Gemeenteblad van Montfoort
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Montfoort | Gemeenteblad 2024, 44412 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Montfoort | Gemeenteblad 2024, 44412 | beleidsregel |
Ruimtelijke kaders paardenhouderij Gemeente Montfoort
Voor veel agrarische bedrijven is de paardenhouderij een interessante (neven)activiteit geworden; sommige agrarische bedrijven richten zich volledig op de paardenhouderij. Ook het aantal hobbymatige paardenhouders neemt toe.
Een gevolg van het houden van paarden is de behoefte aan paardenbakken. Deze paardenbakken, die in het buitengebied worden gerealiseerd, hebben ruimtelijke gevolgen. Wat voorheen grasland was, wordt nu een bak met wit zand met soms opvallende omheiningen en verdere toebehoren zoals lichtmasten. Ook het gebruik kan overlast in de vorm van stof en activiteiten van ruiters en paarden met zich meebrengen. Het is van groot belang om verrommeling van het buitengebied tegen te gaan en duidelijke beleidsregels op te stellen om ons open landschap te beschermen.
De paardenhouderij is er in veel verschillende verschijningsvormen. In bijlage 1 ziet u een opsomming en definiëring van deze verschijningsvormen. Het bestemmingsplan 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 staat binnen de agrarische bestemmingen alleen fokkerijen toe. Dit sluit niet aan op de bestaande diversiteit aan bedrijfsmatige paardenhouderijen. Met deze nieuwe beleidsregels willen we het gemeentelijke beleid beter laten aansluiten op deze diversiteit, zoals beschreven in de VNG-richtlijn ‘De paardenhouderij in het omgevingsrecht’. Daarbij blijft het uitgangspunt om geen maneges toe te staan binnen agrarische bestemmingen.
Deze beleidsregels worden als input gebruikt voor het beoordelen van planologische verzoeken en zullen worden verwerkt in het bindende bestemmingsplan/omgevingsplan. De beleidsregels komen in de plaats van de Beleidsnotitie Hippische Sector gemeente Montfoort (juni 2012) die destijds is vastgesteld als bijlage van het bestemmingsplan Buitengebied 2012.
· Het landschappelijk karakter met de lintbebouwing zoveel mogelijk in stand te laten waarbij de zichtlijnen in stand blijven.
· Verrommeling door paardenhouderij-activiteiten in het buitengebied tegen te gaan.
· Het gemeentelijke beleid beter te laten aansluiten op de VNG-richtlijn ‘De paardenhouderij in het omgevingsrecht’.
· Een uniform toetsingskader voor ruimtelijke ordening te hebben; het kader betreft zowel de gebruiksmogelijkheden (welke soorten paardenhouderijen staan we toe?) als de toegestane bouwwerken (onder welke voorwaarden staan we paardenbakken en andere hippische voorzieningen toe?).
In het huidige bestemmingsplan voor het buitengebied (1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012) zijn binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch-Rivierzone’ volwaardige productiegerichte paardenhouderijen met de bijbehorende voorzieningen toegestaan. Een productiegerichte paardenhouderij wordt in het bestemmingsplan 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 gedefinieerd als ‘een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen van paarden en het trainen en africhten van ter plaatse gefokte paarden en het verhandelen daarvan’. Door deze definitie zijn enkel fokkerijen toegestaan. Elke andere vorm van paardenhouderij (zie voorbeelden hieronder) is binnen de agrarische bestemmingen in dit bestemmingsplan uitgesloten. Deze beperkte definitie sluit niet aan op de landelijke en lokale praktijk. Veel paardenhouderijen richten zich mede – al dan niet in overwegende mate – op aanverwante agrarische activiteiten, zoals de trainings- en africhtingstallen, al dan niet als onderdeel van een fok- en opfokstal, de handelsstallen en de pensionstallen. Vaak komen mengvormen voor. Voor deze bedrijven, inclusief de opfokbedrijven, wordt in de VNG-richtlijn ‘De paardenhouderij in het omgevingsrecht’ aanbevolen in bestemmingsplannen de agrarische bestemming te verruimen.
De VNG-richtlijn geeft de volgende uitleg aan de verschillende typen paardenhouderijen.
“Onder productiegerichte paardenhouderij vallen de op het voortbrengen van producten gerichte paardenhouderijen, zoals fok- en opfokbedrijven, de hengstenhouderijen, de paardenmelkerijen, de africhtingsstallen, de trainings- en sportstallen, de handelsstallen, stalhouderijen en spermawinstations.
