verharding aangebracht moeten worden, moet het te verwijderen verhardingsmateriaal door en voor rekening van graaftoestemminghouder worden afgevoerd en na verwijderen van de verkeersvoorziening weer terug aangebracht worden in de oorspronkelijke staat. Indien tijdelijke verkeersmaatregelen bevestigd zijn aan straatmeubilair zal bij beschadiging het straatmeubilair hersteld/vernieuwd moeten worden.
Graaftoestemminghouder draagt zorg voor een regelmatige en voldoende controle op de instandhouding van verkeersborden, wegbebakening en -afzettingen, ook buiten de normale werktijden en moet zorgen voor het zo spoedig mogelijke herstel van in het ongerede geraakte verkeersvoorzieningen. Dit geldt ook voor de (eventueel) door de gemeente geplaatste verkeersvoorzieningen. Eventuele aanwijzingen door de gemeentelijke toezichthouder kabels en leidingen, met betrekking tot verkeersmaatregelen, moeten direct worden opgevolgd.
De verkeersmaatregelen en voorzieningen mogen maximaal 72 uur voor aanvang van de (graaf)werkzaamheden, buiten functie (afgedraaid), worden aangebracht. Het in functie brengen (omdraaien) mag pas twee uur voorafgaand aan de aanvang van de (graaf)werkzaamheden gebeuren. Na afloop van de (graaf)werkzaamheden moeten de verkeersvoorzieningen, direct zodra de situatie dit toelaat, weer buiten functie worden gesteld (afgedraaid). Indien de (graaf)werkzaamheden worden onderbroken en de situatie laat dit toe dan moeten de verkeersvoorzieningen buiten functie worden gesteld gedurende het staken van de (graaf)werkzaamheden. Twee uur voor de hernieuwde opstart van het werk moeten de verkeersvoorzieningen weer in functie worden gesteld. De vooraankondiging bij een volledige afsluiting dient 10 werkdagen van tevoren te worden geplaatst
Graaftoestemminghouder houdt het gemotoriseerde bestemmingsverkeer naar woningen, winkels, bedrijven, bouwwerken, landerijen en dergelijke, in overleg met de betrokkenen, zoveel mogelijk in stand. Indien met de betrokkenen geen overeenstemming kan worden bereikt over de beperking van de bereikbaarheid, verzoekt de grondroerder tijdig bemiddeling van de gemeente.
Voor de aanvang van de werkzaamheden moeten het goedgekeurde veiligheids-, gezondheids- en milieuplan beschikbaar en de benodigde vergunningen op het werk aanwezig zijn.
Voor het onttrekken en lozen van grondwater t.b.v. het droogleggen van de sleuf dienen de vereiste vergunningen op het werk aanwezig te zijn.
De beheerders c.q. exploitanten van bestaande leidingen in en nabij het tracé moeten worden geïnformeerd betreffende de voorgenomen werkzaamheden. Hiertoe dient onder andere tijdig een KLIC-melding te worden gedaan.
3.5 Betreden van leidingenstroken
Het is verboden zich met materialen en materieel die niet voor de uitvoering van het werk nodig zijn in de leidingenstroken te bevinden. Bij transport van materiaal en materieel over de leidingenstroken alsmede het tijdelijk opslaan van uitkomende grond kan door de beheerders/ exploitanten van de reeds aanwezige leidingen en/ of BOR worden verlangd, dat de nodige (tijdelijke) voorzieningen worden getroffen.
De graaftoestemminghouder verstrekt BOR schriftelijke informatie over tracé en werkterrein ten behoeve van de door BOR te verstrekken bouwplaatsvergunning. In paragraaf 7.4 staan de standaard voorschriften voor een bouwplaatsvergunning genoemd.
3.6.2 Beschermende maatregelen
Verontreiniging van het milieu moet worden voorkomen. Indien deze toch ontstaat moeten omvang en tijdsduur worden beperkt tot een minimum. Verontreinigingen moeten worden opgeruimd in overleg met het bevoegd gezag. Voor de procedure met betrekking tot de afhandeling van het bovenstaande wordt verwezen naar paragraaf 4.8.5.
Voor de inrichting van het werkterrein in openbaar gebied dient op grond van het omgevingsplan een vergunning te worden aangevraagd. Het werkterrein dient te voldoen aan het gestelde in de ‘Voorschriften ’. Deze is opgenomen in paragraaf 7.4.
3.7 Werken nabij objecten en infrastructuur
3.7.1 Werken in nabijheid van objecten
Tijdelijke maatregelen en veiligheidsvoorzieningen, die nodig zijn om de objecten tijdens de bouw te beschermen, moeten worden vastgelegd in het werkplan. Betrokken eigenaren, beheerders of instanties moeten daarover worden geïnformeerd en in de gelegenheid worden gesteld te reageren.
Bij (grote) te verwachten zettingen dienen belendingen, die door de aanleg zouden kunnen worden beïnvloed, aan een “0-waarde-onderzoek” (vastleggen van de situatie op de contractdatum) te worden onderworpen en gemonitord. Per geval dienen alarmgrenzen en criteria te worden afgesproken en vastgelegd tussen de betrokken partijen.
3.7.2 Werken in de nabijheid van leidingen
Voordat de aannemer start met graafwerkzaamheden dienen de naastliggende en kruisende leidingen te worden gelokaliseerd. Indien te lokaliseren leidingen niet worden aangetroffen, dan dient in overleg te worden getreden met de betreffende leidingexploitant.
In overleg met de betrokken leidingexploitanten kan worden bepaald waar en tot hoever machinaal mag worden gegraven. Met inachtneming van het voorgaande kan in het algemeen worden gesteld dat behoudens uitzonderingen tot een afstand van 0,50 meter van de aanwezige leidingen machinaal mag worden gegraven. De wijze van ontgraven die wordt toegepast, dient beschadigingen van naastliggende leidingen uit te sluiten.
Sonderingen, grondboringen, bronneringen en graafwerkzaamheden dienen zo te worden uitgevoerd dat geen schade optreedt.
Bij een open ontgraving wordt de leiding direct in een droge, gegraven sleuf gelegd.
De graafwerkzaamheden moeten zo worden uitgevoerd dat beschadiging van in de grond aanwezige leidingen en overige objecten wordt voorkomen.
Schade aan aanwezige (diep-)drainagesystemen of irrigatiesystemen moet worden voorkomen of direct adequaat worden hersteld na de uitvoering.
Bij het uitnemen van tegels dienen de tegels te worden gestapeld. Uitgenomen bestratingsmateriaal dient altijd binnen de afzettingen te worden opgeslagen.
Bij het zagen van asfalt dient de zaagsnede de lengte te hebben van hele steenmaten. Dit om bij het dichtblokken geen opvulling te hebben met kleine stukken.
3.8.4 Opslag uitgegraven grond
De hoogte van de opslag van de uitkomende grond in de leidingenstroken mag nooit > 1,00 meter boven het maaiveld bedragen.
Uitgegraven grond moet zo worden opgeslagen dat bij het latere aanvullen van de sleuf de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel zoveel mogelijk wordt herkregen.
Indien er in een te graven sleuf meerdere lagen grondsoorten zijn te herkennen, dienen deze apart te worden ontgraven. Indien er geen verschillende grondsoorten in de sleuf aanwezig zijn, dient de boven- grond apart gehouden te worden van de ondergrond. Bij ontgravingen < 1,00 meter diep betekent dit dat de bovenste halve meter ook weer teruggezet dient te worden in de bovenste halve meter. Bij ontgravingen > 1,00 meter diep, dient de grond dieper dan 1,00 meter ook weer teruggezet te worden op de betreffende diepte.
Gronddepots mogen niet boven een bestaande ondergrondse leiding worden geprojecteerd.
Indien dit toch nodig is, moet in overleg met de leidingexploitant worden nagegaan of het mogelijk is en welke bijzondere voorzieningen moeten worden getroffen.
Voor werkzaamheden in de bodem is de Omgevingswet onverkort van toepassing. Dit betekent onder andere dat de graaftoestemminghouder verplicht is verontreinigingen direct te melden.