Bij gebruiksgerichte paardenhouderij staat meer de georganiseerde beoefening van de paardensport centraal. Hierbij kan gedacht worden aan maneges, de meer accommodatiegerichte (niet-grondgebonden) pensionstallen en verenigingsaccommodaties. Naast het geven van instructies aan ruiters en amazones, is er vaak een gelegenheid aanwezig waar een consumptie kan worden genuttigd.”
Concreet betekent dit het volgende.
Onder productiegerichte paardenhouderij vallen volgens de VNG-richtlijn de op het voortbrengen van producten gerichte paardenhouderijen zoals:
Bij gebruiksgerichte paardenhouderij staat meer de georganiseerde beoefening van de paardensport centraal. Dit zijn bedrijven zoals:
· de meer accommodatiegerichte (niet-grondgebonden) pensionstallen
De gemeente Montfoort heeft er eerder al voor gekozen om maneges niet toe te staan binnen agrarische bestemmingen en om deze apart te bestemmen als sportbedrijf. We houden hieraan vast omdat maneges qua aard, inrichting, bedrijfsvoering en vaak bovenlokale aantrekkingskracht (verkeersbewegingen) niet vergelijkbaar zijn met een regulier agrarisch bedrijf. Ook verenigingsaccommodaties staan we niet toe binnen agrarische bestemmingen, maar bestemmen we apart als sportlocatie.
Zoals gezegd heeft de bedrijfsvoering van paardenhouderijen in de praktijk vaak een gemengd karakter. Zo heeft een productiegerichte paardenhouderij soms ook een pensionstal of wordt er individuele instructie gegeven. Om hier ruimte voor te geven pleit de VNG-richtlijn ervoor het begrip productiegerichte paardenhouderij in bestemmingsplannen te definiëren als: een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden. Door in de begripsomschrijving de woorden ‘in hoofdzaak’ te vermelden, wordt voorkomen dat het gebruiksgericht houden van paarden als nevenactiviteit direct leidt tot strijd met het bestemmingsplan. Daarnaast pleit de VNG-richtlijn ervoor om gebruiksgerichte paardenhouderij als hoofdactiviteit toe te staan binnen de agrarische bestemming via een aanduiding op de plankaart; hierdoor kan per locatie worden afgewogen of een gebruiksgerichte paardenhouderij als hoofdactiviteit passend is.
De VNG-richtlijn maakt geen onderscheid tussen zelf gefokte paarden en overige paarden. Onder een handelsstal wordt het volgende verstaan: Een bedrijf kan als handelsstal worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit de in- en verkoop van paarden. In tegenstelling tot de handel in vee en andere veesoorten worden paarden vaak langer aangehouden en niet direct doorverkocht of naar de slacht gebracht. Een handelsstal, met name een sportpaardenhandelsstal, doet veelal eerst aan waardevermeerdering voordat een paard weer doorverkocht wordt.
Naast het onderscheid tussen productiegericht en gebruiksgericht is ook het onderscheid tussen bedrijfsmatig en hobbymatig van belang.
Bij bedrijfsmatig gebruik is sprake van een volwaardige paardenhouderij, gericht op het genereren van een voldoende bedrijfsresultaat.
Bij een hobbymatige paardenhouderij is het houden van paarden kleinschalig en niet gericht op het genereren van omzet dan wel een positief resultaat. Voor wat betreft kleinschaligheid geldt in principe een maximum van 5 paarden[1]. Daarnaast wordt er getoetst aan de Wet Milieubeheer om te kijken of er sprake is van een inrichting.
In het verleden werd ook de term semi-bedrijfsmatig gebruikt wanneer het bestaansrecht van de paardenhouderij niet geheel afhankelijk is van het daarmee te genereren bedrijfsresultaat maar qua omvang en aard niet kan worden aangemerkt als hobbymatig, waarbij het ook redelijkerwijs te verwachten is dat een positieve opbrengst wordt behaald. In de planologische praktijk is de term semi-bedrijfsmatig niet goed bruikbaar. Binnen een agrarische bestemming is een paardenhouderij als hoofdactiviteit alleen toegestaan wanneer de paardenhouderij bedrijfsmatig en volwaardig is. Hobbymatige paardenhouderij is alleen toegestaan als neven- of vervolgactiviteit óf bij een woning. Met andere woorden, een semi-bedrijfsmatige paardenhouderij past eigenlijk noch bij een agrarische bestemming, noch bij een woonbestemming. Daarom gebruiken we alleen de termen bedrijfsmatig en hobbymatig.