Bij de Milieudienst Noord-West Utrecht kan de bedoelde melding worden gedaan. Tevens dient de graaftoestemminghouder de toezichthoudende ambtenaar van de aangetroffen bodemverontreiniging en/ of obstakels onverwijld in kennis te stellen. Voor het verwijderen van de bodemverontreiniging en/ of obstakels is goedkeuring nodig van genoemde instantie.
Het verkrijgen van deze toestemming en het verwijderen en afvoeren zijn geheel voor rekening van de graaftoestemminghouder.
Informatie over de bodemkwaliteit kan worden ingewonnen bij de Milieudienst.
Bij de aanvraag van de graaftoestemming, dient de aanvrager zelf onderzoek te verrichten naar (eventueel) verdachte locaties.
Graaftoestemminghouder zal zelf alle benodigde maatregelen treffen om werkzaamheden uit te (kunnen) voeren op of nabij (eventueel) verdachte locaties.
Door de gemeente worden op eigen initiatief geen bodemonderzoeken verricht bij het aanleggen van kabels en leidingen door nutsbedrijven.
De kosten gemoeid met de uitvoering van het Arbeidsomstandighedenbesluit komen voor rekening van graaftoestemminghouder.
3.9 Aanvullen/ herstel van de sleuf/ bouwput
Vóór het aanvullen van de sleuf of de bouwput moet(en) de leidingexploitant(en) van de vrijgegraven naastliggende en/ of kruisende leidingen altijd in de gelegenheid worden gesteld om zijn/ hun leiding(en) te inspecteren.
Al het te gebruiken materiaal dient van dezelfde kwaliteit/ soort te zijn als de door de gemeente gebruikelijk toe te passen materialen.
Het uitgegraven materiaal moet, vrij van stenen en dergelijke, met zorg in de juiste volgorde worden ingebracht om de oorspronkelijke profielopbouw zoveel mogelijk te herstellen. De sleuf moet, ter bescherming van de leiding en bekleding, tot een hoogte van 0,30 meter boven de bovenkant van de leiding met grond vrij van grove en harde bestanddelen worden opgevuld. Deze eerste aanvullaag moet van een zodanige kwaliteit zijn en zo worden aangebracht, dat de leiding aan alle zijden over de gehele lengte een gelijkmatige en stevige ondersteuning krijgt.
De aanvulling dient te worden uitgevoerd in lagen van maximaal 0,30 meter, waarbij elke laag moet worden verdicht. De sleuf dient na verdichting te voldoen aan de hieraan gestelde eisen conform de RAW. De graaftoestemminghouder dient de verdichtingswaarden op verzoek aan BOR te overleggen.
Deze verdichtingseis geldt onverkort, ook indien er tijdens de werkzaamheden puin in de grond wordt aangetroffen en/ of de grondsamenstelling een goede verdichting onmogelijk maakt. Het is dan aan de graaftoestemminghouder om op zijn kosten maatregelen te treffen om een juiste verdichting te bereiken.
De wegverharding moet door de graaftoestemminghouder en/of grondroerder in minimaal dezelfde staat worden teruggebracht als aanwezig voordat de ontgraving werd uitgevoerd. Uitzondering hierop zijn situaties waarbij in gezamenlijke, schriftelijk vastgelegde vooropname van het tracé met de gemeentelijke toezichthouder kabels en leidingen nadere afspraken zijn gemaakt
Te stellen algemene eisen bij uitvoering en oplevering van de werkzaamheden:
Voor alle werkzaamheden geldt:
Eisen t.a.v. verdichting van de sleuf bij gefundeerde verharding:
Deze verdichtingseis geldt onverkort, ook indien er tijdens de werkzaamheden puin in de grond wordt aangetroffen en/ of de grondsamenstelling een goede verdichting onmogelijk maakt, maar ook als het aanwezige funderingsmateriaal niet meer opnieuw goed te verdichten is. Het is dan aan de graaftoestemminghouder om op zijn kosten maatregelen te treffen om de juiste verdichting te verkrijgen.
Eisen t.a.v. vlakligging van de verharding:
Eisen t.a.v. hergebruikte bestratingmaterialen:
Eisen ten aanzien van het tijdelijk dichtstraten van een asfaltverharding:
Eisen aan de hoogteligging van de grond:
Te handhaven struiken en vaste planten die in het kabel- of leidingtracé van een te graven sleuf voorkomen ruim uitsteken, gescheiden houden van te ontgraven grond en tegen uitdroging beschermen (RAW). De planten dienen binnen 24 uur na verwijderen te zijn terug geplant. Planten die langer dan 24 uur uit de grond zijn geweest en geen water hebben gehad, kunnen als verloren worden beschouwd en dienen te worden vervangen.
3.10 Overige uitvoeringsaspecten
Alle werkzaamheden moeten worden uitgevoerd met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van veiligheid en arbeidsomstandigheden. De op dit gebied van kracht zijnde voorschriften moeten op het werk beschikbaar zijn.
Naleving veiligheidsvoorschriften:
Het personeel dat bij de werkzaamheden is betrokken moet zijn geïnstrueerd met betrekking tot de op de bouwplaats geldende wetten en regels ten aanzien van veiligheid en arbeidsomstandigheden. Leidinggevend personeel moet erop toezien dat de van toepassing zijnde voorschriften worden nageleefd.
Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G plan):
Voor de aanvang van de werkzaamheden moet een V&G plan zijn opgesteld door de graaftoestemminghouder. Hierin moet minimaal het volgende zijn opgenomen:
Het bij de uitvoering van de werkzaamheden betrokken personeel moet op de hoogte zijn van de inhoud van het V&G plan en moet dit naleven.
Bereikbaarheid belendende gebouwen:
De bereikbaarheid van woningen, openbare gebouwen en dergelijke voor (mindervalide) voetgangers dient te worden gewaarborgd. In overleg met de betrokkenen en BOR kan aan de aard en mate van bereikbaarheid nader inhoud worden gegeven.
Indien de beperking van de bereikbaarheid tot gevolg heeft dat de hulpdiensten objecten niet voldoende kunnen naderen of dat de bevoorrading van winkels of bedrijven anders dan normaal moet worden geregeld, dan is vooraf overleg met de belanghebbenden en BOR noodzakelijk.
Bij werkzaamheden op of in de nabijheid van eigendommen en installaties van derden moet vooraf overleg plaatsvinden over eventueel te nemen specifieke veiligheidsvoorzorgsmaatregelen.
Deze maatregelen moeten tevens worden verwerkt in het veiligheidsplan.
De gemeentelijke toezichthouder kabels en leidingen controleert vanuit de publieke taakstelling van de gemeente of het werk veilig wordt uitgevoerd en is bevoegd om, bij onveilige situaties, correctieve maatregelen af te dwingen.
Schade aan gemeentelijke of andere eigendommen dient te worden vermeden. Mochten toch beschadigingen optreden dan dient de graaftoestemminghouder deze direct te melden aan BOR en aan de eigenaar van het beschadigde object.
Het herstel van de schade vindt plaats in overleg en voor rekening van de veroorzaker.
Uitgangspunt bij het herstel van de (voorziene) schade als gevolg van de werkzaamheden is dat de graaftoestemminghouder de situatie in oorspronkelijke staat herstelt. Daarop zijn ook de vergunningvoorwaarden en uitvoeringsvoorschriften gericht.
Omdat bij straatwerk al op voorhand bekend is dat er, ook bij goed herstel van de verharding, toch sprake is van een kwaliteitsachteruitgang wordt er na het herstel, een schadevergoeding (voor onderhoud, degeneratie en beheer) in rekening gebracht. (zie ook bijlage 7.3 ‘Schaderegeling Ingravingen De Ronde Venen (SIDRV)’).
Echter, niet alle schades die de gemeente als gevolg van leidingwerkzaamheden lijdt kunnen door de vastgestelde schadetarieven worden gedekt. Dit is het geval bij:
Schade bij groenwerkzaamheden:
Dit is aan de orde in de volgende situaties:
In deze gevallen zullen al vóór het verstrekken van de vergunning specifieke afspraken worden vastgelegd. Afhankelijk van de omvang van het werk kan in de voorwaarden “het 1e jaar onderhoud groen” en “inboet beplanting na het 1e groeiseizoen” worden voorgeschreven.