We willen het lokale beleid laten aansluiten op de VNG-richtlijn “De paardenhouderij in het Omgevingsrecht”. Dit heeft een aantal voordelen:
• We maken gebruik van landelijk erkende inzichten, begrippen en interpretaties.
• We sluiten aan op de bedrijfseconomische behoefte van paardenhouderijen. De hedendaagse paardenhouderij is in de praktijk een mengvorm van activiteiten. We leggen niet langer restricties op die uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onnodig zijn.
• Door het overnemen van de definities uit de VNG-richtlijn worden alle verschillende typen paardenhouderij benoemd. Daarmee wordt het voor vergunningverlening, toezicht en handhaving makkelijker om te beoordelen of een functie al dan niet binnen het bestemmingsplan past.
Om dit te bereiken, stellen we de volgende uitgangspunten vast.
1. Er wordt onderscheid gemaakt tussen hobbymatige en bedrijfsmatige paardenhouderijen, de term semi-bedrijfsmatig verdwijnt. Onder hobbymatige paardenhouderij mogen maximaal 5 paarden gehouden worden. Bij een bedrijfsmatige activiteit dient ten minste sprake te zijn van 1 arbeidskracht met een volledig inkomen.
2. Alle productiegerichte paardenhouderijen inclusief handelsstallen en opfokstallen mogen zich vestigen binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ of ´Agrarisch – Rivierzone’. Binnen productiegerichte paardenhouderijen worden pensionstallen alleen als nevenactiviteit toegestaan.
3. Gebruiksgerichte paardenhouderijen kunnen eveneens worden toegestaan binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ of ‘Agrarisch – Rivierzone’ via een aanduiding op de plankaart of een bij deze bestemmingen opgenomen afwijkingsbevoegdheid; hierdoor kan het bevoegd gezag per locatie afwegen of een gebruiksgerichte paardenhouderij als hoofdactiviteit passend is. We staan daarbij geen verblijfsruimtes toe, anders dan een al volgens het bestemmingsplan toegestane bedrijfswoning, die onder de bescherming van geurregelgeving vallen.
4. We nemen hierbij de begripsomschrijvingen over uit de VNG-richtlijn “De paardenhouderij in het Omgevingsrecht”. De bestemmingsplansystematiek dient hierop te worden aangepast.
5. De gemeente Montfoort heeft er eerder al voor gekozen om maneges niet toe te staan binnen agrarische bestemmingen en om deze apart te bestemmen als sportbedrijf. Deze beleidskeuze blijft gehandhaafd. Voor verenigingsaccommodaties hanteren we hetzelfde beleid.
6. Het geven van individuele instructie door de paardenhouder staan we toe op alle niet hobbymatige typen paardenhouderij. Het geven van groepslessen is alleen toegestaan binnen een manege of verenigingsaccommodatie.
7. Individueel therapeutisch paardrijden mag ook worden aangeboden door een hobbymatige paardenhouder.
[1] Het aantal gehouden dieren geeft een indicatie van de grens tussen hobbymatig en bedrijfsmatig. Maar wanneer sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (dit kan al het geval zijn bij 5 paarden) is zonder meer sprake van bedrijfsmatig gebruik. Zie ook hierna in paragraaf 2.2.
2.2 Definitie paardenbak en particulier gebruik
Een paardenbak/buitenrijbaan/buitenrijbak wordt als volgt gedefinieerd:
“Niet-overdekte piste voorzien van een bewerkte/aangepaste bodem waar naast training en africhting van het paard eveneens toetsing van prestaties van de combinatie paard en ruiter in diverse disciplines kan plaatsvinden”
In de landelijke handreiking ‘De paardenhouderij in het omgevingsrecht’ (document VNG en SRP) wordt een definitie gegeven van een “buitenrijbaan”. Deze definitie is in het kader van de uniformiteit overgenomen. Wegens de veel voorkomende benaming van een paardenbak wordt in de rest van de notitie kortweg gesproken over paardenbak. Een buitenrijbaan/buitenrijbak valt echter onder dezelfde noemer.
De beleidsregels die van toepassing zijn op particuliere paardenbakken gaan dan om hobbymatig gebruik. Bij het bepalen of er sprake is van hobbymatig gebruik spelen in ieder geval de volgende aspecten:
Bij de beoordeling moeten alle van toepassing zijnde aspecten worden meegewogen om te bepalen of er sprake is van hobbymatig gebruik.