De schade aan bomen wordt vastgesteld op basis van de richtlijnen NVTB (Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen).
De graaftoestemminghouder zal in de gelegenheid worden gesteld om, met uitzondering van het herplanten van bomen, zélf al de werkzaamheden te verrichten. In dergelijke situaties zal daarom de kwaliteit van de uit te voeren herstelwerkzaamheden van te voren goed omschreven worden. De graaftoestemminghouder kan ook aan de gemeente vragen om de werkzaamheden, op zijn kosten, uit te voeren. Dat gebeurt dan op zakelijke basis, na een proces van offreren en opdrachtverlening.
Schade welke ontstaat buiten de sleuf:
Als gevolg van werkzaamheden kan er ook schade ontstaan buiten de sleuf (aan materialen, lantaarnpalen, verkeerslichten, geparkeerde auto’s, e.d.). Voor zover het gemeentelijke eigendommen betreft zal de gemeente deze schade verhalen op de leidingexploitant.
Afhankelijk van de specifieke situatie kan het wenselijk zijn dat er voorafgaand aan de werkzaamheden een, gezamenlijke, schouw en vastlegging plaatsvindt.
Ontstane schades zullen zoveel mogelijk door BOR samen met veroorzaker worden vastgelegd, in een schaderapport en op foto.
Het kan voorkomen dat er, na oplevering en goedkeuring van hersteld straatwerk, sprake is van verzakking welke buitenproportioneel is en daarmee gevaar oplevert voor de weggebruiker. In dergelijke gevallen zal de graaftoestemminghouder in staat gesteld worden de verharding, opnieuw, te herstellen. Als grenswaarde voor “buiten proportioneel” wordt aangehouden een dwarsonvlakheid van 30 mm of meer, of van 15 mm of meer over een lengte van 16 m1 per 100 m1, welke zich binnen één jaar na het eerste herstel voordoet. Daaraan wordt toegevoegd dat slechts die schade in ogenschouw wordt genomen welke het gevolg is van de uitgevoerde werkzaamheden. De situatie een jaar na herstraten hoeft ook nooit beter te zijn dan de situatie voor de werkzaamheden. In geval van twijfel kunnen hierover, uitsluitend voor aanvang van het werk, op initiatief van de graaftoestemminghouder, met de toezichthouder afspraken worden gemaakt.
Indien blijkt dat personeel van de graaftoestemminghouder zich niet houdt aan de gemaakte afspraken of indien zich tijdens de uitvoering onregelmatigheden voordoen, kan van de graaftoestemminghouder worden geëist dit personeel de toegang tot het werk te ontzeggen.
Indien de graaftoestemminghouder gemaakte afspraken negeert kan de gemeente de graaftoestemminghouder een schriftelijke waarschuwing geven en/ of zonodig wordt het werk stilgelegd zonder dat aanspraak op schadevergoeding mogelijk is. Ook kunnen er financiële sancties worden opgelegd.
De gemeente is bevoegd de (graaf)werkzaamheden direct stil te leggen, zonder vergoeding van kosten, indien:
De in het proces verbaal van opneming aangegeven tekortkomingen moeten binnen veertien kalenderdagen door graaftoestemminghouder en/of grondroerder worden hersteld. Zodra het herstel is voltooid, moeten graaftoestemminghouder en/of grondroerder het herstel gereed melden bij de gemeentelijke toezichthouder kabels en leidingen. Deze zal op het betreffende herstel een hernieuwde opleveringsbeproeving (schouw) uitvoeren.
Na de acceptatie van de herstelde openbare ruimte zijn graaftoestemminghouder en/of grondroerder gedurende een onderhoudstermijn van twaalf maanden, gerekend na het moment van de ondertekening van het proces verbaal van oplevering door de gemeente, verantwoordelijk voor het in stand houden van de hoedanigheid en kwaliteit van de geaccepteerde herstelde ondergrond en verharding.
Eventuele, tijdens de onderhoudstermijn door de gemeentelijke toezichthouder kabels en leidingen geconstateerde gebreken zullen door de gemeente schriftelijk worden gemeld aan de graaftoestemminghouder en/of grondroerder. De aangegeven gebreken moeten binnen vijf werkdagen door graaftoestemminghouder en/of grondroerder worden hersteld. Zodra het herstel is voltooid moeten graaftoestemminghouder en/of grondroerder het herstel gereed melden bij de gemeentelijke toezichthouder kabels en leidingen.
Zo spoedig mogelijk na het voltooien van de werkzaamheden moet het werkterrein worden ontruimd, een en ander overeenkomstig het gestelde in de bouwplaatsvergunning. Al het materieel, hulpmiddelen en overgebleven materialen moeten worden afgevoerd. De werkstrook moet in de oorspronkelijke staat worden hersteld.
Indien van toepassing moet de drainage van het cultuurland vóór de eindbewerking worden hersteld.
4 BEDRIJFSVOERING EN BEDRIJFSBEËINDIGING
Krachtens algemene wetgeving en de verordening is een leidingexploitant verplicht zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van de leiding.
Voor de uitvoering daarvan moet een preventiebeleid worden gevoerd in de vorm van een managementsysteem, verder beheersysteem genoemd.
Het beheersysteem geldt voor de gehele bedrijfsvoeringperiode tot en met het buiten bedrijf stellen van de leiding. Uitgangspunten zijn:
Bij de uitvoering en het beheer van leidingen met toebehoren moet, naarmate de vereiste veiligheid toeneemt, ook de controle en inspectie toenemen om ervoor te zorgen dat de vereiste veiligheid is verzekerd en blijft gewaarborgd.
De leidingexploitant moet op verzoek de onderhoud- en inspectierapporten van zijn leiding presenteren.
Voor distributienetten van gas, water en elektriciteit dienen de volgende zaken een onderdeel van het beheersysteem zijn:
Voor gasleidingen wordt tevens verwezen naar het gestelde in NEN 7244-1, hoofdstuk 13.
Voor waterleidingen kan ook verwezen worden naar de richtlijn Vewin (gebaseerd op NEN-EN 805:2000), hoofdstuk 14 en bijlage B.
Ook voor rioolleidingen zal een beheersysteem moeten worden opgesteld dat vergelijkbaar is met het systeem in NEN 3650-1:2003 of de eerder genoemde richtlijn van de Vewin.
Voor het verwijderen van leidingsystemen of leidingen is het gestelde in de verordening van toepassing.
Uitgangspunt hierbij is dat bij het vervangen van een leiding, de buiten bedrijf gestelde leiding verwijderd moet worden. Dit geldt eveneens voor leidingen die niet worden vervangen maar permanent buiten gebruik worden gesteld.
Er kunnen zich situaties voordoen waarbij het verwijderen van niet meer in gebruik zijnde leidingsystemen of leidingen niet direct wenselijk is. Hiervoor dient altijd toestemming verkregen te worden van het College. In dat geval kunnen nadere eisen gesteld worden aan het tijdelijk handhaven van deze leidingsystemen of leidingen.
Dit hoofdstuk behandelt de vergunningprocedure voor de aanleg, het houden, het onderhoud, de exploitatie en het verwijderen van leidingen in de openbare ruimte en in of op kunstwerken en een eventueel daaraan voorafgaande overlegfase.
In de meeste gevallen zal alleen de vergunningprocedure van toepassing zijn. Dit houdt in dat de vergunningaanvraag direct in behandeling kan worden genomen omdat alle zaken door de aanvrager tevoren zijn verwerkt in een definitief ontwerp en de aanvraag correct is ingediend.
De doorlooptijd voor deze procedure is maximaal 8 weken na binnenkomst van de volledige aanvraag bij de gemeente.