2.3. Regels omtrent ligging en inrichting van een hobbymatige paardenhouderij
In navolgend schema zijn de criteria weergegeven waaraan zal worden getoetst of een hobbymatige paardenbak en andere hippische faciliteiten al dan niet zijn toegestaan en zo ja, onder welke voorwaarden.
2.4. Regels omtrent ligging en inrichting van een bedrijfsmatige paardenhouderij
In navolgend schema zijn de criteria weergegeven waaraan zal worden getoetst of een bedrijfsmatige paardenbak en andere faciliteiten al dan niet zijn toegestaan en zo ja, onder welke voorwaarden.
Overlast kan ontstaan door afwatering, stof, licht, stank of verrommeling. Vaak kan deze overlast door een goede inpassing, doordachte aanleg en gebruik en door adequaat onderhoud geminimaliseerd worden. In de landelijk opgestelde VNG-richtlijn Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening, Handreiking voor de praktijk, worden handvatten gegeven om overlast te minimaliseren.
Een paardenbak en andere hippische voorzieningen kunnen bij droog weer stofoverlast geven. Deze overlast kan beperkt worden door de bodem bij droogte te besproeien dan wel door middel van een eb- en vloedsysteem, zodat stofontwikkeling wordt voorkomen. Ook kan gekozen worden voor een bodem die minder stof geeft, bijvoorbeeld het toevoegen van houtsnippers. Daarnaast kan de locatie van de paardenbak zodanig worden gekozen dat alleen al daardoor geen onaanvaardbare overlast optreedt.
Om lichtoverlast te beperken is het beter meerdere lichtpunten met minder intensiteit (Lux) te plaatsen, dan 1 groot lichtpunt (bouwlamp) bij een paardenbak. De armaturen dienen horizontaal geplaatst te worden met asymmetrische optieken/lenzen. Zo is het beter direct nabij de paardenbak lampen te plaatsen dan deze verderaf aan een bestaand bouwwerk te bevestigen. Daarnaast beperkt een verplichte donkerperiode de overlast. Ook hier geldt dat een goed doordachte positionering van de paardenbak kan bijdragen in het minimaliseren van overlast. Ook de positie van de lichtpunten kan daaraan bijdragen. In het kader van faunabescherming is slechts verlichting met een minimale blauw component en UV toegestaan: geeloranje, oranje of amber.
In Nederland hebben we een richtlijn om lichthinder en lichtvervuiling van onder andere terreinverlichting op objectieve wijze te kunnen meten en beoordelen. Hierin zijn richtwaarden opgenomen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen 5 verschillende omgevingstypen, namelijk van ‘intrinsieke duistere gebieden’ (E0) tot gebieden met een hoge omgevingshelderheid (E4). Dit betreft de Richtlijn Lichthinder 2020 van de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde. Deze richtlijn wordt ook gehanteerd door de rechterlijke macht. De richtlijn kan aanleiding geven om bij de toetsing van aanvragen aanvullende eisen te stellen.
Voor onversterkt stemgeluid bij paardenbakken zijn er geen geluidsnormen. Voor versterkt stemgeluid bij paardenbakken zijn er wel geluidsnormen. Deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer (straks onder Omgevingswet: de Bruidsschat c.q. tijdelijk omgevingsplan), maar deze algemene geluidnormen zijn in de regel niet geschikt om overlast van versterkt stemgeluid bij paardenbakken te voorkomen. Dit kan worden voorkomen door het stellen van specifieke maatwerkvoorschriften met aangescherpte geluidsnormen. Een andere mogelijkheid is om hiervoor normen te stellen in het (toekomstig) omgevingsplan Montfoort.
Ook is het mogelijk versterkt stemgeluid geheel te verbieden aan de hand van een maatwerkvoorschrift of regels in het (toekomstig) Omgevingsplan Montfoort. Het gebruik van een headset is namelijk een goed alternatief voor gebruik van een megafoon of luidsprekerinstallatie. Het gebruik van een headset geeft geen overlast voor de omgeving.
Indien sprake is van versterkt muziekgeluid bij paardenbakken, dan gelden ook hiervoor geluidnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De (algemene) normen voor muziekgeluid zijn daarentegen zodanig ‘streng’, dat overlast bij omliggende woningen wel kan worden voorkomen.