Bij de vergunningprocedure kunnen de volgende fasen worden onderkend:
De vergunningaanvraag wordt digitaal aangevraagd door in te loggen op de site https://drv.graafvergunning.nl/. Hier kunt u kiezen welke aanvraagprocedure er wordt opgestart. De mogelijkheden zijn een vergunning/instemming, een melding (huisaansluitingen < 25 meter of uitplaatsingen van < 3 m3 grond en objecten), een calamiteit of een graafbon op een vergunning.
Hierna volgen de bijlagen waar in het Handboek naar wordt verwezen en verplichtend zijn.
6.3 Schaderegeling Ingravingen De Ronde Venen (SIDRV)
De SIDRV is gekoppeld aan artikel 12, tweede lid en artikel 19, tweede lid van de verordening.
De tarieven worden per m² gehanteerd. Deze worden niet geheel berekend conform de door de VNG aanbevolen systematiek (Leidraad Nutsbedrijven/ Richtlijn-tarieven graafwerkzaamheden). Hiervan wijkt de Gemeente af, omdat de grondslag van de openbare ruimte in De Ronde Venen niet overeenkomt met de Bodemkaart Nederland (de bodem is slapper, doordat de afgegraven Vinkeveense Plassen als zandgrond wordt meegerekend). Volgens de richtlijn zit De Ronde Venen in bodem categorie 2. Hiervan wordt afgeweken door bij de berekeningen standaard uit te gaan van bodem categorie 3.
Bij ingravingen in bermen, plantsoenen e.d. dient de ingraver ook het ‘groen’ weer te herstellen of hij laat dit doen door de gemeente. De werkelijke kosten worden dan in rekening gebracht. Dit houdt in het herstel van gazons, het herstel van gerooide struiken en vaste planten, etc.. Dit is seizoensgebonden werk. Houtgewassen kunnen tussen 1 november en 1 april worden aangebracht, gras kan worden ingezaaid van maart tot mei en in september;
Met deze regeling wordt beoogd dat ingravers voor het gehele traject van uitvoering zelf verantwoording dragen. Met het betalen van de betreffende schadevergoeding hebben ingravers geen verdere kosten en verplichtingen meer.
6.4 Voorschriften inrichten tijdelijke bouwplaats
Voor de inrichting van het werkterrein in openbaar gebied dient op grond van artikel 3.1.1 van de Verordening Fysieke Leefomgeving De Ronde Venen een vergunning te worden aangevraagd.
Als in strijd met deze toestemming en de bijbehorende algemene en bijzondere voorwaarden wordt gehandeld zullen onverwijld van gemeentewege, ten koste van de overtreder, de nodige maatregelen worden getroffen. Als de in deze door de gemeente aangegeven aanwijzingen niet binnen de gestelde termijn zijn opgevolgd, zal de in beslag genomen openbare ruimte worden beschouwd als grond welke zonder toestemming in gebruik is genomen. Het aanwezige zal dan door de gemeente en voor rekening van de toestemminghouder worden verwijderd. Eén en ander ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet en de afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht.
De toestemminghouder dient er voor te zorgen dat afval, restanten van bouwmaterialen e.d. niet buiten de tijdelijke bouwplaats de openbare weg vervuilen. Zo nodig laat hij frequent de omgeving van de tijdelijke bouwplaats reinigen t.a.v. afval en restanten. Na afloop van de werkzaamheden wordt de plaats waar de tijdelijke bouwplaats heeft gestaan schoon opgeleverd.
6.4.2.1 Bestrating, openbaar groen en straatmeubilair
Alle niet voorziene schade die door het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond of enig ander gemeente eigendom mocht zijn toegebracht, zal vanwege de gemeente worden hersteld voor rekening van de toestemminghouder, die de kosten, dan wel heffing hierop, op eerste aanmaning zal moeten voldoen.
Bij het werken en / of inrichten van de tijdelijke bouwplaats en andere objecten nabij bomen dienen boom beschermende maatregelen te worden getroffen. Het is niet toegestaan om binnen de kroonprojectie van een boom materialen op te slaan c.q. met materieel te rijden. Bij het toepassen van hekken moeten deze minimaal 1,50 meter uit de stam worden geplaatst.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-504902.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.