Indien sprake is van versterkt muziekgeluid bij paardenbakken, dan gelden ook hiervoor geluidnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De (algemene) normen voor muziekgeluid zijn daarentegen zodanig ‘streng’, dat overlast bij omliggende woningen wel kan worden voorkomen.
Er vloeit uit de wet geen verplichting voort dat een beleidsnotitie ter inzage moet worden gelegd waarbij aan belanghebbenden de gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. Een bestuursorgaan kan echter op grond van artikel 3:10 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij besluit wel zelf bepalen of de openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb) moet worden gevolgd. De gemeenteraad wil inwoners goed betrekken en heeft er daarom voor gekozen deze beleidsregels eerst ter inzage te leggen. Iedereen kon tijdens de inzagetermijn een zienswijze indienen. Er zijn 3 zienswijzen ingediend. Deze zijn van commentaar voorzien in een nota van zienswijzen en hebben tot enkele aanpassingen in de beleidsnotitie geleid.
3.3. In werking treden beleidsnotitie
De notitie treedt in werking na vaststelling en bekendmaking.
Het bestemmingsplan voor het buitengebied zal via een herziening worden aangepast voor zover deze beleidsregels daartoe aanleiding geven. Er zal eerst een ontwerpbestemmingsplan worden opgesteld. Dat ontwerpbestemmingsplan zal 6 weken ter inzage liggen met de mogelijkheid voor iedereen om zienswijzen in te dienen. Vervolgens zal het bestemmingsplan door de gemeenteraad worden vastgesteld waarna er beroep openstaat. Hierbij geldt als kanttekening dat per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking treedt. Mocht het niet lukken om vóór 1 januari 2024 een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen, dan zullen de beleidsregels na 1 januari 2024 worden verwerkt in een wijziging van het omgevingsplan.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 13 november 2023
Mr. P.J. van Hartskamp-de Jong
Hieronder wordt een korte beschrijving van de bedrijfstypen in de paardenhouderij gegeven. Combinaties van verschillende bedrijfstypen komen veelvuldig voor. Let wel: daar waar paard staat, kan ook en/of pony gelezen worden.
Een bedrijf kan als africhtingsstal worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit het africhten van paarden. Hieronder wordt verstaan het zadelmak maken, het betuigen, het keuring-klaar maken enzovoort.
Een bedrijf kan als fokkerij worden beschouwd, indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit de inzet van meerdere merries voor de fokkerij.
Een bedrijf kan als handelsstal worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit de in- en verkoop van paarden. In tegenstelling tot de handel in vee en andere veesoorten worden paarden vaak langer aangehouden en niet direct doorverkocht of naar de slacht gebracht. Een handelsstal, met name een sportpaardenhandelsstal, doet veelal eerst aan waardevermeerdering voordat een paard weer doorverkocht wordt.
Een bedrijf kan als hengstenhouderij worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit de inzet van een of meerdere hengsten voor de fokkerij door natuurlijke dekking of kunstmatige inseminatie. Door de steeds hogere eisen die worden gesteld aan dekhengsten hebben de meeste merriehouders geen eigen hengst, maar maken ze gebruik van hengsten van gespecialiseerde hengstenhouders.
Het kleinschalig houden van paarden waarbij tot een maximum van 5 paarden (hieronder veulens en pony's inbegrepen) wordt aangehouden voor eigen gebruik en vrijetijdsbesteding, zonder winstoogmerk. Wanneer sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (dit kan al het geval zijn bij 5 paarden) is geen sprake van een hobbymatige paardenhouderij.
Een recreatief bedrijf dat hoofdzakelijk op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheid geeft tot het beoefenen van de paardensport waarbij de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het geven van instructie in één of meerdere disciplines aan derden met gebruik van paarden en/of pony’s in eigendom van het bedrijf of aan derden met eigen paarden en/ of pony’s en het bieden van huisvesting aan die paarden en/of pony’s, het organiseren van wedstrijden en evenementen en waarbij ondergeschikt hieraan horeca is toegestaan.
Een bedrijf kan als opfokbedrijf worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit de huisvesting van jonge paarden, al dan niet in eigendom, in de leeftijd van 4 maanden tot en met het 4e levensjaar. Veelal worden de groepen jonge paarden gedurende de zomerperiode volledige weidegang geboden en worden in de winterperiode deze groepen in groepshuisvesting gestald.
Een bedrijf kan als paardenmelkerij worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit verkoop van melk en/of melkproducten geproduceerd uit melk afkomstig van merries aanwezig op het bedrijf. Een paardenmelkerij kan worden vergeleken met een bedrijf met melkkoeien of melkgeiten. De omvang van de meeste paardenmelkerijen is kleiner dan een bedrijf met koeien of geiten, aangezien paardenmelk per liter veel meer opbrengt dan koeien- en geitenmelk. Om deze reden kan met minder productie worden volstaan.
Een bedrijf kan als pensionstal worden beschouwd indien de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het houden van paarden van derden. Hieronder wordt verstaan de verhuur van stalling met accommodatie en/of weiland en het verzorgen van de paarden.
Een bedrijf kan als spermawinstation worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit het winnen, bewerken en afzetten van sperma van hengsten ten behoeve van de fokkerij. Op een spermawinstation worden niet per definitie paarden gehouden. Het kan een laboratorium zijn waar een fantoom is opgesteld en waar een laboratorium is ingericht.
Een bedrijf kan als sportstal worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit een combinatie van training van paarden al dan niet in eigendom, het uitbrengen van paarden in de sport en het geven van instructie aan derden op paarden die niet in eigendom zijn van het bedrijf. Als de klanten naar het bedrijf komen met hun paard kan de instructie plaatsvinden op het bedrijf.
Een bedrijf kan als stalhouderij worden beschouwd indien de omzet uitsluitend of in hoofdzaak wordt behaald uit verhuur van aanspanningen voor bijvoorbeeld huwelijken, begrafenissen, tochten of shows. Sommige stalhouderijen ontvangen nauwelijks klanten, omdat ze alleen de paarden op het bedrijf verhuren voor bijvoorbeeld huwelijken. In andere gevallen worden er vooral tochten gemaakt vanuit het bedrijf en komen de klanten naar het bedrijf toe.
Een bedrijf kan als stoeterij worden beschouwd indien op het bedrijf een combinatie is te vinden van een fokkerij met een opfokbedrijf en/of africhtingsstal en/of hengstenhouderij.
Een paardensportaccommodatie die uitsluitend in gebruik is voor een vereniging van natuurlijke personen, die de paardensport als vrijetijdsbesteding met eigen paarden beoefenen in een of meerdere disciplines en waar in beginsel geen paarden structureel worden gestald.
Gebruiksgerichte paardenhouderij
Een paardenhouderij waar het rijden c.q. mennen met paarden, pony’s en of veulens primair gericht is op de ruiter/amazone/menner.
Ruimte (eventueel overdekt) in de vorm van een cirkel, waarin een paard onder begeleiding specifieke training gegeven kan worden.
Een niet overdekte piste voorzien van een bewerkte/aangepaste bodem waar naast training en africhting van het paard eveneens toetsing van prestaties van de combinatie paard en ruiter in diverse disciplines kan plaatsvinden.
Een agrarisch (grondgebonden) bedrijf wat zich richt op het productiegericht en/of gebruiksgericht houden van paarden, pony’s en/of veulens, niet zijnde een manege.
Een ruimte voorzien van een bewerkte/aangepaste (zand)bodem waar een of meerdere paarden ter ontspanning en naar eigen inzicht vrij kunnen bewegen.
Productiegerichte paardenhouderij
Een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en/of verhandelen van paarden, pony’s en/of veulens; zoals fok- en opfokbedrijven, de hengstenhouderijen, paardenmelkerijen, africhtingsstallen, trainingsstallen, sportstallen, handelsstallen, stalhouderijen en spermawinstations.
Ruimte (eventueel overdekt) in de vorm van een cirkel, waar meerdere paarden tegelijk kunnen stappen door middel van aansturing via een computergestuurde bedieningskast. Aanbeveling doorsnede stapmolen: circa 12 m (afhankelijk van het aantal paarden).
Ruimte (eventueel overdekt) in de vorm van een cirkel, waar meerdere paarden tegelijk kunnen stappen, draven of galopperen door middel van aansturing via een computergestuurde bedieningskast. Aanbeveling doorsnede trainingsmolen: circa 20 m (afhankelijk van het aantal paarden).
Een paardenhouderij in de omvang van tenminste één arbeidskracht met een daarbij passende bedrijfsomvang en waarbij zicht is op continuïteit, bijvoorbeeld door bedrijfsopvolging, gedurende minimaal de komende tien jaar.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-44412.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.